CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

De Handreiking Participatiewet in Balans

Beeldvormende bijeenkomst Papendrecht 8 oktober 2026, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 5: Presentatie Participatiewet in Balans en Transformatieplan lokale en regionale infrastructuur54.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 7

Meldingsdatum voor IOAW, IOAZ of Bbz is meldingsdatum bijstand (en vice versa); 3. Aanpassing van de toegangseis IOAZ; en 4. Een verkorte aanvraagprocedure voor herinstromers in de bijstand. 3.1 Meldingsdatum is aanvraagdatum Wat is er gewijzigd? Aan artikel 41 van de Participatiewet is een twaalfde lid toegevoegd: 12. In alle gevallen waar het vierde lid niet op van toepassing is, stelt het college betrokkene na melding onverwijld in de gelegenheid een aanvraag in te dienen. Het is de bedoeling dat iedereen die een melding voor bijstand doet, aansluitend ook de aanvraag kan doen. De enige uitzondering hierop geldt voor jongeren tot 27 jaar aan wie de gemeente de vierwekenzoektermijn heeft opgelegd (zie ook § 1.1 Jongeren tot 27 jaar). Waarom is de meldingsdatum nu de aanvraagdatum? Uit jurisprudentie bleek dat inwoners die een melding deden soms niet de mogelijkheid kregen om ook direct de bijstandsaanvraag te doen. De aanvraagdatum is belangrijk, want op dat moment gaan de vier weken voor de bevoorschotting (artikel 52, lid 1 Pw) en de wettelijk geldende afhandelingstermijn van 8 weken (artikel 4:13 Awb) lopen. Als landelijk overal deze termijnen worden aangehouden, bevordert dat de rechtszekerheid en de bestaanszekerheid. Bijstandsgerechtigden hoeven dan maximaal 4 weken op een voorschot te wachten en weten wanneer zij de beschikking kunnen verwachten.

Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Deze wijziging heeft geen gevolgen voor het gemeentelijk beleid. Uitvoering Wanneer er in het werkproces een tijdsverloop zit tussen de melding en het moment dat de mogelijkheid wordt geboden om een aanvraag in te dienen, zal de gemeente het werkproces moeten aanpassen, zodat deze aansluit bij de wetswijziging.

24 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Daarnaast moeten alle gemeenten die de aanvraag via werk.nl (eBijstand) laten lopen zich realiseren dat de aanvraag voor jongeren onder de 27 na de melding geblokkeerd wordt, omdat daar standaard de vierwekenzoektermijn voor ingesteld staat. Het werkproces moet zo gewijzigd worden, dat bij een melding van een jongere tot 27 wordt onderzocht of de zoektermijn blijft gelden of dat het een jongere in kwetsbare omstandigheden betreft (zie verder §1.3 Vierwekenzoektermijn voor jongeren onder Uitvoering). Digitale ondersteuning Gemeenten moeten in 2 gevallen erop toezien dat de digitale ondersteuning aansluit bij deze wetswijziging: 1. Als de gemeente de aanvraag via haar eigen website laat lopen, moet deze zo nodig aangepast worden, zodat onverwijld aansluitend aan de melding ook de aanvraag kan worden gedaan. 2. Gemeenten die de aanvraag via werk.nl laten lopen, moeten mogelijk iets aanpassen in de berichtgeving die jongeren tot 27 krijgen als zij een melding voor bijstand doen en de aanvraag (voorlopig) geblokkeerd wordt. Bij jongeren aan wie de zoektermijn niet wordt opgelegd, moet de consulent zo spoedig mogelijk na deze beoordeling de aanvraagmogelijkheid bij werk.nl deblokkeren.

3.2 Meldingsdatum IOAW, IOAZ of Bbz is meldingsdatum bijstand Wat is er gewijzigd? Aan artikel 43 Pw wordt een zesde lid toegevoegd: 6. Indien een belanghebbende zich onverwijld na afwijzing van een aanvraag voor een uitkering op grond van artikel 78f, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen meldt voor een aanvraag voor algemene bijstand, geldt de datum van melding voor de aanvraag voor die uitkering tevens als melding bedoeld in artikel 44. Deze wijziging codificeert wat in de praktijk van de meeste gemeenten al gebruikelijk is: wanneer een inwoner zich eerst meldt voor een IOAW-, IOAZ- of Bbz-uitkering en daar geen recht op blijkt te hebben, geldt de meldingsdatum voor deze uitkering ook als meldingsdatum voor de bijstand. Eerdere meldingen of aanvragen bij andere instanties, zoals UWV, zijn niet meegenomen bij deze wijziging. Waarom geldt de eerste meldingsdatum ook voor een andere uitkering? Voor een inwoner die niet meer in zijn inkomen kan voorzien, is het vaak lastig om vast te stellen voor welke uitkering hij in aanmerking komt. Het wordt als onredelijk ervaren dat de inwoner door het maken van een verkeerde keuze soms weken of maanden geen uitkering heeft.

In de praktijk gaan veel gemeenten al uit van de meldingsdatum van de eerder aangevraagde uitkering, zowel bij een eerdere melding voor een IOAW, IOAZ- of Bbz-uitkering als voor een Participatiewetuitkering. Het komt immers ook voor dat een inwoner die zich meldt voor een uitkering op grond van de Participatiewet in aanmerking kan komen voor een uitkering IOAW, IOAZ of Bbz. Deze wijziging heeft daarom ook uitwerking in deze regelingen. Zie hiervoor § 3.5 IOAW, IOAZ en Bbz. Afhandelingstermijn van de aanvraag De afhandelingstermijn blijft gekoppeld aan de aanvraag van de bijstandsuitkering en gaat dus pas lopen vanaf datum aanvraag Pw-uitkering. In principe geldt dit ook voor de vierwekentermijn van het voorschot. Iemand die in afwachting is van een eerdere aanvraag zit vermoedelijk al geruime tijd zonder inkomen. Bij het voorschot is de vierwekentermijn een maximumtermijn. De oproep aan 25 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 gemeenten is om in deze situaties zo snel mogelijk een voorschot te verstrekken om betalingsproblemen bij de aanvrager te voorkomen. Deze wijziging kan samenlopen met de wijziging om op individuele gronden de uitkering tot 3 maanden met terugwerkende kracht in te laten gaan. Voor meer informatie hierover, zie Hoofdstuk 6: Terugwerkende kracht bij aanvragen.

Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Veel gemeenten hebben al een werkproces ingericht voor het gebruik van de meldingsdatum van de eerder aangevraagde uitkering. Gemeenten die dit nog niet doen, zullen hun werkwijze hierop moeten aanpassen. De verplichting om het zesde lid van artikel 43 toe te passen volgt rechtstreeks uit de wet, er is weinig ruimte voor eigen gemeentelijk beleid. Wel is het goed om na te denken over de volgende punten: • Wat is ‘onverwijld’? • Wat doe je met de aanvraag voor de ‘verkeerde’ regeling? Wijs je die aanvraag af of vraag je de inwoner die aanvraag in te trekken en de ‘juiste’ uitkering aan te vragen? (Denk hierbij wel aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals de zorgplicht.) • Wie bepaalt in de uitvoeringsketen de meldingsdatum, zowel bij de overige uitkeringen als bij bijstand? En hoe leg je de meldingsdatum vast? De gemeente kan de antwoorden op deze vragen vastleggen in beleidsregels of werkinstructie. Uitvoering Neem in het werkproces op wanneer welke digitale bestanden een consulent kan raadplegen en hoe daarmee om te gaan. Denk daarbij aan de volgende momenten: • De eerdere melding voor de ‘verkeerde’ uitkering vind je meestal in de gegevens van de gemeente of in Suwinet. • Vermeld de datum van de eerdere melding als ingangsdatum in de beschikking van de ‘juiste’ uitkering.

