Bijlage 1c Toelichting - bestemmingsplan Papendrecht, Bosch 89.pdf
Tekst van het document
De commissie zal bij de advisering onder meer aandacht schenken aan de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. Welstandscriteria Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving getoetst aan de hand van de volgende criteria: Ligging • het kleinstedelijke karakter van het gebied behouden • de hoofdbebouwing staat aan de straatzijde, aan de dijk op kruinhoogte, bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie • nieuwe woningen op kruinhoogte plaatsen tegen het oorspronkelijke dijkprofiel aan met behoud van het dijkprofiel (niet aandijken) of op enige afstand ter hoogte van de voet van de dijk • de rooilijnen van de hoofdmassa’s volgen de weg, verspringen ten opzichte van elkaar en zijn per cluster in samenhang • de bebouwing met de voorgevel op de dijk richten en concentreren in de linten, met behoud van doorzichten naar het landschap • rooilijnen volgen het dijklint en zijn per cluster of rij in samenhang Massa • de bouwmassa en gevelopbouw zijn evenwichtig, in harmonie met het gebiedskarakter en afgestemd op de oorspronkelijke bebouwingskenmerken van de dijk (hoofdvorm en nokrichting)
Pagina 34 van 66
• • • • • • •
gebouwen zijn kleinschalig, individueel en afwisselend en hebben bij voorkeur een eenvoudige rechthoekige plattegrond de individuele woning binnen een rij of complex is deel van het geheel woningen hebben bij voorkeur een onderbouw van één of twee lagen met een eenduidige en nadrukkelijke kap de nok is evenwijdig aan de dijk of de verkavelingsrichting van het landschap uitbreidingen zoals aanbouwen en dakkapellen vormgeven als toegevoegd ondergeschikt element bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa en eenvoudig van vorm dakkapellen raken de gootlijn als dit bijdraagt aan de architectuur van de gevel en de straatwand
Architectonische uitwerking • de architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig en evenwichtig • de architectuur volgt het beeld van kleinschalige bebouwing met nadruk op de kap • grotere massa’s hebben een gelede massaopbouw en een verfijnde architectonische uitwerking in aansluiting op kleinschalige bebouwing • begane grondlaag afstemmen op geleding, ritmiek en stijl van de hele gevel • elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel plaatsen • kozijnen, dakgoten en dergelijke zorgvuldig detailleren • ramen zijn bij voorkeur staand of (verticaal) onderverdeeld • wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume Materiaal en kleur • materialen en kleuren zijn terughoudend en bij voorkeur traditioneel • gevels in hoofdzaak uitvoeren in baksteen of in een lichte tint pleisteren • hellende daken dekken met (matte) keramische pannen • houtwerk schilderen in traditionele kleuren • kleuren afstemmen op wat in de omgeving gebruikelijk is
Pagina 35 van 66
5.
Omgevingsaspecten
5.1 Milieueffectrapportage (m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het plan voorziet in de inpassing van één woning binnen de structuur van een bestaand woonlint. Het plan zou daarmee kunnen vallen in onderdeel D11.2: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ De vraag die beantwoord moet worden is of de inpassing van een nieuwe woning binnen de structuur van een bestaan woonlint gezien moet worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (niet te verwarren met het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’).
Uit jurisprudentie blijkt het volgende: ‘Het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen en is niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan’ (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 11 maart 2020; ECLI:NL:RVS:2020:729). Het plan, het inpassen van één enkele woning binnen de bebouwde kom van Papendrecht (gebouwde omgeving) en binnen de structuur van een bestaand woonlint, is qua aard en omvang kleinschalig te noemen. Daarnaast zal met het realiseren van één woning met bijbehorende bouwwerken het ruimtebeslag gering zijn. Gelet hierop kan het plan niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het plan valt daarmee niet in onderdeel D 11.2. Het plan valt verder ook niet in overige activiteiten die zijn opgenomen in bijlage C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er is daarmee geen m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd.
Pagina 36 van 66
5.2 Waterparagraaf Beleidskader Het waterschap Rivierenland is de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen en beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. De waterparagraaf heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid De gemeente Papendrecht en Waterschap Rivierenland hebben samen het stedelijk waterplan voor Papendrecht vastgesteld. Het waterplan heeft betrekking op het oppervlaktewater en het grondwater. In het plan wordt een visie gegeven op het stedelijk water en het realiseren van een gezond en veilig functionerend watersysteem. In de gemeente Papendrecht geldt bij nieuwbouw dat 20 mm hemelwater op eigen terrein wordt geborgen. Gebruikelijk binnen stedelijke ontwikkeling is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel in de vorm van een riool waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1.
