A08. 20220105 Gemeente Zeist, M50 nieuwe datum 7 februari webinair Wonen en Verduurzamen in Middelgroot.pdf
Tekst van het document
Vlaardingen 5,8 procent, in Velsen 7,5 procent en in Schiedam 7,7 procent. De komende dertig jaar wordt de toename van het aantal huishoudens vooral verklaard door de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. Landelijk neemt het aantal eenpersoonshuishoudens van 2020 tot 2050 naar verwachting toe met bijna 22 procent. In alle voorsteden tezamen is de verwachte toename van het aantal eenpersoonshuishoudens 18 procent. Vooral in Nissewaard neemt de komende dertig jaar het aantal eenpersoonshuishoudens sterk toe (bijna 33 procent). Gevolgd door een sterke toename van 26 procent in Schiedam en 22 procent in Nieuwegein. In alle voorsteden tezamen is er geen toename meer van het aantal paarhuishoudens de komende 3 decennia (-0,2 procent). Rond dit gemiddelde is de grootste verwachte daling van het aantal paarhuishoudens in Schiedam (-9,6 procent), in Nissewaard (-7,0 procent) en in Vlaardingen (-4,7 procent). Terwijl in Rijswijk de verwachte toename van het aantal paarhuishoudens de komende dertig jaar 27 procent is. Voor de woningmarktopgaven zijn de bovenstaande bevolkingsontwikkelingen- en prognoses van belang. De meeste gemeenten moeten zich voorbereiden op de groei van het aantal eenpersoonshuishoudens en hier de woningvoorraad op aanpassen. Tegelijkertijd willen de gemeenten aantrekkelijk blijven voor gezinnen die de stad uittrekken en zich in een voorstad vestigen.
Veel voorsteden staan voor een belangrijke transformatieopgave: ze beschikken over veel verouderde woningen in veelal uniforme woonwijken. In de prestatieafspraken met de corporaties kan ingezet worden op een kwalitatieve verbetering van de bestaande woningvoorraad. Terwijl particuliere woningeigenaren met gunstige financieringsarrangementen, vooral parallel aan de verduurzamingsopgave, geprikkeld kunnen worden om hun woning aan te passen en te verbeteren.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
De gemiddelde woningprijs ligt tussen de 280.000 euro (Schiedam) en 390.000 euro (Rijswijk). Dit is lager dan het Nederlandse gemiddelde. Vooral in de voorstad Rijswijk is de woningmarkt overspannen. Met weinig koopwoningen die op de markt komen en die bovendien snel verkocht worden. Voor woningzoekers in Rijswijk is er (te) weinig keuze. In de overige voorsteden is sprake van een goed functionerende woningmarkt. Het aanbod is groot genoeg voor voldoende keuze en de verkooptijden zijn kort genoeg (maar niet zo extreem kort als in Rijswijk) zodat verkopers niet te lang met hun woningen zitten.
7.3
Werkgelegenheid en economie
Het aantal banen per duizend inwoners van 15 tot 65 jaar is hoog in Nieuwegein en in Rijswijk, en is laag in Vlaardingen, Hellevoetsluis en Nissewaard. Ridderkerk, Oosterhout, Papendrecht, Velsen en Schiedam nemen hierin een tussenpositie in. De afgelopen vijf jaar (2015 tot en met 2019) is de toename van het aantal banen in alle tien voorsteden tezamen 5,1 procent. Dit ligt onder de gemiddelde toename van het aantal banen in Nederland in dezelfde periode: 8,1 procent. De ontwikkeling van het aantal banen is vooral sterk in Nieuwegein (12,1 procent) en zwak in Rijswijk (-0,3 procent). De sectorstructuur in de afzonderlijke voorsteden is hier waarschijnlijk in belangrijke mate debet aan. De ontwikkeling van de economie en werkgelegenheid wordt in belangrijke mate bepaald door de (verwachte) ontwikkeling van de potentiële beroepsbevolking. In heel Nederland neemt de komende dertig jaar de verwachte potentiële beroepsbevolking (20 tot 65 jaar) af met een half miljoen personen. Dit is een daling van 4 procent. Voor alle voorsteden tezamen neemt de potentiële beroepsbevolking met 1,7 procent af. Mocht de instroom van buitenlandse arbeids-, kennis-, asielmigranten en studenten
45
ná de coronacrisis niet terugkeren naar het hoge niveau van vóór de coronacrisis dan kan de krimp van de potentiële beroepsbevolking zelfs nog groter worden. Het buitenlandse positieve migratiesaldo is immers de belangrijkste determinant voor de verwachte bevolkingsontwikkeling in Nederland. In Rijswijk neemt de potentiële beroepsbevolking de komende dertig jaar naar verwachting toe met 21 procent. In de overige voorsteden (met uitzondering van Hellevoetsluis, Papendrecht, Schiedam en Velsen) daalt de potentiële beroepsbevolking minder dan de verwachte landelijke krimp. Van -3,4 procent in Nissewaard tot -1,4 procent in Nieuwegein. De uitzondering op deze regel is de verwachte krimp van de potentiële beroepsbevolking in Hellevoetsluis van 7,8 procent, in Papendrecht van 6,7 procent, in Schiedam van 6,7 procent en in Velsen van 4,5 procent. Als de voorspelling over de ontwikkeling van de potentiële beroepsbevolking uitkomt, zullen vooral Hellevoetsluis, Papendrecht, Schiedam en Velsen het lastig hebben om hun voorzieningen en hun publieke dienstverlening op niveau te houden. De ontwikkeling van het aantal vestigingen is een proxy voor de dynamiek van de economische ontwikkeling. De toename van het aantal vestigingen in de afgelopen vijf jaar is vooral sterk in Schiedam (28 procent), Nissewaard, Velsen en Vlaardingen (23 procent) en Rijswijk (22 procent).
In heel Nederland is er in deze periode een toename van het aantal vestigingen van 17 procent. In alle voorsteden tezamen neemt het aantal vestigingen met 20 procent toe. Van de voorsteden laat Hellevoetsluis de zwakste economische prestatie zien: een toename van ‘slechts’ 13 procent van het aantal vestigingen. Naast het individuele belang ‘om mee te kunnen doen’ is het bij een krimpende beroepsbevolking van belang om zo veel mogelijk mensen in de voorsteden die langs de kant van de arbeidsmarkt staan te mobiliseren. In heel Nederland is in 2018 het ‘onbenutte potentieel’ bijna 16 procent van de
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
beroepsbevolking.30 Het onbenutte potentieel in de voorsteden wijkt nauwelijks af van dit landelijke gemiddelde (iets meer dan 15 procent). Het grootste onbenutte potentieel kent Vlaardingen (18,1 procent) en het laagste onbenutte potentieel Papendrecht (12,1 procent).
7.4 Voorzieningen Het voorzieningenniveau in de voorsteden varieert aanzienlijk. Het voorzieningenniveau (zorg, kinderopvang, onderwijs, cultuur, recreatie, detailhandel en horeca) is hoog in Rijswijk, Schiedam en in Vlaardingen. Opmerkelijk is dat tegelijkertijd de winkelleegstand in Rijswijk (20,4 procent) en in Schiedam (16,2 procent) hoog is. Dit is (ruim) tweemaal zo hoog als de gemiddelde winkelleegstand in Nederland (8 procent). De winkelleegstand in de voorsteden Hellevoetsluis (3,1 procent) en Nieuwegein (2,5 procent) is laag.31 In Nissewaard, Nieuwegein, Papendrecht, Ridderkerk en Oosterhout is het voorzieningenniveau minder sterk. In Hellevoetsluis en Papendrecht is het voorzieningenniveau het zwakst van alle voorsteden. De voorsteden met een minder sterk voorzieningenniveau hebben de mogelijkheid om nog beter gebruik te maken van het voorzieningenniveau in de nabijgelegen grote(re) stad (borrowing functions). Op zich hebben Rijswijk, Schiedam en Vlaardingen ‘het lenen van voorzieningen van de buren’ niet echt nodig. Toch kunnen ook zij hun aantrekkelijkheid verder vergroten door hun voorzieningen zo maximaal mogelijk complementair te laten zijn aan de voorzieningen in de nabijgelegen grote stad. Dit kan ook een remedie zijn om het probleem van de hoge winkelleegstand te verminderen.
