D08. 20210531 RIB Bestemmingsplan Kraaihoek fase 1.pdf
Tekst van het document
4.4.2 Onderzoek Onderzoek NIBM toets De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Desondanks is in het kader van dit bestemmingsplan een luchtkwaliteitsonderzoek in de vorm van een ‘NIBM’ toets uitgevoerd. Hiermee is bepaald in hoeverre de ontwikkeling in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Als basis voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: 439 motorvoertuigbewegingen per etmaal (gebaseerd op paragraaf 4.2 Verkeer en parkeren). Aandeel vrachtverkeer van 2%. Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2022 (worstcasescenario):
Hoofdstuk 4
26
Figuur 4.1: NIBM-tool: worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer
Berekend is dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,35 µg/m³ bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,07 µg/m³ bijdragen. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2020 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2020. De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 22,7 µg/m³ en voor PM10 19,2 µg/m³. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 11,8 µg/m³. Tabel 4.4: NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties Id NO2 PM10 μg/m3 PM10 overschrijdingsdaμg/m3 gen Rekenpunt 15477852 22.7 19.2 7.0 Rekenpunt 15480780 22.7 19.2 7.0 Norm 40 40 35
PM2.5 μg/m3
Jaar
11.8 11.8 25
2020 2020
Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO2 en PM10 respectievelijk 23,1 µg/m³ en 19,3 µg/m³. Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijn stof) en PM2,5 (fijn stof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden.
Hoofdstuk 4
27
4.4.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de NSL-Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.
4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 4. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.5.2 Onderzoek Het plangebied en diens directe omgeving kunnen worden getypeerd als omgevingstype ‘gemengd gebied’ vanwege de ligging direct tegen het centrum van Papendrecht aan en de verschillende omliggende functies.
4
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
28
Omdat er sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' kan de richtafstand terug worden gebracht met één afstandsstap. De gedachtegang hierachter is dat er sprake is van een zekere verstoring van het gebied ten opzichte van een rustige woonwijk. Dit betekent dat voor de activiteiten met een milieucategorie 1 en 2 sprake is van een richtafstand van respectievelijk 0 en 10 meter. In de directe omgeving van het plangebied komen – naast woonfuncties – de volgende functies voor: Tabel 4.5: Omliggende bedrijven Bedrijf
Bestemming
Adres
Diverse centrumfunc-
Centrum (o.a. detailhandel
Diverse
ties
(incl. supermarkt), dienstver-
pendrecht)
(centrum
Pa-
Milieucate-
Richtafstand binnen
gorie
gemengd gebied (m)
1
0
lening, horeca cat. 1 en 2, kantoren, wonen op de verdiepingen) Makelaarskantoor
Kantoor
De Overtoom 87
1
0
Kerk
Maatschappelijk
Muilwijckstraat 1
2
10
Restaurant
Horeca (cat. 1 en 2) met aan-
Muilwijckstraat 2A
2
10
Maatschappelijk
Kleine Waal 6
2
10
Bedrijf met aanduiding ver-
Bosch 58
2
10
duiding voor partycentrum Verpleeghuis Tankstation
zonder
lpg
koop motorbrandstoffen zonder lpg
De omliggende bedrijven liggen op voldoende afstand van de beoogde woningen. Daarbij komt dat in de bestaande situatie hier ook al een woonwijk ligt met in de meeste gevallen woningen dichter bij de omliggende bedrijven. 4.5.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Geur agrarisch 4.6.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het
Hoofdstuk 4
29
bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.6.2 Onderzoek In en nabij het plangebied bevinden zich geen belemmerende veehouderijen of andere agrarische bedrijven met een geurbelastende werking. Dit onderdeel is dan ook niet van belang. 4.6.3 Conclusie Het aspect ‘geur agrarisch’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.7 Kabels en leidingen In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied liggen geen kabels of leidingen die planologisch relevant zijn. Er zijn uit dit oogpunt derhalve geen belemmeringen voor de realisering van de woningen.
4.8 Externe veiligheid 4.8.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en
Hoofdstuk 4
30
bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.8.2 Onderzoek Eventuele externe veiligheidsrisico’s kunnen worden achterhaald met behulp van de Risicokaart. Een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het plangebied en haar omgeving zijn opgenomen in onderstaande figuur.
Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart met aanduiding van het plangebied in paars
Binnen het plangebied worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Woningen zijn kwetsbare objecten waardoor getoetst is aan het Bevi, het Bevb en het Bevt. In de directe omgeving van het plangebied komen meerdere risicobronnen voor. Het gaat om: transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A15; transport van gevaarlijke stoffen over de N3 (A15 – Burg. Keijzerweg);
Hoofdstuk 4
31
transport van gevaarlijke stoffen over de Beneden Merwede; transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Betuweroute; DuPont/Chemours BV, Baanhoekweg 22 Dordrecht; Fokker Aerostructures, Industrieweg 4 Papendrecht; Slurink, Merwedestraat 48 Dordrecht.
