26-05-07.13 Relevant stuk 1. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel_vastgesteld_1
Tekst van het document
Hierna worden de resultaten van het onderzoek toegelicht. Bodem In de bovengrond worden verhogingen van cadmium, kobalt, kwik, lood en DDD aangetroffen ten opzichte van de klasse Landbouw/natuur. Tevens worden koper, DDE en OCB verhoogd ten opzichte van de klasse wonen aangetroffen. Op basis van de toetsing aan het Bal kan geconcludeerd worden dat de interventiewaarde in de bovengrond niet wordt overschreden. In de ondergrond worden géén van de onderzochte parameters verhoogd aangetroffen ten opzichte van de klasse Landbouw/natuur. Op basis van de toetsing aan het Bal kan geconcludeerd worden dat de interventiewaarde in de ondergrond ook niet wordt overschreden. Grondwater In het grondwater wordt een verhoging van barium aangetroffen ten opzichte van de streefwaarde. Uit de analyseresultaten blijkt dat voor géén van de geanalyseerde parameters de interventiewaarde wordt overschreden. De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding om nader onderzoek uit te voeren. Verhogingen ten opzichte van de klasse Landbouw/natuur, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot het huidige en/of toekomstige gebruik van de locatie.
Vanuit de resultaten bestaat geen noodzaak tot het uitvoeren van sanerende maatregelen. Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met betrekking tot de bodemkwaliteit.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
5.7
Omgevingsveiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Voor externe veiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Op basis van artikel 8.0b in dat besluit moeten deze instructieregels ook worden toegepast in geval van een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit betreft onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld aan de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is. Groepsrisico De benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk).
Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Het groepsrisico blijft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met dit groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Beoordeling Het initiatief betreft het slopen van agrarische bedrijfsbebouwing, oprichting van twee burgerwoningen en het verwijderen van het bouwvlak van de agrarische bedrijfsbebouwing ter plaatse. Op basis van de signaleringskaart omgevingsveiligheid is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de risicokaart:
24
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Uitsnede aandachtsgebied omgevingsveiligheid met aanduiding plangebied (bron: atlasleefomgeving.nl) De planlocatie is niet gelegen binnen de aandachtsgebieden van de spoorlijn Nijmegen - Arnhem (ten oosten) of de vaarroute van gevaarlijke stoffen op de Nederrijn. Daarnaast zijn er geen andere activiteiten in de nabije omgeving van het plangebied die risico vormen op het gebied van omgevingsveiligheid. Een nadere beschouwing van het groepsrisico is derhalve niet benodigd. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid van de relevante risicobronnen vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
5.8
Ontplofbare oorlogsresten
In de Tweede Wereldoorlog is de gemeente Overbetuwe getroffen door explosieven. Geschat wordt dat circa 10% van deze explosieven niet tot ontploffing is gekomen. Een deel hiervan is tijdens en na de Tweede Wereldoorlog al geruimd. Echter is er een kans op niet gesprongen explosieven in de grond. Beoordeling en conclusie Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (NGE's) van belang. Ter plaatse van de Vogelenzangsestraat wordt het bouwvlak van het agrarisch bedrijf verwijderd, en worden woningen mogelijk gemaakt binnen ditzelfde te verwijderen bouwvlak. Het bouwvlak wordt dermate verkleind dat nader onderzoek naar explosieven afkomstig uit WOII niet benodigd wordt geacht. Indien er op de locatie Vogelenstraat 3 in de toekomst wordt gebouwd dan kan mogelijk rekening worden gehouden met aantoonbare naoorlogse bodemroeringen die het onderzoeksgebied kunnen verkleinen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
25
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
5.9
Kabels en leidingen
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de hoogspanningleidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Beoordeling en conclusie In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante hoogspanningskabels en -leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor het plan.
5.10
Waterparagraaf
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang. Rijksbeleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het NWP, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen.
Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies. Waterschap Rivierenland Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom. Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Overbetuwe maakt onderdeel uit van het deelgebied Betuwe. Kerntaken van het waterschap zijn: Dagelijks beheer van water en dijken; Beschermen tegen overstromingen; Water eerlijk verdelen; Voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie); Werken aan schoon water; Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven. Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland' (2024) van toepassing.
De waterschapsverordening bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Denk hierbij aan het onttrekken of infiltreren van water, lozingsactiviteiten, veranderingen van het watersysteem, etc. De wateren en waterkeringen waarop de regels uit de verordening van toepassing
26
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
zijn, zijn vastgelegd in de legger wateren. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd. Gemeente Overbetuwe Waterplan Overbetuwe In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast wat daarna verschillende keren is geactualiseerd in het waterbeheerplan. In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Met het waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals: wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan; waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit; grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast; beleving van water, burgers betrekken bij water; afspraken en taken van waterschap en gemeente. In 2024 is het Water- en Rioleringsplan Overbetuwe vastgesteld: Samen Werken aan een Klimaatbestendige Toekomst.