• Vermeld de ingangsdatum van de uitkering correct in de SUWI-gegevens. Houdt ook rekening met de mogelijkheid om op grond van individuele omstandigheden de uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Digitale ondersteuning In de digitale ondersteuning zijn waarschijnlijk geen aanpassingen nodig. 3.3 Aanpassing van de toegangseis IOAZ Wat is er gewijzigd? Voor 2026 gold dat een aanvraag moest worden ingediend vóórdat de aanvrager het bedrijf of het zelfstandig beroep beëindigt. De beëindiging zelf moest plaatsvinden binnen een periode van 1,5 jaar volgend op het tijdstip van aanvraag (artikel 5, tweede lid, onderdeel 4 van de IOAZ). Was een aanvraag ingediend nadat het bedrijf of beroep is beëindigd? Dan kon men niet meer beschouwd worden als een gewezen zelfstandige in de zin van de IOAZ. Dit staat in artikel 5 lid 2 onder 1 IOAZ: De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bedoeld in artikel 2: 1°.

de gewezen zelfstandige heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend en gedurende de zeven jaar 26 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 daarvoor eveneens rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend dan wel arbeid in dienstbetrekking verricht; Deze voorwaarde is verruimd, zodat het ook mogelijk is om IOAZ toe te kennen aan ondernemers die hun bedrijf of beroep tot 3 maanden voor de aanvraagdatum hebben beëindigd: Artikel 5, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste onderdeel wordt na «onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag» ingevoegd «, of, indien die aanvraag uiterlijk drie maanden na beëindiging van het bedrijf of beroep is ingediend, gedurende drie jaar voor die beëindiging». 2. Aan het vierde onderdeel wordt na «volgend op het tijdstip van de aanvraag» toegevoegd «of de aanvraag is ingediend uiterlijk drie maanden na beëindiging van het bedrijf of beroep». De overige voorwaarden voor deze uitkering zijn onverkort blijven gelden. Deze wijziging maakt het nu mogelijk om wél een aanvraag in te dienen na beëindiging van bedrijf of beroep. Deze wijziging kan samenlopen met de wijziging om op individuele gronden de uitkering tot 3 maanden met terugwerkende kracht in te laten gaan.

Voor meer informatie hierover, zie Hoofdstuk 6 Terugwerkende kracht bij aanvragen. Waarom is de toegangseis verruimd? Bij de beoordeling op het recht op IOAZ moet onder andere worden vastgesteld dat het bedrijf om niet-verwijtbare redenen is beëindigd. Bij invoering van de IOAZ in 1987 was de gedachte dat men dat alleen kon toetsen als het bedrijf nog niet was beëindigd. Nu wordt daar anders tegenaan gekeken; die niet-verwijtbaarheid kan ook tot 3 maanden terug getoetst worden. De nadruk ligt er nu op dat ondernemers voor wie deze regeling is bedoeld, de uitkering ook kunnen krijgen als zij eerst bezig zijn met de beëindiging van hun beroep of bedrijf en pas daarna toekomen aan de vraag op welke vorm van ondersteuning zij mogelijk recht hebben. Dit geldt tot uiterlijk 1 januari 2028, dan wordt de IOAZ afgesloten voor nieuwe instroom.25 Dat betekent dat er sprake moet zijn van een volledige aanvraag voor 1 januari 2028 wil de aanvrager nog in aanmerking komen voor IOAZ. Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Als de gemeente beleid heeft opgesteld dat betrekking heeft op het moment van aanvragen dat afwijkt van deze wetswijziging, dan zal het beleid moeten worden aangepast. Uitvoering De werkprocessen moeten mogelijk worden aangepast.

Medewerkers die de IOAZ uitvoeren en de voorwaarden toetsen, moeten rekening houden met de verruimde voorwaarden van bedrijfsbeëindiging binnen 3 maanden voor de aanvraag. En ook met de mogelijkheid om op grond van individuele omstandigheden de uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Digitale ondersteuning Mogelijk is in (digitale) aanvraagformulieren een wijziging nodig, zodat de aanvraag ook gedaan kan worden als het bedrijf tot 3 maanden voor de aanvraag is beëindigd. 25 Zie het Wetsvoorstel afsluiten nieuwe instroom IOAZ, dat op het moment van publicatie van deze handreiking in internetconsultatie is. 27 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 3.4 Een verkorte aanvraagprocedure Wat is er gewijzigd? De mogelijkheid voor een verkorte aanvraagprocedure is nu in de wet verankerd in het nieuwe artikel 43a van de Participatiewet: Artikel 43a. Gebruik gegevens bij hernieuwde aanvraag 1. Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag. 2. Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.

Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen 12 maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een verkorte aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Gemeenten die met een verkorte aanvraagprocedure werken, maken meestal gebruik van een aparte digitale aanvraagknop. Bij het invoeren van deze verkorte aanvraag kan de gemeente overwegen meteen ook een digitaliseringsslag te maken.26 Waarom is er nu de mogelijkheid de aanvraagprocedure te verkorten? Het versoepelen en verkorten van de aanvraagprocedure voor de zogenoemde herinstromers is bedoeld om het hen gemakkelijker te maken de stap naar werk te zetten. Soms wordt een dergelijke stap belemmerd door angst voor (financiële) onzekerheid en een ingewikkelde en tijdrovende aanvraagprocedure bij de stap terug naar de uitkering. Daarbovenop komt de beslistermijn van 8 weken, die voor jongeren zelfs langer kan zijn vanwege de vierwekenzoektermijn. De verkorte aanvraag kan een groot deel van deze onzekerheden en ongemakken wegnemen. Zij draagt bij aan eenvoud in de Participatiewet en aan de doelen van programma’s als Simpel Switchen in de Participatieketen22.

Periode verkorte aanvraag en gebruik van gegevens Voor een verkorte aanvraag zal de gemeente beslissingen moeten nemen over diverse vraagstukken, zoals: • de periode waarbinnen een verkorte aanvraag gedaan kan worden; • het (her)gebruik van gegevens uit administraties. Veel nuttige informatie die kan helpen de genoemde en andere vragen te beantwoorden is terug te vinden in de toolkit ‘Snelle Aanvraag – Snel Besluit’27 (hierna Toolkit). Hierna een aantal hoofdpunten en suggesties. Periode verkorte aanvraag Op grond van het nieuwe artikel 43a is de verkorte aanvraag tot 12 maanden na uitstroom uit de bijstand mogelijk. Deze termijn maakt het mogelijk dat ook inwoners na een kort contract en enkele maanden WW-uitkering hiervan gebruik kunnen maken. Ook is het een redelijke termijn om aan te nemen dat de gegevens van de inwoner nog actueel genoeg zijn om te kunnen gebruiken voor het 26 Zie ook de informatie over de digitaliseringswetgeving in § 1.3 onder Alleen papieren aanvraag en de informatie in § 2.3 Huidig gebruik DigiD en niveau substantieel. 27 Zie de Toolkit Snelle Aanvraag – Snel Besluit, onderdeel van het project Simpel Switchen in de Participatieketen. 28 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 beoordelen van de nieuwe bijstandsaanvraag. Of eenvoudig door de gemeente zijn terug te vinden in de te raadplegen administraties.

