26-05-07.13 Relevant stuk 1. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel_vastgesteld_1
Tekst van het document
Archeologische waarde
Een toegekende archeologische waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden; 2.9 Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 2.10
Bed & breakfast
Een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend verblijf in combinatie met het serveren van ontbijt. 2.11
44
Bedrijf
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen, dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 2.12
Begane grond
De onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder. 2.13 Bestaand a. bij gebruik: legaal aanwezig op het moment van het van kracht worden van dit TAMomgevingsplan; b. bij bouwwerken: legaal aanwezig op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan, en bouwwerken die op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan mogen worden gebouwd krachtens een daartoe verleende omgevingsvergunning voor het bouwen. 2.14 Bijgebouw Een niet aan een hoofdgebouw verbonden gebouw, dat door zijn vorm, functie, situering en/of afmetingen ondergeschikt is aan dat op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 2.15 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 2.16
Bouwgrens
De grens van een bouwvlak. 2.17 Bouwlaag Een gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een kelder en de ruimte(n) in de kap. 2.18
Bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 2.19
Bouwperceelsgrens
De grens van een bouwperceel. 2.20
Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 2.21 Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 2.22
Dak
De gesloten bovenbeëindiging van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde. 2.23
Erf
Het gedeelte van een bouwperceel gelegen buiten het, binnen het bouwperceel gelegen, bouwvlak. 2.24 Extensieve dagrecreatie Recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, paardrijden en fietsen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte. 2.25 Gebouw Elk bouwwerk, dat voor een mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden (twee of meer wanden die tot de constructie behoren) omsloten ruimte vormt.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
45
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
2.26
Gebruiken
Gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven. 2.27 Grondgebonden agrarisch bedrijf Een agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsvoering volledig of nagenoeg volledig is gericht op het gebruik maken van grond als productiemiddel ten behoeve van de teelt van gewassen of de weidegang van vee. 2.28 Hobbymatig agrarisch grondgebruik Het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren op niet bedrijfsmatige wijze. Onder hobbymatig agrarisch gebruik wordt niet verstaan een volkstuin. 2.29
Hoofdgebouw
Een gebouw, of een gedeelte daarvan, exclusief aan- en uitbouwen, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is. 2.30
Huishouden
Een persoon of groep personen die gezamenlijk, onbestendig voor onbepaalde tijd, een huishouding voert. 2.31
Inwoning
Twee huishoudens die, in afwijking van het begrip woning, één woning bewonen met gemeenschappelijk gebruik van één of meerdere voorzieningen of (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn. 2.32 Kamerverhuur Het bedrijfsmatig verhuren of het aanbieden van kamers voor bewoning. Hieronder wordt niet verstaan de verhuur door particulieren van maximaal twee kamers in de door hen zelf bewoonde woning. 2.33
Kas
Een gebouw waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander licht doorlatend materiaal ten behoeve van het kweken van vruchten, bloemen en/of planten, zoals een schuurkas en een permanente boog-/ tunnelkas. 2.34 Kelder Een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 0,50 meter boven de kruin van de weg, waaraan het bouwperceel is gelegen. 2.35
Laanboomteelt
Het bedrijfsmatig telen van houtgewassen, waaronder laan-, sier- en vruchtbomen, in open grond alsmede in potten, containers en dergelijke. 2.36 Landbouwhuisdier Zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken. 2.37
Landschaps-/inrichtingsplan
Een plan bij realisering van nieuwe bouw- en/of gebruiksmogelijkheden waarin de ruimtelijke (waaronder landschappelijke) inpassing hiervan in de bestaande situatie wordt beschreven.