46
7.5 Kwaliteit van leven Op de drie dimensies van 'kwaliteit van leven' ('inkomen en arbeid', 'gezondheid en leefomgeving' en 'samenleving en subjectief welzijn') scoren de voorsteden gemiddeld of slechter dan gemiddeld dan heel Nederland. De voorsteden blinken niet uit in hun 'kwaliteit van leven' gemeten aan de hand van de 51 indicatoren van het Planbureau voor de Leefomgeving. Binnen de voorsteden scoort Schiedam het minst sterk. Op sommige dimensies scoren de voorsteden beter dan het landelijke gemiddeld (Nissewaard en Schiedam op 'wonen', Rijswijk en Schiedam op 'toegang voorzieningen') en soms veel slechter (Hellevoetsluis op ‘samenleving’, Hellevoetsluis en Nissewaard op 'toegang voorzieningen' en Schiedam op 'subjectief welzijn' en 'onderwijs'). De ontwikkeling van de voorsteden sinds 2014 op de indicatoren van 'kwaliteit van leven' is niet statisch. Op vele indicatoren ontwikkelen de voorsteden zich op dezelfde wijze als de rest van Nederland of zelfs iets beter. De uitzonderingen in sterk positieve zin zijn de veel beter dan gemiddelde ontwikkeling op 'arbeid' (netto arbeidsparticipatie, langdurige werkloosheid, werkloosheid en jeugdwerkloosheid) in Nieuwegein, Oosterhout en Ridderkerk. De uitzonderingen in sterk negatieve zin zijn de – veel slechter dan gemiddelde – ontwikkeling op 'toegang voorzieningen' in Nissewaard en op 'subjectief welzijn' in Schiedam.
In de voorsteden gaat het op diverse 'milieu-indicatoren' (luchtkwaliteit, hittestress, geluidhinder) veelal niet de goede kant op.
_________ 30
Zie bijlage 1.
31
Zie bijlage 1.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
7.6 Sociaaleconomisch Uit allerlei indicatoren blijkt dat de sociale kenmerken van de voorsteden niet sterk zijn en aandacht behoeven. Het welvaartsniveau, het gemiddelde inkomen, de inkomensscheefheid, het percentage gescheiden gezinnen, het percentage voortijdig schoolverlaters en de criminaliteitsindex wijken negatief af van het Nederlandse gemiddelde. In sociale contacten en sociaal vertrouwen scoren bijna alle voorsteden gemiddeld of (veel) slechter dan gemiddeld in Nederland.32 Dit geldt vooral voor de ‘arme’ voorsteden. Sommige middelgrote gemeenten kennen de laatste jaren een grote instroom van buitenlandse arbeidsmigranten. Zo is het aantal arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa in een gemeente als Schiedam negenmaal groter geworden de afgelopen veertien jaar. De scholen worden daardoor geconfronteerd door een grote instroom van leerlingen met (taal)achterstanden. Daarnaast is er een grote doorstroom omdat leerlingen regelmatig een kortere of langere periode afwezig zijn. Dit komt de kwaliteit van het onderwijs niet ten goede. Papendrecht, Schiedam en Vlaardingen scoren beter dan gemiddeld in Nederland op de indicator ‘sociale contacten’. Velsen zelfs véél beter dan gemiddeld.
Ook de eenzaamheid onder volwassenen is in de voorsteden (gemiddeld 46,2 procent) hoger dan het Nederlandse gemiddelde (42,9 procent); het verschil is 3,3 procentpunt.33 Met het aantal kinderen in een uitkeringsgezin wijken de voorsteden niet substantieel af van het Nederlandse gemiddelde. Op diverse sociale indicatoren scoren Schiedam en Vlaardingen het slechtst van alle voorsteden. Dit gaat in Vlaardingen gepaard met de hoogste begrote uitgaven per inwoner in 2020 van alle voorsteden: namelijk 1.894 euro per inwoner. 47
7.7 Bestuur en samenspel In 2020 zijn in de voorsteden de begrote uitgaven per inwoner voor bijna alle hoofdfuncties (‘bestuur en ondersteuning’, ‘veiligheid’, ‘verkeer, vervoer en waterstaat’, ‘economie’, ‘onderwijs’, ‘sport en cultuur en recreatie’, ‘sociaal domein’ en ‘volksgezondheid en milieu’) lager dan het gemiddelde voor alle Nederlandse gemeenten. Alleen op de hoofdfunctie ‘volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing’ zijn de gemiddelde lasten per inwoner (351 euro) hoger dan gemiddeld in alle Nederlandse gemeenten (283 euro): in Hellevoetsluis (664 euro), Papendrecht (623 euro), Rijswijk (566 euro) en Nieuwegein (378 euro) wordt er aanzienlijk meer uitgegeven aan deze functie.34 Dit kan verklaard worden door de relatief verouderde en zeer homogene woningvoorraad van de meeste voorsteden. Natuurlijk is er variatie tussen de begrote uitgaven per inwoner binnen het cluster ‘voorstad’. Zo geeft Schiedam op alle hoofdfuncties (met uitzondering van ‘volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing’) per inwoner méér uit dan de gemiddelde uitgaven in alle gemeenten. Nieuwegein, Nissewaard en Schiedam geven meer dan het Nederlandse gemiddelde uit aan ‘verkeer, vervoer en waterstaat’.
_________ 32
PBL, Kwaliteit van leven in de regio (zie bijlage 2).
33 Zie bijlage 1. 34
Findo, Data Financiën Decentrale Overheden
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
In Nieuwegein, Oosterhout, Papendrecht, Ridderkerk, Rijswijk, Velsen en Vlaardingen ligt de politieke participatie op het gemiddelde niveau van alle Nederlandse gemeenten. Met een tendens om negatief af te wijken van het Nederlandse gemiddelde. In Hellevoetsluis, Nissewaard en Schiedam is de politieke participatie slechter dan de gemiddelde Nederlandse politieke participatie.35
7.8 Handelingsperspectief Aantrekkelijk blijven voor bestaande en nieuwe inwoners in het licht van veranderende woonwensen Voor de voorsteden is een belangrijk handelingsperspectief om voldoende aantrekkelijk te blijven voor bestaande en nieuwe inwoners. Door in nauwe afstemming met de grotere stad te streven naar complementaire woon-, werk- en leefomgevingen. Maar ook door voorzieningen en de woningvoorraad aan te passen aan de veranderende, vergrijzende bevolking. De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad blinkt gemiddeld niet uit en vele wijken en woningen zijn te weinig gevarieerd om aantrekkelijk te blijven voor de toekomstige woningbehoeften. Ook hebben vele voorsteden geen aantrekkelijk imago. Zij staan te boek als ‘slaapstad’ of hebben een saai en te eenzijdig imago. Daar staat tegenover dat zij, in vergelijking met de grotere stad, voor gezinnen meer grotere woningen hebben met een tuin in kindvriendelijke en -veilige buurten. Voorkom met goed beleid agglomeratienadelen en benut de potentiële agglomeratievoordelen De voorsteden lopen in de nabijheid van grote(re) steden het gevaar geconfronteerd te worden met vooral agglomeratienadelen. De nabijheid van de grote(re) stad, de goede verbindingen met de 48
grote(re) stad, de goedkopere woningen, de lagere grondprijzen en grote leegstand (in sommige voorsteden) dreigen minder sterke inwoners en bedrijven aan te trekken. Waar de voorsteden voorheen het toevluchtsoord waren van middenklasse gezinnen zullen door de toenemende druk op de grootstedelijke woningmarkt nieuwe − ook kwetsbare − inwoners hun toevlucht zoeken in de voorsteden. De dreigende nadelen kunnen tot uiting komen in een toename van de sociale problematiek, kwetsbare inwoners, een toename van het onbenutte potentieel, aanzienlijke mismatches op de arbeidsmarkt, overlast, verloedering en ondermijning. De sociale problematiek in de voorsteden dreigt daarmee alleen nog maar groter te worden, terwijl de financiële mogelijkheden ontbreken om daaraan het hoofd te bieden. Dit geldt vooral voor de ‘arme’ voorsteden. De ligging van én goed beleid in de voorsteden maken het echter óók mogelijk om de agglomeratievoordelen groter te laten zijn dan de (potentiële) agglomeratienadelen. Versterk de complementariteit ten opzichte van de grote stad en versterk het eigen profiel Door functies beter te variëren en te differentiëren ten opzichte van de grote(re) stad kan men de eigen identiteit en het eigen profiel versterken.
