CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

26-05-07.12 Relevant stuk 1. Toelichting De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Gemeenteraadsvergadering 7 mei 2026, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk”18.235 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Conclusie Er zijn geen bedrijven of andere functies in de nabijheid van de deelgebieden, die om milieuhygienische redenen een belemmering zijn of zouden kunnen zijn voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling; ook vormt de woningbouwontwikkeling zelf geen belemmering voor de in de directe nabijheid gelegen functies.

5.2

Spuiten met gewasbeschermingsmiddelen

Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige bestemming in de nabijheid van bestemmingen, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig in verband met de risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige bestemming aangehouden van 50 m, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 m is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als 'in het algemeen niet onredelijk' bevonden en geldt als een vaste richtafstand waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt. Onderstaand is per deelgebied onderbouwd dat de nieuwe woonpercelen, die met het voorliggend bestemmingsplan worden aangewezen in de vorm van de bestemming 'Wonen', niet binnen een spuitzone liggen van omliggende agrarische percelen. Deelgebied 'Boerderij': Aan de westzijde van deellocatie 'Boerderij' bevinden zich woonbestemmingen, een maatschappelijke bestemming en een bestemming voor dienstverlening. Binnen deze bestemmingen mag geen gebruik gemaakt mag worden van gewasbeschermingsmiddelen. Ten noorden van de deellocatie ligt een agrarisch perceel.

In de beheersverordening 'Overbetuwe, Randwijk, Slijk-Ewijk en Valburg' is vastgelegd dat het gebruik van het perceel voor boomteelt en fruitteelt niet is toegestaan. Daarmee is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten. De overige gronden binnen 50 m van nieuwe woonlocatie hebben in het voorliggend bestemmingsplan de bestemmingen Groen, Agrarisch met Waarden, Water en Natuur. Voor de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' wordt in artikel 3.4.1 een gebruiksbepaling opgenomen dat het spuiten met gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan. Voor de overige bestemmingen is agrarisch gebruik geen onderdeel van de bestemming. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de nieuwe woningen en woonbestemmingen binnen het deelgebied 'Boerderij' niet binnen een spuitzone liggen. Het woon- en leefklimaat van de woningen is daarmee voldoende geborgd en de omliggende agrarische bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Deelgebied Nieuwedijk: Aan de westzijde van de planlocatie bevindt zich een rij woningen langs de Nieuwedijk. Voor deze woningen is in de beheersverordening 'Buitengebied, beheersverordening De Danenberg' een woonbestemming toegekend. In de planregels van de beheersverordening staat vermeld dat de voor 'Wonen' aangewezen gronden, samen met de gronden die bij de betreffende woning horen, mede bestemd zijn voor wonen.

Voor de woonpercelen langs de Nieuwedijk kan worden aangenomen dat deze volledig in gebruik zijn voor wonen en dat voor de woonpercelen geen sprake is van een spuitzone. Tussen de woningen Oosterhoutsestraat 11 en Nieuwedijk 1A bevindt zich een agrarisch perceel, dat binnen 50 m van de aan te wijzen woonlocaties ligt. Voor dit agrarisch perceel zijn gebruiksbeperkingen opgenomen in het het bestemminsgplan 'Buitengebied, Waaldijk 29 en Oosterhoutsestraat 11, Slijk-Ewijk'. De uitoefening van (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt is niet toegestaan op een afstand van minder dan 50 m van bestemmingsvlakken ten behoeve van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies. In de huidige situatie ligt het betreffende agrarisch perceel reeds op een kortere afstand van de woningen Oosterhoutsestraat 11 en Nieuwedijk 1A, waardoor spuiten met bestrijdingsmiddelen in de huidige situatie reeds is uitgesloten. Het gaat hier ook in de huidige situatie al om een perceel waarop geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Het feit dat binnen 50 m nieuwe woningen worden opgericht leidt ter plekke van het betreffende perceel niet tot een nieuwe gebruiksbeperking.

Toelichting (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Het agrarisch perceel Valburg, sectie K, nummer 180 ligt aan de noordzijde van de deellocatie en ligt binnen 50 m van de aan te wijzen woonbestemming. Voor dit perceel geldt conform de geldende beheersverordening de bestemming 'Agrarisch gebied met landschapswaarden'. Binnen deze bestemming worden geen beperkingen gesteld aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Om het toekennen van een woonbestemming op het noordelijke gedeelte van de deellocatie mogelijk te maken is rekening gehouden met de situering van de woonbestemmingen. De woonbestemmingen aan de noordzijde van het deelgebied liggen op een afstand van minimaal 50 m tot het agrarisch perceel Valburg, sectie K nummer 180. De overige gronden binnen 50 m van nieuwe woonlocatie krijgen in het voorliggend bestemmingsplan de bestemmingen Groen, Agrarisch met Waarden (zeer smalle strook langs de Nieuwedijk), Water en Natuur. Voor de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' wordt in artikel 3.4.1 een gebruiksbepaling opgenomen dat het spuiten met gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan. Voor de overige bestemmingen is agrarisch gebruik geen onderdeel van de bestemming. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de nieuwe woningen en woonbestemmingen binnen het deelgebied 'Nieuwedijk' niet binnen een spuitzone liggen.

Het woon- en leefklimaat van de woningen is daarmee voldoende geborgd en de omliggende agrarische bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Conclusie: Op basis van het bovenstaande kan worden gesteld dat het aspect spuiten met gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering vormt voor het voorliggend plan.