46
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
2.38
Lawaaisporten
Sportbeoefening die met veel lawaai gepaard gaat zoals bijvoorbeeld motor- en autosport, karten, modelvoer- en vaartuigen. 2.39 Locatiegrens de grens van een locatievlak; 2.40 Locatievlak een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel. 2.41
Luifel
Afdak of overkapping aan of bij een gebouw, aan de openbare zijde, al of niet ondersteund. 2.42
Medegebruik
Gebruik dat niet direct gerelateerd is aan de functie, maar dat krachtens de regels tevens is toegestaan op de betrokken gronden. 2.43
Niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering
De agrarische bedrijfsvoering die niet geheel of hoofdzakelijk van de open grond als agrarisch productiemiddel afhankelijk is, maar waarvan de productie geheel of overwegend in gebouwen en/of verharding plaatsvindt, zoals varkens-, kalver- of pluimveefokkerij, eendenmesterij of -fokkerij en champignonkwekerij. 2.44
Normaal onderhoud, gebruik en beheer
Werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de gronden te komen; hieronder vallen niet de incidentele ingrepen in bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie of werkzaamheden die een onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde. 2.45 Nutsvoorzieningen Voorziening ten behoeve van algemeen nut in ruime zin zoals: voorzieningen/installaties ten behoeve van gas, water en elektriciteit, signaalverdeling, telecommunicatieverkeer, waterzuivering, waterbeheersing, waterhuishouding, vuil- en afvalverwerking, compostering, wijkverwarming, milieuvoorzieningen, e.d. 2.46 Ondergeschikte bouwdelen Bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten het gebouw uitsteken, zoals schoorstenen, windvanen, dakoverstekken, balkons en liftschachten. 2.47 Ondergronds Onder peil. 2.48
Open teeltondersteunende voorzieningen
Teeltondersteunende voorzieningen welke niet voorzien zijn van voor- en/of zijwanden, met uitzondering van vogelgaas, en enkel bestaan uit een overkapping, zoals schaduw- en hagelnetten. 2.49 Overkapping Bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een dak en maximaal één gesloten wand. 2.50
Paardenbak
Een omheind terrein waarvan de natuurlijke bovenlaag is vervangen door zand of ander doorlatend materiaal ten behoeve van het africhten, trainen en berijden van paarden en pony's en het anderszins beoefenen van de paardensport. 2.51 Peil a. voor gebouwen: de hoogte van het maaiveld ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw; b. voor overige bouwwerken: de gemiddelde bouwhoogte van het aansluitend terrein. 2.52 Prostitutie
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
47
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Het zich tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander. 2.53
Publiekgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis
Een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksaantrekkend zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan. 2.54 Seksinrichting Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang als zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 2.55
Teeltondersteunende voorzieningen
Voorzieningen, anders dan een kas, die door grondgebonden agrarische bedrijven toegepast worden om de teelt van fruit, bomen, groente of potplanten te bevorderen en te beschermen, daaronder begrepen pot- container- en gootteelt. 2.56 Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen Teeltondersteunende voorzieningen welke buiten het teeltseizoen niet aanwezig zijn, met dien verstande dat de voorzieningen maximaal 7 maanden aanwezig mogen zijn. 2.57
Tuin
Een stuk grond in particulier eigendom dat ten dienste staat van het woon- of werkgenot. 2.58
Uitvoeren
Uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven. 2.59 Veehouderij Een agrarisch bedrijf waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt door het houden van landbouwhuisdieren. 2.60
Verdieping
De bouwlaag respectievelijk bouwlagen die boven de begane grond gelegen is/zijn. 2.61 Voorgevel De naar de weg en/of fiets- en voetpad gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt. 2.62 Waterhuishoudkundige voorzieningen Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit. 2.63
Woning
Een (gedeelte van een) gebouw inclusief aan- en uitbouwen dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
48
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
Bij de toepassing van de regels van dit TAM-omgevingsplan wordt als volgt gemeten: 3.1 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen. 3.2
goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Bij toepassing van het meten van de goothoogte van een bouwwerk worden dakkapellen en wolfseinden buiten beschouwing gelaten. 3.3
inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 3.4 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 3.5 ondergeschikte bouwdelen bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1,5 meter bedraagt.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
49
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdstuk 2 Artikel 4 4.1
Functies en activiteiten
Agrarisch met waarden
Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch met waarden. 4.2
Functieomschrijving
4.2.1
Algemeen
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch met waarden' heeft de volgende functies: a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan, met uitzondering van bestaande niet-grondgebonden agrarische bedrijven; b. hobbymatig agrarisch grondgebruik; c. het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en het herstel van kleinschalige landschapselementen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kleinschaligheid'; d. de bestaande paardenbakken binnen het bouwvlak of direct aansluitend aan het bouwvlak; e. extensieve dagrecreatie met bijbehorende wegen en paden; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. groenvoorzieningen; een en ander met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ontsluitingsvoorzieningen, tuinen en erven. 4.2.2
Veehouderij uitgesloten
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - houden van dieren' is het houden van dieren niet toegestaan. 4.3
Gebruiksactiviteit - verboden
4.3.1
Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden, hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van lawaaisporten. 4.3.2
Spuitzone
De uitoefening van (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt is niet toegestaan op een afstand van minder dan 50 m van een locatievlak ten behoeve van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies. Dit zijn alle functies behoudens de agrarische bedrijvigheid. 4.3.3
Laanboomteelt
Het is verboden om binnen het locatievlak gronden te gebruiken ten behoeve van laanboomteelt, met uitzondering van gronden die al bestaand in gebruik zijn voor laanboomteelt waarbij het in de bestaande omvang voortgezet mag worden.