Niet het zoveelste dertien-in-een-dozijn-bedrijfsterrein of winkelcentrum, maar spannende woon-werklocaties voor zzp’ers, vergaande functiemenging in woonwijken en aanloopstraten, et cetera. Dat maakt het mogelijk om beter gebruik te maken van de grootstedelijke overdruk door interessante groepen aan de voorstad te binden: studenten, woonwerkcombinaties voor zzp’ers, uitwijklocaties voor bedrijven en kantoren waarvoor de grote stad onvoldoende ruimte biedt of te duur is, dependances voor kennisinstellingen, en dergelijke. Een uitgebreide literatuur maakt duidelijk dat goede regionale samenwerking, afstemming en coördinatie in de regio en met de grote(re) stad aanzienlijke welvaartswinst kan opleveren.
_________ 35
PBL, Kwaliteit van leven in de regio (zie bijlage 2).
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
Stad in transitie De acht middelgrote gemeenten Heerlen, Den Helder, Hoogeveen, Kerkrade, Landgraaf, Lelystad, Roosendaal en Sittard-Geleen zijn te typeren als ‘stad in transitie’. Ondanks dat de steden van elkaar verschillen, zijn er in de transitieopgaven een aantal gemeenschappelijke accenten te benoemen.
49
Heerlen
8.1 Demografie De komende dertig jaar is de verwachte bevolkingsgroei in Nederland 6,6 procent. In de meeste middelgrote steden in transitie wordt in deze periode een krimp van de bevolking verwacht. Van een krimp van 13,8 procent in Kerkrade, een krimp van 9,8 procent in Den Helder tot een krimp van 3,2 procent in Heerlen. Alleen in Lelystad (14,3 procent) en in Roosendaal (5,8 procent) wordt een toename van de bevolking verwacht in deze periode. Inspelen op de krimp is voor de meeste middelgrote steden in transitie een overduidelijke opgave. Voor de handelingsperspectieven is het van belang om inzicht te hebben in de determinanten van de bevolkingsgroei. Wordt de bevolkingsontwikkeling verklaard door de natuurlijke aanwas, het saldo van de buitenlandse migratie of door het saldo van de binnenlandse migratie? Zowel voor het verleden als voor de verwachte bevolkingsontwikkeling kunnen deze determinanten onderzocht worden. Van 2000 tot en met 2019 is het binnenlandse migratiesaldo negatief in Den Helder (omvangrijk), Heerlen, Hoogeveen, Sittard-Geleen, Landgraaf en Roosendaal (zeer gering). Alleen in Lelystad en in Kerkrade is over deze hele periode van twintig jaar het binnenlandse migratiesaldo positief. Klaarblijkelijk zijn Lelystad en Kerkrade voldoende attractief om meer inwoners uit andere gemeenten
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
aan te trekken dan er eigen inwoners verhuizen naar andere gemeenten. In de bevolkingsprognose voor de komende dertig jaar is naar verwachting alleen het binnenlandse migratiesaldo negatief in Hoogeveen en Den Helder. Dit kan erop duiden dat in de verwachting van de demografen Heerlen, Sittard-Geleen, Landgraaf en Roosendaal aantrekkelijker worden dan zij in het verleden waren. Deze omslag naar een positief binnenlands migratiesaldo kan alleen als de woon-, werk en leefmilieus aantrekkelijk zijn of als er voldoende aanbod van werk is. Met uitzondering van Kerkrade is voor de steden in transitie het buitenlandse migratiesaldo voor de komende drie decennia positief. Het is vooral relatief omvangrijk in Hoogeveen, Heerlen en Lelystad. Met uitzondering van Lelystad, Roosendaal en Hoogeveen is in de steden in transitie de natuurlijke aanwas negatief. De verwachte sterftes zijn vooral groter dan de verwachte geboortes in de drie ZuidLimburgse steden in transitie (Heerlen, Kerkrade en Sittard-Geleen).
8.2 Woningmarkt De huishoudprognoses zijn voor de periode 2020-2050 voor bijna alle steden in transitie (op twee na) negatief. De grootste daling wordt verwacht in Kerkrade (-10,5 procent) en Den Helder (-7,9 procent). In Sittard-Geleen blijft naar verwachting over de hele periode van de komende dertig jaar het aantal huishoudens gelijk. In Roosendaal wordt een beperkte toename van het aantal huishoudens verwacht van 4,3 procent. Terwijl in Lelystad een relatief sterke toename van het aantal huishoudens verwacht wordt van 18 procent. In alle steden in transitie − óók in de middelgrote steden waarbij het totaalaantal huishoudens naar verwachting daalt − neemt het aantal eenpersoonshuishoudens toe. Met een zeer 50
sterke verwachte groei van het aantal eenpersoonshuishoudens in Lelystad (49 procent) en Roosendaal (20 procent). Veel van deze eenpersoonshuishoudens zullen huishoudens van ouderen zijn waarbij een van de partners is weggevallen. In alle steden in transitie neemt het aantal paarhuishoudens naar verwachting af (óók in Lelystad). Een aspect van de transitie in deze middelgrote steden is dan ook het aanpassen van de bestaande woningvoorraad aan de veranderende samenstelling van de huishoudens en aan de veranderende woonwensen de komende jaren. Daarbij is natuurlijk in alle middelgrote gemeenten de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad een belangrijke transitieopgave. De gemiddelde woningwaarde van de woningen in de ‘steden in transitie’ ligt niet erg hoog. Kerkrade noteert de laagste gemiddelde woningprijs (217.000 euro), gevolgd door Den Helder (228.000 euro). Lelystad (305.000 euro) en Roosendaal (325.000 euro) kennen de hoogste woningprijzen in de groep middelgrote steden in transitie. De overige steden in transitie kennen een gemiddelde woningprijs tussen beide uitersten in. Ondanks de lagere woningwaarde kennen de gemeenten tekorten in het goedkopere prijssegment van de woningmarkt. De niet-kapitaalkrachtige inwoners hebben behoefte aan geschikte en betaalbare woningen in het lage en middensegment van de woningmarkt.
Hierbij is in veel gemeenten niet alleen sprake van een kwantitatief tekort, maar ook van een kwalitatief tekort. Met uitzondering van Kerkrade is er in de steden in transitie onvoldoende aanbod van woningen voor een ‘gezonde’ omloopsnelheid. In deze steden in transitie is het aanbod te gering om als kopers voldoende keuze te hebben en zijn de verkooptijden voor de verkopers gemiddeld langer dan vier maanden.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
8.3 Werkgelegenheid en economie De afgelopen vijf jaar nam het aantal banen sterk toe in Sittard-Geleen (10,2 procent) en Lelystad (9,3 procent). In deze steden in transitie is de toename van het aantal banen groter dan de toename van het aantal banen in gemiddeld heel Nederland (8,1 procent). Alleen in Den Helder nam de afgelopen vijf jaar het aantal banen af (-1,1 procent), terwijl tegelijkertijd het aantal vestigingen met 8 procent steeg. De banengroei wordt deels verklaard door de toename van het aantal vestigingen in de afgelopen vijf jaar. Een groei van het aantal vestigingen van 12 procent in Lelystad tot een groei van bijna 8 procent in Kerkrade. De groei van het aantal vestigingen in de overige steden in transitie ligt tussen beide laatstgenoemde percentages in. Dit betekent tegelijkertijd dat de groei van het aantal vestigingen de afgelopen 5 jaar in de steden in transitie geringer is dan de gemiddelde landelijke toename van het aantal vestigingen (17,1 procent). De werkgelegenheidsontwikkeling wordt in belangrijke mate verklaard door het arbeidsaanbod. Een groter arbeidsaanbod en goed opgeleide werknemers verklaren voor een deel de economische groei en de groei van de werkgelegenheid.
