CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

De Handreiking Participatiewet in Balans

Beeldvormende bijeenkomst Papendrecht 8 oktober 2026, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 5: Presentatie Participatiewet in Balans en Transformatieplan lokale en regionale infrastructuur54.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 7

Dit geldt niet alleen voor de eerste verstrekking van de inkomenstoeslag, maar ook voor een tweede en volgende. In het vierde lid staat dat een aanvraag wordt afgewezen als in de 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag, al een individuele inkomenstoeslag is verleend. In het nieuwe artikel 36, eerste lid is nu vastgelegd dat de inkomenstoeslag ook ambtshalve kan worden verleend (kan-bepaling): 1. Het college kan ambtshalve of op aanvraag van een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die belanghebbende, een individuele inkomenstoeslag verlenen. Het derde lid heeft het niet meer over de aanvraag afwijzen, maar over de inkomenstoeslag (niet) verlenen: 3. Indien aan de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, in de voorafgaande 12 maanden een individuele inkomenstoeslag is verleend, wordt geen individuele inkomenstoeslag verleend. De gemeente bepaalt wat er met ‘langdurig laag inkomen’ wordt bedoeld. Deze inkomensgrens, de referteperiode en de hoogte van de inkomenstoeslag zijn gemeentelijk beleid. Dit verandert niet.

Omdat de het ambtshalve verstrekken van de inkomenstoeslag een kan-bepaling is, heeft de gemeente ook de ruimte om deze niet ambtshalve te verstrekken. 12.2 Waarom ambtshalve toekennen? De gemeente krijgt met deze wetswijziging de mogelijkheid om de individuele inkomenstoeslag zowel op aanvraag als ambtshalve toe te kennen. Nu kan dit volgens de wet alleen op aanvraag. Inwoners met een minimuminkomen, ook de bijstandsgerechtigde inwoners en de inwoners die al langere tijd gebruikmaken van minimaregelingen van de gemeente, moeten de aanvraag schriftelijk indienen. Van deze laatste groepen kan de gemeente alle gegevens om het recht op de inkomenstoeslag vast te stellen al voorhanden hebben. De toeslag ieder jaar helemaal opnieuw laten aanvragen is dan onnodig belastend voor de inwoners. Bovendien werkt dit niet-gebruik van de inkomenstoeslag in de hand. Dit laatste geldt ook voor inwoners die niet bekend zijn met de individuele inkomenstoeslag en die niet in beeld zijn bij de gemeente.

68 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Doelgroep en communicatie De wijziging vraagt om een meer proactieve dienstverlening van de gemeente naar alle mogelijk rechthebbende inwoners. Maar een deel van die inwoners zal niet in beeld zijn bij de gemeente. De gemeente kan de individuele inkomenstoeslag, als onderdeel van de communicatiestrategie, meer onder de aandacht brengen van intermediairs en hulpverleners. Denk aan de medewerkers bij formulierenbrigades en sociale wijkteams, collega’s van schuldhulpverlening, Sociaal Raadslieden en dergelijke. Daarnaast kan gedacht worden aan alle relevante ketenpartners zoals budgetcoaching, Humanitas, plaatselijke bewindvoerdersorganisaties enzovoorts. Deze hulpverleners kunnen de inwoners die zij spreken en die mogelijk voldoen aan de voorwaarden van de individuele inkomenstoeslag helpen bij de aanvraag ervan. Het volledig doorlopen van de aanvraagprocedure heeft de voorkeur als de inwoner nog niet bekend is bij de gemeente. De mogelijkheid om de inkomenstoeslag ambtshalve toe te kennen is een kan-bepaling. De gemeente kan in beleidsregels opnemen of zij de ambtshalve verstrekking toepast en ook voor welke doelgroepen. Aan de ambtshalve verstrekking van de individuele inkomenstoeslag aan inwoners nog niet eerder (goed) in beeld waren, zijn risico’s verbonden.

De risico’s van ambtshalve verstrekking De ambtshalve verstrekking van de individuele inkomenstoeslag kent het risico van onterechte verstrekking. Zeker als het gaat om de verstrekking van de inkomenstoeslag aan inwoners die niet eerder (goed) in beeld waren bij de gemeente. De gemeente zal bij bepalen van het recht de gegevens over inkomen en vermogen van deze inwoners natrekken in gegevensbestanden en Suwinet-Inkijk. Daarbij spelen de volgende risicovolle factoren55: 1. De bruikbaarheid van loongegevens uit Suwinet-Inkijk hangt mede af van tijdige en correcte loongegevens van werkgevers. Onjuiste of vertraagde aanlevering leidt tot foutieve gegevens; 2. Gegevens over vermogen zijn niet actueel. Vermogensgegevens zijn afkomstig van de Belastingdienst en worden eens per jaar beschikbaar gesteld. Op het moment van beschikbaarstelling zijn de gegevens al circa 8 maanden oud. Afhankelijk van de aanvraagdatum kan de verouderingsdatum oplopen, want verversing vindt pas weer 12 maanden later plaats; 3. Suwinet bevat geen gegevens over waardevolle roerende goederen, zoals boten of woonwagens; 4. Suwinet bevat ook geen gegevens over inkomstenbronnen als zzp-werk of een pgb. 12.3 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid In de gemeentelijke verordening Individuele Inkomenstoeslag is waarschijnlijk een kleine aanpassing nodig.

Staat hierin dat de toeslag op aanvraag kan worden verstrekt en wil de gemeente ook ambtshalve kunnen toekennen? Dan zal dit moeten worden toegevoegd. De gemeente kan in beleidsregels opnemen bij welke doelgroepen of onder welke voorwaarden ambtshalve verstrekking mogelijk is. Ambtshalve verstrekken kan bijvoorbeeld aan inwoners die bekend zijn bij de gemeente en al minstens zo lang als de referteperiode die geldt voor de inkomenstoeslag: • een Participatiewet, IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangen; en/of • inwoners met een ander minimuminkomen die in aanmerking komen voor een of meer gemeentelijke minimaregelingen. 55 Bron: Keteninformatie in de praktijk. Onderzoek naar de effectiviteit van BKWI- en BIDN-dienstverlening voor de uitvoering van SUWI-taken, Sira consulting, 17-11-2025, en Blog ‘De ambtshalve toekenning van de Individuele inkomenstoeslag in de Participatiewet’, W. Eiselin, 29-04-2026. 69 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Bij ongewijzigde omstandigheden kan de gemeente de inkomenstoeslag iedere 12 maanden opnieuw ambtshalve verstrekken. Een aandachtspunt is wat de gemeente doet met onterechte ambtshalve verstrekkingen. Er is hierbij geen sprake van verwijtbaarheid. Wel kan er sprake zijn van schending van de inlichtingingplicht bij de uitkering of minimaregeling, op basis waarvan de inkomenstoeslag onterecht ambtshalve is verstrekt.

Kan een ambtshalve verstrekking van de inkomenstoeslag ten nadele van de bijstandsgerechtigde worden herzien? Of wanneer geldt dit uitgangspunt niet? De gemeente kan afzien van terugvordering (zoals in lijn met de uitspraken van De Bock, zie hoofdstuk 10: Evenredigheidstoets bij dringende redenen). Daarnaast zal ambtshalve verstrekking waarschijnlijk tot meer verstrekkingen leiden. De begroting moet hierop worden aangepast. Een alternatief kan zijn de bedragen van de individuele inkomenstoeslag te verlagen, als de operatie budgettair neutraal moet verlopen. Uitvoering Deze wijziging vraagt een meer proactieve dienstverlening van de gemeente en waarschijnlijk ook een aanpassing van het werkproces. De doelgroep voor de ambtshalve toekenning moet (een keer per jaar) bepaald en uit het bestand geselecteerd worden. Deze groep moet ook over de verstrekking van de individuele inkomenstoeslag worden geïnformeerd. Zelf aanvragen Het moet wel mogelijk blijven voor inwoners om de individuele inkomenstoeslag zelf aan te vragen. Deze mogelijkheid is noodzakelijk voor inwoners die niet bij de gemeente in beeld zijn, zoals werkenden met een inkomen rond het sociaal minimum. Digitale ondersteuning Deze wijziging zal misschien enige aanpassing van de digitale ondersteuning vragen, tenzij de gemeente ook nu al ambtshalve kan toekennen en dit al ingeregeld heeft.

