CConstaterende datPapendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

D02. 20201208 RIB Energie-ambities en de financiering van HVC.pdf

Commissie ABZ Papendrecht 11 januari 2021, gemeente PapendrechtBij agendapunt: 6: Lijst ingekomen stukken en mededelingen22.610 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Aan de gemeenteraad datum

8 december 2020

behandeld door

EG Zaagsma

ons kenmerk

2020-0147951

doorkiesnummer Onderwerp

14 078 Energie-ambities en de financiering van HVC

Geachte mevrouw, heer, Via deze raadsinformatiebrief willen wij u informeren over de energie-ambities en de financiering van HVC. Publieke kerntaken HVC HVC is een publiek bedrijf in handen van 44 gemeenten en 6 waterschappen. De activiteiten van HVC betreffen de gescheiden inzameling en recycling van afval, vergisting en compostering, verbranding en energieproductie uit restafval en resthout, warmteontwikkeling en -levering, slibverwerking en opwekking/levering van windenergie en zonne-energie. Daarmee draagt HVC bij aan de ontwikkeling naar een circulaire economie en levert zij een bijdrage aan de transitie ‘van gas los’. De energietransitie waarmee de bebouwde omgeving 'van (aard-)gas los’ kan komen, is een grote maatschappelijke opgave, waarbij de financiering één van de vraagstukken is. Gemeenten spelen daarin als regisseur op regionaal niveau een hoofdrol. HVC heeft door het inzetten van de restwarmte uit afvalverbranding jarenlange ervaring opgebouwd in de productie, distributie en levering van collectieve warmte. Veel van de aandeelhouders van HVC hebben HVC gevraagd om ondersteuning bij deze transitie. Het gaat dan soms alleen om advies, maar vaak ook om concrete activiteiten als de productie, distributie en levering van collectieve warmte.

Omdat de activiteiten van HVC op het gebied van 'Van Gas Los’ voor alle aandeelhouders relevant zijn, heeft de aandeelhoudersvergadering eind 2017 besloten om deze activiteiten, net als de activiteiten op het gebied van afval/slib en grondstoffen, te beschouwen als collectieve kerntaak van HVC. In het kader van de reguliere vooruit- en terugblik op elke aandeelhoudersvergadering bent u hierover reeds eerder geïnformeerd. Financiering HVC De kerntaken van HVC worden hoofdzakelijk gefinancierd onder garantstelling van de aandeelhouders. De aandeelhouders hebben daarom besloten om ook voor deze nieuwe kerntaak strikte financiële kaders te hanteren. Zo is voor elk (nieuw) project een rendabele business case vereist, dienen de risico’s goed te zijn belegd en mag er geen sprake zijn van kruissubsidiëring met andere activiteiten van HVC. Als extra voorwaarde geldt dat HVC solvabiliteit opbouwt. Directie en raad van commissarissen hebben namelijk in 2015, na consultatie van de aandeelhouders, besloten tot “koers 2024": door opbouw van eigen vermogen toewerken naar de keuzemogelijkheid voor aandeelhouders om al dan niet garant te staan voor de financieringen van HVC. Verwacht wordt dat daarvoor onder andere een solvabiliteit nodig is van tenminste 27%.

In 2015 bedroeg de solvabiliteit 7,5%, eind 2019 is de solvabiliteit gestegen naar 13% ten opzichte van de oorspronkelijke prognose van 11,7%. In 2017 is de hoofdelijke aansprakelijkheid voor aandeelhouders omgezet naar een pro rata aansprakelijkheid. De ontwikkeling van warmteprojecten verliep in 2017 nog tamelijk traag. Toen de activiteiten op het gebied van 'van gas los’ werden aangewezen als collectieve kerntaak, werd daarom verwacht dat deze zouden kunnen worden uitgevoerd binnen de in 2015 geplande solvabiliteitsopbouw. Het toegenomen maatschappelijk besef van de urgentie van de energietransitie heeft echter veel van deze projecten in beweging gebracht. Zo bereiden woningbouwcorporaties zich voor om hun collectieve woningbezit te verduurzamen. Toepassing van collectieve warmte blijkt voor hen in veel gevallen de meest kosteneffectieve wijze om van gas los te komen. Zij zijn echter niet de enige die werk maken van de

energietransitie. Het Klimaatakkoord, dat in 2019 tot stand is gebracht ter uitvoering van de doelstellingen van de Klimaatwet, is door alle betrokken maatschappelijke stakeholders onderschreven. De plannen om de komende jaren de bebouwde omgeving binnen het gebied van de aandeelhouders energetisch te verduurzamen zijn daarom steeds meer concreet geworden. Vorig jaar vond op basis van de ambities van aandeelhouders een inventarisatie plaats van de ontwikkel mogelijkheden van collectieve warmte voor de komende 8 jaar. De directie gaat er vanuit de komende jaren verschillende projecten op het gebied van collectieve warmte te kunnen ontwikkelen. De omvang van die inventarisatie maakte ook duidelijk dat wanneer wordt besloten om deze projecten uit te voeren, dat leidt tot vertraging van de nagestreefde solvabiliteitsopbouw van HVC. Klankbordgroep Financiering ‘Van Gas Los’ Deze vertraging van de solvabiliteitsopbouw was voor de directie aanleiding om de aandeelhouders in mei 2019 voor te stellen om onderzoek te doen naar mogelijkheden van een voor aandeelhouders passend nieuw financieel kader. Voor de begeleiding van dit onderzoek werd door de aandeelhouders een (informele) Klankbordgroep Financiering ‘Van Gas Los’ ingesteld, bestaande uit (met name) diverse wethouders van aandeelhoudende gemeenten1.

Bij het onderzoek zijn op verzoek van de klankbordgroep ter validatie ook twee onafhankelijke externe deskundige partijen (CE Delft en Deloitte Corporale Finance) betrokken om de kwaliteit van het onderzoek en de conclusies op basis daarvan te borgen. In december 2019 heeft de Klankbordgroep in de aandeelhoudersvergadering verslag gedaan van de voortgang van het onderzoek. Eind mei van dit jaar is de eindconclusie van het onderzoek in de aandeelhoudersvergadering gepresenteerd. Het onderzoek heeft zich gericht op de volgende aspecten: a. De risico’s van warmte-activiteiten b. De financiële positie en de risico’s van HVC als geheel c. De vraag of financiering van ‘van gas los' individueel of collectief dient plaats te vinden d. De financieringsmogelijkheden van investeringen in ‘van gas los’ Aangaand het eerste aspect (risico’s van warmte-activiteiten) heeft CE Delft op verzoek van de klankbordgroep en in samenspraak met het HVC-Innovatieplatform, onderzoek gedaan naar de vraag of investeren in collectieve warmte bij de invulling van de opgave van de energietransitie een veilige keuze is. Het gaat dan om de robuustheid van de positie van collectieve warmte binnen het geheel aan huidige en in de toekomst verwachte mogelijkheden binnen de energietransitie.

Maar ook over de specifieke investeringsaanpak van HVC, is de hoofdconclusie van CE Delft dat investeren door HVC in collectieve warmte een veilige keuze is binnen de context: "Met name in de stedelijke gebouwde omgeving heeft een warmtenet lage (zo niet de laagste) maatschappelijke kosten voor een aardgasvrije warmtevoorziening. Daar waar de warmtevraag verspreid is (buitengebied) hebben veelal alternatieven lagere maatschappelijke kosten." Deloitte Corporate Finance heeft op basis van de door de Klankbordgroep geformuleerde opdracht bevestigd dat de door HVC ingebrachte bedrijfsinformatie alsmede de conclusies van de Klankbordgroep en de directie op basis van het onderzoek afdoende zijn onderbouwd. Ook heeft Deloitte enkele adviezen gegeven op het gebied van financiële sturing en projectmonitoring welke HVC zal overnemen. Uit het geheel van de onderzoeken komt samengevat het volgende naar voren: 1. HVC is een ketenbedrijf met focus op hergebruik en duurzame energie, van en voor haar publieke aandeelhouders. Krachtenbundeling maakt het mogelijk om complexe projecten voortvarend aan te pakken. Door de organisatorische inrichting wordt geborgd dat er focus is op de verschillende 1

Aan de Klankbordgroep Financiering 'Van Gas Los' werd deelgenomen door dhr. M. Burggraaf, voorzitter (Dordrecht), mw. A. Baerveldt (Zaanstad), dhr. J. Broeders (Drechterland), dhr. P. Dijkman (Alkmaar), dhr. T. Groot (Hollands Kroon), dhr. J. Houtenbos (Bergen), dhr. R. Lafleur (Hendrik-ldo-Ambacht), mw. S. Munnikendam (Zaanstad), mw. C. van de Pol (Koggenland), dhr. G. Post (Urk), dhr. H. Rotgans (Purmerend), dhr. J. Schalkwijk (Wormerland), dhr. P. Schot (Lelystad), dhr. A. Simonse (Noordoostpolder), dhr. L. Snijders (Westland), dhr. M. van der Spek (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard), dhr. G. de Vries (Heemskerk), mw. E. van Wageningen (Lelystad) en dhr. M. Wouters (Den Helder).