50
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
4.4
Beoordelingsregels bouwwerken
4.4.1
Gebouwen
Het is verboden om op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch met waarden' gebouwen te bouwen. 4.4.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 1 m.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
51
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Artikel 5 5.1
Wonen
Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen. 5.2
Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies: a. wonen in woningen, waarbij inwoning is toegestaan; b. aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met inachtneming van artikel 5.6.2; c. hobbymatig agrarisch grondgebruik; d. groenvoorzieningen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven, in- en uitritten en parkeervoorzieningen. 5.3
Gebruiksactiviteit - verboden
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden. 5.4
Beoordelingsregels bouwwerken
5.4.1
Algemeen
Op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' mogen uitsluitend worden gebouwd: a. hoofdgebouwen; b. aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen; en c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; ten dienste van de in artikel 5.2 bedoelde functies. 5.4.2
Hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen gelden de volgende regels: a. gebouwd binnen het bouwvlak, met dien verstande dat aan- en uitbouwen ook buiten het bouwvlak op ten minste 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw zijn toegestaan; b. maximaal het op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal woningen per bouwvlak; c. goothoogte is maximaal de op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte, met dien verstande dat: 1. voor de bestaande woning de bestaande goothoogte als maximaal toegestaan geldt; 2. de goothoogte van aan- en uitbouwen maximaal 3 m is; d. bouwhoogte is maximaal de op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte, met dien verstande dat: 1. voor de bestaande woning de bestaande bouwhoogte als maximaal toegestaan geldt; 2. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen maximaal 5 m is; e. inhoud is maximaal de op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume (m³)' aangegeven m³ per woning, met dien verstande dat de inhoud van woningen in voormalige agrarische bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met aangebouwde bedrijfsgebouwen, de bestaande inhoud van het totale woongebouw de maximale inhoud is.
52
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
5.4.3
Bijgebouwen
Bijgebouwen, niet zijnde overkappingen, voldoen aan de volgende kenmerken: a. bijgebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bouwvlak en binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorende bouwwerken', met dien verstande dat ter plaatse van de functieaanduiding 'kas' dit uitsluitend mag in de vorm van een kas; b. goothoogte maximaal 3 m; c. bouwhoogte maximaal 5 m. 5.4.4 Overkappingen Overkappingen voldoen aan de volgende kenmerken: a. overkappingen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bouwvlak en binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorende bouwwerken', Met dien verstande dat ter plaatse van de functieaanduiding 'kas' geen overkappingen zijn toegestaan; b. bouwhoogte maximaal 3 m; c. achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning blijft minimaal 50% van de gronden onbebouwd. 5.4.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. Voor het bouwen van zwembaden gelden de volgende beoordelingsregels: 1. zwembaden mogen uitsluitend worden gebouwd minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning; 2. de afstand tot het hoofdgebouw bedraagt maximaal 20 m; 3. de oppervlakte bedraagt maximaal 90 m²; 4. de bouwhoogte bedraagt maximaal 0,3 m; 5. de verticale bouwdiepte bedraagt maximaal 4 m; b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en geen overkapping zijnde, gelden de volgende regels: 1.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 1 m; 2. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 2 m; 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 m. 5.5 Specifieke beoordelingsregels bouwwerken 5.5.1
Grotere gezamenlijke oppervlakte bijgebouwen en overkappingen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van lid 5.4.3 sub c en lid 5.4.4 sub c ten behoeve van een grotere gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en/of overkappingen, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de gezamenlijke oppervlakte maximaal 150 m² bedraagt; b. het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast; c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig wordt beperkt; d. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteiten van de omgeving. 5.5.2 Hogere bouwhoogte bijgebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van lid 5.4.3 sub e ten behoeve van het bouwen van bijgebouwen met een hogere bouwhoogte, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte maximaal 7 m bedraagt; b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteiten van de omgeving.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
53
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
5.6
Specifieke functieregels
5.6.1 Parkeren a. Een op de verbeelding als 'Wonen' aangewezen locatie mag slechts worden bebouwd of gebruikt conform de in lid 5.2 bedoelde functies onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid binnen de betreffende locatie wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden; b. Het bevoegd gezag bepaalt aan de hand van de parkeernormen in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 of sprake is van voldoende parkeergelegenheid, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels voor aanvang van het betreffende gebruik worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; c. het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a en b, mits dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving en wordt voldaan aan de in de Nota Parkeernormen 2016 opgenomen regels en voorwaarden, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels voor aanvraag van de betreffende omgevingsvergunning worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 5.6.2 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten zijn op een locatie die is aangewezen als 'Wonen' toegestaan, met dien verstande dat: a. maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aan-, uitbouwen en bijgebouwen, tot maximaal 75 m² wordt gebruikt voor de activiteit; b.
