D02. 20201208 RIB Energie-ambities en de financiering van HVC.pdf
Tekst van het document
Hoewel de projecten uit de proeftuinen gemiddeld ‘slechts’ een omvang hebben van 500 woningen, is dit wel de eerste keer in Nederland dat op grote schaal voor hele gebieden een aanpak wordt uitgerold om bestaande woningen van het aardgas af te halen. En in de meeste gevallen gaat het niet om uitbreidingen van de bestaande warmtenetten naar toch ________________________________ 5
Ter referentie: als dit voor woningen ingezet zou worden, dan zouden circa 75.000-100.000 woningen van
basislastwarmte kunnen worden voorzien. 6 https://aardgasvrijewijken.nl/overpaw/proeftuinen/proeftuinenopdekaart/default.aspx
19
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
al kansrijke locaties dichtbij, maar gaat het om nieuwe situaties in minder optimale situaties (inclusief een warmtenet-project bij 370 vrijstaande woningen in Loppersum). De wijken die in 2018 hun subsidie hebben gekregen, zijn de ‘eerste tranche’ van de regeling. Het is de bedoeling dat de proeftuin-subsidie periodiek nieuwe wijken in de gelegenheid stelt om aardgasvrij te worden. In maart 2020 moeten de aanvragen voor de volgende tranche ingediend zijn. Figuur 5 – Overzicht van locaties van de proeftuinen
3.2.3 Geplande projecten In Nederland zijn er tientallen initiatieven voor kleine en grote warmtenetten. Er bestaat hiervoor geen handzaam overzicht en de projecten zijn meer en minder concreet. Dit zijn bijvoorbeeld warmtenetten in Zwolle en Wageningen die op termijn ontwikkeld moeten worden met een (ultradiepe) geothermiebron. Daarnaast zijn de belangrijkste geplande projecten de vier regionale transportnetten: 1. Warmterotonde: transportleidingen tussen Rotterdam, Delft, Den Haag, Zoetermeer en Leiden. 2. Grand Design: transportleidingen tussen IJmuiden, Haarlem, Zaanstad en Amsterdam. 3. Het Groene Net: transportleidingen tussen Geleen, Sittard en Maastricht. 4. Eemsdelta: transportleidingen tussen Eemshaven en Groningen.
20
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
Deze transportleiding hebben ten doel om warmte te ontsluiten over grote afstanden voor enkele honderdduizenden aansluitingen.
3.3
De rol van warmtenetten in de warmtetransitie Warmtenetten kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de transitie naar een klimaatneutraal energiesysteem in Nederland. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving hebben warmtenetten de potentie om op termijn ongeveer de helft van de benodigde warmte te leveren. Momenteel wordt slechts 4% van de warmtevraag in Nederland geleverd door warmtenetten (PBL, 2017). Het PBL concludeert dat op termijn 350 PJ ofwel 60-75% van de nationale lagetemperatuurwarmtebehoefte het goedkoopst door warmtenetten kan worden geleverd. Dit is zeventien keer de hoeveelheid energie die op het moment via warmtenetten wordt geleverd (PBL, 2017). Naast het onderzoek van het PBL zijn er verschillende andere scenario-studies uitgevoerd om een beeld te krijgen van de mogelijkheden voor verwarming zonder aardgas. Ondanks dat er verschillen bestaan in de uitkomsten van deze studies, hebben warmtenetten in al deze studies een groot aandeel in de toekomstige warmtevoorziening: — Het 'warmtescenario': Beelden van een op warmte gerichte energievoorziening in 2030 en 2050 (Berenschot, 2018): circa 65% van de warmtevraag van de gebouwde omgeving kan in 2050 door warmtenetten worden ingevuld. — Verkenning 2050 (Gasunie, 2018): 25% van alle gebouwen is aangesloten op een warmtenet.
— Masterplan Aardwarmte in Nederland (Platform Geothermie; DAGO; Stichting Warmtenetwerk; EBN, 2018): 40% van alle gebouwen is aangesloten op een warmtenet. — Een klimaatneutrale warmtevoorziening voor de gebouwde omgeving – update 2016 (CE Delft, 2016): circa 60% van de woningen is aangesloten op een warmtenet. Op basis van dergelijke studies zullen in 2050 naar verwachting tussen de 2 en 5 miljoen gebouwen aangesloten zijn op warmtenetten. Ten opzichte van de huidige 0,8 miljoen woningen betekent dat hoe dan ook een forse toename, waarbij een minimaal tempo van jaarlijks zo’n 45.000 woningen nieuw aansluiten op warmtenet nodig is, en maximaal 145.000. De ambitie van 80.000 woningequivalenten per jaar uit het Klimaatakkoord vormt daarmee een goede middenwaarde.
3.4
Marktordening Op dit moment zijn er veel uiteenlopende warmtenetten, van kleine WKO-installaties tot grootschalige stadsverwarmingsnetten. Voor kleinschalige netten is het geïntegreerde warmtenet in eigendom van (en beheerd door) de betreffende private warmteleverancier het dominante marktorganisatiemodel. In dit model is zowel het net, de warmtebron als de warmtelevering in handen van één partij. Bij blokverwarming en WKO-installaties is dat bijna altijd het geval. Bij de grotere netten is er meer diversiteit in de marktorganisatiemodellen, vooral in de eigendomssituatie. In Figuur 6 is voor een aantal grote bestaande netten de eigendomssituatie weergegeven evenals de mate waarin andere warmteproducten/leveranciers toegang hebben tot het net. In de figuur zijn tevens een aantal recente initiatieven opgenomen. Uit openbare informatie is goed af te leiden wat de beoogde eigendomsverhoudingen zijn, maar over de mate waarin andere producenten/leveranciers toegang hebben tot het net is minder duidelijkheid. Bij een aantal van deze initiatieven is er de
21
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
ambitie om tot een ‘open net’ te komen. Over de condities en voorwaarden voor toegang is echter onduidelijkheid, voor geen van de genoemde initiatieven is op basis van openbare gegevens duidelijk waar producenten aan moeten voldoen om toegang te krijgen tot het net. In een uitgebreide studie naar de mogelijkheden van open warmtenetten in Nederland concludeert Ecorys (Ecorys, 2016): “Open warmtenetten”, al of niet in (semi)-publiek eigendom, kunnen afnemers, producenten en leveranciers in theorie minder afhankelijk van elkaar maken. In de praktijk zijn er echter praktische belemmeringen om dergelijke open netten te realiseren. TPA en splitsing zijn niet kosteloos, en resulteren naar onze mening niet direct in grote maatschappelijke baten via een daling van de kosten van warmtelevering. Voor investeerders in warmtenetten en warmteproductie kan toegangsregulering een risico vormen in de businesscase. Toegangsregulering is daarom niet zonder meer wenselijk. Een open net zou alleen wenselijk kunnen zijn voor netten waarop veel warmteaanbod vanuit verschillende bronnen (met een verschillende eigenaar) beschikbaar is. Voor dergelijke specifieke netten kan een “open net” een goede organisatievorm zijn als er voldoende producenten zijn die bereid zijn om te investeren in een aansluiting, ook als zij weten dat er alternatieve warmteproducenten het net op kunnen komen.
Om deze redenen adviseren wij om onvoorwaardelijke “openheid” van een warmtenet niet bij wet te reguleren.”
Figuur 6 – Variatie in marktorganisatiemodellen
22
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
De conclusie van Ecorys wordt bevestigd door de diverse voorbeelden in de voorgaande paragrafen/hoofdstukken. In bijna alle nieuwe, grootschalige netten is er sprake van ‘gesloten’ netten en vaak ook geïntegreerde netten. Hoewel het niet onderzocht is, kan een mogelijke reden hiervoor zijn dat door deze aanpak de financierbaarheid van de warmtenetten eenvoudiger is, waardoor ook meer en kleinere partijen in de warmtemarkt kunnen stappen. Op basis van de uitgevoerde analyses is het niet de verwachting dat de komende jaren op grote schaal open warmtenetten gaan ontstaan. Dit betekent dus ook dat de markt voor tal van toetreders interessant blijft. Inclusief grote buitenlandse partijen. Inmiddels is een grote buitenlandse speler als Engie al actief aan het worden, maar daarnaast merken wij ook interesse van andere, zeer grote buitenlandse bedrijven in de Nederlandse warmtemarkt en warmtenetten. Hierbij wordt met name de ‘monopolypositie’ van de leverancier interessant gevonden. Dit geldt uiteraard ook voor de commerciële partijen uit Nederland, zoals Eteck en Vaanster. Voor de toetredende gemeente ligt de motivatie meestal niet in het gebruik maken van de monopolypositie, maar juist het beschermen van de burgers daarvoor of juist als initiator van processen, om een warmtenet überhaupt van de grond te krijgen, als de markt het niet oppakt.
