De Handreiking Participatiewet in Balans
Tekst van het document
Denk aan situaties waarbij het de aanvrager niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Bijvoorbeeld als er sprake is van betalingsachterstanden met (dreigende) huisuitzetting, afsluiting van elektra, water en gas of stopzetting van de zorgverzekering tot gevolg. Door terugwerkende kracht toe te passen kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen. Dit is niet alleen in het voordeel voor de aanvrager, maar ook voor de gemeente een betere en goedkopere oplossing dan iemand een schuldentraject te moeten laten volgen. Het is de bedoeling dat gemeenten aan de hand van de omstandigheden beoordelen of er terugwerkende kracht kan worden toegepast. Dat hoeft niet in alle gevallen zo te zijn. Overwegingen voor terugwerkende kracht Bij de overweging of terugwerkende kracht op zijn plaats is, is de noodzaak van bijstand voor die periode van belang. Bekijk, als de situatie daartoe aanleiding geeft of als de aanvrager om terugwerkende kracht verzoekt, of de aanvrager in die voorafgaande maanden recht zou hebben gehad op een uitkering en of die noodzakelijk zou zijn geweest.
Heeft diegene in die periode bijvoorbeeld ondersteuning van familie of vrienden gekregen (in geld of natura: boodschappen, betaling van vaste lasten als gift)? Dan hoeft er geen sprake te zijn geweest van noodzaak en is bijstand met terugwerkende kracht niet nodig. Maar kan de aanvrager aannemelijk maken dat terugwerkende kracht in zijn situatie noodzakelijk is? Dan kan de gemeente de bijstand op grond van artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet, ook voor de voorafgaande maanden verstrekken. In het kader van proactieve dienstverlening en bestaanszekerheid is het van belang bij elke aanvraag te bekijken of er aanleiding is om de bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen, en dit niet alleen te doen wanneer de aanvrager hierom verzoekt. Hierboven staan 2 soorten situaties (individuele omstandigheden) vermeld waarbij de gemeente de uitkering in ieder geval met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht kan toekennen. Deze kunnen ook in beleidsregels (of in de werkinstructie) worden opgenomen. Het opnemen van een lijst met omstandigheden mag er echter niet toe leiden dat de afweging om met terugwerkende kracht toe te kennen in andere gevallen niet wordt gemaakt. Wel of niet met terugwerkende kracht toekennen is en blijft maatwerk.
46 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Gevolgen voor belastingen en toeslagen Terugwerkende kracht over de jaargrens heen kan fiscale gevolgen hebben. Voor de loonaangifte geldt het kasstelsel; verantwoording in de maand (en daarmee het fiscaal jaar) waarin het geld betaalbaar wordt gesteld. Wanneer een uitkering in januari 2026 met terugwerkende kracht vanaf oktober 2025 wordt toegekend, wordt de betaalbaarstelling in januari 2026 gerekend tot het verzamelinkomen van 2026. Dit hogere bedrag aan uitkering telt mee voor het toetsingsinkomen/verzamelinkomen van het huishouden, en kan voor het betreffende jaar tot een verlaging leiden van o.a. huur- en zorgtoeslag en andere regelingen die het verzamelinkomen als grondslag gebruiken (o.a. eigen bijdrage Wlz). Voor de Wet langdurige zorg (Wlz) geldt dat bij het CAK om een aanpassing van de peildatum kan worden verzocht, als de eigen bijdrage door de extra maanden uitkering hoger uitvalt.34 Voor de huurtoeslag kunnen de extra maanden misschien als bijzonder inkomen worden aangemerkt.35 Voor hulp bij het indienen van deze verzoeken kan de bijstandsgerechtigde terecht bij de Sociaal Raadslieden of het wijkteam in de gemeente. 6.3 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Gemeenten die beleidsregels hebben over bijstandsverlening met terugwerkende kracht, hebben deze moeten herzien.
De terugwerkende kracht is nu in de wet vastgelegd. De gemeente kan in beleidsregels opnemen wanneer (in welke situaties) bijstand toekennen met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht in ieder geval wenselijk of noodzakelijk is. Zie ook artikel 5 in de Modelverzamelbeleidsregels PIB fase 1. Uitvoering Met het (digitale) aanvraagformulier moet het mogelijk zijn om bijstand met terugwerkende kracht aan te vragen. Bijvoorbeeld: • met een optie om de ingangsdatum eerder in te laten gaan dan de meldingsdatum, plus de vraag om deze eerdere ingangsdatum te motiveren. Op het formulier kunnen de redenen voor een eerdere ingangsdatum, die ook in de beleidsregels zijn vastgelegd, worden vermeld; 34 CAK: Peildatumherziening Wlz. 35 Belastingdienst: Bijzonder inkomen. Schulden Let op dat de bijstand met terugwerkende kracht niet wordt ingezet om schulden af te kunnen lossen. Het gaat in dit geval om schulden die de aanvrager op het moment van aanvraag heeft, maar de periode vóór de aanvraag nog niet, terwijl de aanvrager op dat moment nog over voldoende middelen beschikte. Hiervoor mag geen bijstand worden verleend (art. 13 lid 1 onder g Pw). Gaat het om schulden die de aanvrager in de maanden vóór de aanvraag heeft opgebouwd omdat hij feitelijk niet over voldoende middelen beschikte? Dan kan hiervoor wél bijstand met terugwerkende kracht worden verleend.
47 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 • met een vraag welke soort inkomsten de inwoner de voorafgaande maanden heeft gehad en/of er schulden zijn ontstaan. De gemeente kan hier in het intakegesprek nader op ingaan en daarna afwegen of de uitkering met terugwerkende kracht moet ingaan. Het de taak van de consulent om bij iedere aanvraag te bekijken of toekennen met terugwerkende kracht wenselijk of noodzakelijk is, en dit niet alleen te doen als de inwoner hier zelf om verzoekt. Dit kan in de werkinstructie worden vastgelegd. Digitale ondersteuning De meeste systemen zijn inmiddels ingericht op de mogelijkheid bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Controleer of de (digitale) aanvraagformulieren van de gemeente zijn aangepast op aanvragen met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht. 6.4 IOAW, IOAZ en Bbz IOAW en IOAZ Ook bij de IOAW en IOAZ is toekennen met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht mogelijk op grond van het nieuwe vierde lid van artikel 16a IOAW/IOAZ: In afwijking van het eerste lid kan het college een uitkering toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.
Bij de doelgroepen van deze regelingen kan een (ingrijpende) levensgebeurtenis als het overlijden van een partner, een echtscheiding of ziekte ervoor zorgen dat er een periode van financiële onzekerheid is, voordat duidelijk is dat er een IOAW- of IOAZ-uitkering kan worden aangevraagd. Voor de IOAW geldt ook dat een overgang van een WW-uitkering naar de IOAW enige tijd in beslag kan nemen. Verruiming van de toegangseis voor IOAZ en terugwerkende kracht Bij de IOAZ gold tot 2026 dat een aanvraag moest worden ingediend vóórdat de aanvrager het bedrijf of het zelfstandig beroep beëindigde. De beëindiging zelf moet plaatsvinden binnen een periode van 1,5 jaar volgend op het tijdstip van aanvraag (artikel 5 IOAZ, tweede lid, onderdeel 4). Wordt een aanvraag ingediend nadat het bedrijf of beroep is beëindigd? Dan kan men niet meer beschouwd worden als een gewezen zelfstandige in de zin van de IOAZ. Deze voorwaarde is verruimd, zodat het nu ook mogelijk is om IOAZ toe te kennen aan ondernemers die hun bedrijf of beroep tot 3 maanden voor de aanvraagdatum hebben beëindigd. Deze wijziging maakt het mogelijk voor ondernemers om een aanvraag in te dienen na beëindiging van bedrijf of beroep. De ondernemer kan zich focussen op de beëindiging, voordat hij zich moet richten op de aanvraag van een uitkering.
