A08. 20220105 Gemeente Zeist, M50 nieuwe datum 7 februari webinair Wonen en Verduurzamen in Middelgroot.pdf
Tekst van het document
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
streeksteden vestigden. Voor alle bloeiende streeksteden tezamen wordt de verwachte bevolkingsgroei de komende dertig jaar sterk verklaard door de natuurlijke aanwas (59 procent), in mindere mate door het saldo van de buitenlandse migratie (33 procent) en in nog mindere mate door het saldo van de binnenlandse migratie (7 procent). Rond dit gemiddelde beeld is er weer een belangrijke variatie tussen de bloeiende streeksteden. In Helmond wordt de verwachte bevolkingsgroei vooral verklaard door de natuurlijke aanwas en het saldo van de binnenlandse migratie. In Nijkerk en Oss vooral door de natuurlijke aanwas en het saldo van de buitenlandse migratie. In Kampen en Rijssen-Holten alleen maar door de natuurlijke aanwas; het saldo van de buitenlandse en binnenlandse migratie is in beide bloeiende streeksteden naar verwachting negatief. In Helmond, Kampen, Nijkerk, Oss en RijssenHolten blijkt de ‘bloei’, en het optimisme van de inwoners over de toekomst, onder andere uit de sterke natuurlijke aanwas. De inwoners willen klaarblijkelijk graag in hun bloeiende streekstad blijven wonen. Het percentage interne verhuizingen is relatief hoog.
4.2 Woningmarkt De aantrekkelijkheid van de bloeiende streeksteden komt tot uiting in de sterke verwachte toename van het aantal huishoudens de komende dertig jaar. Voor de zeven bloeiende streeksteden tezamen een toename van 12 procent; in deze periode komen er naar verwachting ruim 23.000 woningen bij. De verwachte toename van het aantal huishoudens in de bloeiende streeksteden (12 procent) ligt boven de verwachte toename van het aantal huishoudens in heel Nederland (9,6 procent). Vooral in Nijkerk (16,6 procent), Helmond (14,9 procent), Oss (11,9 procent), Heerhugowaard (11,7 procent) en in Meierijstad (11,3 procent) wordt een sterke toename van het aantal huishoudens verwacht. De verwachte bevolkingsgroei in Rijssen-Holten (6,3 procent) en Kampen (8,1 procent) ligt onder de nationale raming
25
van de toename van het aantal huishoudens. Om te kunnen blijven ‘bloeien’, moeten de bloeiende streeksteden de bestaande woningvoorraad aanpassen aan de veranderende huishoudenssamenstelling en de veranderde woonwensen. De benodigde aanpassing in de bloeiende streeksteden is wel minder ingrijpend dan de aanpassing die in heel Nederland nodig is. Voor de periode 2020 en 2050 wordt voor alle bloeiende streeksteden tezamen een groei van 19 procent verwacht van het aantal eenpersoonshuishoudens en een groei van 8 procent van het aantal paarhuishoudens. De verwachte toename van het aantal paarhuishoudens ligt in alle bloeiende streeksteden hoger dan de verwachte landelijke toename van het aantal paarhuishoudens (0,5 procent). De verwachte toename van het aantal eenpersoonshuishoudens is vooral sterk in Heerhugowaard (26 procent), Helmond (25 procent), Meierijstad (24 procent) en Nijkerk (20 procent). De vraagprijs van de woningen in de bloeiende streeksteden wijkt niet in belangrijke mate af van het Nederlandse gemiddelde. De bloeiende streeksteden zijn − ondanks hun bloei − niet bijzonder duur. De gemiddelde vraagprijs van de woningen varieert tussen 308.000 euro (Kampen) en 439.000 euro (Nijkerk). Ondanks de gemiddelde vraagprijs van de woningen in de bloeiende streeksteden zijn er toch ook tekorten in het lage en middenprijssegment.
Hierdoor is het voor starters ook in de bloeiende streeksteden lastig om een betaalbare en geschikte woning te vinden. Met het gevaar dat deze groep genoodzaakt is om weg te trekken naar andere gemeenten. De uitdaging voor de bloeiende streeksteden is het aanbieden van voldoende starterswoningen zodat de eigen jongeren en jonge gezinnen in de eigen middelgrote gemeente kunnen blijven wonen.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
4.3 Werkgelegenheid en economie Het aantal banen per duizend inwoners van 15 tot 65 jaar varieert tussen 620 (Kampen) en 897 (Meierijstad). Door de sterke bedrijfsstructuur en vaak krachtige familiebedrijven is het aantal banen per duizend inwoners hoog in Meierijstad (onder andere Mars, Jumbo, Sligro en het Food Park in Veghel) en Rijssen-Holten (VolkerWessels, Nijhuis Bouw). Maar zelfs in deze bloeiende streeksteden is er een belangrijke inkomende pendel. In de andere bloeiende streeksteden is de inkomende pendel nog belangrijker. Ten opzichte van de andere groepen middelgrote steden (aantrekkelijke woonsteden, werksteden, voorsteden en dergelijke) en ten opzichte van heel Nederland valt de sterke groei van het aantal banen op. De afgelopen vijf jaar is het aantal banen met 12 procent toegenomen. Van 2015 tot en met 2019 zijn er in de bloeiende streeksteden ruim 25.000 banen bijgekomen. De toename van het aantal banen is vooral groot in Nijkerk (17 procent), Meierijstad (15 procent) en Rijssen-Holten (13 procent).
Maar de andere bloeiende streeksteden doen daar nauwelijks voor onder.17 Van de beroepsbevolking in de bloeiende streeksteden hebben veel inwoners een laag of een sterk praktijkgericht opleidingsniveau.18 Dit past goed bij de consument-verzorgende bedrijfssectoren (detailhandel, horeca, onderwijs, zorg, cultuur, sport en recreatie) die een belangrijk kenmerk zijn van de streeksteden. Meer dan de helft van het banenaanbod in de verzorgende bedrijvigheid past bij de lager of praktisch opgeleiden. Een aantal van de banen voor deze laagopgeleiden is in eenvoudige beroepen (bijvoorbeeld 26
distributiecentra, detailhandel en horeca), in administratieve beroepen of in flexibele banen. Deze banen zijn kwetsbaar voor economische veranderingen, zoals bijvoorbeeld blijkt in de coronacrisis. Gemeenten kunnen hier op inspelen door bij te dragen aan het versterken van hun positie op de arbeidsmarkt. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van opleidingsmodules, leerwerkvormen en bij-, om- en nascholing. In de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie zijn er op termijn veel baanmogelijkheden voor lager en praktisch opgeleide inwoners. De afgelopen vijf jaar neemt in alle bloeiende streeksteden het aantal vestigingen (als een proxy voor de dynamiek van de economie) met 17 procent toe. Deze ontwikkeling wijkt niet af van de landelijke groei van het aantal vestigingen. De sterkste toename van het aantal vestigingen kent Oss (21 procent) en de minst sterke toename is er in Rijssen-Holten (9 procent). De bloei in de bloeiende streeksteden wordt in de toekomst bedreigd door de verwachte krimp van de potentiële beroepsbevolking. Van 2020 tot 2050 neemt naar verwachting de potentiële beroepsbevolking (leeftijdsgroep 20-65 jaar) af in Heerhugowaard (-7 procent), Rijssen-Holten (-6 procent), Meierijstad (-5 procent) en Kampen (-2 procent). Alleen in Helmond, Nijkerk en Oss (rond de 3 procent) groeit naar verwachting de potentiële beroepsbevolking nog enigszins.
Dit betekent dat Helmond, Nijkerk en Oss makkelijker hun positie als bloeiende streekstad kunnen behouden dan de streeksteden die te maken zullen krijgen met een krimpende beroepsbevolking. Voor de vier andere bloeiende streeksteden wordt het behouden van hun streekfunctie veel lastiger. Voor deze gemeenten is het vergroten van de arbeidsparticipatie, het beter mobiliseren van het onbenutte potentieel, een
_________ 17
Zie bijlage 1
18
Onderwijs op het niveau van basisonderwijs, het vmbo, de eerste drie leerjaren van havo/vwo en de entreeopleiding en de voormalige assistentenopleiding (mbo-1).