Concessies en voorkeursposities In diverse regio’s zijn er warmtebedrijven die concessiegebieden hebben. Dit is onder andere de situatie in Rotterdam-Noord en Rotterdam-Zuid, delen van Amsterdam en Utrecht. In deze gebieden heeft de concessiehouder het eerste recht om nieuwe aansluitingen te voorzien. Hoeveel concessiegebieden er werkelijk zijn, is niet bekend en ook de locatie daarvan niet. Wel hebben veel gebieden in Nederland een voorkeurspositie voor de diverse warmtebedrijven. Deze komt voort uit de historie van de warmtebedrijven, toen de meesten nog gemeentelijke of provinciale energiebedrijven waren. En vaak al warmtenetten in de regio in bezit hebben. Zo is de eerste keuze voor een warmtenet in Limburg voor EnNatuurlijk, voor Gelderland is dat Nuon en Utrecht is dat Eneco. In de gemeenten waar HVC reeds assets heeft, ligt het vaak voor de hand om met HVC aan de slag te gaan. Met steeds strengere regels voor aanbesteding en de steeds vrijere markt voor energie en warmte, merken we echter dat deze voorkeursposities steeds vaker los wordt gelaten. Zo is het niet meer gangbaar dat specifieke warmtebedrijven mee praten over ontwikkelingen in ‘hun’ regio.
Enerzijds omdat dit vaak vanwege de aanbestedingsregels niet meer mag, maar ook dat de gemeenten steeds beter door hebben dat zij een vrije keuze hebben in het bedrijf dat zij gaan inzetten voor de ondersteuning bij een bepaalde ontwikkeling. Dit leidt er onder andere toe dat op steeds meer plaatsen nieuwe spelers op de markt komen in de gebieden waar van oudsher andere warmtebedrijven actief zijn.
3.5
Alternatieven Naast de mogelijkheden van de collectieve systemen, zijn er ook mogelijkheden voor individuele systemen. In de warmtetransitie wordt daarom vooral gekeken of een collectieve of een individuele optie het beste is voor een bepaald gebied. Op dit moment wordt ongeveer 90-95% van alle gebouwen in Nederland individueel verwarmd.
3.5.1 Temperatuurniveau Net als bij collectieve systemen is er ook bij individuele systemen een onderscheid te maken op temperatuurniveau. Hierbij komt het vooral neer op een tweedeling: hoge- en lagetemperatuur.
23
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
Bij hogetemperatuur gaat het primair om systemen die ‘iets’ verbranden, vaak op enkele honderden graden, waarmee CV-systemen voorzien kunnen worden van warmte. Denk daarbij aan de gangbare HR-ketel met een gasvormige energiedrager, maar ook systemen die biomassa verbranden, zoals een houtpelletkachel. Dergelijke systemen zijn goed in staat een hoog comfortniveau te behalen en te voorzien in zowel ruimteverwarming en warm tapwater. Een belangrijk voordeel van deze systemen is dat zij een minimale aanpassing van de huidige situatie vereisen. De opties voor lagetemperatuur werken meestal met elektriciteit. Dit zijn over het algemeen elektrische warmtepompen die gebruik maken van de buitenlucht, ventilatielucht of de ondiepe bodem (met een gesloten bodemwarmtewisselaar). Kenmerkend aan deze technieken zijn de hoge energetische rendementen die zij kunnen behalen. Wel vereisen zij een gebouw dat goed tot zeer goed geïsoleerd is. En voor de productie van warm tapwater is bijna altijd een groot buffervat (100-300 liter) noodzakelijk om zowel energetisch als technisch een optimale inzet mogelijk te maken. Naast de bovengenoemde opties, die zeer realistisch zijn voor de Nederlandse situatie, zijn ook nog andere alternatieven mogelijk die in het buitenland veel worden ingezet. Dit is bijvoorbeeld de elektrische weerstandsverwarming.
Hoewel de techniek lage kosten heeft voor de aanschaf, is het energetische rendement van hiervan veel slechter dan van warmtepompen (100% versus >300%). Voor een land als Nederland, waar de beschikbaarheid van duurzame elektriciteit uitdagend en kostbaar is, heeft een dergelijke optie niet de voorkeur. Daarnaast zijn er opties als infraroodverwarming. Deze technieken werken fundamenteel anders dan de gangbare technieken. Op dit moment is er nog veel onbekend over de werkelijke mogelijkheden van deze techniek. Over het algemeen wordt aangenomen dat IRverwarming enkel kan dienen als ‘bijverwarming’ een niet als hoofdverwarming.
3.5.2 Energiebronnen Er zijn diverse energiebronnen en -dragers beschikbaar voor de individuele warmtetechnieken. Naast het nu zéér wijds ingezette aardgas zijn de volgende bronnen beschikbaar: - Groengas Het belangrijkste alternatief voor aardgas is groengas. Groengas is biogas dat wordt geproduceerd uit geschikte biomassastromen, met aardgaskwaliteit. Groengas is één-op-één uitwisselbaar met aardgas. De biomassastromen die nodig zijn voor de productie hiervan zijn in Nederland niet ruim voorhanden. Recente scenario-studies verwachten dat er ongeveer 10x minder groengas kan zijn als het huidige aardgasverbruik. Omdat met groengas hele hogetemperaturen gemaakt kunnen worden (ca. 1.000°C), is het ook bij uitstek geschikt voor inzet in andere sectoren, zoals de industrie. In de toekomst wordt dan ook flinke concurrentie verwacht tussen de verschillende sectoren in Nederland, als het gaat om het ‘mogen’ gebruiken van groengas. De inzet van groengas vereist geen aanpassingen aan de bestaande gasdistributienetten, maar er moeten wel voorzieningen worden getroffen voor het invoeden ervan. e Elektriciteit - E Naast groengas zijn de meeste pijlen op dit moment gericht op het gebruik van N elektriciteit als energiebron. Het gaat daarbij met name om de inzet van e elektriciteit door een warmtepomp in combinatie met een andere energiebron: e llucht, water, bodem.
De elektriciteit wordt daarbij gebruikt om de gewenste temperatuur en hoeveelheid warmte (en koude) te produceren.
24
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
-
-
Grootschalig gebruik van elektriciteit voor verwarmen vereist een aanzienlijke verzwaring van de elektriciteitsinfrastructuur. Waterstofgas De laatste tijd wordt de roep om waterstofgas als bron van warmte voor gebouwen steeds groter. Waterstof zou ingezet kunnen worden in een aangepast aardgasnet en kan relatief eenvoudig woningen en andere gebouwen van warmte voorzien. Het grote winstpunt zit vooral in de voordelen van een gasvormige energiedrager in het algemeen: hoge capaciteit, hogetemperaturen. Dit betekent dat aan de gebouwkant minimale aanpassingen nodig zijn om deze optie mogelijk te maken. Ook techniek om waterstof om te zetten in warmte is goedkoop, mits dit wordt gedaan door ‘eenvoudige’ verbranding in een aangepast HR-ketel. De huidige meerkosten van brandstofcellen wegen bij lange na niet op tegen de hogere efficiëntie die zij hebben. Voor Nederland zullen brandstofcellen niet op grote schaal worden toegepast. Het grootste nadeel van waterstof is de beschikbaarheid. Die is er nu namelijk niet. Hoewel er diverse testen worden uitgevoerd, blijft waterstof een energiedrager die geproduceerd moet worden. Hiervoor is veel elektriciteit nodig en die moet duurzaam zijn. Op dit moment en de komende jaren, kent Nederland geen significante overschotten van duurzame elektriciteit die een grootschalige productie van waterstof op een duurzame manier mogelijk gaan maken.