Dat betekent dat de steden in transitie die naar verwachting te maken krijgen met een krimp van de beroepsbevolking moeite zullen hebben om een groei van de werkgelegenheid te realiseren en om de publieke diensten te kunnen blijven leveren. Dit gevaar dreigt voor Heerlen, Den Helder, Hoogeveen, Kerkrade, Landgraaf en Sittard-Geleen. In deze zes gemeenten varieert de krimp van de potentiële beroepsbevolking van 18,9 procent (Kerkrade) tot 11,0 procent (Hoogeveen). Alleen in Roosendaal (5,8 procent) en Lelystad (5,1 procent) wordt nog een groei van de potentiële beroepsbevolking verwacht. In alle steden in transitie (met uitzondering van Roosendaal en Lelystad) wordt de komende drie
51
decennia dus een aanzienlijke afname van de potentiële beroepsbevolking verwacht. De verwachte krimp van de potentiële beroepsbevolking in zes steden in transitie ligt aanzienlijk boven de verwachte landelijke afname van de potentiële beroepsbevolking (- 4 procent) de komende drie decennia. Met de krimp van de potentiële beroepsbevolking komt het leveren van private en publieke diensten en de economische groeimogelijkheden in het gedrang. De ‘steden in transitie’ zijn vaak lange tijd afhankelijk (geweest) van één industrie. Zo waren Heerlen, Kerkrade, Landgraaf en Sittard-Geleen lange tijd afhankelijk van de mijnindustrie, terwijl Den Helder voornamelijk op de maritieme bedrijvigheid drijft. Al deze dominante sectoren hebben een transitie doorgemaakt of zullen nog een transitie doormaken die de gemeente raakt. De bedrijvigheid van de ‘steden in transitie’ zit vooral in de sectoren: bouwnijverheid, detail- en groothandel, uitzendwezen, schoonmaak en industrie. Dit is meestal historisch bepaald, bijvoorbeeld vanwege de ligging aan waterwegen of in mijnbouwgebieden. Lelystad staat, als jonge stad, voor de transformatie om een sprong voorwaarts te zetten naar een stad van 100.000 inwoners en 10.000 additionele banen. Lelystad is gebouwd als een veel grotere stad in het centrum van een grotere provincie (inclusief Markerwaard).
Dit planologische plan is niet uitgevoerd en daarmee heeft Lelystad te veel ruimte en bovengemiddelde lasten voor beheer en onderhoud. Vanuit het verleden heeft Lelystad een relatief grote instroom gehad van mensen met een lage sociaaleconomische status. Dit heeft zich vertaald in een bovengemiddelde jeugdzorgproblematiek, veel zwakke basisscholen, meer jongeren die zonder diploma de school verlaten, een lager opleidingsniveau en een lager gemiddeld inkomen voor Lelystedelingen.36 Roosendaal staat voor de brede opgave om de economie te versterken (diversificatie, innovatie,
_________ 36
Gemeente Lelystad, Programmaplan Lelystad Next Level, concept, versie 25 september 2020, blz. 3 en 4.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
versterken van de arbeidsmarkt, ruimte voor ondernemerschap), te blijven investeren in een aantrekkelijker binnenstad, en om de regionale samenwerking te intensiveren.37 Met uitzondering van Heerlen en Sittard-Geleen zijn er niet veel banen per duizend inwoners van 15 tot 65 jaar in de steden in transitie. Dit betekent dat er in de overige steden in transitie een belangrijke uitgaande pendel is. De opkomst van het thuiswerken of ‘werken op afstand’ als gevolg van de coronacrisis kan een kans zijn voor de gemeenten. Door in te zetten op digitale bereikbaarheid (bijvoorbeeld in een vroeg stadium 5G-netwerken aanleggen) kunnen zowel nieuwe werknemers worden aangetrokken (want op afstand werken gaat dan zonder problemen) als lokaal ondernemerschap gestimuleerd worden. Digitale bereikbaarheid kan, mede vanwege de relatief goedkope woningen, werknemers uit bijvoorbeeld de Randsteden aantrekken. In de grensgebieden kan de ‘stad in transitie’ aantrekkelijker worden voor internationale werknemers en arbeidsmigranten. Ook is een beleidsoptie om jongeren die elders zijn gaan studeren terug te halen.38
8.4 Voorzieningen De voorzieningen (zorg, kinderopvang, onderwijs, detailhandel, horeca, cultuur en recreatie) in de steden in transitie zijn over het algemeen gemiddeld. Zij steken in positieve noch in negatieve zin af van de voorzieningen gemiddeld in Nederland. Ook de toegang tot voorzieningen in de steden in transitie is gemiddeld. Alleen in Heerlen en Kerkrade is de toegang tot voorzieningen beter dan gemiddeld.39 Vooral de voorzieningen op het gebied van horeca, cultuur, recreatie en deels detailhandel (kleding, schoenen, concurrentie door webwinkels) staan door de coronacrisis onder druk. Op termijn kan 52
leegstand van winkels, bedrijfspanden en woningen de aantrekkelijkheid en leefbaarheid aantasten. Het creëren van een compacte binnenstad zou een belangrijke prioriteit kunnen zijn. De meeste gemeenten kennen een bovengemiddelde leegstand van winkels. Met name Lelystad (17 procent winkelleegstand), Sittard-Geleen (15 procent), Roosendaal (14 procent) en Kerkrade en Landgraaf (beide 12 procent) staan voor een forse opgave om enerzijds leegstaande winkels te transformeren naar woningen en anderzijds om via allerlei maatregelen ondernemerschap te stimuleren en faciliteren. Dat de steden in transitie over het algemeen ‘ruimte’ hebben, biedt hiervoor ook allerlei mogelijkheden. Het verbeteren van de voorzieningen en het versterken van de binnenstad is een transitieopgave die in de middelgrote steden in transitie prioriteit zou kunnen krijgen.
8.5 Kwaliteit van leven Op de drie dimensies van 'kwaliteit van leven' ('inkomen en arbeid', 'gezondheid en leefomgeving' en 'samenleving en subjectief welzijn') scoren de steden in transitie gemiddeld of slechter dan gemiddeld ten opzichte van heel Nederland.40 Daarbij scoort de middelgrote stad Hoogeveen op alle dimensies van ‘kwaliteit van leven’ gemiddeld. Geen van de dimensies van ‘kwaliteit van leven’ wijkt in Hoogeveen negatief of positief af van het gemiddelde voor heel Nederland. De uitdagingen om de 'kwaliteit van leven' te verbeteren, zijn vooral groot in Heerlen, Kerkrade, Sittard-Geleen en Roosendaal. Voor Den Helder ligt de uitdaging vooral op het onderwijs (opleidingsniveau, voortijdig schoolverlaters en
_________ 37
Gemeente Roosendaal, Strategische verkenningen 2018-2022.
38
J. Stohr, E,H.A. Hol en M. Bontje, “Krimp: in de kern een economisch verschijnsel, dus ook economische regie”, in: Ruimte & Maatschappij, maart 2019.
39
Toegang tot voorzieningen als onderdeel van ‘Kwaliteit van leven’ van het Planbureau voor de Leefomgeving.
40
Zie bijlage 2.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
eindexamencijfers). Voor Roosendaal ligt de uitdaging op het verminderen van de langdurige werkloosheid, het verhogen van de netto-arbeidsparticipatie, het verbeteren van het subjectieve welzijn en vooral in het versterken van het sociaal vertrouwen. Op het gemiddelde, of slechter dan gemiddelde, beeld van ‘kwaliteit van leven’ in diverse middelgrote steden in transitie zijn de lichtpuntjes de beter dan gemiddelde score op 'wonen' in Heerlen, Kerkrade en Landgraaf; de beter dan gemiddelde score op 'toegang voorzieningen' in Heerlen en Kerkrade; en de beter dan gemiddelde score op ‘milieu’ in Lelystad. De steden in transitie ontwikkelen zich op de 51 indicatoren van 'kwaliteit van leven' beter dan gemiddeld, gemiddeld of slechter dan gemiddeld in vergelijking met de ontwikkeling van het Nederlandse gemiddelde. Véél slechter dan gemiddeld in Nederland is de ontwikkeling op de dimensie 'gezondheid' in Heerlen en Kerkrade en op de indicator ‘sociaal vertrouwen’ (samenleving) in Roosendaal. Op het algemene beeld van het cluster zijn positieve uitzonderingen de (veel) beter dan gemiddelde Nederlandse ontwikkeling op de dimensie 'arbeid' in Den Helder, Heerlen, Hoogeveen, Kerkrade, Landgraaf, Lelystad, Sittard-Geleen en Roosendaal. De ‘beter dan gemiddelde’ ontwikkeling op 'subjectief welzijn' in Den Helder en Hoogeveen.