Transport van gevaarlijke stoffen over de A15 en N3 Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 2,0 kilometer van de A15 en op 1,2 kilometer van de N3. Over de A15 en N3 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De A15 heeft ter hoogte van het plangebied een veiligheidszone van 46 meter, gemeten vanaf het midden van de weg en een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, gemeten vanaf de buitenste rijstrook. Deze contouren reiken niet tot het plangebied. Omdat het plangebied is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van de A15 en de N3, behoeft het groepsrisico op basis van het Bevt niet berekend te worden. Het plangebied is ook gelegen buiten het invloedsgebied van de A15 en de N3. Zodoende is een verantwoording van het groepsrisico niet nodig. Transport van gevaarlijke stoffen over de Beneden Merwede Over de Beneden Merwede, gelegen op circa 290 meter van het plangebied, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op grond van het Basisnet Water is de Beneden Merwede een zwarte vaarroute (belangrijke binnenvaartweg). Voor deze classificatie geldt dat de PR 10-6 contour niet verder reikt dan de oever en dat een groepsrisicoberekening alleen benodigd is indien sprake is van hoge personendichtheden (meer dan 1.500 personen per hectare).
De bevolkingsdichtheid van de kern Papendrecht ligt ruimschoots onder de 1.500 personen per hectare, waardoor geen verantwoordingsplicht noodzakelijk is. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 25 meter vanuit de kade en reikt niet tot het plangebied. Een verantwoording, waarbij wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, is op grond van het Bevt wel benodigd, omdat het invloedsgebied van gevaarlijke stoffen reikt tot het plangebied. Voor de verantwoording hoeft enkel rekening te worden gehouden met een toxisch scenario. Spoorlijn Betuweroute Ten noorden van het plangebied loopt de ‘Betuweroute’. Deze spoorlijn kent een invloedsgebied van het groepsrisico van > 4 kilometer. Het plangebied ligt hierbinnen. Gezien de ruime afstand van het plangebied tot aan deze spoorlijn (circa 2,0 kilometer) is een berekening niet noodzakelijk. Wel moet een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden opgesteld. DuPont/Chemours Aan de Baanhoek 22 te Dordrecht is de Brzo-inrichting DuPont/Chemours gevestigd. Deze inrichting, waarvan de opslag van gevaarlijke stoffen op circa 2,5 kilometer van het plangebied is gelegen, vervaardigt onder andere kunstharsen, koel- en koudemiddelen en fluorproducten en slaat derhalve gevaarlijke stoffen op. Het bedrijf heeft een PR 10-6 contour, welke niet tot het plangebied reikt.
Het invloedsgebied van deze inrichting bedraagt circa 5.350 meter. Het plangebied is gelegen buiten de PR10-6 contour van DuPont/Chemours. Derhalve kan gesteld worden dat het plan niet significant zal bijdragen aan het groepsrisico. Het uitvoeren van een berekening van het groepsrisico wordt daarom niet zinvol geacht. Volledigheidshalve dient in de verantwoording groepsrisico wel rekening gehouden te worden met het toxisch scenario van een incident bij DuPont/Chemours.
Hoofdstuk 4
32
Fokker Aerostructures Aan de Industrieweg 4 in Papendrecht is Fokker Aerostrucutres gevestigd, een bedrijf in de vervaardiging van vlieg- en ruimtevaartuigen. Het gaat hier met name om giftige vloeistoffen. Het plangebied ligt op circa 400 meter van deze inrichting. De risicoafstand voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6) van Fokker bedraagt 71 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van het maatgevend scenario van Fokker (520 meter, toxische wolk ten gevolge van brand in gebouw 94). Een verantwoording van het groepsrisico is daarom nodig. Slurink Aan de Merwedestraat 48 in Dordrecht, aan de zuidzijde van de Nieuwe Merwede is Slurink gelegen, een groothandel in brandstoffen en andere minerale olieproducten (brandbare vloeistoffen). Het betreft geen BEVI-inrichting. Volgens de gevarenkaart uit Leidraad is er geen PR 10-6 beschikbaar. Er zijn geen generieke risicoafstanden voor brandbare vloeistoffen van klasse 3 en 4. Dit vanwege de beperkte kans op ontsteking. De afstand van Slurink tot het plangebied bedraagt 520 meter. Dit is ruim voldoende zodat dit bedrijf geen belemmering vormt.