Daarnaast geldt net als bij groengas de concurrentie van anders sectoren. Immers, ook met waterstof kunnen hele hogetemperaturen worden bereikt, waarmee een inzet in de industrie eerder voor handen is dan inzet in woningen. Vaste biomassa V Naast biomassa die omgezet kan worden in gas, zijn er ook stromen die een vaste N vvorm hebben (zoals hout). Deze kunnen als blokken, snippers en pellets worden ingezet in kachels en haarden. Het voordeel hiervan is dat de technieken hiervoor in relatief goedkoop zijn en dat hetzelfde comfortniveau als met gas bereikt kan re worden. Het nadeel is echter de beperkte beschikbaarheid van vaste biomassa in Nederland, de additionele luchtemissies (fijnstof en andere schadelijke stoffen) en geuroverlast. Deze lokale effecten geven bij grootschalig gebruik, met name in stedelijk gebied zeer veel problemen voor de luchtkwaliteit en volksgezondheid 7. In veel gemeenten van Nederland wordt houtstook (vaste biomassa) daarom ook al ontraden. Individuele verbranding van vaste biomassa is daarmee alleen een oplossing voor specifieke toepassingen en gebieden in Nederland. Bijvoorbeeld de buitengebieden die nu ook al geen aardgasnet hebben, maar gebruik moeten maken van LPG-tanks.
3.5.3 Collectief vs. individueel De huidige manier van verwarmen in Nederland is niet houdbaar. De jaarlijkse inzet van ongeveer 15 miljard kuub aardgas levert zeer veel CO 2-emissies en is niet duurzaam. Dat betekent dat voor alle gebouwen van Nederland een alternatief moet komen. Wat het beste alternatief gaat zijn, hangt van vele factoren af. Of het een collectieve oplossing wordt, of individueel? Of het een hoge- of lagetemperatuur wordt? Doordat er in Nederland veel alternatieven voorhanden zijn, is er op veel plaatsen ook daadwerkelijk sprake van een keuze. En ondanks dat bijna overal meerdere mogelijkheden zijn, hebben verschillende opties toch specifieke voorkeursgebieden voor de toepassing. Met name voor collectieve systemen, de warmtenetten, geldt dit. De afgelopen jaren zijn daarom diverse afwegingskaders ontwikkeld om te kijken waar collectieve systemen het ________________________________ 7
25
https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/functies/hinder-houtkachels/
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
beste toegepast kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn het Gemeentelijk Afwegingskader Warmtevoorziening Locaties of de Uniforme Maatlat van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Aan de hand van dergelijke instrumenten kan een eerste inzicht worden gegeven van de mogelijkheden van collectieve systemen in Nederland. Een voorbeeld van de uitwerking daarvan staat in de volgende figuur. Hierin is weergegeven (voor de provincie Zuid-Holland) welke buurten de mogelijk de juiste eigenschappen hebben voor het ontwikkelen van een collectief warmtesysteem. Hierbij wordt ervan uit gegaan de dat warmtevraagdichtheid minimaal 500 GJ/ha moet zijn om een warmtenet aantrekkelijk te maken. Uit de kaart blijkt duidelijk dat het met name de stedelijke gebieden zijn, waar collectieve systemen het meest kansrijk zijn. En het geeft vooral ook aan waar warmtenetten juist niet kansrijk zijn. Naast buurten met woningen, kantoren, scholen en winkels, zijn ook buurten met veel glastuinbouw interessante gebieden voor warmtenetten. Dit komt omdat zij hetzelfde type warmtevraag kennen als de gebouwde omgeving. Door dergelijke informatie te vergelijken met gegevens over de beschikbare warmtebronnen, kan een eerste inschatting worden verkregen waar collectieve oplossingen wel en niet mogelijk zijn.
26
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
Figuur 7 – Indicatief overzicht van kansrijke gebieden voor collectieve warmtetechnieken
27
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
4 De rol van HVC De aanleiding voor deze rapportage is de vraag of een keuze voor warmtenetten door HVC een verstandige keuze is om van aardgas af te gaan. In dit hoofdstuk worden daartoe de volgende elementen van die keuze belicht: flexibiliteit, financieel, duurzaamheid, operationeel.
4.1
Flexibiliteit Vraag HVC: Is de keuze strategisch verantwoord, biedt een warmtenet voldoende flexibiliteit? De flexibiliteit rondom een warmtenet kent twee perspectieven: het maatschappelijke perspectief en het perspectief vanuit de bedrijfsvoering. Maatschappelijk wordt er vaak gezegd dat de keuze voor een warmtenet leidt tot een zogenaamde ‘lock-in’. Hiermee wordt bedoeld dat de keuze er voor zorgt dat in het gebied van het warmtenet ‘tot einde der tijden’ een warmtenet ligt en dat er geen ruimte meer is voor de keuze voor één van de alternatieven. Met name bewoners in de betreffende gebieden zien dit vaak als negatief punt omdat zij hun toekomstige keuzevrijheid kwijtraken en dat zij voor de komende decennia vast zitten aan dezelfde leverancier, warmte en warmtebron. Tot op zekere hoogte zit hier uiteraard een kern van waarheid in, want het is immers niet (economisch) logisch om eerst een kostbaar warmtenet aan te leggen en die binnen een korte termijn weer te gaan vervangen voor een alternatieve energieinfrastructuur. Dit impliceert dat de bewoners op z’n minst voor enkele decennia vast zitten aan het warmtenet en de bijbehorende leverancier. En vanuit het huidige paradigma van een aardgasnet met aardgasketel lijkt dit een aanzienlijke achteruitgang en daarmee een negatieve lock-in. Er is voor de bewoners geen flexibiliteit 8.
Wanneer echter met een ruimere scope naar de lock-in wordt gekeken, dan wordt zichtbaar dat deze ook positief geframed kan worden. Er ligt immers een CO 2-vrije infrastructuur (er stroomt enkel warm water door het warmtenet) en door het verduurzamen van één of enkele grote warmtebronnen, kan in één keer de warmtevoorziening van duizenden woningen verduurzaamd worden. Zonder dat de bewoner daar iets voor hoeft te doen. En de bewoner heeft alle ruimte om bijvoorbeeld isolerende maatregelen te treffen, zonder dat dit van invloed is op de functionaliteit van de warmtevoorziening. En daar zit ook de flexibiliteit in de bedrijfsvoering. Vanuit de bedrijfsvoering kan betoogt worden dat, gegeven enkele restricties, er een relatief grote flexibiliteit is. De primaire taak in de bedrijfsvoering is het vervoeren van thermische energie naar de klanten. Hoewel het uiteraard steeds belangrijker wordt om duurzame bronnen te gebruiken, is het op de meeste plekken in Nederland mogelijk om uit meerdere bronnen te kiezen. Het gaat dan om contracteerbare restwarmtebronnen of het ontwikkelen van eigen bronnen, zoals biomassawarmtecentrales of geothermie. Dergelijke bronnen kunnen alleen of tezamen, voor kortere of langere termijn warmte leveren aan een warmtenet.
Daarnaast zijn er voor de leverancier (HVC) mogelijkheden om aanpassingen binnen het net en/of bij de afnemers te stimuleren, zodat ook de eigenschappen van de warmtelevering flexibel kunnen zijn. Zoals het verlagen van de leveringstemperatuur. Dit biedt op zijn beurt weer extra flexibiliteit in de aan te sluiten bronnen.
________________________________ 8
Dit is echter niet noemenswaardig anders dan het gebrek aan keuze voor het waterbedrijf, de afvaldienst of het openbaar vervoer. Voor allen zijn alternatieven te verzinnen, maar die zijn vaak complexer en kostbaarder.