Mogelijk kan er een uitdraai uit het systeem worden gemaakt met uitkeringsgerechtigden en andere inwoners die (nogmaals) recht (kunnen) hebben op de inkomenstoeslag. 12.4 Kan de gemeente al vooruitlopen op de wijziging? Veel gemeenten kennen de inkomenstoeslag nu al de eerste keer op aanvraag toe aan uitkeringsgerechtigden, en verstrekken de toeslag 12 maanden later bij ongewijzigde omstandigheden (min of meer) automatisch. Dit gebeurt dan bijvoorbeeld met een e-mail of (digitaal) formulier waarop de uitkeringsgerechtigde alleen maar hoeft te reageren of een handtekening hoeft te zetten. Ook voor andere inwoners die al eerder een inkomenstoeslag hebben ontvangen en deze voor een tweede of volgende keer kunnen aanvragen, kennen veel gemeenten al een verkorte aanvraagprocedure. Dit blijft mogelijk. Maar vooruitlopen en de inkomenstoeslag (de eerste of volgende keer) ambtshalve verstrekken zonder een vorm van aanvraag of instemming, is in 2026 nog niet mogelijk. Er is namelijk nog geen juridische grondslag voor de gegevensverwerking.

70 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Proactieve dienstverlening, gebruik gegevens en AVG In het kader van een eenvoudigere uitvoering van de Participatiewet en proactieve dienstverlening56 wordt het verlenen van een inkomenstoeslag aan inwoners die daar recht op hebben door deze wetswijziging eenvoudiger voor zowel inwoner als gemeente. Het is echter in 2026 nog niet mogelijk de inkomenstoeslag al ambtshalve toe te kennen. Inwoners die gebruikmaken van minimaregelingen en volgens de aanwezige gegevens aan de gemeentelijke voorwaarden van de inkomenstoeslag voldoen, kan de gemeente wel proactief informeren over de individuele inkomenstoeslag. Dit kan door hen informatie en een (verkort) aanvraagformulier toe te sturen. 12.5 IOAW, IOAZ en Bbz Ook inwoners met een IOAW, IOAZ en Bbz-uitkering kunnen in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag. De gemeente kan ook aan een uitkeringsgerechtigde met een van deze uitkeringen ambtshalve een inkomenstoeslag toekennen, als de benodigde gegevens aanwezig zijn en daaruit blijkt dat de uitkeringsgerechtigde aan de voorwaarden voldoet. Daarvoor hoeft in deze regelingen niets gewijzigd te worden.

56 Zie ook het Wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW Gebruik gegevens en AVG Het gebruik van de gegevens van inwoners om aan hen actief te benaderen om de individuele inkomenstoeslag aan te vragen, is toegestaan op grond van artikel 6, vierde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het doel van het gebruik van de gegevens is verenigbaar met het oorspronkelijke verwerkingsdoel van deze gegevens. 71 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 13 Uniform verrekenen inkomsten uit arbeid Deze wijziging gaat in per 1 januari 2027. De gemeente mag hier in 2026 al op vooruitlopen (behalve op 7e en 7f Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ). Wanneer een bijstandsgerechtigde werkt naast de uitkering of ook een andere uitkering ontvangt, moeten deze inkomsten worden verrekend met de bijstandsuitkering. De bijstand vult immers aan tot de toepasselijke norm. Het verrekenen van inkomen uit werk of andere uitkering met de bijstandsuitkering is voor gemeenten een intensief administratief proces. Ook maken de gemeenten verschillende keuzes in hoe bepaalde inkomsten worden verrekend. Dit geeft verschillen tussen gemeenten in wat bijstandsgerechtigden per maand ontvangen. Het proces zelf kan bovendien leiden tot grote schommelingen in de maandelijkse aanvulling.

Voor de rechtszekerheid, overzichtelijkheid en eenduidigheid is het van belang om dit verrekenproces, zowel voor de gemeente als voor de bijstandsgerechtigden, zoveel mogelijk te uniformeren en te vereenvoudigen. De vereenvoudiging wordt ook bewerkstelligd door aanpassing van het transactiestelsel. 13.1 Wat wijzigt er in de verrekening van inkomsten? Inkomen wordt pas in aanmerking genomen wanneer hierover daadwerkelijk beschikt wordt. Dit is op onderdelen een wijziging van het transactiestelsel. In verband hiermee wordt artikel 32, tweede lid, van de Participatiewet aangepast: Artikel 32. Inkomen 2. Inkomen wordt in aanmerking genomen naar de periode waarin de belanghebbende hierover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, tenzij: a. het inkomen betreft dat betrekking heeft op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, maar waarover pas na afloop van deze periode redelijkerwijs kan worden beschikt, in welk geval dat in aanmerking wordt genomen naar de periode waarop dit inkomen betrekking heeft, zodra belanghebbende er over beschikt of redelijkerwijs over kan beschikken; b. het inkomen is waarover al wordt beschikt maar dat bedoeld is om in de toekomst periodiek aan te spreken, in welk geval het in gelijke delen in aanmerking wordt genomen naar die toekomstige perioden.

De manier waarop inkomsten uit arbeid worden verrekend met de algemene bijstand verandert. Hiervoor wordt een nieuw vijfde lid aan artikel 32 van de Participatiewet toegevoegd. Artikel 32. Inkomen 5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over: a. de wijze waarop inkomsten in aanmerking worden genomen die als loon als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 kwalificeren; b. op welke wijze de aftrek, bedoeld in artikel 31, derde lid, over inkomen als bedoeld in onderdeel a, wordt berekend, waarbij percentages kunnen worden bepaald voor het vaststellen van de hoogte van de premies en inhoudingen, bedoeld in artikel 31, derde lid, onderdeel b; c. het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantiebijslag, eindejaarsuitkering en keuzebudget over een inkomen.

Ook de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ | 57 is in verband hiermee gewijzigd. Deze Regeling schrijft precies voor hoe het netto-inkomen naast de bijstand moet worden vastgesteld, met als basis het belastbaar loon. Daarnaast geeft de gewijzigde Regeling instructies voor uniforme verrekening van de eindejaarsuitkering, vakantietoeslag en individueel keuzebudget. Wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2027 Per abuis is artikel 19 van de Participatiewet niet meegenomen in de wijzigingen in het kader van de Participatiewet in balans. In het Wetsvoorstel Verzamelwet SZW 202758 wordt voorgesteld om artikel 19 ook aan te passen, zodat dit in lijn wordt gebracht met de hierboven vermelde wijzigingen van artikel 32. Ook artikel 45, lid 1, van de Participatiewet | wordt via het Wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2027 aangepast, zodat duidelijk is hoe moet worden gehandeld als de uit te bet | alen vakantietoeslag negatief is. Een negatieve v | akantietoeslag is door de nieuwe manier van berekenen in bepaalde gevallen mogelijk (zie ook § 13.2 Vakantietoeslag). 13.2 | Waarom wordt de manier van verrekenen gewijzigd? De salaris- of uitkeringsspecificatie en een inkomstenformulier vormen nu meestal de basis voor de verrekening. De gemeente bepaalt vervolgens welk deel van loon of uitkering met de bijstandsuitkering verrekend moet worden en houdt hierbij rekening met o.a.

salarisperiode, loonheffingskortingen, reserveringen en losse vergoedingen. Op dit moment zijn er grote verschillen tussen gemeenten in de manier van verrekenen en het tijdstip daarvan. De huidige wetgeving en de gemeentelijke keuzes kunnen onbedoelde negatieve effecten hebben voor de bijstandsgerechtigde: • | Omdat de huidige wet erin voorziet dat de vakantietoeslag meteen (fictief) verrekend wordt, ontvangen inwoners die in deeltijd werken op maandbasis minder dan toen ze nog niet werkten. • | Als gemeenten vervolgens ook (in strijd met de wet) een eventuele eindejaarsuitkering per maand verrekenen, is dit verschil nog groter. Dat dit verschil wordt opgeheven bij de uitbetaling van de vakantietoeslag (en/of eindejaarsuitkering) maakt de situatie op maandbasis niet beter. • | De verrekening van vierwekelijks loon leidt er in veel gevallen toe dat er op maandbasis te veel wordt gekort. • | Veel gemeenten blokkeren de volledige uitkering totdat de loonstrook binnen is. De inwoner zit dan lange tijd in (onzekere) afwachting van zijn uitkering. De wijzigingen in de verrekening van inkomsten vereenvoudigen het proces en bevorderen de financiële zekerheid van bijstandsgerechtigden die in deeltijd werken door te voorkomen dat zij op maandbasis onder het minimum komen.