Om ervoor te zorgen dat de inkomensloze periode zo kort mogelijk is, kan de IOAZ-uitkering nu ook met 3 maanden terugwerkende kracht ingaan. De verruiming van de toegangseis en de toekenning met terugwerkende kracht kunnen en zullen veelal samenlopen. Voor meer informatie hierover, zie § 3.3 Aanpassing van de toegangseis IOAZ. Bbz Deze wijziging werkt ook door in het Bbz. Daarnaast wordt voor ondernemers met een niet- levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep, in het wijzigingsbesluit Bbz een nieuw artikel 27a Bbz 48 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 geïntroduceerd, dat ervoor zorgt dat de bijstand alleen met terugwerkende kracht kan worden toegekend als het bedrijf of zelfstandig beroep op het moment van aanvraag nog niet is beëindigd: Artikel 27a. Bijstand met terugwerkende kracht beëindigende zelfstandige Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, kan bijstand alleen met terugwerkende kracht worden verleend op grond van artikel 44, vijfde lid, van de wet, als het bedrijf op het moment van aanvraag nog niet is beëindigd.
Als het bedrijf bij aanvraag al wel is beëindigd, kan niet meer goed beoordeeld worden of bedrijfsbeëindiging wel noodzakelijk was.36 36 Staatsblad 2025-220, pagina 15 en 17 49 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 7 Vermogenstoets Deze wijziging is ingegaan per 1 januari 2026 Een bijstandsgerechtigde mag een bescheiden eigen vermogen bezitten. De Participatiewet kent hiertoe verschillende vermogensgrenzen, vermeld in artikel 34. Bij aanvang van de bijstandsverlening wordt het vermogen van de bijstandsaanvrager berekend. Het is de som van de in aanmerking te nemen bezittingen minus de in aanmerking te nemen schulden. Als het vermogen bij aanvang de vermogensgrens niet overschreed, berekende de gemeente het bedrag waarmee het vermogen nog mocht toenemen totdat de grens van de maximale vrijlating werd bereikt. Deze 2 bedragen, het vermogen en het resterende vrij te laten vermogen, bleven gedurende de bijstandsperiode als uitgangspunt gelden. Sinds 1 januari 2026 is het resterend vrij te laten vermogen losgelaten en wordt alleen nog naar het actuele vermogen gekeken. 7.1 Wat is er gewijzigd aan de vermogenstoets? In artikel 34, tweede lid, van de Participatiewet, staat wat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen.
In onderdeel b staat nu: ‘het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid’. Dit is per 1 januari 2026 gewijzigd in: ‘het aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid’; Lid 4 is vervallen: ‘Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die worden verworven in de periode waarover algemene bijstand is toegekend en op middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid, daarbij wordt verminderd met het vermogen dat: a. bij aanvang van de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van het tweede lid, onderdeel b; b. tijdens de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van dit lid.’ In de praktijk betekent dit dat niet langer gerekend wordt met het resterend vrij te laten vermogen of de vermogensaanwasruimte. De gemeente kijkt na de inwerkingtreding steeds naar het actuele vermogen. Het is de bedoeling dat de consulent bij heronderzoeken nagaat hoe het met de financiële situatie van de uitkeringsgerechtigde is.
Komt iemand rond, zijn er (beginnende) schulden, heeft iemand hulp nodig bij de financiële administratie? Dit is belangrijk in verband met het signaleren van beginnende schulden, maar vraagt bij heronderzoeken meer aandacht van de consulent. Zo nodig verwijst die door naar budgetbeheer of schuldhulpverlening. 7.2 Waarom uitgaan van het daadwerkelijke vermogen? Het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. Dat blijft zo. Het exact vaststellen van het vermogen vroeg veel tijd bij het aanvraagproces. Het was belangrijk omdat met dit (resterend vrij te laten) vermogen vervolgens de gehele bijstandsperiode werd gerekend. Maar alleen bij vermogenstoename, want met schulden die zijn aangegaan tijdens de bijstandsperiode werd geen rekening gehouden.
50 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Als bij een vermogenstoename de grens van het vrij te laten vermogen wordt overschreden, dan is er geen recht meer op bijstand. Voorbeeld oude situatie Jan (43) is alleenstaand en heeft een bij aanvang van de bijstand vastgesteld vermogen van € 3.000. Vermogensgrens van alleenstaande € 7.700 (fictief) Vermogen van Jan bij aanvang € 3.000 Resterend vrij te laten vermogen € 4.700* *in dit rekenvoorbeeld is geen rekening gehouden met de indexering, in de praktijk gebeurt d it wel. Jan wint een prijs in de loterij van € 10.000. Zijn resterend vrij te laten vermogen wordt overschreden met € 10.000 – € 4.700 = € 5.300. Het recht op uitkering wordt ingetrokken en Jan moet eerst interen. Dat geldt óók als Jan in de tussentijd het vermogen heeft verbruikt en schulden is aangegaan van € 15.000, en zijn feitelijk vermogen dus onder de vermogensgrens ligt. Dat systeem is - logischerwijs - moeilijk uit te leggen aan uitkeringsgerechtigden. De realiteit is dat uitkeringsgerechtigden meestal interen op hun bescheiden vermogen, vervangingsuitgaven moeten doen e.d. Bij een vermogenstoename beschikken zij niet meer over (een deel van) het oorspronkelijk vastgestelde bedrag. Nieuwe situatie Ná de aanpassing in de wet blijft Jan recht houden op bijstand, omdat naar het actuele vermogen wordt gekeken.
Vermogensgrens van alleenstaande € 7.700 (fictief) Actueel vermogen inclusief schuld € 15.000 -/- (negatief) Vermogenstoename (prijs loterij) € 10.000 Totaal vermogen € 5.000 -/- 7.3 Hoe doe je onderzoek naar vermogenstoename? Uitkeringsgerechtigden hoeven een toename in het vermogen niet door te geven, zolang het vermogen met toename onder de vermogensgrens blijft. Er is dan ook geen sprake van schending van de inlichtingenplicht. Wel moet de uitkeringsgerechtigde zélf in de gaten houden wanneer zijn vermogen boven de vermogensgrens uitkomt. Maar het is erg ingewikkeld om te bepalen of een bedrag een middel is voor de bijstand en vervolgens of het inkomen of vermogen is. Bovendien ligt de verantwoordelijkheid voor het rechtmatig juist verstrekken van de uitkering bij de gemeente. Vertrouwen versus verplichtingen Ook bij deze wetswijziging geldt vooral uit te gaan van vertrouwen, één van de uitgangspunten van de Participatiewet in balans. Maar met deze wetswijziging blijft wel de inlichtingenplicht gelden voor vermogen dat boven de vermogensgrens uitkomt. En ook voor alle andere wijzigingen die invloed kunnen hebben op het recht op en de hoogte van de bijstandsuitkering (artikel 17 lid 1 Pw). Ook de medewerkingsplicht (artikel 17 lid 2 Pw) blijft van toepassing.