Beschermen tegen overstromingen. 2. Water eerlijk verdelen. 3. Voorbereiden op extreem weer. 4. Schoon water. 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. 6. Zwemwater. 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. 8. Toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een Aof B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud.
De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt Pagina 37 van 66
gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Peilgebied Het plangebied is gelegen in het peilgebied NDW052. Het peilgebied heeft een minimum peil van 0,6 m NAP en een maximaal peil van 0,7 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt binnen het plangebied voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Plangebied
Afbeelding 17: Peilgebiedenkaart
Watergangen In of nabij het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Waterkering Het plangebied is voor het overgrote deel gelegen in de buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. Voor een heel klein deel ligt het plangebied binnen de beschermingszone van de waterkering (de woning wordt echter volledig binnen de buitenbeschermingszone gebouwd). Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding.
Pagina 38 van 66
Afbeelding 18: Legger waterkeringen
De nieuwe woning valt buiten de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland is hiermee niet vereist dan wel noodzakelijk. Op basis van de Barro (2012) wordt op de verbeelding ter plaatse van de beschermings- en buitenbeschermingszone van de primaire waterkering een vrijwaringszone opgenomen. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Het plangebied is op dit moment niet verhard, met deze ontwikkeling zal derhalve een toename in verharding ontstaat. Hoe en hoeveel verharding in de toekomst zal worden aangelegd, is niet bekend. Daarom is voor de verhardingsbalans aangesloten bij de vuistregels van het waterschap. Het waterschap gaat bij kavels van vrijstaande woningen uit dat 70% van het kavel wordt verhard (woning + tuinverharding.
Het plangebied beslaat een oppervlak van 470 m², wat zou betekenen dat het perceel in de nieuwe situatie met (470 m² × 70% =) 329 m² wordt verhard. Op basis van het waterschapbeleid ontstaat daarmee een watercompensatie-opgave van (329 m² x 0,0436 =) 14,34 m³. Uitgaande van een waterpeil van 0,2 m ontstaat een Pagina 39 van 66
watercompensatieopgave van 71,10 m². Omdat de verhardingstoename onder de 500 m² blijft, kan ook gebruik worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling. In dat geval is watercompensatie niet nodig. De afdeling Vergunning van het waterschap zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Indien de vrijstelling niet wordt ingezet, dient de watercompensatie gerealiseerd te worden. Omdat er rondom het plangebied geen water aanwezig is waar de compensatieopgave op aan kan sluiten, zal de compensatie elders moeten plaatsvinden. Een voorbeeld waar de compensatie kan plaatsvinden is in de ‘oksel’ van de Slobbengorsweg – Bolwerk, langs de Havenstraat of in Park Slobbengorsweg. Op deze manier kan de compensatie plaatsvinden in hetzelfde peilgebied als waar de verhardingstoename plaatsvind. Verder dient conform het Gemeentelijk Rioleringsplan 20 mm waterberging plaats te vinden binnen het plangebied, bijvoorbeeld door het toepassing van sedum dakbedekking en/of waterdoorlatende bestrating. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig waar het hemelwater (oppervlakkig) op kan afstromen. Het hemelwater dient zoveel mogelijk op eigen terrein verwerkt worden.
Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundig systeem ter plaatse.
Pagina 40 van 66
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.
De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een woning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van de toevoeging van een geluidgevoelig object. Derhalve is een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van een gezoneerd industrieterrein of een spoorweg. Deze bronnen kunnen derhalve verder buiten beschouwing worden gelaten. Het plangebied is wel gelegen binnen de invloedssfeer van wegen. Derhalve is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. Uit het akoestisch onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: •
“De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Pontonniersweg ten hoogste 49 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar
Pagina 41 van 66
•
•
• •
niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer van 63 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh in stedelijk gebied; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle 30 km/h wegen, waarvan de Bosch maatgevend is, ten hoogste 53 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh bedraagt. 30 km/h wegen hebben van rechtswege geen geluidzone en worden in het kader van de ruimtelijke ordening niet getoetst aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 53 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; Omdat er een geluidluwe gevel aanwezig is wordt aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid voldaan; Door het binnenniveau van 33 dB in de woning door gevelmaatregelen te waarborgen is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Aan te vragen hogere grenswaarden wegverkeerslawaai Een verzoek tot vaststelling voor de in onderstaande tabel weergegeven hogere waarde dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Papendrecht.
