26-06-30.08 Relevant stuk 3, Ruimtelijke onderbouwing Hoffelijk Herveld
Tekst van het document
Een stikstofberekening (met de Aerius-calculator, versie 2024.2.1) is uitgevoerd om te berekenen of er negatieve effecten kunnen ontstaan door zowel de realisatiefase als de gebruiksfase voor dit plan. De berekening is als bijlage toegevoegd. Hieronder zijn de uitgangspunten van de berekening weergegeven.
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 28 van 52 maart 2026
Realisatiefase • Gerekend met gemiddeld 20 verkeersbewegingen per etmaal voor licht verkeer (personeel); • Gerekend met gemiddeld 10 verkeersbewegingen per etmaal voor zwaar verkeer (aanleveren materiaal, graafmachine, betonstort en dergelijke); • Er zal worden gewerkt met een elektrische bouwkraan dus dit hoeft niet te worden meegenomen. Gebruiksfase • De appartementen worden gas- en haardloos dus dit hoeft niet te worden meegenomen; • Gerekend met het aantal verkeersbewegingen, op basis van CROW-normen (zie paragraaf 5.3.1), van 220 verkeersbewegingen per etmaal. Uit de berekening volgt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatie- en gebruiksfase. De AERIUS-berekeningen hebben aangetoond dat de stikstofdepositie gelijk is aan 0,00 mol N/ha/jaar. Dat betekent dat het project niet leidt tot stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Op basis van de hierboven gepresenteerde gegevens hoeft er geen vergunning het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd of verder onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd te worden. Gelders Natuurnetwerk (GNN) De projectlocatie is gelegen op ca. 830m tot de aangemerkte Gelders Natuurnetwerk (GNN) gebieden. Gezien dat de ontwikkeling plaatsvindt buiten de grenzen van het GNN, zijn effecten als gevolge van directe fysieke ingrepen uitgesloten.
Binnen de provincie Gelderland geldt geen toetsing van externe werking. Tevens is de ontwikkellocatie geen onderdeel van andere beschermde gebieden zoals ecologische verbindingszones, natuurcompensatiegebieden of belangrijke weidevogelbeschermingsgebieden. 5.2 Archeologie en Cultuurhistorie De Omgevingswet streeft naar een evenwichtige benadering van het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving, met specifieke aandacht voor diverse belangen, waaronder cultureel erfgoed. Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Deze wet, in combinatie met de Omgevingswet, biedt een allesomvattende bescherming van het cultureel erfgoed. Provincies en gemeenten moeten in hun omgevingsplannen rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed, inclusief werelderfgoed. Dit vereist een grondige inventarisatie en analyse van het erfgoed binnen hun grenzen, gevolgd door het opnemen van een passend beschermingsregime in het omgevingsplan. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: • Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed) • Archeologische monumenten • Stads- en dorpsgezichten • Cultuurlandschappen • Roerend en immaterieel erfgoed. Provincies en gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om deze elementen te beschermen via hun omgevingsplannen.
Een cruciale overweging hierbij is welke elementen van cultureel erfgoed zich binnen hun grenzen of direct daarbuiten bevinden, en welke specifieke elementen men wil (of moet) beschermen. Hierbij dienen de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (met betrekking tot rijksmonumenten en werelderfgoed) in acht te worden genomen.
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 29 van 52 maart 2026
De wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland is vastgelegd in het Bkl, Bal, en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen. Op basis hiervan is het verplicht om bij de afweging van belangen de vijf elementen van cultureel erfgoed in overweging te nemen. 5.2.1 Archeologie Op basis van informatie uit het erfgoedplan en de archeologische beleidskaart is in onderhavig plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. Dit betekent dat bij bodemverstorende ingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Door ArcheoPro is een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO-O); bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd, d.d. 18-06-2025 en kenmerk 25068. De rapportage is als bijlage toegevoegd bij deze toelichting. De samenvatting van het onderzoek is hieronder weergegeven: “In juni 2025 is door Archeopro een bureauonderzoek uitgevoerd voor een terrein aan de Sint Willibrordusstraat 2 te Herveld in de gemeente Overbetuwe. De aanleiding tot het onderzoek vormt de voorgenomen herontwikkeling van de kerk met omliggende parkeerplaatsen.
Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied in verband met de ligging op de Herveldse stroomgordel, dat rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van bewoningsresten die dateren vanaf de late ijzertijd. De verwachting voor dergelijke resten is middelhoog. Voor resten uit eerdere perioden geldt gezien de vormingsgeschiedenis van het landschap, een lage verwachting. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied acht gutsboringen gezet in een dichtheid van tien boringen per hectare. Op basis van de resultaten hiervan kunnen de onderzoeksvragen als volgt worden beantwoord: • Hoe is de bodem opgebouwd binnen het plangebied? Zand en zandige klei van de stroomgordel van Herveld zijn aangetroffen beneden 6,75 meter +NAP en daarmee op ruim anderhalve meter beneden maaiveld. Hier bovenop ligt een pakket zwak zandige komklei. De top van deze klei is waarschijnlijk deels opgenomen in een pakket zandige, vergraven en in humusgehalte wisselende klei die de toplaag vormt binnen het plangebied. Dit pakket bestaat tenminste deels uit ophogingsmateriaal. Hierdoor ligt het plangebied ongeveer een halve meter hoger dan de omliggende terreindelen.