Ook vergroten de wijzigingen de rechtsgelijkheid doordat de verschillen in verrekenproces tussen gemeenten opgeheven worden. Uniform verrekenen De werkwijze wordt geüniformeerd voor transparantie en rechtsgelijkheid, en aangepast zodat het ‘automatisch’ verrekenen (zonder loonstrook) mogelijk is op basis van gegevens uit de 57 Zie Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ | . 58 Dit Wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2027 | is op het moment van publiceren van deze handreiking alleen te raadplegen via de (inmiddels gesloten) internetconsultatie. 72 | Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 73 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Polisadministratie. Het belastbaar loon wordt het uitgangspunt van de berekening. Er zijn met de gewijzigde Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ45 nieuwe regels voor het verrekenen van: • normaal netto-inkomen; • bijzonder netto-inkomen; • de eindejaarsuitkering en het keuzebudget; en • de vakantietoeslag. Normaal netto-inkomen59 Uitgangspunt voor de berekening van het totale netto-inkomen naast de bijstand is het bedrag aan inkomen dat belastbaar is voor de loonbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: totale loon loonbelasting premieheffing (LBPH)). Als de bijstandsgerechtigde uit meerdere bronnen inkomen ontvangt, wordt dit bedrag voor ieder inkomen afzonderlijk vastgesteld.

Op dit totale loon LBPH wordt in mindering gebracht: a. het totaal van de inhoudingen loonbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: totale inhouding LBPH); b. de geüniformeerde inhouding WGA-premie zoals vastgesteld conform artikel 7b van deze regeling, van toepassing bij inkomen uit dienstbetrekking; Deze eerste berekening resulteert in het totale nettoloon. Dit bedrag kan worden berekend vanuit de Polisadministratie, maar kan ook worden berekend of afgelezen vanuit een inkomensspecificatie. Indien van toepassing wordt op dit totale nettoloon vervolgens in mindering gebracht: c. inhouding premie Zorgverzekeringswet; d. het netto loonvoordeel van het privégebruik van een auto; e. de netto tegemoetkoming Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw) of de netto Jonggehandicaptenkorting (hierna: JGK). De inhouding van de gedifferentieerde premie voor de WGA-heffing (onderdeel van Whk, de werkhervattingskas) wordt eveneens geüniformeerd. Voor deze berekening wordt de volgende formule gebruikt: Gemiddeld percentage x 3 x 50%. Het gemiddelde percentage wordt jaarlijks vastgesteld en gepubliceerd door UWV. Berekend is dat de vermenigvuldigingsfactor 3 zoveel mogelijk borgt dat deze berekeningswijze geen financieel nadeel oplevert voor de bijstandsgerechtigde en zoveel mogelijk recht doet aan de verschillen tussen de premies van de verschillende sectoren en werkgevers.

Deze berekeningswijze kan voor het merendeel van de bijstandsgerechtigden leiden tot een klein positief verschil. Doordat dit een geringe afwijking is, heeft dit geen nadelige consequenties voor het recht op toeslagen, ook niet in combinatie met eventuele inkomensvrijlatingen. Afwijking/uitzondering In een klein aantal sectoren en bij sommige werkgevers – vooral als zij eigenrisicodrager zijn voor de WGA – kan de geüniformeerde berekening ertoe leiden dat de werkelijk ingehouden premie te laag wordt vastgesteld. In die situaties moet worden uitgegaan van de feitelijk ingehouden WGA-premie. De gemeente stelt dit vast door eenmalig de inkomensspecificatie te vergelijken met de generiek berekende WGA-premie. Ook kan de bijstandsgerechtigde de gemeente, op basis van de inkomensspecificatie, vragen om de feitelijk ingehouden WGA-premie te gebruiken. Deze mogelijkheid is vastgelegd in artikel 7i, eerste lid van de Regeling. Deze werkwijze mag niet leiden tot een financieel nadeel voor de bijstandsgerechtigde. 59 Tekst gebaseerd op nota van toelichting op de gewijzigde Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. 74 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Bijzonder netto-inkomen Uitgangspunt voor de berekening van de bijzondere beloningen is het bijzondere loon LBPH als genoemd in artikel 7d lid 2.

Dit is het totale belastbare bijzonder loon dat in de regel slechts eenmaal per jaar worden toegekend, bijvoorbeeld uitbetaalde vakantiebijslag, eindejaarsuitkering (eju) en het keuzebudget (kb). Op dit bedrag wordt in mindering gebracht: a. De ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen, die betrekking heeft op het bijzondere loon (bijzondere inhouding LBPH); b. Deze inhouding wordt berekend door de normale inhouding LBPH (artikel 7c, derde lid, onder a), van de totale inhouding LBPH af te halen. Het resultaat van deze berekening is het bijzondere nettoloon. c. De geüniformeerde WGA-heffing, voor zover deze betrekking heeft op het bijzondere loon; d. Dit wordt berekend door de geüniformeerde WGA-heffing die betrekking heeft op het normale loon in mindering te brengen op de totale geüniformeerde WGA-heffing. e. De inhouding premie zorgverzekeringswet, voor zover deze betrekking heeft op het bijzondere loon; f. Dit wordt berekend door de inhouding premie zorgverzekeringswet die betrekking heeft op het normale loon in mindering te brengen op de totale inhouding premie zorgverzekeringswet. Resultaat van deze berekening is het bijzondere netto-inkomen dat verrekend kan worden met de bijstandsuitkering.

Uiteraard moet hierbij zorgvuldig beoordeeld worden of de bijzondere beloning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een periode waarin de bijstandsgerechtigde nog geen recht op bijstand had of geen recht op bijstand meer heeft. Eindejaarsuitkering De eindejaarsuitkering (eju) of een 13e maand mag pas worden verrekend op het moment dat erover wordt beschikt (zie verder onder transactiestelsel). De eju geldt als inkomen en over de bijstand wordt geen eju opgebouwd. Verrekenen gaat als volgt: eerst de vaststelling van het nettobedrag (zie onder bijzonder netto-inkomen) dan zijn er de volgende opties: • Is de eju lager dan de bijstandsnorm? Volledig verrekenen in de maand van ontvangst of volgend op de maand van ontvangst. • Is de eju met het normale nettoloon hoger dan de bijstandsnorm? Volledig verrekenen in de maand van ontvangst of volgend op de maand van ontvangst en op grond van artikel 58 lid 4 Pw in de maanden daarop. • Is de eju met het normale nettoloon hoger dan de bijstandsnorm en kan dit niet binnen 6 maanden verrekend worden? Restant terugvorderen op grond van artikel 58 lid 2 Pw. Let op! Uitbetalingen uit het Individueel Keuzebudget (IKB) gaan volgens dezelfde systematiek. Behalve wanneer het om vakantietoeslag via het IKB gaat, dan wordt dit deel verrekend gelijk aan de vakantietoeslag (zie hierna).