Geluidwering van de gevel Voor woningen waarvoor een hogere waarde wordt aangevraagd dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit. De benodigde karakteristieke geluidwering van de gevel bedraagt voor de woning 25 dB.” Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen. Wel dienen hogere waarden vastgesteld worden. Deze hogere waarde-procedure loopt qua terinzagelegging en vaststelling tegelijkertijd met de procedure van deze bestemmingsplanherziening.
Pagina 42 van 66
5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 1: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2022 het volgende overzicht voor het jaar 2021 (receptorpunt 24483621_15477852): • Een stikstofconcentratie van 20,69 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,02 µg PM10/m3, met niet meer dan 11 overschrijdingsdagen; • Een fijnstofconcentratie van 10,42 µg PM2,5/m3.
Pagina 43 van 66
Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
Pagina 44 van 66
5.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Tabel 2: Afstanden/toelaatbaarheid per (milieu)categorie Gebied met functiemenging Gebied met functiescheiding Cat. Toelaatbaarheid MilieuRustige Gemengd categorie woonwijk of gebied rustig buitengebied Activiteiten zijn zodanig 1 10 m 0m weinig milieubelastend voor 2 30 m 10 m hun omgeving, dat deze 3.1 50 m 30 m aanpandig aan woningen – 3.2 100 m 50 m in gebieden met 4.1 200 m 100 m A functiemenging – kunnen 4.2 300 m 200 m worden uitgevoerd. De 5.1 500 m 300 m eisen uit het Bouwbesluit 5.2 700 m 500 m voor scheiding tussen wonen 5.3 1.000 m 700 m en bedrijven zijn daarbij 6 1.500 m 1.000 m toereikend.
B
C
Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009)
In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een grotere functiescheiding dan een Pagina 45 van 66
gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In beide gevallen wordt er gewerkt met milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden om de functies van elkaar te scheiden. Onderzoek Het plan betreft de toevoeging van een woning. Hiermee is sprake van het toevoegen van een milieugevoelig object. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en instellingen als gevolg van het plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Omgevingstype De richtafstanden in het VNG-Handreiking hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. Onder het omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ wordt het volgende verstaan: "Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.
Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie, een stiltegebied of een natuurgebied)." Onder het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt het volgende verstaan: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." De omgeving van het plangebied kan aangemerkt worden als lintbebouwing binnen de bebouwde kom. Binnen het lint komen verschillende functies voor, zoals woningen, een kantoor en restaurants. Verder grenst het plangebied aan het centrumgebied van Papendrecht, waar wordt uitgegaan van het principe functiemenging. Derhalve wordt ervan uitgegaan dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een gebied dat te typeren is als een gemengd gebied. Hierdoor zijn gereduceerde richtafstanden gerechtvaardigd.
De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd. Categorie 2-bedrijven In de omgeving van het plangebied komen bedrijven in de milieucategorie 1 en 2, zoals kantoren, winkels en restaurants. Hiervoor geldt een zwaarste richtafstand van 10 meter. Binnen 10 meter van het plangebied komen geen van dergelijke bedrijven voor.
Pagina 46 van 66
Nutsvoorziening/transformatorhuisje (installaties nr. 26) Ten zuidwesten van het plangebied is een transformatorhuisje aanwezig. Hiervoor geldt geen richtafstand in gemengd gebied. Autoparkeerterrein en parkeergarage (SBI-2008 code 5221.1) Direct ten zuiden van het plangebied is een autoparkeerterrein aanwezig en ten noordoosten is parkeergarage De Overtoom gelegen. Conform de VNG-Handreiking gelden voor autoparkeerterreinen en autogarages geen richtafstanden in gemengd gebied. Tankstation (SBI-2008 code 473.3) Op een afstand van ruim 60 meter is een tankstation zonder LPG aanwezig. Dergelijke tankstations vallen binnen milieucategorie 2, waarvoor een zwaarste richtafstand geldt van 10 meter. Jachthaven (SBI 2008-code 932.G) Verder ten zuiden van het plangebied is een jachthaven aanwezig. Een jachthaven is ingedeeld in milieucategorie 3.1, waarvoor een zwaarste richtafstand geldt van 30 meter. Het plangebied is op een grotere afstand gelegen dan 30 meter tot de haven. Industrieterrein Fokker (conform bestemmingsplan milieucategorie 5.1) Ten westen van het plangebied is een industrieterrein gelegen. Hierbinnen zijn onder andere bedrijven voor de vervaardiging van transportmiddelen, waaronder vliegtuigen, producten van metaal en producten van kunststof, toegestaan.