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
betere werking van de arbeidsmarkt, het verkleinen van de mismatches op de arbeidsmarkt en het vergroten van de arbeidsproductiviteit door middel van vernieuwing en innovatie nóg belangrijker dan voor de middelgrote gemeenten waarin de potentiële beroepsbevolking naar verwachting niet afneemt.
4.4 Voorzieningen Het voorzieningenniveau in de bloeiende streeksteden is van belang voor hun regionale functie als streekstad. Over het algemeen wijken − zoals verwacht mag worden − de voorzieningen in deze gemeenten niet negatief af van het Nederlandse gemiddelde. Vanuit de regio komen mensen naar de streekstad om gebruik te maken van detailhandel, horeca, kinderopvang, zorg, onderwijs, cultuur en recreatie. De gemiddelde winkelleegstand in de bloeiende streekstad is niet hoger dan het Nederlands gemiddelde. Wanneer een bloeiende streekstad in de schaduw ligt van een andere middelgrote gemeente met een centrumfunctie is het van belang dat de gemeenten het voorzieningenniveau op elkaar afstemmen zodat zij gezamenlijk agglomeratiekracht ontwikkelen (borrowing functions). Voor de bloeiende streeksteden is het van belang om voor de regio een goed aanbod van onderwijsvoorzieningen (vmbo, mbo, vwo en liefst ook hbo) te hebben. Een gevarieerd en kwalitatief goed aanbod op dit niveau versterkt de arbeidsmarktkansen voor de laag- en middelbaar opgeleiden. In toenemende mate is het van belang om een goed aanbod van onderwijsvoorzieningen te hebben om een Leven Lang te Ontwikkelen. Het verbinden van het opleidingsaanbod met de lokale arbeidsvraag zal bijdragen aan de toekomstbestendigheid van de bloeiende streekstad. In de gemeenten zijn de cijfers van de schooluitval niet hoog.
Alleen in Helmond is het iets hoger dan in de andere bloeiende streeksteden. 27
4.5 Kwaliteit van leven Op de diverse dimensies van ‘kwaliteit van leven’ (inkomen & arbeid, samenleving & subjectief welzijn en gezondheid & leefomgeving) en hun 51 indicatoren scoren vooral Heerhugowaard, Kampen, Nijkerk, Meierijstad en Rijssen-Holten gemiddeld of (veel) beter dan gemiddeld van alle Nederlandse gemeenten.19 Oss is op alle dimensies van ‘kwaliteit van leven’ een gemiddelde gemeente geworden (noch beter noch slechter dan het gemiddelde van alle Nederlandse gemeenten). De bloeiende streekstad 'Helmond' heeft een intrigerend profiel op de kenmerken van ‘kwaliteit van leven’. Alleen op 'wonen' en 'economie' beter dan gemiddeld ten opzichte van heel Nederland, op 'veiligheid, 'toegang tot voorzieningen', 'gezondheid en 'arbeid' gemiddeld, en op 'inkomen', 'onderwijs', 'milieu', 'samenleving' en 'subjectief welzijn' slechter dan gemiddeld. Sinds 2014 ontwikkelen Heerhugowaard, Kampen, Oss en Rijssen-Holten zich op alle dimensies van ‘kwaliteit van leven’ gemiddeld of (veel) beter dan gemiddeld dan alle Nederlandse gemeenten. Dit geldt ook voor Nijkerk (vooral op de dimensie ‘arbeid’), maar tegelijkertijd ontwikkelt Nijkerk zich slechter dan gemiddeld op de dimensie ‘wonen’. Het laatste is derhalve een aandachtspunt voor Nijkerk. Sinds 2014 doet Helmond het slechter dan gemiddeld op de dimensies 'subjectief welzijn' en 'samenleving'.
De toegang tot voorzieningen is voor Meierijstad een aandachtspunt. Dit heeft te maken met de grote oppervlakte van de gemeente en de vele kernen.
_________ 19
Zie bijlage 2.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
4.6 Sociaaleconomisch De bevolkingsopbouw qua sociaaleconomische groepen, opleidingsniveau en uitkeringsafhankelijkheid vertoont binnen het cluster bloeiende streeksteden variatie; maar wijst niet op grote problemen. Sociaal is Rijssen-Holten de sterkste gemeente van de bloeiende streeksteden. Het besteedbaar inkomen, werkloosheid en sociale contacten zijn beter dan gemiddeld in Nederland. De netto-arbeidsparticipatie, langdurige werkloosheid en sociale cohesie zijn er zelfs véél beter dan gemiddeld. Helmond is op diverse sociale indicatoren de zwakste streekstad van de onderscheiden bloeiende streeksteden. Alleen het percentage eenzaamheid is gemiddeld in vergelijking met de rest van Nederland en het percentage kinderen uit uitkeringsgezinnen is zelfs iets lager dan het Nederlands gemiddelde (4,3 procent ten opzichte van 7 procent als Nederlands gemiddelde). Wel is soms het percentage gescheiden gezinnen opvallend hoog in de bloeiende streeksteden (bijvoorbeeld in Rijssen-Holten). Dit kan op de lange termijn de vraag naar hulp en zorg vergroten. Het onbenutte arbeidspotentieel in 2018 is voor alle bloeiende streeksteden tezamen gemiddeld 14,8 procent van de beroepsbevolking. Dit is slechts iets lager dan het onbenutte potentieel in heel Nederland (15,7 procent).
Het onbenutte potentieel is vooral hoog in Helmond (18,5 procent), in Oss (16,9 procent) en in Heerhugowaard (16,3 procent). Met een naar verwachting krimpende beroepsbevolking kan vooral Heerhugowaard zich deze ‘luxe’ niet meer permitteren en dreigt een aantasting van de ‘bloei’.
4.7 Bestuur en samenspel 28
De politieke participatie is in de bloeiende streeksteden gemiddeld (Heerhugowaard, Meierijstad en Oss) ten opzichte van alle Nederlandse gemeenten, slechter dan gemiddeld (Helmond), beter dan gemiddeld (Kampen en Nijkerk) en véél beter dan gemiddeld (Rijssen-Holten). Ook in dit kenmerk is er een belangrijke variatie tussen de middelgrote streeksteden. Per hoofd van de bevolking geven de bloeiende streeksteden volgens de begroting 2020 veel meer uit aan economie (145 euro per inwoner) dan het gemiddelde van alle Nederlandse gemeenten (77 euro per inwoner). Deze hoge gemiddelde uitgaven voor economie van alle bloeiende streeksteden komt vooral door Oss (339 euro per inwoner), Meierijstad (325 euro per inwoner), Helmond (141 euro per inwoner) en Nijkerk (132 euro per inwoner). De andere bloeiende streekgemeenten (Heerhugowaard, Kampen en Rijssen-Holten) zitten hier substantieel onder (22 – 29 euro per inwoner). Op de andere hoofdfuncties (‘bestuur en ondersteuning’, ‘veiligheid’, ‘verkeer en vervoer en waterstaat’, ‘onderwijs’, ‘sport, cultuur en recreatie’, ‘sociaal domein’, ‘volksgezondheid en milieu’ en ‘volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing’) zijn er geen grote verschillen tussen de lasten per inwoner van alle bloeiende streeksteden gemiddeld en het Nederlandse gemiddelde.
Uitschieters met hoge uitgaven per inwoner onder de bloeiende streeksteden zijn: Heerhugowaard voor ‘bestuur en ondersteuning’, Kampen voor ‘sport, cultuur en recreatie’ en ‘volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing’ en Helmond voor het ‘sociaal domein’. In Nijkerk vallen de relatief geringe uitgaven per inwoner op in het sociale domein.20 Om de rol van bloeiende streekstad goed te kunnen vervullen, worden regionale afspraken steeds belangrijker. De streekstad kan nog meer bloeien als goede regionale afspraken zijn gemaakt op het
_________ 20
Zie bijlage 1.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
gebied van woningen, bedrijfsterreinen, verkeer en vervoer, arbeidsmarkt, onderwijs, voorzieningen, duurzame energie, et cetera. De bloeiende streekstad kan hierin uit welbegrepen eigenbelang een proactieve rol vervullen naar en met de regiogemeenten. Dit geldt zeker ook voor de streeksteden die in de nabijheid liggen van een andere (middel)grote stad. Veel streeksteden maken onderdeel uit van een stedelijk netwerk met één of enkele andere (middel)grote steden (Alkmaar-Heerhugowaard; KampenZwolle; Oss en Meierijstad als onderdeel van Midsize Brabant). Met intensieve regionale samenwerking en afstemming, om de onderlinge complementariteit te vergroten, kan één plus één tweeënhalf worden. De bloeiende streeksteden kunnen hun ervaringen met dit regionale samenspel met elkaar uitwisselen.