28
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
4.2
Financieel Vraag HVC: Zijn de benodigde investering, rendement en financiering maatschappelijk verantwoord? Het beantwoorden van deze vraag is uiteraard afhankelijk van vele factoren en dan met name lokale factoren en lokale eigenschappen: op de ene locatie zijn de investeringen wel verantwoord en op de andere locatie niet. Over het algemeen kan worden gesteld dat in veel stedelijke gebieden in Nederland het verantwoord is om na te denken over warmtenetten. Op basis van fysieke kenmerken (zoals benoemd in Paragraaf 3.5.3) kan globaal gekeken waar een warmtenet mogelijk haalbaar is. Om te weten of het maatschappelijk ook verantwoord is, kan worden gekeken naar de verschillende modelmatige analyses. In Figuur 8 wordt een uitsnede weergegeven van de uitkomsten van Startanalyse van het PBL, waarbij de strategieën met de laagste nationale kosten worden weergegeven. In deze kaart zijn de oranje buurten de buurten waarvoor een collectief warmtenet (strategie S2) de laagste nationale kosten, in het geval van een aardgasvrije warmtevoorzieningen. Duidelijk zichtbaar is dat de stedelijke kernen veelvuldig op warmtenetten uitkomen. Voor deze gebieden lijkt het dan ook een verantwoorde investering. Figuur 8 – Uitsnede uitkomst Startanalyse (oktober 2019) – Laagste nationale kosten (PBL, 2019)
29
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
Hoewel de Startanalyse vooral nog voorlopige uitkomsten zijn, geven ze al wel aan dat met de huidige kennis en toekomstige aannames, de keuze voor warmtenetten maatschappelijk verantwoord zijn, kijkend naar de financiële aspecten.
4.3
Duurzaamheid Vraag HVC: Resulteert de investering in een lagere milieubelasting en een hogere mate van circulariteit? Om te bepalen of en hoeveel een warmtenet van HVC bijdraagt aan een lagere milieubelasting, is inzicht in meerdere factoren van belang: — Wat is de warmtebron? De CO2-emissies van warmte verschillen per warmtebron. Warmte uit een elektriciteitscentrale heeft hogere emissies dan warmte uit een AVI, geothermie of industriële restwarmte. En in het geval van biomassa, maakt het uit wat de oorsprong van de biomassa is. — Wat is het aandeel van de hoofdbron en de bijstook in de warmtelevering? Bijstook vindt op dit moment gangbaar plaats met aardgas in een ketel. Deze ketel heeft ten opzichte van een HR-ketel in huishoudens geen milieuwinst. Dus naarmate de bijstookketel meer wordt ingezet, daalt het voordeel. In Figuur 9 wordt indicatief weergegeven wat de milieuwinst is van de verschillende soorten warmtetechnieken. Hierbij is rekening gehouden met de huidige situatie (emissies) en een verhouding van 80/20 voor de hoofdbron/bijstook. In de grafiek is te zien dat de verschillende opties een directe en indirecte CO 2-besparing van tussen de 40 en 70% behalen (CE Delft, 2016). Een groot deel van de emissies in de voorgaande grafiek wordt veroorzaakt door de bijstook (ca. 50%). De overige emissies worden veroorzaakt door het gebruikte of de gederfde elektriciteit.
Indien de emissies van de elektriciteitsemissies in Nederland naar beneden gaan, dan nemen ook de emissies van de warmteproductie af (met uitzondering van de situatie met biomassa). — Wordt het warmtenet aangelegd bij een nieuwbouwlocatie of in de bestaande bouw? In het geval van bestaande bouw wordt direct de CO 2-emissie van aardgas in de HRketels uitgespaard. In het geval van nieuwbouw is de referentie een zeer zuinig (BENG) gebouw. In het tweede geval is het milieuvoordeel dus aanzienlijk lager dan in het eerste geval.
30
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
Figuur 9 – Overzicht van ketenemissies per warmtebron
Directe en indirecte emissies per bron kg CO2 per geleverde GJ warmte
70
60 50 40
30 20 10
0
Directe emissies
Indirecte emissies
Opmerking: Berekening aan de hand van 80/20 verhouding hoofdbron/bijstook, inclusief transportverliezen en hulpenergie.
Naast de CO2-emissies, zijn er ook nog andere milieubelastende emissies. Denk hierbij aan NOx, fijnstof, geluid, geur. Om te bepalen of een warmtenet op deze aspecten milieuvoordelen heeft ten opzichte van een alternatief, moet bekend zijn wat het alternatief is. Zo heeft bijvoorbeeld individuele houtverbranding voor verwarming grote geur- en fijnstofemissies. En heeft een luchtwaterwarmtepomp op dit moment veel geluidsemissies. Veel van deze emissies zijn echter nog niet goed in beeld gebracht in Nederland. Het dan ook niet goed mogelijk om eenduidige uitspraken hierover te doen. Dit geldt ook voor het snijvlak van warmtelevering en circulariteit. Of er enigszins sprake is van circulariteit is sterk afhankelijk van de bron. Bij ons weten is dit echter nog nooit adequaat onderzocht in Nederland. Logischerwijs kan echter wel aangenomen worden dat alle projecten die sterk leunen op het verbranden van een energiebron niet circulair zijn en projecten die bijvoorbeeld gebruik maken van geothermie, zonthermie of aquathermie wel die mogelijkheid hebben.
4.4
Operationeel HVC heeft aangegeven vier onderdelen van haar strategie op het gebied van warmte beoordeeld te willen hebben. Het gaat om de projectenpijplijn, het selectie- en beoordelingskader, de wijze van projectontwikkeling en de bronnenstrategie. Deze onderdelen worden hier beschreven. De informatie die in deze paragraaf wordt gebruikt komt hoofdzakelijk uit interviews en interne documenten van HVC (Soerland, 2019).
31
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
4.4.1 Projectenpijplijn De huidige projectportfolio is gegeven in Tabel 3. Hiermee is HVC bij 50% van de HVCgemeenten actief en is de totale potentie van de portfolio > 125.000 WEQ. De onderstaande plannen bevinden zich in diverse fasen, van ideevorming tot realisatie. Tabel 3 – Warmteactiviteiten van HVC (stand per 1 november 2019) Gemeente
Omvang (weq)
Fase
Alkmaar, HHW, Langedijk, Heiloo
15.000
Deels gerealiseerd; deels in realisatie
Dordrecht
15.000
Deels gerealiseerd; deels in realisatie
Assendelft
1.000 210 MW9
Gerealiseerd
Westland woningen
1.500
In realisatie
Sliedrecht
1.500
Deels gerealiseerd; deels in realisatie
Hendrik-Ido-Ambacht
1.500
Deels gerealiseerd; deels in realisatie
Westland glastuinbouw
Den Helder
Deels gerealiseerd; deels in realisatie
7.500-10.000
Verkenning
IJmond
30.000
Verkenning
Hendrik-Ido-Ambacht/Zwijndrecht
12.500
Verkenning
Sliedrecht/Papendrecht
12.500
Verkenning
Gorinchem
3.500
Verkenning
Westland woningen
5.000
Verkenning
Zaanstad (Noord)
4.000
Verkenning
Hoorn
7.500
Verkenning
Urk
1.500
Verkenning
Uitgeest
1.500
Verkenning
Castricum
3.000
Verkenning
Oosthuizen-Noord
400
Verkenning
Velserbroek
350
Verkenning
Noordoostpolder (Nagele)
500
Verkenning
5.000
Verkenning
Lelystad (geothermie)
In het overzicht van de projecten is niet precies bekend wat de warmtebronnen zijn van de warmtenetten. Wat wel te beoordelen is, is: — Van de diverse grote netten is wel bekend dat deze gevoed gaan worden door de AVI’s in Alkmaar en Dordrecht. Afgaande op de informatie in de voorgaande paragraaf betekent dit dat deze netten (indien allemaal toegepast in de bestaande gebouwde omgeving) een emissiereductie bewerkstelligen van ongeveer 60%. Dit kan nog toenemen door technische oplossingen zoals grootschalige buffering en verduurzaming van de bijstook. Het warmtenet in Alkmaar (e.o.) wordt sinds 2017 hoofdzakelijk door de bio-energiecentrale (BEC) van warmte voorzien, aangevuld door de AVI. — Het project in IJmond zal gebaseerd zijn op geothermie in combinatie met industriële restwarmte, welke bijna 70% CO2-reductie oplevert. — Het project in Zaanstad-Noord bevindt zich in de ideeënfase. Hierbij is dan ook nog geen conclusie te trekken. — Bij het bestaande project in Assendelft wordt onderzocht of de huidige bron (gas-wkk) vervangen kan worden door een duurzame(re) bron. ________________________________ 9
32
Inclusief 100 MW restwarmte
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
— De projecten in Den Helder, Westland en Lelystad zijn gebaseerd op geothermie. Zij hebben een reductie van ongeveer 60%. In het geval van Lelystad ontwikkelt HVC in samenwerking met Vattenfall een geothermiebron die een aanvulling vormt op de bestaande biomassacentrale van Vattenfall. — Alle projecten lijken plaats te vinden in gebieden waarvan de Startanalyse in de Leidraad aangeeft dat warmtenetten de laagste nationale kosten hebben. Het is niet bekend of deze projecten ook daadwerkelijk in die exacte buurten zijn, maar de potentie zit in ieder geval in de nabijheid. Voor zo ver informatie beschikbaar is van de projecten, lijkt het overgrote deel een aanzienlijke CO2-reductie op te leveren en vinden zijn plaats op die plekken in Nederland waar ook qua kosten de keuze voor een warmtenet op lange termijn de verstandige keuze is. Nadere, gedetailleerdere analyses van de projecten zijn nodig om beter te bepalen wat de milieuwinst en financiële voordelen van deze projecten zijn.