Dergelijke bedrijven vallen in milieucategorie 5.1, waarvoor een zwaarste richtafstand geldt van 300 meter in gemengd gebied. Het plangebied is verder gelegen dan 300 meter tot de bedrijfsbestemming van het industrieterrein.
Afbeelding 19: Afstand plangebied tot industrieterrein
Pagina 47 van 66
Veldsportcomplexen met verlichting (SBI 2008-code 931.G) Ten zuidwesten van het industrieterrein van Fokker zijn een voetbalvereniging en een tennisclub gelegen. Beide sportcomplexen zijn voorzien van verlichting. Hiervoor geldt een zwaarste richtafstand van 30 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.
Pagina 48 van 66
5.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Voor het inzichtelijk maken van externe veiligheidsrisico’s is de risicokaart geraadpleegd.
Plangebied
Afbeelding 20: Uitsnede risicokaart
Pagina 49 van 66
Stationaire bronnen/risicovolle bedrijven Er bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen locaties waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvind. Het plangebied is niet gelegen binnen of nabij een PR10-6-contour van Bevi-inrichtingen. Op enige afstand is het risicovolle bedrijf Fokker Aerostructures B.V. aanwezig. Het invloedsgebied wordt bepaald door het maatgevende scenario ‘warme BLEVE als gevolg van brand in een LPGtankwagen’ en betreft 245 meter. Het plangebied is gelegen op een grotere afstand dan 245 meter tot het bedrijf. Een verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet nodig. Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant transport van gevaarlijke stoffen plaats over de weg. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 2,1 km en 1,3 km tot respectievelijk de Rijksweg A15 en de provinciale weg N3. Over deze wegen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De A15 heeft ter hoogte van het plangebied een veiligheidszone van 46 meter, gemeten vanaf het midden van de weg en een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, gemeten vanaf de buitenste rijstrook. Deze contouren vallen niet binnen het plangebied.
Omdat het plangebied is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van de A15 en de N3, behoeft het groepsrisico op basis van het Bevt niet berekend te worden. Het plangebied is ook gelegen buiten het invloedsgebied van de A15 en de N3. Een verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet nodig. Vervoer gevaarlijke stoffen over water Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 250 meter tot de binnenvaarroute Beneden-Merwede. Op grond van het Basisnet Water wordt de Beneden Merwede aangegeven als zwarte vaarroute (belangrijke binnenvaartweg). Voor zwarte vaarwegen geldt dat de PR 10-6 contour niet verder reikt dan de oever en dat een groepsrisicoberekening alleen benodigd is indien sprake is van hoge personendichtheden (meer dan 1.500 personen per hectare). De bevolkingsdichtheid van Papendrecht valt ruimschoots onder deze waarde. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 25 meter vanuit de kade en reikt niet tot het plangebied. Een verantwoording, waarbij wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, is op grond van het Bevt wel benodigd, omdat het invloedsgebied van gevaarlijke stoffen reikt tot het plangebied. Voor de verantwoording hoeft enkel rekening te worden gehouden met een toxisch scenario. Vervoer gevaarlijke stoffen over spoor Het plangebied is gelegen op een afstand dan circa 2.300 meter tot de Betuweroute.
Gezien de ruime afstand van het plangebied tot aan de Betuwelijn is een berekening niet noodzakelijk. Deze spoorlijn kent wel een invloedsgebied van het groepsrisico van meer dan 4 kilometer, waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico moet worden opgesteld.