degene die de activiteit in de woning, inclusief aan-, uitbouwen en bijgebouwen, uitoefent tevens de bewoner van de woning is; c. de activiteit qua aard en omvang past in de woonomgeving; d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeers- en parkeersituatie ter plaatse; e. geen detailhandel anders dan de verkoop van lokaal of streekeigen geproduceerde producten plaatsvindt; f. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden; g. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. 5.6.3 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing a. Het in gebruik nemen en gebruiken van bebouwing en gronden ten behoeve van de functie Wonen conform het bepaalde in lid 5.2 onder a, is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat de landschappelijke inpassing overeenkomstig het in bijlage 1 bij de regels opgenomen inrichtingsplan, specifiek het inrichtingsplan op pagina 14 tot en met 19, het beplantingsplan op pagina 27 tot en met 29, en het versterkingsplan op pagina 34 tot en met 41, binnen één jaar na ingebruikname van de betreffende gronden en/of bebouwing is aangelegd; b. De landschappelijke inpassing, bedoeld onder a, dient na realisatie in stand te worden gehouden. c. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde onder a.
ten behoeve van een afwijkende invulling van de noodzakelijke landschappelijke inpassing en inrichting, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels: 1. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de in het plangebied en de omgeving aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische, waterhuishoudkundige en/of ecologische waarden; 2. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de in bijlage 1 bij de regels beschreven uitgangspunten en randvoorwaarden. 5.6.4 Voorwaardelijke verplichting sloop Het bouwen van de woning(en), zoals beschreven in deze functie, is pas toegestaan indien en zolang aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de gebouwen zoals deze zijn aangeduid in bijlage 2 van deze regels moeten voorafgaand aan de start van de bouwwerkzaamheden van de nieuwe woningen zijn gesloopt.
54
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
5.7
Afwijken van de gebruiksregels
5.7.1
Publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2 onder b en 5.6.2 voor het toestaan van een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, waarbij de volgende beoordelingsregels gelden: a. maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aan-, uitbouwen en bijgebouwen, tot maximaal 75 m² mag worden gebruikt voor de activiteit; b. degene die de activiteit in de woning, inclusief aan-, uitbouwen en bijgebouwen, uitoefent moet tevens de bewoner van de woning zijn; c. de activiteit moet qua aard en omvang passen in de woonomgeving; d. geen mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de verkeers- en parkeersituatie ter plaatse; e. er mag geen detailhandel anders dan de verkoop van lokaal of streekeigen geproduceerde producten plaatsvinden; f. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van in de omgeving aanwezige functies en waarden; g. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
55
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Artikel 6 6.1
Waarde - Archeologie
Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Waarde - Archeologie. 6.2
Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie' heeft, behalve voor de andere toegestane functies en activiteiten, mede de functie van het behoud de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem. 6.3
Beoordelingsregels bouwwerken
6.3.1
Beoordelingsregels en voorschriften
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c.
het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is. 6.3.2 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 onder a, wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 6.3.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld. Het bevoegd gezag betrekt dit advies bij de beoordeling, zoals bedoeld in artikel 6.3.1. 6.3.3
Uitzondering bouwregels
Het bepaalde in artikel 6.3.1 onder a is niet van toepassing indien: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met uitzondering van nieuwe kelders.