4.4.2 Selectie- en beoordelingskader voor warmte Uit de informatie die wij hebben ontvangen over het selectie- en beoordelingskader van HVC, is de volgende set van criteria opgesteld: — Investeringen volgen het normale HVC-kader van risico- en rendementsafwegingen. Andere parameters zijn erg lokaal en projectspecifiek en worden per casus beoordeeld. — Er wordt belang gehecht aan de robuustheid van een project. Daarbij zijn criteria: • Voldoende startvolume aan contracten • Een bronnenstrategie waarin alternatieven zijn voor onzekerheden — Projecten moeten aansluiten bij transitievisies in de gemeente. Hoewel dit kader niet heel uitgebreid is, lijkt het de belangrijkste onderdelen te bevatten. Ten eerste wordt gekeken naar de lokale omstandigheden om te bepalen wat de financiële risico’s zijn en welke projectrendement behaald kan worden. De robuustheid wordt logisch ingestoken, door te zoeken naar die projecten die enige omvang kunnen hebben bij aanvang. En die projecten die een bronnenstrategie kunnen hebben waarbij de bron op termijn wordt verduurzaamd (indien deze niet vanaf de start duurzaam is). Als laatste is het inderdaad zeer wenselijk om aan te sluiten bij de ideeën en wensen die lokaal leven en zijn gevat in een transitievisie. Indien HVC een warmtenet plant in een buurt waar de gemeente juist naar all electric wil, dan wordt het een moeilijk proces.
Op voorhand hiermee rekening houden lijkt dan ook verstandig. HVC voert warmteprojecten pas uit als ze bestuurlijk gewenst, technisch en financieel haalbaar en maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar ‘laaghangend fruit’, maar wordt ook gezocht naar juist die oplossingen die de gemeenten in staat stellen om de hele gebouwde omgeving te verduurzamen tegen maatschappelijk verantwoorde kosten (HVC, 2019). Dit ‘rudimentaire’ kader is goed geschikt om een eerste indicatie van de haalbaarheid van warmteprojecten te geven. Om uiteindelijk stappen te kunnen zetten zijn aanzienlijk meer criteria nodig. HVC vult daarom deze stappen ook aan met het zoeken naar de zogenaamde meekoppelkansen. Hierbij kan gedacht worden aan de wensen van corporaties en bewoners, het momentum van de gasnetbeheerder, et cetera. Een nadere uitwerking hiervan kan aanvullend inzicht geven in de haalbaarheid van projecten.
33
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
4.4.3 Wijze van projectontwikkeling Op basis van de interviews zijn de volgende stappen uitgewerkt als onderdeel van de projectontwikkeling van HVC: 1. Bij het ontwikkelen van projecten zijn de klanten10 het uitgangspunt van HVC. Eerst wordt een startvolume aan contracten gezocht. Daarvoor zijn woningcorporaties een logisch startpunt omdat het warmtenet een gunstige oplossing is voor hun bezit. Daarnaast zijn nieuwbouw, VvE’s en utiliteitsbouw aantrekkelijke startklanten. Op dit moment is het minst duidelijk hoe particuliere woningeigenaren het beste meegenomen kunnen worden. Hiervoor moeten nog passende organisatievormen of (financiële) modellen worden ontwikkeld. 2. Naast de klanten is de bronnenstrategie van belang. Hierbij wordt de leveringszekerheid en toekomstbestendigheid in acht genomen. 3. Vervolgens wordt gezocht naar mogelijke aansluiting van de uitrol van een warmtenet bij werkzaamheden zoals rioolsaneringen en vervanging van gasleidingen Over het gehele proces worden de risico’s geïnventariseerd (scope, tijdspad) en beheersmaatregelen bedacht. De stijl/visie van HVC is het bouwen van partnerships, vertrouwen en structurele samenwerking in plaats van dichtgetimmerde contracten afsluiten. Deze aanpak lijkt heel zinvol, maar tegelijkertijd blijkt er nog veel onzekerheid uit over de echt grootschalige uitrol.
Op dit moment, in de huidige context van wet- en regelgeving en beleid in Nederland is dat echter niet zo gek. We staan aan het begin van een zeer grootschalige warmtetransitie, maar de wet- en regelgeving is nog niet ondersteunend aan de grootschalige uitrol van warmtenetten of de grootschalige implementatie van individuele alternatieven. Er bestaat nog geen mandaat bij een stakeholder om te zeggen welke gasaansluiting per wanneer moet verdwijnen. Dat betekent dat de huidige projecten het toch vooral moeten hebben van ‘verleiden’ en niet van ‘verplichten’. De hiervoor omschreven aanpak en met name de visie van HVC lijken daar op eerste gezicht goed bij aan te sluiten. Daar komt bij, dat de huidige ‘referentie-situatie’ een verwarming met aardgas en HR-ketel is. Zeker in de bestaande bouw. Deze wijze van verwarmen is relatief gezien goedkoop, maar klimaatbelastend. Alle alternatieven zijn over het algemeen duurder, omdat daarbij wel de kosten van klimaatschade integraal in de prijs zit. Dat betekent, dat zolang in Nederland het paradigma van de aardgasverwarming leidend is, alternatieven op een ‘achterstand’ staan. Indien door wet- en regelgeving aardgas niet meer de standaard is en het speelveld uit aardgasloze opties bestaat, is het speelveld gelijk.
In zeer veel situaties zal een warmtenet op dat moment een interessante propositie zijn voor de bestaande gebouwde omgeving (zie ook de uitkomsten van de Startanalyse, Figuur 8)11. Tot die tijd is de gekozen aanpak van HVC een verstandige aanpak, om als het ware vanuit een olievlekaanpak een warmtenet te ontwikkeling, dat steeds groter wordt.
4.4.4 Bronnenstrategie HVC heeft een generieke aanpak voor het ontwikkelen van een robuust en toekomstbestendig warmtent. Per project wordt een robuuste meerjarenbronnenstrategie gemaakt. Deze heeft de volgende kenmerken: ________________________________ 10
Hierbij gaat het primair om woningcorporaties. In samenwerking met de gemeente kunnen ook particulieren
benaderd worden met behulp van participatie, maar hier ligt niet de eerste inspanning vanuit HVC. 11 In vergelijking met een HR-ketel van € 2.000 is een warmtenet met aansluitingen van € 15.000 per woning zéér veel geld. Maar in vergelijking met een warmtepomp en de benodigde gebouwaanpassingen van € 50.000-75.000 per woning, is het al snel financieel interessant.
34
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
— Bij het uitrollen van een warmtenet wordt vaak 2-3 jaar uitgegaan van tijdelijke gasketels om het vollooprisico van een warmtenet te beheersen. — Voor de basislast wordt primair uit van geothermie, thermische energie uit oppervlaktewater en thermische energie uit afvalwater. — Het verduurzamen van de piek is nu nog niet onderwerp van de bronnenstrategie. Verder in de toekomst zouden mogelijk biomassa of waterstof hiervoor opties zijn. — Biomassa en restwarmte worden niet gezien als toekomstbestendige basislast. Deze bronnen zouden ofwel als transitiebrandstoffen ofwel in een andere functie kunnen worden toegepast, zoals biomassaketels als aanvulling op geothermie. Deze strategie komt op ons als verstandig over. Wat wij echter niet kunnen nagaan, is of deze strategie ook realistisch is voor alle projecten die nu in ontwikkeling zijn of voor alle HVC-gemeenten. Het is immers niet overal mogelijk om te werken met geothermie of aquathermie. Meer informatie van de verschillende projecten en gedetailleerdere analyses zijn nodig om te zien of deze strategie ook overal houdbaar is. En wat er gebeurt indien deze op bepaalde plekken niet mogelijk is. De keuze om biomassa te zien als transitiebrandstof en niet als onderdeel van het duurzame eindbeeld lijkt heel verstandig.