75 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Vakantietoeslag60 De vakantietoeslag (vt) over het inkomen wordt nog steeds forfaitair berekend, maar niet meer direct gekort op de uitkering. De forfaitaire vakantietoeslag over het inkomen wordt direct in mindering gebracht op de reservering vakantietoeslag over de bijstandsnorm. De hoogte van het recht op vakantietoeslag op de bijstand wordt straks berekend over de norm en niet meer over de norm minus inkomen. De over de bijstandsuitkering gereserveerde vakantietoeslag wordt verrekend met de vakantietoeslag over het loon. Dat gaat als volgt: 1. De gemeente berekent de vakantietoeslag over de volledige toepasselijke bijstandsnorm (5%). 2. De gemeente berekent de aanspraak op vakantietoeslag over het te verrekenen normale netto- inkomen aan de hand van de vakantietoeslagtabellen (art. 11 t/m 14 van de Regeling). 3. De gemeente brengt de forfaitair berekende vakantietoeslag over het inkomen in mindering op de vakantietoeslagreservering over de volledige bijstandsuitkering. Het resultaat hiervan is de toevoeging aan de vakantietoeslagreservering over het vt-jaar. Bij een zeer hoog maandelijks inkomen naast de aanvullende bijstandsuitkering, kan het resultaat van deze berekening in uitzonderingsgevallen negatief zijn. 4.

De gemeente berekent het totaalsaldo aan vakantietoeslag over de periode waarin de vakantietoeslag wordt opgebouwd door de resultaten per maand uit stap 3 bij elkaar op te tellen. 5. Op het moment dat de vakantietoeslag over de bijstandsuitkering wordt uitbetaald, meestal in mei of juni, wordt het totaalsaldo dat het resultaat is van deze optelsom door de gemeente uitgekeerd aan de bijstandsgerechtigde. 6. De gemeente maakt bovenstaande berekening, het netto berekend bedrag aan vakantietoeslag over het te verrekenen inkomen dat in mindering is gebracht op de vakantietoeslag over de volledige bijstandsnorm (exclusief 5% opbouw vakantietoeslag), de optelsom en het totaalsaldo elke maand inzichtelijk voor de bijstandsgerechtigde op de uitkeringsspecificatie. 7. Als bij uitbetaling het totaalsaldo van de optelsom negatief is, vindt geen verrekening of terugvordering plaats en wordt het saldo aan vakantietoeslag op nul gezet. Hiermee wordt de financiële zekerheid bevorderd. Voorbeeldberekening vakantietoeslag: Maand 1 In dit voorbeeld is de bijstandsnorm incl. vakantietoeslag fictief € 1.400. Het inkomen is netto € 730 op de loonstrook.

Stap 1 – Vakantiebijslag over bijstandsnorm * 5% van € 1.400 = € 70,00 Stap 2 – Vakantiebijslag over inkomen uit arbeid * 8% van € 730 = € 58,40 Stap 3 – Berekening reservering * € 70,00 − € 58,40 = € 11,60 ➡️ Reservering vakantiebijslag = € 11,60 deze maand 60 De officiële term (die ook in de Regeling wordt genoemd) is vakantiebijslag. 76 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Maand 2 In dit voorbeeld is de bijstandsnorm incl. vakantietoeslag fictief € 1.400. Het inkomen is netto € 300 op de loonstrook. Stap 1 – Vakantiebijslag over de bijstandsnorm * 5% × € 1.400 = € 70,00 Stap 2 – Vakantiebijslag over inkomen uit arbeid * 8% × € 300 = € 24,00 Stap 3 – Berekening reservering * € 70,00 − € 24,00 = € 46,00 ➡️ Reservering vakantiebijslag = € 46,00 deze maand Maand 3 In dit voorbeeld is de bijstandsnorm incl. vakantietoeslag fictief € 1.400. Het inkomen is netto € 1.100 op de loonstrook. Stap 1 – Vakantiebijslag over de bijstandsnorm * 5% × € 1.400 = € 70,00 Stap 2 – Vakantiebijslag over inkomen uit arbeid * 8% × € 1.100 = € 88,00 Stap 3 – Berekening reservering * € 70,00 − € 88,00= - € 18,00 ➡️ Over deze 3 maanden is de te reserveren vakantietoeslag: € 11,60 + € 46,00 – € 18 = € 39,60 Gebroken vakantiegeldjaar De reservering van het vakantiegeld loopt van juni tot juni.

Van 1 juni tot en met 31 december 2026 geldt nog de huidige manier van berekenen, vanaf 1 januari berekenen gemeenten de vakantietoeslag op de nieuwe wijze. Verrekening vierwekelijks loon Sommige gemeenten rekenen vierwekelijks loon maandelijks om door het salaris te vermenigvuldigen met 13 en te delen door 12. Daardoor wordt elke maand meer inkomen verrekend dan daadwerkelijk is ontvangen. Dit leidt ertoe dat inwoners maandelijks te weinig aanvullende bijstand krijgen, terwijl de 13e periode volledig wordt vrijgelaten. Deze werkwijze is complex, omdat achteraf herberekeningen nodig zijn. Vanaf januari 2027 geldt dat het (vierwekelijkse) inkomen moet worden verrekend in de maand waarin het daadwerkelijk is uitbetaald. Aan het einde van het jaar worden periode 12 en 13 in één maand verrekend.61 Is het inkomen in die maand hoger dan de bijstandsnorm? Dan kan het meerdere worden verspreid over maximaal 6 volgende maanden (artikel 58 lid 4 Pw). Gemeenten moeten inwoners hier vooraf goed over informeren, vanwege de ‘dubbele’ verrekening. Als spreiding niet (voldoende) mogelijk is, kan de gemeente dit opvangen met het bufferbudget. 61 Dit is afhankelijk van de betaaldatum van de uitkering. Werkt de gemeente met een betaaldatum rond de 20 e van de maand? Dan kan de dubbele verrekening op een ander moment plaatsvinden, bijvoorbeeld in mei of juni.

77 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 13.3 Kan de gemeente al vooruitlopen op de wijziging? Op de hierboven beschreven wijzigingen mag in 2026 vooruitgelopen worden (gedoogjaar), behalve op de wijzigingen met betrekking tot de vakantietoeslag. Voor de datum van inwerkingtreding van 1 januari 2027 zijn ICT-aanpassingen voor deze onderdelen nodig. 13.4 Automatisch verrekenen Automatisch verrekenen houdt in dat de benodigde gegevens over inkomsten uit de Polisadministratie worden gehaald en zonder tussenkomst van een medewerker van de gemeente worden berekend. De bijstandsgerechtigde hoeft dan geen loonstroken in te leveren. Wel blijft de inlichtingenplicht gelden. De bijstandsgerechtigde moet blijven doorgeven dat hij werkt of andere inkomsten ontvangt (zoals alimentatie die niet in de Polisadministratie staat). Giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200 hoeft hij niet door te geven (zie Hoofdstuk 4: Ontvangsten uit giften). De wijze van verrekening sluit aan bij de manier die UWV toepast bij WIA, Wajong en WW. De gemeente kan gebruikmaken van het product Ondersteuning Inkomstenverrekening Bijstand (OIB) dat door het Bureau Informatiediensten Nederland (BIDN, het voormalige Inlichtingenbureau) is ontwikkeld. Het product OIB kan ook bij handmatig verrekenen een nuttig naslagwerk zijn.

In 2019-2020 is er een pilot gedraaid in 7 gemeenten en 1 samenwerkingsverband. Hieruit bleek dat 40% van de werkgevers binnen het huidige tijdvak loonaangifte doet en 95% binnen 6 tot 7 weken na de start van het tijdvak. Een aantal gemeenten is de pilot met OIB-signalen zo goed bevallen dat de automatische verrekening de standaard is geworden. Het wordt echter niet verplicht automatisch te verrekenen, het wordt wel mogelijk gemaakt naar aanleiding van het rapport Als verrekenen een beperking is62. De mogelijkheid is gecreëerd door de aanpassingen in de uniforme werkwijze. Maar het moet altijd mogelijk blijven om handmatig uniform te verrekenen, dus op basis van het belastbaar loon. Er zijn verschillende methoden om te verrekenen: • OIB gebruiken voor het berekenen en dan verrekenen; • de polisgegevens in het registratiesysteem laden, berekenen en dan verrekenen; • in Suwinet de polisgegevens inkijken, berekenen en dan verrekenen; • de loonstrook gebruiken om te berekenen en dan verrekenen. 62 Als verrekenen een beperking is (Stimulansz, Muzus en Optimalistic, februari 2021) Optimalistic heeft een Handreiking Verrekenen inkomsten volgens de Participatiewet in Balans geschreven. Hierin staan een stappenplan voor het werkproces en tips voor communicatie richting de bijstandsgerechtigden. Deze handreiking is vanaf juli 2026 te downloaden bij de Producten Simpel Switchen.