5.3

Bodem

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden onderzocht of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Het plan voorziet in een planologische functieverandering van agrarisch naar onder andere 'Wonen' en 'Groen'. Binnen de woonbestemmingen zal in de nieuwe situatie permanent worden gewoond, waardoor sprake is moet zijn van een bodemkwaliteit die aansluit bij de woonfunctie. 5.3.1

Actualiserend bodemonderzoek

Om inzicht te krijgen in milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse zijn de afgelopen jaren meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. Ter actualisatie van deze onderzoeken zijn deze onderzoeken in november 2020 opnieuw beoordeeld (rapportnr. 375394, d.d. 10 november 2020). Het actualiserend onderzoek is toegevoegd als Bijlage 4 bij de toelichting. 5.3.2

Vervolg en aanpak bestemmingsplan

Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat er op basis van de huidige geactualiseerde beschikbare informatie geen aanwijzingen zijn dat ter plaatse van de nieuwbouwlocaties omvangrijke verontreinigingen voorkomen die een belemmering vormen voor het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure. Ten behoeve van het aanvragen van een omgevingsvergunning dient op beide nieuwbouwlocaties een bodemonderzoek te worden uitgevoerd in verband met de mogelijke aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in de bodem, waarbij ook aandacht wordt besteed aan potentieel verdachte deellocaties. 5.3.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de bestemmingswijziging naar een woon- en groenbestemming.

32

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

5.4

Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer, spoor of bedrijven. In de Wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenaamde 'geluidgevoelige objecten' wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale belasting. De woningen op zowel de locatie Boerderij als Nieuwedijk worden aangemerkt als geluidgevoelige objecten. De op te richten woningen liggen niet binnen een richtafstand voor geluid van omliggende bedrijven. 5.4.1

Weg- en spoorwegverkeerlawaai

De plangebieden liggen binnen de geluidzone van de Betuwelijn. Daarom is door Aelmans Milieu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (rapportnr. AMO250158.002/LHO, d.d. 19 september 2025). Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bij de toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt: Wet geluidhinder: Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder kunnen de volgende conclusies worden getrokken Ten gevolge van het wegverkeer op de gezoneerde wegen Oosterhoutsestraat, Waaldijk, Akkerstraat en Nieuwedijk wordt op alle randen van alle bouwblokken voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai (inclusief aftrek art 110g van de Wet Geluidhinder). Ten gevolge van de gezoneerde rijksweg A15, blijkt dat op alle randen van alle bouwblokken voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai (inclusief aftrek art 110g van de Wet Geluidhinder). Ten gevolge van de niet gezoneerde lokale 30 kilometer weg Dorpstraat blijkt een geluidbelasting van ten hoogste 45 dB. (aftrek is niet relevant). Gezien de berekende wettelijke geluidbelastingen zoals vermeld in tabel 4 van ten hoogste 48 dB van het wegverkeer is een ontheffing voor een hogere waarde niet aan de orde.

Op grond van het Bouwbesluit geldt voor de geluidwering van een nieuwe woning in standaarduitvoering een minimale waarde van 20 dB. Dit betekent dat de (gecumuleerde) geluidbelasting, exclusief de aftrek op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder, niet hoger mag zijn dan 53 dB om te voldoen aan de richtwaarde voor het binnenniveau van 33 dB. Omdat de berekende geluidbelasting van alle wegen ten hoogste 52 dB bedraagt, kan in beginsel worden aangenomen dat voor alle nieuwe woonfuncties een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. 5.4.2

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen in de hele gemeente. Voor niet vergunningplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting. Voor het voorliggend plan is in beeld gebracht of er sprake is van veehouderijen op korte afstand van het plangebied. Op de onderstaande kaart (uit: Plussenbeleid Overbetuwe) is de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder in beeld gebracht.

Toelichting (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder (uit: Plussenbeleid Overbetuwe) Op basis van deze kaart kan worden geconcludeerd dat voor alle nieuwe woningen sprake is van een leefklimaat dat kan worden beoordeeld als 'zeer goed'. Op korte afstand van het plangebied ligt, op het adres Oosterhoutsestraat 60, een veehouderij waar dieren worden gehouden zonder geuremissiefactor. De veehouderij heeft een milieuvergunning voor het houden van 63 paarden. In het buitengebied geldt een vaste afstand van 50 m. Binnen 50 m van de paardenhouderij worden geen nieuwe woningen opgericht. Op basis van het bovenstaande kan worden gesteld dat het voornemen niet leidt tot een belemmering voor omliggende veehouderijen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorliggend plan.

5.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet

34

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. 5.6.1

Quickscan externe veiligheid

Om een beeld te krijgen van de effecten van de verschillende aanwezige risicobronnen is door Kragten een Quickscan Externe Veiligheid uitgevoerd (rapportnr. 20201020-POU019-RAP-EV 1.0, 20 oktober 2020). Deze quickscan is toegevoegd als Bijlage 6 Quickscan externe veiligheid bij de toelichting. In deze quickscan zijn de risicobronnen geïnventariseerd en is beoordeeld of de genoemde risicobronnen mogelijk een belemmering vormen voor de invulling van het plangebied. Indien risicobronnen een mogelijke belemmering vormen, is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Uit deze quickscan blijkt het volgende: Transport over water: Op circa 350 meter van het deelgebied ‘Boerderij Slijk-Ewijk’ bevindt zich de oever van de Waal. De afstand tussen de Waal en deelgebied ‘Nieuwedijk’ bedraagt circa 895 meter. De Waal maakt deel uit van de Corridor Rotterdam-Duitsland, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze vaarweg heeft geen PR10-6-risicocontour. Op basis van de afstand is het niet noodzakelijk de hoogte van het groepsrisico kwantitatief vast te stellen. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische gassen (GT3) van de Waal. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de Waal (toxisch scenario) dienen, voor beide deelgebieden, meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico.