2.

3. 4.

5.

6.

hoofdactiviteiten. Activiteiten renderen zelfstandig en leveren een verantwoord rendement. Er is geen sprake van kruissubsidiëring. Risico’s zijn in beeld en beheersbaar. Het aanwezige risico houdt vooral verband met afvalverbranding en betreft een marktrisico. Dit marktrisico is sinds 2015 niet afgenomen. Door robuust afschrijven is de omvang van het risico wel afgenomen. Investeren in collectieve warmte is een veilige keuze. HVC heeft bovendien een gedegen projectaanpak, waarmee risico’s worden geïdentificeerd en adequaat worden afgedekt. Op de monitoring van de investeringsprojecten kan nog een verbeterslag worden gemaakt. HVC investeert uitsluitend in rendabele business cases, met meerwaarde voor het collectief van aandeelhouders. Uitgangspunt voor HVC is collectieve financiering. HVC acht het niet mogelijk om investeringen in warmtebronnen en -netten en de exploitatie daarvan per gemeente te compartimenteren. Wel is individueel aanvullend financieel commitment van de gemeente waar een warmtenet wordt aangelegd onderdeel van de business case. Warmtenetten kunnen gedurende de fase van opstarten en initiële groei veelal vanwege aanloopverliezen en vanwege de ratio's van HVC niet worden gefinancierd met niet gegarandeerde projectfinanciering, maar zijn tijdens die fase grotendeels afhankelijk van gegarandeerde financiering.

Door waar mogelijk niet-gegarandeerde en achtergestelde financiering aan te trekken kunnen de garanties van aandeelhouders worden beperkt en ontstaat er meer financieringsruimte wanneer eventueel op langere termijn ‘van gas los’ een grotere vlucht neemt. De ontwikkeling van de risico’s en de financiële positie van HVC zijn sinds 2015 zodanig verbeterd dat het naar de indruk van de Klankbordgroep verantwoord is te kiezen voor het vertragen van solvabiliteitsopbouw en een tijdelijke verhoging van gegarandeerde leningen in de context van het publieke belang bij warmtetransitie. Het voor 2024 geraamde solvabiliteitsniveau van 27% zal wanneer het geraamde investeringsprogramma warmte 2020 - 2028 wordt uitgevoerd, niet eerder dan in 2027 worden gehaald. Het huidige niveau van solvabiliteit geldt daarbij als minimum. Het geraamde investeringsprogramma kan worden uitgevoerd uitgaande van een tijdelijke maar zeer geringe verhoging van door de gemeentelijke aandeelhouders gegarandeerde leningen. Voor de aandeelhoudende waterschappen zal de garantstelling wel toenemen, indien zij goedkeuring verlenen aan de geraamde investering in een slibdrogingsinstallatie.

Op basis van de ontwikkeling van de risico's en de financiële positie van HVC sinds 2015, deelt de Klankbordgroep de conclusie van de directie dat het verantwoord is om voor het uitvoeren van investeringen in collectieve warmte de solvabiliteitsopbouw te vertragen, waarbij de garantstelling voor de gemeentelijke aandeelhouders (vrijwel) niet zal toenemen en de totale omvang van gegarandeerde leningen een tijdelijke verhoging zal kennen. De Klankbordgroep is het ook eens met het voornemen van de directie om zo mogelijk niet-gegarandeerde en achtergestelde financiering aan te trekken. Daarmee kunnen de garanties van aandeelhouders worden beperkt en ontstaat, wanneer ‘van gas los' een grotere vlucht neemt, meer financieringsruimte. De Klankbordgroep neemt in zijn advies de aanbeveling van Deloitte over om de financiële ontwikkeling naar keuzevrijheid ten aanzien van al dan niet gegarandeerde financiering op nader te bepalen wijze te monitoren en om uitgevoerde warmteprojecten structureel te evalueren. Financiering kerntaak ‘Van Gas Los' De directie gaat ervan uit dat de uitvoering van het geraamde investeringsprogramma warmte (incl. slibdroger) een tijdelijke verhoging van de gegarandeerde leningen aandeelhouders A/B met zich mee brengt tot een maximum van € 725 miljoen.

Ten opzichte van het huidige door directie en raad van commissarissen gehanteerde maximum van € 670 miljoen aan door de aandeelhouders A en B gegarandeerde leningen, zullen de door de aandeelhouders A (gemeenten) gegarandeerde leningen niet stijgen. De leningen die worden gegarandeerd door de aandeelhouders B (waterschappen) zullen wel stijgen in verband met de voorgenomen realisatie van een slibdroger. Aandeelhoudersvergadering 28 mei 2020 Op basis van het met de Klankbordgroep uitgevoerde onderzoek heeft de directie aan de aandeelhoudersvergadering haar voornemen toegelicht om de solvabiliteitsopbouw te temporiseren (met inachtneming van een minimum solvabiliteit van 13%) en om onverkort te streven naar groei van de solvabiliteit. De aandeelhoudersvergadering heeft in lijn met het advies van de Klankbordgroep gevraagd om in de aandeelhoudersvergadering van december aanstaande meer richting te geven aan het pad naar een keuzemogelijkheid op zelfstandige financierbaarheid per 2027 (niet gegarandeerde

financiering), daarop vanuit de RvC te sturen en de aandeelhoudersvergadering daar nauwgezetter via een monitor in te betrekken. En de aandeelhoudersvergadering heeft gevraagd om uitgevoerde warmteprojecten op structurele basis te evalueren. Directie en raad van commissarissen hebben toegezegd het advies van de Klankbordgroep op te volgen. Voorts is toegezegd om jaarlijks de aandeelhouders in kennis te stellen van de voortgang van het investeringsprogramma warmte. Op basis van deze toezeggingen heeft de aandeelhoudervergadering kennis genomen van de hiervoor genoemde voornemens van de directie. Daarbij heeft de vergadering overwogen dat elke nieuwe investering, met inbegrip van de financiering daarvan, eerst de gebruikelijke besluitvormingsprocedure volgt: elk project dient vooraf te worden goedgekeurd door de raad van commissarissen en bij een investering(-risico) voor HVC van € 10 miljoen of meer dient tevens goedkeuring te worden verleend door de aandeelhoudersvergadering. De meeste warmteprojecten vallen onder de laatstgenoemde categorie. Bij het opstellen van toekomstige voorstellen ter goedkeuring van investeringen met bijhorende financiering in collectieve warmte zal de directie de hiervoor toegelichte voornemens betrekken.

Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Papendrecht, de secretaris, de burgemeester,

J.M. Ansems

A.J. Moerkerke

Bijlagen: 1. CE Delft: rapportage inzake warmtestrategie HVC 2. Deloitte Corporate Finance: samenvatting rapport Financering ‘Van Gas Los’

Warmtestrategie HVC Kansen en mogelijkheden voor de toekomstige ontwikkeling van warmtenetten

Warmtestrategie HVC Kansen en mogelijkheden voor de toekomstige ontwikkeling van warmtenetten

Dit rapport is geschreven door: Benno Schepers Katja Kruit Pien van Berkel Delft, CE Delft, 18 november 2019 Publicatienummer: nummer Trefwoorden Opdrachtgever: HVC Groep Uw kenmerk: Uw kenmerk Alle openbare publicaties van CE Delft zijn verkrijgbaar via www.ce.nl Meer informatie over de studie is te verkrijgen bij de projectleider Benno Schepers (CE Delft) © copyright, CE Delft, Delft

CE Delft Committed to the Environment CE Delft draagt met onafhankelijk onderzoek en advies bij aan een duurzame samenleving. Wij zijn toonaangevend op het gebied van energie, transport en grondstoffen. Met onze kennis van techniek, beleid en economie helpen we overheden, NGO’s en bedrijven structurele veranderingen te realiseren. Al 40 jaar werken betrokken en kundige medewerkers bij CE Delft om dit waar te maken.

