D08. 20210531 RIB Bestemmingsplan Kraaihoek fase 1.pdf
Tekst van het document
Aan de gemeenteraad
datum behandeld door ons kenmerk
25 mei 2021 mr. Q.W.J. de Ruijter 2021-0068827
doorkiesnummer Onderwerp
Bestemmingsplan Kraaihoek fase 1
Geachte mevrouw, heer,
Woonkracht 10 heeft het voornemen om in de wijk Kraaihoek 139 sociale huurwoningen te bouwen. Daarvoor zullen 99 bestaande huurwoningen gesloopt worden. Deze woningen zijn gebouwd in de jaren '50 van de vorige eeuw en zijn aan vervanging toe. Voor de realisatie van het plan is het noodzakelijk om ook het openbaar gebied aan te passen. De Gemeente Papendrecht is hiertoe met Woonkracht 10 op 14 oktober 2020 een Samenwerkingsovereenkomst aangegaan. De woningbouw is niet mogelijk op basis van de Reparatie Beheersverordening Papendrecht’, zoals vastgesteld door uw raad op 28 maart 2019. Om medewerking te kunnen verlenen aan het initiatief is daarom het voorontwerpbestemmingsplan 'Kraaihoek fase 1' opgesteld. Op 2 juni 2021 zal de vooraankondiging van het opstellen van een bestemmingsplan worden gepubliceerd in het Papendrechts Nieuwsblad en in de Staatscourant. Vervolgens zal het voorontwerpbestemmingsplan worden gezonden aan de wettelijke overlegpartners ten behoeve van het vooroverleg. Na de vooroverlegfase wordt het ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Het ontwerp bestemmingsplan wordt bekend gemaakt op de gemeentelijke website en ook op www.ruimtelijkeplannen.nl. Daarnaast wordt het ontwerpbestemmingsplan in het gemeentehuis ter inzage gelegd. De terinzagelegging wordt aangekondigd in het Papendrechts Nieuwsblad en de Staatscourant.
Een ieder heeft de mogelijkheid tegen het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze in te dienen. Na afloop van de ter inzage termijn worden de zienswijzen verwerkt en voorzien van een antwoord. Met inachtneming van de zienswijzen kunt u besluiten het bestemmingsplan al dan niet vast te stellen. De geplande woningen worden aangesloten op het toekomstige warmtenet van HVC. In de Kraaihoek gaat het om een lage temperatuur netwerk. Omdat dit netwerk nog niet aanwezig is op het moment dat de woningen worden gerealiseerd, wordt een tijdelijke gasvoorziening aangelegd. Voor deze tijdelijke gasvoorziening heeft het college het plangebied aangewezen als gebied waar een aansluiting op het gastransportnet noodzakelijk is. Tevens heeft het college besloten om geen milieueffectrapportage op te stellen, aangezien er geen belangrijke nadelige milieueffecten te verwachten zijn.
Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Papendrecht, de secretaris, de burgemeester,
J.M. Ansems
A.J. Moerkerke
Bijlage Voorontwerpbestemmingsplan 'Kraaihoek 1e fase'
Bestemmingsplan Kraaihoek fase 1 te Papendrecht Gemeente Papendrecht Ontwerp
Bestemmingsplan Kraaihoek fase 1 te Papendrecht Gemeente Papendrecht Ontwerp
Rapportnummer:
P03661_4
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0590.BPKraaihoekFase1-1001
Datum:
18 mei 2021
Opdrachtgever:
Stichting Woonkracht10
Projectteam BRO:
WdR, AD
Concept:
21 januari 2021
Voorontwerp: Ontwerp: Vaststelling:
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1Aanleiding 1.2Plangebied 1.3 Vigerend plan 1.4 Leeswijzer
4 4 4 5 7
2.PLANBESCHRIJVING 2.1Stedenbouwkundig plan 2.2Programma
7 8 10
3.BELEIDSKADER 3.1Rijksbeleid
11 11
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2Provinciaal beleid
11 11 12 15
3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland 3.2.2 Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019) 3.3Regionaal beleid
15 15 18
3.3.1 Woonvisie 2017-2031 3.4Gemeentelijk beleid
18 19
3.4.1 Structuurvisie ‘Papendrecht 2020 – een venster naar de toekomst (2009) 3.4.2 Papendrecht woonplan 2020-2030 (2019)
19 20
4.MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding 4.2 Verkeer en parkeren
22 22 22
4.2.1 Verkeer 4.2.2 Parkeren 4.3Geluid
22 23 23
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Luchtkwaliteit
23 24 26 26
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie
26 26 28
Inhoudsopgave
1
4.5 Bedrijven en milieuzonering
28
4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6Geur agrarisch
28 28 29 29
4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Kabels en leidingen 4.8 Externe veiligheid
29 30 30 30 30
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico 4.8.4 Conclusie 4.9Natuur
30 31 33 35 35
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Bodem
35 36 39 39
4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Water
39 39 40 40
4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Archeologie
40 42 44 44
4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13Cultuurhistorie
44 44 46 46
4.13.1 Toetsingskader 4.13.2 Onderzoek 4.13.3 Conclusie 4.14Vormvrije m.e.r.-beoordeling
46 46 46 46
4.14.1 Toetsingskader 4.14.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r 4.15Duurzaamheid 4.16Bezonning
46 47 47 49
5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1Inleiding 5.2Systematiek
Inhoudsopgave
50 50 50
2
5.3Toelichting op de regels
50
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid
53 53
6.1.1 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53 54
6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Vaststellingsprocedure 6.2.3 Beroep / hoger beroep
54 54 54
Separate bijlagen Bijlage 1: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Parkeerkundige onderbouwing Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4: Quickscan Flora en fauna Bijlage 5: AERIUS-berekening Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7: Waterparagraaf Bijlage 8: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek Bijlage 9: Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 10: Schaduwstudie
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer, Woonkracht10, is voornemens de transformatiewijk Kraaihoek fase 1, gebouwd in de jaren ’50 van de vorige eeuw, te herontwikkelen. Woonkracht10 heeft hier 99 sociale huurwoningen in eigendom die ze voornemens is te slopen en daarvoor in de plaats 139 sociale huurwoningen (rijwoningen en appartementen) nieuw te bouwen. De gemeente Papendrecht is belast met de inrichting van de openbare ruimte. De herontwikkeling van deze wijk is niet mogelijk op basis van de geldende beheersverordening. Voorliggend bestemmingsplan biedt het benodigde juridisch-planologisch kader om de herontwikkeling van de locatie mogelijk te maken.