In het nieuwe Water- en Rioleringsprogramma (Wrp) voor 2025-2029 is er aandacht voor klimaatadaptatie (aanpassing aan het klimaat) en is er de wens wateroverlast en droogte aan te pakken en de kwaliteit van het water te verbeteren. Belangrijke punten uit het plan: water vasthouden waar het kan en afvoeren waar het moet; afspraken over rioolheffing; samenwerken met inwoners, bedrijven en organisaties voor een betere leefomgeving scheiden van vuil- en regenwaterafvoer; nieuwe initiatieven zoals het Klimaat Meekoppelbudget. Beoordeling (watertoets) Op het perceel Vogelenstraat 3 worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. In de toekomstige situatie wordt op het perceel erfverharding gerealiseerd die er voor zorgt dat de woningen rond een gemeenschappelijk erf bereikbaar zijn. Daar tegenover staat dat er een deel van de bestaande agrarische bebouwing wordt gesloopt, en er aan de achterzijde van het perceel een significant deel van de verharding zal vervallen (circa 20 m x 40 m). Het oppervlak ‘verharding en bebouwing’ wordt door de functieverandering gereduceerd met ongeveer 55% (bestaande situatie: 4.950 m², en nieuwe situatie 2.275 m²). Door het toevoegen van de woningen met bouwvlakken wordt het bebouwd en verhard oppervlak per saldo dus alsnog minder.
De eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht op basis van de Waterschapsverordening is in geval van een beperkte toename zonder meer toepasbaar voor dit plan. De totale omvang van de toename van verharding is namelijk niet meer dan 1.500 m². In planologisch opzicht is er sprake van een aanzienlijke afname, omdat het bebouwbare oppervlakte, door het vervallen van het agrarische bouwvlak, aanzienlijk wordt verkleind. Door het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing wordt namelijk het agrarische bouwvlak verwijderd zodat alleen de woningen nog een bouwvlak bevatten. Het bouwvlak was ca. 15.000 m² en de woonfunctie voor de drie woningen is ongeveer 5.500 m². De bebouwbare oppervlakte is binnen die woonfunctie (bouwvlak en bijbehorende bouwwerken) bovendien nog kleiner. Grondwater In het plangebied geldt grondwatertrap VI. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) tussen de 40 en 80 cm beneden maaiveld is, maar dat de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) dieper dan 120 cm beneden maaiveld kan worden aangetroffen. Oppervlaktewater Het plangebied is gelegen nabij secundaire watergangen (B-watergang) die het gehele perceel omkaderen. De B-watergangen zijn niet aangeduid binnen het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Uit het Wateradvies geldt dat er ook geen aanvullende regels in het TAMomgevingsplan opgenomen hoeven te worden.
De watergangen worden niet aangetast met het
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
27
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
initiatief. Een B-watergang is van secundair belang voor het waterbeheer en dient door de aangrenzende eigenaren te worden onderhouden. Langs een B-watergang zit een beschermingszone van 1 meter breed. Deze beschermingszone bij B-watergangen zijn vooral bedoeld om deze watergangen toegankelijk te houden voor het uitvoeren van inspecties. De beschermingszones worden altijd aan beide zijden van een B-watergang in de legger opgenomen. Rondom het plangebied zijn dus enkele B-watergangen aanwezig. De planvorming heeft geen negatieve invloed op oppervlaktewater, omdat deze volledig intact blijven. Er worden geen belemmeringen voor het functioneren van de watergangen verwacht. Er is in het plangebied voldoende mogelijkheid tot het aanleggen van aanvullende waterberging en ruimte voor het vertraagd afvoeren van water op de watergangen. Tot slot liggen er geen waterkeringen met betreffende beschermingszone nabij het plangebied. Er gelden derhalve geen beperkingen vanwege het belang van waterkeringen. Waterberging Het betreft een bestaand erf waar het oppervlak verharding en bebouwing aanzienlijk zal afnemen door de beoogde ontwikkeling. Aangezien het verhard oppervlak afneemt is er geen extra waterberging in het plan benodigd. Regenwater wordt binnen het perceel zelf verwerkt. Conform het gemeentelijk beleid vindt er geen afvoer van regenwater plaats naar de straat / openbaar terrein.