4.8 Handelingsperspectief Versterken van de streekfunctie De bloeiende streeksteden kenmerken zich door hun regionale streekfunctie. Dit vereist goede voorzieningen (detailhandel, zorg, onderwijs, cultuur, en dergelijke), een levendige binnenstad en goede verkeers- en vervoersverbindingen met de omliggende regiogemeenten. Voor zover er sprake is van leegstand moet het kernwinkelgebied verkleind en verbeterd worden en kunnen de aanloopstraten getransformeerd worden tot woonwerkmilieus. In de streekstad zijn zowel monofunctionele als multifunctionele werkmilieus nodig. Bij de multifunctionele werkmilieus gaat het niet zozeer om traditionele ‘kantoren in de plint’, maar om levendige, gevarieerde woon-werk locaties. En niet zozeer om klassieke locaties aan de snelwegen en uitvalswegen (die veel leegstand kennen), maar om kantoorlandschappen gekenmerkt door modern of karakteristiek vastgoed, een groene omgeving, nabij horecavoorzieningen (eventueel binnenstad) en idealiter dichtbij een multimodaal knooppunt. Door bovendien in te zetten op het verbeteren en variëren van het onderwijs op alle niveaus wordt de
29
streekfunctie versterkt en krijgt de regionale economie een belangrijke impuls. Dit krijgt door de coronacrisis alleen nog maar meer betekenis dan het voor de crisis al had. Duidelijk beeld van de kracht van de eigen economie In de meeste bloeiende streeksteden is de verzorgende bedrijvigheid de belangrijkste motor van werkgelegenheidsgroei. Daarnaast heeft elke bloeiende streekstad eigen vormen van bedrijvigheid. Daarin is bijvoorbeeld Oss geen Meierijstad en Helmond geen Rijssen-Holten. Vooral de bloeiende streeksteden waar geen belangrijke bevolkingsgroei verwacht wordt (Rijssen-Holten, Heerhugowaard Kampen) kunnen de bestaande bedrijvigheid en het aanwezige ondernemerschap bevorderen door een excellent ondernemers- en vestigingsklimaat. Gezien de verwachte krimp van de potentiële beroepsbevolking in Nederland, en in de regio van de bloeiende streeksteden, is het van belang de arbeidsparticipatie te vergroten, het onbenutte potentieel beter te mobiliseren, de werking van de arbeidsmarkt te optimaliseren en de arbeidsproductiviteitsontwikkeling te vergroten door het stimuleren van vernieuwing, innovatie, nieuwe toetreders en de ‘economie van morgen’ (digitalisering, smart industry, smart mobility, circulaire economie, en dergelijke).
Versterken van het onderscheidende profiel Het onderscheidende karakter van de afzonderlijke bloeiende streeksteden is niet evident en kent geen duidelijke pieken en dalen. De meeste bloeiende streeksteden zijn noch een overduidelijke woonstad noch een overduidelijke werkstad. De voorzieningen − alhoewel zonder evidente omissies − zijn rond het gemiddelde van alle middelgrote gemeenten, maar hebben wel een belangrijke streekfunctie. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn als de voorzieningen, de beroepsbevolking, de kenmerken en behoeften van de economie, de aantrekkingskracht (saldo binnenlandse migratie) en de quality of life zich in balans verder ontwikkelen zonder duidelijke hoogte- en dieptepunten.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
Gemeenten kunnen inzetten op het krachtiger profileren van de eigen kenmerken en het vernieuwen van de eigen kenmerken. Het onderscheidende profiel kan helpen om bedrijven aan te trekken die de bloei van de streekstad verder kunnen borgen. Voor de bloeiende streeksteden kan dat de inzet zijn op industriële vernieuwing (Helmond, Oss, Veghel (Meierijstad)), verduurzaming (Heerhugowaard) of verbreding van de economische basis (Kampen, Rijssen-Holten). Zo kan Helmond zich profileren op basis van zijn historische industriële verleden en nieuwe speerpunten kiezen met bijvoorbeeld smart mobility. Wel moeten daarbij, liefst tegelijkertijd, verbeteringen in de quality of life ('inkomen', 'onderwijs', 'milieu', 'samenleving' en 'subjectief welzijn') gerealiseerd worden.
30
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
Werkstad De zeven middelgrote gemeenten Almelo, Barendrecht, Barneveld, Etten-Leur, Venray, Waalwijk en Westland kunnen getypeerd worden als ‘werkstad’.
31
Almelo (Foto: Traveller70 / Shutterstock.com)
5.1 Demografie De komende drie decennia neemt de bevolking in Nederland volgens de meest recente prognose toe met 6,6 procent. De verwachte bevolkingsontwikkeling van alle zeven werksteden tezamen loopt precies gelijk op met de prognose voor heel Nederland. De bevolking in de werksteden neemt naar verwachting nog toe met ruim 28.000 inwoners. Tussen de werksteden verschilt de verwachte ontwikkeling aanzienlijk. Er is enerzijds sprake van een veel sterkere bevolkingstoename dan voor heel Nederland wordt geraamd en anderzijds is sprake van krimp. De bevolking groeit de komende dertig jaar sterk in Waalwijk (16,5 procent), Barneveld (13,4 procent) en in het Westland (12,3 procent). Terwijl een bevolkingsdaling wordt verwacht in Venray (- 7,2 procent) en Almelo (- 3,2 procent). De specifieke ligging van de werkstad verklaart deze verschillende ontwikkeling. Ook de aantrekkelijkheid om in de werkstad te gaan wonen, verschilt tussen de werksteden. Het saldo van de binnenlandse migratie is de afgelopen twintig jaar negatief in Almelo en Venray en in beperkte mate ook in Waalwijk. In Barneveld, Etten-Leur en het Westland is het saldo juist positief. Dat betekent dat meer inwoners uit andere gemeenten naar deze werkgemeenten verhuizen dan er inwoners verhuizen naar andere gemeenten.
Opvallend is dat in dezelfde periode Barneveld maar liefst bijna 15.000 extra inwoners aantrekt uit andere gemeenten dan er Barnevelders verhuizen naar andere gemeenten. Waarschijnlijk is het bouwprogramma in Barneveld dermate omvangrijk geweest dat een
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
dergelijke toestroom van nieuwe inwoners gehuisvest kon worden. Ook heeft Barneveld voor de natuurlijke aanwas en de relatief grote gezinnen ruimte moeten bieden. In de prognose van de bevolkingsontwikkeling de komende drie decennia verschuift het beeld. Nu wordt alleen in Etten-Leur (+ 3.200) en Westland (+ 7.700) nog een (sterk) positief binnenlands migratiesaldo verwacht. Terwijl in Almelo (–2.900), Barendrecht (-1.300), Barneveld (-4.400), Venray (-5.200) en in Waalwijk (-1.900) het saldo van de binnenlandse migratie negatief is over de hele periode. In alle werksteden tezamen is het aandeel van de natuurlijke aanwas (23.000) ruim tweemaal zo groot als het saldo van de buitenlandse migratie (10.400) ter verklaring van de verwachte bevolkingsontwikkeling.