78 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 13.5 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Automatisch verrekenen is niet verplicht, uniform verrekenen wel. De gemeente zal een keuze moeten maken voor het wel of niet toepassen van automatische verrekening. Uitvoering Dit betekent dat de uitkeringsadministratie opgeleid moet worden in de nieuwe werkwijze voor uniforme verrekening. Ook wanneer wordt gekozen voor automatisch verrekenen moet de uitkeringsadministratie de nieuwe werkwijze beheersen. In de opstartfase zal namelijk handmatig verrekenen noodzakelijk zijn en ook bij technische mankementen. Digitale ondersteuning Voor automatisch verrekenen moeten de gegevens uit de Polisadministratie worden gebruikt. Hiervoor kan van het product OIB-gebruik gemaakt worden of een beroep worden gedaan op de softwareleverancier om de polisgegevens in te laden en zodoende binnen het eigen uitkeringssysteem de berekening uit te voeren. Bij een eerste werkaanvaarding zal het in eerste instantie nodig zijn om vanaf de loonstroken te werken omdat de polisgegevens niet meteen gevuld zijn. Houd bij software-aanpassingen ook rekening met de wijziging in de verrekening van de vakantietoeslag en betaaldatum (in de toekomst zal deze landelijk gelijkgetrokken worden).

De systemen van de leveranciers worden voor de reservering van vakantietoeslag per 1 januari 2027 aangepast. Dit houdt in dat dat ook het moment is om de wijze van vt-reservering om te zetten. 13.6 Kan de gemeente vooruitlopen op deze wijziging? De ingangsdatum voor deze wijziging is voorzien voor 1 januari 2027. Op uniform verrekenen inclusief de omgang met een eindejaarsuitkering of 13e maand, kan in 2026 vooruitgelopen worden. Dit kan niet op het uniform verrekenen van de vakantietoeslag, al dan niet uit een IKB. 13.7 IOAW, IOAZ en Bbz IOAW en IOAZ Het verrekenen van inkomsten waarbij het netto-inkomen op uniforme wijze wordt vastgesteld, de verduidelijking van het transactiesysteem en automatisch verrekenen worden niet doorgevoerd in de IOAW en IOAZ. De manier van verrekenen van inkomsten in de Participatiewet verschilt van die in de IOAW en IOAZ. Bij deze regelingen gaat het om bruto-inkomsten die bruto worden verrekend. Deze manier van verrekenen levert over het algemeen geen problemen op. Bbz Ook in het Bbz zullen deze wijzigingen geen of beperkt doorwerking hebben. In het Bbz geldt een jaarsystematiek, waarmee automatisch verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie niet logisch is. Er is immers geen sprake (of maar deels sprake) van loondienst.

Bij directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) gaat de Belastingdienst uit van een minimumsalaris (het gebruikelijk loon), betaald uit de onderneming. Dat salaris staat wel in de Polisadministratie, maar de feitelijke situatie kan anders zijn. Een DGA die noodgedwongen beroep doet op en Bbz ontvangt zal zichzelf niet of nauwelijks salaris uit de onderneming uitbetalen. 79 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Dit artikel kan wel doorwerken in het Bbz 2004 in specifieke situaties. Bijvoorbeeld wanneer de partner van de ondernemer parttime in loondienst werkt. Of als de ondernemer aan het urencriterium voldoet, maar daarnaast ook nog parttime in loondienst werkt. In deze gevallen kan wel gebruik worden gemaakt van gegevens uit de Polisadministratie. 80 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 14 Verruiming bijverdiengrenzen en premie arbeidsinschakeling < 27 jaar Deze wijziging gaat in per 1 januari 2027. De gemeente mag hier bij jongeren tot 27 jaar in 2026 al op vooruitlopen. Om een bijstandsgerechtigde te stimuleren te gaan werken en te blijven werken, heeft de gemeente de mogelijkheid om de bijstandsgerechtigde een één- of tweemalige premie te geven en een deel van de verdiende inkomsten vrij te laten. Dat wil zeggen: niet te verrekenen met de uitkering. Het resultaat is een hoger inkomen dan de bijstandsnorm.

Deze regelingen motiveren de bijstandsgerechtigde om te blijven werken, meer uren te gaan werken en mogelijk uit de uitkering te stromen. Een voorwaarde voor zowel de premie als de vrijlating van inkomsten is daarom dat deze bijdragen aan de arbeidsinschakeling. In de Participatiewet komt per 1 januari 2027 een nieuwe vrijlatingsregeling met verruimde (bijverdien)grenzen. Daarnaast krijgt de gemeente de mogelijkheid om de nieuwe vrijlatingsregeling en de bestaande premie arbeidsinschakeling al in 2026 aan jongeren tot 27 jaar toe te kennen. 14.1 De inkomensvrijlatingen en nieuwe regeling In artikel 31 lid 2 van de Participatiewet zijn voor 4 doelgroepen vrijlatingsregelingen opgenomen: 1. de algemene inkomensvrijlating voor alle bijstandsgerechtigden vanaf 27 jaar (maximaal 6 maanden 25% van de inkomsten tot een maximumbedrag); 2. een inkomensvrijlating voor alleenstaande ouders vanaf 27 jaar (maximaal 30 maanden 12,5% van de inkomsten tot een maximumbedrag); 3. een inkomensvrijlating voor mensen die werken met loonkostensubsidie (maximaal 12 maanden 15% van de inkomsten tot een maximumbedrag en eventuele verlenging); 4. een structurele inkomensvrijlating voor mensen met een medische urenbeperking (15% van de inkomsten tot een maximumbedrag). Deze 4 vrijlatingsregelingen verschillen in voorwaarden, duur en vrijlatingspercentage.

Dit maakt de regelingen onnodig complex voor zowel gemeente als bijstandsgerechtigde. Voor bijstandsgerechtigden vanaf de AOW-leeftijd (AIO-gerechtigden) geldt een structurele inkomensvrijlating van 25% van de inkomsten uit werk, tot een maximumbedrag. Deze regeling wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). 14.2 Wat wijzigt er aan de inkomensvrijlatingen? Er komt een nieuw artikel 34a in de Participatiewet. Dat luidt: Artikel 34a. Verrekening inkomsten uit arbeid met de algemene bijstand 1. Inkomsten uit arbeid worden niet met de algemene bijstand verrekend ten aanzien van degene die: a. de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt: gedurende een aaneengesloten periode van maximaal twaalf maanden voor 15 procent van deze inkomsten per maand, indien dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van deze persoon; b. medisch urenbeperkt is: voor 15 procent van deze inkomsten per maand;

c. | de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt: voor 25 procent en tot € 226,00 van deze inkomsten per maand. 2. | Nadat de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is verstreken kan het college de periode waarin de inkomsten uit arbeid niet worden verrekend verlengen met een door het college te bepalen periode, indien het college een uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden niet mogelijk acht. 3. | Indien de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of het tweede lid, is verstreken zonder dat deze is verlengd, kan het college nogmaals toepassing geven aan het eerste lid indien de persoon nadien een nieuw dienstverband is aangegaan. De regeling vervangt alle tijdelijke vrijlatingsregelingen (de regelingen 1, 2 en 3 hierboven). De structurele inkomensvrijlating voor mensen met een medische urenbeperking blijft bestaan, maar zonder maximumbedrag. De regeling voor AIO-gerechtigden blijft ook bestaan en verandert niet. Kenmerken van de nieuwe inkomensvrijlating Voor de nieuwe inkomensvrijlating (ook wel bijverdienregeling) uit artikel 34a van de Participatiewet geldt het volgende: 1. | De regeling geldt voor alle bijstandsgerechtigden vanaf 18 jaar tot aan de AOW-leeftijd. 2. | Het gaat om een vrijlating van 15% van de netto-inkomsten uit werk in de betreffende maand.