Aangezien er momenteel geen wateroverlast is op het terrein zorgt het huidige waterpeil niet tot belemmeringen voor het aspect waterhuishouding binnen het plangebied. Hemelwater en vuilwater Hemel- en afvalwater zullen bij de nieuwe woningen gescheiden worden afgevoerd. Het hemelwater van dakoppervlakte en verharding wordt afgekoppeld van het gemengd rioolstelsel en door middel van bijvoorbeeld infiltratiekratten, wadi of zakgreppel binnen het plangebied opgevangen. Dit komt ten goede aan het grondwater en beperkt verdroging en voorkomt het overstorten van rioolwaterzuiveringsinstallaties. Wat betreft de bestaande bedrijfswoning behorende bij het agrarische perceel, verandert er niets. De ontwikkeling is verder hydrologisch neutraal. Per saldo leidt de ontwikkeling echter tot een afname van de hoeveelheid afvalwater omdat het agrarische bedrijf beëindigd zal worden. Op de riolering mag alleen afvalwater. Voor wat betreft capaciteit van de riolering voor afvoer van afvalwater betreft het een toevoeging van slechts twee woningen. De capaciteit van de bestaande drukriolering voldoet voor het toevoegen van twee woningen. Voor aansluiting van het plan op het bestaande rioleringsstelsel zijn geen aanpassingen benodigd.
Waterkwaliteit De waterkwaliteit van de legger-watergangen (B in dit geval) zal niet verslechteren, en door het beperken van de agrarische bedrijfsactiviteiten zelfs significant verbeteren. Daarmee voldoet het plan aan het opgestelde beleid. Daarnaast wordt met het plan rekening gehouden met: hemelwaterlozingen worden voorzien van zuiverende voorzieningen, zoals een helofytenfilter en/of bodempassage; in verband met de waterkwaliteit wordt terughoudend omgegaan met bomen langs oppervlaktewater; watergangen worden in principe voorzien van natuurvriendelijke oevers; er worden geen uitlogende bouwmaterialen toegepast; kansen voor klimaatadaptatie worden benut (opvang hevige neerslag, koelte realiseren, bestrijden van verdroging, gevolgen van een overstroming beperken, biodiversiteit versterken). Advies Waterschap In het kader van vooroverleg is advies gevraagd van het waterschap en een wateradvies uitgevoerd. Het wateradvies is als bijlage 2 bij de motivering van dit plan toegevoegd. In het advies van het waterschap is geconcludeerd dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het gaat om het aspect waterhuishouding. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Dit aspect is in het plan op een evenwichtige wijze verwerkt en afgewogen.
Het aspect water vormt dan ook geen belemmering in het kader van de omgevingsplanwijziging.
28
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
5.11
Natuur
Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow). De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets (afd. 11.1 Bal). Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht.
In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden. Gebiedsbescherming Op basis van artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk is opgenomen in de provinciale verordening. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Binnen de provincie Gelderland bestaat het NNN uit het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Daarnaast worden ook de Groene Ontwikkelzones (GO) beleidsmatig beschermd. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming Soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten (afd. 11.2 Bal). De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: vogels; europees beschermde soorten; nationaal beschermde soorten. Er geldt een vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Op basis van de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten. De provincie is het bevoegd gezag en kan bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling geven van de lijst met nationaal beschermde soorten in afstemming op de situatie in de provincie. Ook geldt er een specifieke zorgplicht om nadelige gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten.
Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de zogenaamde bebouwingscontour houtkap (afdeling 11.3 Bal). Wanneer deze houtopstanden worden geveld, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
van de betreffende provincie. Daarnaast geldt er een specifieke zorgplicht voor houtopstanden. Indien natuurbescherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten. Beoordeling Het plan voorziet in de functieverandering van agrarisch bedrijf naar twee burgerwoningen en het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning. Om de nieuwe woningen in te passen worden enkele landschapselementen toegevoegd. Omdat negatieve effecten op beschermde flora en fauna op voorhand niet volledig zijn uitgesloten, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het integrale rapport is als bijlage 3 aan deze motivering toegevoegd. In deze paragraaf zijn de bevindingen weergegeven. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en buiten andere natuurgebieden zoals Natura 2000. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied “Veluwe”. Het habitat- en vogelrichtlijnengebied ligt op een afstand van 1,2 km ten noorden van de projectlocatie. De projectlocatie is gelegen in deelgebied 'Over-betuwe' van de Omgevingsverordening Gelderland. De gronden van het plangebied zijn gelegen in de ‘groene ontwikkelingszone’.
Ten behoeve van de groene ontwikkelingszone is extra ingezet op inpassing van groenelementen en invulling van de bebouwing daarbinnen. In het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1 bij de regels zijn specifieke maatregelen genomen die vertaald zijn in het versterkingsplan, die voldoet aan de regels zoals die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland. Deze bijlage is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels om de inpassing te waarborgen. Naast een aantal hoogstamfruitboomgaarden die worden behouden en gerealiseerd, worden in het landschap en erf passende elementen, zoals struweelhagen, vogelbosje, knip- en scheerheggen en solitaire bomen gerealiseerd. Hiermee worden ecologisch waardevolle nieuwe elementen gerealiseerd en wordt de diversiteit in landschapstypen en plantensoorten aanzienlijk vergroot. Naast ecologische meerwaarde, hebben deze elementen ook cultuurhistorisch, landschappelijk en recreatief een meerwaarde. De toekomstige inrichting doet daarmee recht aan de kernkwaliteiten van de GO, waartoe het plangebied behoort en levert een bijdrage aan de versterking van die kernkwaliteiten. Soortenbescherming Het initiatief zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten.
Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving van het integrale rapport blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken, op zoek naar een vervangende biotoop. Alle sloopwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). De specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal) blijft onverminderd van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Houtopstanden Voor houtopstanden geldt dat er geen monumentale bomen gekapt zullen worden. In het achtergebied van de twee te realiseren woningen zullen enkele bomen gekapt worden om deze woningen mogelijk te maken. Dit zal gedaan worden conform de regels omtrent houtopstanden van de gemeente Overbetuwe. Stikstof Voor de berekening van de stikstofuitstoot is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd die onderdeel is van de LBV+-regeling waarbij maximaal 15% van de vergunde stikstofemissie ingezet mag worden om de nieuwe activiteiten te realiseren (o.a. sloop stallen en bouw nieuwe woningen) en te exploiteren.
De rapportage hiervan is bijgevoegd als bijlage 4 van deze motivering. In het rapport wordt inzichtelijk gemaakt welk deel van de natuurtoestemming ingetrokken kan worden, en welk deel nog nodig is ten behoeve van de vervolgfunctie. Het rapport bevat bijlagen en AERIUS-berekeningen die dienen als onderbouwing voor de Natura 2000-activiteit uit artikel 5.1, eerste lid, sub e. van de Omgevingswet. In de beoogde situatie wordt het houden van landbouwhuisdieren definitief beëindigd (met
30
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
uitzondering van hobbymatig houden van enkele dieren, niet bedoeld voor de productie van vlees, melk, en/of wol), en er twee nieuwe woningen opgericht. Voor de activiteiten na deelname aan de LBV+-regeling kan maximaal 15% van de vigerende stikstofemissie behouden blijven. Conclusie uit het rapport is dat de emissie in de beoogde situatie minder betreft dan 15% van de emissie in de referentiesituatie, waardoor aan dit aspect voldaan wordt. De resterende stikstofemissie in de beoogde situatie betreft ruimschoots minder dan 15% van de vigerende vergunde stikstofemissie. In de beoogde situatie blijft sprake van significante depositie-effecten (> 0,00 mol/ha/jaar) op Natura 2000-gebieden. Een nieuwe natuurtoestemming voor de toekomstige activiteiten is daarom benodigd, gelet op de Rendac-uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923). Intern salderen mag worden ingezet als mitigerende maatregel. Omdat sprake is van deelname aan de LBV+-regeling, waarbij de vrijkomende stikstofruimte ten goede komt aan natuurherstel, dient ter borging van de vermindering van de stikstofuitstoot de vrijkomende ruimte ingetrokken te worden van de vigerende natuurtoestemming. Uit het stikstofdepositieonderzoek blijkt dat er geen sprake van significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
Daardoor is het aannemelijk dat de vergunningaanvraag voldoet aan het gestelde in de Omgevingswet, ten aanzien van de Natura 2000activiteit, en de haalbaarheid van het initiatief blijkt. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt, na verlening van de aangevraagde Natura 2000activiteit, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Voor gebiedsbescherming is een landschappelijke inpassing met versterkingsplan onderdeel van dit TAM-omgevingsplan. In het kader van de zorgplicht voor soorten moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt, na verlening van de aan te vragen Natura 2000-activiteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12
Archeologie en cultuurhistorie
De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie en archeologie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Er moet bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen in een omgevingsplan rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op: het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten; het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Beoordeling Cultuurhistorie De cultuurhistorische kenmerken zijn opgenomen in de Cultuurhistorische Waardenkaart van Overbetuwe. Het plangebied ligt binnen een specifiek aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebied. De grond ter plaatse van het plangebied is bekend als oude woongrond en/of andere oude cultuurlaag. Daarnaast is het erf bekend als opgehoogde woon- of vluchtplaats. Er is geen sprake van dorpsbebouwing van voor 1850, die ligt namelijk ten westen van het plangebied in de dorpskern van Driel.