1

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

Inhoud 1

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Centrale vraagstelling 1.3 Hoofdlijn plan van aanpak en leeswijzer

3 3 3 3

2

Huidige situatie 2.1 Algemene eigenschappen van warmtenetten 2.2 Overzicht bestaande netten 2.3 Warmteleveranciers in Nederland 2.4 Ervaringen tot nu toe

4 4 9 11 13

3

Warmtenetten in de transitie 3.1 Wat staat er in het Klimaatakkoord over warmtenetten? 3.2 Lopende projecten 3.3 De rol van warmtenetten in de warmtetransitie 3.4 Marktordening 3.5 Alternatieven

15 15 18 21 21 23

4

De rol van HVC 4.1 Flexibiliteit 4.2 Financieel 4.3 Duurzaamheid 4.4 Operationeel

28 28 29 30 31

5

Conclusie

37

Literatuur

2

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

39

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Het afval- en energiebedrijf HVC is actief op het gebied van collectieve warmtenetten in gemeenten en bij waterschappen die aandeelhouder zijn van HVC. Nu de warmtetransitie steeds meer vorm krijgt door ‘van gas los’ te gaan, krijgt HVC van steeds meer aandeelhouders (gemeenten) de vraag hoe zij de transitie naar een aardgasloze warmtevoorziening kunnen vormgeven. En vooral: welke rol de collectieve warmtenetten hierin kunnen hebben? Aan CE Delft is gevraagd om een korte rapportage op te stellen, waarin aandacht wordt gegeven aan de verschillende aspecten van collectieve warmtenetten in het algemeen en kansen voor HVC in het bijzonder.

1.2

Centrale vraagstelling Centraal in het verzoek van HVC staat de vraag of de keuze voor collectieve warmtenetten van HVC een veilige keuze is in de opgave om van aardgas los te gaan. Hierbij wordt met ‘veilig’ een brede interpretatie bedoeld: het gaat om veilig voor de operationele activiteiten van HVC, wat zowel een combinatie is van financieel-economisch aspecten, maatschappelijke aspecten als technische aspecten. 1 Om deze vraag te beantwoorden, heeft de opdrachtgever zelf een aantal inleidende, generieke vragen gesteld: — Wat zijn de ervaringen tot nu toe, lessons learnt? — Wanneer warmtenetten wel en niet doen? — Wat zijn de randvoorwaarden? — Wat zijn de risico’s? Naast het beantwoorden van deze vragen, heeft HVC ook gevraagd of CE Delft een oordeel kan geven over diverse onderdelen van de huidige aanpak op het gebied van warmtenetten.

1.3

Hoofdlijn plan van aanpak en leeswijzer Om de vragen te beantwoorden, is de rapportage als volgt opgebouwd. Als eerste wordt begonnen met een introductie van warmtenetten in Nederland. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt welke omvang de huidige warmteactiviteiten hebben, waar de huidige warmtenetten zich bevinden en wat de ervaringen hiermee zijn in het algemeen. Om vervolgens een beeld te krijgen de toekomstige potentie van warmtenetten en welke kansen er daarmee zijn voor de activiteiten van HVC, wordt uitgewerkt welke stappen in de warmtetransitie te verwachten zijn, wat daarbij de rol is van warmtenetten en welke rol alternatieven daarbij spelen. Hieruit wordt onder andere duidelijk waar warmtenetten wel en niet logisch zijn, onder welke randvoorwaarden en wat potentiële risico’s zijn in de groei en uitrol van warmtenetten. Tot slot wordt ingegaan op de activiteiten die HVC op dit moment ontplooit. De rapportage concludeert met een antwoord op de centrale vraag. ________________________________ 1

Anders geformuleerd draait het vooral om inzicht te krijgen op het antwoord op de vraag of de huidige keuze voor warmtenetten over tien of twintig jaar nog steeds de beste keuze is geweest voor HVC Groep en haar aandeelhouders.

3

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

2 Huidige situatie Dit hoofdstuk geeft een korte inleiding in de huidige situatie van warmtenetten in Nederland. Hierbij wordt als eerste een korte introductie gegeven van de opbouw van warmtenetten in het algemeen en een overzicht van de bestaande warmtenetten in Nederland. Ook besteden we aandacht aan de warmtebronnen van deze netten. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een beeld van de huidige wet- en regelgeving, de kansen en risico’s en enkele algemene lessen die geleerd zijn in de afgelopen decennia.

2.1

Algemene eigenschappen van warmtenetten In deze paragraaf wordt een korte beschrijving gegeven van collectieve warmtesystemen zoals die in Nederland worden ontwikkeld en toegepast.

2.1.1 Kernonderdelen verwarmingssysteem Ondanks de grote diversiteit in warmtesystemen in het algemeen, bevatten alle systemen min of meer dezelfde kernonderdelen. Dit geldt zowel voor collectieve als individuele systemen. Het gaat hierbij om de volgende onderdelen:

Bron Uiteraard heeft ieder verwarmingssysteem één of meerdere bronnen van warmte (en/of koude). In de conventionele situatie in Nederland is dit uiteraard aardgas. Gewonnen in Nederland zelf of geïmporteerd uit het buitenland. In het geval van een warmtenet is dit vaak een bron waarbij warm water beschikbaar is dat nuttig ontsloten kan worden. En bij individuele systemen kan dit ook omgevingswarmte zijn, zoals de buitenlucht. En ook elektriciteit kan een bron van warmte zijn. Onderdeel van de bron kan eveneens opslag zijn. Met name bronnen die minder flexibel zijn of die niet het gehele jaar beschikbaar zijn, zijn met behulp van opslag wel optimaal in te zetten. In de opslag wordt tijdelijk de energie opgeslagen om die op een ander moment nuttig in te zetten.

Infrastructuur Om de energie van de bron naar de afnemer te krijgen, is energie-infrastructuur nodig. Op hoofdlijnen zijn hier drie varianten van gas-, elektriciteits- en warmtenetten. Deze kunnen in verschillende configuraties samen worden ingezet. Zonder de juiste infrastructuur kan geen enkel warmtesysteem werken.

Conversietechniek Tussen de infrastructuur en de afgifte zit de conversietechniek. Deze techniek zet de energiebron om naar nuttig toe te passen warmte (en koude) voor een gebouw. Denk hierbij aan warmteafgifteset bij een warmtenet die de warmte uit het warmtenet omzet naar warmte voor in een woning. Of een HR-ketel die aardgas omzet naar warmte.

Afgiftesysteem Ieder modern verwarmingssysteem kent een afgiftesysteem. Dit is het systeem dat de warmte van de conversietechniek naar de juiste plaats in een gebouw brengt. Dit is bijna

4

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

altijd een CV-systeem (centrale verwarming), waarbij opgewarmd water via leidingen en radiatoren of vloer- en wandverwarming warmte afgeeft aan de te verwarmen vertrekken. Op kleine schaal wordt in Nederland ook luchtverwarming toegepast, maar dit is met name in het verleden gedaan. Hierbij maakt het afgiftesysteem geen gebruik van warm water, maar van warme lucht. De enige uitzondering hierop zijn lokale verwarmingen, zoals een klassieke open haard, gaskachel of infraroodpanelen. Bij dergelijke systemen zijn de conversietechniek en afgiftesystemen in één object gevat. Een ander belangrijk onderdeel van het afgiftesysteem zijn de leiding die worden gebruik voor het warm tapwater (douchen, bad, consumptie). Deze leidingen staan los van het CVsysteem. In alle gevallen heeft een warmtesysteem elektriciteit nodig voor goed functioneren. In Figuur 1 wordt de configuratie van een regulier warmtenet in Nederland weergegeven. Figuur 1 – Schematische weergave van componenten in een warmtenet

2.1.2 Varianten collectieve systemen Een ‘traditioneel warmtenet’ bestaat uit een warmtebron die hogetemperatuurwarmte (100-120°C) via een warmte-infrastructuur bij de afnemers brengt. Deze eerste generatie warmtenetten, die al zo’n 100 jaar geleden in Nederland zijn ontwikkeld, waren op deze manier ontworpen. De laatste jaren zijn er echter al vele andere typen collectieve systemen ontwikkeld en toegepast in Nederland. En ook de komende jaren staan er nog vele ontwikkelingen en innovaties te wachten. In de onderstaande figuur wordt een overzicht gegeven van de ontwikkeling van warmtenetten. Alle generaties worden nog toegepast in Nederland en ook de vijfde generatie wordt ontwikkeld.