Dit mag werk in loondienst zijn, maar ook werk uit bedrijfs- en beroepsmatige werkzaamheden op bescheiden schaal. Inkomsten als gratificaties, een 13e maand en een bonus zijn ook inkomsten uit werk, en vallen daarom op het moment van uitbetaling ook onder de vrijlating van 15%. Voor vakantiegeld en IKB geldt dat deze door de werkgever worden gereserveerd en geen losse inkomenscomponenten zijn. De vrijlating van 15% van de netto-inkomsten is exclusief vakantiegeld of IKB. Zodra het vakantiegeld of het IKB tot uitbetaling komt kan ook hiervan alsnog 15% buiten beschouwing worden gelaten. 3. | Er geldt géén wettelijk maximumbedrag, zowel voor de algemene vrijlatingsregeling als die voor bijstandsgerechtigden met een medische urenbeperking. Het bedrag dat kan worden vrijgelaten is daarmee altijd 15% van het totale bedrag aan inkomsten uit werk, maar kan nooit méér zijn dan (of gelijk aan) 15% van de toepasselijke norm. Komt het bedrag aan inkomsten, zonder toepassing van de vrijlating, boven de bijstandsnorm uit? Dan is er geen recht meer op bijstand. Dit betekent dat eerst gekeken wordt of de inkomsten onder de bijstandsnorm blijven. Alleen in dat geval wordt 15% van die inkomsten niet in aanmerking genomen | , 85% wordt verrekend met de uitkering.63 4. | Na de start van de inkomensvrijlating geldt deze voor de daarop volgende 12 maanden (of korter).

Ook als iemand in die periode verschillende dienstbetrekkingen heeft of zelfs onderbrekingen zonder dienstbetrekking. Het staat de gemeente echter ook vrij om de regeling bij einde | van het dienstverband te beëindigen, en bij de start van een nieuw dienstverband of nieuwe werkzaamheden uit bedrijf of beroep te bekijken of de vrijlating voor de bijstandsgerechtigde ook nu weer een stimulans is voor uitstroom. Dan mag de gemeente de inkomensvrijlating opnieuw toepassen. 5. | Verlenging van de periode van 12 maanden is mogelijk als blijkt dat de bijstandsgerechtigde vanwege individuele omstandigheden (nog) niet meer uren kan te gaan werken. Het gaat hierbij om maatwerk, de gemeente bepaalt hoe lang de periode van verlenging duurt. Dit mag ook voor langere tijd zijn, bijvoorbeeld als uitstroom uit de bijstand voorlopig niet mogelijk is, maar de vrijlating wel bijdraagt aan het blijven werken. Omstandigheden die urenuitbreiding in de weg kunnen staan zijn bijvoorbeeld het verlene | n van 63 Hiermee wordt teruggegaan naar de vrijlatingspraktijk die bestond | vóór de uitspraak van de CRvB: ECLI:NL:CRVB:2021:2146. Zie Memorie van toelichting Participatiewet in balans, juni 2024 | , pagina 106.

81 | Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 82 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 mantelzorg, beperkt openbaar of taxivervoer van en naar het werk, of multiproblematiek thuis. Ook is het mogelijk dat de werkgever niet meer uren werk kan bieden. 6. Kan de bijstandsgerechtigde het aantal te werken uren niet uitbreiden vanwege een vastgestelde medische beperking? Dan geldt mogelijk de structurele vrijlating voor medisch urenbeperkten. 7. De inkomensvrijlating kan ook worden ingezet als iemand al in deeltijd werkt op het moment dat diegene de bijstand instroomt. Bijvoorbeeld na een scheiding of het overlijden van de partner. Vrijlating van 15% van de inkomsten zonder maximum Ten opzichte van de huidige algemene vrijlatingsregeling van 25% van de inkomsten wordt de bijverdiengrens procentueel niet verruimd. De verruiming zit in het ontbreken van een maximumbedrag per maand en de duur van de regeling. Het lagere percentage van 15% zorgt ervoor dat de zogenoemde armoedeval na afloop van de regeling beperkt blijft. Er is daarom gekozen voor een langere vrijlatingsregeling van 15% in plaats van een vrijlating met een hoger percentage. Stabiliteit in inkomen is voor mensen belangrijker dan een tijdelijk hoger inkomen.

Ook wordt met het percentage van 15% voorkomen dat een bijstandsgerechtigde die in deeltijd werkt en waarbij een deel van de inkomsten niet wordt verrekend met de uitkering, netto méér inkomsten heeft dan een inwoner in vergelijkbare omstandigheden, maar met alleen inkomsten uit werk tegen het minimumloon. Waarom een nieuwe vrijlatingsregeling? Het doel van alle vrijlatingsregelingen is om werken naast de uitkering aantrekkelijk te maken en de overgang tussen een uitkering ontvangen en werken te versoepelen. Het bestaan van 4 verschillende regelingen voor 4 doelgroepen draagt niet bij aan duidelijkheid en eenvoud. Bijstandsgerechtigden kunnen binnen 2 of zelfs 3 van de doelgroepen vallen (een alleenstaande ouder die met loonkostensubsidie werkt) en achtereenvolgens recht hebben op regelingen met verschillende vrijlatingspercentages. Eén regeling voor tijdelijke vrijlating van inkomsten biedt daarom meer duidelijkheid en meer eenvoud in de uitvoering, een van de doelen van de Participatiewet in balans. Gevolgen voor belastingen en toeslagen 15% inkomen bovenop de bijstandsnorm heeft geen invloed op de hoogte van huur- en zorgtoeslag, en voor andere regelingen die het verzamelinkomen als grondslag gebruiken (o.a.

eigen bijdrage Wlz en aanvullende studiebeurs DUO), omdat de afbouwgrens van de toeslagen met 15% extra inkomsten gedurende 12 maanden niet wordt bereikt (wel met 12 maanden 25%). Dit voorkomt aanpassing van toeslagen of terugvordering van toeslagen achteraf, en zorgt hiermee voor een stabieler inkomen. De inkomensvrijlating in combinatie met de premie arbeidsinschakeling De gemeente mag de bijstandsgerechtigde die in deeltijd werkt behalve de vrijlating ook een premie geven. Vrijlating en premie kunnen los van elkaar worden ingezet. Let bij het tegelijkertijd verstrekken van inkomensvrijlating en de premie op stapeling van inkomsten. 15% inkomstenvrijlating plus een premie arbeidsinschakeling kan een totaal aan inkomsten creëren waar iemand anders bijvoorbeeld 3 uur per week op jaarbasis extra voor moet werken. Vrijlating inkomsten bij jongeren tot 27 jaar De inkomensvrijlating wordt ook opengesteld voor jongeren tot 27 jaar om belemmeringen weg te nemen bij het verwerven van inkomen. Om jongeren beter te kunnen ondersteunen | wordt de vrijlating voor hen in 2026 gedoogd. Voor alle mensen in de bijstand van 27 jaar en ouder blijven tot 1 januari 2027 de huidige bijverdienregelingen gelden.

Wat als de jongere 27 wordt tijdens de gedoogperiode? Deze gedoogconstructie kan voor de inkomensvrijlating complex zijn, zeker als de jongere 27 jaar wordt tijdens de gedoogperiode en daardoor aanspraak kan maken op de huidige algemene inkomensvrijlating. Het is aan de gemeente om in dit soort situaties een afweging te maken of de jongere in de gedoogconstructie kan blijven of beter over kan gaan naar de | vrijlatingsregeling van maximaal 6 maanden 25% van de inkomsten | . Hierbij is het uitgangspunt dat | de gekozen regeling (het vooruitlopen op de nieuwe inkomensregeling of overgaan naar de huidige regeling) | altijd ten gunste moet komen van de jongere. 14.3 | Overgangsrecht inkomensvrijlatingen Er geldt bij inwerkingtreding van de nieuwe bijverdienregeling in 2 situaties overgangsrecht: 1. | Als de bijstandsgerechtigde nog één of meer maanden recht heeft op de inkomstenvrijlating van 25%, dan blijft dit recht doorlopen en bestaan tot uiterlijk één jaar na inwerkingtreding; 2. | Als de alleenstaande ouder nog één of meer maanden recht heeft op de inkomstenvrijlating van 12,5%, dan wordt dit percentage verhoogd naar 15% en loopt de regeling door voor de resterende duur (maximaal 30 maanden). Voor de inkomensvrijlating voor bijstandsgerechtigden die werken met loonkostensubsidie geldt dat deze regeling zonder aanpassingen voor de resterende duur door kan lopen.