Gemeente en bijstandsgerechtigde hebben beide verantwoordelijkheden: • de gemeente heeft de taak om bijstandsgerechtigden heel goed te informeren over wanneer vermogenstoename wel en niet gemeld moet worden, en over wat meetelt als vermogen; • de bijstandsgerechtigde moet inzicht geven in vermogensmutaties als de gemeente hierom vraagt. Dat is belangrijk vanuit het oogpunt van naleving en ook om ervoor te zorgen dat de bijstandsgerechtigde achteraf niet wordt geconfronteerd met herziening en terugvordering. 51 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Het advies is om uitkeringsgerechtigden te vragen om ontvangen bedragen boven een bepaald bedrag (bijvoorbeeld € 500) en meerdere transacties (vlak) achter elkaar te blijven melden. Dit kan op grond van artikel 53a van de Participatiewet. De gemeente kan dan bepalen of er sprake is van in aanmerking te nemen middelen en vervolgens of het bedrag beschouwd wordt als inkomen of als vermogen. Dat voorkomt herziening en terugvorderingen met mogelijk ingrijpende financiële problemen voor de uitkeringsgerechtigde. Let op, dit is een advies! Zolang er geen sprake is van overschrijding van de vermogensgrens is er geen sprake van schending van de inlichtingenplicht, en kan de gemeente niet handhaven als de bijstandsgerechtigde ontvangst van vermogen niet meldt.
Tenzij er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het is daarom goed om met de bijstandsgerechtigde regelmatig zijn (financiële) situatie te bespreken. Voorbeeld Pieter heeft bijstand. Bij aanvang van de bijstand is zijn vermogen globaal vastgesteld op € 75.000 negatief. Hij wint een prijs in een loterij van € 25.000. Hij meldt dat niet, want zijn vermogen blijft onder de voor hem geldende vermogensgrens. Pieter blijft onder de vermogensgrens en heeft de inlichtingenplicht om die reden niet geschonden. Ook niet als de gemeente hem gevraagd en geïnformeerd heeft om bedragen boven een bepaald bedrag door te geven. Vertel Pieter als je hem spreekt en zijn financiële situatie doorloopt dat hij dergelijke bedragen moet doorgeven. En leg uit hoe en waarom hij dat moet doen. 7.4 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Heeft de gemeente beleidsregels over vermogen? Ga na of deze indien nodig zijn aangepast. Uitvoering Dit voorstel vraagt met name om een wijziging in de uitvoering. Het was tot 1 januari 2026 wenselijk om het vermogen bij aanvang van de bijstandsverlening zo zorgvuldig mogelijk vast te stellen. Het vastgestelde vermogen en daaraan gekoppelde resterend vrij te laten vermogen had immers gevolgen voor de gehele bijstandsperiode.
Sinds 1 januari 2026 is het – in principe - voldoende om vast te stellen dat het actuele vermogen onder de vermogensgrens ligt. Dit hoeft niet op de euro nauwkeurig, zeker niet als sprake is van negatief vermogen. Maar er zijn ook situaties dat je het vermogen wel nauwkeuriger wil vaststellen. Bijvoorbeeld als er achteraf verkregen middelen verwacht worden, als het vermogen dicht bij de vermogensgrens is vastgesteld, of er een afwijzing gaat volgen vanwege vermogen boven de vermogensgrens. Tip: Houd het doel van deze wetswijziging voor ogen. Dat is een zo vlot mogelijke besluitvorming. Het is niet nodig om van iedere schuld een bewijsstuk te hebben. 52 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Waar moet de gemeente aan denken? • Pas werkinstructies over wijzigingen in het vermogen tijdens de bijstand zo nodig aan. Werkt de gemeente met vermogensberekeningsformulieren? Daaruit kan de term en de berekening van het resterend vrij te laten vermogen worden verwijderd. • Kijk of de informatie aan uitkeringsgerechtigden nog klopt en wijzig deze zo nodig. Het gaat om informatie over het vaststellen van vermogen, vermogensgrenzen en de inlichtingenplicht in relatie tot het vermogen in o.a. beschikkingen en checklists. De term resterend vrij te laten vermogen kan uit deze documenten worden verwijderd.
• Noem in de beschikking het vastgestelde vermogen en de vermogensgrens. Geef daarbij een toelichting wanneer een vermogenstoename wél gemeld moet worden. Het is overigens niet per se nodig om in de beschikking het bedrag waarop het vermogen is vastgesteld te noemen. Het bedrag zelf heeft geen rechtsgevolg zolang het onder de vermogensgrens ligt. Dus heb je het vermogen niet precies vastgesteld, omdat duidelijk sprake was van een bedrag onder de vermogensgrens (vanwege hoge schulden)? Dan is het vermogensbedrag noemen in de beschikking niet nodig. Zorg er in alle gevallen wel voor dat een (indicatief) bedrag in het dossier en eventueel systeem wordt opgeslagen. Zo kunnen vermogensverschuivingen worden gevolgd. • Sparen tijdens de bijstand blijft toegestaan. Neem daarom in het dossier in ieder geval ook de banksaldi op. Digitale ondersteuning Aanpassingen in de digitale ondersteuning zijn niet nodig. 7.5 IOAW, IOAZ en Bbz IOAW en IOAZ De vereenvoudiging van de vermogensvaststelling is niet toepasbaar voor de IOAW en de IOAZ. De IOAW kent geen vermogenstoets. Ook de IOAZ kent geen vermogenstoets in de zin van de Participatiewet. De IOAZ kent een ruimere vermogensgrens. Daarbij wordt het vermogen eenmalig, direct na bedrijfsbeëindiging vastgesteld.
Het inkomen uit dit vermogen wordt vervolgens met inachtneming van de vrijlating vastgesteld op 3% per jaar (in 2026) en maandelijks verrekend. Bbz Deze wijziging werkt niet door in het Bbz, omdat hierin een heel andere vermogenssystematiek geldt, waarbij het voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen wordt vrijgelaten. 53 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 8 Niet-rechthebbende partner Deze wijziging gaat in per 1 januari 2027 Bij gehuwden is het mogelijk dat een van de partners geen recht heeft op bijstand. Bijvoorbeeld omdat hij of zij in detentie zit, in het buitenland verblijft of studeert en daardoor recht heeft op studiefinanciering. In geval van een niet-rechthebbende partner, heeft de rechthebbende partner recht op 50% van de gehuwdennorm. Dat staat in het huidige artikel 24 van de Participatiewet. Deze partner wordt als kostendeler behandeld en moet daarom zien rond te komen met 20% minder uitkering dan een alleenstaande. In de praktijk kan de rechthebbende partner de kosten vaak niet delen en heeft met 50% van de gehuwdennorm te weinig inkomen om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Veel gemeenten lossen dit nu op door de bijstand op grond van artikel 18 van de Participatiewet af te stemmen tot de norm alleenstaande (ouder). Sommige gemeenten doen dit op verzoek, andere ambtshalve.
8.1 Wat wijzigt er in de norm? Om deze verschillen te ondervangen wijzigt artikel 24. Hierdoor hebben alle gehuwden van 21 jaar en ouder waarbij een van de partners geen recht heeft op bijstand, recht op een uitkering voor een alleenstaande (maximaal 70% van de gehuwdennorm): Artikel 24. Afwijking norm gehuwden Voor gehuwden waarvan een echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft is voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan: a. de voor deze persoon overeenkomstige norm voor een alleenstaande, indien de rechthebbende echtgenoot 21 jaar of ouder is en geen kostendelende medebewoners heeft; dan wel b. 50% van de norm die voor hem zou gelden als hij gehuwd zou zijn met een rechthebbende echtgenoot van zijn leeftijd, indien de rechthebbende echtgenoot jonger dan 21 jaar is. Als de niet-rechthebbende partner over inkomen beschikt, gaat de gemeente na of dit inkomen op de verleende uitkering in mindering moet worden gebracht. Dit is het geval wanneer de optelsom van bijstand plus het inkomen van de gehuwden tezamen, hoger ligt dan de norm van twee rechthebbende gehuwden in een vergelijkbare situatie. Dit verandert niet ten opzichte van de huidige situatie. Voor een gehuwde met een niet-rechthebbende partner en een of meer kostendelers blijft de norm gelijk oplopen met de kostendelersnorm.