5

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

Figuur 2 – Overzicht van generaties van warmtenetten

Kenmerkend aan de ontwikkelingen is een steeds verder dalende temperatuur in het warmtenet. In de komende jaren speelt dit ook in Nederland. Niet alleen bij nieuwe netten, maar juist ook bij bestaande netten.

Temperatuurniveau Hoewel er geen officiële definities zijn, wordt in Nederland over het algemeen op dit moment het volgende onderverdeling gehanteerd: — Hogetemperatuur (90-120°C) Dit zijn de traditionele 1-3e generatie warmtenetten. Van één of meerdere, vaak grote warmtebronnen wordt warmte naar de afnemers gebracht. Het voordeel van dit temperatuurniveau is de hoge capaciteit die een warmtenet kan hebben en daarmee het grote aantal afnemers en de afstanden die te overbruggen zijn. Tevens zijn deze temperaturen uitstekend geschikt voor het verwarmen van alle typen gebouwen van Nederland, ongeacht de energetische kwaliteit 2. Er wordt een hoog comfortniveau bereikt. Door de hogetemperatuur en capaciteit kunnen zowel de vraag naar ruimteverwarming als de vraag naar warm tapwater eenvoudig worden ingevuld. Een nadeel van deze hogetemperaturen is dat er een beperkt aantal warmtebronnen beschikbaar is voor het leveren daarvan.

________________________________ 2

6

Dit is eveneens het temperatuurniveau waarop de meeste HR-ketels in Nederland afgesteld zijn.

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

— Middentemperatuur (70°C) Een middentemperatuurnet heeft de voordelen van een HT-net dat het nog een aanzienlijke capaciteit heeft en dat met name ook het warm tapwater uit het warmtenet geleverd kan worden (en daar dus geen aparte voorziening gemaakt hoeft te worden). Het heeft daarnaast ook het voordeel dat er meer bronnen beschikbaar zijn om warmte te leveren op dit niveau. En dan met name geothermie. Een nadeel van dit temperatuurniveau is dat op dit moment niet zeker is of het voor alle gebouwen mogelijk is om een hoog comfortniveau te krijgen. Daarom wordt over het algemeen aangenomen dat woningen een aantal minimale besparingsmaatregelen genomen moeten hebben, zoals dubbelglas en dakisolatie 3. Wel is de verwachting dat de huidige CV-systemen voldoende capaciteit hebben om de woningen te verwarmen. — Lagetemperatuur (30-50°C) Het belangrijkste verschil tussen een lagetemperatuurnet en een MT-net is de productie van warm tapwater. Dit moet namelijk met minimaal 60-65°C gebeuren. In het geval van een LT-net moet er altijd een warmtapwatervoorziening worden bijgeplaatst. Daarnaast zijn in het geval van een LT-net bijna altijd verdergaande besparingseisen van toepassing en moet het afgiftesysteem worden aangepast, door bijvoorbeeld de radiatoren te vervangen door vloerverwarming4.

Na deze aanpassingen is het meestal mogelijk om de ruimteverwarming rechtstreeks op dit temperatuurniveau uit te voeren en kan een hoog comfortniveau worden bereikt. Het grote voordeel van een LT-net is het grote aantal warmtebronnen dat hiervoor beschikbaar is. En dan met name ook een veel groter aantal duurzame bronnen. Wel zijn deze bronnen over het algemeen kleiner dan bij HT/MT-netten, waardoor meer bronnen op hetzelfde net aangesloten moeten worden. Dit zijn daarmee met name ook de 4e generatie warmtenetten. — Zeer lagetemperatuur (15-25°C) Bij zeer goed geïsoleerde gebouwen (A+ energielabel) is het ook mogelijk om met nog lagere temperaturen te werken. Hierbij dient het warmtenet vooral als ‘bronnet’ voor elektrische warmtepompen die op gebouwniveau de gewenste temperaturen maken voor ruimteverwarming en warm tapwater. Deze netten lenen zich ook uitstekend voor koeling. En dat is vaak ook nodig bij zeer goed geïsoleerde gebouwen. De voordelen van dergelijke systemen zijn het lage energiegebruik en de nog veel grotere set van duurzame warmtebronnen die ingezet kunnen worden. Met name omgevingsenergie vormt een interessant bron (lucht, water).

Nadelen zijn de omvangrijker gebouwgebonden aanpassingen (hoge kosten), de geringe capaciteit van de netten en daarmee de beperkte omvang die mogelijk is en de complexiteit in het systeem omdat meerdere technieken gecombineerd moeten worden.

________________________________ 3

Grosso modo wordt aangenomen dat woningen met een G of F-energielabel niet het juiste comfort kunnen

behalen met een MT-net. 4 Hierbij wordt aangenomen dat woningen een B-energielabel of beter moeten hebben.

7

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

Figuur 3 – Overzicht van temperatuurniveaus warmtenetten

Warmtebronnen Als bron voor warmtenetten zijn er in Nederland zeer veel opties. In Tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de verschillende bronnen en de temperatuurniveaus waarop zij hoofdzakelijk kunnen worden ingezet. Dit overzicht is niet uitputtend, maar geeft de belangrijkste mogelijkheden voor de komende jaren. Tabel 1 – Overzicht van mogelijke warmtebronnen voor warmtenetten

Warmtebron Energiecentrale Industriële restwarmte Afvalverbrandingsinstallatie Biomassawarmtecentrale Warmtekrachtcentrale (WKC)

Ketels Ultradiepe geothermie

8

Omschrijving Warmte die vrijkomt bij de productie van elektriciteit (aardgas/kolen). Warmte die vrijkomt bij industriële processen die nu weggekoeld worden. Warmte die vrijkomt bij het verbranden van afval. Warmte die vrijkomt bij het verbranden van vaste biomassa. Warmte die vrijkomt bij de gecombineerde productie van warmte en elektriciteit. Warmte geproduceerd door traditionele grote ketels op aardgas of olie. Warmte uit de zeer diepe ondergrond (> 4.500 m diepte).

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

Temperatuurniveau HT LT/MT/HT HT HT/MT HT/MT

HT HT

Warmtebron Geothermie Zonthermie Lagetemperatuuraardwarmte Aquathermie Bodemenergie Uitwisselingsenergie

Omschrijving Warmte uit de diepe ondergrond (1.5003.000 m diepte). Warmte gewonnen met zonthermische systemen, inclusief opslag. Warmte uit de ondiepe ondergrond (2501.500 m diepte). Warmte uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) of drinkwater (TED). Warmte opgeslagen in aquifers (wko). Warmte- en koudestromen die uitgewisseld worden tussen verschillende vragers en aanbieders.

Temperatuurniveau MT MT/LT LT LT LT LT

Voor de nuttige inzet van alle warmtebronnen geldt dat er vele eigenschappen meegenomen moeten worden, zoals de nabijheid van vraag en aanbod van warmte, de beschikbaarheid van de warmte of de technische mogelijkheden om het überhaupt uit te koppelen. Dat ergens warmte beschikbaar is, betekent niet automatisch dat het nuttig gebruikt kan worden.