Pagina 50 van 66
Beperkte verantwoording Beneden-Merwede en Betuweroute Een eventuele calamiteit op de Beneden-Merwede en/of de Betuweroute dient beperkt verantwoord te worden ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Scenario’s Door een incident op de Betuweroute met een tankwagon met toxische vloeistof scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische vloeistof stroomt in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind. Door een incident op het water met een binnenvaarttanker met een toxische vloeistof (bijvoorbeeld acrylnitril) scheurt de tankwand boven de waterlijn. Een deel van de toxische vloeistof stroomt gedurende een half uur uit. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind. De vloeistof vormt een toxische plas die langzaam oplost in het water. Bij een toxisch gas (bijvoorbeeld ammoniak) ontstaat een toxische damp die met de wind meevoert. Bestrijdbaarheid Voor toxische stoffen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied.
Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bronbestrijding is op het water niet mogelijk, aangezien de brandweer na afloop van de uitstroom ter plaatse komt (op het water). De brandweer zal zich daarom richten op het verdunnen van toxische dampen. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. De bewoners van de nieuwe woning kunnen van de Beneden-Merwede vluchten. Het plangebied wordt ontsloten via een openbare weg. Via deze en omliggende wegen is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten. Zelfredzaamheid Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Snel reageren is bevorderlijk. Voor personen buiten is het handelingsperspectief van de calamiteit af te vluchten (een natte doek om door te ademen vermindert de blootstelling). Indien vluchten niet mogelijk is, is een schuilplaats binnen gaan een goed handelingsperspectief. Voor personen binnen is het handelingsperspectief binnen blijven en naar de hoogste bouwlaag met een vlak plafond te gaan.
Ramen en deuren dienen gesloten te worden en de ventilatie uitgeschakeld. Pagina 51 van 66
Brandweer Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). De afstand van een opstelplaats van een tankautospuit en de toegang van een woning mag maximaal 40 meter zijn. Aan de openbare weg Bosch is voldoende ruimte voor het parkeren en manoeuvreren van een tankautospuit van de brandweer. Hiermee wordt voldaan aan de handreiking omtrent een opstelplaats voor de brandweer. Advies Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) De Veiligheidsregio heeft voorliggend plan beoordeeld en kan zich vinden in deze paragraaf externe veiligheid. Wel adviseert de VRZHZ de woning te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: “Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020).” Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Pagina 52 van 66
5.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen of straalpaden gelegen. Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal een KLIC-melding gedaan moeten worden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal een KLIC-melding gedaan moeten worden.
Pagina 53 van 66
5.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. De resultaten uit de quickscan luiden als volgt: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).
Gezien de maatregelen om effecten op huismus te voorkomen dienen de werkzaamheden te worden opgestart buiten het broedseizoen van de huismus en dienen de meest verstorende werkzaamheden buiten dat broedseizoen te worden uitgevoerd (dat loopt van 1 maart tot 1 september). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde realisatie van een woning aan de Bosch 89 te Papendrecht is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, potentiële nestlocatie van de huismus in naastgelegen bebouwing en algemene Pagina 54 van 66
broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).
Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Tevens wordt geadviseerd de werkzaamheden op te starten buiten het broedseizoen van de huismus (dat loopt van 1 maart tot 1 september). De meest verstorende werkzaamheden, zoals heiwerkzaamheden, dienen buiten het broedseizoen van de huismus te worden uitgevoerd.’ Stikstofdepositie Voor de bouw van de woning is een voortoets stikstofdepositie opgesteld ten behoeve van de aanlegfase en de gebruiksfase. De voortoets is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. De conclusie van de voortoets luidt: ‘Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Pagina 55 van 66
Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Natuurinclusief bouwen Daarnaast heeft Blom Ecologie advies gegeven ten aanzien van natuurinclusief bouwen: “Er zijn diverse mogelijkheden om natuurinclusieve maatregelen te verwerken in een nieuw te bouwen woning. Dit betreffen hoofdzakelijk maatregelen voor gebouwbewonende soorten, zoals huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Hieronder worden enkele opties weergegeven. • Huismus: voor huismus kunnen de onderste drie rijen dakpannen toegankelijk worden gehouden door eventueel vogelschroot hoger te plaatsen. Hierdoor kunnen huismussen onder de onderste rijen dakpannen nestelen. Voor de huismus is ook van belang dat er enkele bomen en struiken aanwezig zijn in de omgeving.Gierzwaluw: op een hoogte van minstens 3 meter kunnen inbouwstenen voor de gierzwaluw worden ingemetseld. Een voorbeeld van een inbouwsteen voor de gierzwaluw is de IB GZ 03 van VivaraPro. Een voordeel van deze inbouwsteen is dat deze ook door de huismus kan worden gebruikt. • Vleermuizen: ook voor vleermuizen kunnen diverse inbouwstenen worden gerealiseerd. Dit betreft bijvoorbeeld de types IB VL 06, IB VL 07 en de IB VL 10 voor kraamgroepen.