4.8.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico Voor de Beneden Merwede, de Betuweroute, DuPont/Chemours en Fokker Aerostructures dient in de verantwoording van het groepsrisico een beschrijving gegeven te worden van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in relatie tot het toxisch scenario. In de verantwoording groepsrisico wordt rekening gehouden met de volgende scenario’s. Een ongeval met toxisch scenario op de Beneden Merwede; Een ongeval met toxisch scenario op de Betuweroute; Een brand met toxisch scenario bij DuPont/Chemours; Een brand met toxisch scenario bij Fokker Aerostructures. Scenario Door een incident op de Betuweroute met een tankwagon met toxische vloeistof scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische vloeistof stroomt in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind. Door een incident op het water met een binnenvaarttanker met een toxische vloeistof (bijvoorbeeld acrylnitril) scheurt de tankwand boven de waterlijn. Een deel van de toxische vloeistof stroomt gedurende een half uur uit. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind. De vloeistof vormt een toxische plas die langzaam oplost in het water. Bij een toxisch gas (bijvoorbeeld ammoniak) ontstaat een toxische damp die met de wind meevoert.
Een toxisch incident met giftige gassen bij DuPont/Chemours of Fokker Aerostructures treedt op wanneer als gevolg van een brand toxische dampen vrijkomen. De toxische stoffen worden meegevoerd door de wind. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor toxische stoffen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de
Hoofdstuk 4
33
brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied. Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bronbestrijding is op het water niet mogelijk, aangezien de brandweer na afloop van de uitstroom ter plaatse komt (op het water). De brandweer zal zich daarom richten op het verdunnen van toxische dampen. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. DuPont/Chemours beschikt als Brzo-inrichting over een goed functionerend calamiteitenplan. In geval van calamiteiten worden omwonenden tijdig geïnformeerd en worden op het terrein zelf alle beschikbare middelen ingezet om de calamiteit zo snel mogelijk te verhelpen. Het plangebied wordt ontsloten door De Overtoom/Muilwijckstraat en de Badhuisstraat. Via deze wegen is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten. De bereikbaarheid voor hulpdiensten is dan ook goed te noemen.
Zelfredzaamheid Door middel van verschillende maatregelen kan de zelfredzaamheid in het gebied verbeterd worden: In het kader van de zelfredzaamheid verdient het aanbeveling bij de realisatie van het bouwplan ventilatie te creëren die door de gebruikers centraal in de objecten buiten werking kunnen worden gezet. Hiermee kan een safe haven worden gecreëerd waar mensen tijdelijk kunnen schuilen; De omwonenden, gebruikers en andere betrokkenen dienen geïnformeerd te worden over een drietal zaken. Ten eerste over de plannen/bestemmingen in hun directe omgeving en de mogelijke risico's als gevolg daarvan. Vervolgens over de maatregelen die de overheid treft om de risico's te beperken. Tot slot over de handelingsperspectieven voor de burger zelf om zich zo goed mogelijk voor te bereiden op een eventueel incident. Dit kan door middel van het publiceren van teksten op de website of in de gemeenterubriek. Maar hiertoe kunnen ook andere communicatie middelen worden ingezet. De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor risicocommunicatie. Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) heeft aangegeven dat zij zich kan vinden in paragraaf 4.8 van de toelichting en dat de verantwoording groepsrisico akkoord is en zij geen nadere op- en/of aanmerkingen heeft.
De VRZHZ adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit, met een toxisch scenario, die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020).
Hoofdstuk 4
34
De veiligheidsregio wil graag betrokken blijven bij de inrichtingsplannen van het gebied om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren. 4.8.4 Conclusie In de omgeving komen meerdere risicobronnen voor. Het plangebied is gelegen binnen de invloedsgebieden van de Beneden Merwede, de Betuweroute, DuPont/Chemours en Fokker Aerostructures. Geen van de PR 10-6 contouren reikt tot het plangebied, waardoor er geen wettelijke belemmeringen gelden voor het plan. Voor de genoemde risicobronnen is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. De veiligheidsregio wordt om advies gevraagd.
4.9 Natuur 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Hoofdstuk 4
35
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.9.2 Onderzoek Quickscan Er is door Ecoresult een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied 5. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage.
Beschermde gebieden Natura 2000 Significante negatieve effecten van stikstofemissie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen niet worden uitgesloten als gevolg van de aard van de werkzaamheden (sloop en nieuwbouw). Het nabij 5
Ecoresult, quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zuid-Holland, Kraaihoek fase 1 Papendrecht, d.d. 15 januari 2020
Hoofdstuk 4
36
gelegen Natura 2000-gebied de Biesbosch heeft stikstof gevoelige habitattypen. Passend nader onderzoek naar stikstofemissies (van de aanlegfase en gebruiksfase) – middels de Aerius Calculator – is noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming met betrekking tot gebiedsbescherming kan van toepassing zijn. Voor de uitgevoerde Aerius-berekening wordt verwezen naar verderop in deze paragraaf. Omgevingsverordening Zuid-Holland Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Belangrijke weidevogelgebied en Strategische reservering natuur. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig. Beschermde houtopstanden Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. In dit geval is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing. Beschermde soorten Jaarrond beschermde nesten De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen van de huismus en gierzwaluw. Hierdoor kan verbodsbepaling Art 3.1 lid 2 van de Wnb worden overtreden. Nader veldonderzoek is nodig.