Op korte termijn leidt de inzet van biomassa tot een aanzienlijk CO2-reductie, maar op lange termijn worden vragen over de duurzaamheid van biomassa steeds belangrijker. Restwarmte kent vele soorten en maten. Het kan ons inziens prima dienen als warmtebron in een eindbeeld. Ook in een klimaatneutraal Nederland zullen er industriële activiteiten plaats blijven vinden die een hoge warmtevraag hebben en die waarschijnlijk daarmee ook een hoog aanbod van restwarmte hebben. Het niet logisch deze restwarmte niet in te zetten in warmtenetten voor het verwarmen van gebouwen.
4.4.5 Mogelijke aanvullingen In het onderzoek is gekeken naar de vier voorgaande onderwerpen. Dit is echter een beperkt deel van de operationele activiteiten van HVC op het vlak van warmtenetten. Aanvullend zou het kunnen bijdragen om ook te kijken naar het interne beleid met betrekking tot: — Prijsstelling: Wat is de huidige en toekomstige strategie met betrekking tot de prijzen van warmte in de warmtenetten. Blijft dit zo lang mogelijk conform de maximumprijs uit de huidige Warmtewet (NMDA)? Of wordt gekeken naar andere manieren van prijsstelling om bijvoorbeeld warmtenetten gunstig(er) in de markt te zetten, zodat in de komende jaren met behulp van ‘verleiding’ meer projecten gerealiseerd kunnen worden? — Marketing en communicatie: Een groot probleem met veel van de huidige warmteleveranciers is de gebrekkige communicatie en marketing ten opzichte van de huidige en toekomstige klanten. Goede marketing en communicatie zou een integraal onderdeel moeten zijn van de groeistrategie van HVC. Onderdelen hiervan vult HVC al in, zoals het beantwoorden van repeterende of veelvoorkomende vragen, of het werken met transparante businesscases waarbij de stakeholders helder inzicht krijgen in de financiële parameters, afwegingen en keuzes. — Ontzorging: Met de warmtetransitie komt er zéér veel op de gewone burgers en bedrijven af.
Mensen wordt gevraagd om iets wat ze nu al hebben (een warm huis) voor veel geld en overlast om te zetten naar iets ‘nieuws’ (wederom een warm huis). Voor veel mensen is dat heel ingrijpend en het lijkt dan ook verstandig om een strategie te hebben/ontwikkelen voor het ontzorgen van potentiële klanten. Er zijn al diverse voorbeelden van in Nederland, die gaan van kleine dingen (zoals een pannenset voor het koken op inductie) tot grote dingen (tijdelijke vervangende woningen bij grote overlast).
35
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
— Arrangementen: Praktijkvoorbeelden in het buitenland laten zien dat het een transitie eenvoudiger gaat als de potentiële klanten een keuze kunnen hebben. Het gaat dan niet om een keuze wel of geen warmtenet, maar wel een keuze voor verschillende arrangementen van ‘hoe’ de connectie met het warmtenet wordt gemaakt. Het gaat daarbij om keuzes in eigendom van afgifteset, keuzes in de mate van aansluiting (tot de voortuin of tot in het huis), et cetera. Door bijvoorbeeld een aantal arrangementen voor te leggen aan klanten, met verschillende keuzes en kosten, wordt de ervaring van maatwerk gecreëerd, terwijl HVC het arrangement programmatisch uit kan voeren.
36
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
5 Conclusie De centrale vraag in dit onderzoek is de keuze voor collectieve warmtenetten van HVC een veilige keuze zijn in de opgave om van aardgas los te gaan. Het korte antwoord op deze vraag is ‘ja’. Hiervoor zijn de volgende onderbouwende argumenten:
Veilige keuze voor warmtenetten in het algemeen — Bewezen techniek en proces: al bijna 100 jaar worden warmtenetten toegepast in Nederland. En al decennialang worden bestaande complexen, gebouwen en woningen aangesloten op bestaande en nieuwe warmtenetten. Het is een bestaande, bewezen techniek die niet heel veel ‘geheimen’ meer kent. — Lokaal proces, onafhankelijk van globale of nationale ontwikkelingen: het ontwikkelen van een warmtenet gebeurt lokaal en is afhankelijk van lokale parameters. Het is niet afhankelijk van globale innovaties, van grootschalige energieproductie op de Noordzee of van landsdekkend infrastructuur. — Veel verduurzamingsopties: er zijn zeer veel duurzame bronnen voor warmtenetten, van verschillende temperatuurniveaus, omvang en eigenschappen. Daarnaast is het opslaan van warmte relatief eenvoudig, waardoor het inpassen van duurzame bronnen eenvoudiger is. — Grote CO2-besparing op korte en lange termijn: bij een woning die wordt aangesloten wordt direct 100% CO2 bespaard als puntbron in een woonwijk. Uiteraard wordt in veel situaties bij de warmtebron en –productie nog wel CO 2 uitgestoten, maar dat is aanzienlijk minder dan oorspronkelijk bij de woning. Het is daarna eenvoudiger om bij één grote bron CO2-maatregelen te treffen, dan bij 10.000 kleine CO 2-bronnen.
Door in te zetten op warmtenetten wordt op korte termijn een aanzienlijke milieuwinst behaald. Met besparingspercentages van 60% tegen de huidige situatie, welke stijgen in de toekomst, wordt ruimschoots invulling gegeven aan de tussendoelen van de Nederlandse regering voor 2030. — Lage maatschappelijke kosten voor aardgasvrij: met name in de stedelijke gebouwde omgeving heeft een warmtenet lage (zo niet de laagste) maatschappelijke kosten voor een aardgasvrije warmtevoorziening. Daar waar de warmtevraag verspreid is (buitengebied) hebben veelal alternatieven lagere maatschappelijke kosten. — Uit de technisch-economische analyses met modellen als CEGOIA, Vesta, het Energietransitiemodel en Caldomus komt naar voren dat warmtenetten op basis van maatschappelijke kosten op veel plekken gunstige oplossingsrichtingen zijn. — Het ontwikkelen van nieuwe warmtenetten kent vanzelfsprekend diverse risico’s. Klein en groot. Veel van deze risico’s zijn gekoppeld aan het huidige paradigma: in Nederland verwarmen we gebouwen met aardgas. Echter, in een situatie waarin dat paradigma niet meer opgaat, verdwijnt of reduceert een groot aantal van de risico’s. Dan wordt er niet vergeleken met een HR-ketel van € 2.000, maar met een warmtepomp en gebouwaanpassingen van € 50.000-75.000 per woningen.
Hiermee worden onder andere de financiële risico’s voor zowel de eindgebruiker als de warmteleverancier een stuk kleiner. Echter, op dit moment is het paradigma nog zeer sterk aanwezig (met name in de bestaande bouw), maar begint steeds meer af te brokkelen. — Flexibiliteit in komende decennia: een warmtenet is sec gezien een infrastructuur waar warm water doorheen loopt, waarmee de gebouwen zich verwarmen. Hierbij vinden geen enkele emissies plaats. De bronkant van een warmtenet is daarmee flexibel, mits de juiste hoeveelheid warmte, van de juiste kwaliteit beschikbaar is. Hiermee bestaat
37
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
er dus de flexibiliteit om allerlei typen bronnen aan te sluiten op een net, zonder dat daar aan de infrastructuur of afgiftekant bij de klant iets hoeft te veranderen. — Onderdeel van de warmtetransitie is het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. In alle modelmatige analyses die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd spelen warmtenetten steevast een centrale rol in het eindbeeld. Enkele miljoenen gebouwen kunnen in de toekomst verwarmd worden door middel van een warmtenet.