5.2 Woningmarkt Het aantal huishoudens in de werksteden neemt de komende dertig jaar naar verwachting toe met 18.500 huishoudens. Dat is een toename van 10,2 procent in deze hele periode. Dit ligt ongeveer op het niveau van de verwachte landelijke toename van het aantal huishoudens in dezelfde periode (9,6 procent). In Venray krimpt naar verwachting het aantal huishoudens de komende drie decennia (-3,7 procent), in Almelo blijft het nagenoeg gelijk (1,5 procent) en in de andere werksteden groeit het tussen de 10,2 procent (Barendrecht) en 16,6 procent (Westland). Nog belangrijker dan de kwantitatieve groei van het aantal huishoudens de komende dertig jaar is de wijzigende samenstelling van de huishoudens. Met een sterke groei van het aantal eenpersoonshuishoudens (+ 20,5 procent) en een zeer bescheiden groei van het aantal 32
paarhuishoudens (+ 4,0 procent). Een deel van de groei van het aantal eenpersoonshuishoudens is te verklaren door de toename van het aantal oudere eenpersoonshuishoudens omdat één van de partners is overleden. Het is zeer de vraag of de bestaande woningvoorraad aansluit bij de toekomstige woningbehoeften. Vooral ook omdat de interne verhuizingen variëren van 40 procent in Barendrecht tot 68 procent in Almelo. Of de bestaande woningvoorraad in voldoende mate past bij de toekomstige woningbehoeften geldt in het bijzonder in Westland, Barendrecht, Venray en Almelo. Voor de eerste twee werksteden is dit vanwege de zeer sterke verwachte toename van het aantal eenpersoonshuishoudens; in Westland met 32 procent en in Barendrecht met 28 procent. In Venray (13 procent) en Almelo (-5 procent) is dit vanwege de verwachte afname van het aantal paarhuishoudens. Vooral de werksteden met een negatief binnenlands migratiesaldo (in de afgelopen twintig jaar Almelo, Venray en Waalwijk; in de komende dertig jaar naar verwachting in Almelo, Barendrecht, Barneveld, Venray en Waalwijk) moeten alert blijven dat zij de goede woningen hebben om voldoende aantrekkelijk te zijn en te blijven voor de werkzame beroepsbevolking. Met de krimpende beroepsbevolking zullen de bedrijven zich uiteindelijk daar vestigen waar nog werknemers zijn (‘werken volgt wonen’).
Deze tendens is vooral voor de werksteden van groot belang. Met een grote spreiding ligt de gemiddelde woningprijs tussen de 271.000 euro (Almelo) en 443.000 euro (Barneveld). In vier werksteden wijkt de woningprijs niet substantieel af van de landelijk gemiddelde woningprijs. In Almelo, Venray en Waalwijk ligt de woningprijs wel onder het Nederlandse gemiddelde.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
5.3 Werkgelegenheid en economie In alle werksteden is het aantal banen per duizend inwoners van 15 tot 65 jaar zeer hoog; van het minimum van 846 banen in Etten-Leur tot een maximum van 1.284 banen per duizend inwoners in Venray. De beroepsbevolking is vooral middelbaar opgeleid. De afgelopen vijf jaar nam het aantal banen toe met 6,4 procent. Dit is geen bijzonder florissante banenontwikkeling in de werksteden tezamen omdat in dezelfde vijf jaar in heel Nederland het aantal banen met 8,1 procent toeneemt. In de werksteden Waalwijk (15,9 procent), Barneveld (11,2 procent) en Barendrecht (9,1 procent) is de toename van het aantal banen wel groter dan de gemiddelde Nederlandse banengroei. In Venray is er een opmerkelijke krimp van het aantal banen in de afgelopen vijf jaar (-7,5 procent). De opmerkelijke verschillen in de banenontwikkeling tussen de werksteden wordt verklaard door de dominantie van specifieke sectoren en bedrijven in de verschillende werksteden. Voor de economische ontwikkeling van de werksteden is de ontwikkeling van de potentiële beroepsbevolking van uitermate groot belang. Zonder voldoende aanbod van goed opgeleide arbeidskrachten wordt de economische ontwikkeling geremd. In Nederland neemt naar verwachting de potentiële beroepsbevolking (20 tot 65 jaar) de komende drie decennia met 4,0 procent af.
De afname in de zeven werksteden is iets geringer (-2,1 procent), maar ontbreekt niet. Voor de werksteden tezamen neemt van 2020 naar 2050 het aantal inwoners in de leeftijdsgroep 20 tot 65 jaar af met 5.200 personen. Binnen de groep werksteden neemt de potentiële beroepsbevolking toe in Barneveld (7,9 procent), Waalwijk (7,9 procent) en Westland (3,1 procent). Terwijl in Venray (-18,0 procent), Almelo (9,2 procent), Barendrecht (-8,9 procent) en Etten-Leur (-4,3 procent) de potentiële beroepsbevolking (sterk) afneemt. 33
Op diverse manieren kan de economische dynamiek en het ondernemerschap in de werksteden belicht worden. Beschikbaar zijn de ontwikkeling van het aantal vestigingen, het aantal oprichtingen, het aantal snelgroeiende ondernemingen, het aantal zzp’ers en het inkomen van de zzp’ers.21 In de afgelopen vijf jaar nam het aantal vestigingen in alle werksteden tezamen toe met 13,3 procent. Dit is 3,8 procentpunt minder dan de toename van het aantal vestigingen in heel Nederland (17,1 procent). In Barendrecht (17,7 procent), Etten-Leur (16,1 procent), Waalwijk (14,5 procent) en Barneveld (13,9 procent) is de toename groter dan de gemiddelde groei van het aantal vestigingen in alle werksteden tezamen. De geringste toename is in het Westland (7,2 procent). Uit het aantal oprichtingen per duizend vestigingen in 2018 blijkt geen grote mate van nieuw ondernemerschap. In heel Nederland is het aantal oprichtingen per duizend vestigingen 100,6 oprichtingen en in de werksteden ligt dit gemiddeld op 87,5 oprichtingen per duizend vestigingen. Met 92,5 oprichtingen per duizend vestigingen als maximum in Venray en 77,6 oprichtingen per duizend vestigingen als minimum in Barneveld. Wel is er sprake van een relatief groot aantal snelgroeiende ondernemingen in de werkgemeenten.
Gemiddeld 26,9 snelgroeiende bedrijven per duizend vestigingen in de werkgemeenten tezamen; tegenover 19 snelgroeiende bedrijven per duizend vestigingen in heel Nederland. Met uitzondering van Barneveld zijn er in vergelijking met Nederland niet heel veel zzp’ers in de werkgemeenten. Wel verdienen zij relatief veel (vooral in Barendrecht, Barneveld en Westland) en zijn er relatief weinig zzp’ers met een laag inkomen. Landelijk ligt het percentage zzp’ers met een inkomen
_________ 21
Op basis van LISA-gegevens 2015 tot en met 2019 en diverse gegevens van Waarstaatjegemeente.nl.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
onder 15.000 euro iets onder de 9 procent (8,6 procent). Alle werksteden zitten onder dat percentage en gemiddeld is het aantal zzp’ers met een laag inkomen in de werksteden 5,7 procent. In heel Nederland is in 2018 het onbenutte arbeidspotentieel bijna 16 procent van de beroepsbevolking. Dit onbenutte potentieel is in de werksteden gemiddeld 13,3 procent en betreft ruim 30.000 burgers. De uitschieter naar boven onder de werksteden is Almelo met een onbenut potentieel van 24 procent en de uitschieter naar beneden is Barneveld met een onbenut potentieel van 9 procent.22
5.4 Voorzieningen Het voorzieningenniveau is in de werksteden niet bijzonder sterk en wijkt niet of nauwelijks af van het Nederlandse gemiddelde. In sommige werksteden zijn zwakke aspecten de cultuur, recreatie, detailhandel of de horeca. Aan het voorzieningenniveau ontlenen de werksteden geen grote aantrekkingskracht. In 2018 bevindt de winkelleegstand zich op het niveau van de gemiddelde winkelleegstand in Nederland (8 procent). De winkelleegstand is daarbij hoog in Almelo (16 procent) en Venray (12 procent), en relatief laag in Barendrecht (2 procent) en Etten-Leur (5 procent). Gemeenten kennen relatief veel verouderde monofunctionele bedrijventerreinen die getransformeerd moeten worden naar duurzame multifunctionele terreinen en meer gemengde woon-werklocaties, knooppuntlocaties en third places zoals bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke. Onder invloed van schaalverkleining in het bedrijfsleven, digitalisering en verduurzaming is er een toenemende populariteit van meer gemengde multifunctionele gebieden. Terwijl de populariteit en noodzaak voor traditionele 34
monofunctionele en op functiescheiding gerichte formele werklocaties minder wordt.23
5.5 Kwaliteit van leven De ‘kwaliteit van leven’ op de drie dimensies (‘inkomen en arbeid’, ‘samenleving en subjectief welzijn’, ‘gezondheid en leefomgeving’) is in de werksteden veelal gemiddeld ten opzichte van de ‘kwaliteit van leven’ in heel Nederland.24 Vooral het profiel van Etten-Leur, Venray, Waalwijk en Westland is weinig afwijkend van het gemiddelde profiel van alle Nederlandse gemeenten op de 51 indicatoren. Bovengemiddeld scoort Almelo op 'wonen', Barendrecht, Barneveld en Westland op 'inkomen', Barendrecht, Barneveld en Westland op 'arbeid' (netto arbeidsparticipatie, langdurige werkloosheid, werkloosheid en jeugdwerkloosheid), Barneveld, Venray en Westland op 'subjectief welzijn' en Westland op 'gezondheid'. De bovengemiddelde score op 'arbeid' en 'inkomen' verwacht men ook in een 'werkstad'. De werksteden scoren soms ook slechter dan gemiddeld. Het betreft 'samenleving' in Almelo en EttenLeur; 'inkomen en arbeid' in Almelo; 'wonen' in Barendrecht en Barneveld; 'milieu' in Barendrecht en Westland (veel slechter dan gemiddeld) en 'onderwijs' in Barneveld en Waalwijk. Voor de werksteden die slechter dan gemiddeld scoren op 'onderwijs' is het zaak om de kwaliteit van onderwijs geen negatieve vestigingsplaats te laten worden.