1.2 Plangebied Het plangebied is direct ten oosten van het centrum van Papendrecht gelegen. De locatie heeft een oppervlakte van circa 20.000 m² en wordt omsloten door de Weteringsingel in het noorden, de Overtoom in het westen, de parkeerplaats Boomgaardstraat in het zuiden en de Badhuisstraat in het oosten. Het plangebied betreft een transformatiewijk, gebouwd in de jaren ’50 van de vorige eeuw. Woonkracht10 heeft hier 99 huurwoningen in eigendom die ze voornemens is te slopen. De globale begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. De exacte begrenzing van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 1
4
Figuur 1.1: Globale begrenzing plangebied (bron: Google Maps)
1.3 Vigerend plan Voor het plangebied geldt de ‘Reparatie Beheersverordening Papendrecht’, vastgesteld op 28 maart 2019. De gronden van het plangebied hebben binnen deze beheersverordening de bestemmingen ‘Groen’, Verkeer – Verblijfsgebied’ en ‘Wonen – 1’. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de ‘Reparatie Beheersverordening Papendrecht’.
Hoofdstuk 1
5
Figuur 1.2: Uitsnede vigerende beheersverordening met aanduiding van het plangebied
Hoofdstuk 1
6
1.4 Leeswijzer Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende planregels en gaat vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. De toelichting bestaat uit een planbeschrijving met bijlagen waarin relevante onderzoeksresultaten zijn opgenomen. De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken en enkele bijlagen. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe, etc.). Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 ‘Planbeschrijving’. Dit hoofdstuk gaat in op de beschrijving van de huidige situatie van het plangebied en directe omgeving. Daarnaast worden de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt op een rij gezet. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarbij wordt bekeken of de voorgestane ontwikkeling in lijn is met dit beleid. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde haalbaarheidsaspecten zoals externe veiligheid, luchtkwaliteit en water wordt in dit hoofdstuk beschreven waarom de ontwikkeling die voorliggend bestemmingplan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden.
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Er wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe hetgeen in voorliggend plan is vastgelegd juridisch wordt geregeld. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 1
7
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Stedenbouwkundig plan In Papendrecht gaat inbreiding voor uitbreiding. In het ruimtegebruik is daarom gezocht naar een optimale benutting, met oog voor de identiteit van Kraaihoek en de ligging ten opzichte van het centrum van Papendrecht. De stedenbouwkundige opzet borduurt voort op het historische ontwikkelingspatroon. In Kraaihoek zijn er veel kansen om een groen-blauw raamwerk te ontwikkelen dat aansluit bij de omgeving, dat identiteit verleent aan de wijk en dat een grote rol kan spelen in de een duurzame en klimaat-adaptieve inrichting. Hierbij is er goed gestudeerd op heldere principes van voor- en achterkanten, goed doordachte parkeeroplossingen en een gevarieerd woningaanbod. Het tuindorpgevoel wordt zeer gewaardeerd door de huidige bewoners. Dit gevoel dient terug te worden gebracht in de nieuwe plannen voor Kraaihoek. In de openbare ruimte betekent dit zoveel mogelijk groen, openheid en doorzichten. Hoogwaardige openbare ruimte met voorkanten gericht op het groen biedt kwaliteit en ruimte voor ontmoeting en verpozen. In de architectonische uitwerking zal er onder andere aandacht zijn voor de hoekwoningen, maar bijvoorbeeld ook door differentiatie in de vormgeving van de verschillende woningtypes. Een aantal hoekwoningen die zichtbaar zijn vanaf De Overtoom hebben een belangrijke entreefunctie tot de buurt.
Twee bouwblokken met interne parkeerhoven zorgen voor een goede inbedding van het parkeren en een heldere voor- en achterkant situatie. Aan de straten worden hierdoor zoveel mogelijk voorkanten gepositioneerd, waarbij een groen straatprofiel van belang is. Dit wordt bereikt door het creëren van bijvoorbeeld Delftse stoepen voor de grondgebonden woningen, door groene pockets tussen de parkeerplaatsen en door het gebied te openen richting het water. De noordelijke rijwoningen krijgen een oriëntatie op de watergang. In de huidige situatie wordt het water afgeschermd door bebouwing. Bij vernieuwing van Kraaihoek gaat het niet alleen om de verbetering van de woningvoorraad, maar vooral ook om het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit. De buitenruimte wordt hoogwaardiger en de woningen leveren hieraan een bijdrage. Dit gebeurt vooral in de zogenaamde intermediaire zone. De intermediaire zone in een marge van maximaal 1 meter tussen de stoep en de doorlopende gevellijn van de woningen. Deze zone heeft een aantal functies: 1. als een toevoeging aan de openbare ruimte en dus hoogwaardig en bij voorkeur groen ingericht. 2. als een ruimte waarin de privacy van de bewoners wordt ondersteund door de afstand tussen de woning en de straat. 3. als een mogelijkheid om de woningen meer op de straat te betrekken, bijvoorbeeld door erkers, franse balkons, luifels, entrees, uitkragingen, e.d. 4.
als een marge waarbinnen de stedenbouwkundige accenten kunnen worden aangebracht, zoals de bewerking van een kopgevel, een plaatselijke verspringing van de rooilijn, etc. Voor de invulling van de intermediaire zone geldt dat deze maximaal voor 30% mag worden bebouwd. Dit maximum geldt zowel per bouwdeel als voor Kraaihoek fase 1 als geheel.