• In welke mate is de bodem verstoord? Het verstoorde deel van de bodem bedraagt minimaal de bovenste 65 centimeter maar loopt plaatselijk door tot 1,4 meter beneden het maaiveld. Dit laatste heeft waarschijnlijk te maken met het graven en ruimen van graven op het noordoostelijke deel van het plangebied. •
Kunnen binnen het plangebied nog behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn? Zo ja, in welke zones en op welke diepten is dit het geval? In het komkleipakket zijn geen archeologische lagen of indicatoren aangetroffen die zouden kunnen wijzen op bewoning in of nabij het plangebied. Dit is ook niet het geval in de top van de stroomgordelafzettingen. Deze zijn gezien de aanwezigheid van zandlaagjes bovendien gevormd in een zeer dynamisch afzettingsmilieu dat niet geschikt was voor bewoning. De enige mogelijk aanwezige archeologische resten binnen het plangebied worden mogelijk gevormd door resten van de voormalige kerk en pastorie en van de voormalige begravingen voor zover deze niet volledig zijn gesloopt of geruimd.”
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 30 van 52 maart 2026
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voortgang van de transformatie. Mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden (bijvoorbeeld van begravingen) aangetroffen worden dan geldt conform artikel 53 van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg een meldingsplicht bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of het door hem vertegenwoordigd bevoegd gezag, de gemeente Overbetuwe. 5.2.2
Cultuurhistorie
Aan de hand van de kaart 'Cultuurhistorie' van de provincie Gelderland is bepaald of in en rondom het plangebied relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Conform deze kaart, zie onderstaande afbeelding, zijn geen relevante cultuurhistorische waarden gelegen in of rondom het plangebied. Met de realisatie van de woningen in het plangebied worden geen cultuurhistorische waarden geschaad.
Fragment kaart ‘Cultuurhistorie’ van de provincie Gelderland (planlocatie is aangeduid met zwarte stip)
5.3
Mobiliteit en parkeren
5.3.1 Verkeer Voor een evenwichtige toedeling van functies aan de fysieke leefomgeving dient bekeken te worden of er door onderhavig initiatief geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersveiligheid met betrekking tot de verkeersintensiteit. De toetsing van de verkeersintensiteit vindt plaats aan de hand van de CROW-normen zoals vermeld in de Algemene Standaarden Verkeer en Vervoer (ASVV). Op basis van de cijfers afkomstig van het CBS ligt de gemeente Overbetuwe in het gebiedstype ‘weinig stedelijk'. De verkeersgeneratie van de voormalig kerk is berekend op basis van CROW-publicatie 317. In deze publicatie is geen cijfer voor de verkeersgeneratie benoemd, echter wel een parkeerkencijfer. Voor het worstcasescenario van de verkeersgeneratie is uitgegaan van een volledige bezetting van het aantal benodigde parkeerplaatsen en is dit cijfer vervolgens met twee vermenigvuldigd, zodat zowel met aankomend als met vertrekkend verkeer rekening wordt gehouden. Zowel in de CROW-publicatie als in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 heeft een religiegebouw een parkeerkencijfer van 0.2 parkeerplaats per zitplaats. Dit zou voor onderhavig initiatief, met een kerk voor 500 zitplekken (conform de meest recente gebruiksmelding van april 2012), resulteren in een verkeersgeneratie van 200 mvt/etmaal in de huidige situatie.
In de nieuwe situatie worden conform CROW-publicatie 318 kencijfers toegepast per type appartement. Om van een worstcasescenario uit te gaan wordt het maximale kencijfer voor de verkeersgeneratie per werkdag aangehouden. Het plangebied bevat 34 appartementen, die als volgt zijn verdeeld:
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 31 van 52 maart 2026
Woningen Aantal Eengezins- / meergezinswoningen Te realiseren nieuwbouwwoningen (per prijssegment per 01-01-2025) Goedkope koop (< €287.000) 11 Meergezins Betaalbare koop (€287.000 tot €405.000) 14 Meergezins Dure koop (> €405.000) 9 Meergezins Totaal aantal woningen 34 Meergezins Onderstaande tabel geeft de toegepaste kencijfers aan. Door de aantallen woningen te vermenigvuldigen met het kencijfer ‘maximum verkeersgeneratie’ kan de verkeersintensiteit in verkeersbewegingen per etmaal worden berekend. Onder verkeersbewegingen worden de ritten van en naar het plangebied verstaan. De verkeersgeneratie bedraagt 220 verkeersbewegingen per etmaal. Segment
Minimum verkeersgeneratie Goedkope koop 4,8 Betaalbare koop 5,7 Dure koop 6,6 Totaal aantal verkeersbewegingen
Maximum verkeersgeneratie 5,6 6,5 7,4
Berekende verkeersgeneratie 61,6 91 66,6 219,2
Het aantal verkeersbewegingen zal door onderhavige transformatie toenemen met circa 19 verkeersbewegingen per etmaal (lees: per 24 uur). De belangrijkste wegen om het plangebied te bereiken zijn de St. Willibrordusstraat en Hoofdstraat, welke een huidige verkeersgeneratie van respectievelijk 969 en 1.925 motorvoertuigen per uur te verwerken hebben. De verwachting is dat deze straat de toename als het gevolg van onderhavig initiatief vlot en veilig kan verwerken, temeer omdat de toename beperkt is ten opzichte van de vele mate grotere verkeersgeneratie die de straten momenteel al te verwerken heeft. Het aspect verkeer is geen belemmerende factor. 5.3.2 Ontsluiting In de bestaande situatie wordt het parkeerterrein ontsloten via de St. Willibrordusstraat. Aan de Hoofdstraat is ook een inrit aanwezig, waar enkele auto’s geparkeerd kunnen worden. Tevens zijn aan deze zijde, aan de Hoofdstraat, diverse openbare parkeerplaatsen aanwezig. Welke in de nieuwe situatie behouden blijven. Binnen het plan zijn een tweetal parkeerterreinen gerealiseerd. Om de verkeersdruk te verdelen worden de parkeerterreinen ontsloten door middel van twee bestaande inritten, één aan de Hoofdstraat en één aan de St. Willibrordusstraat. Voor een veilige verkeersstructuur is gekozen voor doodlopend parkeren, zodat er slechts één in- en uitritten zijn per parkeerterrein.