_________ 22
Zie bijlage 1.
23
Joost Hagens, Maarten Kruger en Miles Copping, Ruimte voor werken in de MRA van morgen: 2017-2030. Excellente werklocaties in de metropoolregio Amsterdam. Uitvoeringsstrategie Plabeka 3.0, Bureau Buiten, Utrecht, 20 juli 2017.
24
Zie bijlage 2.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
De ontwikkeling op de dimensies en indicatoren is sinds 2014 gemiddeld en vaak zelfs beter dan gemiddeld ten opzichte van de ontwikkeling in alle Nederlandse gemeenten. De ontwikkeling is zelfs veel beter dan gemiddeld ten opzichte van Nederland op het gebied van 'arbeid' in Barendrecht, Barneveld, Etten-Leur, Venray, Waalwijk en Westland. Dit is een zeer wenselijke ontwikkeling in en voor de werksteden.
5.6 Sociaaleconomisch In de werksteden is in 2019 het werkloosheidspercentage (2,9 procent) lager dan de gemiddelde werkloosheid in Nederland (3,4 procent). Dit geldt ook voor alle afzonderlijke werksteden met uitzondering van Almelo (3,7 procent). Hetzelfde kenmerk van de werksteden gaat ook op voor de netto-arbeidsparticipatie. In Nederland is de gemiddelde netto-arbeidsparticipatie 68,8 procent, terwijl de gemiddelde netto-arbeidsparticipatie in de werksteden 71,2 procent is. Alle werksteden laten een hogere netto-arbeidsparticipatie zien dan het nationale gemiddelde. Weer is Almelo (66,5 procent) de uitzondering op deze werkstedenregel. Op de overige sociale variabelen is er grote variatie tussen de werksteden. Het gemiddeld inkomen per inwoner, het aantal uitkeringen, het percentage gescheiden gezinnen, arbeidsongeschiktheid, kinderen in een uitkeringsgezin, het percentage voortijdig schoolverlaters, sociale contacten, sociaal vertrouwen, eenzaamheid en criminaliteit valt − met een enkele uitzondering − niet in negatieve zin op in de werksteden Barendrecht, Barneveld en Westland. De sociale problematiek is op sommige sociale indicatoren wel groter dan het Nederlandse gemiddelde in Etten-Leur, Venray, Waalwijk en vooral
35
Almelo. Voor Almelo komt dit ook tot uiting is relatief hoge uitgaven per inwoner (2.285 euro per inwoner); 57 procent meer dan de gemiddelde uitgaven per inwoner in het sociale domein in alle Nederlandse gemeenten. Voor de werksteden is criminaliteit ook een belangrijk aandachtspunt. Ondernemerschap gedijt het beste als de gemeente schoon, heel en veilig is. Zorgen zijn er wat dat betreft in Almelo, Barendrecht en Westland.
5.7 Bestuur en samenspel Op alle hoofdfuncties (‘bestuur en ondersteuning’, ‘veiligheid’, ‘verkeer, vervoer en waterstaat’, ‘economie’, ‘onderwijs’, ‘sport, cultuur en recreatie’, ‘sociaal domein’ en ‘volksgezondheid’) zijn de begrote uitgaven per inwoner in euro’s in 2020 in de werksteden (gemiddeld) lager dan de uitgaven in alle Nederlandse gemeenten (gemiddeld). Alleen op de hoofdfunctie ‘volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing’ liggen de lasten per inwoner in de werksteden (289 euro per inwoner) iets hoger dan de gemiddelde lasten per inwoner in alle Nederlandse gemeenten (283 euro per inwoner). Alle Nederlandse gemeenten geven gemiddeld voor het beleidsveld ‘economie’ 77 euro per inwoner uit. Gemiddeld komen de werksteden niet hoger dan 72 euro per inwoner. De werkstad Westland (243 euro per inwoner) en werkstad Almelo (145 euro per inwoner) geven veel meer uit, terwijl in Barendrecht en Etten-Leur respectievelijk 7 en 9 euro per inwoner wordt uitgegeven. Dit zijn intrigerende verschillen tussen de werksteden die men gezamenlijk verder kan uitdiepen.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
In Barendrecht en Westland is de politieke participatie beter dan het Nederlandse gemiddelde. In Barneveld is dit zelfs véél beter dan het Nederlandse gemiddelde. In Almelo en Waalwijk is de politieke participatie slechter dan gemiddeld in Nederland. De twee andere werkgemeenten (Etten-Leur en Venray) wijken niet of nauwelijks af van het Nederlandse gemiddelde op politieke participatie.
5.8 Handelingsperspectief Versterken van de eigen unieke niches als werkstad Voor werksteden is het van belang om de bedrijvigheid vast te houden en oog te hebben voor de toekomstbestendigheid van hun belangrijke economische sectoren. Almelo (hightech maakindustrie), Barneveld (pluimvee), Venray (uitzendarbeid) en Westland (glastuinbouw) hebben eigen specifieke niches die versterkt kunnen worden door het stimuleren van nieuwe toetreders (backing the challengers), onderzoek en onderwijs. Op het vlak van onderwijs ligt er een specifieke opgave voor de werksteden om het onderwijsaanbod nauw aan te laten sluiten bij de (toekomstige) vraag naar arbeid. Gemeenten kunnen met hun onderwijsaanbod ook voorsorteren op de energietransitie waar veel werk in zal zijn en op de groeiende behoefte aan zorgpersoneel. Dreigende krimp van de beroepsbevolking vraagt om pro-actief beleid In diverse werksteden dreigt een afname van de potentiële beroepsbevolking. Omdat in de omgeving van de middelgrote werksteden de potentiële beroepsbevolking naar verwachting nog sterker afneemt, is een toename van de inkomende pendel hoogst onwaarschijnlijk. Een hogere arbeidsparticipatie, organisatievormen waarmee het voor vrouwen aantrekkelijk is om het aantal deeltijduren te vergroten, 36
het verkleinen van de (gemeentelijke) armoedeval, het beter mobiliseren van het onbenutte potentieel, minder mismatches op de arbeidsmarkt, beter onderwijs en meer gevarieerde onderwijsvormen en een brede inzet op méér permanente educatie zijn handelingsopties die de dreigende aantasting van de economische ontwikkeling en publieke dienstverlening in de werksteden kunnen verminderen. Zorgen voor aantrekkelijke woon- en leefmilieus voor toekomstige werknemers De werkstad staat voor de uitdaging om hun woon-, werk- en leefomgevingen op orde te krijgen en te houden. Met name op het punt van (verkeers)veiligheid en milieu-indicatoren zoals luchtkwaliteit, ligt er een grote opgave voor de meeste werksteden. Het (duurzaam) bereikbaar houden van de gemeenten dient ook hoog op de agenda te staan. Daarnaast ligt er een belangrijke opgave om het woningaanbod aan te laten sluiten bij de wensen van de werknemers. Als de werksteden in het bijzonder de jonge werknemers weten vast te houden, verzekeren zij zich ervan dat ze de komende jaren een gemeente blijven waar bedrijven zich graag vestigen. Met een krimpende beroepsbevolking zullen bedrijven zich uiteindelijk daar vestigen waar nog werknemers zijn (‘werken volgt wonen’).