Hoofdstuk 2
8
Het stedenbouwkundig plan voorziet in 78 grondgebonden woningen van twee lagen met kap en twee appartementenblokken met in totaal 61 appartementen. Het westelijk gelegen appartementenblok (A) heeft een carré-vorm van maximaal 5 bouwlagen. Dit appartementenblok is een belangrijke schakel voor het gebied. De Overtoom krijgt een reconstructie zodat de weg een meer logische route krijgt. Het bouwvolume is zo geplaatst dat deze De Overtoom begeleidt en tegelijkertijd een belangrijke schakel tussen de buurt en haar omgeving is. De inpassing van de ligging aan het water en de groene aansluiting op de omgeving zijn hierbij van belang. Op deze locatie wordt de structuur van de buurt zichtbaar gemaakt door de verkaveling te openen. Het oostelijk gelegen appartementenblok (B) heeft een L-vorm (met galerij) van gedeeltelijk 3 bouwlagen en gedeeltelijk 4 bouwlagen. In beide appartementengebouwen is op de begane grond ruimte voorzien voor bergingen en gemeenschappelijk ruimtes.
Figuur 2.1 Stedenbouwkundig plan Kraaihoek fase 1
De woningen zullen worden aangesloten op een toekomstig warmtenet. In de Kraaihoek gaat het om een midden temperatuur (70°C) netwerk, de retourtemperatuur is dan 45°C. Omdat dit netwerk nog niet aanwezig zal zijn op het moment dat de woningen worden gerealiseerd, zal een tijdelijke gasvoorziening worden aangelegd. Woonkracht10 vraagt hiervoor de nodige ontheffingen en vergunningen aan. Hiervoor wordt een separate procedure gevolgd.
Hoofdstuk 2
9
2.2 Programma De sociale huurwoningen zijn verdeeld over verschillende types met verschillende beukmaten. De 78 grondgebonden woningen variëren in beukmaat. De 61 levensloopbestendige appartementen zijn verdeeld over 2 blokken en zullen (deels) gaan vallen binnen het Senior+ woonconcept van Woonkracht10. Het woonconcept van Senior+ richt zich specifiek op de huisvesting van ouderen met een lichte zorgvraag. De doelgroep is niet zo zorgbehoevend dat ze binnen een zorgzwaarte vallen die wonen bij een zorginstelling mogelijk maakt. De bewoners vallen grotendeels binnen de leeftijdscategorie 75+ en zijn minder mobiel. Bij de huisvesting worden de woningen die binnen dit woonconcept worden gerealiseerd door Woonkracht10 specifiek toegewezen aan deze doelgroep.
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI is per 11 september 2020 in werking getreden. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is hiermee geheel vervallen, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kan men in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. In de nationale omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie aan voor de toekomstige ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal gelden, zoals klimaatverandering, de energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een perspectief om voort te bouwen op bestaande landschappen en historische steden.
In de NOVI zijn vier prioriteiten opgesteld: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doorwerking plangebied In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.
Doorwerking plangebied Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavig bestemmingsplan is dus in overeenstemming met het Barro.
Hoofdstuk 3
11
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet toe op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe wooneenheden mogelijk gemaakt. Gezien het in dit initiatief om de toevoeging van maximaal (139 – 99=) 40 woningen gaat, is een toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame verstedelijking noodzakelijk. Er is door BRO een onderbouwing Ladder voor duurzame verstelijking opgesteld 1. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Passend binnen beleidskaders Geconcludeerd kan worden dat het beoogde initiatief past binnen de beleidskaders en tevens bijdraagt aan de beleidsdoelen van de provincie, regio en de gemeente.
Beleidsmatig wordt ingezet op woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied, inbreiding en compacte nieuwbouw binnen de gemeentegrenzen. Het planinitiatief voorziet in de bouw van 139 woningen (uitbreiding van 40 woningen) op een binnenstedelijke locatie en zet daarmee in op zorgvuldig ruimtegebruik. Door ontwikkelingen in de samenleving is er meer vraag naar goedkopere woningen op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Ook minder koopkrachtige huishoudens moeten een thuis kunnen (blijven) vinden. Tegelijkertijd is de opgave in de sociale huursector binnen de gemeente en regio kwalitatief van aard (op peil houden van kwaliteit van de voorraad en versterken van duurzaamheid). Op gemeentelijk niveau worden initiatieven die leiden tot verbetering en grotere diversiteit van de sociale huurwoningvoorraad actief ondersteund. Met de sloop-nieuwbouw van sociale huurwoningen als onderdeel van de wijkaanpak Kraaihoek wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan deze opgave. De ontwikkeling is dan ook (met 128 woningen) opgenomen als in beeld zijnde ontwikkeling binnen de Prestatieafspraken tussen gemeente en corporatie. Daarnaast zorgt de ontwikkeling voor een meer gedifferentieerd aanbod van woningtypologieën. 1
BRO, Ladder voor Duurzame Verstedelijking Kraaihoek fase 1, Papendrecht, d.d. 1 december 2020
Hoofdstuk 3
12
Op regionaal en gemeentelijk niveau is er speciale aandacht voor jongeren, starters en ouderen, evenals voor doorstromers. De beoogde ontwikkeling realiseert 139 huurwoningen onder de liberalisatiegrens, waarvan de 61 appartementen zijn bedoeld voor senioren en 10 grondgebonden woningen voor jongeren tussen de 23 en 30 jaar. Door appartementen voor senioren te realiseren wordt bijgedragen aan de doorstroming. Regionaal en gemeentelijk worden er hoge eisen gesteld aan de gebruikskwaliteit van nieuwbouwwoningen en appartementen. Door woningen aanpasbaar en levensloopgeschikt te bouwen, kunnen deze ook door onder andere ouderen worden bewoond. Het planinitiatief realiseert 61 levensloopgeschikte appartementen en voorziet hiermee in een behoefte. Als onderdeel van de grotere wijkaanpak van Kraaihoek, levert de ontwikkeling een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de leefbaarheid in Papendrechtse wijken, die in Kraaihoek onder druk staat. Het planinitiatief levert bovendien een bijdrage aan de doelstelling van een gasloze aanleg van woningen en CO2-neutrale woningen in 2050. Bij de inrichting van het openbaar gebied wordt gekozen voor materialen op basis van duurzaamheid, veiligheid en zo energetisch zuinig mogelijk. Hiermee wordt beoogd dat het initiatief voldoet aan de GPR-Gebouw.