De beter dan gemiddelde ontwikkeling op 'toegang voorzieningen' in Heerlen en Kerkrade. De beter dan gemiddelde ontwikkeling op 'wonen' in Heerlen en Kerkrade. De beter dan gemiddelde ontwikkeling op 'milieu' in Hoogeveen en Lelystad. De beter dan gemiddelde ontwikkeling op 'onderwijs' in Sittard-Geleen en de beter dan gemiddelde ontwikkeling op ‘gezondheid’ in Hoogeveen. De middelgrote steden in transitie met zwakke plekken in de kwaliteit van leven kunnen de transitieopgave concentreren op de aspecten van kwaliteit van leven waarop zij slechter dan gemiddeld
53
scoren.
8.6 Sociaaleconomisch Op basis van diverse sociaaleconomische indicatoren kan geconcludeerd worden dat de sociale problematiek aanzienlijk is in de middelgrote steden in transitie. De gemeenten scoren hoog op het percentage arbeidsongeschiktheid en uitkeringsgerechtigden, en (veel) slechter dan gemiddeld op ‘sociaal vertrouwen’. Op ‘sociaal vertrouwen’ scoren Heerlen, Kerkrade, Landgraaf en Roosendaal zelfs veel slechter dan gemiddeld in Nederland. Alleen Den Helder en Hoogeveen scoren hier gemiddeld op. Op ‘sociale contacten’ scoren Kerkrade, Landgraaf en Lelystad veel slechter dan gemiddeld en Den Helder veel beter dan gemiddeld. De ‘sociale cohesie’ is gemiddeld in Den Helder, Landgraaf en Roosendaal, slechter dan gemiddeld in Heerlen, Kerkrade, Lelystad en Sittard-Geleen en beter dan gemiddeld in Hoogeveen. In het licht van de verwachte afname van de potentiële beroepsbevolking is het hoge gemiddelde onbenutte arbeidspotentieel (inwoners in een werkloosheids-, bijstands- of arbeidsongeschiktheidsuitkering) niet langer houdbaar. Gemiddeld is het onbenutte potentieel van de zeven gemeenten 23 procent van de beroepsbevolking. De beste score heeft Hoogeveen (16 procent) en de slechtste score laat Heerlen zien (31 procent). Het onbenutte potentieel in de ‘steden in transitie’ is veel hoger dan het Nederlandse gemiddelde (16 procent).
Hierin ligt een belangrijke transitieopgave besloten.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
Daarnaast is de welvaartsindex en het gemiddelde inkomen per inwoner aan de lage kant. Het percentage kinderen dat opgroeit in uitkeringsgezinnen ligt in de meeste steden in transitie boven het Nederlandse gemiddelde. Alleen Sittard-Geleen noteert een score lager dan het landelijke gemiddeld, terwijl Heerlen het hoogste aandeel kinderen in een uitkeringsgezin kent. Opvallend is ook dat relatief veel mensen zich eenzaam voelen in de gemeenten. Alle ‘steden in transitie’ scoren boven het landelijke gemiddelde van 43 procent. Negatieve uitschieters zijn Kerkrade (56 procent) en Heerlen (53 procent).
8.7 Bestuur en samenspel In de meeste steden in transitie is de politieke participatie slechter dan gemiddeld in Nederland (Den Helder, Landgraaf, Lelystad, Sittard-Geleen en Roosendaal) of veel slechter dan gemiddeld (Heerlen en Kerkrade). Alleen in Hoogeveen is de politieke participatie gemiddeld. Een belangrijk aandachtspunt in de steden in transitie is de veiligheidssituatie. Op gewelds- en seksuele misdrijven scoren Hoogeveen, Kerkrade, Landgraaf, Sittard-Geleen en Roosendaal slechter dan gemiddeld in Nederland. Heerlen, Den Helder en Lelystad scoren zelfs véél slechter dan gemiddeld. In Lelystad is de ‘veiligheidsbeleving’ véél slechter dan het Nederlandse gemiddelde en in Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Sittard-Geleen en Roosendaal slechter dan het Nederlandse gemiddelde. Ondanks de negatieve score op misdrijven is in Den Helder en in Hoogeveen de ‘veiligheidsbeleving’ beter dan gemiddeld in heel Nederland. 54
Een ander belangrijk aandachtpunt dat aandacht van het bestuur verdient, is de verwachte afname van de potentiële beroepsbevolking in zes van de acht middelgrote steden in transitie. Deze verwachte afname van de potentiële beroepsbevolking kan niet gecompenseerd worden door een toename van de inkomende pendel omdat de verwachte afname van de potentiële beroepsbevolking in de kleinere regiogemeenten nog groter zal zijn dan in de middelgrote stad. Daarmee dreigt de krimp van de potentiële beroepsbevolking een serieuze belemmering te worden voor de economische ontwikkeling en het kunnen voorzien in allerlei publieke diensten (zorg, onderwijs, en dergelijke). In theorie kan de bedreiging verminderen door het stimuleren van de arbeidsparticipatie, het beter mobiliseren van het onbenutte potentieel, een krachtiger arbeidsmarktbeleid, minder mismatches op de arbeidsmarkt en een krachtiger ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit door middel van nieuw ondernemerschap, nieuwe toetreders, vernieuwing, digitalisering en innovatie. Maar dit vergt een gevoeld eigenaarschap voor de opgave door het bestuur én krachtig beleid. Tegelijkertijd biedt dit allerlei kansen voor het bestuur om op dit terrein gedurfde stappen te zetten, te experimenteren en te pionieren. Maar ook dat is een keuze.
Een krachtig bestuurlijk antwoord op de uitdagingen voor de steden in transitie betekent dat de uitgaven voor bestuur en ondersteuning en afzonderlijke beleidsterreinen waarschijnlijk omhoog moeten gaan. Voor Heerlen (922 euro per inwoner) en Den Helder (854 euro per inwoner) liggen de begrote lasten per inwoner voor bestuur en ondersteuning reeds boven de gemiddelde lasten in alle Nederlandse gemeenten (735 euro per inwoner). In de overige steden in transitie liggen deze uitgaven onder het Nederlandse gemiddelde. Met de relatief geringste uitgaven per inwoner in Hoogeveen (496 euro per inwoner). Verder valt op dat Lelystad de omvangrijke transitieopgaven mede aanpakt met een belangrijke financiële inzet op verschillende beleidsterreinen. Op het gebied van ‘verkeer, vervoer en waterstaat’, ‘economie’, ‘onderwijs’ en ‘volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing’
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
zijn de begrote uitgaven per inwoner aanzienlijk omvangrijker dan het gemiddelde voor alle steden in transitie en veel hoger dan de gemiddelde uitgaven per inwoner van alle Nederlandse gemeenten.41
8.8 Handelingsperspectief Elke middelgrote stad heeft specifieke transitieopgaven De transitieopgave in de meeste middelgrote ‘steden in transitie’ ligt in het formuleren van goede antwoorden op de verwachte krimp van de bevolking, de verwachte krimp van de beroepsbevolking en de afname van het aantal huishoudens. Eén van de antwoorden is het verbeteren van de aantrekkelijkheid van de middelgrote gemeente (voorzieningen, excellent onderwijs, meer variatie in woon-, werk- en leefmilieus, verduurzaming). Voor Lelystad en Roosendaal wordt geen krimp verwacht. In Lelystad is de transitieopgave geformuleerd als een schaalsprong (Lelystad Next Level) en in Roosendaal ligt de transitie in het versterken van de economie, een aantrekkelijker binnenstad en eveneens kwalitatieve verbeteringen in de woon-, werk- en leefmilieus. Transitie van vooral de bestaande woningvoorraad In de middelgrote steden in transitie is de bevolking gemiddeld niet enorm kapitaalkrachtig. Toch vindt er naar verwachting een belangrijke verandering plaats in de ontwikkeling van het aantal en soort huishoudens die een transformatie noodzakelijk maakt. Soms is er een afname van het aantal huishoudens, een sterke toename van het aantal eenpersoonshuishoudens en in alle ‘steden in transitie’ een verwachte afname van het aantal paarhuishoudens.