Indien gierzwaluw aanwezig is en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van voorzieningen. Overige Vogelrichtlijnsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht. Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis). Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb worden overtreden. Nader onderzoek is nodig.
Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht.
Hoofdstuk 4
37
Nationaal beschermde soorten Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde faunasoorten welke vrijgesteld zijn van een ontheffing in de provincie Zuid-Holland. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, egel en muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Invasieve exoten Er is ook gekeken naar groeiplaatsen (voor zover waarneembaar – de achtertuinen konden vanwege de aanwezigheid van hoge schuttingen niet worden bekeken) van exoten als Japanse duizendknoop en reuzenberenklauw. Er werden geen groeiplaatsen van deze soorten aangetroffen. Wellicht is tijdens de quickscan nog geen volledig beeld van alle exoten verkregen. Aanbevelingen Los van de onderzoeksresultaten, maar als duurzame inrichtingsmaatregel “inclusief bouwen voor vleermuizen en vogels, heeft het de ecologische voorkeur om rekening te houden met de wensen van vleermuizen en vogels in het nieuwe ontwerp. Gebruik bijvoorbeeld inbouwkasten voor vleermuizen en broedvogels binnen het plangebied.
Tevens kan worden ingespeeld op te verwachten ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied. Vervolgonderzoek Van april tot oktober 2021 zal ecologisch vervolgonderzoek plaatsvinden naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw. De resultaten hiervan zullen te zijner tijd in deze paragraaf opgenomen worden. Indien nodig wordt een ontheffing aangevraagd en zullen mitigerende maatregelen getroffen worden. Natura 2000-gebieden Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ bevindt zich op het dichtstbijzijnde punt op 4,1 kilometer van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen sloop van 99 huurwoningen en de realisatie van 139 huurwoningen betreft (69 seniorenappartementen en 78 rijwoningen), kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de sloop-, aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Daarom is er door BRO een AERIUS-berekening uitgevoerd6. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage.
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de sloopfase, aanlegfase 1 en gebruiksfase 3 geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. De rekenresultaten voor de gecombineerde berekeningen aanlegfase 2 + gebruiksfase 1 en aanlegfase 3 + gebruiksfase 2 laten echter wel rekenresultaten zien hoger dan 0,00 mol/ha/j, namelijk 0,01 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie niet uitgesloten worden. 6
BRO, AERIUS-berekening fase 1 Kraaihoek, d.d. 22 maart 2021
Hoofdstuk 4
38
Het stikstofdossier is volop in ontwikkeling. Op 9 maart 2021 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Het streven is dat de wet op 1 juli 2021 in werking treedt, voor vaststelling van het bestemmingsplan Kraaihoek fase 1. De wet bevat een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor de bouwsector. De vrijstelling geldt voor bouwactiviteiten in de bouw-, aanleg- en sloopfase, waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. 4.9.3 Conclusie De uitgevoerde berekeningen voor de gebruiksfase geven geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Zoals het er nu naar uitziet wordt de aanlegfase vrijgesteld en is een vergunning niet noodzakelijk. Voor vaststelling van het bestemmingsplan Kraaihoek fase 1 zal hier duidelijkheid over zijn. Van april tot oktober 2021 zal ecologisch vervolgonderzoek plaatsvinden naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw. De resultaten hiervan zullen voor vaststelling van het bestemmingsplan bekend zijn. Indien nodig wordt een ontheffing aangevraagd en zullen mitigerende maatregelen getroffen worden. Verder zijn er vanuit flora en fauna geen belemmeringen.
4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.10.2 Onderzoek Er is door Dordrecht Research een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied7. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. Hieronder worden de belangrijkste resultaten en conclusies beschreven. Op grond van de beschikbare gegevens (historische gegevens, zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) wordt geconcludeerd dat: Tot de realisatie van de nu nog aanwezige woonwijk in de jaren vijftig van de vorige eeuw bevonden zich op het terrein enkele sloten.