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
Centrumstad met uitdagingen De negen middelgrote gemeenten Assen, Doetinchem, Goes, Gorinchem, Gouda, Hengelo, Hoorn, Roermond en Veenendaal kunnen getypeerd worden als centrumstad met uitdagingen. Deze middelgrote gemeenten zijn niet geografisch geconcentreerd; je treft ze aan door het hele land.
37
Gouda (Foto: VVV Gouda)
6.1 Demografie In alle centrumsteden wordt de komende dertig jaar een toename van het aantal inwoners verwacht. In alle centrumsteden met uitdagingen neemt tezamen het aantal inwoners met 33.000 inwoners toe; een verwachte toename van 6 procent. De sterkste bevolkingsgroei wordt verwacht in Gouda (16 procent) en Gorinchem (10 procent). De groeiverwachtingen zijn (licht) ontgroenend en (licht) vergrijzend. In de afgelopen twintig jaar werd de bevolkingsgroei in Assen, Goes, Gorinchem, Hoorn en Roermond mede verklaard door een positief binnenlands migratiesaldo. Dit duidt erop dat deze centrumsteden aantrekkelijk genoeg waren om meer inwoners uit andere gemeenten aan te trekken dan er inwoners verhuisden naar andere gemeenten. Dit gold niet voor Doetinchem, Gouda, Hengelo en Veenendaal die over deze periode een (soms gering) negatief binnenlands migratiesaldo kenden. Ook in de bevolkingsprognose voor de komende dertig jaar wordt uitgegaan van veronderstellingen over het binnenlandse migratiesaldo. Voor de toekomst is de veronderstelling dat het binnenlandse migratiesaldo positief zal zijn voor Doetinchem, Goes, Gorinchem, Gouda (sterk positief), Hengelo en Roermond.
In Doetinchem wordt de verwachte bevolkingsgroei de komende drie decennia volledig verklaard door het positieve binnenlandse migratiesaldo; de natuurlijke aanwas is negatief en de immigratie en emigratie (saldo buitenlandse migratie) houden elkaar over de hele periode in evenwicht.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
In Assen wordt geen bijdrage verwacht van het binnenlandse migratiesaldo in de bevolkingsgroei. In Hoorn en Veenendaal wordt een negatief binnenlands migratiesaldo verwacht. In Assen, Gorinchem, Roermond en Veenendaal is er een relatief belangrijke bijdrage van het saldo van buitenlandse migratie aan de bevolkingsgroei.
6.2 Woningmarkt De prognose van de toename van het aantal huishoudens de komende dertig jaar in de centrumsteden varieert van een zeer geringe toename (3 procent in Goes) tot een groei van 15 procent in Gouda. Tot het jaar 2030 neemt het aantal huishoudens in belangrijke mate toe; daarna vlakt de groei enigszins af. Relatief sterke toenames van het aantal huishoudens worden de komende drie decennia verwacht in Gouda (15 procent), Gorinchem (14 procent), Veenendaal (12 procent), Roermond (11 procent) en Assen (9 procent). In alle centrumsteden is de verwachte toename van het aantal eenpersoonshuishoudens veel groter dan van het aantal paarhuishoudens. De verwachte toename van het aantal eenpersoonshuishoudens is vooral groot in Roermond (35 procent) en Gorinchem (30 procent). In vijf van de negen middelgrote centrumsteden (Roermond, Hoorn, Hengelo, Doetinchem en Goes) neemt naar verwachting het aantal paarhuishoudens af. In deze vijf gemeenten varieert de afname tussen de 1 procent (Goes) en 10 procent (Roermond). De vraag is dan ook of de bestaande woningvoorraad in de komende dertig jaar in voldoende mate makkelijk aangepast kan worden aan deze veranderende huishoudenssamenstelling en veranderende woningbehoeften. 38
De gemiddelde woningprijs ligt tussen de 279.000 euro (Assen) en 392.000 euro (Gorinchem). Waarschijnlijk drukt het relatief hoge percentage sociale huurwoningen de gemiddelde woningwaarde in de centrumsteden. De centrumsteden kennen een tekort aan woningen in het lage- en middensegment. Door deze tekorten op de woningmarkt is de verhuiskans van met name de jongere inwoners binnen de eigen gemeente gering. Het is van belang dat jongeren behouden worden; onder andere door voldoende aanbod van betaalbare woningen.
6.3 Werkgelegenheid en economie In de afgelopen vijf jaar nam in de ‘centrumsteden met uitdagingen’ het aantal banen met gemiddeld 5,2 procent toe. Dit ligt lager dan de gemiddelde banengroei van 8,1 procent in Nederland. Rond dit gemiddelde neemt het aantal banen het sterkst toe in Veenendaal (+ 16,3 procent) en het minst in Goes (-1,1 procent).25 Over het algemeen hebben centrumsteden veel banen ten opzichte van het aantal inwoners. Denk hierbij onder andere aan banen in detailhandel en horeca, maar ook in de gezondheid- en onderwijssector. Hierin komt de regionale verzorgingsfunctie tot uiting. In het licht van de verwachte afname van de potentiële beroepsbevolking in een aantal centrumsteden ligt er de komende jaren een belangrijke opgave om het onbenutte potentieel (de inwoners in een werkloosheids-, bijstands- of arbeidsongeschiktheidsuitkering) beter te mobiliseren. In alle centrumsteden is het gemiddelde
_________ 25
Zie bijlage 1.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
onbenutte potentieel 17 procent van de beroepsbevolking; met als ondergrens 14 procent in Veenendaal en 22 procent in Roermond. Het aantal vestigingen neemt de afgelopen 5 jaar met 17 procent toe. Met een zeer sterke toename in Gouda (48 procent) en een relatief bescheiden ontwikkeling in Doetinchem en Hoorn (beide 9 procent). Dit kan een indicatie zijn van een relatief florerende economie. De sterke groei van het aantal banen in de zorg biedt voor de centrumsteden, met zorgvoorzieningen voor de regio, kansen voor verdere groei van de werkgelegenheid. Wel is daarbij van belang dat voldoende goed opgeleide arbeidskrachten beschikbaar zijn. Vooral de centrumsteden met een verwachte afname van de potentiële beroepsbevolking (Doetinchem, Goes, Gorinchem, Hengelo, Hoorn en Roermond) moeten hier een belangrijke opgave van maken.
6.4 Voorzieningen De ‘centrumsteden met uitdagingen’ hebben een regionale verzorgingsfunctie. Dit betekent dat de omliggende gemeenten in belangrijke mate gebruik maken van de voorzieningen in de centrumstad. De voorzieningen (zorg, detailhandel, horeca, kinderopvang en onderwijs) zijn bovengemiddeld ten opzichte van alle middelgrote gemeenten. Ook de begrote uitgaven per inwoner voor de hoofdfunctie ‘sport, cultuur en recreatie’ zijn vooral in Assen, Gorinchem, Hoorn en Gouda relatief hoog. Dit ligt in de lijn van de verwachting voor een ‘centrumstad’. De uitzondering op deze regel is de dimensie ‘cultuur en recreatie’ in het geval van Assen, Doetinchem, Goes en Veenendaal; deze functie is beneden gemiddeld aanwezig in deze gemeenten. Voor deze functies zijn mensen aangewezen op een grotere stad op enige afstand van de gemeente waarin zij wonen.
39
Het aantal leegstaande winkels ligt met 11 procent voor alle centrumgemeenten samen boven het landelijke gemiddeld van 8 procent. In Doetinchem is er de meeste leegstand (15 procent) en in Gouda het minste (8 procent). De coronacrisis zorgt voor een extra druk op het voorzieningenniveau van de centrumstad. Binnensteden hadden het al lastig, omdat consumenten steeds meer online bestellen, maar door de coronacrisis valt nu ook de recreatieve functie van de binnenstad weg. De sluiting van de horeca en de oproep om doelmatig én alleen te winkelen zorgt ervoor dat veel zaken in de problemen zijn gekomen. Op de langere termijn kan dit leiden tot een economische verschaling en een fysieke kaalslag in de binnensteden. Voor de centrumsteden is het belangrijk om na te denken over maatregelen die zij kunnen nemen om hun binnenstad op de korte en langere termijn vitaal te houden. In het rapport De coronacrisis en de stad worden enkele maatregelen genoemd, zoals het inzetten op functiemenging, het creëren van een hoogwaardige openbare ruimte, het anticyclisch investeren in een (duurzame) transformatie van leegstaande winkelpanden (of kantoren) naar woningen.