De bestaande woningvoorraad moet niet alleen verduurzamen, maar ook aangepast worden aan de veranderende huishoudens en de veranderende woonwensen. En dat vanuit een laag gemiddeld welvaartsniveau.
55
Bevorderen van het ondernemerschap met concrete maatregelen als gemeenschappelijke transitieopgaven Door het stimuleren van ondernemerschap (lage lasten, geen belemmerende regelgeving, rode loper aanpak, ruimte geven aan nieuwe toetreders) kan de vernieuwing, innovatie en digitalisering in de ‘steden in transitie’ bevorderd worden en dat leidt tot een sterkere arbeidsproductiviteitsontwikkeling. Dit is nodig om de bescheiden toename van de potentiële beroepsbevolking in Roosendaal de komende drie decennia en de verwachte aanzienlijke afname van de potentiële beroepsbevolking in de andere gemeenten géén rem te laten zijn op de economische ontwikkeling. Alleen in Lelystad wordt nog een redelijke toename van de potentiële beroepsbevolking verwacht. Maar daarmee verliest hetzelfde handelingsperspectief ook voor Lelystad zijn betekenis nog niet. Andere betekenisvolle beleidsantwoorden zijn een krachtiger arbeidsmarktbeleid, verkleinen van de mismatches op de arbeidsmarkt, beter onderwijs met meer variatie, een serieuze aanpak van bij-, her- en omscholing (mede in het licht van de gevolgen van de coronacrisis en Leven Lang Ontwikkelen) en het beter mobiliseren van het onbenutte potentieel.
_________ 41
Findo – Data Financiën Decentrale Overheden (lasten per inwoner in euro’s in 2020).
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
Landelijke stad De zeven middelgrote gemeenten Altena, Coevorden, Dronten, Lochem, Oldambt, Peel-en-Maas en Winterswijk kunnen getypeerd worden als ‘landelijke stad’.42
56
Oldambt
9.1 Demografie In de meest recente prognose neemt de komende dertig jaar in de landelijke steden de bevolking af (Oldambt, Coevorden, Lochem en Winterwijk) of laten ze nog een bevolkingstoename zien (Dronten, Peel en Maas en vooral in Altena). De oorzaken zijn een negatief geboorte-sterftecijfer en veelal een negatief binnenlands migratiesaldo. Dat negatieve binnenlandse migratiesaldo duidt op onvoldoende aantrekkelijkheid of onvoldoende baanmogelijkheden. Het buitenlandse migratiesaldo is in veel gemeenten positief. Dit kan verklaard worden omdat in de gemeenten een relatief groot aantal arbeidsmigranten te vinden is. Voor de toekomst is de grootste bedreiging de verwachte krimp van de potentiële beroepsbevolking (leeftijdsgroep 20 – 65 jaar) de komende dertig jaar. De landelijke verwachte afname van de potentiële beroepsbevolking is vier procent. De verwachte krimp van de potentiële beroepsbevolking in alle landelijke steden ligt daar ver boven (van -10 procent tot -19 procent). De landelijke stad die zich aan dit patroon onttrekt, is Altena (+2,6 procent). Het economische antwoord op de krimpende potentiële
_________ 42
Door deze landelijke, middelgrote gemeenten ‘stad’ te noemen, sluiten we aan bij de overige clusternamen.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
beroepsbevolking is het vergroten van de arbeidsparticipatie, het verminderen van de mismatches op de arbeidsmarkt, het beter mobiliseren van het onbenutte potentieel en het vergroten van de arbeidsproductiviteit. Ook kunnen (nog) aantrekkelijker woon- en leefomgevingen een antwoord zijn. Vijf wetenschappers reflecteren in de essaybundel Land in Samenhang op bevolkingskrimp. Duidelijk wordt dat krimp niet alleen leegloop betekent, maar ook de potentie in zich heeft van kansen.43
9.2 Woningmarkt De verwachte toename van het aantal huishoudens in de zeven landelijke steden is gemiddeld 2 procent de komende dertig jaar. In de komende drie decennia komen er naar verwachting in de landelijke steden nog maar 2.500 huishoudens bij. Wel is er een belangrijke variatie tussen de gemeenten; een verwachte groei van het aantal huishoudens van 18,5 procent in Altena en een verwachte krimp van 11 procent in Oldambt. De gemiddelde vraagprijs van woningen loopt sterk uiteen: van 239.000 euro (Oldambt) tot 415.000 euro (Lochem). Dit kan deels verklaard worden door de wel of niet perifere ligging. Er is weinig doorstroming op de woningmarkt. Dit zorgt ervoor dat veel jongeren wegtrekken vanwege kwalitatieve en kwantitatieve tekorten aan woningen. Woningen zijn vaak verouderd en sluiten niet aan bij de wens van jongeren en jonge gezinnen. Eén van belangrijkste opgaven voor deze gemeenten is het bieden van een aantrekkelijk woningaanbod voor starters om op deze manier jongeren zo goed mogelijk vast te houden. 57
9.3 Werkgelegenheid en economie De gemeenten kennen een sterke vertegenwoordiging van de landbouw als economische sector en bieden relatief weinig werkgelegenheid (tussen de 0,5 en 0,7 baan per actieve inwoner). De werkgelegenheidsontwikkeling in de afgelopen 5 jaar valt niet tegen: een toename van 6,8 procent.44 De toekomst van het landelijke gebied staat ter discussie. Denk aan het terugdringen van de stikstofuitstoot, het behoud van de biodiversiteit maar ook de rol in duurzaamheidstransitie (wel of geen windturbines of zonneweides). De gemeenten staan voor de opgave om naar een goede balans te zoeken tussen enerzijds het behoud van het landelijk karakter en de biodiversiteit en anderzijds de bouw van windturbines en zonneweides. De beleving van het landschap zal belangrijker worden in de toekomst, ook in relatie tot recreatie. De gemeenten kunnen (nog meer) inzetten op nieuwe werkgelegenheid gerelateerd aan het landelijke profiel. Denk hierbij aan toerisme, recreatie en horeca, maar ook aan woon-zorg concepten. De transitie van grootschalige industriële landbouw naar meer kleinschalige kringlooplandbouw biedt hiervoor kansen. Kleinschalige landbouw kan het platteland aantrekkelijker maken voor recreanten.
De gemeenten zullen duurzaamheidsontwikkelingen, zoals de energietransitie en klimaatadaptatie, in de gaten moeten houden zodat lokale ondernemingen mee gaan met de trends. Het aanbod van en de vraag naar werkgelegenheid hangt sterk samen met andere facetten van de regionale economie. Bereikbaarheid, woonklimaat, ligging, economisch beleid en opleidingsniveau van
_________ 43
Vera Beuzenberg, Irene Bronsvoort en Miriam Wouters, Land in samenhang. Krimp en regionale kansengelijkheid, Platform31/BZK, Den Haag, oktober 2019.
44
Zie bijlage 1: het aantal banen heeft betrekking op het totaalaantal fulltimers, parttimers en uitzendkrachten.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
de beroepsbevolking hebben invloed. In het kennisdossier Bevolkingsdaling van Platform31 wordt dit verder uitgewerkt.45 Ten slotte ligt een aantal van de gemeenten binnen deze cluster in grensgebieden. Voor deze gemeenten is het belangrijk om zich bewust te zijn van de grensoverschrijdende arbeidsmarkt. Hierin kunnen gemeenten faciliteren om zowel arbeiders aan te trekken, als om werkzoekenden te stimuleren om over de grens op zoek te gaan naar een baan.46 De landelijke steden in het oosten van het land hebben daarbij helaas te maken met een relatief leeg buitenlands achterland met beperkte werkgelegenheidskansen. Door de veranderende economische functie van het landelijke gebied is er de afgelopen jaren veel agrarisch vastgoed leeg komen te staan. Veel boeren en tuinders zijn met hun bedrijf gestopt en hun schuren en kassen staan nu leeg. Dit leegstaande vastgoed kan kansen bieden in de vorm van ruimte voor ondernemerschap. Zo kunnen de schuren gebruikt worden voor nieuwe bedrijven en dit kan een impuls geven aan het gebied. Maar leegstaand (agrarisch) vastgoed kan ook leiden tot verloedering en ondermijning. Recentelijk worden er veel drugslabs opgerold op verouderde bedrijventerreinen en in leegstaande loodsen en schuren op het platteland.