8.2 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid en uitvoering Deze wijziging vraagt om een aanpassing in de uitvoering. Op dit moment stemt de gemeente de bijstand op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet, af op de situatie van de bijstandsgerechtigde partner. Na de inwerkingtreding van deze wetswijziging is dat niet meer nodig. Dan is de ophoging via artikel 24 van de Participatiewet geregeld. Mogelijk heeft de gemeente werkinstructies of beleid waarin de huidige werkwijze is vastgelegd. Deze moeten worden aangepast
54 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 en beleid kan worden ingetrokken. Ook de rapportages en beschikkingen en het (digitale) aanvraagformulier moeten mogelijk worden aangepast. Informeren inwoners en bijstandsgerechtigden Voor bijstandsgerechtigden waarvoor de gemeente nu de norm afstemt, wijzigt er in de praktijk niks. Het is wel netjes om de wijziging door te geven via een nieuwe beschikking. Als de gemeente de uitkering afstemt tot een ander bedrag en dat bedrag aanpast, dan is een nieuwe beschikking noodzakelijk. Er is dan sprake van een rechtsgevolg. Er kunnen inwoners zijn die geen bijstand hebben aangevraagd, omdat zij uitgingen van 50% van de gehuwdennorm en – bijvoorbeeld vanwege inkomen - geen recht denken te hebben. De gemeente kan proberen om ook deze inwoners te achterhalen en nagaan of zij een beroep willen doen op bijstand nu de regelgeving gewijzigd is.37 Digitale ondersteuning Mogelijk is er een aanpassing van het uitkeringssysteem nodig. Gemeenten die gebruikmaken van automatische normbepaling via het uitkeringssysteem, moeten het systeem ook (laten) aanpassen. 8.3 Kan de gemeente vooruitlopen op de wijziging? Veel gemeenten lossen het probleem van te weinig inkomen – naar aanleiding van rechterlijke uitspraken38 - al op via afstemming of bijzondere bijstand. Vooruitlopen is op grond hiervan mogelijk.
8.4 IOAW, IOAZ en Bbz IOAW en IOAZ Deze wijziging werkt niet door in de IOAW en de IOAZ. In artikel 6, tweede lid van de IOAW en artikel 6, derde lid van de IOAZ geldt al dat IOAW- en IOAZ-gerechtigden met een niet-rechthebbende partner worden aangemerkt als alleenstaande. En dat de uitkering netto gelijk is aan 70% van het minimumloon, waarmee zelfstandig in het bestaan kan worden voorzien. Ook hier geldt dat als de niet-rechthebbende partner over inkomen beschikt, de gemeente moet nagaan of dit inkomen op de verleende uitkering in mindering moet worden gebracht. Dit is het geval wanneer de optelsom van bijstand plus het inkomen van de gehuwden tezamen, hoger ligt dan de norm van twee rechthebbende gehuwden in een vergelijkbare situatie. Bbz Deze wijziging werkt door in het Bbz 2004 voor Bbz-gerechtigden van 21 jaar of ouder. Voor jongmeerderjarigen geldt een andere systematiek. Het eventuele inkomen van de niet-rechthebbende partner telt mee bij het inkomen van de Bbz-gerechtigde. 37 Mede in het kader van de proactieve dienstverlening. 38 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2017:879 en ECLI:NL:CRVB:2020:3517 55 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 9 ALO-kop Deze wijziging gaat in per 1 januari 2027 Alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een verhoging van het kindgebonden budget. Deze verhoging wordt ook wel de ALO-kop genoemd.
Niet alle alleenstaande ouders ontvangen dit hogere bedrag aan kindgebonden budget. Dat heeft te maken met het ruimere partnerbegrip binnen de Awir, waardoor minder mensen worden aangemerkt als alleenstaande ouder. Terwijl bij de uitvoering van de Participatiewet (en ook bij andere socialezekerheidswetten) wordt gekeken naar de feitelijke woon- leefsituatie, doet de Belastingdienst dit niet. Voor het kindgebonden budget zijn mensen toeslagpartners als zij gehuwd zijn, fiscaal partner zijn, samen een kind hebben, samen met het kind van een van beiden wonen, samen een koophuis hebben en/of pensioenpartner van elkaar zijn. Het probleem van het mislopen van de ALO-kop vanwege deze partnerdefinitie speelt vooral – maar niet alleen – bij statushouders met kinderen waarvan de partner nog moet nareizen. Gemeenten lossen het gemis aan extra kindgebonden budget nu op door de bijstand af te stemmen op grond van artikel 18 van de Participatiewet of door bijzondere bijstand te verstrekken. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) ziet deze situatie als een zeer bijzondere situatie. Volgens diverse uitspraken van de CRvB is afstemming op grond van artikel 18 Pw de correcte manier, omdat het algemeen noodzakelijke kosten van bestaan betreft.
9.1 Wat wijzigt er voor ouders zonder ALO-kop? Na inwerkingtreding van de wijziging wordt eerst via artikel 24 van de Participatiewet geregeld dat de norm voor gehuwden waarvan een partner geen recht heeft op algemene bijstand standaard de norm voor een alleenstaande (ouder) wordt (70% van de gehuwdennorm in plaats van 50%). Vervolgens wordt dit bedrag via het nieuwe artikel 24a Pw verhoogd met 1/12 van het jaarbedrag van de ALO-kop. In de praktijk komt dat samen neer op iets meer dan 90% van de gehuwdennorm. Het nieuwe artikel 24a luidt: De norm wordt opgehoogd met 1/12 van het bedrag genoemd in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget voor de belanghebbende, die a. een rechtmatig in Nederland verblijvend, ten laste komend kind heeft; b. een partner heeft, als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; c. op basis van deze wet wordt aangemerkt als gehuwd, maar van wie de partner geen recht heeft op algemene bijstand. Samenhang Wet verbetermaatregelen toeslagen Met ingang van 1 januari 2026 is de Wet verbetermaatregelen toeslagen in werking getreden en is artikel 3c aan de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) toegevoegd.39 Daarin wordt een aantal uitzonderingen op het toeslagpartnerbegrip beschreven.
Een aanvrager van toeslagen (ook kindgebonden budget) die op papier een toeslagpartner heeft, kan in een aantal situaties gezien worden als aanvrager zonder toeslagpartner. En dus aanspraak maken op bijvoorbeeld de ALO-kop. Dat kan als de partner: 39 Zie artikel 3c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)
56 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 1. langer dan 3 maanden gedetineerd wordt40; 2. vermist is41; of 3. de partner van een statushouder nog in het buitenland verblijft en niet eerder in Nederland ingeschreven heeft gestaan. In dit laatste geval moet het gaan om een geregistreerde of huwelijkspartner en moet het huwelijk of partnerschap zijn gesloten voor het verkrijgen van de status. Het gaat steeds om situaties waarin de partner niet in staat is om financieel bij te dragen in de kosten (van de kinderen). In de situaties 1 en 2 moet de toeslagaanvrager Dienst Toeslagen verzoeken om als alleenstaande gezien te worden. Als de partner weer terug is, moet de toeslagaanvrager dat ook weer doorgegeven aan Dienst Toeslagen. Bij statushouders beschikt Dienst Toeslagen in de meeste gevallen over de benodigde gegevens om de toeslagaanvrager ambtshalve als alleenstaande aan te merken, en ook de verhoging van het kindgebonden budget – de ALO-kop - (en eventueel van andere toeslagen die zijn aangevraagd) ambtshalve uit te betalen. Dit heeft in april 2026 geleid tot een nabetaling over de maanden januari tot en met maart 2026 aan ongeveer 620 gezinnen.42 De Wet verbetermaatregel toeslagen zorgt ervoor dat het nieuwe artikel 24a van de Participatiewet minder vaak ingezet hoeft te worden.