Door de cultuurhistorische waarden is er in het landschappelijke inrichtingsplan rekening gehouden met de beoogde bebouwing en plek van de nieuwe woningen. Deze zijn zo geplaatst dat het plan een cluster vormt en er geen extra verharding / ontgronding plaatsvindt in het gebied. Daarnaast heeft de bebouwing geen karakteristieke of cultuurhistorische waarden. Zowel de agrarische bedrijfsbebouwing als de bedrijfswoning hebben geen monumentenstatus en zijn dus niet specifiek beschermd. Door het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing ontstaat er binnen het plangebied de mogelijkheid om de gemeenschappelijke ruimten te versterken en het erfensemble her in te
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
richten. Door de zorgvuldige (landschappelijke) inpassing worden cultuurhistorische kenmerken juist omarmd. Archeologie De regels voor archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen aan de hand van de archeologische beleidskaart. De ingrepen zijn overwegend gepland binnen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' waarbij de vrijgestelde oppervlakte voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 50 m² geldt. De nieuw op te richten woningen hebben een oppervlakte van circa 200 m² (zuidelijke woning) en 275 m² met een bijbehorend bouwwerk van circa 50 m² (noordelijke woning). In totaal wordt er dus 525 m² aan bebouwing opgericht. Op basis van de regels van het omgevingsplan en de archeologische waarden is echter bepaald dat deze woningen worden gebouwd op de plek van de bestaande bouwwerken (de te slopen agrarische bedrijfsbebouwing) en dat het bouwplan dus betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 50 m² wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, waarbij de gebouwen maximaal 2,5 uit de bestaande funderingen mogen worden vergroot. Uit de uitsnede van de verbeelding (met ondergrond) blijkt desalniettemin dat de bouwvlakken van de nieuw te bouwen woningen overeenkomen met de contouren van de oude bebouwing:
Uitsnede verbeelding met bouwvlakken met contouren huidige bebouwing (lichtgrijs) Op de verbeelding is ook af te zien dat het bijbehorende bouwwerk bij de westelijke woning die apart is aangeduid met een bouwaanduiding hier buiten valt. Deze is ongeveer 50 m² en valt binnen de gestelde uitzondering op de bouwregels. Op basis van de voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden wordt voldaan aan het behoud en bescherming van de te verwachten archeologische resten in de bodem. Daarnaast is er in het zuidwestelijk gelegen deel van het plangebied een Terrein met Archeologische Waarden (TAW nummer 3873) gelegen. Dit gebied is in het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' opgenomen als 'Waarde - Archeologie' waar regels aan verbonden zijn over het bouwen van bouwwerken en werkzaamheden. Binnen dit gebied zijn echter geen bouwvlakken aanwezig en ook geen werkzaamheden voorzien. Hier zullen dan ook geen gebouwen in het kader van het TAMomgevingsplan gebouwd worden. Onderstaand is een uitsnede uit de archeologische beleidskaart opgenomen:
32
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Uitsnede uit archeologische beleidskaart Overbetuwe met aanduiding planlocatie Op basis van het TAM-omgevingsplan zijn de dubbelbestemmingen die vallen buiten het archeologische onderzoeksgebied maar binnen het plangebied - die daar ten behoeve van het agrarische bouwvlak onderdeel van uit maken - gehandhaafd. Deze dubbelbestemmingen zijn in dit TAM-omgevingsplan overgenomen zodat de archeologische waarden beschermd blijven. Conclusie Vanuit het oogpunt van zowel cultuurhistorie als archeologie voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van functie aan locaties.
5.13
Verkeer en parkeren
Parkeren De gemeente Overbetuwe heeft haar parkeerbeleid en -normen vastgelegd in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Hierna is een overzicht opgenomen van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie en het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Het plan maakt twee nieuwe woningen mogelijk. Voor ontwikkelingen in het buitengebied wordt bij het bepalen van de parkeernorm uitgegaan van de lagere stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'. Op basis van de Nota geldt een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen voor deze woningen (locatie: buitengebied). In het plan is voorzien in erven met meer dan voldoende ruimte voor minimaal 3 parkeerplaatsen bij de woningen, ook voor de 0,3 pp/woning voor het aandeel bezoekers per woning. Op iedere woonkavel is voldoende ruimte voor parkeren waarmee op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Verkeer Voor de Vogelenzangsestraat geldt dat een agrarisch bedrijf in zijn activiteiten wordt beperkt. Hier wordt de bedrijfsbebouwing gesloopt, de bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning, en worden er twee nieuwe burgerwoningen opgericht. Deze woningen zullen significant minder (vracht)verkeer genereren en dus een bijdrage leveren aan een verbetering van de verkeerssituatie aan de Vogelenzangsestraat. Om de verkeersgeneratie te berekenen wordt gebruikgemaakt van kencijfers van de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ in combinatie met het gemeentelijke parkeerbeleid Nota parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016. Voor vrijstaande woningen geldt een gemiddelde van 8,2 voertuigbewegingen per etmaal. Voor drie woningen geldt een totale verkeersgeneratie van 24,6 verkeersbewegingen. Uit de verkeersgegevens van de gemeente blijkt dat de Etmaalintensiteit gemotoriseerd verkeer op 290/320 en voor vrachtverkeer op 30/30 zijn berekend. De Vogelenzangsestraat is een ontsluitingsweg waar de capaciteit dus voldoende van is om deze minimale extra verkeersgeneratie te kunnen opvangen. Om de ontsluitingsweg naar de Vogelenzangsestraat planologisch te borgen is de woonfunctie tot aan de weg opgenomen. Conclusie Vanuit het oogpunt van zowel parkeren als verkeer voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van functie aan locaties.