Daarnaast worden gemeenten opgeroepen om te experimenteren met tijdelijke inrichtingsmaatregelen en om creatief ondernemerschap te stimuleren.26 Een opgave voor de centrumsteden is om op zoek te gaan naar een onderscheidend profiel, zodat de inwoners van de omliggende gemeenten nog meer gebruik gaan maken van de voorzieningen in de middelgrote centrumstad. Deze versterking en betere profilering is onder andere mogelijk in de recreatieve en culturele voorzieningen. Al maakt de coronacrisis dit op korte termijn verre van eenvoudig. Bij het versterken van de profilering kan verder onder andere gedacht worden aan het
_________ 26
Koos van Dijken, Razia Ghauharali en Simone ’t Hooft, De coronacrisis en de stad. Een verkenning van scenario’s, effecten en handelingsperspectieven voor gemeenten, Platform31, Den Haag, juni 2020.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
verbeteren van het kwalitatief verbeteren van het stationsgebied (Assen), een sterk outletcentrum (Roermond) of het nog sterker benutten van de (internationale) associatie met kaas (Gouda). Het onderscheidende profiel kan het voor de middelgrote stad makkelijker maken om jongeren en jonge gezinnen te behouden voor de stad.
6.5 Kwaliteit van leven De centrumsteden met uitdagingen scoren op de dimensies van 'kwaliteit van leven' van het Planbureau voor de Leefomgeving (‘inkomen en arbeid’, 'gezondheid en leefomgeving’, ‘samenleving en subjectief welzijn’) en de 51 gebruikte indicatoren voor de 'kwaliteit van leven' gemiddeld ten opzichte van alle gemeenten in Nederland.27 De centrumsteden met uitdagingen kennen enkele positieve en negatieve afwijkingen van het Nederlandse gemiddelde. De indicatoren van 'kwaliteit van leven' waarop men soms slechter dan gemiddeld scoort, is 'economie' (Assen, Doetinchem en Hoorn), 'arbeid' (Assen en Hengelo), 'veiligheid' (Assen en Roermond), 'milieu' (Gorinchem, Gouda, Hoorn en Veenendaal), 'subjectief welzijn' (Gouda), 'samenleving' (Hoorn), 'inkomen' (Roermond), 'onderwijs' (Roermond en Veenendaal) en 'gezondheid' en 'veiligheid' in Roermond. De onderdelen van 'kwaliteit van leven' waarop men soms beter dan gemiddeld in heel Nederland scoort zijn: 'subjectief welzijn' (Doetinchem en Goes), 'arbeid' (Goes en Veenendaal), 'gezondheid' (Goes), 'wonen' (Gorinchem, Hengelo en Roermond), 'toegang voorzieningen' (Gorinchem, Gouda) en 'samenleving' (Hengelo en Veenendaal). 40
Alle gemeenten in Nederland zijn door het Planbureau voor de Leefomgeving ook gescoord op de ontwikkeling in de kwaliteit van leven indicatoren sinds 2014. In de centrumsteden is de betere of slechtere ontwikkeling dan de gemiddelde ontwikkeling in Nederland afhankelijk van de specifieke dimensie of het soort indicator. Op diverse aspecten van de kwaliteit van leven is de afgelopen jaren in de centrumsteden vooruitgang geboekt. De kwaliteit van leven in de centrumsteden ligt nu op het gemiddelde niveau van alle gemeenten in Nederland. De uitzonderingen op deze regel − die aandacht behoeven − is een beperkt aantal indicatoren in enkele centrumsteden die zich minder dan gemiddeld dan in heel Nederland ontwikkelen. Het betreft de ontwikkeling van de economische en de veiligheidsindicatoren in Assen en de ontwikkeling van de milieu-indicatoren in Gouda en Hoorn.
6.6 Sociaaleconomisch De verwachte afname van de potentiële beroepsbevolking de komende dertig jaar in alle ‘centrumsteden met uitdagingen’ bedraagt tezamen 11.100 personen (een daling van 3,5 procent). Dat zal de economische ontwikkelmogelijkheden onder druk zetten. Deze afname ligt iets lager dan de verwachte landelijke afname van de potentiële beroepsbevolking (4 procent). Rond dit totaalbeeld zijn er positieve uitzonderingen in Gouda, Veenendaal en Assen. De verwachte afname van de potentiële beroepsbevolking is vooral sterk in Doetinchem (-12,5 procent) en Hengelo (-10,6 procent). De centrumsteden met uitdagingen met een krimpende potentiële beroepsbevolking zullen moeite hebben om hun verzorgende centrumfunctie goed te blijven vervullen. Omdat de potentiële beroepsbevolking in de omringende (kleinere) gemeenten vaak nog sterker afneemt, is een mogelijke toename van de inkomende pendel weinig waarschijnlijk.
_________ 27
Zie bijlage 2.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
De sociale problematiek in de centrumsteden is over het algemeen niet florissant. Op variabelen als welvaartsniveau, uitkeringsgerechtigden, arbeidsongeschikten, eenzaamheid en jongeren in de jeugdzorg scoren de meeste centrumsteden niet bijzonder goed. De ‘sociale samenhang’ wijkt negatief af van het Nederlandse gemiddelde in Gorinchem, Gouda, Hoorn, Lelystad en Roermond. Op de indicatoren ‘sociale contacten’, ‘sociaal vertrouwen’ en ‘sociale cohesie’ is er een grote variatie in de centrumsteden. Hoorn scoort veel slechter dan gemiddeld op ‘sociale contacten’ en de Hengelo scoort veel beter dan gemiddeld. De overige centrumsteden scoren tussen beide uitersten (slechter dan gemiddeld, gemiddeld en beter dan gemiddeld). Deze variatie en spreiding tussen de centrumsteden is er ook op de indicator ‘sociaal vertrouwen’: slechter dan gemiddeld in Gorinchem en Roermond en veel beter dan gemiddeld in Assen en alle overige centrumsteden weer tussen deze uitersten in. De centrumsteden met een relatief sterke positie op ‘sociale samenhang’, ‘sociale contacten’ en ‘sociale cohesie’ hoeven niet te kiezen voor gentrificatie om hun buurten sociaal sterker te maken. Deze optie duwt de sociaal zwakke inwoners uit de gentrificerende buurt (waterbedeffect). Als sprake is van sterke sociale cohesie kan ook gekozen worden voor het laten meegroeien van de zittende bewoners (meegroeibuurten).
De gemiddelde begrote uitgaven per inwoner voor het sociale domein in 2020 liggen voor alle centrumsteden tezamen (1.665 euro per inwoner) boven de gemiddelde begrote uitgaven in heel Nederland (1.457 euro per inwoner). Deze uitgaven zijn in vergelijkend perspectief vooral hoog in Assen (2.488 euro per inwoner) en in Doetinchem (2.216 euro per inwoner).28 Alle centrumsteden scoren slechter dan gemiddeld van alle Nederlandse gemeenten op gewelds- en seksuele misdrijven. De veiligheidsbeleving is slechter dan gemiddeld in Hoorn en Roermond en veel slechter dan gemiddeld in Gouda. Er zijn ook centrumsteden die (veel) beter dan gemiddeld scoren op
41
de veiligheidsbeleving. Véél beter dan gemiddeld in Goes en beter dan gemiddeld in Assen, Doetinchem en Gorinchem. De sociale problematiek − deels een natuurlijk onderdeel van een centrumstad − dient geadresseerd te worden omdat anders de aantrekkelijkheid van de stad, en de financiële positie van de centrumstad, te zeer aangetast wordt. De centrumstad kan zoeken naar oplossingen voor de sociale problematiek in kwetsbare wijken door de problematiek aan te pakken in samenhang met de opgaven op het gebied van gezondheid en de energietransitie.29 De uitdaging voor de centrumstad is om het zoveel mogelijk integraal benaderen van de verschillende sociaaleconomische opgaven.