Inwoners kunnen immers in meer gevallen in aanmerking komen voor de ALO-kop. 9.2 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid en uitvoering Dit vraagt om een wijziging in de uitvoering. Op dit moment lossen veel gemeenten het mislopen van de ALO-kop op door de bijstand af te stemmen via artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of via bijzondere bijstand. Na de inwerkingtreding van deze wetswijziging in de Participatiewet en de Wet verbetermaatregel toeslagen is dat niet meer nodig. Dan is de compensatie van de ALO-kop via artikel 24a Pw geregeld of is er toch recht op de ALO-kop via Dienst Toeslagen. Mogelijk heeft de gemeente werkinstructies of beleid waarin de huidige werkwijze is vastgelegd. Deze moeten worden aangepast en beleid kan worden ingetrokken. Neem daarbij ook de gevolgen van de wijziging in het partnerbegrip in de Wet verbetermaatregelen toeslagen mee. Zorg ervoor dat consulenten onderzoeken of er mogelijk toch recht is op de ALO-kop van Dienst Toeslagen en laat ze een verzoek doen om tijdelijk als alleenstaande gezien te worden.
Of juist niet, want wat als de verwachting is dat de partner voor 4 maanden in detentie is? Verwacht je dan van de inwoner dat die zich, voor die ene maand, bij Dienst Toeslagen meldt? En als de inwoner wel bij Dienst Toeslagen moet zijn, wat doet de gemeente dan in de tussentijd? In afwachting van de beslissing van Dienst Toeslagen is (leen)bijstand verstrekken mogelijk. De gemeente kan deze compensatie terugvorderen of verrekenen over de maanden waarin de inwoner alsnog de ALO-kop via Dienst Toeslagen ontvangt en dus eigenlijk dubbel heeft gekregen. Ook de rapportages en beschikkingen en het (digitale) aanvraagformulier moeten mogelijk worden aangepast. 40 Er is bij detentie geen sprake van terugwerkende kracht, het toeslagpartnerschap kan pas na 3 maanden worden verbroken. Handboek Toeslagen § 1.3.1.1.5 41 Het verbreken van het toeslagpartnerschap gaat in op het moment van vermissing. Handboek Toeslagen § 1.3.1.1.5 42 In SZW Gemeentenieuws 2026-3 van juni 2026 staat hierover een bericht met een handelingsperspectief voor de gemeenten. 57 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Informeren inwoners en bijstandsgerechtigden Het is mogelijk dat een bijstandsgerechtigde waarvoor de gemeente nu de norm afstemt door de Wet verbetermaatregelen toeslagen toch in aanmerking komt voor de ALO-kop van Dienst Toeslagen.
De gemeente zal dit moeten onderzoeken, de inwoner daarop wijzen en - als de verwachting is dat de inwoner daar recht op heeft – te laten vragen om tijdelijk als alleenstaande beschouwd te worden. In het kader van de bestaanszekerheid blijft de gemeente de compensatie betalen tot het moment dat Dienst Toeslagen alsnog de ALO-kop uitbetaalt. Als de ALO-kop met terugwerkende kracht via Dienst Toeslagen gaat lopen, kan de gemeente de compensatie over die maanden terugvorderen. Het is goed de inwoner hierover al van tevoren te informeren. De nabetaling heeft in april 2026 plaatsgevonden. In de begeleidende brief van Dienst Toeslagen aan de inwoner staat dat de gemeente over die nabetaling contact opneemt met de inwoner. De gemeente krijgt hierover echter geen signaal van Dienst Toeslagen. Zij zal dus zelf moeten onderzoeken welke statushouders mogelijk zo’n brief en nabetaling hebben ontvangen en actief navraag bij deze groep bijstandsgerechtigden doen. VNG heeft hierover in mei 2026 een brief gepubliceerd.43 Digitale ondersteuning Mogelijk is er een aanpassing van het uitkeringssysteem nodig. Gemeenten die gebruikmaken van automatische normbepaling via het uitkeringssysteem, moeten het systeem ook (laten) aanpassen. De gemeente moet kunnen vastleggen dat wanneer de uitkeringsgerechtigde geen recht heeft op de ALO-kop, deze een ophoging kan krijgen.
Dit moet goed kunnen worden ingevoerd in het systeem. 9.3 Kan de gemeente vooruitlopen op de wijziging? Veel gemeenten lossen het probleem van te weinig inkomen – naar aanleiding van rechterlijke uitspraken44 - nu op via afstemming of bijzondere bijstand. Dit blijft in 2026 mogelijk. 9.4 IOAW, IOAZ en Bbz IOAW en IOAZ Deze wijziging werkt niet door in de IOAW en de IOAZ. Het zal naar verwachting niet vaak voorkomen bij IOAW-en IOAZ-gerechtigden. In die gevallen dat het wel voorkomt kan de IOAW of IOAZ- gerechtigde een aanvullende uitkering op grond van de Participatiewet aanvragen. Bbz 2004 Deze wijziging geldt ook voor het Bbz 2004. 43 Zie de publicatie van VNG. Deze vermeldt (nog) niet dat het bij die nabetaling alleen om statushouders gaat. 44 Zie o.a. ECLI:NL:CRVB:2017:879 en ECLI:NL:CRVB:2020:3517 58 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 10 Evenredigheidstoets bij dringende redenen Deze wijziging houdt verband met het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid, met een beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2027. Ook nu al speelt evenredigheid een rol. Evenredigheid van besluiten is de afgelopen jaren door verschillende gebeurtenissen, zoals de toeslagenaffaire, meer in de schijnwerpers komen te staan.
Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het beoogde doel van het besluit (artikel 3:4 tweede lid Awb). Rechters toetsen sinds februari 2022 minder terughoudend aan het evenredigheidsbeginsel. Door ontwikkelingen in de rechtspraak speelt het evenredigheidsbeginsel nu een grotere rol als een beroep wordt gedaan op dringende redenen om af te zien van een boete of terugvordering. De wet wordt hierop aangepast. Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid Deze wijzigingen kunnen niet los worden gezien van het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid. Dit wetsvoorstel voorziet in een nieuw wettelijk handhavingskader voor alle socialezekerheidswetten, ten behoeve van passende handhaving als een verplichting niet wordt nageleefd. Dit nieuwe handhavingskader is erop gericht om evenredig handhaven in grotere mate mogelijk te maken, met de menselijke maat als uitgangspunt. Daarom is invoering van de hier besproken wijzigingen in de Participatiewet voorzien in fase 3 met een beoogde ingangsdatum van 1 januari 2027 (afhankelijk van inwerkingtreding van de Wet handhaving sociale zekerheid).