Opnieuw toekennen en verlengen van de inkomensvrijlating in 2027 Wanneer een uitkeringsgerechtigde al volledig | (dus 6 maanden) gebruik gemaakt heeft van de vrijlating van 25% | , kan de gemeente in 2027 ook de nieuwe vrijlating van 15% voor maximaal 12 maanden toekennen. Er moet wel opnieuw worden beoordeeld of de vrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van betrokkene. Dat die al de huidige inkomensvrijlating heeft gehad, doet daar niet aan af. Mocht de huidige vrijlating van 25% doorlopen tot uiterlijk mei 2027, dan is verlenging mogelijk vanaf de maand erna. In dat geval geldt ook het nieuwe percentage van 15%. Let op, een dergelijke verlenging | kan in 2027 leiden tot een | hoger toetsingsinkomen voor de toeslagen. Zie ook de informatie | onder bij §14.2 Gevolgen voor belastingen en toeslagen | . 14.4 | Premie arbeidsinschakeling voor jongeren tot 27 jaar De gemeente kan de bestaande stimuleringspremie voor arbeidsinschakeling uit artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet ook toepassen voor jongeren tot 27 jaar. Dit wordt in 2026 gedoogd. De gemeente kan deze premie een- of tweemaal per jaar verstrekken als dit bijdraagt aan de uitstroom uit de uitkering of het behouden van werk. Deze premie is onbelast voor uitkeringsgerechtigden van 27 jaar en ouder.

De premie kan ook in 2026 al worden uitgezonderd van de inkomstenbelasting en daarmee onbelast aan jongeren worden verstrekt.64 64 Zie het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 13 februari 2026, nr. 2026 | -405. 83 | Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 84 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 14.5 Kan de gemeente vooruitlopen? Voor de bijstandsgerechtigden van 27 jaar en ouder gelden in 2026 nog de huidige vrijlatingsregelingen. Aan de premie arbeidsinschakeling wijzigt er voor deze doelgroep niets. Op dit moment zijn de vrijlatingsregelingen en de premie arbeidsinschakeling niet van toepassing op jongeren tot 27 jaar. Voor hen worden deze regelingen in 2026 gedoogd. De gemeente mag de regelingen in 2026 al toepassen bij deze jongeren, omdat dit voor hen een begunstigend effect heeft. Het gaat bij de inkomensvrijlating in principe om de nieuwe regeling van maximaal 12 maanden 15% van de inkomsten van de jongere. 14.6 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid In het gemeentelijk beleid moet een afwegingskader voor verlenging van de vrijlatingsregeling komen.

Hoe beoordeel je de individuele omstandigheden die ervoor zorgen dat urenuitbreiding en uitstroom uit de bijstand voorlopig niet mogelijk zijn? Veel gemeenten hebben nu in de ‘beleidsregels draagkracht bijzondere bijstand’ artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet van overeenkomstige toepassing verklaard. Hierdoor wordt het extraatje dat de vrijlating genereert niet meegenomen in de draagkrachtberekening. Nu de vrijlating verplaatst wordt naar artikel 34a van de Participatiewet, zullen ook de draagkrachtregels hierop (mogelijk) moeten worden aangepast. Het verstrekken van een premie bij arbeidsinschakeling aan jongeren tot 27 jaar hoeft niet in gemeentelijk beleid te worden vastgelegd. Sluit de gemeente de groep jongeren tot 27 jaar nu nog uit voor de premie en wil de gemeente deze groep wel de premie kunnen geven? Dan moet het beleid worden aangepast. Voor deze verruiming van de doelgroep komt geen extra budget beschikbaar. Dit vergt mogelijk een herverdeling van de re-integratiemiddelen. Uitvoering Aanpassing van de werkprocessen en werkinstructies is nodig. Voor 2026 zal hierin moeten zijn worden verwerkt dat de nieuwe vrijlatingsregeling en de premie bij arbeidsinschakeling ook bij jongeren tot 27 mogen worden toegepast. Digitale ondersteuning Voor de nieuwe vrijlatingsregeling zal het uitkeringssysteem moeten worden aangepast.

De softwareleveranciers zullen deze in (de loop van) 2026 hierop aanpassen. 14.7 IOAW, IOAZ en Bbz IOAW en IOAZ Vrijlatingsregeling en verruiming bijverdiengrenzen Deze nieuwe vrijlatingsregeling wordt ook geregeld in de IOAW en IOAZ: de bestaande vrijlatingen in artikel 8 van beide wetten worden vervangen door één vergelijkbare regeling als in de Participatiewet. Hiervoor komt een nieuw artikel 8a in beide wetten: 1. De inkomsten uit arbeid worden niet met de uitkering verrekend: 85 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 a. gedurende een aaneengesloten periode van maximaal twaalf maanden voor 15% van deze inkomsten per maand, indien dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van deze persoon; b. ten aanzien van degene die medisch urenbeperkt is: voor 15% van deze inkomsten per maand. 2. Nadat de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is verstreken kan het college de periode waarin de inkomsten uit arbeid niet worden verrekend verlengen met een door het college te bepalen periode, indien het college een uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden niet mogelijk acht. 3.

Indien de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of het tweede lid, is verstreken zonder dat deze is verlengd, kan het college nogmaals toepassing geven aan het eerste lid indien de persoon nadien een nieuw dienstverband is aangegaan. In de IOAW en IOAZ blijft ruimte om rekening te houden met de arbeidsmarktbelemmeringen waar vooral de oudere werkzoekende mee te maken heeft, met arbeidsinschakeling als primair doel. Premie arbeidsinschakeling voor jongeren tot 27 jaar Jongeren tot 27 jaar behoren niet tot de doelgroep van de IOAW en IOAZ en kunnen niet voor een uitkering op grond van deze regelingen in aanmerking komen. Daarom heeft deze wijziging géén doorwerking in de IOAW en IOAZ. Bbz Deze wijzigingen hebben beperkt doorwerking in het Bbz. Zowel de inkomensvrijlating als de premie bij arbeidsinschakeling zijn gericht op uitstroom uit de uitkering. Voor gevestigde zelfstandigen is dit niet aan de orde, zij werken al in hun eigen bedrijf of zelfstandig beroep en hebben tijdelijk financiële problemen. Het Bbz is bij deze groep gericht op het beperken van (langdurige) instroom in de bijstand. Bij een startende ondernemer en bij de partner van de zelfstandige kan wel sprake zijn van het stimuleren van de arbeidsinschakeling.

Maar toepassing van maandelijkse verrekening van inkomsten en een vrijlating is in het Bbz niet goed uitvoerbaar, omdat het Bbz een jaarsystematiek kent (art. 5 en 6 Bbz). De gemeente kan voor de starter of een partner wél een premie arbeidsinschakeling inzetten. 86 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Deel 4: Begeleiding, participatie en re-integratie Gemeenten hebben de taak om alle bijstandsgerechtigden te begeleiden naar werk. Maar niet voor iedereen is betaald werk en uitstroom uit de uitkering mogelijk. Daarom kan er verschil worden gemaakt tussen participatie in de vorm van arbeidsinschakeling, participatie gericht op arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie. Deze laatste vorm vervangt de sociale activering in de huidige wet, maar is breder. Meer dan voorheen is het de bedoeling dat de gemeente bij verplichtingen, voorzieningen, ondersteuning, ontheffingen en ook bij eventuele maatregelen, rekening houdt met de mogelijkheden, het doenvermogen en de situatie van de bijstandsgerechtigde. Dit hoofdstuk gaat nader in op: • de ruimte voor mantelzorg; • maatschappelijke participatie; • het recht op eigenstandig vormgeven van de participatie; • het ondersteunen bij maatschappelijke participatie; • ruimte voor afstemming van de maatregelen; en • het toespitsen van verplichtingen op het individu.