De meeste parkeerplaatsen worden ontsloten via de zijstraat (St. Willibrordusstraat), hierdoor ontstaan er geen parkeermanoeuvres op de openbare weg (door achteruitrijdend verkeer). De in- en uitritten van de parkeerterreinen liggen zo ver mogelijk van de kruising van de Hoofdstraat en St. Willibrordusstraat af. Hierdoor zal dit niet leiden tot een onveilige verkeersituatie, verkeersdrukte of parkeerdruk in bovengenoemde straten. 5.3.3 Parkeren De gemeente Overbetuwe heeft haar parkeerbeleid en -normen vastgelegd in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2025. Onderhavig plangebied valt binnen het deelgebied: ‘rest bebouwde kom overige kernen’. Dit gebied heeft conform de CROW-parkeerkencijfers (publicatie 774, 2024) een stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ en valt binnen de CROW-categorie ‘rest bebouwde kom’. De
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 32 van 52 maart 2026
parkeernorm voor woonfuncties is opgebouwd uit een bewonersdeel en een bezoekersdeel die samen de parkeernorm vormen. Autoparkeren Door Buitenruimte is een parkeeronderzoek uitgevoerd, d.d. 24-02-2026 en kenmerk 731-2025TRA02RD05. De parkeerdrukmetingen zijn uitgevoerd in december 2025. De rapportage is als bijlage toegevoegd bij deze toelichting. De samenvatting van het onderzoek is hieronder weergegeven: “In deze paragraaf wordt antwoord gegeven op de volgende onderzoeksvraag: ‘Is er voldoende rest parkeercapaciteit binnen een loopafstand van 150 meter in de openbare ruimte om het tekort aan parkeerplaatsen op eigen terrein te compenseren’. In tabel 6 staat het tekort aan parkeerplaatsen op de verschillende momenten van de week. In grafiek 1 staat de huidige en toekomstige bezettingsgraad op de reguliere parkeerplaatsen in de openbare ruimte binnen een loopafstand van 150 meter van het bouwplan.
Conclusie: Voor de bouw van 34 appartementen, het behouden van de bestaande sacristie met 80 zitplaatsen, het realiseren van 35 priveparkeerplaatsen en 6 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen op eigen terrein is een parkeerbalans opgesteld. Hieruit blijkt dat op alle momenten van de week parkeerplaatsen gecompenseerd moeten worden in de openbare ruimte. Op de drukste momenten (vrijdagavond, zaterdagmiddag en zaterdagavond) moeten 17 parkeerplaatsen gecompenseerd worden in de openbare ruimte. Wanneer het tekort aan parkeerplaatsen gecompenseerd wordt in de openbare ruimte, blijkt de theoretische bezettingsgraad van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte op alle momenten van de week onder de 85%. Dit is de grens die de gemeente Overbetuwe hanteert als maximale bezettingsgraad in het document ‘Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe’. Binnen een loopafstand van 150 meter is voldoende rest parkeercapaciteit in de openbare ruimte om het tekort aan parkeerplaatsen op eigen terrein te compenseren.”
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 33 van 52 maart 2026
Fietsparkeren Door Buitenruimte is een berekening fietsparkeren uitgevoerd, d.d. 24-02-2026 en kenmerk 7312025TRA02-RD05. De rapportage is als bijlage toegevoegd bij deze toelichting. De samenvatting van het onderzoek is hieronder weergegeven: “In deze paragraaf wordt het benodigd aantal fietsparkeerplaatsen berekend op basis van de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe. Bewoners parkeren Volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Artikel 4.171 – 4.173) is het bij nieuwbouwwoningen verplicht een afsluitbare bergruimte te realiseren om fietsen of scootmobielen op te bergen voor bewoners. Het voorzien in stallingsruimte voor de fiets van bewoners is hiermee gewaarborgd in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Aan deze eis wordt voldaan, zie hiervoor de BBL-toets (paragraaf 4.5.5). Bezoekers parkeren Volgens de tabel op pagina 20 van de parkeernorm 2025 wordt voor het gebied ‘rest bebouwde kom overig’ 0,20 fietsparkeerplaats per appartement vereist. Bij 34 appartementen bedraagt de parkeereis 6,8 plaatsen. Dit wordt naar boven afgerond op 7 plaatsen. Volgens de terreininrichtingstekening worden 10 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de parkeereis.” Voor een volledig beeld van het fietsparkeren zijn de huidige fietsparkeerplekken van de bestaande sacristie toegevoegd op de terreininrichtingstekening.
Conclusie Kortom er wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe. 5.4
Water
5.4.1 Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is op 18 maart 2022 opgesteld. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert, met een vooruitblik richting 2050, om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren. 5.4.2 Provinciaal beleid Het Regionaal Waterprogramma (RWP) Gelderland 2021-2027 is vastgesteld op 26 februari 2019. In het RWP Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies. 5.4.3 Waterschap Rivierenland Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma (WBP), vastgesteld op 26 november 2021, beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom.
Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Overbetuwe maakt onderdeel uit van het deelgebied Betuwe. Kerntaken van het waterschap zijn: • Dagelijks beheer van water en dijken; • Beschermen tegen overstromingen;
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 34 van 52 maart 2026
• Water eerlijk verdelen; • Voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie); • Werken aan schoon water; • Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven. Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland' (2024) van toepassing. De waterschapsverordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Denk hierbij aan het onttrekken of infiltreren van water, lozingsactiviteiten, veranderingen van het watersysteem, etc. De wateren en waterkeringen waarop de regels uit de verordening van toepassing zijn, zijn vastgelegd in de legger wateren. 5.4.4 Gemeente Overbetuwe Water- en rioleringsprogramma 2025-2029 In 2014 is het eerste Water- en rioleringsprogramma van de gemeente Overbetuwe opgesteld, die onder de Omgevingswet ingezet kan worden op het gebied van de gemeentelijke watertaken. In het water- en rioleringsprogramma beschrijft de gemeente hoe zij omgaan met de wettelijke zorgplichten voor het stedelijk water, de facultatieve zorgtaken en de rol van water bij klimaatadaptatie.
Goedwerkende voorzieningen zijn nodig om de waterstromen in goede banen te leiden voor: • het beschermen van de volksgezondheid; • het beschermen van het milieu; • het handhaven van de kwaliteit van de openbare ruimte. Uitgangspunten voor het Wrp zijn: • Beheersmatig gaan we orde op zaken stellen; • Onze watertaken zijn klimaattaken; • Klimaatadaptatie zit (qua water) bij iedereen tot in de voortuin; • De rioolheffing dekt de lasten. Uitgangspunten plangebied Het plangebied is in de huidige situatie voor het overgrote deel verhard. In de toekomstige situatie neemt de verharding af door de nieuwe inrichting. Het terrein wordt groener ingericht, er worden wadi’s gerealiseerd en de parkeerplaatsen worden uitgevoerd met waterdoorlatende verharding. In het kader van de transformatie is een berekening van het verhard oppervlak uitgevoerd: Bestaande situatie Nieuwe situatie
Verhard opp. – dak 916 m2 1.161 m2
Verhard opp. – verharding 1.920 m2 1.049 m2 Verschil verharding
Totaal verhard opp. 2.836 m2 2.210 m2 - 626 m2
Binnen onderhavig plan neemt de totale verharding af. Watertoets Op www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie procedures mogelijk: 1. Geen waterbelang: er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten; 2. Verkorte procedure: u heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten; 3. Normale procedure: u heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten.
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 35 van 52 maart 2026
Na het invullen van de digitale watertoets, welke als bijlage is toegevoegd, is naar voren gekomen dat voor onderhavig initiatief de normale procedure geldt. De verhardingstoename en/of -afkoppeling ligt onder de maximale hoeveelheid van 500m2. Het plangebied valt buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen. De digitale watertoets is als bijlage toegevoegd. Het plan zal in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het waterschap worden voorgelegd. Hemelwater en vuilwater Bij nieuwe ontwikkelingen vormt de verwerking van hemelwater een ruimtelijke component. Om water te bufferen (voor perioden van (te) veel én (te) weinig neerslag) wordt in ieder nieuw plan voldoende ruimtelijke inpassing van oppervlakkige hemelwatervoorzieningen (dat kunnen verlaagde groenstroken of grasvelden zijn, of zogenoemde wadi’s) verwacht. Voldoende open ruimte kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van nieuwe plannen. Door middel van een watertoets wordt getoetst of er voldoende aandacht is voor water. De eisen hiervoor sluiten aan op de eisen van het gemeentelijk beleid conform Water- en rioleringsprogramma. Conform het gemeentelijke beleid wordt de totale verharding binnen het plangebied gebufferd. Oftewel over het gehele verharde oppervlak in het bouwplan (bestaand + nieuw) wordt een waterschijf van 70mm geborgen in het plangebied.
Dit betekent dat het totale te bufferen water uitkomt op 155m3. Binnen onderhavige transformatie is het voornemen om de bergingsopgave te voorzien door middel van een tweetal wadi’s, een sedumdak op de bergingen en infiltratiekratten. Deze bergingsopgave is meegenomen in het landschappelijk inpassingsplan en als bijlage toegevoegd. Hemelwater en vuilwater wordt gescheiden verwerkt. Het afvalwater wordt niet aangesloten op het bestaande rioolaansluiting naar de Hoofdstraat, maar wordt aangesloten op het vuilwaterstelsel op de St. Willibrordusstraat. De put waar dit op aangesloten mag worden ligt binnen het plangebied. Het hemelwater wordt op eigen terrein geborgen. Wateroverlastvrij bestemmen Om voldoende ruimte voor oppervlakkige afwatering bij piekbuien mogelijk te maken, zal het hoogteverschil vloerpeil-kruinweg bij voorkeur 30 cm zijn. De minimumeis is 20 cm. Dit is met name belangrijk voor het nieuwe woongebouw voor de voormalige kerk. Voor het nieuwe woongebouw wordt het peil van het huidige kerkgebouw aangehouden. Het huidige kerkgebouw ligt hoog genoeg (peil ligt op 9,00 meter +NAP) en voldoet hieraan. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Er wordt in het onderhavige plan geen oppervlaktewater toegevoegd of gedempt. Het plan heeft geen negatieve effecten hierop.
Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Conclusie Onderhavige transformatie voldoet aan het gemeentelijke beleid. Het vuile water wordt op het gemeentelijke rioolstelsel geloosd, het schone water wordt ter plaatse geïnfiltreerd. De waterberging wordt geborgd in de omgevingsvergunning. Het gebouw ligt hoog en droog genoeg om wateroverlastvrij te bestemmen. Kortom het plan wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. 5.4.5 Klimaatadaptatie Het is niet alleen nodig dat Nederland de oorzaken van klimaatverandering aanpakt. Nederland moet zich ook voorbereiden op de gevolgen van klimaatverandering. En zich aanpassen aan deze gevolgen. Dit aanpassen aan klimaatverandering heet klimaatadaptatie.