Transport over de weg: Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of PAG van wegen in de omgeving. Op basis van de afstand is het niet noodzakelijk de hoogte van het groepsrisico kwantitatief vast te stellen. Wel liggen beide deelgebieden binnen het invloedsgebied van toxische stoffen van de A50. Daarbij ligt deelgebied ‘Nieuwedijk’ eveneens binnen het invloedsgebied van toxische stoffen van de A15. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen (toxisch scenario) over de A15 en A50 dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Transport over het spoor: Ten noorden van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Kijfhoek – Betuweroute Meteren (Route 202) op een afstand van circa 1.800 meter van deelgebied ‘Boerderij Slijk-Ewijk’ en 880 meter van deelgebied ‘Nieuwedijk’. Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet spoor. Ter hoogte van het plangebied heeft deze spoorlijn een PR10-6-risicocontour van 30 meter en een PAG. Gelet op de afstand tussen spoorlijn en plangebied vormen de PR10-6-risicocontour en het PAG geen belemmering voor het plan. Als gevolg van de stoffen die over de spoorlijn Kijfhoek – Betuweroute Meteren vervoerd worden, blijkt het plangebied wel binnen het inlvoedsgebied van toxische gassen (B3) en toxische vloeistoffen (D4) te liggen.

De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Aan de oostzijde van het plangebied, bevindt zich de spoorlijn Den Bosch Diezebrug aansl. – Ressen Noord (Route 64) op een afstand van circa 3.400 meter van deelgebied ‘Nieuwedijk’ en 4.600 meter van deelgebied ‘Boerderij Slijk-Ewijk’. Ook deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet spoor. Ter hoogte van het plangebied heeft kent deze spoorlijn geen PR10-6-risicocontour en geen PAG. Als gevolg van de stoffen die over de spoorlijn Den Bosch Diezebrug aansl. - Ressen Noord vervoerd worden, blijkt deelgebied ‘Nieuwedijk’ binnen het inlvoedsgebied van toxische vloeistoffen (D4) te liggen. Deelgebied ‘Boerderij Slijk-Ewijk’ ligt niet binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico voor deelgebied ‘Nieuwedijk’. Buisleidingen: Deelgebied ‘Nieuwedijk’ bevindt zich binnen de 1%-letaliteitsafstand van drie buisleidingen. De hoogte van het groepsrisico dient derhalve middels een CAROLA-berekening vastgesteld te worden.

De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen (fakkelbrandscenario) dienen meegenomen te worden in een verantwoordingsrapportage. Inrichtingen: In de directe omgeving van het plangebied is één relevante inrichting aanwezig waarbij externe veiligheid een rol speelt; het betreft het Centraal Uitwisselpunt Betuweroute (CUB). Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 van het CUB. Daarmee geleden geen harde beperkingen voor de invulling van het plangebied. De 1%-letaliteitsafstand van het

Toelichting (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk CUB reikt tot over het plangebied. Omdat het plan in het invloedsgebied van het CUB ligt moet de verantwoordingsplicht van het groepsrisico ingevolge het Bevi worden ingevuld. Conclusie: Een CAROLA-berekening en een verantwoording van het groepsrisico zijn noodzakelijk om aan te tonen dat sprake is van een aanvaardbare situatie met betrekking tot externe veiligheid. 5.6.2

CAROLA-berekening buisleiding

Uit de quickscan externe veiligheid is gebleken dat het plangebied binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding ligt. Onderzocht is of de buisleiding een belemmering vormt voor het planvoornemen. Tevens is bepaald welke effecten het plan heeft op de hoogte van het groepsrisico van de betreffende buisleiding. Hiervoor is door Kragten een CAROLA-berekening uitgevoerd (rapportnr. 20201020-POU019-RAP-EXT-CAR 1.0 d.d. 20 oktober 2020). Deze berekening is toegevoegd als Bijlage 7 CAROLA-berekening buisleiding bij de toelicht. Deelgebied ‘boerderij Slijk-Ewijk’ is niet is gelegen binnen een invloedsgebied van een hogedrukaardgasleiding en is dan ook verder buiten beschouwing gelaten. Deelgebied ‘Nieuwedijk’ is gelegen binnen de 1% letaliteitsafstand van de buisleidingen A-524-deel-1 en A-533-deel-1 en binnen de 100% letaliteitsafstand van buisleiding A-663-deel-1. Door Kragen is onderzocht of de buisleidingen een belemmering vormen voor de planontwikkeling. Tevens is bepaald welke effecten de plannen hebben op de hoogte van het groepsrisico van de betreffende buisleidingen. De berekening heeft overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA. Uit de berekeningen volgt dat deelgebied ‘Nieuwedijk’ niet is gelegen binnen een plaatsgebonden 10-6risicocontour van een buisleiding.

Voor alle drie de buisleidingen geldt dat het groepsrisico minder dan 10% van de oriëntatiewaarde bedraagt, zowel vóór als ná planrealisatie. Uit de berekening van de hoogte van het groepsrisico zowel vóór als ná planrealisatie van de buisleidingen A524-deel-1 en A533-deel-1 blijkt dat de planrealisatie niet leidt tot een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico. Voor buisleiding A663- deel-1 leidt de planontwikkeling tot een marginale toename van de hoogte van het groepsrisico. Het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormt derhalve geen belemmering voor de planrealisatie. Wel dienen de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen beperkt te worden verantwoord. 5.6.3

Verantwoording groepsrisico

Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 (onderdelen H en I) vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over A15, A50, de Betuweroute, de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en de Waal, het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) artikel 12 (onderdelen A, B, H en I) vanwege aardgastransportleiding A-663, A-524 en A-533 en het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi) artikel 13 vanwege het emplacement CUP. De gemeente heeft bij het invullenaspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 17 augustus 2022 (kenmerk: 2022-004559). Onderstaand een beschouwing van deze aspecten. A. Personendichtheid Het plan voorziet op twee locaties een ontwikkeling. In het plangebied ‘Boerderij’ maakt een voormalig agrarisch bedrijf plaats voor negentien woningen en in het plangebied ‘Nieuwedijk’ worden zeven woningen gerealiseerd. Met gemiddelde aanwezigheid van 2,4 personen per woning, conform handreiking verantwoording groepsrisico.

