CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

26-06-30.08 Relevant stuk 3, Ruimtelijke onderbouwing Hoffelijk Herveld

Gemeenteraadsvergadering 30 juni 2026, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Realiseren van 34 appartementen St. Willibrordusstraat, Herveld19.634 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Dit perceel is op dit moment en al meerdere jaren in gebruik als grasland en op het perceel zijn hobbymatig dieren aanwezig, dus wordt er niet gespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Daarnaast is het perceel van dien aard en omvang dat het niet geschikt is om te gebruiken voor teelt en het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Dit betekent dat er geen spuitzone over het plangebied reikt in de huidige situatie. De wijziging van de voormalige maatschappelijke bestemming naar wonen is daarmee verantwoord. Bovendien leidt deze niet tot een onevenredige beperking voor het ten noorden gelegen agrarisch perceel. Conclusie Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 5.6.10 Ontplofbare oorlogsresten uit WOII De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn in die periode hevige bombardementen uitgevoerd.

Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast, wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie. Beoordeling Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke ontplofbare oorlogsresten van belang. De te slopen bebouwing in het plangebied is na-oorlogs, aangezien dit in 1961/1962 is gebouwd. De oude kerk, die in begin 1961 is gesloopt, samen met het kerkhof, was gesitueerd voor de voormalige kerk. Op een gedeelte van de plek van de oude kerk en het kerkhof komt de nieuwbouw voor de voormalige kerk te liggen. Zie onderstaande afbeeldingen. Hierdoor is de totale grond ter plaatse van de bouwplannen na de oorlog geroerd.

St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 47 van 52 maart 2026

Situatie van de oude kerk/kerkhof in 1936

Situatie nieuwe kerk in 1963

Situaties van de oude kerk/kerkhof en nieuwe kerk over elkaar heen gelegd.

Conclusie Doordat de totale grond van de bouwplannen is geroerd is het niet aannemelijk dat ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen bij de sloopwerkzaamheden en bij de uitvoering van gangbare bodemroerende werkzaamheden. Dit aspect vormt geen belemmering voor de omgevingsplanwijziging. Echter, het kan voorkomen dat bij toeval toch een artikel wordt gevonden dat eruitziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het protocol toevalsvondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EOD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat. 5.6.11 Kabels en leidingen Het aspect kabels en leidingen dient in het kader van een goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving meegenomen worden. Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het omgevingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt. Of leidingen die een risico zijn als ze bij de werkzaamheden worden geraakt.

Een onderscheid wordt gemaakt in buisleidingen, bovengrondse hoogspanningslijnen en overige leidingen.

St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 48 van 52 maart 2026

Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. Het Bevb is van toepassing op buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. Bij buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70mm of meer of een binnendiameter van 50mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer. Bij buisleidingen voor vergiftige stoffen. Of buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70mm of meer of een binnendiameter van 50mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. Voor een nadere onderbouwing van dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 5.6.3. Bovengrondse hoogspanningsleidingen Er dient rekening gehouden te worden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. Bij het opstellen van een bestemmingsplan kan het daarom noodzakelijk zijn een bepaalde afstand vrij te houden tussen gevoelige bestemmingen en bovengrondse hoogspanningslijnen. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 µTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden.

Aanvullend hierop adviseert het rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0,4 µTesla. In de directe nabijheid van het plan zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig of gepland. Kortom vormt de hoogspanningslijn geen belemmering voor onderhavig project. Overige leidingen Gewone nutsleidingen zijn meestal niet relevant. Maar voor sommige leidingen is het toch wenselijk deze in het bestemmingsplan op te nemen. Bijvoorbeeld omdat ze van groot maatschappelijk belang zijn en er grote problemen ontstaan als de leiding niet meer werkt. Welke leidingen dat zijn, bepaald bevoegd gezag in overleg met de leidingbeheerder. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om buisleidingen met een (boven)regionale transportfunctie, buisleidingen die op een andere manier risico’s met zich meebrengen voor mens of de leefomgeving wanneer deze buisleidingen beschadigd raken of ondergrondse hoogspanningslijnen. Conclusie In de directe nabijheid van het plan zijn geen leidingen aanwezig zoals hierboven genoemd. Kortom vormt dit geen belemmering voor onderhavig plan.

5.7 Besluit milieueffectrapportage De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een planmilieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een plan of programma waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 49 van 52 maart 2026

Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III van de EUrichtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Planspecifiek In artikel J11 van de bijlage bij het Omgevingsbesluit is een categorie ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ opgenomen. In de nota van toelichting op het Omgevingsbesluit wordt het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ook geduid. Hier wordt het volgende aangegeven: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”.

Op grond van het Omgevingsbesluit dient voor de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ een m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: a. een oppervlakte van 100 hectare of meer, b. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of c. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavig plan behelst het toevoegen van 34 woningen. Het plangebied heeft een grootte van circa 4.092m2. De voorgenomen activiteit blijft ruimschoots onder de drempel van 2.000 woningen en/of 100 hectare zoals opgenomen in het Omgevingsbesluit. De activiteit is dus niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de lijst, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r..