Enkele gemeenten die al ervaring hebben met de verkorte aanvraag hebben de periode beperkt tot 6 maanden. Dit in verband met mogelijke aanspraak op een WW-uitkering. Die is er niet als de inwoner minder dan 6 maanden heeft gewerkt. Bedenk wel dat de inwoner bij een periode van 6 maanden werk (of iets langer) waarschijnlijk niet meer dan 3 maanden WW zal krijgen. Dus ook met een werkperiode tot 9 maanden is een bijstandsaanvraag binnen 12 maanden na uitstroom nog mogelijk. De gemeente moet dan wel rekening houden met de periode waarover de inwoner WW ontvangt. Deze periode is vrij eenvoudig uit de Polisadministratie te halen. Daarmee lijkt ook de periode tot 12 maanden goed uitvoerbaar te zijn. Gebruik van gegevens uit administraties Artikel 53a, eerste lid van de Participatiewet bepaalt dat de gemeente geen gegevens en bewijsstukken bij de bijstandsgerechtigde opvraagt als deze verkregen kunnen worden uit de Polisadministratie, de verzekerdenadministratie, de BRP of andere bij AMvB aangewezen administraties. Het is belangrijk om hiervan gebruik te maken om de bijstandsaanvraag zo snel mogelijk te kunnen beoordelen. In alle gevallen, niet alleen bij de verkorte aanvraagprocedure.

Een ingediende bijstandsaanvraag of de beoordeling daarvan geeft voldoende grond voor het gebruik van de gegevenskoppeling met de administraties zoals genoemd in Bijlage II regeling SUWI28, in het kader van de noodzakelijke eenmalige gegevensuitvraag. De belangrijkste administraties zijn: • Basisregistratie personen; • UWV – verzekerdenadministratie (Polisadministratie); • SVB – verzekerdenadministratie; • Gemeentelijke administraties inzake bijstand, inkomen en re-integratie; • RDW – voertuigenadministratie; • DUO – deelname aan opleidingen, studiefinanciering. Door efficiënt gebruik te maken van de gegevens uit deze administraties hoeven inwoners bij onder andere een verkorte aanvraag informatie niet dubbel aan te leveren. Gemeenten hoeven ook minder documenten op te vragen. In feite kan de verkorte aanvraag volstaan met slechts 4 vragen:29 1. Zijn uw gegevens (adres, bankrekeningnummer) hetzelfde als bij het einde van uw uitkering op [datum]? 2. Zijn er familieleden of andere huisgenoten bijgekomen of weggegaan sinds het einde van uw uitkering op [datum]? 3. Hoe hoog is uw vermogen op dit moment? 4. Heeft u op dit moment nog andere inkomsten? (denk bv. aan een korte WW-uitkering) 28 Bijlage II Regeling SUWI. 29 Deze vragen zijn gedestilleerd uit de Toolkit Snelle Aanvraag – Snel Besluit. Maak gebruik van deze toolkit.

29 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Werk.nl en verkorte aanvraag Het UWV heeft Werk.nl en daarmee ook de eBijstand in beheer. Naar aanleiding van deze wijziging in de Participatiewet wordt ook Werk.nl op een paar punten gewijzigd. Zo kunnen aanvragers die in de afgelopen 12 maanden eerder bijstand hebben ontvangen straks direct naar de gemeente verwezen worden. De aanvraag loopt dan niet via Werk.nl, omdat eBijstand zelf namelijk niet kan vaststellen of iemand eerder een bijstandsuitkering heeft ontvangen en ook geen verkorte aanvraag kent. Gemeenten kunnen via het scherm 'uitsluitingsgronden' een nieuwe uitsluitingsreden selecteren. De gemeente heeft de keuze om aan te geven of de aanvrager 3, 6, 9 of 12 maanden voorafgaand aan deze aanvraag eerder bijstand heeft ontvangen. Als de aanvrager de optie aanklikt, dan verschijnt er een scherm waarin hij direct wordt verwezen naar de gemeente met adres en contactgegevens.30 Gemeenten die gebruikmaken van de Decentrale Beheermodule van Werk.nl kunnen zelf een verwijzing invoeren. Voor meer informatie over deze module zie § 1.3 Digitale ondersteuning onder Via Werk.nl.

Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Voor een verkorte aanvraag zal de gemeente beslissingen moeten nemen over diverse vraagstukken, zoals: • In welke situaties kan de inwoner gebruikmaken van de verkorte aanvraagperiode? Bijvoorbeeld na een korte periode van werk, een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Participatiewet of een kort verblijf buiten de gemeente? • Binnen welke periode kan een herinstromende inwoner een verkorte aanvraag doen? Is dat de periode van 12 maanden uit de wet of een kortere periode? • Welke gegevens moet de aanvrager in ieder geval verstrekken? Zie ook de Modelverzamelbeleidsregels PiB fase 1. Uitvoering Het is goed om met name op het niveau van de uitvoering de werkprocessen en instructies nog eens langs te lopen op het raadplegen van gegevens uit administraties. Breng dit onderwerp ook onder de aandacht van de consulenten in bijvoorbeeld het werkoverleg of een training. Vergroot de kennis over het gebruik van de genoemde administraties en vooral wanneer consulenten deze moeten en mogen raadplegen. 30 Meer informatie hierover loopt in 2026 via UWV. Let op de naam! De term ‘verkorte aanvraag’ impliceert een makkelijke aanvraagprocedure en kan ertoe leiden dat alle inwoners opteren voor deze aanvraagprocedure, ook wanneer deze optie voor hen niet mogelijk is.

Maak daarom in de communicatie naar inwoners duidelijk onderscheid tussen een volledige en een verkorte aanvraag. Specificeer bij voorkeur al in de naam, bijvoorbeeld: ‘Aanvraag bijstand na kortdurend werk’ of ‘Bijstand aanvragen na kort werken’. Ook de naam ‘Garantieknop’ (Simpel Switchen) geeft niet aan waar de ‘knop’ over gaat. Gebruik deze naam daarom naar inwoners toe liever niet. 30 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 De gemeente moet in kaart brengen hoe de verkorte route wordt ingericht en hoe deze afwijkt van het gebruikelijke aanvraagproces. Daarbij horen aangepaste werkprocessen, zodat helder is wat de spelregels zijn en welke stappen de uitvoering op welk moment gaat zetten. In de Toolkit is over dit onderwerp het document ‘Beschrijving werkproces’ opgenomen. Er zijn 2 varianten in het uitvoeringsproces te onderscheiden. In beide is er een controlemoment. 1. In de 1e variant voert een medewerker na ontvangst van de aanvraag een rechtmatigheids- systeemcheck uit. Ook verifieert de medewerker de informatie die de inwoner heeft opgegeven. Hierna kent de gemeente waar mogelijk direct de uitkering toe. Controle vindt pas achteraf plaats, grotendeels op basis van signalen vanuit BIDN. Deze werkwijze geeft de inwoner op de snelste wijze duidelijkheid over zijn inkomen. 2.

In de 2e variant wordt een versnelde controle op essentiële bewijslast gedaan, voordat de uitkering wordt toegekend. In alle gevallen vindt er aansluitend (nog) een uitgebreider klantcontact plaats, waarin belangrijke thema’s als schulden, werk, rechten en plichten en handhaving worden besproken. Gemeenten die al een verkorte aanvraagroute hebben, laten deze vaak uitvoeren door hierop gespecialiseerde consulenten. Deze beschikken over de expertise dergelijke aanvragen snel op te pakken, zo nodig snel contact te leggen met de aanvrager en de aanvraag snel te beoordelen. Digitale ondersteuning Het is mogelijk een verkorte aanvraag voor herinstromers enkel aan de ‘achterkant’ in te richten. In dat geval zijn er eerder aanpassingen nodig van het werkproces dan van de digitale ondersteuning. Als daarbij de identificatie met DigiD mogelijk wordt, kan de aanvraag zelfs volledig digitaal af worden gehandeld. De gemeente kan een digitale verkorte aanvraag alleen via de eigen website beschikbaar stellen. Via werk.nl kan dit niet, maar de gemeente kan de aanvrager wel via een uitsluitingsreden direct naar de gemeente laten verwijzen (zie § Werk.nl en verkorte aanvraag). Mogelijk kan de gemeente op de eigen website gebruikmaken van een digitale vragenboom die uitmondt in een volledige of verkorte aanvraag.