2.2

Overzicht bestaande netten Op dit moment zijn er meer dan 800.000 woningen aangesloten op een collectieve warmtevoorziening in Nederland (ca. 10%). Ongeveer 350.000 woningen daarvan is aangesloten op grote en kleine stadsverwarmingsnetten. Zo’n 500.000 woningen is aangesloten op blokverwarming (RVO, 2019). In Nederland vallen beide varianten (gegeven enkele minimumeisen) onder de definitie van een warmtenet, conform de Warmtewet. Binnen Europese richtlijnen vallen blokverwarmingssystemen niet onder de definitie van ‘district heating’. In Tabel 2 wordt een overzicht gegeven van de grote stadswarmtenetten in Nederland. Hierbij wordt een ondergrens van minimaal 150 TJ aan levering gehanteerd. In het overzicht staan tevens de verwachte groeiprognoses van de netten. Duidelijk zichtbaar is dat er een gestage groei is van de grote stadswarmtenetten in de komende jaren. Uit het overzicht blijkt dat in de gebieden met de grote warmtenetten er jaarlijks tussen de 5.000-10.000 aansluiting bij komen. En dat met name ook in de komende jaren een flinke groei wordt verwacht op die netten. Tabel 2 – Overzicht grootschalige warmtenetten (huidig en toekomstig) (RVO, 2019) Regio

9

Leverancier

Aantal aansluitingen (x 1.000) 2017

2018

2020

2023

Utrecht

Eneco

52,3

53,4

54,5

55,3

54,0

58,0

Rotterdam

Eneco en Nuon

52,1

52,7

53,4

54,4

57,2

65,6

B3-Hoek

Eneco

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

Den Haag

Eneco

4,8

5,3

5,5

6,0

9,0

13,8

Ypenburg

Eneco

10,1

10,1

10,1

10,1

10,1

10,1

Amsterdam Zuid- en Oost

Nuon

15,5

16,1

17,7

19,0

25,7

33,0

Amsterdam Noord- en West

WestpoortWarmte

9,3

10,7

12,1

15,1

19,0

28,1

Almere

Nuon

48,9

49,4

50,2

51,6

52,9

57,1

Lelystad

Nuon

4,8

4,8

4,8

4,8

4,8

4,8

Leidse regio

Nuon

8,3

8,5

8,8

9,0

9,7

10,2

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

2015

2016

Regio

Leverancier

Aantal aansluitingen (x 1.000) 2015

2016

2017

2018

2020

2023

Arnhem, Duiven en Westervoort

Nuon

13,8

14,1

14,5

15,2

16,8

17,7

Nijmegen

Nuon

3,8

4,3

5,2

5,8

6,1

9,9

Warmtenet Breda-Tilburg

Ennatuurlijk

33,9

34,3

34,6

35,2

36,3

38,4

Enschede

Ennatuurlijk

4,4

4,4

4,4

4,7

5,1

5,6

Helmond

Ennatuurlijk

6,4

6,4

6,4

6,4

6,4

6,4

Eindhoven

Ennatuurlijk

1,0

1,8

2,3

2,4

2,8

4,0

Alkmaar

HVC

4,5

4,6

4,8

5,3

6,3

7,8

Dordrecht

HVC

1,2

2,2

3,7

Purmerend

SVP

25,8

25,8

25,9

26,3

27,7

29,0

300,0

306,8

316,2

327,9

352,2

403,3

Naast deze grote warmtenetten waren er in 2016 zo’n 58.000 aansluitingen op kleine warmtenetten (< 150 TJ/jaar), goed voor 2,2 PJ aan warmte (RVO, 2019). Hiermee is de warmtelevering van grote warmtenetten dus ongeveer tien keer zo groot als de warmtelevering van de kleine warmtenetten. De beschikbaarheid van data van kleinere netten is niet continu, waardoor voor de kleinere netten onvoldoende overzichten en trends opgesteld kunnen worden. De gegevens van blokverwarmingen zijn van onvoldoende kwaliteit om daar langjarige ontwikkelingen in te zien.

2.2.1 Warmtebronnen van bestaande warmtenetten In Nederland worden veel verschillende typen warmtebronnen gebruikt. In de onderstaande figuur wordt de verdeling van de levering uit de verschillende bronnen op de grote (> 150 TJ) stadsverwarmingsnetten weergegeven. Ondanks de diversiteit aan mogelijkheden, is wel duidelijk zichtbaar dat het overgrote deel van de levering uit energiecentrales komt (wkk en grote elektriciteitscentrales). Een trend die voor het CBS zichtbaar is, is dat deze grote bronnen op basis van aardgas, steeds meer worden uitgefaseerd en worden vervangen door warmte uit afval en biomassa. Zo is het aandeel hernieuwbare warmte gestegen van 14% in 2015 naar 19% in 2017.

10

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

Figuur 4 – Herkomst geleverde warmte in Nederland in 2017

Bron: (RVO, 2019).

In het bovenstaande overzicht zitten verschillende recente ontwikkelingen nog niet opgenomen, zoals het warmtenet op biomassa in Ede of de eerste levering van geothermie aan huishoudens in Pijnacker-Nootdorp. Kleine warmtenetten leveren ook voornamelijk warmte dat afkomstig is van fossiele warmtebronnen; zo’n 60% van de warmtelevering van kleine warmtenetten komt van aardgasgestookte WKK-installaties. Daarnaast wordt ruim een kwart van de warmte geleverd door kleine netten ingevuld door warmte-koudeopslagsystemen (WKO). Kleine warmtenetten worden relatief minder vaak gevoed door biomassa dan grote warmtenetten, namelijk in zo’n 10% van de gevallen (RVO, 2019). Blokverwarming vindt in Nederland bijna exclusief plaats door middel van aardgasgestookte ketels.

2.3

Warmteleveranciers in Nederland Van oorsprong werd de warmtemarkt gedomineerd door warmtebedrijven die in handen waren van overheden (met name gemeenten). Maar met de liberalisering van de energiemarkt zijn dit steeds vaker commerciële bedrijven geworden. Hieruit zijn onder andere de drie grootste partijen voortgekomen: Nuon Warmte (Vattenfal), Eneco Warmte en EnNatuurlijk. Zij zijn gezamenlijk leverancier van ongeveer 40% van de aansluitingen op warmtenetten, zoals die in de Warmtewet worden gedefinieerd. Deze netten hebben gemiddeld een omvang van 1.000-3.000 aansluitingen. Hieronder vallen ook de grote netten van Utrecht, Amsterdam en Rotterdam. De vierde speler in Nederland is SV Purmerend. Dit gemeentelijke bedrijf is exclusief warmteleverancier in Purmerend, met een net van ongeveer 25.000 aansluitingen. De genoemde vier partijen zijn van oudsher de ‘grote warmtebedrijven’ van Nederland, maar gezamenlijk hebben zij minder dan de helft van de warmteaansluitingen in Nederland.

11

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

Het grootste aantal netten en aansluitingen zitten bij een zeer omvangrijke en diverse groep partijen, onder andere: Verenigingen van Eigenaren (210.000 aansluiting, 5.500 netten) en woningcorporaties (180.000 aansluitingen, 3.500 netten). Ook zij zijn volgens de Nederlandse Warmtewet warmteleveranciers. Zij zijn echter niet echt te bestempelen als warmtebedrijven en zijn vooral leverancier van warmte, omdat zij eigenaar zijn van het vastgoed waarbinnen de warmte wordt geleverd (met name blokverwarming). Hun activiteiten zijn daarmee geografisch gebonden aan een bepaald gebouw. Welke partijen wél als warmtebedrijven zijn te bestempelen zijn de partijen die de laatste jaren grote en kleine stappen hebben gezet op de warmtemarkt. Dit zijn enkele tientallen bedrijven. Hierbij valt onder andere te denken aan de volgende partijen.

Gemeentelijke warmtebedrijven en PPS’en Op dit moment zijn er verschillende gemeentelijke warmtebedrijven. Zo is de gemeente Eindhoven eigenaar van een warmtebron en -net in Eindhoven (2.000 aansluiting). Het Warmtebedrijf Rotterdam is ontwikkelaar van warmtenetten in Rotterdam (geen eindgebruikers, maar transportnet). En ook andere gemeenten, zoals Roosendaal en Groningen zijn eigenaar van warmtebedrijven die warmte en/of koude leveren aan klanten. En naast bedrijven die 100% in eigendom zijn van de gemeente, zijn er ook meerdere PPSconstructies in Nederland, zoals DEVO in Veenendaal (1.250 aansluiting, in ontwikkeling). Ook Westpoort Warmte in Amsterdam is een PPS tussen de gemeente Amsterdam (AEB) en Vattenfal. En hoewel het project nu stil staat, is ook Aardwarmte Den Haag een PPS tussen de gemeente en diverse marktpartijen. Het bedrijf Mijnwater BV dat LT-warmtennet in Zuid-Limburg ontwikkeld en exploiteert was in handen van de gemeente Heerlen, maar is inmiddels in handen van de provincie Limburg.

Commerciële bedrijven Ook het aantal commerciële bedrijven dat inmiddels actief is op de warmtemarkt is flink toegenomen. Niet alleen in aantal, maar ook in omvang. De grootste partijen zijn op dit moment Eteck (35.000 aansluiting, met name WKO-netten en LT-netten, ca. 200 projecten), Engie (WKO-netten en HT-netten in ontwikkeling), MPD Groene Energie (o.a. Warmtebedrijf Ede, 18.500 aansluitingen), Vaanster (ca. 170 projecten, met name WKOnetten).