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 36 van 52 maart 2026
Om Nederland te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering, is het nodig om verschillende soorten maatregelen te nemen, vanuit verschillende beleidsvelden. Met aanpassingen in de ruimtelijke ordening en inrichting kan een gemeente of provincie bijvoorbeeld wateroverlast beperken. Of een bedrijf kan een gebouw zo aanpassen dat het er in de zomer niet te heet wordt voor de werknemers. Maar ruimtelijke maatregelen zijn niet genoeg. Er zijn ook andersoortige maatregelen nodig, zoals maatregelen om de schade voor de economie en de volksgezondheid te beperken. En om de schade voor natuur en milieu te beperken, zoals het verlies van soorten en habitats en de verslechtering van de luchtkwaliteit. Beoordeling Binnen onderhavig plangebied worden voldoende ruimtelijke maatregelen genomen om de gevolgen van klimaatverandering te beschermen. In het plan neemt de verharding met circa 650m2 af en wordt grotendeels groen ingepast. De groene leefomgeving binnen het plan draagt bij aan de gezondheid, doordat het zorgt voor verkoeling en voorkomen van hittestress. Tevens wordt wateroverlast voorkomen door het plan voldoende hoog en droog te ontwikkelen en al het hemelwater vanaf de verharding binnen het plangebied te infiltreren midden kratten en een wadi. In deze voorziening is tevens voldoende waterberging aanwezig voor het opvangen van extreme neerslag.
De verharding wordt daarbij zoveel als mogelijk beperkt door de parkeerplaatsen te voorzien van waterdoorlatende materialen. Op groter niveau wordt voldoende rekening gehouden dat er geen schade ontstaat voor natuur, milieu en volksgezondheid. Deze aspecten worden in de volgende paragrafen nader omschreven. De nieuwe woningen worden bijna energieneutraal gebouwd, waardoor een woning niet te veel opwarmt of dat er koeling aanwezig is. Dit om hittestress te voorkomen, zodat bewoners hier geen klachten van ondervinden en in het ziekenhuis belanden. Binnen onderhavige transformatie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: 1. Bedrijven en milieuzonering 2. Bodem 3. Omgevingsveiligheid 4. Geur 5. Luchtkwaliteit 6. Straling 7. Geluid 8. Gezondheid 9. Spuitzones 10. Ontplofbare oorlogsresten uit WOII 11. Kabels en leidingen 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is. 2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 37 van 52 maart 2026
Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Activiteiten met gebruiksruimte en bijbehorende regels Activiteiten met gebruiksruimte verwijzen naar activiteiten die aan specifieke locaties worden toegewezen. De regels voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat een activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen een ander toegestane activiteit in dat gebied. De regels zijn niet alleen gericht op milieuzaken, maar ook op stedenbouwkundige overwegingen. De term 'activiteiten met gebruiksruimte' kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Bal. De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term 'milieubelastende activiteiten'. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Overeenkomstig het Bkl is in de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2023' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) alleen het wonen hiervan uitgezonderd.
Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2023' De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2023' van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2023' gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. Beoordeling Door Ingenieursburo Ulehake is een onderzoek hiernaar uitgevoerd, kenmerk 17893-04 notitie 01 en d.d. 31 oktober 2025. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd.
De samenvatting en het advies zijn als volgt: “Bedrijven en milieuzonering, op grond van de afstandscriteria is niet direct vast te stellen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De situatie is daarom nader beschouwd. Uit de berekeningen volgt een geluidbelasting op het plan van maximaal 50 dB(A), ook de piekgeluidbelasting is lager dan de grenswaarde van 70 dB(A). Daarnaast is de cumulatieve geluidbelasting beschouwd, deze is zodanig dat het gebied nabij het meest noordwestelijke appartement een matige kwaliteit heeft. De overige delen vallen te kwalificeren als redelijk tot goed. Daarmee kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.” Bovengenoemde aanpak is bewust gekozen om het worstcasescenario te benaderen. Conform het planologisch regime is aan de Hoofdstraat 157 een ‘specifieke vorm van bedrijf – touringcarverhuur’ (SBI 6023;493) toegestaan. In de feitelijke situatie is dit bedrijf momenteel niet hier gevestigd, maar zijn er diverse andere bedrijven gevestigd. Echter de beoordeling dient plaats te vinden ten opzichte van de planologische mogelijkheden. Daarom is ervoor gekozen om de meest nadelige situatie (worstcasescenario) na te bootsen.
Dit is door Ingenieursburo Ulehake gedaan door de maximale toegestane gecumuleerde geluidsuitstraling op de meest nadelige positie (ten opzichte van de nieuwe woningen binnen onderhavig bouwplan) te situeren. Kortom voor elk willekeurig bedrijf dat zich hier kan
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 38 van 52 maart 2026
vestigen is dus het worstcasescenario nagebootst. Waarmee het onderzoeksbureau heeft aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit het advies van de gemeente/omgevingsdienst wordt gesteld dat de worstcase benadering onvoldoende inzicht geeft in de feitelijke situatie. Na overleg met de omgevingsdienst heeft een locatie onderzoek plaats gevonden en is de situatie nader onderbouwd. Door Movares is een onderzoek hiernaar uitgevoerd, kenmerk 17893-04 notitie 01 en d.d. 31 oktober 2025. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd. De conclusie en het advies zijn als volgt: “De geluiduitstraling van de bedrijven op het terrein van Hoofdstraat 157 Herveld is zeer beperkt. Feitelijk zijn er alleen transport bewegingen met laad- en losactiviteiten. De hoeveelheid transporten is lastig te definiëren. Tijdens het locatie bezoek (28-10-2025 van 10.45 tot 11.30 uur) is één vrachtwagen en een bestelbus waargenomen. Gezien de activiteiten lijkt een verder akoestisch onderzoek (opstellen van een model) niet zinvol. De voorgenomen appartementen zullen de bedrijven niet belemmeren in hun activiteiten en andersom zal de geluidbelasting van de bedrijven op de appartementen aanvaardbaar zijn en lager dan de richtlijnen uit de publicatie bedrijven en milieuzonering.