Of twee verschillende aanvragen/knoppen tonen met een duidelijke titel en omschrijving. 3.5 IOAW, IOAZ en Bbz Meldingsdatum is aanvraagdatum Deze wijziging is alleen expliciet uitgewerkt in de Participatiewet, maar geldt volgens de toelichting in de memorie van toelichting ook voor de IOAW, IOAZ en het Bbz. Meldingsdatum Participatiewet is meldingsdatum IOAW, IOAZ of Bbz Aan artikel 15 IOAW en IOAZ is een 3e lid, vergelijkbaar met artikel 43, 6e lid van de Participatiewet, toegevoegd. Hiermee wordt ook voor deze regeling in de wet opgenomen dat de meldingsdatum van een eerdere aanvraag van een andere regeling bij de gemeente als meldingsdatum voor de IOAW of IOAZ geldt. In al deze nieuw toegevoegde leden wordt eveneens verwezen naar artikel 78f Pw, dat de grondslag vormt voor het Bbz. Daarmee geldt deze regeling ook voor aanvragen op grond van het Bbz. Gebruik van gegevens uit administraties De inhoud van artikel 14 IOAW en IOAZ is vergelijkbaar met artikel 53a van de Participatiewet. Bij (de beoordeling van) een aanvraag IOAW of IOAZ vraagt de gemeente geen gegevens op bij de aanvrager, als de gemeente de benodigde gegevens en bewijsstukken kan verkrijgen uit de beschikbare administraties. 31 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Deze wijziging is niet toepasbaar in het Bbz. Bij het Bbz zijn de gegevens uit de administraties onvoldoende.

Er is geen koppeling met de Belastingdienst wat betreft de directe gegevensverkrijging voor stukken als de belastingaangifte of jaarstukken. Daarnaast kunnen ondernemers uitstel aanvragen waardoor actuele informatie vertraagd door de Belastingdienst wordt ontvangen. Daarom moet de gemeente de meest actuele informatie bij de aanvrager opvragen. Daarnaast kan herinstromen in het Bbz binnen 12 maanden erop wijzen dat het bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is. Dan is een nieuwe beoordeling met alle actuele gegevens noodzakelijk. Aanpassing van de toegangseis IOAZ Deze wijziging geldt uiteraard alleen voor de IOAZ. Gebruik van gegevens bij aanvraag na kort werken IOAW en IOAZ Vergelijkbaar met het nieuwe artikel 43a Pw wordt er een nieuw artikel 15a IOAW en IOAZ toegevoegd, waarmee ook voor deze regelingen een verkorte aanvraag in de wet wordt vastgelegd. Van een hernieuwde aanvraag na kort werken is in het Bbz gewoonlijk geen sprake. 32 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Deel 2: Vaststellen recht op bijstand De wijzigingen in dit hoofdstuk bieden meer ruimte en transparantie in de regelgeving.

Het gaat om: • een vrijlating van giften en kostenbesparingen; • een vaste verhoging van de jongerennorm voor jongeren met hoge kosten; • de mogelijkheid om bijstand met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht aan te vragen; • het toetsen van het daadwerkelijke, actuele vermogen; • een verhoging van de norm bij een niet-rechthebbende partner; • een extra bedrag op de norm voor ouders die de ALO-kop mislopen; en • het toepassen van de evenredigheidstoets bij dringende redenen. 4 Ontvangsten uit giften Deze wijziging is ingegaan per 1 januari 2026 In de Participatiewet gold – tot 1 januari 2026 – dat een gift als middel vrijgelaten mocht worden als dat verantwoord was in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31 lid 2 onder m). De meeste gemeenten hadden in beleidsregels vastgelegd tot welk bedrag de vrijlating gold en dus wat in het kader van de bijstandsverlening als verantwoord werd gezien. 4.1 Wat is er gewijzigd voor giften? De wijziging van de wet zorgt er concreet voor dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200 niet tot de middelen worden gerekend. Het gaat om een totaalbedrag per kalenderjaar (januari t/m december) en geldt per uitkering. Het bedrag geldt ongeacht of de bijstandsgerechtigde het hele jaar of maar een deel van het jaar een uitkering ontvangt. Dit bedrag wordt periodiek aangepast.

Het volgt de jaarlijkse procentuele stijging van de consumentenprijsindex en wordt naar boven afgerond op een veelvoud van € 50. Giften en kostenbesparingen Giften zijn geldbedragen of goederen van waarde (spullen, giften in natura) die iemand ontvangt, zonder dat daar een verplichting of tegenprestatie tegenover staat. Giften zijn aan te merken als vrij besteedbaar inkomen, vermogen of kostenbesparingen. Kostenbesparingen zijn betalingen of aankopen gedaan door derden waarmee wordt bespaard op de noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze betalingen of aankopen kunnen structureel zijn (denk aan betaling van huur of zorgpremie) of incidenteel (betaling van boodschappen, kleding e.d.). Zie ook de Begrippenlijst in bijlage 2. Een aantal artikelen heeft betrekking op giften: De huidige wettekst van artikel 31 lid 2 onder l luidt: ‘bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade;’ Dit artikel blijft ongewijzigd.

Tot 1 januari 2026 luidde de wettekst van artikel 31 lid | 2 onder m: ‘giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn;’ Dat is sinds 1 januari 2026: ‘giften, voor zover de som van deze giften en de bijdragen, bedoeld in artikel 18, achtste lid | 31, niet meer bedraagt dan € 1.200 per kalenderjaar;’ De bijdragen bedoeld in het nieuwe achtste lid (met *) van artikel 18 Pw, zijn bijdragen die leiden tot een kostenbesparing. Deze worden niet in aanmerking genomen, voor zover de som van deze bijdragen en giften het bedrag | van € 1.200 niet overstijgt | . Bijdragen van voedselbanken worden in het geheel niet in aanmerking genomen.32 Daarnaast is er onder artikel 31 lid 2 een nieuw onderdeel s toegevoegd. Dat luidt: s. giften, voor zover zij niet op grond van onderdeel m van de middelen zijn uitgezonderd, en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade, voor zover deze giften en vergoedingen naar het oordeel van het college in het individuele geval en uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn; 4.2 | Waarom een vast bedrag? De problematiek rond giften heeft vooral te maken met het feit dat het begrip complementariteit voor meerdere uitleg vatbaar is.

Complementariteit betekent compleet maken of aanvullen. Voor giften en andere (onkosten)vergoedingen geldt al sinds het ontstaan van de bijstandswetgeving dat deze buiten beschouwing kunnen worden gelaten, voor zover dat naar het oordeel van de gemeenten verantwoord is. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling om de vrijgevigheid van instellingen of personen te ontmoedigen. En uitkeringsgerechtigden moe(s)ten ook van deze vrijgevigheid kunnen profiteren. Giften ontvangen is niet onbeperkt mogelijk, gezien het vangnetkarakter van de Participatiewet. Maar bijschrijvingen, giften en kasstortingen roepen al snel een rechtmatigheidsvraag op. Het onderzoek dat daarop volgt, kan leiden tot wederzijds wantrouwen en dat belemmert de dialoog over de ondersteuningsbehoefte die in het kader van de Participatiewet juist gevoerd zou moeten worden. Giften en bijdragen tot een bedrag van € 1.200 per kalenderjaar per uitkering vrijlaten moet ertoe leiden dat uitkeringsgerechtigden weer meer kunnen profiteren van de vrijgevigheid van hun omgeving. Het gevolg is dat consulenten niet iedere bijschrijving uitvoering hoeven te controleren. Natuurlijk is naleving en tegengaan van misbruik belangrijk, maar uitkeringsgerechtigden moeten binnen de wettelijke kaders gebruik kunnen maken van hun netwerk, juist omdat zij zich al in een (financieel) kwetsbare positie bevinden.