56
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
6.4
Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 6.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden 6.5.1
Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 6.2 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; b. woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden c. het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, d. het aanleggen van drainage; e. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; f. het verlagen of afgraven van de bodem; g. het verlagen van het waterpeil; h. het aanbrengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; i. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; j. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; k. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 6.5.2 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.5.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.
Hierbij betrekt het bevoegd gezag de volgende beoordelingsregels: a. de omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 6.5.3 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.5.1 is nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; c. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d.
werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Erfgoedwet nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn; e. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een omgevingsvergunningaanvraag of een verleende omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen en/of afwijken van regels in het omgevingsplan.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
57
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
6.5.4
Voorschriften
Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.5.1 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning teneinde te voorkomen dat door de uitvoering van de werken of werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, de aanwezige archeologische waarden onevenredig (kunnen) worden aangetast, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen of; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen. 6.5.5 Advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.5.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Het bevoegd gezag betrekt dit advies bij de beoordeling, zoals bedoeld in artikel 6.5.2.
58
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Artikel 7 7.1
Waarde - Archeologische verwachting 1
Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Waarde - Archeologische verwachting 1. 7.2
Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologische verwachting 1' heeft, behalve voor de andere toegestane functies en activiteiten, mede de functie van het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem. 7.3
Beoordelingsregels bouwwerken
7.3.1
Beoordelingsregels en voorschriften
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 50 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c.
het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is. 7.3.2 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.3.1 onder a, wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 7.3.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld. Het bevoegd gezag betrekt dit advies bij de beoordeling, zoals bedoeld in artikel 7.3.1. 7.3.3
Uitzondering bouwregels
Het bepaalde in artikel 7.3.1 onder a is niet van toepassing indien: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 50 m² wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met uitzondering van nieuwe kelders.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
59
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
7.4
Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden 7.5.1
Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 7.2 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m², waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; c. het verlagen of afgraven van de bodem; d. het verlagen van het waterpeil; e. het aanbrengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
7.5.2 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.5.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Hierbij betrekt het bevoegd gezag de volgende beoordelingsregels: a. de omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 7.5.3 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.5.1 is nodig voor: a.
werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; c. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Erfgoedwet nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn; e. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een omgevingsvergunningaanvraag of een verleende omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen en/of afwijken van regels in het omgevingsplan.
60
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
7.5.4
Voorschriften
Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.5.1 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning teneinde te voorkomen dat door de uitvoering van de werken of werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, de aanwezige archeologische waarden onevenredig (kunnen) worden aangetast, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen of; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen. 7.5.5 Advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.5.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Het bevoegd gezag betrekt dit advies bij de beoordeling, zoals bedoeld in artikel 7.5.2.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
61
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Artikel 8 8.1
Waarde - Archeologische verwachting 2
Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1 is aangewezen voor het gebruiksdoel Waarde - Archeologische verwachting 2. 8.2
Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologische verwachting 2' heeft, behalve voor de andere toegestane functies en activiteiten, mede de functie van het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem. 8.3
Beoordelingsregels bouwwerken
8.3.1
Beoordelingsregels en voorschriften
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 200 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c.
het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is. 8.3.2 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.1 onder a, wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 8.3.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld. Het bevoegd gezag betrekt dit advies bij de beoordeling, zoals bedoeld in artikel 8.3.1. 8.3.3
Uitzondering bouwregels
Het bepaalde in artikel 8.3.1 onder a is niet van toepassing indien: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 200 m² wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met uitzondering van nieuwe kelders.
62
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
8.4
Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden 8.5.1
Omgevingsvergunningplicht
Onverminderd het in de Erfgoedwet en de Omgevingswet bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 8.2 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 200 m², waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; c. het verlagen of afgraven van de bodem; d. het verlagen van het waterpeil; e. het aanbrengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
8.5.2 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.5.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Hierbij betrekt het bevoegd gezag de volgende beoordelingsregels: a. de omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 8.5.3 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.5.1 is nodig voor: a.
werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; c. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Erfgoedwet nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn; e. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een omgevingsvergunningaanvraag of een verleende omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen en/of afwijken van regels in het omgevingsplan.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
63
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
8.5.4
Voorschriften
Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.5.1 voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning teneinde te voorkomen dat door de uitvoering van de werken of werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, de aanwezige archeologische waarden onevenredig (kunnen) worden aangetast, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen of; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen. 8.5.5 Advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.5.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Het bevoegd gezag betrekt dit advies bij de beoordeling, zoals bedoeld in artikel 8.5.2.