5.14
Trillingen
Er dient bij een wijziging van het omgevingsplan rekening te worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Deze trillingen dienen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.4 Bkl). Indien de trillingen niet meer bedragen dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Trillinggevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie of gezondheidszorgfunctie. Het gaat om activiteiten anders dan wonen die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, uitgezonderd industrieterreinen en verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen in de buurt van spoorwegen moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoorweg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan. Beoordeling en conclusie Met deze omgevingsplanwijziging worden geen trillingsgevoelige gebouwen in de buurt van een spoorverbinding mogelijk gemaakt.
Deze wijziging betreft geen toevoeging van een trillinggevoelig object/gebouw in de betreffende contour. Derhalve is het aspect 'trilling' niet van toepassing op de wijziging.
5.15
Gezondheid
In artikel 1.3 van de Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Landelijk bestaat de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten, zoals de omgevingsvisie, -verordening en programma's.
34
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Beoordeling en conclusie Ten eerste laat dit TAM-omgevingsplan een intensieve veehouderij vervallen, wat een significante impact heeft op de woon- en leefkwaliteit ter plaatse op het gebied van geur, geluid, en stikstof. Daarnaast maakt het de realisatie van twee nieuwe woningen mogelijk. Bij de inrichting van het plangebied is daarbij in ruime mate ruimte voor groen behouden. Dit draagt bij aan het behoud van een gezonde en prettige woon- en leefomgeving. Daarnaast ligt het plangebied op een locatie, waar de verblijfskwaliteit goed is. Dit is uit de voorgaande paragrafen gebleken. Er zijn daarnaast geen grote geurbelastende activiteiten zoals geitenhouderijen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Het plan houdt op een verantwoorde wijze rekening met het gezondheidsbelang en de beoogde functie is met het oog op de gezondheid verantwoord op deze locatie. Daarnaast zorgt dit TAM-omgevingsplan voor beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel van de (voormalige) veehouderij. Dit betekent dat op het gebied van geluid, geur, luchtkwaliteit, en omgevingsveiligheid, een verbetering van de woon- en leefkwaliteit zal plaatsvinden aan de Vogelenzangsestraat. Verder zal er een vermindering van het aantal verkeersbewegingen zijn wat de verkeersveiligheid ten goede komt.
Bovendien zal er veel verharding worden verwijderd, zodat groen hiervoor in de plaats kan komen. Dit is goed voor het voorkomen van hittestress, wat de gezondheidsambities van de gemeente volgt.
5.16
Duurzaamheid
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen het onderdeel duurzaamheid integraal onderdeel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Duurzaamheid is een breed begrip; de gemeente verstaat hieronder in ieder geval de volgende aspecten: duurzaam en zorgvuldig omgaan met water; duurzaam energieverbruik en beperking van energieverbruik en gebruik van andere natuurlijke hulpbronnen; duurzaam materiaalgebruik en hergebruik; bevorderen van het klimaatadaptief vermogen van de omgeving; natuurinclusief bouwen; versterking van landschaps-, natuur- en groene waarden. Beoordeling Bij het bepalen van de inrichting van het plangebied, de landschappelijke inpassing en de beeldkwaliteit van de nieuwe bebouwing is duurzaamheid een integraal onderdeel in het ontwerpproces. In het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1 bij de regels is hierover het nodige opgenomen. Hieronder worden de voornaamste overwegingen, maatregelen en principes beschreven: Het hemelwater van dakoppervlakte en verharding wordt afgekoppeld van het rioolstelsel en door middel van bijvoorbeeld een wadi of zakgreppel binnen het plangebied opgevangen. Dit komt ten goede aan het grondwater en beperkt verdroging en voorkomt het overstorten van rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Ter vermindering van hittestress blijft de woonkavel zo groen mogelijk en zal de hoeveelheid verharding bij voorkeur zo beperkt mogelijk worden toegepast. De voorgeschreven beeldkwaliteit maakt vele “onzichtbare” technieken mogelijk. Te denken valt aan zonnepanelen integraal te verwerken in het dakvlak van de bebouwing en het toepassen van duurzame bouwmaterialen. De nieuwe woningen worden gasloos gerealiseerd en energiezuinig uitgevoerd. Hiermee wordt bijgedragen aan verduurzaming van de woningvoorraad. De bijgebouwen bieden ruimte voor natuurinclusieve elementen, met ruimte voor o.a. vleermuizen, huismussen en/of gierzwaluwen. De aanplant van bomen en struiken zijn veelal soorten die vruchten-besdragend zijn. Aan te planten boom- en struiksoorten zijn onder andere appel, peer, pruim, kers, en heeft naast een landschappelijk-cultuurhistorische meerwaarde ook een ecologische meerwaarde. Struweelhagen met inheemse soorten zorgen voor kleinschalig landschap en biedt fauna broeden schuilgelegenheid. Struweelhagen, vogelbosje en fruitboomgaarden zorgen voor noord-zuidverbinding (versterking
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
36
GO). Weides worden beheerd als schraal grasland.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planopzet
Algemene opzet
Inleiding Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het juridisch-planologisch wegbestemmen van de agrarische bebouwing aan de Vogelenzangsestraat en het toevoegen van twee woonfuncties op het achtergelegen perceel. Het TAM-omgevingsplan wordt als een nieuw hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. Het TAM-omgevingsplan (nieuwe hoofdstuk) wordt bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het TAM-omgevingsplan wordt in een later stadium opgenomen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. Het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel' bestaat uit de volgende onderdelen: De motivering In de motivering is de ontwikkeling beschreven en verantwoord in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet. De regels De regels worden opgenomen als afzonderlijk hoofdstuk binnen het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe.