Ook kunnen er open stootvoegen in de muren worden aangebracht, waardoor vleermuizen toegang hebben tot de luchtspouw. • Overige soorten: er zijn nog veel meer mogelijkheden denkbaar. Er kunnen houtstapels en rommelhoekjes worden aangebracht voor amfibieën en kleine zoogdieren zoals een wezel of egel. Voor insecten is het gunstig wanneer in de beplanting inheemse soorten worden toegepast. Ook kan een bijenhotel worden geplaatst (criteria: holle, aan één zijde afgesloten stengels waarvan de opening een diameter heeft variërend van 1,5 tot 10mm en gaten in een geschikte houtsoort (geen vuren- of wilgenhout vanwege splintervorming) met dezelfde variatie aan diameters). • Klimaatadaptatie: verder profiteert de natuur van maatregelen als groene, halfverharde parkeervakken en waar mogelijk groene daken (bijvoorbeeld een sedumdak, maar er zijn diverse toepassingsmogelijkheden). Ook het opvangen van regenwater in bijvoorbeeld een wadi is een maatregel om verdroging tegen te gaan.” Conclusie Het plan ondervindt geen belemmeringen voor wat betreft het aspect ecologie. Er dient te allen tijde voldaan te worden aan de algemene zorgplicht.
Pagina 56 van 66
5.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstig gebruik in kaart te brengen is door Linge Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij de toelichting. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘De bodem ter plaatse bestaat uit licht humeus, bruingrijs zand, overgaand in klei tussen 0.5 en 1.5 m-mv. De klei is van 1.5 á 2.0 m-mv sterk siltig. In alle boringen is wat puin aangetroffen, tot een diepte van maximaal 1.5 m-mv. Het bestaat uit steenachtig materiaal zoals baksteen, beton, kalk en grind. Het gehalte is licht of zwak. Dat geldt ook voor de boringen in de gedempte sloot.
Grond De boven- en ondergrond van het terrein aan de Bosch zijn met uitzondering van lood en zink maximaal licht verontreinigd. Lood en zink zijn boven de tussenwaarde verhoogd in het mengmonster van de zandige ondergrond van de boringen 2, 5 en 7. De boringen zijn separaat op de metalen geanalyseerd. Van de PFAScomponenten is de som PFOA boven de achtergrondwaarde verhoogd. Uit de aanvullende analyses blijkt dat de ondergrond van de boringen 5 en 7 sterk verontreinigd is met lood en zink. Deze boringen staan in de gedempte sloot op het zuidelijk deel van het terrein. De ernst en omvang van de verontreiniging samengevat: • De sterk verhoogde gehaltes zullen gerelateerd zijn aan de contour van de gedempte sloot. • De bovengrond van het achterterrein is niet boven de tussenwaarde verontreinigd met metalen. Voor het voorterrein, de locatie waar gebouwd gaat worden, geldt dat bovenèn ondergrond er maximaal licht verontreinigd zijn. • Het criterium voor een geval van ernstige verontreiniging is een volume aan sterk verontreinigde grond van tenminste 25 m³. De slootdemping beperkt zich niet alleen tot het onderzoeksterrein, maar loopt in oostelijke en zuidelijke richting door. Omdat bij alle onderzoeken in de directe omgeving metalen ook sterk verhoogd zijn aangetroffen wordt aangenomen dat er meer dan 25 m³ grond sterk verontreinigd is.