Gemeenten kunnen zichzelf en elkaar uitdagen door actief na te denken welke rol zij willen spelen bij het herbestemmen van leegstaand vastgoed.
9.4 Voorzieningen De gemeenten kennen relatief weinig voorzieningen en voor veel voorzieningen (met name onderwijs en gezondheidzorg) zijn de gemeenten afhankelijk van nabijgelegen gemeenten. Dit hoeft geen probleem te zijn zolang de bereikbaarheid van deze voorzieningen geborgd is. Opvallend is dat de 58
horeca en detailhandel het relatief goed doen in deze gemeenten. Een aantal gemeenten – waaronder Altena, Oldambt, Dronten en Coevorden – heeft problemen met leegstand van winkels. Door de demografische krimp is het voorzieningenpeil de afgelopen jaren onder druk komen te staan en zijn veel winkels gesloten. Het transformeren of slopen van deze winkels is een opgave waar deze gemeenten voor staan. Omdat vanwege de dunne economie herbestemmen geen veelbelovende optie is, kan maximaal ingezet worden op autonome economische groei, ruimte voor ondernemerschap, allerlei tijdelijke functies en ruimte geven voor allerlei vormen van zzp-ondernemerschap (zonder ondermijning) in de vrijkomende opstallen. In het landelijk gebied is de vervoersvraag anders dan die van grootstedelijke gebieden. Goede bereikbaarheid is cruciaal voor de leefbaarheid en vitaliteit van het landelijk gebied. Ook is het een randvoorwaarde voor uitwisseling tussen regio’s en voor ontmoetingen tussen plattelanders en stedelingen. De verschraling van het regulier openbaar vervoer in het landelijk gebied is daarom zorgelijk. Alternatieve oplossingen, vaak kleinschalig en vaak in de vorm van burgerinitiatieven, zijn onmisbaar om de bereikbaarheid op peil te houden of te verbeteren.
Naast fysieke bereikbaarheid is het voor de gemeenten ook belangrijk omwerk te maken van een goede digitale bereikbaarheid (door middel van glasvezel of 5G).47
_________ 45
Platform31, Kennisdossier Bevolkingsdaling: Regionale economie en arbeidsmarkt, Den Haag
46
Platform31, Kennisdossier Bevolkingsdaling: Grensoverschrijdende arbeidsmarkt. , Den Haag
47
David Louwerse, Sneller internet voor stad en platteland, Platform31, Den Haag, 24 mei 2019.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
9.5 Kwaliteit van leven De landelijke stad is over het algemeen een aantrekkelijke plek om te wonen, met name voor 60plussers. De gemeenten kunnen getypeerd worden als rustig, veilig en groen. De dorpsmentaliteit zorgt voor een groot sociaal vangnet en een sterke gemeenschapszin. Als we kijken naar de PBL-indicatoren van ‘kwaliteit van leven’, dan zien we dat de gemeenten zich gemiddeld en vaak beter dan gemiddeld ontwikkelen ten opzichte van de ontwikkeling van heel Nederland. Dit geldt in het bijzonder voor subjectief welzijn en samenleving, maar ook voor gezondheid en leefomgeving. Binnen het concept brede welvaart zijn de plattelandsgemeenten materieel minder welvarend dan de grote steden. Maar dat wordt meer dan gecompenseerd door immateriële aspecten van brede welvaart (schoon, veiligheid, gezondheid, natuur en nabuurschap).48 Op de indicator ‘toegang tot voorzieningen’ scoren Altena, Coevorden, Dronten en Lochem (veel) slechter dan gemiddeld. Daarnaast scoort Oldambt op het gebied van ‘inkomen en arbeid’ en ‘gezondheid’ slechter dan gemiddeld; net als veel andere gemeenten aan de grens staat Oldambt voor een groot aantal uitdagingen. Gemeenten kunnen nog sterker inzetten op het vergroten van quality of life. Zij kunnen zich profileren als een aantrekkelijke gemeente om te wonen.
Zeker nu mensen steeds meer op afstand kunnen werken en het aantal verhuizingen naar het platteland toeneemt, biedt dit kansen voor de ‘landelijke steden’.
9.6 Sociaaleconomisch De ‘landelijke steden’ zijn op allerlei sociale indicatoren geen homogene groep middelgrote gemeenten.
59
Op basis van indicatoren als gemiddeld inkomen, vermogen, percentage huishoudens met een inkomen onder 105 procent van het sociaal minimum gedurende vier jaar of langer, uitkeringen, arbeidsongeschiktheid, langdurige werkloosheid, jeugdwerkloosheid, veiligheid, veiligheidsbeleving, sociale contacten, sociaal vertrouwen, sociale cohesie en eenzaamheid wordt de variatie zichtbaar. Altena, Lochem en Peel en Maas kennen niet of nauwelijks grote sociale problemen. Oldambt daarentegen kent de grootste sociale opgaven.
9.7 Bestuur en samenspel De ‘landelijke stad’ is afhankelijk van de regio waarin het ligt. Toch hoeven de gemeenten zich niet minder te voelen, want de grotere stad heeft de plattelandsgemeenten hard nodig. Rijksbouwmeester Floris Alkemade was de afgelopen tijd een ambassadeur voor het platteland. Hij pleitte voor het benutten van de dynamiek en de ruimte die juist de periferie biedt. In zijn toekomstperspectief voor de ruimtelijke inrichting van Nederland Panorama Nederland wijst hij op het belang van de periferie. Hij stelde dat het platteland sneller en radicaler verandert en moderniseert dan de stad.49 Voor de gemeenten die tot de landelijke stad gerekend kunnen worden is het belangrijk om regionaal goed af te stemmen en samen te werken. Alleen in samenwerking kan de regio toekomstbestendig gemaakt worden. Over het algemeen is de politieke participatie gemiddeld of beter dan gemiddeld in
_________ 48
Centraal Bureau voor de Statistiek, Regionale Monitor Brede Welvaart toont grote verschillen stad en platteland, Nieuwsbericht, 30 november
49
College van Rijksadviseurs, Panorama Nederland, Den Haag, december 2018
2020.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
heel Nederland (met uitzondering van Oldambt). Dat biedt een basis om in de regionale samenwerking stappen te zetten.
9.8 Handelingsperspectief De landelijke steden zijn veelal landelijke of agrarische gemeenten met relatief weinig inwoners en op afstand van een grote(re) stad. De meeste gemeenten zijn buiten de Randstad gelegen. De gemeenten zijn vaak omringt door groen, maar staan voor uitdagingen met betrekking tot de sterke vergrijzing en ontgroening van de gemeente. Landbouw en natuur sterk bepalend voor de identiteit van de landelijke steden De grote vraagstukken rond de ruimtelijke kwaliteit hangen samen met de ruimte die de landbouw inneemt, de noodzaak om meer ruimte te bestemmen voor natuur en voor de productie van energie. De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur heeft laten zien, met het jaar 2050 als eindpunt, dat er een toekomstperspectief is waarbij de duurzaamheidsopgaven verbonden zijn met het beheer van natuur en de landschappelijke kwaliteit.50 De landbouw is al eeuwenlang de belangrijkste beeldbepaler van het Nederlandse landschap en van de ‘landelijke steden’.51 Maar de productiefunctie van de landbouw domineert inmiddels steeds meer in negatieve zin het agrarische landschapsbeeld. Het bestaande voedselsysteem bevindt zich in een afbouwende curve. Het vertoont op dit moment tekenen van destabilisatie, gezien de problemen met de intensieve veehouderij, grotere gebouwen en kavels, het overmatig gebruik van pesticiden, de 60
teruglopende biodiversiteit, verdwenen houtwallen en de groeiende zorgen over het bodembeheer. Er zijn wel tekenen van vernieuwing, maar deze vernieuwing verkeert nog in de experimenteerfase. Er wordt binnen het voedselsysteem vooral nog vastgehouden aan de dominante strategie van grootschalige productie voor de wereldmarkt.52 De landelijke steden en de traditionele ruimtegebruiksfuncties in het landelijk gebied − landbouw en natuur − zien zich met de verduurzaming van de land- en tuinbouw en de realisering van natuurdoelen, gesteld voor nieuwe opgaven, doelstellingen en handelingsperspectieven. Ruimtelijke kwaliteit aan de voorkant meenemen en verbinden met de grote transities Nederland staat voor enorme ruimtelijke opgaven die grote gevolgen zullen hebben voor het bestaande landschap. In de afgelopen eeuwen hebben de veranderingen tot soms radicaal nieuwe landschappen geleid (inpolderingen, veenontginningen, droogmakerijen, ruilverkavelingen, Deltawerken, Flevopolders). Dat het landschap de komende decennia opnieuw radicaal zal veranderen, is onontkoombaar. Maar het verleden heeft geleerd dat grootschalige transities ook tot mooie en gewaardeerde landschappen kunnen leiden. Dat vereist echter wel dat de ruimte voor het landelijk gebied ‘aan de voorkant’ in het proces van ruimtelijke ingrepen wordt meegenomen.