Daarnaast is de reikwijdte van ‘de dringende redenen’ bij de herziening en terugvordering verbreed omdat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een grotere rol spelen bij de toets of sprake is van een ‘dringende reden’. De rechtspraak hierover wordt met het wetsvoorstel gecodificeerd. Let op: De tekst in deze handreiking ziet op de situatie op dit moment. Ook nu al moeten gemeenten door de ontwikkelingen in de rechtspraak rekening houden met de manier waarop het beginsel van evenredigheid een rol speelt bij dringende redenen. 10.1 Wat wijzigt er bij dringende redenen? Er wordt in de wet geëxpliciteerd dat er getoetst moet worden aan het evenredigheidsbeginsel bij het beantwoorden van de vraag of er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk af te zien van een terugvordering of van een bestuurlijke boete. Deze wijziging sluit aan bij de ontwikkelingen in de rechtspraak. Hiertoe worden een aantal bepalingen in de Participatiewet gewijzigd: Artikel 18a, negende lid, van de Participatiewet: dringende redenen om af te zien van een boete. Hieraan wordt een zinsnede toegevoegd: Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Van een dringende reden is onder meer sprake indien de nadelige gevolgen van het opleggen van een bestuurlijke boete voor een belanghebbende onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.45 Wijziging artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet: dringende redenen om af te zien van terugvordering. Hieraan wordt een zinsnede toegevoegd: 45 Artikel 18a lid 9 Pw zoals in het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid is opgenomen.
59 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Van een dringende reden is onder meer sprake indien de nadelige gevolgen van de terugvordering voor een belanghebbende onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. 10.2 Waarom worden deze artikelen gewijzigd? Terugvordering is als uitgangspunt verplicht wanneer als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting te veel uitkering is ontvangen. Het opleggen van een boete is dat ook, als er sprake is van schending van de inlichtingenplicht en de gemeente daardoor benadeeld is. Het gaat om gebonden bevoegdheden in een wet in formele zin. Het toetsingsverbod uit artikel 120 Grondwet maakt dat dergelijke bepalingen niet getoetst kunnen worden aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Dit kan anders zijn als er sprake is van door de wetgever niet verdisconteerde omstandigheden. Het gaat dan om specifieke omstandigheden die niet naar behoren in het wetgevend proces aan de orde zijn gekomen. Dit is zelden het geval.
Dit betekent dat er weinig ruimte is om, in het geval er te veel uitkering is verstrekt omdat de inlichtingenplicht niet is nagekomen, persoonlijke omstandigheden en bijzondere situaties van betrokkene mee te wegen. Van een terugvordering of een boete kan wel geheel of gedeeltelijk worden afgezien als er sprake is van dringende redenen. Het begrip dringende redenen werd tot voor kort heel beperkt uitgelegd in de rechtspraak en uitvoeringspraktijk. Dringende redenen kunnen bestaan als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Hierdoor kunnen inwoners feitelijk zelden een geslaagd beroep doen op dringende redenen. Inmiddels is de invulling van het begrip dringende redenen in de rechtspraak veranderd.46 Die gewijzigde inzichten worden nu ook in de wet verankerd, zodat duidelijk is dat er altijd getoetst moet worden aan het evenredigheidsbeginsel wanneer een beroep op dringende redenen wordt gedaan. Op deze wijze vormen de dringende redenen een beter instrument om hardheden in de besluitvorming te voorkomen en rekening te houden met persoonlijke omstandigheden van de inwoner en de rol van de gemeente. Om beter te begrijpen op welke wijze evenredigheid een rol speelt in besluiten is een schets van de ontwikkelingen en het kader nodig.
10.3 Kader voor toets aan evenredigheid Door de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) is in de uitspraak van 2 februari 202247 een kader geschetst voor de toets aan evenredigheid. De evenredigheid van een besluit wordt beoordeeld aan de hand van 3 beoordelingspunten: 1. Geschiktheid: is het besluit geschikt om het daarmee beoogde doel te bereiken? 2. Noodzakelijkheid: is het besluit noodzakelijk om het beoogde doel te bereiken, of kan dat ook met een minder ingrijpende maatregel? 3. Evenredigheid in strikte zin: is het besluit dat op zich geschikt en noodzakelijk is, ook in dit specifieke geval evenredig? De intensiteit van de toets aan evenredigheid is afhankelijk van verschillende factoren en zal dus van geval tot geval anders zijn. De intensiteit van de toetsing wordt bepaald door onder meer: 46 ECLI:NL:CRVB:2024:726 47 ECLI:NL:RVS:2022:285 60 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 • het type besluit; • de aard en de mate van beleidsruimte van het bestuursorgaan; • de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen; • de aard van de betrokken belangen; • de mate waarin deze door het besluit worden geraakt.
Naarmate deze belangen zwaarder wegen, de gevolgen van het besluit ernstiger zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op de fundamentele rechten, zal de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel intensiever zijn. Deze wijze van toetsen is overgenomen in latere uitspraken door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en daarmee ook relevant voor gemeenten bij het uitvoeren van de Participatiewet. Evenredigheidsbeginsel en dringende redenen om van terugvordering of een boete af te zien Sinds de uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de RvS48 hebben de ontwikkelingen rond het evenredigheidsbeginsel niet stil gestaan. Met de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024 49 wordt het begrip dringende redenen voortaan ruimer uitgelegd. Voorafgaand aan deze uitspraak is een conclusie gevraagd aan Advocaat-Generaal De Bock.50 De CRvB ziet de dringende redenen voortaan als een open norm. Het uitgangspunt blijft dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald. Maar als een beroep wordt gedaan op dringende redenen moet de gemeente de relevante feiten en omstandigheden zodanig afwegen, dat die een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan doorstaan. De CRvB noemt daarbij met name het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het (materiële) zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Wat kunnen die relevante feiten en omstandigheden in de beoordeling van de oorzaak zijn? De Centrale Raad noemt aan de zijde van de gemeente onder meer: • trage besluitvorming met een langere terugvorderingsperiode als gevolg; • gemaakte fouten. Aan de zijde van de betrokken inwoner de aard van de schending van de inlichtingenplicht: • wel of niet bewust; of • een onoplettendheid; of • ontbreken van verwijtbaarheid, maar wel op de hoogte van het feit dat er te veel bijstand is verstrekt. Terugvordering en schuldhulp Voor wat betreft de financiële gevolgen van een terugvordering of een boete worden inwoners beschermd door de beslagvrije voet. Daarin verandert met deze uitspraak niets. Als echter bij het 48 ECLI:NL:RVS:2022:285 49 ECLI:NL:CRVB:2024:726 50 ECLI:NL:CRVB:2023:2086 De gemeente moet niet alleen rekening houden met de gevolgen van een besluit, maar ook met de oorzaak. Ook fouten van de gemeente zelf kunnen daarbij een rol spelen. Evenredigheid moet dus standaard in de overwegingen worden meegenomen wanneer een beroep wordt gedaan op dringende redenen. 61 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 nemen van een terugvorderingsbesluit al te voorzien is dat hierdoor een schuldhulptraject dreigt te worden beëindigd, dan moet de gemeente dat al bij het nemen van het terugvorderingsbesluit meewegen.
Dat geldt zeker als betrokkene geen (overwegend) aandeel in de ontstane herziening of terugvordering heeft en geen sprake is van opzettelijke schending van de inlichtingenplicht. 10.4 Wat betekent deze wijziging voor de gemeente? Met de wetswijzigingen wordt duidelijk gemaakt dat de gemeente bij de afweging of er dringende redenen zijn om af te zien van een boete of terugvordering, ook moet kijken of het besluit evenredig is. Hiermee wordt beoogd de ontwikkelingen in de rechtspraak te laten doorklinken in de wet. De dringende redenen moeten zo worden ingevuld dat zij als wettelijke hardheidsclausule een wezenlijke rol kunnen spelen in de besluitvorming. Bij het onderzoek en de afwegingen zijn niet langer alleen de gevolgen van het besluit belangrijk, maar ook de omstandigheden voorafgaand aan de besluitvorming. De wijziging betekent dat: • de noodzaak voor een zorgvuldig onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden van de inwoner en de eventuele rol van de gemeente voordat die een besluit tot terugvordering of het opleggen van een boete neemt, in belang toeneemt; en • dat er meer aandacht moet uitgaan naar de motivering van het besluit. Uit de motivering moet blijken welke belangen in de afweging zijn meegenomen en hoe deze belangen zijn gewogen.