De eerdere rapportage op basis van een worst case benadering geeft voldoende inzicht in de planologisch maximaal mogelijk geluiduitstraling. In de worstcase situatie zal dan een geluidbron moeten worden gerealiseerd op de erfgrens (op het dak van de huidige bebouwing). Deze is in de huidige situatie niet aanwezig en zal in de huidige situatie ook niet snel gerealiseerd worden, de betreffende hal is op dit moment in gebruik als showroom en kleinschalige werkplaats/magazijn.” Conclusie Het aspect activiteiten en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Er is in dit opzicht sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functie. Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Door Van Oort Bodemonderzoek is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek, kenmerk SWS.349525 en d.d. 16-04-2025, uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd.
De samenvatting en het advies zijn als volgt: “Op de locatie aan de Sint Willibrordusstraat 2 te Herveld is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in verband met een herbestemming, verbouw en bouwuitbreiding. Kadastraal staat de locatie bekend als gemeente Valburg, sectie G, nummers 3621. De oppervlakte van de te onderzoeken locatie bedraagt circa 4.340m2. Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er op de bodemgevoelige locatie sprake is van bodemverontreiniging die bezwaarlijk is voor een woonbestemming en bouwuitbreiding. Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 en NEN 5740. De strategie van het onderzoek is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Gebruik is gemaakt van de opzet voor een verdachte locatie (VED-HE-NL). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000. De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV uit Rotterdam.
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 39 van 52 maart 2026
Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen waargenomen. Plaatselijk zijn vooral in de bovengrond puinresten waargenomen. Deze zijn als historisch en nietasbestverdacht beoordeeld. Met laboratoriumonderzoek zijn in de bovengrond lichte verontreinigingen met lood, nikkel, molybdeen en PCB aangetoond. In de ondergrond zijn lichte verontreinigingen met lood, nikkel en PAK waargenomen. In het grondwater zijn geen verontreinigingen gemeten tot boven de signaleringsparameter. Voor toepassing op of in de landbodem is de kwaliteit van de bovengrond beoordeeld als grond van klasse landbouw/natuur (LN) tot grond van klasse industrie (IN). Voor toepassing op of in de landbodem is de kwaliteit van de ondergrond beoordeeld als grond van klasse landbouw/natuur (LN) tot grond van klasse wonen (WO). De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit geen belemmering te vormen voor een woonbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning voor verbouw en bouwuitbreiding. Geadviseerd wordt de resultaten van het bodemonderzoek voor te leggen aan de gemeente Overbetuwe. Als onderzoeksbureau hebben we een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaald of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
Op basis van de Omgevingswet en een omgevingsplan kan de gemeente aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem” Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen beletsel of beperking voor de bouwplannen op de locatie. Voor werkzaamheden in de grond zijn de standaard bodembepalingen van toepassing. 5.6.3 Omgevingsveiligheid Het beleid voor omgevingsveiligheid (externe veiligheid) is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kunnen worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Voor externe veiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen.
Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld aan de norm voor het plaatsgebonden risico en de bepalingen over het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10^6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is. Groepsrisico De benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 40 van 52 maart 2026
gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren kunnen optreden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Het groepsrisico blijft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met dit groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Beoordeling Aan de hand van kaarten uit de ‘Atlas leefomgeving’ is er een quickscan omgevingsveiligheid uitgevoerd om de impact van onderhavige transformatie op de fysieke leefomgeving te beoordelen en vice versa.
Hieruit blijkt dat er nabij het plangebied verschillende aandachtsgebieden, risicobronnen of risicovolle activiteiten bekend zijn die voor belemmeringen kunnen zorgen, zie onderstaande afbeelding.
Fragment kaart externe veiligheid met plangebied aangeduid met blauw/grijze cirkel (bron: Atlas Leefomgeving)
De beoordeling van externe veiligheid wordt uitgevoerd voor twee aspecten, namelijk het plaatsgebonden risico (norm) en aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s (groepsrisico). Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risico 10-6 van een hogedruk aardgastransportleiding, milieubelastende activiteit of transportroute. Dit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Aandachtsgebieden (groepsrisico): Het plangebied ligt buiten de aandachtsgebieden van een hogedruk aardgastransportleiding, milieubelastende activiteit of transportroute. Daarmee hoeft er voor een wijziging in het plangebied geen rekening te worden gehouden in het omgevingsplan met het groepsrisico. De wetgever heeft wel aangegeven dat er rekening moet worden gehouden met de risico’s van het voordoen van branden, rampen en crisis. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden verricht worden:
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 41 van 52 maart 2026
•
Conform het motivatie onderdeel van het Bkl artikel 5.2 moet in een omgevingsplan rekening gehouden worden met het belang van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hiervoor moet advies worden gevraagd bij de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM).
Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een risicobron. Daarmee wordt geen grens- of richtwaarde overschreden en is er geen sprake van een directe of harde belemmering voor de realisatie van het plan. In het kader van de aandachtsgebieden hoeft er geen rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Er dient wel advies gevraagd te worden aan de veiligheidsregio. Echter zijn de veiligheidscontouren van al de aanwezige gebieden, bronnen of activiteiten op ruime afstand van het plangebied gelegen. Het plangebied zelf ligt niet binnen een van de aandachtsgebieden. Geconcludeerd kan worden dat derhalve geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. 5.6.4 Geur Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.
Voor het plangebied en omgeving is geen gemeentelijke verordening vastgesteld. Conclusie In en nabij het plangebied bevindt zich geen belemmerende agrarische bedrijvigheid. 5.6.5 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 42 van 52 maart 2026
Beoordeling Het plangebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Er wordt volstaan met een quickscan luchtkwaliteit, welke is gebaseerd op het CIMLK-instrument en de NIBM-tool. CIMLK In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het plangebied. De achtergrondwaarden van het dichtstbijzijnde rekenpunt (namelijk 51.912209, 5.740782) is in navolgende tabel weergegeven. NO2 µg/m3
PM10 µg/m3
PM2.5 µg/m3
Jaar
13,150
15,421
8,620
2023
Tabel: Achtergrondwaarde rekenpunten
De data uit het CIMLK toont aan dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. NIBM Het voorziene project is een project bedoeld in de lijst met categorieën van gevallen die is opgenomen in Bijlage 3a van de Regeling NIBM. Het aantal toe te voegen woningen, namelijk 34, ligt ver beneden de grenzen voor aantallen woningbouwlocaties die genoemd worden in de Bijlage 3a. Dat houdt in dat op voorhand vaststaat dat het project in kwestie niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Daarom is het niet noodzakelijk om ten behoeve van vaststelling van het bestemmingsplan eerst te bepalen of voldaan wordt aan de gestelde norm voor de toename van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 van 3%. De NIBM-tool wordt dan ook buiten toepassing gelaten. Conclusie Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6.6 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005.
Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Conclusie Het plangebied is niet gelegen nabij een hoogspanningslijn, wat betekent dat er ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een magnetische veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla ten gevolge van hoogspanningslijnen. Straling vormt geen belemmering voor de transformatie.
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 43 van 52 maart 2026
5.6.7 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, moet het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Geluidbronsoorten
Standaardwaarde
Rijkswegen en provinciale wegen
50 Lden
Gemeentewegen en waterschapswegen
53 Lden
Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen
55 Lden
Industrieterreinen
50 Lden / 40 Lnight
Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg
De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg. De gemeente Overbetuwe heeft specifiek beleid vastgesteld in de Nota geluidbeleid en de Nota hogere grenswaarden. Beoordeling Door Ingenieursburo Ulehake is een akoestisch onderzoek, kenmerk 17893-02 Rap-01 en d.d. 25-042025, uitgevoerd naar wegverkeerslawaai in relatie tot de geluidgevoelige functies (wonen) binnen het plangebied. Het onderzoek is als bijlage opgenomen. Hieronder is de conclusie weergegeven: “Het te realiseren appartementencomplex, gelegen aan de Sint Willibrordusstraat 2 in Herveld, bevindt zich binnen het geluidsaandachtsgebied van rijksweg A15 en de gemeentelijke wegen Sint Willibrordusstraat en Hoofdstraat. De standaardwaarde en grenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels van de woningen, zoals vastgesteld in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, bedragen voor de gemeentelijke wegen respectievelijk 53 dB(A) en 70 dB(A). Voor rijkswegen bedragen deze respectievelijk 50 dB(A) en 60 dB(A). Voor de berekeningen is uitgegaan van de situatie zoals weergegeven in Bijlage I, evenals de verkeersintensiteiten verstrekt door de omgevingsdienst Regio Arnhem en Geluidregister.
De hoogste berekende geluidbelasting (Lden) door de gemeentelijke wegen op de gevels van de te realiseren woningen bedraagt 51 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarde zoals vastgesteld in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. De hoogste berekende geluidbelasting (Lden) door rijksweg A15 op de gevels van de te realiseren woningen bedraagt 56 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde zoals vastgesteld in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving.
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 44 van 52 maart 2026
Daarmee kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.” Vanuit het advies van de gemeente/omgevingsdienst wordt gesteld dat in de rapportage met het uitgevoerde akoestisch onderzoek dat het lokaal geluidbeleid niet is beschouwd. Dit is alsnog gedaan. Door Movares is een memo hiervoor geschreven, kenmerk 17893-04 notitie 01 en d.d. 31 oktober 2025. De rapportage is als bijlage toegevoegd. De conclusie en het advies zijn als volgt: “De hoogste geluidbelasting op de gevel van de te realiseren woningen bedraagt 56 dB ten gevolge van wegverkeer. Conform het lokaal geluidbeleid valt deze belasting binnen de categorie ‘maximale waarde – zeer onrustig’ (53-58 dB). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de procedure voor het vaststellen van hogere waarden komen te vervallen. Het plan betreft een herontwikkeling van een bestaand gebouw, waarbij het ontwerp niet ‘vormvrij’ is. Hierdoor is het realiseren van een geluidsluwe gevelzijde in de praktijk niet haalbaar. De geluidbelasting door wegverkeer blijft onder de grenswaarde zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), en het treffen van aanvullende geluidreducerende maatregelen wordt als niet doelmatig beschouwd.