Volgens het gemeentelijk beleid is het belangrijk om aantrekkelijke plekken te creëren die gelegenheid bieden om te ontmoeten, ontspannen en te bewegen. Het planinitiatief draagt hieraan bij door aandacht te hebben voor ruimten met bomen en schaduwrijke looproutes waarbij spontane ontmoetingen kunnen plaatsvinden. Passend binnen behoefte van het ruimtelijk verzorgingsgebied Voor de onderbouwing van de woonbehoefte is gekeken naar de afbakening van de relevante regio, om zo de behoefte in beeld te brengen. Hiervoor is gekeken naar de regionale woningmarkt, die gedefinieerd wordt op basis van verhuisbewegingen. In dit behoefteonderzoek gaat het om het primaire verzorgingsgebied gemeente Papendrecht en het secundaire verzorgingsgebied regio Drechtsteden. Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Hieronder volgt een beknopte toelichting. De volledige onderbouwing van de woningbehoefte is opgenomen in bijlage 1 van de ladder. Kwantitatieve behoefte De beoogde ontwikkeling van per saldo 40 woningen voorziet in een kwantitatieve behoefte: Hoewel de bevolking in de gemeente Papendrecht in de periode tot 2030 licht afneemt, neemt deze in de regio toe en stijgt zowel in gemeente als regio het aantal huishoudens. Dit vraagt om de groei van de woningvoorraad.
Uit de provinciale behoefteraming blijkt een kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente Papendrecht van 970 woningen tot 2030. In de regio Drechtsteden ligt de woningbehoefte op 6.680 woningen. Op dit moment is er onvoldoende plancapaciteit (660 woningen) om in de groeiende woningbehoefte in de gemeente Papendrecht te voorzien. Dit betekent dat er ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe woningen. De beoogde ontwikkeling van Kraaihoek 1e fase voorziet daarmee in een kwantitatieve behoefte binnen het primaire verzorgingsgebied. Het planinitiatief is ook al onderdeel van de gemeentelijke plancapaciteit (woningbouwprogrammering). In de regio Drechtsteden zijn er netto plannen voor bijna 16.700 woningen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de autonome behoefte van 10.000 woningen en wordt deels rekening gehouden
Hoofdstuk 3
13
met reservecapaciteit van 15.000 woningen. Rekening houdend met de provinciale behoefteprognose (+ extra 30%) is dit ruim voldoende om in de behoefte te voorzien. Het planinitiatief is onderdeel van de genoemde regionale woningbouwprogrammering en plancapaciteit. Kwalitatieve behoefte Het initiatief omvat de realisatie van 139 sociale huurwoningen, waarvan 78 grondgebonden woningen en 61 seniorenappartementen. Per saldo betekent dit een afname van de woningvoorraad met 21 grondgebonden woningen en een uitbreiding van de voorraad met 61 appartementen. Het initiatief voorziet hiermee in een kwalitatieve behoefte: In de regio Drechtsteden neemt de behoefte aan meergezinshuurwoningen licht toe. Het initiatief dat voorziet in de toevoeging van 61 (senioren)appartementen voorziet in deze behoefte. Regiobreed en gemeentelijk is er behoefte aan woningen in het segment tot € 629 (hoge aftoppingsgrens, prijspeil 2016). Circa 100 woningen worden gerealiseerd in deze categorie. Tot 2030 neemt de behoefte toe aan huurwoningen van € 629 tot de liberalisatiegrens van € 711 (prijspeil 2016) in de Buiten-Centrummilieus van de regio Drechtsteden en in de gemeente Papendrecht, waartoe het planinitiatief behoort. Er worden 29 woningen tot de liberalisatiegrens gerealiseerd, waarmee voorzien wordt in deze behoefte.
Op regionaal en gemeentelijk niveau wordt onder meer aandacht gegeven aan het vasthouden van jongeren/studenten. In het planinitiatief worden 10 starterswoningen gerealiseerd voor jongeren van 23 t/m 30 jaar. Daarnaast komen starters veelal in aanmerking voor een sociale huurwoning gezien de inkomensgrens. Op gemeentelijk niveau worden initiatieven die leiden tot verbetering en grotere diversiteit van de sociale huurwoning voorraad actief ondersteund. Het planinitiatief voorziet in de verjonging van de woningvoorraad (zeer noodzakelijk in de wijk Kraaihoek) en het vergroten van de diversiteit van woningtypologieën en sluit hiermee uitstekend aan. Op lokaal niveau blijkt dat circa driekwart van de huidige bewoners van Kraaihoek in de wijk zelf wil blijven wonen, 60% heeft interesse in nieuwbouw op dezelfde plek. Het initiatief dat voorziet in de sloop van huurwoningen en nieuwbouw van huurwoningen op dezelfde plek voorziet hiermee in een behoefte. Daarnaast blijkt dat er behoefte is aan appartementen. Ook hier voorziet het planinitiatief in een behoefte door de toevoeging van appartementen. Van de huidige bewoners van de wijk Kraaihoek wil 30% van de bewoners minder dan € 500 per maand betalen, 1/3 wil tussen € 500 - € 600 per maand betalen en 20% tussen € 600 - € 700 per maand.