Veilige keuze voor warmtenetten van HVC — In veel HVC-gemeenten is een warmtenet onderdeel van de oplossing. — HVC heeft een hele goede kennispositie, niet alleen van de aanbod- en infrakant, maar ook van de vraagkant bij de aandeelhouders. — Nederland kent een grote diversiteit aan bronnen die beschikbaar zijn voor warmtenetten. HVC is eigenaar van een aantal hiervan en is bezig met het ontwikkelen van aanvullende, nieuwe bronnen. Deze kunnen op korte- en middenlangetermijn een grote CO2-reductie in de gebouwde omgeving kunnen bewerkstelligen. — Investeren in en ontwikkelen van warmtenetten vergt een lange adem, dit past bij de bedrijfsfilosofie van HVC, waarbij degelijke rendementen voorgaan op winstmaximalisatie. — Alle gebouwen moeten van het aardgas af; HVC richt zich niet alleen op het laaghangende fruit, maar ook op de complexere locaties die de gemeenten in staat stellen om de hele gebouwde omgeving te verduurzamen tegen maatschappelijk verantwoorde kosten. — Als ‘gemeentelijk bedrijf’ blijven de revenuen van de activiteiten binnen ‘de gemeenschap’ van de aandeelhouders. Hiermee profiteren de bewoners dus rechtstreeks. Het geld verdwijnt niet naar het buitenland of grote multinational. — Er is voor HVC veel keuze in het type warmtenet, warmtebron, uitrollocaties, et cetera.
Hierdoor is het voor HVC mogelijk om met name op de korte termijn eerst te werken aan die projecten die het meest interessant zijn. Dit hoeft niet alleen te zitten in hoge financiële rendementen, maar juist ook in het opstarten van de transitie, het leren van nieuwe toepassingen of het verbeteren van de processen die nodig zijn voor de grootschalige uitrol. — Warmtenetten zijn niet voor alle locaties en situaties de beste oplossing, maar op veel plaatsen waar HVC op dit moment projecten ontwikkeld bieden warmtenetten goede kansen. — De markt voor warmtenetten is snel aan het groeien. Er zijn steeds meer bedrijven en organisaties die toetreden in de markt. Met het gewenste aantal van 80.000 nieuwe warmteaansluitingen per jaar in het Klimaatakkoord, zijn er zeer veel mogelijkheden voor HVC om daarvan een aanzienlijk deel in te vullen. De markt heeft in potentie een groot volume, mogelijk groter dan de huidige en toekomstige marktpartijen aankunnen (zeker op korte termijn).
38
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
Literatuur Berenschot, 2018. Het 'warmtescenario': Beelden van een op warmte gerichte energievoorziening in 2030 en 2050, Utrecht: Berenschot. CBS, 2019. Warmtemonitor 2017, Voorburg: CBS. CE Delft, 2016. Een klimaatneutrale warmtevoorziening voor de gebouwde omgeving update 2016, Delft: CE Delft. CE Delft, 2016. Gastransitie en warmtenetten, Delft: CE Delft. CE Delft, 2016. Ketenemissies warmtelevering, Delft: CE Delft. CE Delft, sd Factsheets warmtetechnieken, Delft: CE Delft. Ecorys, 2016. Evaluatie Warmtewet en toekomstig marktontwerp warmte, Rotterdam: Ecorys. Energie+, 2018. Duurzaamste warmtenet van Nederland in regio Alkmaar. [Online] Available at: https://www.energieplus.nl/duurzaamste-warmtenet-van-nederland-in-regioalkmaar [Geopend november 2019]. Gasunie, 2018. Verkenning 2050, Groningen: Gasunie. HVC, 2019. Samenwerken met HVC bij aanleg en exploitatie van lokale warmtenetten (Informatienota 1). Alkmaar: HVC Groep. MinEZK, 2019. Kamerbrief over warmtewet 2.0, Den Haag: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. PBL, 2017. Toekomstbeeld klimaatneutrale warmtenetten in Nederlands, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL, 2019. Klimaat- en Energieverkenning 2019, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL, 2019. Startanalyse Leidraad Transitievisie Warmte. [Online] Available at: https://themasites.pbl.nl/leidraad-warmte/ [Geopend 7 november 2019].
Platform Geothermie; DAGO; Stichting Warmtenetwerk; EBN, 2018. Masterplan Aardwarmte in Nederland: Een brede basis voor een duurzame warmtevoorziening, sl: Platform Geothermie; DAGO; Stichting Warmtenetwerk; EBN. Rijksoverheid, 2019. Klimaatakkoord, Den Haag: Rijksoverheid. RVO, 2019. Warmtemonitor 2017, Utrecht: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Soerland, M. v., 2019. [Interview] (22 oktober 2019). ThermoBello, 2019. Techniek. [Online] Available at: http://www.thermobello.nl/techniek [Geopend september 2018].
39
190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019
HVC – Samenvatting ting rapport ‘Financiering Van Gas Los’ Lo 3 april 2020
Aanbiedingsbrief
Aanbiedingsbrief finale rapportage
Deloitte Financial Advisory B.V. Corporate Finance Gustav Mahlerlaan 2970 1081 LA Amsterdam
Telephone +31 88 288 2888 Telefax +31 88 288 9747 www.deloitte.nl
Opmerking Deloitte: Onderstaande aanbiedingsbrief is meegezonden bij het verstrekken van de finale rapportage d.d. 3 april 2020. Het voorliggende document betreft een samenvatting van deze finale rapportage. Deze aanbiedingsbrief dient derhalve gelezen te worden in samenhang met de finale rapportage. Zo staan in deze samenvatting o.a. verwijzingen naar pagina’s die van toepassing zijn op de finale rapportage en niet op deze samenvatting. De vermelde definities hebben, tenzij anders vermeld, de betekenis zoals gehanteerd in de finale rapportage. Daarnaast gelden de voorwaarden en beperkingen, die betrekking hebben op de finale rapportage, ook voor deze samenvatting. Geachte mevrouw Tigchelaar en meneer Burggraaf, beste Ingrid en Maarten, Dit finaal rapport is opgesteld onder de voorwaarden van onze opdrachtbevestiging van 14 februari 2020 met referentie NL20-004/NLO/mb ('Opdrachtbevestiging'). Bij het opstellen van ons finaal rapport heeft Deloitte Financial Advisory B.V. ('Deloitte', 'wij' of 'ons'), conform de reikwijdte van onze werkzaamheden zoals overeengekomen in de Opdrachtbevestiging, gebruik gemaakt van informatie die wij hebben verkregen via (gesprekken met) HVC ('HVC', 'Onderneming', 'Cliënt' of 'u'), en uit openbare bronnen.
Bij de informatievergaring heeft Deloitte vertrouwd op de juistheid en volledigheid van alle informatie die ons door u ter beschikking is gesteld en de informatie die openbaar verkrijgbaar is. Deloitte accepteert geen enkele impliciete of expliciete aansprakelijkheid en verleent geen enkele impliciete of expliciete waarborg of garantie met betrekking tot de juistheid en volledigheid van de aangeleverde en uit openbare bronnen verkregen informatie. Voorts is ons finaal rapport gebaseerd op financiële prognoses en onderliggende veronderstellingen verstrekt door HVC. De Onderneming heeft zich bij het opstellen hiervan gebaseerd op bepaalde aannames en inschattingen van de meest waarschijnlijk geachte uitkomst. Dit rapport is vervaardigd op basis van (1) informatie die aan ons is verstrekt tot en met de datum van dit rapport en (2) de beperkingen zoals beschreven in Uitgangspunten en status van de uitgevoerde analyse op pagina 6 en deze aanbiedingsbrief. Wij merken op dat de Onderneming verantwoordelijk is voor de verstrekte financiële prognose. Onze werkzaamheden bestonden uit het inwinnen van inlichtingen bij de Onderneming en het uitvoeren van cijferanalyses op de financiële gegevens.
Voor zover dit finaal rapport betrekking heeft op toekomstige financiële informatie, hebben wij deze informatie en de daaraan ten grondslag liggende veronderstellingen, voor zover mogelijk, geanalyseerd.