Door toepassing van voldoende geluidwering van de gevel kan worden voldaan aan de binnenwaarde van 33 dB conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarmee sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat binnen de woningen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling akoestisch aanvaardbaar is.” Conclusie Op basis van bovengenoemde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat de transformatie akoestisch aanvaardbaar is. Het binnenniveau conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt uitgevoerd horende bij de aanvraag omgevingsvergunning (bouwactiviteit technisch). 5.6.8 Gezondheid Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit zijn een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. In het beleidsplan sociaal domein Overbetuwe 2020-2025 wordt veel aandacht besteed aan het aspect gezondheid. In deze paragraaf is voornamelijk gekeken naar de gezondheid in combinatie met veehouderijen. Besmetting kan optreden door inademing van besmet stof van stallen, weilanden, ruwe wol en dierenhuiden, door direct contact met besmette dieren en door het nuttigen van besmette rauwe melk of onvoldoende verhit besmet vlees.
Met name het verwaaien van ingedroogde en op weilanden uitgereden mest zou zorgen voor verspreiding van bacteriën naar de mens. Het ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid heeft, vooruitlopend op een landelijk toetsingskader, de notitie ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld. Aan de hand van het stappenplan 2.0 uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 is beoordeeld of nadere advisering van de GGD wenselijk is. 1.
2.
Endotoxine ‘richtafstand’ tussen veehouderij en plangebied Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen (200 meter) en pluimveehouderijen (500 meter). Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Toename emissie voor geur, fijnstof of ammoniak Gezien de vele woningen in de omgeving en de normen in de Wet geurhinder en veehouderij zullen er geen geur belastende objecten in de omgeving bij komen en zal de geurbelasting ter plaatse in de toekomst alleen maar kunnen afnemen.
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 45 van 52 maart 2026
3.
4.
5.
6.
7.
Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan De te realiseren woningen voldoen aan de geldende norm. Aan de vaste afstanden vanuit de te realiseren woningen en de meest dichtbijgelegen veehouderij (emissiepunt) en aan de gevel-gevel afstand wordt voldaan. Het leefklimaat ter plaatse als gevolg van de achtergrondbelasting kan als ‘goed’ worden geschouwd. Aanwezige diersoorten binnen een veehouderij In de directe omgeving zijn geen veehouderijen gelegen waarbij sprake is van het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers of kleine herkauwers onderling. Tevens is er in de directe omgeving geen pluimveebedrijf gelegen. Geitenhouderijen en pluimveebedrijven Binnen de beleidskaders is vastgesteld dat in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven en een straal van circa 1 km rond pluimveebedrijven terughoudendheid moet worden betracht. Binnen een straal van 250 meter van een geitenhouderij zijn in principe geen woningen toegestaan, tenzij er sprake is van een verbetering van de gezondheids- en milieusituatie. Er is geen pluimveebedrijf gelegen binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied. Op circa 1,5 km afstand bevindt zich een veehouderij met geiten aan de Zeegstraat 4 te Herveld. Het bedrijf is een gemengd bedrijf met meerdere dieren, waarbij maximaal 50 geiten aanwezig zijn conform de Kernregistratie Dierverblijven (KDR).
De bronbijdrage aan fijn stof of endoxine uit de geitenhouderij is gezien de relatief grote afstand, het beperkte aantal geiten en de onderlinge ligging ten opzichte van de overheersende windrichting (zuidwest) te beschouwen als zeer beperkt. Aangezien tussen de geitenhouderij en het plangebied al bestaande geurgevoelige objecten met dezelfde geurnorm liggen, waardoor extra blootstelling nihil is doordat de geitenhouderij niet mag uitbreiden. Er is geen sprake van een (verhoogd) gezondheidsrisico. Mestbe- of verwerking Er is in de omgeving van het plangebied geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Ongerustheid bij omwonenden Uit de gevoerde dialoog met omwonenden of uit de klachtenregistratie van de gemeente is geen ongerustheid aanwezig/bekend.
Conclusie Nabij het plangebied is één veehouderij gelegen waarvan sprake is van een (verhoogd) volksgezondheidsrisico. Op basis hiervan is nadere advisering van de GGD noodzakelijk. Het aspect volksgezondheid is in relatie tot de veehouderij nader beoordeeld, waaruit blijkt dat er geen belemmering is voor onderhavig plan. 5.6.9
Spuitzones
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabijgelegen woningen. In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. In hoofdstuk 3 en 4 van het Bal zijn diverse maatregelen opgenomen om de drift naar het oppervlaktewater te beperken. Aan de ene kant gaat het om het toepassen van driftreducerende spuittechnieken, gebruik van een kantdop naast de sloot, eisen ten aanzien van de windsnelheid waarbij gespoten mag worden en de spuitdophoogte. Aan de andere kant zijn in het besluit teeltvrije zones opgenomen. De breedte van de teeltvrije zones die moet worden aangehouden is afhankelijk van het gewas dat wordt geteeld, welke watergang het gaat: A, B of C en van de gebruikte spuittechniek of andere maatregelen zoals vanggewassen of emissieschermen. Ook de intensiteit waarmee de gewassen
St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 46 van 52 maart 2026
bespoten worden en of er sprake is van opwaartse of neerwaartse bespuiting is medebepalend voor de breedte van de teeltvrije zone. Bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moeten een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voor het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. Hierdoor kan een kleinere afstand tot spuitzone gevoelige objecten dan 50 meter worden gehanteerd. Afwijken van de 50 meter kan als daar een deugdelijke motivering voor wordt opgesteld. Naast de hierboven genoemde aspecten is het ook belangrijk om rekening te houden met het huidige gebruik en de omliggende percelen. Beoordeling Een specifiek relevant aspect betreffen spuitzones bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij het toestaan van nieuwe gevoelige functies een afstand van 50 meter in acht worden genomen ten opzichte van percelen waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde is. Van deze afstand kan gemotiveerd worden afgeweken. Ten noorden van het plangebied is een agrarisch perceel aanwezig.