Zorgvuldig onderzoek voorafgaand aan het besluit Artikel 3:4 van de Awb, draagt de gemeente op voorafgaand aan het nemen van een besluit de bij een besluit betrokken belangen af te wegen en ervoor te zorgen dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Deze opdracht geldt in alle situaties waarin de gemeente ruimte heeft om een afweging te maken, en de wetgever deze afweging niet al heeft gemaakt in het wettelijk voorschrift zelf (of volgt uit de aard van de bevoegdheid). De opdracht ziet dus op situaties waarin de gemeente ruimte heeft om afwegingen te maken en vraagt om een zorgvuldig onderzoek en professionele nieuwsgierigheid naar de omstandigheden van de inwoner, voorafgaand aan het nemen van een besluit. Houdt daarbij ook rekening met het doenvermogen van inwoners, en met de omstandigheden die dit doenvermogen kunnen beïnvloeden (zoals financiële problemen of echtscheiding). Zorgvuldige voorbereiding Daar waar terugvordering en het opleggen van een boete verplicht is en er geen discretionaire bevoegdheid is, heeft de gemeente als uitgangspunt geen taak om voorafgaand aan het besluit de belangen op deze wijze uit eigen beweging te wegen. Dat heeft de wetgever immers al gedaan bij het bepalen dat er in bepaalde situaties een boete opgelegd of dat er geld teruggevorderd moet worden.
Een zorgvuldige voorbereiding van besluiten (artikel 3:2 Awb), waarbij zicht ontstaat op de situatie van de inwoner en de gevolgen van een besluit is echter altijd belangrijk. Een zorgvuldige voorbereiding met oog voor het te behalen effect en de belangen van de gemeente en de inwoner, draagt bij aan een passend besluit, het vroegtijdig signaleren van problemen (o.a. schulden) en daarmee ook aan een integrale dienstverlening en een betere acceptatie van besluiten door inwoners. Op deze wijze draagt een zorgvuldig voorbereid besluit ook bij aan een herstel van vertrouwen in de overheid. Wanneer een uitkeringsgerechtigde een beroep doet op dringende redenen om af te zien van de boete of terugvordering, is de toets aan het evenredigheidsbeginsel eenvoudiger als dit besluit tot het opleggen van een boete of terugvordering zorgvuldig is voorbereid en de persoonlijke situatie van betrokkene goed in kaart is gebracht. 62 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Verzoek om af te zien is beroep op dringende redenen Het uitgangspunt is dat de betrokken inwoner een beroep moet doen op het bestaan van dringende redenen en feiten en omstandigheden aan moet voeren die maken dat er sprake is van dringende redenen.
De Centrale Raad heeft echter overwogen dat daar geen hoge eisen aan moeten worden gesteld.51 Betrokkene hoeft hiervoor deze woorden niet uitdrukkelijk te noemen. Het is dus voor gemeenten belangrijk om hier in contacten met inwoners alert op te zijn. Ook is het aan te raden om bij een onderzoek te controleren of er in het verleden geen signalen zijn gemist waardoor de gemeente mogelijk een eigen aandeel heeft in het ontstaan of het oplopen van de terugvordering. Hoewel de gemeente strikt genomen dus niet ambtshalve hoeft te toetsen of er dringende redenen zijn, zal een toets op het bestaan van dringende redenen in de praktijk wel vaak aan de orde zijn.52 10.5 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is afhankelijk van een veelheid aan factoren en kan daarom van geval tot geval verschillen. De gemeente kan in een handelingskader vastleggen hoe de afweging tussen het belang van betrokkene en de gemeente gemaakt wordt, welke factoren daarbij een rol spelen en de mate waarin.
Bijvoorbeeld ten aanzien van: • de hoogte van het terug te vorderen bedrag; • ingrijpende levensgebeurtenissen bij de inwoner; • het doenvermogen van de inwoner; • de wijze waarop nalatigheid van de gemeente of traagheid in de besluitvorming van invloed is op de afweging; • het effect van het besluit op de financiële situatie in de toekomst; • de gezinssituatie, waaronder de opvoeding van de kinderen en de persoonlijke ontwikkeling van de inwoner. Uitvoering en motivering van het besluit De evenredigheidstoets in het kader van dringende redenen vraagt om een zorgvuldige motivering van besluiten, waarin inzichtelijk gemaakt wordt welke feiten en omstandigheden zijn gewogen en hoe op basis van deze feiten en omstandigheden is getoetst of het besluit evenredig is. Duidelijk moet zijn hoe de verschillende elementen uit de toets (geschiktheid, noodzakelijkheid en evenredigheid in strikte zin) zijn meegenomen in de besluitvorming. Een goede motivering laat niet alleen zien op welke wijze getoetst is aan evenredigheid, maar voorkomt ook ongewenste precedentwerking. Digitale ondersteuning Er is naar verwachting geen aanpassing van de software nodig. 51 ECLI:NL:CRVB:2024:726 52 ECLI:NL:CRVB:2024:2195 Stimulansz heeft een Stroomschema Evenredigheidsbeginsel (Hoe bepaal ik of een besluit evenredig is?) gemaakt.
Dit is vanaf juli 2026 te downloaden in de Toolkit Participatiewet in balans op de website van Stimulansz. 63 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 10.6 IOAW, IOAZ en Bbz De toets aan evenredigheid bij dringende redenen geldt ook voor besluiten op grond van de IOAW, IOAZ en het Bbz. 64 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Deel 3: Stabiel en voldoende inkomen Voor bijstandsgerechtigden is het belangrijk ervan uit te kunnen gaan dat zij iedere maand voldoende inkomen hebben om alle kosten voor levensonderhoud te kunnen betalen. Met de Participatiewet is die zekerheid er voor bijstandsgerechtigden die in deeltijd werken niet altijd. De wijzigingen in dit deel beogen onder meer de schommelingen in de hoogte van de uitkering weg te nemen. Het gaat om: • het invoeren van een bufferbudget om in te kunnen zetten bij inkomensschommelingen; • het ambtshalve toekennen van de individuele inkomenstoeslag; • het uniform verrekenen van inkomsten uit arbeid; en • een verruiming van de bijverdiengrenzen en de mogelijkheid om ook jongeren tot 27 jaar een premie bij arbeidsinschakeling te verstrekken; Deze wijzigingen vallen alle vier in fase 3 waarin de implementatie is gepland voor 1 januari 2027. Het uniform vaststellen en verrekenen van het netto-inkomen wordt in 2026 deels gedoogd.