De scope van onze werkzaamheden verschilt wezenlijk van de scope van een controle op basis van algemeen aanvaarde grondslagen voor accountantscontroles. Verder omvatten onze werkzaamheden geen beoordeling van (historische of toekomstgerichte) financiële informatie in overeenstemming met hiertoe uitgegeven algemene standaarden. Wij zullen derhalve op geen enkele manier een opinie verstrekken op enige financiële informatie betreffende de Onderneming. Voor nadere informatie verwijzen wij naar de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (www.NBA.nl). Dit finaal rapport is gedateerd 3 april 2020 en houdt rekening met ontvangen informatie en gebeurtenissen tot 16 maart 2020, toen het voornaamste deel van het onderzoekswerk is afgerond. We hebben geen verantwoordelijkheid voor en zullen geen onderzoekswerk verrichten over de periode na deze datum. Zoals overeengekomen in de Opdrachtbevestiging is dit document uitsluitend opgesteld ten behoeve van de Cliënt in het kader van het in dit document omschreven doel. Tenzij anders overeengekomen in de Opdrachtbevestiging mag u, zonder voorafgaande schriftelijk toestemming van Deloitte, dit rapport niet voor andere doeleinden gebruiken, (geheel of ten dele) publiceren, aan derden ter beschikking stellen of aan refereren. Wij accepteren geen aansprakelijkheid ten opzichte van derden die dit rapport inzien.
Wij merken op dat indien HVC op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (‘WOB’) een verzoek tot publicatie van het finaal rapport ontvangt, HVC Deloitte hierover terstond zal informeren, voor zover wettelijk toegestaan. Voorts zal HVC Deloitte als belanghebbende aanmerken in het kader van het ontvangen verzoek tot publicatie en zal HVC Deloitte in de gelegenheid stellen haar zienswijze inzake het verzoek tot publicatie aan HVC kenbaar te maken en HVC zal die zienswijze bij haar besluitvorming betrekken. Met vriendelijke groet, Deloitte Financial Advisory B.V. Corporate Finance Neil Lomax (Gevolmachtigde) 1
HVC - Samenvatting rapport 'Financiering Van Gas Los’
© 2020 Deloitte – Strikt persoonlijk en vertrouwelijk
Inleiding en achtergrond
Uitgangspunten en status van de uitgevoerde analyse
Uitgangspunten en beperkingen van de analyse Dit rapport is opgesteld op verzoek van de Directie om de voorkeur van de Directie en de Klankbordgroep voor financieringsoptie 1 (‘Financieringsoptie 1’) te analyseren. Hierbij is gebruik gemaakt van de volgende informatie en bronnen:
1.
de ontvangen informatie zoals beschreven in de appendix op pagina 12
2.
Interviews met de voorzitter van de Klankbordgroep dhr. Maarten Burggraaf, de Directie van HVC dhr. Dion van Steensel en mw. Ingrid Tigchelaar, de voorzitter van de RvC van HVC dhr. Houben en de manager warmte van HVC Marco van Soerland. Daarnaast zijn er verschillende contact momenten geweest (zowel fysiek als telefonisch) met dhr. Hans van de Wiel Manager Corporate Finance van HVC en dhr. Jan van Raaij, secretaris van HVC
Onze werkzaamheden en verantwoordelijkheden zijn beperkt tot hetgeen overeengekomen in onze Nadere Opdracht (met kenmerk NL20 -004/NLO/mb) Onze Nadere Opdracht omvat daarom expliciet niet: 1.
het verstrekken van enig accountancy technisch, juridisch, fiscaal of ander gespecialiseerd advies (tenzij Deloitte door de Cliënt onder een separate overeenkomst als zodanig is benoemd). Deloitte is niet verantwoordelijk voor de advisering van derden;
2.
verificatie van de gepresenteerde informatie;
3.
het verstrekken van een opinie over, dan wel het dragen van verantwoordelijkheid voor de haalbaarheid, redelijkheid en/of juistheid van de veronderstellingen en voorspellingen van enige financiële of andere informatie over de Nadere Opdracht;
4.
het bekleden van of uitvoeren van managementfuncties of taken of het nemen van managementbeslissingen bij of namens HVC;
5.
het verstrekken van een fairness opinion met betrekking tot de Nadere Opdracht;
6.
iedere vorm van belangenbehartiging;
7.
het uitvoeren van een financiële, fiscale, juridische of andersoortige due diligence.
Overige:
2
1.
De verrichte analyses in dit rapport zijn beperkt tot de informatie die Deloitte heeft ontvangen: zie de appendix voor het overzicht van de ontvangen informatie door Deloitte
2.
Deloitte heeft geen nader onderzoek verricht naar de (onderliggende) data, de informatie uit de interviews, studies en andere informatie die aan Deloitte beschikbaar is gesteld
HVC - Samenvatting rapport 'Financiering Van Gas Los’
© 2020 Deloitte – Strikt persoonlijk en vertrouwelijk
Inleiding en achtergrond
Deloitte is verzocht de beschikbare informatie voor de Klankbordgroep te bestuderen voor het financiële kader voor HVC’s ambitie ‘Van Gas Los’
Inleiding • N.V. HVC (‘HVC’) is van oorsprong actief in de afvalsector en richt zich van d daaruit i in i toenemende mate op energieactiviteite n
• De aandeelhouders van HVC (44 gemeenten en 6 waterschappen) wensen actief bij te dragen aan de transitie ‘Van Gas Los’
Aanleiding
• In HVC’s warmteportfolio (‘de Warmteportfolio’) zijn meerdere mogelijke warmteprojecten opgenomen, waar de komende jaren mogelijk in g eïnvesteerd kan worden, om zodoende de transitie ‘Van Gas Los’ vorm te geven • In 2015 heeft HVC een nieuw financieel beleid (‘Koers 2024’) opgesteld met als voorname doel het verkrijgen van keuzevrijheid in 2024 ten aanzien van eventuele verlaging van de garantstelling van leningen die zijn afgegeven door de aandeelhouders van HVC
• Aangezien de omvang van de potentiële financieringsvraag die voortkomt uit de Warmteportfolio naar verwachting van HVC het huidige financiële kader overstijgt, is er een klankbordgroep Van Gas Los (‘Klankbordgroep’) gevormd om een passend financieel kader voor te stellen voor de mogelijke r ealisatie van HVC’s Van Gas Los projecten. De Klankbordgroep bestaat uit 16 bewindspersonen van de in HVC aandeelhoudende gemeenten en waterschappen. De Warm teportfolio bevat meerdere mogelijke warmteprojecten. Dit betekent expliciet niet dat alle mogelijke warmteprojecten zullen worden uitgevoerd. De investeringsbeslissing zal per warmteproject worden genomen
Aanpak
Opdracht
• In samenspraak met de Klankbordgroep is HVC tot vier verschillende financieringsmogelijkheden gekomen om de voorgenomen warmteprojecten te financieren en uit te voeren. Momenteel bestaat er bij de directie van HVC (de ‘Directie’) en de Klankbordgroep een voorkeur voor de financierin gsoptie waarin de solvabiliteitsopbouw van HVC wordt getemporiseerd en de garantstellingen van aandeelhouders ten aanzien van leningen van HVC bij bancaire instelli ngen (momenteel BNG, NWB, EIB en Triodos) worden opgehoogd (‘Optie 1’). Deze verhoging van garantstellingen betekent dat de huidige door HVC gehanteerde limie t van €670mln naar €725mln zal worden verhoogd, vnl. vanwege de geplande investering in een slibdroger, die wordt gefinancierd onder de garantstelling van d e aandeelhoudende waterschappen
3
• Deloitte Financial Advisory B.V. (‘Deloitte’) is verzocht door HVC om i) kennis te nemen van de informatie die de Klankbordgroep gedurende het traject van de Directie van HVC heeft ontvangen, en ii) een analyse uit te voeren van de mate van de onderbouwing van deze informatie, waarmee de Kla nkbordgroep een afweging heeft gemaakt om tot het oordeel te komen dat zij de Directie in haar voornemen voor Optie 1 kan volgen, als zijnde naar mening van de Directie de vanuit aandeelhoudersperspectief op dit moment een passende financiering van de Van Gas Los-activiteiten van HVC • De bevindingen zijn middels een vertrouwelijk rapport uitgebracht aan de Directie, de raad van commissarissen (‘RvC’) van HVC en de Klankbordgroep. De hoofdlijnen uit dit rapport zijn in dit document in de vorm van een samenvatting opgeschreven • Het opgestelde rapport is gestructureerd aan de hand van onderstaande hoofdstukken die tevens de structuur van deze samenvatt ing vormt (met uitzondering van ‘2. Traject met de Klankbordgroep en voorgelegde Financieringsopties'): 1. 1