Het aangetroffen bodemprofiel op de onderzoekslocatie bestaat uit een toplaag van zandige klei op veen. Er zijn bij uitvoering van het onderzoek in de bodem geen duidelijke dempingsmaterialen in deze gedempte sloten vastgesteld. Wel is op enkele plaatsen een lichte baksteen of kalksteen bijmenging vastgesteld. 7
Dordrecht Research, Verkennend bodemonderzoek Weteringsingel e.o. Papendrecht, d.d. 9 november 2020 rev 6 december 2020
Hoofdstuk 4
39
Op één locatie, centraal op het terrein ter plaatse van boring 01 is in de bodemlaag van 0.7- meter minus maaiveld een matige verontreiniging vastgesteld met PAK. De verontreiniging is gering van omvang en de interventiewaarde wordt niet overschreden waardoor er geen saneringsverplichtig is in het kader van de Wet Bodembescherming. De grond op het overige terrein dient als licht verontreinigd met zware metalen (cadmium, kwik, lood, nikkel, zink, PAK en PCB) te worden beschouwd. In de grond zijn verhoogde gehalten aan PFOA/PFOS vastgesteld. Ondanks dat er geen sprake is van overschrijding van risicogrenzen betekent dit dat grond die om civieltechnische redenen vrijkomt beperkte hergebruiksbeperkingen kan hebben. Dit kan (significante) kosten als gevolg hebben. Per partij af te voeren grond zal gekeken moeten worden of de af te voeren grond door verwerkers geaccepteerd kan worden. Het is niet uitgesloten dat men hiervoor aanvullende analyses wenst. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen vastgesteld met barium, molybdeen, zink, nikkel, xylenen en naftaleen. De gehalten zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.
Gelet op de resultaten van het onderzoek zijn er ten aanzien van de bodemkwaliteit van het onderzoeksterrein geen belemmeringen voor realisatie van de voorgenomen bouwplannen/ten aanzien van de voorgenomen grondtransactie. 4.10.3 Conclusie De bodemkwaliteit levert geen belemmering op voor de ontwikkeling van dit plan.
4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het Waterplan ZuidHolland 2016-2021. Conform Europese en nationale wetgeving is tevens een nieuw Stroomgebiedbeheerplan vastgesteld voor de regio Rijn-West voor de periode 2016-2021: het SGBP-2. De wijzigingen zijn voornamelijk van toepassing op de regionale waterkeringen. Dit Waterplan is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de in de nabije toekomst in werking tredende Omgevingswet. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen.
Het bestuur van Waterschap Rivierenland heeft met ingang van 27 november 2015 het Waterbeheerprogramma 2016-2021: Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid vastgesteld.
Hoofdstuk 4
40
Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. De watergangen zijn opgenomen in de Legger. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in of nabij het oppervlaktewater kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Binnen Rivierenland wordt voornamelijk ingezet op “vasthouden – bergen – afvoeren” van water. De waterschappen werken integraal samen met gemeenten, die vaak het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben. De gemeente Papendrecht en Waterschap Rivierenland hebben samen het stedelijk waterplan voor Papendrecht vastgesteld. Het waterplan heeft betrekking op het oppervlaktewater en het grondwater. In het plan wordt een visie gegeven op het stedelijk water en het realiseren van een gezond en veilig functionerend watersysteem.
Het maatregelenpakket uit het waterplan is in 2018 afgerond. Ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving hebben geen wijzigingen plaatsgevonden. Daarnaast is een gemeentelijk rioleringsplan 2019-2023 opgesteld. Doel is om klimaatbestendige gemeente te worden. Lokale verwerking / berging van hemelwater wordt gestimuleerd. Vanuit de gemeente Papendrecht wordt bij particuliere nieuwbouw verwacht, dat een particulier 20 mm hemelwater op eigen terrein verwerkt. Indien dit redelijkerwijs niet van hem gevraagd kan worden, kan de particulier zijn hemelwater aanbieden aan de gemeente. Wanneer volop oppervlaktewater aanwezig is, is het niet doelmatig een inzamelriool voor het hemelwater aan te leggen. Bij projecten in de openbare ruimte en grootschalige woningbouwtrajecten wordt getracht om een (verbeterd) gescheiden stelsel aan te leggen. De gemeente maakt hierbij onderscheid tussen de volgende typen oppervlakken: Schoon oppervlak. Hieronder vallen alle daken, mits de uitlogende materialen niet meer dan 20% van dit oppervlak beslaan. Beperkt schoon oppervlak. Hieronder vallen onder andere vrijliggende voet- en fietspaden, schoolpleinen, parkeergelegenheden voor personenauto’s in woongebieden en tijdelijke parkeerplaatsen. Maatwerk bepaalt of een oppervlak daadwerkelijk tot de beperkt schone of beperkt verontreinigd oppervlak behoort. Beperkt verontreinigd oppervlak.