Afvalbedrijven Het afval- en energiebedrijf HVC is niet in handen van één maar 44 gemeenten en 6 waterschappen en onder andere vanuit de afvalverbranders in Alkmaar en Dordrecht ontwikkelen zij sinds enkele jaren warmtenetten. HVC is met een aanzienlijk aantal warmtenetten bezig. Deze bevinden zich in diverse fasen, van gedachtenvorming tot ontwikkeling en exploitatie. In Tabel 3 in 4.4.1 wordt een overzicht gegeven van de huidige projecten. Daarnaast zijn ze betrokken initiator en trekker bij Trias Westland, een aardwarmteproject voor 26 glastuinbouwbedrijven. Ook afvalbedrijf Attero, levert warmte aan klanten. Dat zijn op dit moment alleen nog bedrijven, maar zij hebben de ambitie om ook aan bestaande en nieuwe warmtenetten voor kleingebruikers te leveren.

Netwerkbedrijven Naast de oorspronkelijke energiebedrijven zijn de laatste jaren ook de netwerkbedrijven actief geworden op de warmtemarkt. Deze activiteiten vinden plaats buiten het gereguleerde gebied en zijn vaak ondergebracht bij dochterondernemingen. Voorbeelden

12

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

zijn Firan (afsplitsing van Alliander; Warmtenet Hengelo), Enpuls (dochteronderneming Enexis, warmtenet Emmen), NetVerder (dochteronderneming Stedin; o.a. warmtenet Delft), Cogas (warmtenet Almelo). Ook de Nederlandse waterbedrijven zijn zich aan het oriënteren op de warmtemarkt en sommigen zijn al bezig met het ontwikkelen van concrete projecten, zoals Dunea (Katwijk) en Waternet (Amsterdam).

Lokale initiatieven De laatste jaren zijn er ook steeds meer lokale initiatieven, van klein tot groot, van succesvol tot onsuccesvol. Twee succesvolle initiatieven zijn ThermoBello in Culemborg (in handen van bewoners) en Glastuinbedrijf Ammerlaan The Green Innovator in Pijnacker (levering aan kassen, zwembad en 550 woningen). Beide zijn enige in hun soort. Waarbij ThermoBello het enige warmtenet van Nederland is dat gebruik maakt van thermische energie uit drinkwater (TED) is Ammerlaan het eerste en tot op heden enige geothermieproject dat ook aan woningen levert.

2.4

Ervaringen tot nu toe De eerste warmtenetten in Nederland verschenen zo’n honderd jaar geleden. En sindsdien hebben ze altijd onderdeel gevormd van de Nederlandse warmtevoorziening. Ook toen in de jaren ‘50/’60 van de vorige eeuw het Nederlandse aardgas werd gevonden en uitgerold over Nederland. De ervaringen met warmtenetten zijn de afgelopen decennia niet onverdeeld positief. In Nederland is er veel publieke discussie over verschillende onderdelen van warmtenetten en de warmtemarkt. Hierbij passeren onder andere de volgende onderwerpen vaak de revue: — Monopolypositie De energiemarkt in Nederland is geliberaliseerd. Dit geldt echter alleen voor de huishoudens die gebruik maken van elektriciteit en aardgas. De huishoudens die aangesloten zijn op een warmtenet hebben geen keuzevrijheid voor wat betreft hun warmteleverancier. De leverancier heeft in Nederland een monopoly op de levering van warmte op zijn net. Voor een deel van de huishoudens dat is aangesloten op een warmtenet geeft dit een gevoel van onrechtvaardigheid, omdat zij geen keuzevrijheid hebben in hun leverancier. Dit onderwerp is vaak onderwerp van onderzoek geweest de laatste jaren.

In een recente studie van Ecorys naar de werking van de Warmtewet (Ecorys, 2016) is (wederom) geconcludeerd dat een situatie waarbij er meerdere leveranciers op één warmtenet niet leidt tot een verbetering van de businesscase of dienstverlening. Dit geldt ook voor het toelaten van meerdere bronnen op het net, maar door hier vereenvoudige regels en criteria voor op te stellen zijn er wel ruimere mogelijkheden in de toekomst (zie verder 3.4) — Kosten Eén van de aspecten dat voortvloeit uit de monopolypositie op het warmtenet, is dat de leverancier in theorie alle vrijheid heeft om te bepalen welke prijs in rekening wordt gebracht bij de eindgebruiker. In de praktijk is hier al vele jaren echter een mechanisme voor om dit te voorkomen. Sinds enkele jaren is de Warmtewet actief, waarin de maximumprijs voor warmte wordt bepaald. En daarvoor was er het periodieke Tariefadvies dat door de branche zelf werd opgesteld. De eerste is verplicht en wordt gehandhaafd, de tweede was vrijwillig. Beide methoden zijn ontworpen als een nietmeer-dan-anders-principe (NMDA). Dit betekent dat huishoudens op een warmtenet, in principe, niet meer betalen dan wanneer zij op een gasnet aangesloten zouden zijn. Over deze methode heerst structureel veel discussie. Zowel over het principe/filosofie, als de uitwerking en berekening daarvan. HVC hanteert hierbij de lijn dat de gevraagde

13

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

tarieven altijd 5% onder de maximumprijs per GJ liggen en 21% onder de maximumprijs voor het vastrecht. Hiermee is dus een klant die aangesloten is op een warmtenet van HVC goedkoper uit dan wanneer deze aardgas zou gebruiken (gemiddeld 10% goedkoper). Op dit moment wordt nagedacht over de Warmtewet 2.0 en onderdeel daarvan is een evaluatie van het maximumprijsprincipe en het ontwikkelen van een alternatief daarvoor. Een belangrijk verschil is het loslaten van de zogenaamde ‘gasreferentie’ van het NMDA, omdat op termijn aardgas niet meer de referentie kan zijn, in een aardgasloze gebouwde omgeving. — Duurzaamheid Zoals uit de voorgaande paragraaf blijkt, bestaat het grootste deel van de warmte in de warmtenetten uit warmte van fossiele oorsprong. Daarnaast zijn ook de warmteverliezen in de diverse netten aanzienlijk. Dit leidt er vaak toe dat wordt getwijfeld aan de duurzaamheid van de warmtenetten: mogelijk wordt door gebouwen op warmtenetten meer CO2 uitgestoten dan gebouwen op gasnetten. En daarnaast is een veelgehoord argument dat door het gebruiken van warmte van fossiele oorsprong, het gebruik van die fossiele bronnen onnodig lang in stand wordt gehouden.

Om de duurzaamheid van collectieve warmtenetten in de toekomst te verbeteren, is het noodzakelijk dat voor ieder warmtenet een bronnenstrategie ontwikkeld wordt, om op termijn geen (of minimaal) gebruik te maken van fossiele energiebronnen. De verschillende grote en kleine warmtebedrijven zijn hier al mee bezig. Het opstellen van een bronnenstrategie voor de lange termijn is geen sinecure. Veel alternatieven van de huidige bronnen kennen voor- en vooral ook nadelen. Het is daarom belangrijk dat het opstellen van een dergelijke strategie een dynamisch proces is, waarbij periodiek gekeken kan worden of de gekozen strategie nog aansluit bij de kennis en inzichten in de mogelijkheden. Voor HVC is een duurzame bedrijfsvoering van de warmtenetten belangrijk en daar wordt dan ook veel aandacht aan gegeven. Een resultaat daarvan is onder andere dat het warmtenet in Alkmaar (Alkmaar, Heiloo, Langedijk en Heerhugowaard) in december 2017 is verkozen tot duurzaamste warmtenet van Nederland (Energie+, 2018).

14

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

3 Warmtenetten in de transitie De komende decennia gaat er veel veranderen in de Nederlandse warmtevoorziening: de 95% van de gebouwen die nu nog (in)direct met aardgas worden verwarmd moeten allen een alternatieve warmtevoorziening krijgen. Warmtenetten zijn hiervoor een mogelijke route. In dit hoofdstuk wordt ingegaan wat de toekomstverwachtingen zijn voor warmtenetten in de Nederlandse energietransitie. Het Klimaatakkoord is hét document dat de komende decennia de warmtetransitie gaat vormen. Daarom begint dit hoofdstuk met een kort overzicht van hetgeen opgenomen is in het Klimaatakkoord. Daarnaast gaan we in op andere effecten op de korte, midden en lange termijn.