Optimistische commentatoren zien zelfs een politieke window of opportunity waarin logische verbindingen gelegd kunnen worden. Verbindingen tussen min of meer conservatieve waarden als rentmeesterschap en
_________ 50
Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), De som der delen. Verkenning samenvallende opgaven in de regio, Den Haag, maart
51
Frank van Dam, Alexandra Tisma en Jos Diederiks, Transities, ruimteclaims en landschap, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag,
2019, blz. 7, 9 – 14, 40 en 41. 2019, blz. 14. 52
Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), De som der delen. Verkenning samenvallende opgaven in de regio, Den Haag, maart 2019, blz. 19.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
collectieve identiteit, liberale uitgangspunten als ruimte voor ondernemerschap en eigen verantwoordelijkheid, en progressieve duurzaamheidsdoelen.53 De ‘landelijke steden’ staan voor de opgave om deze politieke coalitie te smeden en om deze window of opportunity te benutten. Daarbij moeten de landelijke steden ook de vraag beantwoorden of de kool (kringlooplandbouw) en de geit (intensieve veehouderij) niet te veel wordt gespaard. In het realisatieplan Op weg met nieuw perspectief van het ministerie van LNV om de omschakeling te realiseren naar kringlooplandbouw wordt niet gerept over een bovengrens voor het aantal varkens, geiten, kippen of koeien dat mogelijk is bij kringlooplandbouw.54 Toch is het stellen van kwantitatieve grenzen een relevante politieke vraag en uiterst urgent vanwege de grote hoeveelheden fosfaat (waarbij Nederland Europese normen schendt) en het verbod van de Raad van State op de Programmatische Aanpak Stikstof.55 Waarden van het landschap vertalen naar een vergoeding voor boeren Tegenover het succes van Nederlandse boeren als voedselproducenten staat hun tekortkoming als hoeder van het landschap, biodiversiteit en klimaat. Deels worden boeren ook opgezadeld met tegenstrijdige belangen. Wij streven naar koeien in de wei vanwege de landschapsbeleving, maar willen liever geen methaanuitstoot.
Wij streven naar dierenwelzijn, maar willen wel goedkoop vlees blijven consumeren. Op korte termijn is een omslag nodig naar een productiewijze die de negatieve effecten van voedselproductie binnen de perken houdt. Dit kan onder andere door terug te grijpen op het instrumentarium dat na de Tweede Wereldoorlog zo succesvol is gehanteerd om de landbouwproductie op te voeren. Namelijk; de boeren een vergoeding geven voor hun bijdrage aan de bescherming van milieu en klimaat. De vergoeding zal het verlies aan opbrengsten van reguliere landbouwproducten als melk moeten compenseren.56 61
_________ 53
Frank van Dam, Alexandra Tisma en Jos Diederiks, Transities, ruimteclaims en landschap, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag, 2019, blz. 29, 30.
54
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Realisatieplan Visie LNV. Op weg met nieuw perspectief, Den Haag, juni 2019.
55
Vasco van der Boon, “Kringlooplandbouw Schouten bevat nogal wat losse eindjes”, in: Het Financieel Dagblad, 27 juni 2019, blz. 10, 11.
56
Jeltsje van der Meer en Henk Folmer, “Betaal de boer toch om onze ‘landschapspijn’ te verzachten”, in: Het Financieel Dagblad, 6 juli 2019. Zie ook de concrete uitwerking in: Frank Kalshoven, “Kringlooplandbouw (slot)”, in: De Volkskrant, 28 november 2020, blz. 16.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
Aan de slag Het doel van het rapport Middelgrote gemeenten: op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief is om de middelgrote gemeenten te stimuleren om met elkaar in gesprek te gaan, aanpakken uit te wisselen en om van elkaar te leren voor hun strategische antwoorden. De middelgrote gemeenten kunnen het gesprek met elkaar aan gaan aan de hand van de opgaven en handelingsperspectieven beschreven in één of meerdere van de voorafgaande clusterhoofdstukken. Om aan de slag te gaan, kunnen de middelgrote gemeenten ook generieke opgaven voor alle clusters als vertrekpunt kiezen. Per thema worden in dit hoofdstuk een aantal generieke opgaven en antwoorden beschreven waaruit gekozen kan worden.
10.1 Demografie De winnaars van nu kunnen de verliezers zijn in de toekomst en omgekeerd De bevolkingsontwikkeling is met een grote mate van onzekerheid omgeven. Blijven de middelgrote gemeenten interessant voor mensen die een betere woon- en leefomgeving zoeken en zijn zij bereid om te verhuizen naar de middelgrote stad? En zijn er meer mensen die naar middelgrote gemeenten verhuizen dan uit middelgrote gemeenten. De ontwikkelingen in het verleden laten zien dat groei en krimp niet stabiel zijn in de tijd en dat, in elk tijdsgewricht, goede strategische antwoorden ertoe doen. De ervaring laat zien dat in de tijd de ontwikkelingspatronen van de bevolking in gemeenten, steden en 62
regio’s aanzienlijk kunnen veranderen. Steden en regio’s die in de jaren zeventig krompen, behoren nu tot de sterkste groeiers, en omgekeerd. Van 1968 tot 1983 kromp, of groeide de bevolking slechts in beperkte mate, in bijvoorbeeld Den Haag, Amsterdam, Rotterdam, Schiedam, Utrecht, Velsen, Hilversum, Haarlem, Arnhem en Heerlen. Dus ook in de grote steden die zich nu in een grote mate van populariteit kunnen verheugen.57 In dit tijdsgewricht was de sterkste bevolkingsgroei in Zoetermeer, Nissewaard, Purmerend, Hoorn, Alphen aan den Rijn, Haarlemmermeer, Almaar, Oss, Gouda en Ede. Dit patroon wijzigt radicaal in de periode daarna (2008 – 2018). Nu zijn Utrecht, Amsterdam, Amstelveen, Den Haag, Almere, Groningen, Amersfoort, Arnhem, Nijmegen en Eindhoven de snelle groeiers. En is van krimp of geringe bevolkingsgroei sprake in Heerlen, Sittard-Geleen, Emmen, Hengelo, Roosendaal, Nissewaard, Dordrecht, Velsen, Almelo, Venlo en Vlaardingen – de eerdere snelle groeiers. Groei en krimp zijn derhalve niet stabiel in de tijd.58 Kies voor robuust beleid dat rekening houdt met de onzekerheid van de bevolkingsprognoses De recente bevolkingsvarianten van NIDI en CBS gaan ervan uit dat de bevolking in Nederland kan variëren van 17,1 miljoen tot 21,8 miljoen inwoners in 2050.
Dit is afhankelijk van het kindertal (laag of hoog), levensverwachting (laag of hoog) en buitenlandse migratiesaldo (laag of hoog).59 De hoge bevolkingsvarianten hebben grote gevolgen voor de woningbouwopgave, de duurzaamheidsopgave, de sociale zekerheid en dergelijke in de middelgrote gemeenten.