Het initiatief dat voorziet in de realisatie van huurwoningen tot de lage- en hoge aftoppingsgrens en de liberalisatiegrens, voorziet hiermee in een behoefte. Geen onaanvaardbare effecten Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realiseren van per saldo 40 woningen in de wijk Kraaihoek onaanvaardbare effecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. Daarnaast draagt de herstructurering van de wijk Kraaihoek (waarvan het planinitiatief de eerste fase vormt) bij aan de leefbaarheid van de wijk. Het realiseren van per saldo 40 woningen draagt daarmee bij aan het creëren van een levendig woon- en leefklimaat in de gemeente Papendrecht. Gesitueerd binnen bestaand stedelijk gebied Voor de onderbouwing via de Ladder is relevant of de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt binnen of buiten het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied heeft in de vigerende beheersverordening de be-
Hoofdstuk 3
14
stemming ‘Wonen -1’. Dit betekent dat het plangebied een stedelijke functie heeft. Gezien het voorgaande is dus sprake van een ligging ‘binnen bestaand stedelijk gebied’ en is een verder motivering op dit punt niet nodig.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 20 april 2019 is het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland in werking getreden. Het omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. 3.2.2 Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019) Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken.
De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; de ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; de samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Ruimtelijke hoofdstructuur In de ruimtelijke hoofdstructuur is het plangebied gelegen in de stedelijke agglomeratie Drechtsteden. Voor dit gebied streeft de provincie naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Het plangebied ligt tevens binnen de hoogstedelijke zone rond de lijn Leiden – Dordrecht, die zich kenmerkt door een goede connectiviteit, hoogwaardige stedelijke voorzieningen en een internationaal onderscheidende kennisinfrastructuur van universiteiten, kennis- en onderzoeksinstellingen en science parken.
Hoofdstuk 3
15
Ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Beschrijving van de Omgevingskwaliteit van Zuid-Holland Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ verstaat de provincie 'het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepaalt. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De Omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een 'kwaliteitskaart' en bijbehorende 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks.
De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten. Beleidskeuzes De provincie heeft twaalf provinciale ’Opgaven Omgevingskwaliteit’ gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en regels in de verordening. Voor Wonen is de opgave het 'Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen'.
Hoofdstuk 3
16
Deze opgave is erop gericht dat de woonbehoeften van verschillende doelgroepen kunnen worden gerealiseerd, zowel wat betreft de beschikbaarheid van passende woningen als de aantrekkelijkheid van de woon- en leefomgeving. De hiermee samenhangende beleidskeuzes gaan o.a. over 'Verstedelijking en wonen". Beleidskeuze provincie: De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stadsen dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling.
Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Voor een Zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied is de opgave de zorg voor een goede ruimtelijke ontwikkeling, binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Onderdeel van deze opgave is het bevorderen van een optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte. De hiermee samenhangende beleidskeuzes gaan onder meer over ‘Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied’. Beleidskeuze provincie: In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.
Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies af met andere gemeenten in de regio, voor in ieder geval wonen en kantoren. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen of zij ook behoefte hebben aan regionale visies ter afstemming van het beleid met betrekking tot bedrijventerreinen en detailhandel, of aan regionale ruimtelijke visies. Gedeputeerde Staten kunnen echter voor een bepaalde regio aangeven dat het nodig is om een regionale visie voor bedrijventerreinen te maken. Doorwerking plangebied Beleidsmatig wordt ingezet op woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgezicht, inbreiding en compacte nieuwbouw binnen de gemeentegrenzen. Het planinitiatief voorziet in de bouw van 139 woningen (uitbreiding van 40 woningen) op een binnenstedelijke locatie en zet daarmee in op zorgvuldig
Hoofdstuk 3
17
ruimtegebruik. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de opgaven voor wonen. Voor een verdere onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 3.1.4 (Ladder voor duurzame verstedelijking).
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Woonvisie 2017-2031 Eind 2017 is de regionale Woonvisie 2017-2031 – goed wonen in de Drechtsteden vastgesteld. In deze visie worden op grond van verschillende onderzoeken de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwopgaven benoemd. De Drechtstedengemeenten hebben in de regionale woonvisie twintig afspraken gemaakt. In hoofdlijn gaat het om de volgende uitgangspunten: het bouwen van 10.000 woningen voor de autonome huishoudensgroei; het bouwen van 15.000 woningen voor de groeiopgave; inzetten op de groei van het duurdere segment; kiezen voor de sociale huurwoningvoorraad voor een pas-op-de-plaatsbeleid; ontwikkelen van een gezamenlijke strategie om beleggers te stimuleren om in de vrije huursector te investeren; het realiseren van onderscheidende woonmilieus; in 2035 is de gebouwde omgeving in de Drechtsteden energieneutraal; samen met betrokken partners werken aan het duurzaam huisvesten van kwetsbare huishoudens. Reactie Gedeputeerde Staten Zuid-Holland op de Regionale Woonvisie Drechtsteden 2017-2031 De Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland heeft ingestemd met de Regionale Woonvisie Drechtsteden 2017-2031, met daarbij de volgende aandachtspunten: Een realistisch kwantitatief en kwalitatief onderbouwd woningbouwprogramma.