Daarnaast moeten zij op vergelijkbare wijze | gebruik kunnen 31 Dit is in 2026 artikel 18 lid 8*. 32 Zie amendement Ceder en van Kent 33 | Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 34 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 maken van de gangbare betalingsvormen (denk aan betaalverzoeken, tikkies en overschrijvingen), zonder dat dit direct rechtmatigheidsvragen oproept. Een grensbedrag geeft rechtszekerheid aan de bijstandsgerechtigde, maar op individuele basis mag de gemeente ook hogere bedragen vrijlaten (op grond van het nieuwe artikel 31 lid 2 onder s). Waarom dit bedrag? Dit bedrag is gekozen omdat het in redelijke verhouding staat tot: • de algemene bijstandsnorm voor een alleenstaande (ouder); • de inkomstenvrijlating van 15%; en • de vrij te laten onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk. Daarnaast is gekeken naar de gemiddelde hoogte van giften binnen de doelgroep. Vermogen of inkomen? De vrijlating geldt zowel voor giften die als inkomen als voor giften die als vermogen kunnen worden beschouwd. Of een gift als inkomen of vermogen moet worden aangemerkt, is pas van belang op het moment dat de grens van € 1.200 wordt overschreden.

Wordt de gift aangemerkt als vermogen? En komt de gift, dat wil zeggen het deel dat boven de € 1.200 uitkomt, samen met het al aanwezige vermogen boven de geldende vermogensgrens uit? Dan zal de bijstandsuitkering beëindigd moeten worden. Kan een gift die boven de grens van € 1.200 uitkomt als inkomen worden aangemerkt? Dan is dit te beschouwen als inkomen in de maand van ontvangst en moet dit worden verrekend met de bijstandsuitkering. Is het hogere bedrag aan inkomen of vermogen ‘uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord’? Dan heeft de gift geen gevolgen voor de bijstandsuitkering. 4.3 Hoe doe je onderzoek naar giften? Tijdens de uitkeringsperiode kunnen bijstandsgerechtigden ook giften en bijdragen ontvangen. Het is de bedoeling dat zij die zelf bijhouden. Vanaf het moment dat zij in een kalenderjaar € 1.200 aan giften of bijdragen hebben ontvangen, moeten zij dit doorgeven aan de gemeente. Als de uitkeringsgerechtigde de giften vanaf een bedrag van € 1.200 meldt, dan doet de gemeente onderzoek naar het totaalbedrag in dat kalenderjaar en informeert de uitkeringsgerechtigde over het vervolg voor dat jaar. De gemeente bekijkt of het hogere bedrag aan giften vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is, oftewel verenigbaar is met de bijstand. Wanneer dit niet het geval is, moet het meerdere in aanmerking genomen worden (als inkomen of als vermogen).

Bij aanvang van de uitkering bekijkt de gemeente gewoonlijk al of de inwoner (periodiek) giften of besparingsbijdragen ontvangt en of de uitkering hier mogelijk op moet worden afgestemd op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Naast deze afstemming kan de bijstandsgerechtigde dan per kalenderjaar nog € 1.200 aan giften en bijdragen ontvangen. Het is ook mogelijk om pas af te stemmen als tijdens de bijstandsperiode een bedrag aan € 1.200 aan besparingsbijdragen is ontvangen. Dit voorkomt dat de inwoner - als hij dat kalenderjaar geen andere giften of besparingsbijdragen ontvangt - wordt ‘benadeeld’ ten opzichte van een bijstandsgerechtigde die wel giften ontvangt en bij wie de uitkering niet is afgestemd vanwege besparingsbijdragen. 35 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Stroomschema Omgaan met giften 4.4 Hoe ga je om met kostenbesparende bijdragen? Tot 1 januari 2026 was het zo dat de bijstand wordt afgestemd op grond van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet, als er sprake was van periodieke bijdragen voor algemeen noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Het ging dan om structurele, substantiële betalingen van een derde (vaak een ouder) die rechtstreeks voldaan worden (die niet ‘over de kas’ van de bijstandsgerechtigde lopen).

Onder deze kostenbesparende bijdragen vallen bijvoorbeeld de betaling van de kosten van boodschappen, gas, elektriciteit, water of zorgpremie. Sinds 1 januari 2026 staat in het nieuwe artikel 18 lid 8* van de Participatiewet: “Het college neemt bijdragen die leiden tot een kostenbesparing niet in aanmerking, voor zover de som van deze bijdragen en giften het bedrag, bedoeld in artikel 31, eerste lid onderdeel m niet overstijgt. In afwijking van de vorige zin, neemt het college bijdragen van voedselbanken geheel niet in aanmerking.”

36 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Dat betekent dat afstemming eventueel pas aan de orde is als de kostenbesparende bijdragen samen met eventuele incidentele giften - al dan niet in natura - het bedrag van € 1.200 overstijgen. Wat de voedselbank verstrekt wordt expliciet via de wetswijziging vrijgelaten. De vrijlating op individuele gronden (artikel 31 lid 2 onderdeel s) geldt niet voor besparingsbijdragen. Kostenbesparingen worden in dit artikel niet genoemd. 4.5 Vertrouwen versus verplichtingen Een van de uitgangspunten van de Participatiewet in balans is vertrouwen. Ook bij onderzoek naar giften is het de bedoeling uit te gaan van vertrouwen. Vraag bijvoorbeeld een schriftelijke of mondelinge verklaring op en rapporteer daarover, maar ga bij voorkeur niet meteen bankafschriften opvragen over een lange periode (handel in de geest van de wet). Met deze wetswijziging blijft de inlichtingenplicht gelden voor bedragen die samen boven de € 1.200 uitkomen, maar ook voor alle wijzigingen die invloed kunnen hebben op het recht op en de hoogte van de bijstandsuitkering (artikel 17 lid 1 Pw) en voor de medewerkingsplicht (artikel 17 lid 2). Dit betekent onder andere het volgende: • De gemeente moet bijstandsgerechtigden heel goed informeren over wat wel en wat géén gift of besparingsbijdrage is.

Welke bedragen moeten wel direct worden doorgegeven en welke pas als de grens van € 1.200 wordt bereikt? Hoe kan de bijstandsgerechtigde zelf het totaalbedrag aan giften en bijdragen bijhouden? • Gemeenten kunnen ook nagaan of de interne afstemming op orde is. Hebben werkconsulent en inkomensconsulent contact als dat nodig is? • De bijstandsgerechtigde moet inzicht geven in inkomsten als de gemeente hierom vraagt. Het is niet altijd gemakkelijk om te bepalen of een ontvangen bedrag een gift is, niet voor de gemeente, en zeker niet voor de bijstandsgerechtigde. Daarom is het advies om de ontvangst van grotere bedragen – vanaf bijvoorbeeld € 500 – altijd door te laten geven. Dit kan op grond van artikel 53a van de Participatiewet. Je kunt dan samen met de uitkeringsgerechtigde kijken of er gevolgen zijn voor de uitkering, en zo ja welke en eventueel per wanneer. Let op, dit is een advies! Zolang er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht kan de gemeente niet handhaven als de bijstandsgerechtigde een ontvangst van giften tot € 1.200 niet meldt. Het is daarom goed om met de bijstandsgerechtigde regelmatig zijn (financiële) situatie te bespreken. Leg ook het bredere kader uit aan de bijstandsgerechtigde; bijstand is een vangnet en het besteedbaar inkomen zou niet boven de norm uit moeten komen.