Pagina 57 van 66
Grondwater De peilbuis staat in de contour van de gedempte sloot aan de achterzijde van het terrein. Voor barium en naftaleen wordt de streefwaarde overschreden in het grondwater. Barium is landelijk verhoogd, niet specifiek voor de locatie zelf. Een mogelijke bron van het naftaleen is niet bekend. Asbest Er is visueel nergens asbest waargenomen in of op de bodem. Er is een mengmonster van de bovengrond van het te ontwikkelen terrein geanalyseerd op asbest. Ook analytisch is daarin geen asbest aangetoond door het lab. Conclusie, aanbevelingen De sterk verhoogde metalen bevinden zich in de ondergrond. De bovengrond tot 0.5 m-mv is over het hele terrein niet boven de tussenwaarde verontreinigd. Omdat ook de ondergrond van de bouwlocatie maximaal licht verontreinigd is hebben de metalen in de ondergrond op het achterterrein geen directe consequenties voor de ontwikkeling van de locatie. Alleen als er aan de achterzijde van het terrein dieper gegraven wordt dan 0.5 mmv is er blootstelling mogelijk aan sterk verhoogde gehaltes aan metalen.’ Conclusie Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er op de locatie een bodemverontreiniging aanwezig is. Het gaat om een sterke verontreiniging met lood en zink in de grond. Voorafgaand aan de herontwikkeling van deze locatie dient deze verontreiniging nader te worden onderzocht.
Mogelijk volgt daaruit dat de verontreiniging dient te worden gesaneerd. Dit hoeft geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging te zijn, aangezien de locatie door sanering wel geschikt is te maken voor het toekomstige gebruik. De bestemmingsplanwijziging kan, voor wat de bodem betreft, wel plaatsvinden. In artikel 4.5.2 van de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, zodat de sterke bodemverontreiniging eerst gesaneerd dient te worden voordat het perceel gebruikt kan worden.
Pagina 58 van 66
5.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Archeologie De archeologische verwachtingen zijn in de gemeente Papendrecht opgenomen op de Archeologische Beleidskaart. Voor vrijwel het hele plangebied geldt op basis van deze kaart een zeer hoge, hoge of middelhoge verwachting. Alleen het water kent geen archeologische verwachting. Bestemmingsplannen zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie', waardoor eventuele archeologische waarden zijn beschermd.
Cultuurhistorie Ter bescherming van de monumenten, panden en bomen geldt afzonderlijke wetgeving. Alleen de rijksmonumenten zijn met een signaleringsfunctie op de verbeelding en in de regels opgenomen. Daarnaast is het hele dijklint voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Cultuurhistorie' voor het gehele dijklint. Hier is voor gekozen om de samenhang van de bebouwing en de openbare ruimte in het dijklint te benadrukken, in de Dijkvisie beschreven als 'kralenketting'. De dubbelbestemming heeft zowel een signaleringsfunctie als een functie om sloopvergunning te verplichten voordat met sloop van een pand aan het dijklint kan worden begonnen. Onderzoek Archeologie Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Papendrecht is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een middelhoge archeologische verwachting. Bij bodem verstorende ingrepen dieper dan 0,3 meter en groter dan 500 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Pagina 59 van 66
Plangebied
Afbeelding 21: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Papendrecht
Het plan voorziet in het toegestaan van maximaal 140 m² aan gebouwen. Daarmee valt het plan onder de archeologische vrijstellingsgrens en is een archeologisch onderzoek niet nodig. Cultuurhistorie Het plangebied maakt onderdeel uit van het cultuurhistorisch waardevol dijklint. De waarde van het dijklint is vooral gelegen in de afwisseling en kleinschaligheid van de bebouwing en de relatie met het achterliggende landschap als gevolg van in omvang variërende doorkijkjes. Diverse panden zijn door hun vorm en positie
Pagina 60 van 66
cultuurhistorisch waardevol. De dynamiek van het gebied is gemiddeld tot hoog en betreft veelal kleine wijzigingen als dakkapellen en aanbouwen Het plan voorziet in het inpassen van een woning die qua opzet, schaal en architectuur zal aansluiten bij het lint. In de regels van dit plan is opgenomen dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen omtrent de karakteristiek en vormgeving van het hoofdgebouw, om te waarborgen dat de nieuwe woning past binnen de karakteristieken van het dijklint. Het plan is tevens getoetst aan de Dijkvisie Papendrecht (zie §4.4.3 van deze toelichting). Hieruit blijkt dat de woning inpasbaar is in het kader van het aspect cultuurhistorie. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.