Betekend dit een toename van maximaal 63 personen. B. Hoogte groepsrisico Gezien de afstand tot het plangebied ‘Boerderij’ tot het CUP groter dan 1500 meter is en het geen grote woningbouw opgave is (max. 19 woningen), zal de gevraagde wijziging van het groepsrisico wanneer berekend in een risicoberekening niet zichtbaar zijn. Ditzelfde geldt ook voor het plangebied Nieuwedijk

36

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk maar dan omdat de woningbouwopgave hier nog kleiner is (max.7 woningen). Verder blijkt uit de destijds uitgevoerde risicoberekening van het CUP dat de berekende hoogte van het groepsrisico zich ver beneden de oriëntatiewaarde bevindt. Alleen plangebied Nieuwedijk ligt in het invloedsgebied van drie aardgastransportleidingen (A- 663, A-524, A-533). Gezien de afstand tot de woningbouwlocatie en beperkte woningbouwopgave (max. 7 woningen) zal de gevraagde wijziging van het groepsrisico wanneer berekend in een risicoberekening minder dan 10% bedragen. Daarnaast zal de hoogte van het groepsrisico van de drie aardgastransportleidingen laag zijn, gezien plan in het buitengebied is gelegen met een lage personendichtheid. C t/m E. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico binnen de inrichting CUP De gemeente Overbetuwe ziet geen andere mogelijkheden om het groepsrisico verder te beperken. In het verleden zijn er aanvullende veiligheidsmaatregelen opgenomen in de omgevingsvergunning van het CUP. F. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico voor het CUP. Omdat het een beperkte uitbreiding betreft op grote afstand van het CUP ziet de gemeente Overbetuwe geen andere mogelijkheden voor een ruimtelijke ontwikkeling met een lager groepsrisico.

G. Mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst voor het CUP. De gemeente Overbetuwe is niet voornemens nieuwe maatregelen te nemen om het groepsrisico te beperken. H. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De VGGM is hiervoor om advies gevraagd. Uit het advies is naar voren gekomen dat de VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van bestrijdbaarheid. De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. I. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Het advies van Veiligheids en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan: Het plan ligt alleen binnen de effectafstand van het scenario fakkelbrand en toxische wolk. De kans daarop is klein.

Het plan leidt tot een toename van het aantal aanwezigen die zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd; VGGM adviseert toekomstige bewoners te infomeren over: risicocommunicatie, ontvluchtbaarheid (vluchtroutes van de risicobron af) en afspraken bij werkzaamheden aan de aardgasleidingen. Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is plangebied ‘Boederij’ te ontvluchten via de Dorpsstraat en Waaldijk en het plangebied ‘Nieuwedijk’ via Nieuwedijk en Oosterhoutsestraat. De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant. 5.6.4

Conclusie

Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de snelweg A15 en A50, de Betuweroute, de spoorlijn Arnhem-Nijmegen, de Waal, drie aardgastransportleidingen (A-663, A-524

Toelichting (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk en A-533) en het emplacement CUP. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijkplan geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.7

Luchtkwaliteit

In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. 5.7.1

Bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de luchtkwaliteit

Indien een project aangeduid kan worden als Niet in betekende mate (NIBM) vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex artikel 5.16 Wm. In het besluit NIBM (niet in betekenende mate) wordt gesteld dat een project NIBM is wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide in de lucht. Aangezien het bij deelgebied Boerderij gaat om het oprichten van negentien wooneenheden en bij deelgebied Nieuwedijk zeven wooneenheden, kan worden gesteld dat het voornemen ruim onder de NIBM-grens blijft. Het planvoornemen is aan te duiden als Niet In Betekenende Mate. 5.7.2

Luchtkwaliteit ter plekke van de voorgenomen ontwikkeling

Naast het feit dat de bijdrage van de ontwikkeling zelf aan de concentraties PM10 en NO2, dient te worden beschouwd of ter plekke van de woningen kan worden voldaan aan de luchtkwaliteitseisen. Daarnaast mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de omliggende veehouderijen. Er is geen sprake van een significante fijnstofemissiebron op korte afstand van beide deelgebieden. Op basis van de grootschalige achtergrondconcentratiekaarten kan worden aangenomen dat de luchtkwaliteit ter plekke voldoet aan de wettelijke normen. 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet voor het toekennen van een nieuwe woonfunctie. Daarmee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor het voorliggend plan.