3.1

Wat staat er in het Klimaatakkoord over warmtenetten? In het Klimaatakkoord hebben bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden maatregelen afgesproken waarmee het doel van 49% minder CO 2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990 gehaald kan worden. Warmtenetten zijn een belangrijk onderdeel van het Klimaatakkoord, vooral in de sector Gebouwde omgeving. De sector Gebouwde omgeving streeft naar het doel van 3,4 Mton minder CO2-uitstoot in 2030 (Rijksoverheid, 2019). Daarom zullen in 2050 alle 7 miljoen huizen en 1 miljoen gebouwen in Nederland in plaats van door aardgas, verwarmd worden met hernieuwbare warmte. Om de CO 2-reductiedoelstelling van 2030 te halen, moeten in 2021 50.000 bestaande woningen per jaar verduurzaamd worden. Dat tempo moet in 2030 opgelopen zijn tot meer dan 200.000 woningen per jaar. Aansluiten op een warmtenet is één van de oplossingsrichtingen naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Volgens het Klimaatakkoord zijn warmtenetten vaak een oplossing voor wijken en buurten van voor 1995 met dichte bebouwing en veel hoogbouw.

Regionale Energie Strategie (RES) De RES is een regionaal samenwerkingsverband voor de ruimtelijke inpassing van de energietransitie. Nederland is opgedeeld in 30 regio’s en al deze regio’s moeten een regionale vertaling maken van de nationale afspraken uit het Klimaatakkoord voor elektriciteit en gebouwde omgeving. Elke gemeente, provincie en ook waterschap werkt op dit moment binnen deze regio’s samen met stakeholders aan een Regionale Energiestrategie. De RES is een instrument om gezamenlijk te komen tot keuzes voor de opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag en energie infrastructuur. De eerste versie, de RES 1.0, wordt maart 2020 opgeleverd.

Regionale Structuurvisie Warmte (RSW) Het deel van de RES dat over de warmtetransitie gaat, is de Regionale structuurvisie warmte (RSW). De RSW geeft informatie over de invulling van de warmtestructuur over de gemeentegrenzen heen. Het gebruik van potentiële warmtebronnen is het best regionaal af te stemmen. De RSW zorgt voor vroegtijdig inzicht op regionaal niveau in de (ruimtelijke) beschikbaarheid van duurzame warmtebronnen, de totale warmtevraag en de bestaande en geplande infrastructuur voor warmte. Door op regionaal niveau afspraken over, en een afwegingskader voor, de verdeling van warmte te maken, kan ondanks de schaarse bronnen,

15

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

optimaal worden omgegaan met de warmtepotentie in een gebied. De RSW dient als voorbereiding op de Transitievisie Warmte.

Transitievisie Warmte (TVW) Gemeenten zijn volgens het ontwerp Klimaatakkoord de regisseurs van de warmtetransitie voor de gebouwde omgeving. Samen met vastgoedeigenaren, bewoners, netbeheerders en medeoverheden moeten zij eind 2021 een transitievisie warmte klaar hebben. Daarin staan voorstellen voor duurzaam aardgasvrij verwarmen en koken. De Transitievisie Warmte geeft richting in de aanpak. Het bevat ook een wijk-voor-wijkstappenplan die alle partijen houvast geeft voor de planning. Dit plan geeft aan in welke volgorde een gemeente haar wijken gaat verduurzamen. En welke warmteoplossing het meest waarschijnlijk is. In de TVW ligt de focus op de wijken en buurten waar voor 2030 gestart kan worden met de transitie. Door deze wijkgerichte aanpak kunnen warmtenetten op wijkniveau worden georganiseerd en kunnen bovendien andere opgaven in wijken gemakkelijker worden meegekoppeld. In de Transitievisie warmte is woonlastenneutraliteit een belangrijk uitgangspunt.

Wijkuitvoeringsplannen Een wijkuitvoeringsplan is een plan voor een wijk die helemaal overgaat naar een aardgasvrije energievoorziening. Op basis van het plan kan de overgang door de betrokkenen worden gestart. Het is een concreet plan, waarin keuzes en planningen worden opgenomen. De voorgenoemde documenten en processen zullen de komende periode een heel groot deel van de het toekomstbeeld in gaan vullen. Voor de komende tien jaar worden hele concrete plannen ontwikkeld en ook naar 2050 zullen de eerste contouren worden geschetst. In ieder geval moeten de processen ertoe leiden dat de afspraken uit het Klimaatakkoord behaald gaan worden: De groei van warmtenetten met 80.000 woningequivalenten per jaar in 2030.

Startmotor huursector Aangezien de wijkgerichte aanpak pas vorm zal krijgen met het vaststellen van de gemeentelijke Transitievisies warmte in 2021, is besloten om een begin te maken met de warmtetransitie via de startmotor huursector. Het doel hiervan is om in de periode 20192022 minimaal 100.000 woningen aardgasvrij/aardgasvrij-ready te maken aanvullend op de afspraken uit het Energieakkoord. Bovendien gaan woningcorporaties zich samen met lokale overheden inzetten om de warmtevraag te bundelen ten behoeve van de ontwikkeling van duurzame warmtebronnen en –netten.

Groei in warmtenetten In het Klimaatakkoord wordt benadrukt dat een duidelijke verdeling van rollen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden belangrijk is voor een snelle uitbreiding van warmtenetten. Een goede afstemming tussen betrokken partijen – zoals gemeenten, warmtebedrijven, woningcorporaties en netbeheerders - zorgt er tevens voor dat projecten en keuzes passen binnen de te ontwikkelen wijkgerichte aanpak. Het Klimaatakkoord verwacht een groei in stadswarmte naar 80.000 woningequivalenten per jaar in 2025. Dit tempo moet vastgehouden worden tot 2030. Dit resulteert in een warmtevraag van 40 PJ in 2030 (de huidige warmtenetten leveren momenteel zo’n 20 PJ aan warmte). Onder de juiste voorwaarden zou het mogelijk moeten zijn om richting 2030 meer dan 80.000 woningequivalenten per jaar aan te sluiten op warmtenetten.

16

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

Voorwaarden voor groei in warmtenetten Om deze groei in warmtenetten te realiseren moet worden voldaan aan: — randvoorwaarden omtrent de marktordening; — afdekking van de onrendabele top van warmtenetten door de overheid; — programmatische aanpak van de vraag; — normering van gebouwen (Rijksoverheid, 2019). Om de onrendabele top van duurzame warmtenetten te verkleinen, stelt de overheid SDE+ middelen beschikbaar. Ook werkt de overheid samen met de warmtesector de verbrede SDE+ uit, waarin wordt bepaald welke technieken in aanmerking voor deze stimuleringsregeling in aanmerking komen. Daarnaast wordt een meer adequate stimulering van de toepassing van geothermie onderzocht. Bovendien gaat de Rijksoverheid onderzoeken onder welke voorwaarden restwarmte als duurzaam gewaardeerd kan worden in BENG-regelgeving en CO2-reductierapportages. Tekstbox 1 - Warmtewet 2.0 De Warmtewet biedt bescherming tegen een te hoge prijs voor warmte aan gebruikers van warmtenetten. Omdat warmtenetten een grote rol zullen gaan spelen in de Nederlandse energievoorziening, wordt de Warmtewet 2.0 ontwikkeld. In de ontwikkeling van de Warmtewet 2.0 staan de thema’s (1) Marktordening, (2) Tariefregulering, en (3) Verduurzaming centraal (MinEZK, 2019). Mogelijk zullen ook de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet daarbij gewijzigd moeten worden.

In 2019 kijkt het Rijk op welke manier zij (industriële) warmtenetten financieel kan ondersteunen.