Dit geldt ook voor het verstrekken van de premie arbeidsinschakeling en het toepassen van de inkomensvrijlating bij jongeren tot 27 jaar. Ook dit wordt in 2026 voor deze doelgroep gedoogd. In dit deel van de handreiking houden we de volgorde van de wijzigingen in fase 3 aan, zoals in het faseringsschema is weergegeven. 11 Bufferbudget Deze wijziging gaat in per 1 januari 2027 Voor bijstandsgerechtigden kan de stap van uitkering naar deeltijdwerk ook onzekerheid en financiële stress geven. Bij wisselende inkomsten kan dit door de verrekening met de bijstand (grote) schommelingen in de uitkering geven en ervoor zorgen dat het totale inkomen op maandbasis onder de bijstandsnorm komt. Sommige bijstandsgerechtigden die in deeltijd werken komen hierdoor in financiële problemen. 11.1 Wat is het bufferbudget? Er wordt een bufferbudget geïntroduceerd in het nieuwe artikel 34b van de Participatiewet: 34b. Bufferbudget 1. Het college kan op basis van individuele omstandigheden voor degene die inkomen uit arbeid en algemene bijstand ontvangt, ambtshalve een bufferbudget tot maximaal € 1.000 netto per kalenderjaar inzetten, indien: a.
de belanghebbende als gevolg van inkomstenverrekening instabiliteit in inkomen heeft of zal hebben, waardoor die persoon of het gezin gedurende een of meer maanden op maandbasis minder dan de bijstandsnorm tot zijn beschikking heeft of daar redelijkerwijs over kan beschikken; en
b. | het bufferbudget naar het oordeel van het college bijdraagt aan het werken in deeltijd of aan volledige arbeidsinschakeling van deze persoon. 2. | Het college wendt het bufferbudget aan om betalingen aan de belanghebbende te doen, of om onverschuldigd betaalde algemene bijstand te vereffenen vanwege het in aanmerking nemen van inkomsten uit arbeid, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de stabiliteit van de inkomensvoorziening in een of meer maanden. 3. | Bij aanwending van het bufferbudget zijn de artikelen 11, vierde lid, en 45, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Het bufferbudget is een maatwerkinstrument, bedoeld om de bijstandsgerechtigde die in deeltijd werkt een stabieler inkomen te geven, daarmee financiële stress bij werkaanvaarding op te vangen en een belemmerende factor om te gaan werken weg te nemen. 11.2 | Kenmerken van het bufferbudget • | Het bufferbudget kan worden ingezet op basis van individuele omstandigheden om als financiële buffer te dienen bij werkaanvaarding, wanneer als gevolg van inkomstenverrekening het inkomen instabiel is of zou leiden tot een terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, onder a, van de Participatiewet. Het bufferbudget kan betaald worden aan de inwoner of worden gebruikt om een vordering te voldoen.
Dit kan in (ongelijke) delen en het maximum van € 1.000 hoeft niet volledig gebruikt te worden. • | Het kan alleen worden ingezet bij inkomen uit arbeid en wanneer het bijdraagt aan | het werken in deeltijd of de volledige arbeidsinschakeling | . • | Het bufferbudget kan per persoon worden toegekend. Dus gehuwden en samenwonenden kunnen beiden in aanmerking komen voor de inzet van een bufferbudget, wanneer zij allebei werken. • | De bijstandsgerechtigde hoeft het bufferbudget niet aan te vragen; de verstrekking is ambtshalve. • | Het bufferbudget kan samenlopen met de inkomstenvrijlating en de premie voor arbeidsinschakeling, hoewel deze instrumenten voorliggend zijn aan het bufferbudget. Het bufferbudget kan worden ingezet als deze instrumenten zijn uitgeput, niet kunnen worden toegepast of het probleem niet oplossen in de individuele situatie. • | Het bufferbudget wordt niet ingezet als de noodzaak tot inzetten het gevolg is van schending | van de inlichtingenplicht en dit verwijtbaar is. Houd hierbij rekening met het doenvermogen van de inwoner. • | Het bufferbudget mag ook niet worden ingezet als er sprake is van terugvordering vanwege een onverschuldigde betaling die het gevolg is van fouten of traag handelen van de gemeente.
In die gevallen mag de gemeente vanaf 2027 niet meer terugvorderen (tenzij de bijstandsgerechtigde redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel bijstand ontving | )53; • | Het bufferbudget kan niet worden teruggevorderd, maar is wel vatbaar | voor beslag. De beslaglegger moet op deze incidentele betaling apart beslagleggen. Dit moet gebeuren nadat is vastgesteld dat de bijstandsgerechtigde recht heeft op het bufferbudget, | maar voordat het bufferbudget wordt uitbetaald, dus in de periode tussen toekenning en uitbetaling. Voor de toepassing en uitwerking van het bufferbudget heeft Optimalistic een Leidraad Bufferbudget geschreven. Deze is vanaf juli 2026 te downloaden bij de Producten Simpel Switchen. 53 Dit komt via het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid | in het nieuwe artikel 58 lid 9 onder a Pw. 65 | Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 66 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 11.3 Gevolgen voor belastingen en toeslagen Het bufferbudget is een bedrag van maximaal € 1.000 netto per kalenderjaar, dat wordt belast via een eindheffing. Dat betekent dat het geen gevolgen heeft voor het belastbaar inkomen van de bijstandsgerechtigde en daarmee ook niet voor toeslagen als huur- en zorgtoeslag, en voor andere regelingen die het verzamelinkomen als grondslag gebruiken (o.a.
eigen bijdrage Wlz en aanvullende studiebeurs DUO). 11.4 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Het bufferbudget is een kan-bepaling en vraagt om gemeentelijke invulling via beleidsregels en werkinstructies. Vooruitlopend op het bufferbudget kan de gemeente er alvast over nadenken hoe dit in te richten en hoe in te vullen.54 Het bufferbudget wordt opgenomen in het BUIG-budget en is een nettobedrag van € 1.000 dat de gemeente bruto ongeveer € 1.700 kost. De begroting moet hierop worden aangepast. Voor de afweging met betrekking tot de inzet van het bufferbudget kan onderstaand overzicht helpend zijn: Regeling Financiering Belast/onbelast Premie arbeidsinschakeling Gemeentefonds (eigen middelen) Onbelast (voor zover incidenteel, max 2x per jaar en niet in combinatie met een vrijwilligersvergoeding) Inkomstenvrijlating BUIG-budget Belast (in feite een verhoging van de te verstrekken bijstand) Bufferbudget BUIG-budget Belast (via eindheffing) Kwijtschelding BUIG-budget Onbelast Digitale ondersteuning Voor het bufferbudget moet het uitkeringssysteem worden ingericht, zodat de gemeente kan vastleggen voor wie het is gereserveerd en welk saldo is gebruikt en om de eindheffing toe te passen. 11.5 IOAW, IOAZ en Bbz Het bufferbudget van € 1.000 netto wordt ook opgenomen in de IOAW/Z , in een nieuw artikel 38b.
Dit nieuwe artikel komt overeen met het nieuwe artikel 34b Participatiewet. Ook de toepassing van het bufferbudget is hetzelfde als in de Participatiewet. Door de afwijkende systematiek die het Bbz kent, is het bufferbudget (artikel 34b Pw) niet toe te passen in het Bbz 2004. Het bufferbudget heeft als doel om schommelingen in het inkomen op te vangen. Een zelfstandig ondernemer heeft sowieso te maken met schommelende bedrijfsinkomsten. De Bbz-systematiek heeft al de mogelijkheden om deze schommelingen op te vangen. 54 De Leidraad Bufferbudget van Optimalistic geeft ook informatie over beleid en werkproces. In het najaar van 2026 zijn de modelbeleidsregels Stabiel inkomen van VNG beschikbaar. 67 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 12 Ambtshalve individuele inkomenstoeslag Deze wijziging gaat in per 1 januari 2027 De individuele inkomenstoeslag (IIT) is een bedrag dat op aanvraag verstrekt kan worden aan inwoners van 21 jaar tot AOW-leeftijd, die langdurig een laag inkomen hebben en geen in aanmerking te nemen vermogen. Bovendien mag er geen uitzicht zijn op inkomensverbetering. De inkomenstoeslag is vrij besteedbaar en fiscaal onbelast. 12.1 Wat wijzigt er aan de verstrekking van de inkomenstoeslag? In het huidige artikel 36, eerste lid van de Participatiewet staat dat de individuele inkomenstoeslag op aanvraag kan worden verleend.