5.8

Natuur

Voor de planologische procedure dient te worden vastgelegd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de geldende natuurwetgeving. De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen beschermde gebieden en beschermde soorten. Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, zijn hieronder de beschermde gebieden en beschermde soorten beschouwd. Om te inventariseren of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden is door Sweco Nederland B.V. een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (referentienr. SWNL0268119, 2 november 2020). Het rapport is tevens bijgevoegd als Bijlage 8 Verkennend natuuronderzoek bij de toelichting. Het onderzoek richt zich op beschermde gebieden en beschermde soorten. Op basis van de conclusies in het natuuronderzoek is een nader onderzoek

38

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk uitgezet voor zowel de kamsalamander als de steenuilen. Bij het veldonderzoek bleek dat door de ligging en breedte van de watergang, de aanwezigheid van kamsalamanders op het terrein uitgesloten kon worden. Er is derhalve uitsluitend een nader onderzoek gedaan naar de steenuilen, zie Bijlage 11 Vervolgonderzoek FF Onderstaand zijn de conclusie van de onderzoeken en de gevolgen voor het plan omschreven. 5.8.1

Beschermde gebieden

Natura 2000: Het deelgebied 'Boerderij' (A) ligt op 20 meter afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken Gelet op deze geringe afstand van het plangebied tot het nabijgelegen Natura 2000-gebied zijn directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring, niet met zekerheid op voorhand uitgesloten. Een nadere effectbepaling in de vorm van een voortoets hierdoor noodzakelijk (zie Bijlage 9 Voortoets Natura2000-gebieden) Negatieve effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn, gelet op de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in deze Natura 2000-gebieden eveneens niet met zekerheid op voorhand uitgesloten. Om de effecten hiervan in beeld te brengen is een AERIUS-berekening (opgenomen in Bijlage 9 Voortoets Natura2000-gebieden) uitgevoerd. De conclusie van de voortoets van Sweco (met daarbij opgenomen de stikstofdoorrekening) is als volgt: Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan om Landschapspark Danenberg te realiseren niet leidt tot een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Rijntakken (deelgebied uiterwaarden Waal). Nadere toetsing in de vorm van een Passende Beoordeling is derhalve niet noodzakelijk. In december 2025 is voor het onderdeel stikstof een actualisatie uitgevoerd. De actualisatie is toegevoegd als Bijlage 10 bij de toelichting in de vorm van een oplegnotitie.

Op basis van de voortoets van Sweco van 2023 plus de oplegnotitie wordt geconcludeerd dat negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura2000-gebieden ten gevolge van het voorliggende bestemmingsplan kunnen worden uitgesloten. Ten aanzien van het aspect stikstof volgt uit deze oplegnotitie dat er niet intern gesaldeerd hoeft te worden en dat er geen passende beoordeling nodig is.

Toelichting (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Natura 2000 gebieden t.o.v. deelgebieden Boerderij (A) en Nieuwedijk (B) Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone: Het plangebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het GNN en/of GO. Daardoor zijn significante effecten op de kernkwaliteiten (wezenlijke kenmerken en waarden), op voorhand met zekerheid uitgesloten. Een nadere uitwerking van een ’Nee, tenzij-toets’ is niet aan de orde. Er zijn geen belemmeringen vanuit het provinciaal natuurbeleid voor de wijziging in het bestemmingsplan.

40

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen) t.o.v. deelgebieden 'Boerderij'(A) en 'Nieuwedijk' (B) 5.8.2

Beschermde soorten

In het kader van beschermde soorten kan worden geconcludeerd dat de volgende maatregelen genomen dienen te worden om overtreding van de Wet natuurbescherming te kunnen voorkomen: Kamsalamander. Het plangebied vormt mogelijk geschikt leefgebied voor de kamsalamander met beschermingsregime Habitatrichtlijn artikel 3.5 Wnb. Gelet op de bestaande waarnemingen op de grens met het plangebied dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de daadwerkelijk functie van het plangebied voor de kamsalamander. (uit nader veldonderzoek blijkt dat de aanwezigheid van de kampsalamander kan worden uitgesloten en een aanvullend onderzoek in deze ook niet noodzakelijk is) Steenuil. Het plangebied maakt mogelijk deel uit van het leefgebied van steenuil. Negatieve effecten op de aanwezige jaarrond beschermde nestplaats in de fruitbomen in de directe omgeving zijn hierdoor niet op voorhand uitgesloten. Nader onderzoek naar de functie als leef- en foerageergebied van steenuil is noodzakelijk. Broedvogels. Tijdens de uitvoeringsfase dient men rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels gedurende het broedseizoen. Alle in gebruik genomen broedlocaties zijn in deze periode beschermd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen.

Van belang is dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt. Zorgplicht. Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten geldt krachtens artikel 1.11 (lid 1 & 2) van de Wet natuurbescherming, de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten alsmede voor hun directe leefomgeving. Via deze wet wordt eenieder medeverantwoordelijk gesteld voor de zorg en bescherming van flora en fauna en dient men geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen verwonden of doden. Met inachtneming van de bovenstaande adviezen en aanbevelingen met betrekking soortenbescherming, zal het plan niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming.

tot

Het aanvullend onderzoek naar de steenuil Bijlage 11 Vervolgonderzoek FF leidde tot de volgende conclusies:

Toelichting (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Op basis van het soortgericht onderzoek naar de steenuil kan geconcludeerd dat de ontwikkeling van het Landschapspark De Danenberg niet voor fysieke aantasting zorgt van jaarrond beschermde rust- en nestplaatsen van de steenuil. Binnen een straal van 200 meter vindt slechts een zeer beperkte en tijdelijke afname van het leefgebied van de steenuil plaats. In de directe omgeving is ruim voldoende alternatief leefgebied voorhanden waardoor de functionaliteit van de nestplaatsen niet in het geding komen. Bovenal zal door de inrichting van het Landschapsplan het plangebied kwalitatief zelfs geschikter worden als leef- en foerageergebied voor de steenuil. Negatieve effecten van de ontwikkeling op de steenuil zijn hierdoor met zekerheid uitgesloten. Daarmee vindt er geen overtreding plaats van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming en is het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. De onderzoekers adviseren om een ecologisch werkprotocol op te laten stellen waarin mitigerende maatregelen zijn opgenomen om de tijdelijke, negatieve, effecten te verzachten. Met inachtneming van de door de ecoloog opgestelde conclusies en aanbevelingen, kan worden gesteld dat sprake is van een uitvoerbaar planvoornemen. Aangetoond wordt dat geen sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming.