De regels bevatten de bouw- en gebruiksregels, die zijn gekoppeld aan werkingsgebieden op de digitale verbeelding. De regels van dit hoofdstuk gelden naast de overige regels van het omgevingsplan. De (digitale) verbeelding Op de digitale verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan bepaalde (primaire) functies, in dit geval 'Agrarisch met Waarden', en 'Wonen'. Ook zijn er bouwvlakken en enkele werkingsgebieden (maatvoeringen) voor specifieke regels opgenomen. Tot slot zijn werkingsgebieden met het oog op de borging van de belangen van bepaalde andere functies opgenomen, namelijk archeologie en ecologische verbinding. De opzet van het plan Het omgevingsplan bevat regels, die bindend zijn voor eenieder. Gekozen is voor zoveel mogelijk concrete regels, omdat er sprake is van een concreet initiatief. Daarbij is aansluiting gezocht bij de TAM-omgevingsplan systematiek zoals die voor de gemeente Overbetuwe is vastgesteld in eerdere plannen die aan dit format voldoen.
6.2
Toelichting op de regels
Op de verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen, die zijn gekoppeld aan functies met bijbehorende regels. Hierna worden deze functies met bijbehorende regels kort toegelicht. Agrarisch met waarden Buiten de woonfuncties zijn de gebieden aangemerkt als 'Agrarisch met waarden', die ook op basis van de geldende functie van toepassing is. Het bouwvlak is hier niet opgenomen omdat deze vervalt ten behoeve van de te slopen agrarische bedrijfsbebouwing. De aanduiding intensieve veehouderij is vervallen. De gronden zijn bedoeld voor grondgebonden agrarisch gebruik, hobbymatig agrarisch gebruik, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Wonen De toekomstige woonpercelen en de burgerwoningen krijgen het werkingsgebied 'Wonen'. Deze gronden zijn bedoeld voor de functies wonen (eventueel met een aan huis gebonden beroep/bedrijf), groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en bijbehorende voorzieningen, waaronder tuinen en parkeervoorzieningen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Er zijn beoordelingsregels voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen. Voor de nieuwe woningen geldt dat het hoofdgebouw binnen het bouwvlak moet worden gebouwd. In de beoordelingsregels zijn verder maatvoeringseisen voor de verschillende typen bouwwerken opgenomen. Indien aan deze beoordelingsregels wordt voldaan, kan een omgevingsvergunning worden verleend. Waarde - Archeologische verwachting 1 - 2 en Waarde - Archeologie Deze werkingsgebieden zijn opgenomen met het oog op de overkoepelende belangen van de archeologische waarden in het plangebied. Binnen dit gebied gelden aanvullende regels op de overige werkingsgebieden, waarbij onder voorwaarden een onderzoeksplicht voor eventueel archeologische waarden wordt gesteld. Er zijn regels opgenomen waarbij advies van een archeologisch deskundige wordt verplicht. Algemene regels In de algemene regels zijn regels opgenomen, die voor het gehele werkingsgebied van dit TAMomgevingsplan van toepassing zijn. Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene aanduidingsregels Hier zijn regels opgenomen die de aanduiding verbindingszone van de ecologische hoofdstructuur betreffen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van de regels uit het omgevingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering of overschrijdingen van de bouwgrenzen. Algemene bouwregels In dit artikel zijn beoordelingsregels voor het bouwen opgenomen, die voor elke omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteit van toepassing zijn. Het betreft onder meer een regeling voor ondergronds bouwen, parkeren en ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat een algemene strijdige gebruiksbepaling, alsmede de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met het TAM-omgevingsplan. Ook is een parkeerregeling opgenomen, die van toepassing is bij een wijziging van het gebruik. Overgangs- en slotregels In dit hoofdstuk is overgangsrecht voor bouwwerken en voor gebruik opgenomen.