CO2-reductie van warmtelevering via warmtenetten Met de groei in warmtenetten, en met het verduurzamen van warmtebronnen, hoopt het kabinet 1 Mton CO2-reductie te realiseren in 2030. Van warmtebedrijven wordt verwacht dat zij in 2030 een gemiddelde CO2-reductie realiseren van 70% ten opzichte van de conventionele cv-ketel op aardgas. De CO2-intensiteit van warmte geleverd door stadswarmtenetten dient dus te worden verlaagd naar 18,9 kg CO 2/GJ. Om deze reductie te bereiken zal de warmtesector zorgen voor een groei in de productie en distributie van hernieuwbare warmtebronnen. Een mix van warmtebronnen – bestaande uit geothermie, aquathermie, restwarmte, zonnewarmte, biomassa, power-to-heat en duurzame gassen - is nodig om de doelstellingen te realiseren. De warmtesector en de Rijksoverheid gaan samen onderzoeken of de energiebelasting kan worden aangepast ten behoeve van duurzaam opgewekte warmte, en of piekketels kosteneffectief verduurzaamd kunnen worden door de inzet van biobrandstoffen, groen gas en hernieuwbare elektriciteit.

3.1.1 Effect van energiebesparing op warmtenetten Uitgangspunt van het Klimaatakkoord is de inzet op vergaande energiebesparing in de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. De jaarlijkse netto warmtevraag van gebouwen wordt uitgedrukt in kWh/m2/jaar. Verbeteringen in gebouwisolatie en warmteafgiftesystemen verlagen de netto warmtevraag. Een lagere netto warmtevraag creëert de mogelijkheid voor warmtebedrijven om de temperaturen in warmtenetten te verlagen. Op deze manier kunnen ook lagetemperatuur (LT-)warmtebronnen in het net ingevoed worden. Het energieverlies van LT-warmtenetten is lager dan het verlies van hogetemperatuurwarmtenetten (CE Delft, sd). Hierdoor hebben LT-warmtenetten over het algemeen een hoger rendement (uitgedrukt in equivalent opwekkingsrendement, EOR). Een warmtenet

17

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

met een hoog EOR gebruikt relatief weinig fossiele energie voor de warmtelevering, en stoot dus minder broeikasgassen uit. Wanneer energiebesparingsmaatregelen zorgen voor een lagere warmtevraag van gebouwen, kan dit warmtenetten minder rendabel maken doordat investeringen zich minder snel terugbetalen. Daar staat tegenover dat het aantal gebouwen dat kan worden aangesloten kan toenemen. In de Warmtemonitor wordt bijvoorbeeld genoemd dat in de periode 2018-2023 het aantal aansluitingen op grote warmtenetten naar verwachting met 23% zal toenemen, terwijl de warmtelevering met slechts 16% stijgt (RVO, 2019). Dit komt doordat het gemiddelde warmteverbruik door energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, afneemt. Ook warmere winters doen het gemiddelde warmteverbruik dalen.

3.2

Lopende projecten Door veel partijen in Nederland, worden warmtenetten als zinvolle ontwikkelroute gezien naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. In Tabel 2 wordt weergegeven dat de bestaande, grote netten de komende jaren gestaag door blijven groeien. Maar daarnaast zijn er ook andere, nieuwe projecten. Deze zijn veel in aantal en in de komende drie paragrafen wordt een indicatie gegeven van enkele concrete projecten.

3.2.1 Groeneweide projecten De groeneweide projecten zijn de projecten die plaatsvinden in gebieden waar nog geen bestaande warmtenetten aanwezig zijn, of waar op bestaande netten wordt aangetakt. Dit zijn onder andere: — Zaanstad Eind 2019 krijgen in Zaandam Oost de eerste 2.200 woningen warmte geleverd uit het nieuwe warmtenet dat op dit moment wordt aangelegd. Het warmtenet in Zaandam is ontwikkeld als een open warmtenet, waarbij de rollen zijn verdeeld over verschillende partijen (producent, transporteur, leverancier). Het net zal gevoed worden door een nieuw te bouwen biomassacentrale. Bij het net zijn Engie, Firan, de gemeente en woningcorporaties betrokken. — Apeldoorn (nieuwbouw) Bij het nieuwbouwproject Ugchelen Buiten wordt een woonwijk aangesloten op een nieuw warmtenet. Het warmtenet wordt gevoed door een biomassacentrale. Het warmtenet wordt ontwikkeld en geëxploiteerd door MPD Groene Energie — Hengelo Het warmtenet in Hengelo is de afgelopen jaren ontwikkeld en wordt op dit moment nog verder uitgebreid. In dit warmtenet wordt LT-warmte vanuit de zoutfabriek van AkzoNobel via een backbone de stad in geleid. Vanuit de backbone wordt de warmte in kleinere distributienetten op de juiste temperatuur gebruikt. De restwarmte van AkzoNobel is ‘gecascadeerde’ warmte, die in eerste instantie als stoom uit de afvalverbrander van Twence komt.

— Leeuwarden Het warmtenet in Leeuwarden wordt ontwikkeld door het consortium Warmte van Leeuwarden (Bouwgroep Dijkstra Draisma, ECW, EnNatuurlijk). In de afgelopen jaren zijn reeds twee warmtenetten ontwikkeld welke uitgebreid gaan worden en worden voorzien van een geothermische warmtebron. De huidige netten worden sinds 2015 gevoed door warmtekrachtkoppelingen. — Groningen Onder de noemer WarmteStad zijn de gemeente Groningen en het Waterbedrijf Groningen op diverse plekken in de stad bezig nieuwe warmtenetten te ontwikkelen. De warmte komt van datacenters en wordt met behulp van collectieve warmtepompen

18

190405 - Warmtestrategie HVC - 18 november 2019

—

— —

—

—

opgewaardeerd naar het gewenste temperatuurniveau. Uiteindelijk moeten meer dan 10.000 woningen in Groningen hiermee verwarmd worden. Deventer (nieuwbouw) In de wijk Zandweerd wordt een warmtenet ontwikkeld voor de nieuwbouw. Het net wordt ontworpen met het idee dat op een later tijdstip ook de bestaande bouw in de omgeving aangesloten kan worden. Uiteindelijk moeten 2.200 woningen aangesloten zijn. Het net wordt gevoed door warmte uit de rioolwaterzuivering. De gemeente is de eerste (tijdelijke) eigenaar van het project, om het later door te verkopen aan een partij die het warmtenet verder zal exploiteren. Roermond In Roermond ontwikkelt Enpuls het Slim Energienet Roermond. Dit net moet 1.200 tot 2.200 huishoudens in Roermond van duurzame warmte gaan voorzien na 2020. Den Helder In Den Helder is HVC bezig om samen met de gemeente en woningcorporaties een warmtenet te ontwikkelen op basis van geothermie. Op termijn moet dit net aan circa 7.500-10.000 woningen warmte leveren. IJmond In de regio IJmond ontwikkelt HVC een warmtenet dat zowel gebruik maakt van geothermie als van industriële restwarmte. Het wordt een omvangrijk warmtenet dat uiteindelijk aan circa 30.000 woningequivalenten warmte gaat leveren. Westland glastuinbouw Niet alleen bij woningen, maar ook in de glastuinbouw worden warmtenetten ontwikkeld.

In Westland ontwikkelt en realiseert HVC (met ETP) diverse warmtenetten voor glastuinbouwbedrijven, met in totaal een thermisch vermogen van 210 MW 5.

3.2.2 Proeftuinen Eind 2018 heeft de Nederlandse Rijksoverheid een subsidie ingesteld voor 27 wijken die in 2019 een start gaan maken om aardgasvrij te worden. Hiervoor was een subsidie van 120 mln euro beschikbaar. De aanvraag was bedoeld om op zeer korte termijn projecten te realiseren en om te leren van de aspecten waar men (gemeente, corporaties, warmtebedrijven, bewoners) tegenaan loopt, wanneer bestaande woonwijken van het aardgas af gaan. In Figuur 5 worden de 27 wijken weergegeven. Van de 27 wijken, wordt in 22 wijken een oplossing toegepast die gebruik maakt van een warmtenet 6. HVC is betrokken bij twee proeftuinen: — Proeftuin Nagele (nr. 15): Energiek Nagele heeft HVC vanwege kennis en ervaring op gebied van techniek (van warmtenetten) maar ook op juridisch en financieel vlak, gevraagd om haalbaarheidsonderzoek uit te voeren en businesscase uit te werken. Hoewel dit niet betekent dat HVC per definitie bij toekomstige exploitatie van het project wordt betrokken, maar die kant gaat het wel op. — Proeftuin Sliedrecht-Oost (nr. 21): HVC is in dit project partner van de gemeente. Hier wordt een overgedimensioneerd net ontwikkeld, met als achterliggend doel om uiteindelijk voldoende ‘massa’ te maken voor ontwikkeling geothermie-doublet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.papendrecht.nl/api/v1/meetings/214/documents/3989