Geborgd kan worden dat het voornemen geen negatief effect heeft op beschermde flora en fauna. 5.8.3

Conclusie

Uit het bovenstaande kan worden opgemaakt dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

5.9

Archeologie

In Europees verband is als wettelijk toetsingskader het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. Op 22 juni 2016 heeft Greenhouse Advies een rapport uitgebracht met de archeologische (verwachtings) waarden van de twee deelgebieden. Dit rapport is bijgevoegd als Bijlage 12 bij de toelichting. Op basis van de geomorfologische en bodemkundige gegevens en vondstmeldingen en onderzoek in vergelijkbare geologische condities in de omgeving kan worden gesteld dat voor het grootste deel van het deelgebied Boerderij een lage verwachting geldt. Uitgezonderd een deel in het westen van het deelgebied, hier bevind zich de oude middeleeuwse dorpskern van het dorp Slijk-Ewijk. Net ten noorden van deelgebied Boerderij bevindt zich een mogelijk vindplaats die dateert uit de ijzertijd, Romeinse tijd en de middeleeuwen.

Voor het noordelijke deel van deelgebied Nieuwedijk geldt een hoge tot zeer hoge verwachting. Hier kan naar aanleiding van de tijdens de booronderzoeken vele aangetroffen archeologische indicatoren en het bekende Romeinse grafveld van uitgegaan worden dat zich hier resten bevinden uit de ijzertijd, Romeinse tijd en de middeleeuwen. Men dient hier rekening te houden met de aanwezigheid van sporen en structuren van de volgende complextypen: nederzetting, infrastructuur graven, greppels, waterputten en afvalkuilen. Greenhouse Advies adviseert voor beide deelgebieden rekening te houden met resten uit de Tweede Wereldoorlog in de vorm van losse sporen en vondsten. Naar aanleiding van dit archeologisch onderzoek zijn is vervolgonderzoeken noodzakelijk. Het doel van het archeologisch vervolgonderzoek is waar mogelijk behoud van eventuele waardevolle resten in situ dan wel het met zorg ontsluiten van het bodemarchief en het veiligstellen van de waardevolle elementen. Archeologische verwachtingswaarde

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

In 2022 heeft de raad van Overbetuwe de archeologische beleidskaart geactualiseerd.

fragment archeologische beleidskaart met de twee locaties (rode cirkels) Op basis van de beleidskaart zijn op de verbeelding een drietal archeologische dubbelbestemmingen opgenomen, die goeddeels overeen komen met de op de beleidskaart weergegeven beschermingsniveaus:

Waarde - Archeologie 3 voor de rose/rode delen van de gronden binnen het plangebied

Waarde - Archeologie 4 op de overige gronden deelgebied Nieuwdijk:

Waarde - Archeologie 6 op de overige gronden deelgebied Boerderij:

Samen met - of vooruitlopend op - het archeologisch onderzoek wordt ook een onderzoek naar niet-gesprongen explosieven uitgevoerd (zie hiervoor par 5.13) . De onderzoeken hebben geen direct effect op de uitvoerbaarheid van het plan. De onderzoeken worden op een later tijdsstip uitgevoerd; e.e.a. in overleg met de gemeente Overbetuwe.

5.10

Cultuurhistorie

Historie Op historische kaarten is te zien dat er in de afgelopen 200 jaar relatief weinig is veranderd in de inrichting van het plangebied. Het grootste deel van de bebouwde structuren en ook enkele solitair gelegen boerderijen zijn reeds lang bestaand. Wel zijn oude woonlocaties deels herbouwd, bijvoorbeeld

Toelichting (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk ter hoogte van de lintstructuur aan de Nieuwedijk. Naast de bebouwing zijn de overige delen in gebruik voor de landbouw en boomgaarden. Cultuurhistorische waarden De gemeente Overbetuwe beschikt over tal van cultuurhistorische waarden van hoge kwaliteit. De cultuurhistorische waarden omvatten de ruimtelijke kwaliteit van het rivierenlandschap met de oeverwallen en komgronden, de monumenten waaronder boerderijen, kerken en huizen én het rijke bodemarchief. Vanuit het beleid van gemeente Overbetuwe geldt als uitgangspunt het cultuurhistorisch erfgoed zien en beleven. Cultuurhistorie vormt namelijk educatieve en recreatieve waarden van het culturele erfgoed in Overbetuwe. De gebouwde cultuurhistorische waarden (monumenten) worden reeds beschermd via de Erfgoedwet of de gemeentelijke Monumentenverordening. Op 70 meter afstand van het perceel Boerderij ligt een kerk genaamd 'Het Witte Kerkje' wat deel uitmaakt van de monumentenlijst. In de nabije omgeving van het perceel Nieuwe dijk zijn geen beschermde monumenten aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen

5.11

Verkeer en parkeren

5.11.1 Verkeer Met betrekking tot de verkeersveiligheid is door Sweco Nederland B.V. een verkeerskundig onderzoek verricht (rapportnr. 375394, d.d. 9 november 2020). Het verkeersrapport is bijgevoegd als Bijlage 13 bij de toelichting. Op basis van CROW-kengetallen (publicatie 381) is de verkeersproductie berekend en toegedeeld aan de belangrijkste wegen in het plangebied. De toedeling is op basis van expert judgement gedaan. De intensiteit in het drukste uur is geschat op 9% van de etmaalintensiteit. Bestaande intensiteiten op de wegen rondom beide plangebieden zijn niet exact bekend. Zij zijn recentelijk niet gemeten. Het regionale verkeersmodel biedt wel intensiteiten, maar voor de wegen in het plangebied is de ervaring dat deze wegen te grofmazig zijn om bruikbaar te zijn. Geschat wordt dat de intensiteit op de Oosterhoutsestraat rond de 1700 motorvoertuigen per etmaal op basis van het regionaal verkeersmodel 2030 bedraagt, en op de Dorpsstraat in Slijk-Ewijk ca. 1.000 (ca. 800 bestemmingsverkeer en ca. 200 doorgaand verkeer). Daarmee blijft de relatieve verkeerstoename ten gevolge van de planontwikkeling beperkt, niet alleen in absolute zin maar ook in relatieve zin. Er worden dan ook geen problemen verwacht qua verkeersveiligheid of doorstroming; de bestaande infrastructuur kan de toename zonder problemen opvangen.