64
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdstuk 3 Artikel 9 9.1
Algemene regels
Algemene bouwregels
Beoordelingsregels ondergronds bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels: a. Ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds gebouwen aanwezig dan wel toegestaan zijn overeenkomstig dit TAM-omgevingsplan. b. Ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één laag ondergronds. 9.2
Afwijken van de bouwregels
Bij omgevingsvergunning kan, met inachtneming van de hierna genoemde beoordelingsregels, worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9.1, teneinde ondergrondse gebouwen toe te staan daar waar bovengronds geen gebouwen zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels: a. het betreft geen bebouwing in geaccidenteerd terrein; b. de bebouwde oppervlakte van de ondergrondse gebouwen bedraagt niet meer dan 25 m², in afwijking van het bepaalde Artikel 3, de oppervlakte van de vloer gemeten, inclusief muren; c. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; d. de afwijking leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving. 9.3
Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1,5 meter bedraagt. 9.4
Bestaande maten
In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel de Omgevingswet tot stand zijn gekomen meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan is toegestaan, geldt als beoordelingsregel bij het verlenen van een omgevingsvergunning dat die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan als maximaal toegestaan.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
65
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Artikel 10 10.1
Algemene gebruiksregels
Gebruik van gronden en bouwwerken
a. het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en/of gebruiksactiviteiten. b. onder strijdig gebruik zoals bedoeld onder a., wordt in elk geval verstaan: 1. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale gebruik en onderhoud overeenkomstig de toegestane functies; 2. een gebruik van gronden als stalling- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale gebruik en onderhoud overeenkomstig de toegestane functies; 3. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie; 4. een gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning.
66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Artikel 11 11.1
Algemene aanduidingsregels
ehs verbinding
11.1.1 aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ehs verbinding' zijn, behalve voor de daar voorkomende functies, mede aangewezen voor het beschermen en ontwikkelen van de landschappelijke en ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van het gebied. 11.1.2 specifieke gebruiksregels Een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ehs verbinding', voor het afwijken van de bouw- of gebruiksregels of voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, wordt niet genomen indien sprake is van een significante aantasting van kernkwaliteiten of omgevingscondities van het gebied, met dien verstande dat significante aantasting van kernkwaliteiten of omgevingscondities van het gebied geen belemmering vormt voor het nemen van dat besluit: a. voor zover mitigerende maatregelen deze aantasting te niet doen, of; b. voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. het verlenen van een omgevingsvergunning is van groot openbaar belang; 2. er is geen reëel alternatief voor de voorgenomen omgevingsvergunning; 3. de aantasting wordt zoveel mogelijk beperkt door mitigerende maatregelen; 4. voor zover de aantasting niet door mitigerende maatregelen wordt beperkt, worden hiervoor compenserende maatregelen getroffen.
11.1.3 advies Een in het plan opgenomen bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouw- of gebruiksregels of bij omgevingsvergunning bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden toe te staan, dat een significante aantasting van kernkwaliteiten of omgevingscondities van het gebied tot gevolg heeft, wordt niet eerder verleend dan nadat door de aanvrager advies is gevraagd aan een onafhankelijke deskundige op het gebied van natuur en landschap.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
67
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Artikel 12 12.1
Algemene afwijkingsregels
Beoordelingsregels
a. Bij omgevingsvergunning kan, met inachtneming van de hierna genoemde beoordelingsregels, worden afgeweken van: 1. in dit TAM-omgevingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, met uitzondering van inhoudsmaat van woningen; 2. de regels van dit TAM-omgevingsplan en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing; 3. de regels van dit TAM-omgevingsplan en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 m en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 m; 4. de regels van dit TAM-omgevingsplan en de bouw toestaan van niet voor bewoning bestemde gebouwen met een inhoud van ten hoogste 50 m³ en een bouwhoogte van ten hoogste 3 m ten dienste van het openbaar nut, zoals schakelhuisjes, wachthuisjes, transformatorhuisjes, alsmede andere bouwwerken, zoals muurtjes, standbeelden en lichtmasten; gasdrukmeetstations en verkooppunten voor motorbrandstoffen uitgezonderd; 5.