De Gedeputeerde Staten stemmen in met het woningbouwprogramma met genoemde uitzonderingen op basis van de geschatte kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Er wordt gevraagd om een betere aansluiting tussen vraag en aanbod en het ontwikkelen van woonmilieus binnen de invloedsfeer van hoogwaardig openbaar vervoer. Een passend aanbod voor de doelgroepen van het huurbeleid. De Gedeputeerde Staten vragen om een uitgewerkt aanbod voor de doelgroepen voor het huurbeleid op te stellen waaruit blijkt dat de omvang van de verschillende segmenten van de sociale woningvoorraad wordt afgestemd op de omvang van de doelgroepen die hierop zijn aangewezen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd om tot een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningvoorraad over de regio te komen. Wonen in de Drechtsteden 2020 (voortgang Woonvisie per 1-12-2020 / Woningbouwprogramma 2020) Als er wordt uitgegaan van de ambities van de lokale woonprogramma’s, is de regio op de goede weg voor het behalen van de regionale doelstelling op het gebied van woningbouw. Prioriteit is om te zorgen dat gemeenten daadwerkelijk (kunnen) gaan bouwen. Ten aanzien van de sociale huurvoorraad is het pas-op-de-plaatsbeleid afgesproken.
Echter is in de loop van de tijd de druk op de sociale huurmarkt toegenomen door het kleiner worden van de voorraad en het groter worden van de doelgroep en is de voorraad per 1-1-2020 ruim 1.200 lager dan het basisjaar van de woonvisie (1-1-2016). Herstructurering is (nog steeds) aan de orde. Bij voorkeur worden sociale huurwoningen in andere buurten teruggebouwd met een kleiner aandeel sociale huur. Echter wordt de regio ook gedwongen om naar verdichtingsmogelijkheden te kijken in huidige wijken.
Hoofdstuk 3
18
Doorwerking plangebied Door ontwikkelingen in de samenleving is er meer vraag naar goedkopere woningen op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Ook minder koopkrachtige huishoudens moeten een thuis kunnen (blijven) vinden. Tegelijkertijd is de opgave in de sociale huursector binnen de gemeente en regio kwalitatief van aard (op peil houden van kwaliteit van de voorraad en versterken van duurzaamheid). Daarnaast zorgt de ontwikkeling voor een meer gedifferentieerd aanbod van woningtypologieën. Op regionaal en gemeentelijk niveau is er speciale aandacht voor jongeren, starters en ouderen, evenals voor doorstromers. De beoogde ontwikkeling realiseert 139 huurwoningen onder de liberalisatiegrens, waarvan 61 appartementen zijn bedoeld voor senioren en 10 grondgebonden woningen voor jongeren tussen de 23 en 30 jaar. Door appartementen voor senioren te realiseren wordt bijgedragen aan de doorstroming. Regionaal en gemeentelijk worden er hoge eisen gesteld aan de gebruikskwaliteit van nieuwbouwwoningen en appartementen. Door woningen aanpasbaar en levensloopgeschikt te bouwen, kunnen deze ook door onder andere ouderen worden bewoond. Het planinitiatief realiseert 61 levensloopgeschikte appartementen en voorziet hiermee in een behoefte.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie ‘Papendrecht 2020 – een venster naar de toekomst (2009) De gemeente Papendrecht heeft ten aanzien van wonen als ambitie het bevorderen van de diversiteit en kwaliteit van het aanbod in samenwerking met de regio: Meer kwaliteit in de sociale sector (zowel huur als koop); Meer aanbod voor hogere inkomenshuishoudens; Meer aanbod voor senioren (meer levensloopbestendige woningen in combinatie met voorzieningen;) Meer aanbod voor speciale doelgroepen; Versterken van bestaande woningvoorraad door gericht te investeren (herstructurering). De veranderende levensstijlen van de bevolking stellen andere eisen aan de woning en woonomgeving. Aanpassing van de bestaande woningvoorraad aan de veranderende kwaliteitseisen zijn daarom noodzakelijk. De gemeente wil dit bereiken door onder meer: Bij herziening van bestemmingsplannen voor woongebieden het aanpassen van woningen door particulieren, woningcorporaties en beleggers, planologisch juridisch optimaal te faciliteren. Groot onderhoud en herinrichting van de woonomgeving af te stemmen op de veranderende wensen ten aanzien van de kwaliteit van de woonomgeving; Papendrecht zal plannen en initiatieven voor woningbouw en herstructurering van de bestaande woningvoorraad beoordelen op de bijdrage aan de kwaliteiten van de woonwijk en waar het plan wordt gerealiseerd.
De volgende criteria worden gehanteerd: De bijdrage aan de gewenste diversiteit van de opbouw van de woningvoorraad in de wijk; De bijdrage aan de gewenste verhuisdynamiek in de wijk; De bijdrage aan gewenste stimulering van voor de wijk belangrijke doelgroepen; De bijdrage aan de ruimtelijke karakteristiek van de wijk.
Hoofdstuk 3
19
Doorwerking plangebied Op gemeentelijk niveau worden initiatieven die leiden tot verbetering en grotere diversiteit van de sociale huurwoningvoorraad actief ondersteund. Met de sloop-nieuwbouw van sociale huurwoningen als onderdeel van de wijkaanpak Kraaihoek, wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan deze opgave. Daarnaast zorgt de ontwikkeling voor een meer gedifferentieerd aanbod van woningtypologieën. Op gemeentelijk niveau is er speciale aandacht voor jongeren, starters en ouderen, evenals voor doorstromers. De beoogde ontwikkeling realiseert 139 huurwoningen onder de liberalisatiegrens, waarvan 61 appartementen zijn bedoeld voor senioren en 10 grondgebonden woningen voor jongeren tussen de 23 en 30 jaar. Door appartementen voor senioren te realiseren wordt bijgedragen aan de doorstroming. Gemeentelijk worden er hoge eisen gesteld aan de gebruikskwaliteit van nieuwbouwwoningen en appartementen. Door woningen aanpasbaar en levensloopgeschikt te bouwen, kunnen deze ook door onder andere ouderen worden bewoond. Het planinitiatief realiseert 61 levensloopgeschikte appartementen en voorziet hiermee in een behoefte. Als onderdeel van de grotere wijkaanpak van Kraaihoek, levert de ontwikkeling een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de leefbaarheid in Papendrechtse wijken, die in Kraaihoek onder druk staat.