Hieronder vallen oppervlakken waarop PAK, minerale olie of zware metalen worden verwacht zoals bij: gebiedsontsluitingswegen, winkelstraten, marktpleinen, grotere (dag)parkeerterreinen, laad- en losplaatsen. Verontreinigd oppervlak: De verontreinigde oppervlakken betreffen busstations, tunnels en overslag en opslagterreinen. Bij schone en beperkt schone oppervlakken kan direct afgekoppeld worden naar oppervlaktewater. Bij de overige oppervlakken zijn mogelijk zuiverende voorzieningen of verwerking via het dwa-stelsel noodzakelijk. De digitale watertoets is een instrument om het planvoornemen vroegtijdig aan te geven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. Een eerste
Hoofdstuk 4
41
afstemming voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (dossiercode 20201215-925090). Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is een normale watertoetsprocedure met vooroverleg met het waterschap. Een onderbouwing van het bestaande en toekomstige watersysteem is in het rapport opgenomen, rekening houdend met de aangeleverde uitgangspuntennotitie. Bij het definitieve bouwplan dient rekening gehouden te worden met de genoemde aandachtspunten in de rapportage. 4.11.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een waterparagraaf opgesteld8. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Het plangebied is momenteel in gebruik als woonwijk met 99 woningen uit de jaren ’50 van de vorige eeuw. Het voorgenomen projectplan is om na de sloop 139 nieuwe woningen te realiseren, waarvan 78 grondgebonden woningen en 61 appartementen. Het plangebied heeft een licht maaiveldverloop naar het noorden en ligt grotendeels op ca. -1,0 m NAP en de wegen op ca. -1,3 m NAP. De zuidelijke Boomgaardstaat ligt iets hoger op ca. -0,45 tot -0,65 m NAP. Het plangebied ligt in peilbeheerst gebied waarbij gestreefd wordt naar vast peil op -1,92 meter NAP (NDW029). In combinatie met de aangelegde drainage wordt een vrij constant grondwaterniveau verkregen en is er geen grondwateroverlast aanwezig.
Om te voldoen aan de benodigde drooglegging wordt geadviseerd om de wegen op circa -0,9 m NAP aan te leggen en het vloerpeil op minimaal -0,6 m NAP. Ter plaatse is derhalve geen of een lichte ophoging benodigd om hieraan te voldoen. Hierdoor wordt ook voldaan aan het minimum aanlegniveau dat in Papendrecht gehanteerd wordt ter compensatie voor de optredende bodemdaling in de polder. Ook wordt net als bestaand geadviseerd om onder de wegen drainage aan te leggen om piekgrondwaterstanden af te kunnen vangen (overstortpeil hoger als het oppervlaktewaterpeil). Dit kan eventueel gecombineerd worden met een aan te leggen hemelwaterstelsel. Direct noordelijk van het plangebied stroomt een A-watergang (001381). Aan weerszijden van deze primaire watergang is een beschermingszone van 5 meter vanaf de insteek aanwezig. Deze raakt noordelijk net het plangebied. Met deze beschermingszone is rekening gehouden bij het ontwerp door deze vrij te houden. Ter plaatse is momenteel een gemengd rioolstelsel aanwezig waarop al het hemel- en afvalwater aangesloten is. In het rioolstelsel zijn enkele overstortpunten voorzien naar het oppervlaktewater om overlast bij piekneerslag te vermijden. Bij de planontwikkeling zal een gescheiden stelsel aangelegd worden door de gemeente omdat de wegen toch heraangelegd worden.
Hiermee kunnen eventuele knelpunten tevens verholpen worden zodat een goede doorstroming gerealiseerd wordt dat goed functioneert. De lichte toename aan afvalwater door de bijkomende woningen kan verwerkt worden door het tevens nieuw aan te leggen rioolstelsel dat uiteindelijk afvoert naar de RWZI te Papendrecht. Door de nieuwbouw treedt er een wijziging op aan de verharde oppervlakken. Hieronder is een overzicht opgenomen van de toekomstige verharde situatie. De toekomstige tuinen zijn voor 90% verhard meegenomen bij het overig verhard oppervlak.
8
Aeres Milieu, Waterparagraaf Kraaihoek fase 1 Papendrecht, d.d. 6 januari 2021
Hoofdstuk 4
42
Tabel 4.6 Overzicht toekomstig verhard oppervlak binnen plangebied
Bij de planontwikkeling van Kraaihoek fase 1 is een lichte afname van het totaal verhard oppervlak te verwachten (bestaand verhard oppervlak betreft circa 15.520 m²). Hiervoor is geen hemelwatercompensatie verplicht. Om toekomstige wateroverlast verder in te perken en om de wijk klimaatrobuuster in te richten, zijn wel aanvullende voorzieningen toepasbaar bij de heraanleg van de bestaande stelsels en geplande nieuwbouw. Het afstromend hemelwater van de daken en lokale wegen in de woonwijk is door de toepassing van niet uitlogende bouwmaterialen en voldoen aan de milieu hygiënische randvoorwaarden als schoon te beschouwen. Dit gescheiden gehouden hemelwater kan op de noordelijk gelegen A-watergang aangesloten worden. Omdat de wegen en het gemeentelijk rioolstelsel heraangelegd wordt, kan er ondergronds aanvullende waterberging (bijvoorbeeld 20 mm of ca. 306 m³ hemelwaterberging) ingepast worden middels een HWA-riool van 600 mm of middels een bergingsvoorziening zoals kratten of Rockflow. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig en de stroming kan centraal van noord naar zuid aangelegd worden. Hierdoor wordt de afvoersnelheid in het plangebied verder vertraagd zodat het oppervlaktewater minder direct belast wordt. De noordelijke weg kan onder afschot gelegd worden naar de A-watergang zodat hierbij dan geen kolken aangelegd dienen te worden.