Pagina 61 van 66
5.11 Duurzaamheid De gemeente Papendrecht heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan speelt hier bewust op in door binnen de ‘rode contouren’ (de bestaande bebouwde ruimte) een woning te realiseren. Hiermee wordt op een duurzame wijze omgegaan met de ruimte. Tevens wordt de woning geïsoleerd conform de huidige bouweisen van het bouwbesluit. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. In het kader van de klimaatverandering (voorkomen hittestress), biodiversiteit en wateropvang wordt de toekomstige eigenaar van het perceel geïnformeerd over de nut en noodzaak van een groene tuininrichting en het vasthouden van hemelwater (bijvoorbeeld middels een regenton).
Pagina 62 van 66
6.
Juridische planbeschrijving
6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Papendrecht, Bosch 89’ bestaat uit drie delen: de toelichting, regels en verbeelding. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Papendrecht, Bosch 89’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Papendrecht, Bosch 89’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Dijklint’ van de gemeente Papendrecht, dat thans in voorbereiding is. De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Toelichting op de regels 6.3.1 Inleidende regels Begrippen In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die tot verwarring kunnen leiden of voor verschillende uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP2012 richtlijnen gegeven.
Pagina 63 van 66
6.3.2 Bestemmingsregels Verkeer – Verblijfsgebied Bij 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' gaat het om wegen en gebieden met verblijfsfunctie en erftoegangswegen. Ook parkeerplaatsen, speelvoorzieningen, fiets‐ en voetpaden en groenvoorzieningen worden met dit artikel mogelijk gemaakt. Op deze gronden mogen alleen kleine gebouwtjes ten behoeve van de bestemming en andere bouwwerken worden gebouwd. Wonen Ten behoeve van de woning is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Ter plaatse wordt een bouwvlak opgenomen waarbinnen het hoofdgebouw moet worden gerealiseerd. De voorgevel van het hoofdgebouw moet op de figuur ‘gevellijn’ of 2 meter daarachter worden gebouwd. Voor wat betreft het hoofdgebouw is een maximum bouwhoogte van 8,5 meter opgenomen middels een maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte’. Met de maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte: 4 m’ is de maximaal toegestane goothoogte aangegeven. Het parkeren op het woonperceel is uitsluitend op het westelijk gelegen zijerf toegestaan. Waarde – Archeologie Binnen het plangebied is de bestemming 'Waarde ‐ Archeologie' opgenomen ter behoud en bescherming van de archeologische waarden in de gronden. Deze regels die binnen deze bestemming gelden, hebben voorrang op de regels van de andere op de gronden voorkomende bestemmingen.
Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen. Waarde – Cultuurhistorie Deze dubbelbestemming heeft een signaleringsfunctie om de cultuurhistorische waarden van het dijklint te beschermen. Daarnaast is een sloopvergunningenstelsel in deze dubbelbestemming ondergebracht. Voordat een pand aan het dijklint kan worden gesloopt, moet een sloopvergunning worden verkregen. 6.3.3 Algemene regels Anti‐dubbeltelregel Deze bepaling is vast voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en dient in alle bestemmingsplannen te worden opgenomen. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld in het geval dat (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn bepalingen opgenomen die toezien op de realisatie van voldoende parkeergelegenheid, het bouwen van boomgeleidingsconstructies en de bouwhoogte van andere bouwwerken met dak.
Pagina 64 van 66
Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn vormen van gebruik opgesomd, die strijdig zijn met het toegestane gebruik overeenkomstig dit plan. Daarnaast zijn bepalingen opgenomen die toezien op de realisatie van voldoende parkeergelegenheid Algemene aanduidingsregels Vrijwaringszone ‐ cultuurhistorisch dijkprofiel Ter voorkoming van aandijken is over de gehele dijkzone (dijk inclusief talud) de aanduiding 'vrijwaringszone ‐ cultuurhistorisch dijkprofiel' opgenomen. Vrijwaringszone ‐ dijk 1/2 De beschermingszone en de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering zijn van de aanduidingen 'vrijwaringszone ‐ dijk 1' (primaire waterkering) en 'vrijwaringszone ‐ dijk 2' (buitenbeschermingszone). Op gronden binnen de beschermingszone mag niet worden gebouwd zonder omgevingsvergunning en schriftelijk advies van de waterbeheerder. Algemene afwijkingsregels Door middel van de 'Algemene afwijkingsregels' kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van de bestemmingsplanregels voor onder andere geringe overschrijding van bepaalde bouwvoorschriften, bouwwerken van openbaar nut, straatmeubilair enzovoort. Deze bevoegdheid vergroot de flexibiliteit van het plan.