3.4.2 Papendrecht woonplan 2020-2030 (2019) Met het Papendrechts woonplan 2020-2030 geeft Papendrecht uitvoering aan de Regionale woonvisie 2017-2031 – goed wonen in de Drechtsteden en daarmee ook aan de Groeiagenda – goed leven in de Drechtsteden. Hiervoor zijn de volgende strategische uitgangspunten gekozen: wij realiseren voldoende woningen om de autonome huishoudensgroei op te kunnen vangen; wij realiseren woningen om een bijdrage te leveren aan de regionale groeiagenda; toevoeging van de woningvoorraad vindt vooral plaats in het duurdere segment; het nieuwbouwprogramma stimuleert doorstroming, zodat in de bestaande woningvoorraad woningen vrijkomen voor starters, huishoudens met een laag inkomen en beginnende doorstromers; wij staan open voor experimentele bouwinitiatieven voor starters en bijzondere woonvragen. De experimenten zijn beperkt in opzet en ruimtebeslag; initiatieven die leiden tot verbetering en grotere diversiteit van de sociale huurwoningvoorraad ondersteunen wij actief; nieuwe woningen zijn duurzaam en dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving; wij streven naar duurzame huisvesting van kwetsbare groepen; wij houden de leefbaarheid in de Papendrechtse wijken op peil en zullen deze waar mogelijk verbeteren.
Doorwerking plangebied Door ontwikkelingen in de samenleving is er meer vraag naar goedkopere woningen op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Ook minder koopkrachtige huishoudens moeten een thuis kunnen (blijven) vinden. Tegelijkertijd is de opgave in de sociale huursector binnen de gemeente en regio kwalitatief van aard (op peil houden van kwaliteit van de voorraad en versterken van duurzaamheid). Op gemeentelijk niveau worden initiatieven die leiden tot verbetering en grotere diversiteit van de sociale huurwoningvoorraad actief ondersteund. Met de sloop-nieuwbouw van sociale huurwoningen als onderdeel van de wijkaanpak Kraaihoek, wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan deze opgave. Daarnaast zorgt de ontwikkeling voor een meer gedifferentieerd aanbod van woningtypologieën.
Hoofdstuk 3
20
Op gemeentelijk niveau is er speciale aandacht voor jongeren, starters en ouderen, evenals voor doorstromers. De beoogde ontwikkeling realiseert 139 huurwoningen onder de liberalisatiegrens, waarvan 61 appartementen zijn bedoeld voor senioren en 10 grondgebonden woningen voor jongeren tussen de 23 en 30 jaar. Door appartementen voor senioren te realiseren wordt bijgedragen aan de doorstroming. Gemeentelijk worden er hoge eisen gesteld aan de gebruikskwaliteit van nieuwbouwwoningen en appartementen. Door woningen aanpasbaar en levensloopgeschikt te bouwen, kunnen deze ook door onder andere ouderen worden bewoond. Het planinitiatief realiseert 61 levensloopgeschikte appartementen en voorziet hiermee in een behoefte. Als onderdeel van de grotere wijkaanpak van Kraaihoek, levert de ontwikkeling een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de leefbaarheid in Papendrechtse wijken, die in Kraaihoek onder druk staat. Op dit moment is er onvoldoende plancapaciteit (660 woningen) om in de groeiende woningbehoefte in de gemeente Papendrecht te voorzien. Dit betekent dat er ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe woningen. De beoogde ontwikkeling van Kraaihoek 1e fase voorziet daarmee in een kwantitatieve behoefte binnen het primaire verzorgingsgebied. Het planinitiatief is ook al onderdeel van de gemeentelijke plancapaciteit (woningbouwprogrammering).
Hoofdstuk 3
21
4.
MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.
4.2 Verkeer en parkeren De beoogde ontwikkeling dient niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten en er dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Hierbij wordt voor het aspect parkeren getoetst aan de gemeentelijke Parkeernormennota. De verkeersaantrekkende werking wordt beoordeeld aan de hand van CROW-kengetallen. 4.2.1 Verkeer Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie voor het plangebied is berekend volgens de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’ en de ligging ‘centrum’ conform de Parkeernormennota Papendrecht 2018. Ook is er uitgegaan van de maximale normen om een worst case verkeersgeneratie te berekenen. Op basis van de normen zal het nieuwbouwplan 439 motorvoertuigbewegingen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag. Tabel 4.1: Berekening verkeersgeneratie Woningtype conform CROW
Aantal woningen
Verkeersgeneratie
Verkeersgeneratie
Huur, appartement, midden/goed-
61
2,6
158,6
78
3,6
280,8
per woning koop (incl. sociale huur) Huur, huis, sociale huur
139
439
In de huidige situatie bevat het plangebied 99 grondgebonden sociale huurwoningen. De huidige verkeersgeneratie is ook berekend op basis van de CROW-normen. Op basis van de normen zal de huidige situatie (99 x 3,6=) 356 motorvoertuigbewegingen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag. Deze bestaande verplaatsingen mogen afgetrokken worden van de toekomstige verkeersgeneratie. Per saldo komt dit neer op een toename van 83 motorvoertuigbewegingen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag.