Naast het zoveel mogelijk beperken van nieuwe gesloten verharding kan tevens een maximale verhardingspercentage ter plaatse van de kleine tuinen opgenomen worden. Ter plaatse van de woningen is naar beheer en functionaliteit toe geen aanvullende, kleine waterbergende voorziening geadviseerd. Het is beter om hiervoor grotere, centrale voorzieningen onder de parkeervelden of straat aan te leggen. Aanvullend kunnen de bergingen en platte daken (zoals op de appartementen) wel voorzien worden van een sedum- of polderdak waarop buien tijdelijk vastgehouden worden. Dit geeft ook een groenere uitstraling van de wijk. Ter plaatse van het dwarsparkeerplaatsen west- en oostelijk kan gekozen worden voor een waterpasserende bestrating of ondergrondse hemelwaterberging. Aandachtspunt hierbij is de verwachte hoge grondwaterstand, het benodigde onderhoud en het uitzicht bij frequente wisseling van verkeer. Geadviseerd wordt om het openbaar groen lager dan de weg aan te leggen zodat deze aanvullend water kunnen bergen bij bovennormatieve piekbuien. Bij de voorzieningen dient ook rekening gehouden te worden met de eerder beperkte drooglegging binnen Kraaihoek. Gezien de bestaande situatie is geen (grond)wateroverlast te verwachten door het planvoornemen. Het toekomstig verhard oppervlak neemt af door de herontwikkeling.
Door het maaiveldniveau te behouden of licht op te hogen, wordt voldaan aan de benodigde drooglegging. Door het aanleggen van een gescheiden stelsel neemt de vuilvracht naar de RWZI af en zorgt het schone hemelwater voor
Hoofdstuk 4
43
doorstroming in het oppervlaktewater. Binnen het plangebied zijn er aanvullende maatregelen toepasbaar om de ontwikkeling klimaatrobuuster in te richten. In de bestemmingsplanfase is dit niet nader onderzocht gezien de afname aan verhard oppervlak. Bij de verdere planuitwerking dienen de toekomstige DWA- en HWA-stelsels/voorzieningen concreet opgenomen te worden conform het geldende beleid van de gemeente en/of het waterschap. Bij het definitieve bouwplan zal een herberekening plaatsvinden van het uiteindelijk aanwezig verhard oppervlak en de eventueel benodigde waterberging. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij andere ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing of werkzaamheden in de buurt van een watergang), moeten ten tijde van de omgevingsvergunning in het kader van de Waterwet vergunningen of een melding aangevraagd te worden via de daarvoor bedoelde procedure (Omgevingsloket). 4.11.3 Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen.
4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.12.2 Onderzoek De gemeente Papendrecht beschikt over een eigen Archeologische Verwachtingskaart en een Archeologische Beleidsadvieskaart. Op de Verwachtingskaart staat aangegeven wat de archeologische verwachting is voor het plangebied. Het plangebied is op de Archeologische Beleidsadvieskaart van de gemeente Papendrecht gelegen in ‘Komgebied’ met een middelhoge verwachting.
Voor ‘Komgebied’ geldt een onderzoeksgrens bij verstoringen groter dan 500 m² en dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld. Archeologisch onderzoek is derhalve noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
44
Figuur 4.3: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Papendrecht met aanduiding van het plangebied
Er is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd9. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in het plangebied de natuurlijke afzettingen vooral zijn gevormd in een komgebied van de stroomgordel van Papendrecht of eventueel in een laagte als een restgeul. Hierboven op zijn is een pakket klei afgezet met siltrijke of zandige kleilagen. De crevasseafzettingen zijn aangetroffen in het centrale en zuidwestelijke deel van het plangebied. De top van de ondergrond van het plangebied bestaat uit een overwegend minstens 45 centimeter dik pakket modern ophoogzand. In de top van de mogelijke crevasseafzettingen kunnen archeologische resten aanwezig zijn vanaf de ijzertijd. Echter, het gaat hierbij om een kleinschalig en geen hooggelegen deel van een crevassecomplex. Op basis hiervan is de waarde dit archeologisch niveau laag, mede gezien de aard van de bekende archeologische resten in de omgeving van het plangebied. Voor het plangebied wordt om deze redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
Selectieadvies Het bevoegd gezag heeft op 20 april 2021 besloten conform de aanbeveling in het rapport (hoofdstuk 7 en zoals hieronder geciteerd) en het plangebied wat betreft archeologie voor de voorgenomen herontwikkeling vrij te geven: "Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in het plangebied de natuurlijke afzettingen vooral zijn gevormd in een komgebied van de stroomgordel van Papendrecht of eventueel in een laagte als een restgeul. Hierboven op zijn is een pakket klei afgezet met siltrijke of zandige kleilagen. De crevasse-afzettingen zijn aangetroffen in het centrale en zuidwestelijke deel van het plangebied. De top van de ondergrond van het plangebied bestaat uit een overwegend minstens 45 centimeter dik pakket modern ophoogzand. In de top van de mogelijke crevasse-afzettingen kunnen archeologische resten aanwezig zijn vanaf de ijzertijd. Echter, het gaat hierbij om een kleinschalig en geen hooggelegen deel van een crevasse-complex.