6.7 Bestuur en samenspel De politieke participatie ligt in de meeste centrumsteden op het Nederlandse gemiddelde. Alleen in Roermond is de politieke participatie véél slechter dan gemiddeld. Voor de centrumstad is de regionale functie van groot belang. Het is belangrijk dat dit goed wordt afgestemd met omliggende gemeenten en dat de voorzieningen in de centrumstad en de regiogemeenten zo complementair mogelijk zijn aan elkaar. Diverse centrumsteden zijn een soort ‘dubbelstad’ (Hengelo met Enschede, Assen met Groningen). Voor deze ‘duo-steden’ is de onderlinge
_________ 28
Findo, Data Financiën Decentrale Overheden (begrote lasten per inwoner in euro’s in 2020).
29
Annette Duivenvoorden, Anne Kunst en Lydia Sterrenberg, Energietransitie en gezondheid in kwetsbare wijken. Inspiratieboek, Platform31, Den Haag, september 2020.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
regionale afstemming en samenwerking van groot belang. Een aantal van de centrumsteden liggen in krimpgebieden. In deze gebieden dreigen de omliggende gemeenten nog afhankelijker worden van hun centrumstad. Deze afhankelijkheid goed inhoud en vorm geven is voor deze centrumsteden een belangrijke opgave. De centrumstad heeft voldoende financiële middelen nodig om de regionale voorzieningen op peil te houden. Een regionale verevening, vanuit het gedeelde belang met de regiogemeenten, is een daarbij een uitdagend handelingsperspectief.
6.8 Handelingsperspectief Focus op centrumvoorzieningen van hoog niveau Om de rol van centrumfunctie te kunnen blijven vervullen, moeten de voorzieningen op relatief hoog niveau zijn en blijven. De regiogemeenten maken immers gebruik van de voorzieningen van de centrumstad. Dit zorgt voor draagvlak voor de voorzieningen. Maar de voorzieningen brengen natuurlijk ook kosten en lasten met zich mee voor de centrumstad. Vooral het aantrekkelijk houden van het stadscentrum en het vergroten van de vitaliteit van de binnenstad − extra bedreigd door de coronacrisis − is een belangrijke opgave. De centrumsteden waarvoor een afname van de potentiële beroepsbevolking wordt verwacht, lopen het gevaar dat onvoldoende arbeidskrachten beschikbaar zijn om de voorzieningen op peil te kunnen houden. Met het vergroten van de arbeidsparticipatie, het verkleinen van het onbenutte potentieel, het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt en het bevorderen van de arbeidsproductiviteit (investeren, vernieuwing, innovatie, digitalisering, om-, bij- en herscholing, nieuwe bedrijvigheid) kan de bedreiging afgewend worden. 42
Centrumfunctierol vervullen met goed onderwijsaanbod een no regret handelingsoptie Om aantrekkelijk te blijven, is het van belang om de centrumsteden ook sociaal te versterken. Het verbeteren en variëren van het onderwijsaanbod via een veelheid aan onderwijs- en scholingsvormen, het versterken van de permanente educatie, intensiveren van de om-, bij- en herscholing is in dit kader een belangrijk handelingsperspectief. De centrumstad kan over het algemeen meer stappen zetten om te zorgen voor een kwalitatief goed opgeleide beroepsbevolking, een betere mobiliteit op de arbeidsmarkt en voor een duurzame inzetbaarheid van de inwoners. Dit maakt dat de centrumstad zijn rol in de regio nog beter kan vervullen. Voldoende en goed opgeleid arbeidsaanbod − in de centrumstad en in de regio − is een belangrijke determinant voor (regionale) economische ontwikkeling en groei. Goede afstemming, coördinatie en samenwerking met de regiogemeenten De regionale rol van de ‘centrumstad met uitdagingen’ is een van de kenmerken van deze groep middelgrote steden. Een handelingsperspectief dat daarbij past, is om in samenwerking en in afstemming met de regiogemeenten de voorzieningen complementair te verbeteren, gezamenlijk te komen tot een regionale woonagenda, een regionaal economisch beleid, een proactief arbeidsmarktbeleid en bijvoorbeeld een gezamenlijke Educatieve Agenda.
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
Voorstad De tien middelgrote gemeenten Hellevoetsluis, Nieuwegein, Nissewaard, Oosterhout, Papendrecht, Ridderkerk, Rijswijk, Schiedam, Velsen en Vlaardingen kunnen getypeerd worden als ‘voorstad’. Hellevoetsluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Schiedam en Vlaardingen kunnen vanwege hun sociale problematiek, vergelijkbaar met de grotere stad, als ‘arme’ voorsteden getypeerd worden. Nieuwegein, Oosterhout, Rijswijk en Velsen kunnen daarentegen als relatief ‘rijke’ voorsteden getypeerd worden. Alle voorsteden liggen in de Randstad (inclusief West-Brabant). Het belangrijkste kenmerk van alle voorsteden is dat zij in de nabijheid van een grotere stad liggen.
43
Nieuwegein
7.1 Demografie In de tien voorsteden tezamen neemt de bevolking de komende dertig jaar naar verwachting toe met 6,5 procent. Dit is hetzelfde als de gemiddelde bevolkingsgroei van 6,6 procent in heel Nederland in dezelfde periode. De verwachte bevolkingsgroei over de komende drie decennia is laag in Papendrecht (1 procent) en hoog in Rijswijk (29 procent). De aantrekkelijkheid van de voorsteden blijkt onder ander uit een positief binnenlands migratiesaldo. Bij een positief binnenlands migratiesaldo verhuizen meer mensen uit andere gemeenten naar de voorstad dan er inwoners uit de voorsteden verhuizen naar een andere gemeente. Toch is deze aantrekkelijkheid niet een gemeenschappelijk kenmerk van alle voorsteden. In de voorsteden is het beeld wisselend en over alle tien voorsteden opgeteld is van 2000 tot en met 2019 sprake van een negatief binnenlands migratiesaldo van 7.527 inwoners. Dit negatieve binnenlandse migratiesaldo wordt, opgeteld voor alle tien voorsteden, volledig gecompenseerd door een positief buitenlands migratiesaldo over dezelfde periode (+ 8.301). In de afgelopen twintig jaar is over de hele periode gerekend het binnenlandse migratiesaldo negatief in Hellevoetsluis (- 1.628), Nieuwegein (- 6.802), Nissewaard (- 4.025),
Op zoek naar een gedeeld handelingsperspectief voor middelgrote gemeenten
Ridderkerk (- 195), Schiedam (- 2.283) en Vlaardingen (-3.493). Het binnenlandse migratiesaldo is over de afgelopen 20 jaar sterk positief in Rijswijk (+8.191) en Oosterhout (+1.707), en marginaal positief in Velsen (+813) en Papendrecht (+188). In de bevolkingsprognose voor de komende dertig jaar zijn aannames over de ontwikkeling van de determinanten van de bevolkingsontwikkeling opgenomen (natuurlijke aanwas, saldo binnenlandse migratie en saldo buitenlandse migratie). Er wordt in alle voorsteden (met uitzondering van Schiedam) verwacht dat het saldo van de binnenlandse migratie positief zal zijn. Het grootste saldo wordt verwacht in achtereenvolgens Nissewaard, Rijswijk en Ridderkerk. Voor alle voorsteden tezamen is het saldo van de binnenlandse migratie de belangrijkste determinant voor de verwachte bevolkingsgroei (84 procent). De natuurlijke aanwas en het saldo van de buitenlandse migratie zijn beide voor 8 procent van de verwachte bevolkingsontwikkeling een determinant.
7.2 Woningmarkt In de huishoudensprognose van 2020 tot 2050 neemt het aantal huishoudens in de tien voorsteden toe met bijna 22 duizend woningen; een toename van bijna 8 procent. Dit is iets minder dat de verwachte toename van het aantal huishoudens in heel Nederland (9,6 procent). De verwachte toename van het aantal huishoudens is vooral hoog in Rijswijk (20,2 procent), Nieuwegein (10,0 procent) en Nissewaard (9,7 procent). In Ridderkerk is de verwachte toename van het aantal huishoudens de komende drie decennia zeer beperkt (1,9 procent). De verwachte toename van het aantal huishoudens de komende dertig jaar ligt voor de andere voorsteden onder de gemiddelde toename van alle huishoudens in Nederland; in Hellevoetsluis 3,3 procent, in Papendracht 3,5 procent, in Oosterhout 4,0 procent, in 44