Daarom moet de bijstandsgerechtigde begrijpen dat het belangrijk is om het door te geven als hij of zij geld krijgt voor werk (loon) of voor iets anders. 4.6 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Gemeenten die beleidsregels over giften hebben, hebben deze in de meeste gevallen moeten aanpassen, zeker wanneer er een hogere vrijlatingsgrens dan € 1.200 was vastgelegd. Gemeenten zonder beleidsregels over giften kúnnen deze opstellen. Hierin kan de gemeente voorbeeldsituaties opnemen om giften boven de categoriale vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar, in individuele gevallen te kunnen vrijlaten. Ook kan worden opgenomen hoe de gemeente verder invulling geeft aan het betrekken van giften bij de bijstandsverlening. Het is belangrijk om na te denken over hoe en wanneer bijstandsgerechtigden giften en bijdragen moeten melden. Is dit op het moment dat het grensbedrag wordt bereikt of al daarvoor? Of maakt de 37 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 gemeente de keus om toch alle giften en bijdragen vanaf een bepaald bedrag te laten doorgeven? Dat kan helpen om problemen (herziening, terugvordering en mogelijk een boete) te voorkomen. Goede voorlichting is hierbij ook van groot belang. De VNG heeft modelbeleid opgesteld.

Daarin staan onder andere opties van categorieën giften, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder s, van de Participatiewet, die in een individueel geval en uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. Zie hiervoor de Model Verzamelbeleidsregels Participatiewet in balans fase 1. Uitvoering De beleidskeuzes hebben impact op de uitvoering en leiden tot bepaalde werkinstructies. Bijvoorbeeld over de manier waarop de gemeente onderzoekt of iemand onder de vrijlatingsgrens van €1.200 blijft. Daarnaast is voor de uitvoering ook van belang te weten hoe te handelen in o.a. de volgende (of soortgelijke) situaties en welke werkafspraken hierover zijn gemaakt: • Op welke manier om te gaan met structurele en substantiële kostenbesparingen? • Hoe om te gaan met giften in natura die niet vallen onder kostenbesparingen? • Wat als een voertuig cadeau wordt gedaan waarvan de waarde lager is dan het vrij te laten bedrag voor voertuigen (algemeen gebruikelijk), maar wel hoger dan het vrij te laten bedrag van de gift? • Wat doe je met bedragen ontvangen voor een bepaald doel via (bijvoorbeeld) crowdfunding? Vrijlaten als verlening van bijzondere bijstand hiervoor ook mogelijk zou zijn, of een vergoeding vanuit de Wmo? Of kijkt de gemeente daarbij nog breder en volgt altijd een specifieke beoordeling? Digitale ondersteuning Aanpassingen in de digitale ondersteuning zijn niet nodig.

4.7 IOAW, IOAZ en Bbz IOAW en IOAZ In de IOAW en IOAZ hoeft niet geregeld te worden dat giften niet worden aangemerkt als inkomsten, omdat dit al geldt. Voor de IOAW en IOAZ geldt dat alleen inkomen uit arbeid en overig inkomen in aanmerking worden genomen. Giften vallen daar niet onder. Bbz De maatregel voor giften werkt door, maar niet onverkort. Incidentele giften van marginale omvang, uitsluitend en overduidelijk met een privébestemming, kunnen buiten beschouwing blijven tot een Tip! Vermeld in de beleidsregels niet het vrij te laten bedrag zelf, maar verwijs naar artikel 31, tweede lid, onder m, van de Participatiewet. Het bedrag in de wet kan worden geïndexeerd. Aanpassing van het bedrag in de wet zou bij vermelding van het bedrag in de beleidsregels ook aanpassing van deze beleidsregels vergen. Die zouden daarmee ook weer langs het college van B&W moeten. 38 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 bedrag van € 1.200. Voor giften met een zakelijke bestemming of gegenereerd vanuit zelfstandige activiteiten, geldt dat deze niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten. De giften die een ondernemer voor zijn bedrijf ontvangt, vormen voor het Bbz inkomsten.

De onderneming wordt door het verkrijgen van giften (gedeeltelijk) gesubsidieerd, wat concurrentievervalsend werkt ten opzichte van ondernemingen in dezelfde branche die deze giften niet ontvangen. Daarom worden giften die een bedrijf ontvangt beoordeeld als inkomen. 5 | Harmonisatie van de jongerennorm Deze wijziging is ingegaan per 1 januari 2026 Voor bijstandsbehoevende jongeren van 18 tot 21 jaar | is er de jongerennorm uit artikel 20 lid 1 en 2 van de Participatiewet. De normen zijn afgeleid van de kinderbijslagbedragen die voor deze leeftijdscategorie gelden. De meeste jongmeerderjarigen van 18, 19 of 20 jaar zullen nog bij (één van) hun ouders wonen. Zij hebben daarmee geen of weinig kosten voor levensonderhoud. Jongeren kunnen te maken hebben met hogere kosten dan waarin de uitkering voorziet, bijvoorbeeld als zij zelfstandig wonen. Maar ook dan moeten zij voor hun levensonderhoud in eerste instantie een beroep doen op hun ouders. Die hebben een onderhoudsplicht tot hun kind 21 jaar is | (artikel 1:395a BW en artikel 12 Pw). De gemeente mag afwijken van de jongerennorm als de situatie hierom vraagt.

| Kan de bijstandsgerechtigde jongere voor noodzakelijke (extra) kosten geen beroep doen op zijn ouders, omdat deze de middelen daarvoor niet hebben, de ouders niet in beeld zijn, of vanwege een ernstig verstoorde relatie? Tot 2026 had de jongere op grond van artikel 12 van de Participatiewet recht op een aanvulling op de norm in de vorm van bijzondere bijstand. De hoogte van de aanvullende bijzondere bijstand hing af van het beleid van de gemeente waar de jongere woont en de noodzakelijke kosten die de jongere moest maken. De jongere moest aantonen welke noodzakelijke kosten hij maakte. 5.1 | Wat is er gewijzigd aan de jongerennorm? Artikel 12 is op 1 januari 2026 vervallen. Bij artikel 20 zijn twee nieuwe leden toegevoegd; lid 3 voorziet in een aanvullend normbedrag (een ophoging) aan algemene bijstand voor de jongeren, lid 4 regelt dat de norm en de aanvullende norm samen niet hoger zijn dan de norm die geldt voor een 21-jarige of ouder in dezelfde situatie. Artikel 20, derde en vierde lid 3. Voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar verhoogt het college de norm met een bedrag van € 634,48, (per 1 juli 2025 € 720,08) indien die belanghebbende voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat: a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of b. deze persoon redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken.

4. De norm, bedoeld in het derde lid, in combinatie met de normen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet hoger dan de norm, bedoeld in artikel 21, die geldt voor een 21 | -jarige of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, in een vergelijkbare situatie. De hoogte van het bedrag in artikel 20, derde lid wordt geregeld in artikel 38, tweede lid: Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, wordt de norm, genoemd in artikel 20, derde lid, zodanig gewijzigd dat de som van de gewijzigde norm en de norm, genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, zoals deze luidt na de meest recente wijziging overeenkomstig het eerste lid, 90% bedraagt van het netto minimumjeugdloon voor een 18-jarige. Bij algemene maatregel van bestuur kan het percentage, genoemd in de eerste zin, worden gewijzigd indien de ontwikkeling van het minimumjeugdloon hier aanleiding toe geeft. 39 | Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 40 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 De verhoging van de norm uit artikel 20, derde lid, geldt per uitkering en is dus voor alleenstaanden en voor gehuwden/samenwonenden hetzelfde bedrag.