In het rapport worden enkele aanbevelingen gedaan ten behoeve van de verkeersveiligheid. Deze aanbevelingen zijn terug te vinden in Bijlage 13. Met in acht neming van deze aanbevelingen is het planvoornemen uitvoerbaar. 5.11.2 Parkeren De benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen voor auto's) bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen i.c. per type woning. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid vormgegeven. In geval van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten, op basis van de parkeerkencijfers van het CROW, voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd; deels op eigen terrein bij woningtypen in het hogere segment. De gemeente toetst nieuwe ontwikkelingen aan de maximale normen voor een ‘weinig stedelijk gebied‘ zoals opgenomen in de meest recente publicatie van het CROW. Voor het bepalen van de parkeerbehoeftes voor de Boerderij heeft bureau Maris een parkeerbalans opgesteld. Deze balans is bijgevoegd als Bijlage 14. Voor deelgebied Boerderij worden 35 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. In combinatie met de beoogde parkeervoorzieningen op eigen terrein is dit

44

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk voldoende om te voorzien in de behoefte. Voor deelgebied Nieuwedijk worden alle noodzakelijke parkeerplaatsen op eigen terrein bij de woningen worden gerealiseerd. Er worden geen openbare parkeerplaatsen gerealiseerd in dit deel van het plangebied. Hieruit kan worden geconcludeerd dat voor beide deelgebieden kan worden voorzien in voldoende parkeervoorzieningen. 5.11.3 Conclusie Uit het bovenstaande kan worden opgemaakt dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

5.12

Leidingen

In de huidige situatie lopen er door het plangebied geen relevante leidingen. Hierom vormen leidingen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.13

Niet-gesprongen explosieven

Het gebied ligt in een gebied met kans op explosieven. De veiligheid ten opzichte van explosieven moet altijd verzekerd zijn voordat er bodemroerende werkzaamheden (waaronder archeologisch onderzoek) verricht worden. In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen wordt voordat het gebied wordt ontwikkeld een onderzoek niet-gesprongen explosieven uitgevoerd e.e.a. in overleg met de gemeente Overbetuwe.

5.14

Waterhuishouding

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivering van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. 5.14.1 Beschrijving van het watersysteem Door Sweco Nederland B.V. is een verkennende watertoets uitgevoerd, waarin de beschrijving van het bestaande watersysteem en de gevolgen van het planvoornemen op de waterhuishouding zijn omschreven. Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 15 bij de toelichting. In beide deelgebieden liggen een aantal watergangen die zijn opgenomen in de legger van het Waterschap Rivierenland. Op de navolgende plangebieden is van beide deelgebieden een uitsnede van de legger weergegeven. In het rapport van Sweco wordt nader ingegaan op de effecten die het plan heeft op deze watergangen.

Toelichting (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Uitsnede legger Waterschap Rivierenland met ligging deellocatie 'Boerderij'

Uitsnede legger Waterschap Rivierenland met ligging deellocatie 'Nieuwedijk' 5.14.2 Waterbeleid 5.14.2.1

Waterschap Rivierenland

Waterbeheerplan 2016 - 2021: Met ingang van 22 december 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Zo is het van belang dat er bij nieuwe ruimtelijke plannen voldoende waterberging wordt gecreëerd om wateroverlast bij hevige regenval te voorkomen. De benodigde ruimte voor compenserende waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging. Keur waterkeringen en wateren: In de Keur waterkeringen en wateren (Waterschap Rivierenland) staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het

46

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. In de navolgende paragraaf 5.17.4 worden de gevolgen van de plannen op de waterhuishouding omschreven en de wijze waarop met de Keur wordt omgegaan. Voor de vergunningplichtige werkzaamheden wordt bij het Waterschap Rivierenland een watervergunning aangevraagd. 5.14.2.2

Gemeente Overbetuwe

Waterplan Overbetuwe De gemeente Overbetuwe heeft reeds in 2008 in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vastgesteld. Het waterbeheerplan van het waterschap is in 2015 geactualiseerd in overleg met onder meer de gemeente Overbetuwe. In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt. Bij planvorming dient Inzicht te worden gegeven in de volgende relevante wateropgaven: wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan; waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit; grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast; beleving van water, burgers betrekken bij water; afspraken en taken van waterschap en gemeente. 5.14.3 Gevolgen van het plan voor de waterhuishouding Grondwater: Bij hoge rivierstanden is kwel mogelijk in het plangebied. Uit de bodemopbouw blijkt dat er in het plangebied een kleilaag aanwezig is in de bodem. Deze kleilaag biedt weerstand tegen de kweldruk, waardoor er nu geen overlast is. Bij graafwerkzaamheden dient aandacht te zijn voor het risico op toename van kwel.