9
Aeres Milieu, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen Kraaihoek fase 1 Papendrecht, d.d. 26 april 2021
Hoofdstuk 4
45
Op basis hiervan is de waarde dit archeologisch niveau laag, mede gezien de aard van de bekende archeologische resten in de omgeving van het plangebied. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht." 4.12.3 Conclusie Het aspect ‘archeologie’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.13.2 Onderzoek In het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook zijn er geen overige waardevolle gebouwen aanwezig. Conform de Cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland is het zuidelijk gedeelte van het plangebied gelegen binnen ‘Dijklinten (dijklint voor 1850)’. Feitelijk gezien ligt het plangebied niet in een dijklint, maar achter een dijklint. Het is de eerste binnendijkse uitbreiding van Papendrecht. Het noordelijke gedeelte ligt binnen ‘Dijklinten (dijklint 1940-1965)’. Voor beide geldt dat er geen waarde van toepassing is.
4.13.3 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.14 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.14.1 Toetsingskader Bij het besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op
Hoofdstuk 4
46
de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.14.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling10 opgesteld. Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden.
Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen MER behoeft te worden vastgesteld.
4.15 Duurzaamheid De gemeente Papendrecht streeft naar een toekomstbestendige wijk met een hoge duurzaamheidswaarde, geënt op haar Leidraad Inrichting Openbare Ruimte, waarin het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid is vertaald. Duurzame Stedenbouw In Papendrecht gaat inbreiding voor uitbreiding. In het ruimtegebruik is daarom gezocht naar een optimale benutting, met oog voor de identiteit van Kraaihoek en de ligging ten opzichte van het centrum van de gemeente. De stedenbouwkundige opzet borduurt voort op het historische ontwikkelingspatroon. De gemeente hecht er waarde aan dat ook de aansluiting op het centrum zorgvuldig wordt ontworpen. Om deze reden is budget beschikbaar om De Overtoom anders –en groener –in te richten. De gemeente verwacht op het gebied van leefbaarheid dat een nieuw ingerichte woonwijk, waarin onder andere het parkeren en het openbaar groen beter zijn georganiseerd, zal bijdragen aan de gemeenschapszin en versterking van de sociale cohesie. Deze sociale cohesie komt ook voort uit de aandacht voor goede visuele zichtlijnen in de wijk, plekken voor spontane ontmoetingen en goede verlichting met veilige looproutes. Hoewel in fase 1 nog niet aan de orde, zal in latere fasen functiemenging en woningdifferentiatie in koop en huur plaatsvinden.
Daarmee komt een gemêleerde wijk in balans en ontstaat een duurzame gemeenschap waarin de sterkeren de zwakkeren in de wijk kunnen helpen. 10
mei 2021
BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling bestemmingsplan Kraaihoek fase 1 te Papendrecht, d.d.18
Hoofdstuk 4
47
De noodzakelijke verdichtingsslag die in fase 1 wordt gemaakt staat op gespannen voet met de wens om ook meer groen toe te voegen aan de wijk. Niet alles kan. Daarom is nadrukkelijk de keus gemaakt de bestaande watergang op de grens van fase 1 en de toekomstige fase 2 van Kraaihoek te betrekken bij de wijk, daar waar deze in de huidige situatie wordt afgeschermd door bebouwing. Groene elementen voor klimaatbestendigheid en sociale veiligheid Binnen de straten wordt nadrukkelijk gezocht naar ruimte voor meer bomen, om schaduwrijke looproutes te creëren en hittestress te voorkomen en waarbij spontane ontmoetingen kunnen plaatsvinden tussen wijkbewoners. Dergelijke ontmoetingsplekken zullen bijdragen aan het veiligheidsgevoel van de buurtbewoner. In het kader van Operatie Steenbreek zullen ook de toekomstige bewoners van de buurt worden aangespoord hun tuinen zo groen mogelijk in te richten. Met Woonkacht10 zullen nog nadere afspraken worden gemaakt over een zo groen mogelijke permanente inrichting van de voortuinen, daar deze ook van groot belang zijn voor het straatbeeld. Groen draagt bij aan meer biodiversiteit en aan een betere leefkwaliteit en leefbaarheid. Groen absorbeert geluid en heeft een positief effect op gezondheid, herstel en welzijn van mensen. Ons klimaat verandert, hoosbuien en langere perioden van droogte en hitte komen vaker voor.