Algemene bijstand en vakantietoeslag Omdat het hier om een aanvulling voor algemene bestaanskosten van de jongere gaat, is het logischer om deze aanvulling vanuit de algemene bijstand dan vanuit de bijzondere bijstand te regelen. Daarom is artikel 12 vervallen en is de mogelijkheid voor de ophoging toegevoegd aan artikel 20 ‘Jongerennormen’ in hoofdstuk ‘Algemene bijstand’ van de Participatiewet. De aanvullende jongerennorm is daarom ook inclusief een vakantietoeslag van 5% (art. 19 lid 3 Pw). Mogelijkheid tot verhaal op de onderhoudsplichtige ouder blijft Via de Verzamelwet SZW 202633 is artikel 62c gewijzigd, zodat het mogelijk blijft om de verhoogde norm te verhalen op de ouder(s) van de jongere, wanneer die hun onderhoudsplicht niet of niet behoorlijk nakomen. Het onderdeel ‘aan wie bijzondere bijstand is verleend’ is vervangen door ‘van wie de bijstand op grond van artikel 20, derde lid, is verhoogd’: Artikel 62. Onderhoudsplicht Kosten van bijstand kunnen tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, worden verhaald: (…) c. op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind van wie de bijstand op grond van artikel 20, derde lid, is verhoogd.

5.2 Waarom is de jongerennorm gewijzigd? Het doel van de wijziging is dat: • het werkproces voor de gemeente eenvoudiger wordt en voor de jongere zelf minder belastend. De gemeente hoeft in beginsel geen onderzoek meer te doen naar de (hoogte van de) noodzakelijke kosten en de aanvulling daarop ook niet meer af te stemmen; • de ongelijkheid tussen de gemeentelijke aanvullingen op de jongerennormen vermindert. De vaste ophoging van de jongerennorm geeft de jongere meer financiële zekerheid wanneer die nodig is. De drempel om deze aanvulling aan te vragen zal daarmee lager worden en de kans dat de jongere hierdoor schulden maakt afnemen. 5.3 Ruimte voor de hoogte van de aanvulling Jongeren die in aanmerking komen voor een verhoging van de jongerennorm, krijgen op grond van het nieuwe derde lid bij artikel 20 een vast bedrag. De gemeente houdt ruimte om van dit bedrag af te wijken als dat nodig is. 1. Het totaalbedrag van de algemene bijstand en de aanvulling mag op grond van het vierde lid van artikel 20 niet hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een persoon van 21 jaar of ouder in een vergelijkbare situatie (artikel 21 Pw). Dat betekent dat er een begrenzing is op de hoogte van de aanvulling en er situaties kunnen zijn waarin de aanvulling moet worden verlaagd. Denk aan samenwoning met een partner van 21 jaar of ouder of een situatie waarbij sprake is van kostendelers.

Het toepassen van het standaardbedrag zou in die gevallen betekenen dat de 33 Verzamelwet 2026 SZW (gezamenlijke) norm plus ophoging boven de bijstandsnorm van artikel | 21 uitkomt, en dat is niet de bedoeling (art 20 lid 4 Pw). 2. | Het bedrag uit artikel 20, derde lid kan bij noodzakelijke hogere kosten of bij duidelijk lagere kosten voor levensonderhoud worden afgestemd op de situatie van de jongere. Dit blijft mogelijk op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. De woonsituatie van de jongere kan hierbij bepalend zijn. Bij (tijdelijke) hoge woonkosten kan de aanvulling hoger en tot een toereikend niveau worden vastgesteld, bij lage woonkosten (zoals bij anti-kraak wonen of inwonend bij een familielid) kan de aanvulling lager worden vastgesteld. In deze laatste situatie kan de uitkering overigens ook worden verlaagd op grond van artikel 27 van de Participatiewet. Vult de gemeente aan met een hoger of lager bedrag dan het normbedrag? Dan is het belangrijk om dit goed te motiveren in de beschikking. Voorbeeld Jarno Jarno (19 jaar) woont zelfstandig op kamers. Zijn moeder is overleden en zijn vader is uit beeld. Voor Jarno is het om verschillende redenen niet mogelijk om te studeren of te werken. Jarno betaalt kamerhuur, verzekeringen, gedeelde vaste lasten en heeft kosten voor levensonderhoud van in totaal € 1.280 per maand.

De gemeente wil Jarno bijstand en aanvullende bijstand verstrekken tot dit totaalbedrag. Oude situatie | Bedrag* | Nieuwe situatie | Bedrag* Norm alleenstaand 18-21 | € 340 | Norm alleenstaand 18-21 | € 340 jaar incl. vt. | jaar incl. vt (art. 20 lid 1 Pw) | (art. 20 lid 1 Pw) Aanvullende bijzondere | € 960 | Aanvulling norm incl. vt | € 720 bijstand (art. 12 Pw) | (art. 20 lid 3 Pw) Afstemmen norm incl. vt | € 240 (art. 18 lid 1 Pw) Totaal | € 1.300 | Totaal | € 1.300 * bedragen zijn afgerond Jongerennorm en een niet-rechthebbende partner In artikel 24 van de Participatiewet is geregeld dat bij gehuwden van wie een van de partners geen recht op bijstand heeft, de norm voor de rechthebbende partner 50% is van de toepasselijke gehuwdennorm als beiden wél recht zouden hebben. Met die 50% van de norm wordt in het geval van jongeren ook bedoeld de verhoging van artikel 20 lid 3. De ophoging van de jongerennorm is onderdeel van de norm en gaat daarom mee in deze 50%. Vanaf 2027 wordt dit percentage voor uitkeringsgerechtigden van 21 jaar en ouder 70% van de gehuwdennorm, voor jongeren blijft dit 50% (art. 24 lid b Pw). Zie ook Hoofdstuk 8: Niet-rechthebbende partner.

Hogere bestaanskosten In artikel 20, derde en vierde lid, van de Participatiewet komt niet terug dat de jongere noodzakelijk bestaanskosten moet hebben die uitkomen boven de bijstandsnorm, zoals stond vermeld in het oude artikel 12. Met de wetswijzing is echter geen verbreding van de doelgroep beoogd. De aanvullende jongerennorm is bestemd voor jongeren die niet kunnen terugvallen op de ouderlijke onderhoudsplicht en met alleen de jongerennorm van artikel 20 lid 1 en 2 niet kunnen voorzien in hun noodzakelijke bestaanskosten. Woont een jongere thuis en functioneert hij of zij feitelijk binnen het gezin zoals vóór het 18e jaar, dan kan de gemeente aannemen dat: • | het onderhoudsrecht feitelijk kan worden benut; 41 | Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 42 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 • de noodzakelijke kosten van het bestaan niet uitstijgen boven de reguliere jongerennorm; en • er geen recht bestaat op de aanvullende jongerennorm. Alleen wanneer uit individuele feiten en omstandigheden blijkt dat de jongere geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders, kan een verhoging van de jongerennorm in dit geval aan de orde zijn. Daarbij blijft maatwerk noodzakelijk.

Bij zelfstandig uitwonende jongeren met hogere kosten kan de verhoogde jongerennorm nog steeds onvoldoende zijn om in het levensonderhoud te voorzien. Dan kan de bijstand worden afgestemd op het niveau van een 21-jarige in een vergelijkbare situatie. Daarnaast kan de aanvullende jongerennorm verlaagd worden als er sprake is van substantieel lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze verhoging of verlaging (afstemming op grond van art. 18 lid 1 Pw) is in feite niet anders dan de check die bij elke bijstandsaanvraag wordt gedaan om na te gaan of maatwerk vereist is. Gevolgen voor belastingen en toeslagen De ophoging van de jongerennorm heeft geen fiscale gevolgen voor de alleenwonende of samenwonende/gehuwde jongere. Woont de jongere in? Dan kan het hogere inkomen van de jongere wel gevolgen hebben voor de eventuele huurtoeslag van de huisgenoten. Het hogere bedrag aan uitkering telt mee voor het toetsingsinkomen/verzamelinkomen van het huishouden en kan in het betreffende jaar tot een verlaging van de huurtoeslag leiden. Hoe zit het met jongeren in een instelling? Jongeren van 18 tot 21 jaar die in een instelling (inrichting) wonen hebben geen recht op algemene bijstand (art. 13 lid 2 onder a Pw). Wel kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Niet meer op grond van artikel 12, maar nog wel op grond van artikel 35 van de Participatiewet.