De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn ‘betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. De criteria vallen uiteen in criteria betreffende de: • kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; • plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; • kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect.

St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 50 van 52 maart 2026

Gezien de kenmerken van het project (waaronder de geringe omvang), de plaats van het project (waaronder het bestaande grondgebruik en de afstand tot Natura 2000-gebieden zoals in de toelichting omschreven) en de kenmerken van het potentiële effect (de omgevingsaspecten zoals hiervoor omschreven) is uitgesloten dat significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden ontstaan. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat uitvoering van onderhavig plan kan leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen die het verrichten van nader milieuonderzoek noodzakelijk maken. Conclusie In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de ontwikkelingen. Gelet op de kenmerken, de locatie en de kenmerken van de effecten van het project moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.procedure.

St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 51 van 52 maart 2026

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) heeft de initiatiefnemer afspraken gemaakt met de gemeente over het kostenverhaal en overige financiële bijdragen aan de gemeente, alsmede over de locatie-eisen ter zake van de beoogde bebouwing, inrichting en overdracht van het gebied. Met deze afspraken wordt bereikt dat de gemeente gelet op het gestelde in paragraaf 13.6.1 Omgevingswet voldoet aan de wettelijke verplichting tot het verhalen van kosten en kan afzien van het publiekrechtelijk verhalen van kosten (artikel 13.11 Omgevingswet). De hiervoor genoemde afspraken worden vastgelegd in een kostenverhaalsovereenkomst. De economische uitvoerbaarheid is hiermee afdoende aangetoond.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog In de voorbereiding op dit plan is een omgevingsdialoog gehouden met de directe omgeving. Voor de opzet van de omgevingsdialoog is een participatieplan opgesteld. Dit participatieplan is besproken met de gemeente en akkoord bevonden. De directe omgeving is in overeenstemming met het participatieplan voor een viertal momenten uitgenodigd voor een dialoog over de voortgang van het project. De opgehaalde informatie (adviezen, suggesties e.d.) is door de initiatiefnemer beoordeeld op wenselijkheid en haalbaarheid, rekening houdend met alle belanghebbenden. De gemeente heeft ook een belangrijke rol bij de beoordeling van het plan gespeeld en is daarmee direct en indirect een actor die medebepalend is in hoeverre feedback in de plannen is verwerkt. De verantwoordelijk tot uitvoering van het participatieplan lag bij de initiatiefnemer. Het is de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag (college of raad) om de uitkomsten uit het participatietraject mee te wegen in de besluitvorming. Tijdens het participatietraject is aangegeven dat alle opmerkingen afgewogen en meegenomen zouden worden in de nadere uitwerking en afronding van het plan. Maar dat het wellicht niet mogelijk zou zijn alle partijen volledig tevreden te stellen na aanpassing van het plan.

Tevens aangegeven dat er zeker voldaan zal gaan worden aan de geldende parkeernormen en dat issues aangaande verkeer een zaak zijn van de gemeente en dat dit daar besproken zal worden. Diverse planaanpassingen heeft de initiatiefnemer kunnen doorvoeren en de ontwerpuitgangspunten kunnen handhaven binnen de geldende kaders. De gemeente zal de uitkomsten uit het participatietraject meewegen in de besluitvorming. Overleg Het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding op deze procedure, voert overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het plan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere bestuursorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. De diverse andere bestuursorganen hebben de gemeente Overbetuwe te kennen gegeven in te kunnen stemmen met voorliggend plan.

St. Willibrordusstraat 2, Herveld, pag. 52 van 52 maart 2026

Hoofdstuk 8

Belangenafweging en conclusie

Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit dient te worden onderbouwd in een ‘goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving’. De gemeente mag een omgevingsvergunning voor een BOPA alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). De Omgevingsregeling stelt specifieke aanvraagvereisten voor de BOPA (artikel 7.207b, onder 2). Onder andere dat de aanvrager de de gegevens verstrekt die nodig zijn om de gevolgen van die activiteit te beoordelen door een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit onderhavige ruimtelijke motivering blijkt dat alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (zie hoofdstuk 6) nader onderzocht en afgewogen zijn en dat het initiatief niet in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening en rijksbeleid (zie hoofdstuk 5). Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. De activiteit is uitvoerbaar.

‘

‘traject heesch b.v. A Cereslaan 16d, 5384 VT Heesch T 0412 45 56 67 E info@trajectheesch.nl W www.trajectheesch.nl Bank: Rabobank Oss Bernheze IBAN: NL 02 RABO 0120 0704 99 Ingeschreven bij KvK te ’s-­‐Hertogenbosch nummer 55072321 BTW-­‐nummer: 851555068 B 01

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=8768622b-c6b2-40df-a60d-daef8a3022a5