Hoofdstuk 4
22
Ontsluiting en verkeersafwikkeling De ontsluiting van de nieuwe wijk Kraaihoek fase 1 vindt plaats via De Overtoom en de Badhuisstraat. Als de extra verplaatsingen worden toegedeeld aan deze wegen dan wordt verwacht dat deze wegen dit extra verkeer goed kunnen verwerken, zeker omdat het verkeer verdeeld wordt over twee ontsluitingen. 4.2.2 Parkeren Door Goudappel Coffeng is aan parkeerkundige onderbouwing opgesteld 2. Hieronder worden enkel de conclusies van dit onderzoek weergegeven. De volledige rapportage is als bijlage opgenomen. In de onderbouwing is onderzocht wat passende parkeernormen zijn voor deze ontwikkeling; waarbij rekening gehouden wordt met de beoogde doelgroep en maatwerk voor de ontwikkeling. In de notitie is aan de hand van de specifieke doelgroep een passende parkeernorm voor de te ontwikkelen woningen (appartementen) binnen het Senior+ concept onderzocht. Uit de onderbouwing blijkt dat een norm van 0,8 passend is voor de appartementen die worden gerealiseerd voor het concept Senior+. Voor de overige woningen binnen deze ontwikkeling, de sociale huur rijwoningen, is in een eerder stadium tussen de initiatiefnemer en de gemeente overeengekomen dat een norm van 1,4 kan worden gehanteerd. Bovenstaande normen zijn inclusief een bezoekersdeel van 0,3 per woning.
Op basis van het functieprogramma en de bijbehorende kencijfers en aanwezigheidspercentages is de parkeervraag van deze ontwikkeling voor de toekomstige situatie berekend. De parkeerbalans is vergeleken met de te realiseren parkeercapaciteit bij de ontwikkeling. Zo ontstaat inzicht in hoeverre voldoende parkeerplaatsen in de plannen zijn opgenomen. Uit de parkeerbalansberekening (opgenomen in het onderzoek) blijkt dat de werkdagavond het parkeerkundig maatgevend moment is. Op de werkdagavond bedraagt de parkeervraag (afgerond) 141 parkeerplaatsen. Binnen de ontwikkeling worden 169 parkeerplaatsen gerealiseerd; het exacte aantal parkeerplaatsen kan nog wijzigen richting DO. Hiermee wordt binnen de ontwikkeling voldoende parkeercapaciteit gerealiseerd om te voorzien in de volledige eigen parkeervraag. Gelet op de eerder aangegeven vergrijzing wordt met de 169 beschikbare parkeerplaatsen ruimschoots voorzien in de eigen parkeervraag.
4.3 Geluid 4.3.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg.
2
Goudappel Coffeng, Parkeerkundige onderbouwing ontwikkeling Kraaihoek Papendrecht, d.d. 22 februari 2021
Hoofdstuk 4
23
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel 4.2: Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient via een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel 4.3: Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffingswaarde
Artikel
Stedelijk gebied
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
een autoweg of autosnelweg
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
4.3.2 Onderzoek Spoorweggeluid De Betuweroute ligt op circa 2 kilometer van het plangebied en is de dichtst bij het plangebied gelegen spoorlijn. Gezien de ruime afstand is het aspect spoorweggeluid niet van toepassing voor dit bestemmingsplan. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzones van de gezoneerde industrieterreinen “De Staart” en “Oosteind”. Akoestisch onderzoek vanwege industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek
Hoofdstuk 4
24
uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Door Kragten is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai3 uitgevoerd. Hieronder worden enkel de conclusies van dit onderzoek weergegeven. De volledige rapportage is als bijlage opgenomen. Het plangebied is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zone van meerdere gemeentelijke wegen. Daarnaast is het plan gelegen in de directe nabijheid van 30 km/uur-wegen. Vanuit planologisch oogpunt (beoordeling van het woon- en leefklimaat op basis van de gecumuleerde geluidbelasting) is tevens een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege deze wegen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 waarbij de geluidbelastingen zijn getoetst aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. Geluidbelastingen Pontonniersweg en de Veerweg (beide 50 km/uur) De geluidbelasting bedraagt ter plaatse van alle bouwvlakken niet meer dan de voorkeursgrenswaarde. Er hoeft niet verzocht te worden om een hogere waarde.
De Overtoom - Wetersingel (beide 30 km/uur) De geluidbelasting ter plaatse van de maatgevende (zuid- en west)zijden van bouwvlak A en de maatgevende westzijde van bouwvlak C1 bedragen meer dan de voorkeursgrenswaarde, echter niet meer dan de maximale ontheffingswaarde. De voorkeursgrenswaarde (die enkel voor gezoneerde wegen van toepassing is) wordt met maximaal 5 dB overschreden. Er kan en hoeft echter geen hogere waarde te worden aangevraagd. Mogelijk te treffen maatregelen die de geluidsbelasting kunnen reduceren (tot de voorkeursgrenswaarde) zijn onderzocht. Deze stuiten, met uitzondering van het toepassen van een stille wegdekverharding, op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. In het kader van de herinrichting van De Overtoom is het mogelijk rekening te houden met de aan te brengen wegdekverharding (bijvoorbeeld stille klinkers op het deel van de weg De Overtoom dat vanwege plan aangepast wordt). Overige 30 km/uur-wegen De geluidbelasting ter plaatse van alle bouwvlakken bedraagt niet meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB die de Wet geluidhinder voor 50 km/uur-wegen stelt.
Gemeentelijke geluidbeleid Op basis van de methodiek uit (het Stroomschema beleidsproces uit) het gemeentelijk geluidbeleid kan, aangezien de cumulatieve geluidbelastingen LCUM* niet meer bedragen dan 53 dB en het mogelijk is om binnen alle bouwvlakken woningen te realiseren die beschikken over een geluidluwe gevel, gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
3
Kragten, akoestisch onderzoek verkeerslawaai Kraaihoek fase 1 Papendrecht, d.d. 26 april 2021
Hoofdstuk 4
25
4.3.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen.
4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Toetsingskader Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. In de Regeling NIBM is met betrekking tot woningen het volgende opgenomen: 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2).