In dit deel van de handreiking houden we een andere indeling van de wijzigingen aan dan in het faseringsschema. De wijzigingen die betrekking hebben op de maatschappelijke participatie staan in een volgorde waarbij de ‘brede’ wijziging en informatie vóór de specifiekere wijzigingen en informatie komt. 15 Ruimte voor mantelzorg Deze wijziging is ingegaan per 1 januari 2026 Bijstandsverlening en mantelzorg staan soms op gespannen voet met elkaar. Mantelzorg kan in bepaalde gevallen bij een strikte toepassing van de wet als op geld waardeerbaar werk worden beschouwd en dan leiden tot een korting op de uitkering. Als er sprake is van intensieve zorg kan een mantelzorger een groot deel van de tijd bij die zorgbehoevende inwoner verblijven, of er zelfs (tijdelijk) bij intrekken. Dat kon gevolgen hebben voor het recht op bijstand, omdat de bijstandsontvanger werd aangemerkt als gehuwd/samenwonend met de inwoner die verzorgd wordt. 15.1 Wat is er gewijzigd voor mantelzorg? Met de wijzigingen is er meer ruimte gekomen voor bijstandsgerechtigden om mantelzorg te kunnen verrichten en ontvangen, zonder dat dit gevolgen heeft voor de bijstandsuitkering. Er wordt meer ruimte geboden door een aantal aanpassingen in de wet, namelijk door:

87 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 1 samenwonen mogelijk te maken zonder dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Deze uitzondering geldt alleen wanneer sprake is van een zorgbehoefte en deze zorgbehoefte de reden is van het samenwonen (aanpassing artikel 3, tweede lid, onderdeel a Pw); 2 te bepalen dat de kostendelersnorm niet geldt bij het tijdelijk delen van een woning in verband met mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte (toevoeging van een vierde lid aan artikel 22a Pw en – via de Verzamelwet 2027 – toevoeging van een nieuw onderdeel e onder artikel 19a lid 1 Pw); 3 in de wet op te nemen dat mantelzorg niet kan worden gezien als op loon te waarderen arbeid (aanpassing artikel 33 Pw); en 4 te verduidelijken dat het tijdelijk intrekken bij iemand met een intensieve zorgbehoefte om mantelzorg te leveren geen reden is voor een opschorting van de betaling van de uitkering in de situatie dat het woonadres afwijkt van het adres waar de bijstandontvanger staat ingeschreven in de basisregistratie (aanpassing artikel 40, derde lid Pw). 15.2 Waarom zijn deze artikelen gewijzigd? Mantelzorgers zijn niet alleen van onschatbare waarde voor degenen aan wie zij ondersteuning en zorg verlenen, maar ook essentieel voor de samenleving als geheel.

Dankzij mantelzorgers die voor hun naasten zorgen kunnen veel mensen langer thuis blijven wonen in de eigen, vertrouwde omgeving. Het gaat om onmisbare zorg bij praktische dagelijkse dingen zoals koken, boodschappen doen, schoonmaken, het regelen van de administratie en andere vormen van informele zorg. De oude regels konden een drempel vormen om mantelzorg te gaan verlenen of te ontvangen. Met de wijzigingen wil de regering bereiken dat er meer ruimte is voor mantelzorg, zonder dat dit gevolgen heeft voor het recht op bijstand van de mantelzorger of de ontvanger van mantelzorg. Onzekerheid hierover wordt hiermee zo veel mogelijk weggenomen. Effecten op inkomen en arbeidsverplichtingen en meedoen in de samenleving Deze wijzigingen raken zowel het inkomensdeel als het werkdeel van de bijstandsverlening. Ook zijn er raakvlakken met de taken die de gemeente heeft bij de uitvoering van de Wmo. De verschillende raakvlakken worden hieronder beschreven. Inkomen De inkomensconsulent beoordeelt de aanspraken op uitkering, en kijkt of er sprake is van tijdelijk intrekken bij iemand in verband met het verlenen van mantelzorg bij een zorgbehoefte. Deze beoordeling is van belang voor de hoogte van de uitkering. De zorgbehoefte is daarbij leidend, níet de hoeveelheid geleverde mantelzorg.

De inkomensconsulent heeft te maken met alle bij § 15.1 genoemde wijzigingen en betrekt die in zijn beoordeling als er een beroep wordt gedaan op deze uitzonderingssituaties. Wanneer is er sprake van mantelzorg? Volgens de definitie in de Wmo (artikel 1.1.1 Wmo) gaat het bij mantelzorg om onbetaalde zorg die verleend wordt aan een naaste met een beperking die verdergaat dan de dagelijkse hulp die van huisgenoten, familieleden of bekenden verwacht mag worden. Het draagt bij aan zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen. 88 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Werk Ook voor de werkconsulent is het verlenen van mantelzorg relevant. Er geldt immers een generieke participatieplicht. De werkconsulent beoordeelt met de inwoner hoe mantelzorg past binnen deze participatieplicht. Mantelzorg kan een invulling zijn van maatschappelijke participatie. En er kunnen dringende redenen zijn om een (gedeeltelijke) ontheffing te verlenen van de participatieplicht. Voor de werkconsulent zijn alle vormen van mantelzorg relevant, niet alleen de mantelzorg die verleend wordt in situaties dat er sprake is van een intensieve zorgbehoefte. De werkconsulent kijkt naar de daadwerkelijk geleverde mantelzorg en de gevolgen daarvan voor de mogelijkheden om te participeren.

Wat mantelzorg betekent voor de invulling van de participatieplicht en de eventuele afstemming wordt verder uitgewerkt in § 20.3 Mantelzorg en afstemmen verplichtingen. Meedoen in de samenleving Mantelzorg raakt ook aan mogelijkheden om mee te blijven doen in de samenleving. Mantelzorgers dragen eraan bij dat naasten langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Deze zorg kan ook (maatschappelijke) kosten besparen, bijvoorbeeld omdat door de geleverde mantelzorg geen beroep gedaan hoeft te worden op ondersteuning vanuit de Wmo. Aan de andere kant zou een PGB voor de geleverde zorg kunnen bijdragen aan uitstroom uit de uitkering. Het is echter de zorgbehoevende die bepaalt of de keuze voor zorg via een PGB gemaakt wordt. Daarin kan geen verplichting worden opgelegd. 15.3 De wijzigingen per artikel toegelicht Samenwonen bij een zorgbehoefte (artikel 3, tweede lid Pw) Artikel 3, tweede lid, van de Participatiewet, was: ‘In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt: a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van een zorgbehoefte.’ Dit is nu: a.

als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de eerste graad of indien er sprake is van een zorgbehoefte van of verleend door een bijstandsgerechtigde die de aanleiding vormt om samen te wonen, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap, gedurende de periode dat die zorg wordt verleend. Het artikel is op 2 punten gewijzigd: 1 de voorwaarde dat sprake moet zijn van een familieband in de tweede graad en bloedverwantschap is vervallen; en 2 de zorgbehoefte moet de aanleiding vormen om samen te wonen. Het onderscheid tussen de behandeling van bloedverwanten in de tweede graad en andere ongehuwd samenwonenden als één van hen zorg nodig heeft, is sinds de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep65 en de Hoge Raad66 een verboden onderscheid en in strijd met artikel 26 van het IVBPR. De wijziging komt tegemoet aan deze uitspraken. Een bijstandsgerechtigde die samenwoont, wordt nu niet als gehuwd aangemerkt als: • er sprake is van een zorgbehoefte; én 65 ECLI:NL:CRVB:2016:4487 66 ECLI:NL:HR:2017:3081 89 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 • de zorgbehoefte de directe en aannemelijke aanleiding is voor het samenwonen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1243/documents/18791