38
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdstuk 7
Financiële toelichting
De realisatie van de ontwikkeling is in handen van één initiatiefnemer. Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Niet is gebleken dat de initiatiefnemer over onvoldoende middelen beschikt om de ontwikkeling te kunnen realiseren en de exploitatiebijdrage aan de gemeente te voldoen. Er zijn geen onvoorziene, hoge kosten te verwachten. De gemeente draagt bovendien geen hoge, financiële risico's. De ontwikkeling is dus economisch uitvoerbaar. De ontwikkeling betreft een activiteit waarvan kosten moeten worden verhaald, zoals bepaald in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Om de verschuldigde kosten te verhalen, is de gemeente op basis van artikel 13.13 van de Omgevingswet een overeenkomst aangegaan met de initiatiefnemer. Daarin zijn alle kosten voor de grondexploitatie meegenomen inclusief eventuele financiële bijdragen en nadeelcompensatie. Het opnemen van kostenverhaalsregels in het omgevingsplan is dus niet noodzakelijk.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdstuk 8 8.1
Overleg en inspraak
Inleiding
De procedures voor een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Daarnaast bepaalt de Omgevingswet dat bij ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldige participatie moet plaatsvinden en de gemeente overleg met belanghebbende instanties moet voeren.
8.2
Participatie
De wijze waarop participatie wordt uitgevoerd is door de wetgever niet bepaald. Gemeenten kunnen hiervoor beleid opstellen. De gemeente Overbetuwe beschikt over beleid op dit gebied. De initiatiefnemer heeft de directe omgeving geïnformeerd over de plannen aan de Vogelenzangsestraat. Participatie heeft plaatsgevonden in de vorm van een omgevingsdialoog. Hieruit is gekomen dat omwonenden positief zijn over de voorgenomen plannen, en er zijn geen bezwaren naar voren gekomen. De verslaglegging van de omgevingsdialoog wordt als bijlage bij het besluit op dit plan opgenomen.
8.3
Overleg
Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan moet overleg worden gevoerd met bestuursorganen en instanties die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan (mogelijk) in het geding zijn, zoals de provincie en het waterschap. De stukken behorende bij het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn aan de betrokken vooroverlegpartners voorgelegd.
8.4
Wijziging van het omgevingsplan
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan is door de gemeente bekendgemaakt en gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ingediend. De omgevingsplanwijziging wordt ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad.
8.5
Beroep
Tegen het besluit van de gemeenteraad tot wijziging van het omgevingsplan kunnen belanghebbenden gedurende zes weken beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
40
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Bijlage bij motivering Bijlage 1
Bodemonderzoek
Bijlage 2
Wateradvies
Bijlage 3
Quickscan natuur
Bijlage 4
Onderzoek Natura 2000-activiteit
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
41
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing, het verwijderen van het bouwvlak ter plaatse, de wijziging van de bedrijfswoning naar burgerwoning, en de realisatie van twee nieuwe burgerwoningen aan de Vogelenzangsestraat. Dit TAM-omgevingsplan is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22m) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22m van het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22m.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22m’ worden gelezen.
42
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Toepassingsbereik
a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3, zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing in het plangebied, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3VSG1 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
43
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel
Artikel 2
Begrippen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk 22m van dit omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Omgevingsbesluit en Bijlage I bij de Omgevingsregeling. Daarnaast gelden de volgende begripsbepalingen bij de toepassing van dit hoofdstuk 22m: 2.1 TAM-omgevingsplan Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied, Vogelenzangsestraat 3, Driel met identificatienummer NL.IMRO.1734.0419BUITVogelzang3-VSG1 van de gemeente Overbetuwe. 2.2
Aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
Een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse. 2.3
Aan- en uitbouwen
Een aan een hoofdgebouw gebouwde ruimte, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap - met dien verstande dat een aanbouw een zelfstandige ruimte is en een uitbouw een uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van een hoofdgebouw is. 2.4 Agrarisch bedrijf Een bedrijf, dat is gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden, fokken en/of africhten van landbouwhuisdieren, inclusief pensionstallen als ondergeschikte nevenactiviteit. 2.5
Archeologisch deskundige
De regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg. 2.6
Archeologisch onderzoek
Onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of geofysisch onderzoek en/of graven en/of begeleiden) verricht door een dienst, bedrijf of instelling beschikkend over een door een erkende certificerende instelling afgegeven certificaat voor opgraven en werkend conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) dan wel, na vaststelling ervan door de Minister van OCW, de normen zoals opgesteld door het Centraal College van Deskundigen Archeologie (CCvD). 2.7
Archeologische verwachting
Een toegekende hoge, middelmatige of lage archeologische verwachting in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied te verwachten overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. 2.8