Ook daarvoor geldt dat de gemeente eerst moet beoordelen of de ouders kunnen bijdragen in de kosten (onderhoudsplicht). Het ligt voor de hand niet méér bijzondere bijstand te verlenen dan de inrichtingsnorm en hier niet de verhoogde jongerennorm aan te houden. Bijzondere bijstand is in principe niet bedoeld voor de (reguliere) kosten van levensonderhoud. Daarom moet de gemeente de toekenning van de bijzondere bijstand in deze situaties goed motiveren. 5.4 Overgangsrecht In artikel 78ff is in het eerste lid het overgangsrecht geregeld. Dit luidt: ‘Artikel 12, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel J, van de Participatiewet in balans, blijft van toepassing op de aanvraag van bijstand die uiterlijk op die dag is ingediend en op de resterende periode van reeds toegekende bijzondere bijstand, waarbij geldt dat bijzondere bijstand wordt aangevuld tot de toepasselijke norm zoals bedoeld in artikel 20, derde lid, zoals dat luidt na de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, van de Participatiewet in balans, indien die laatste norm hoger is dan de reeds toegekende bijzondere bijstand.’ Dit overgangsrecht houdt het volgende in: • Bij al in 2025 toegekende aanvragen blijft het recht op de aanvulling voor de resterende periode doorlopen, zolang de situatie van de jongere daartoe aanleiding geeft.

• Sinds 1 januari 2026 moet de hoogte van de aanvulling minimaal gelijk zijn aan het normbedrag uit het nieuwe artikel 20, derde lid. Is het bedrag aan bijzondere bijstand hoger dan het normbedrag? Dan houdt de jongere gedurende de resterende periode recht op dit hogere bedrag. 43 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 5.5 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid De aanvullende algemene bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar is met deze wetswijziging in de wet geregeld. Bekijk in hoeverre het gemeentelijke beleid hierop nog moeten worden aangepast. Ook de mogelijkheid tot maatwerk (afstemming) is in de wet geregeld, maar de gemeente kan in beleidsregels nadere invulling voor deze afstemming vastleggen. Uitvoering In het werkproces voor het beoordelen van de aanvraag van de jongere is het van belang dat de gemeente: • nog steeds nagaat of de ouders hun onderhoudsplicht kunnen nakomen; • de standaard ophoging van artikel 20, lid 3 toepast als de jongere voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op de ouders; en • beziet of, en in hoeverre, de basisnorm plus verhoging afdoende is, te weinig is of juist significant te veel is en de hoogte van de uitkering eventueel afstemt op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Digitale ondersteuning In de uitkeringsadministratie is er een norm bijgekomen.

5.6 IOAW, IOAZ en Bbz IOAW en IOAZ Jongeren van 18 tot 21 jaar behoren niet tot de doelgroep van de IOAW en IOAZ en kunnen niet voor een uitkering op grond van deze regelingen in aanmerking komen. Daarom heeft deze wijziging géén doorwerking in de IOAW en IOAZ. Bbz Een jongmeerderjarige van 18 tot 21 jaar met een bedrijf of zelfstandig beroep kan voor een ophoging van de jongerennorm op grond van artikel 20, derde lid van de Participatiewet in aanmerking komen. De Bbz-uitkering voor levensonderhoud heeft de vorm van een renteloze geldlening. De hoogte van het inkomen is bij een ondernemer pas bekend na afloop van het boekjaar. Dat betekent dat het recht op bijstand altijd pas achteraf kan worden vastgesteld. Dit wordt wel de vaststelling leenbijstand genoemd of de ‘om-niet-berekening’. Dat kan voor een jongere ondernemer inhouden dat een deel van de norm plus de ophoging na berekening van het jaarinkomen als leenbijstand blijft aangemerkt en weer terugbetaald moet worden. 44 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 6 Terugwerkende kracht bij aanvragen Deze wijziging is ingegaan per 1 januari 2026 In de Participatiewet geldt dat de uitkering ingaat op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44 lid 1 Pw). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn.

Het was tot 2026 niet mogelijk om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kon dit alleen als er sprake was van bijzondere omstandigheden. Denk aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat is om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Er is bij bijzondere omstandigheden geen wettelijke tijdsgrens verbonden aan hoe ver terug de bijstand kan worden toegekend. 6.1 Wat is er gewijzigd in de terugwerkende kracht? Aan artikel 44 is een nieuw lid toegevoegd, lid 5: 5. In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken. Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) heeft de gemeente de ruimte gekregen om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Het begrip individuele omstandigheden is hier nieuw en impliceert dat de omstandigheden op zich niet bijzonder hoeven te zijn, maar in dit individuele geval wel om een afwijkend besluit vragen. Het begrip ‘individuele omstandigheden’ is breder dan ‘bijzondere omstandigheden’. Gemeenten hebben hiermee beleidsvrijheid gekregen om te beoordelen of de persoonlijke situatie van een aanvrager aanleiding geeft om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.

Bijvoorbeeld als iemand wel in een kwetsbare positie zit, maar die niet per se als ‘uitzonderlijk’ hoeft te worden aangemerkt. Wel geldt hierbij een duidelijke beperking: bijstand kan op basis van individuele omstandigheden met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht worden toegekend. Het blijft mogelijk om de bijstandsuitkering in bijzondere omstandigheden met meer dan 3 maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Het vijfde lid bij artikel 44 is een aanvulling op deze mogelijkheid uit de vaste rechtspraak. De 3 maanden terugwerkende kracht uit artikel 44 lid, vijfde lid, van de Participatiewet, geldt voor zowel algemene als voor bijzondere bijstand. In dit hoofdstuk wordt alleen ingegaan op de mogelijkheid algemene bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. 6.2 Waarom is terugwerkende kracht mogelijk? Het komt voor dat inwoners zich pas melden voor een bijstandsuitkering op het moment dat ze geen geld meer hebben om van te leven of al schulden hebben gemaakt. Zij hebben bijvoorbeeld eerst betaald werk gezocht of geleefd van hun kleine inkomen uit deeltijdwerk. Of het was hen niet eerder duidelijk dat ze een beroep konden doen op de bijstand. Pas recht hebben op een uitkering vanaf de datum van de melding schiet in deze gevallen het doel van de regel voorbij. Mensen worden in feite

45 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 ‘gestraft’ voor hun pogingen om zelf in hun onderhoud te voorzien. Gemeenten beschouwen deze regel daarom vaak als te strikt. Met dit nieuwe vijfde lid bij artikel 44 van de Participatiewet heeft de gemeente meer ruimte om de uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Er zijn grofweg 2 soorten situaties (individuele omstandigheden) waarbij de gemeente de uitkering in ieder geval met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht kan toekennen: 1. Bij een niet-verwijtbare te late melding. Te denken valt aan situaties dat: a. de aanvrager niet in staat was om de bijstand aan te vragen of niet op de hoogte was van de mogelijkheid daarvan; b. een aanvraag voor een andere uitkering, zoals een IOAW-, IOAZ-, Bbz- of WW-uitkering is afgewezen; c. de aanvrager onvoldoende zicht had op zijn inkomen en vermogen, vanwege bijvoorbeeld een echtscheiding, een erfenis of een flexibel arbeidscontract; d. een eerdere bijstandsaanvraag buiten behandeling is gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet alle gegevens op tijd had kunnen verstrekken. Ook detentie kan een reden zijn dat iemand later bijstand aanvraagt. Maar er kan geen bijstand worden verstrekt voor de periode dat iemand in detentie zat. 2. Een situatie waarbij door toekenning met terugwerkende kracht ernstigere financiële gevolgen kunnen worden voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/1243/documents/18791