Door het uitvoeren van graafwerkzaamheden kan de kleilaag dermate dun worden dat opbarsting van de bodem ontstaat. Hierdoor neemt de kwel toe. Bij graafwerkzaamheden is het dus mogelijk noodzakelijk om bemalingen toe te passen en of maatregelen te treffen om kwel tijdens de werkzaamheden en na realisatie tegen te gaan. Uit de inventarisatie van de huidige situatie blijkt dat niet overal wordt voldaan aan de drooglegging- en ontwateringseisen. Per deelgebied zal specifiek gekeken moeten worden naar de benodigde ophoging in relatie tot de woningbouw en aanleg van kelders. De maaiveldhoogte kan daarmee specifiek worden aangepast aan de lokale situatie. Dit zal bij de afzonderlijke omgevingsvergunningen voor de te realiseren bebouwing nader moeten worden uitgewerkt. Om te voldoen aan een minimale drooglegging van 1 m moeten de lage maaivelddelen (lager NAP +8,80 m) opgehoogd worden tot minimaal NAP +8,80 m. Daarmee wordt dan gelijk voldaan aan de minimale ontwateringseis van 0,5 m ten opzichte van openbaar groen. Bij een maaiveld NAP +8,80 m is de ontwatering dan 0,8 m. Bij de detailuitwerking van het stedenbouwkundig plan kan dan invulling worden gegeven aan de andere eisen ten aanzien van drooglegging en ontwatering. Oppervlaktewater: In deelgebied Boerderij neemt de hoeveelheid oppervlaktewater toe.

Er wordt 523 m2 aan A en C watergangen gedempt (zie afbeelding hieronder: donkerblauwe lijnen) en vervolgens wordt er weer 643 m2 A-watergang teruggebracht (zie afbeelding hieronder: lichtblauwe lijnen)

Toelichting (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Deelgebied Boerderij In deelgebied Nieuwedijk neemt het oppervlak C-watergangen af met 107 m2. (zie afbeelding hieronder: bruin gearceerde delen van de grijze C- watergang) Daartegenover staat dat 88 m2 A-watergang zal worden gerealiseerd voor de afwatering van het plangebied (zie afbeelding hieronder: lichtblauwe lijn):

48

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Deelgebied Nieuwedijk Voor de verdere onderbouwing zie Bijlage 15 Hemelwater: Deelgebied Boerderij In deelgebied 1 neemt de hoeveelheid oppervlaktewater toe. Er wordt 523 m2 aan A en C watergangen gedempt en vervolgens wordt er weer 643 m2 A-watergang teruggebracht.. Hierbij is bestaande halfverharding als 100% verhard meegerekend. Hiermee is er dus sprake van een afname van het verhard oppervlak in het plangebied met 8 m2. Dat betekent dat er voor deelgebied Boerderij geen compenserende waterberging hoeft te worden gerealiseerd. Voor deelgebied Boerderij is er daarom geen wateropgave. Deelgebied Nieuwedijk Het plangebied is in de huidige situatie geheel onverhard. In de huidige situatie is het verhard oppervlak 0. De toename bedraagt in totaal 6.094 m2. De wateropgave wordt berekend voor een T=10+10% door de som 436 m3/ha * 0,6094 ha = 266 m3. Het benodigde wateroppervlak bedraagt 887 m2 (bij 0,3 m peilstijging in het water). Voor T=100+10% geldt de som 664 m3/ha * 0,6094 m2 = 405 m3 met een maximale peilstijging tot de insteek van de watergang. Bij een minimale drooglegging van 1 m betekent dit een oppervlak van 405 m2. Toelichting (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Daarnaast geldt dat door de ontwikkeling er een netto verlies is van 19 m2 aan wateroppervlak. Ook dit wordt teruggebracht in het plan. Volgens de regels van het waterschap Rivierenland zal het stedenbouwkundig plan ook getoetst moeten worden met een modelstudie. Dit om te onderzoeken of er geen negatieve effecten zijn van de aanpassingen in de waterhuishouding. Een modelstudie is vereist bij een toename van meer dan 5.000 m2 verhard oppervlak. In het landschapsplan is voldoende ruimte om te voorzien in de benodigde hemelwaterbergingsopgave. Er wordt over een lengte van 315 m voorzien in een verbreding van de A-watergang. De watergang wordt gemiddeld met 4,6 m verbreed. Met de verbreding van de watergang wordt voorzien in een extra oppervlakte van 1.449 m2. Uitgaande van het hierboven vermelde verlies van 19 m2 wordt in totaal voorzien in 1.430 m2 extra oppervlaktewater. In het landschapsplan wordt daarmee voorzien in 1.430 m2 * 0,30 m = 429 m3 extra waterberging. Daarmee wordt ruim voorzien in de benodigde bergingsopgave. Het landschapsplan is geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting in artikel 8.1.2 van het bestemmingsplan. Daarmee is ook de realisatie van de waterberging voldoende geborgd. Waterveiligheid: De planlocatie ligt tevens gedeeltelijk binnen de beschermingszone van een waterkering.

De bescherming van de waterkering is door middel van een dubbelbestemming en een gebiedsaanduiding gewaarborgd. Vuilwater: Het vuilwater afkomstig van de woningen wordt gescheiden behandeld van het hemelwater. In de kern van Slijk-Ewijk ligt een gemengd rioolstelsel. Uit informatie van gemeente Overbetuwe blijkt dat dit stelsel voldoende capaciteit heeft voor de nieuwe ontwikkelingen. In het buitengebied van Slijk-Ewijk en Oosterhout is beperkt riolering aanwezig. Er zal een rioleringsplan moeten worden opgesteld om de nieuw aan te leggen riolering te dimensioneren. 5.14.4 Digitale watertoets Voor het planvoornemen is de digitale watertoets uitgevoerd. De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen meer waterbestendig te maken, waarbij wateraspecten vroegtijdig en expliciet worden meegenomen in ruimtelijke plannen en bij locatiekeuzen. De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). De rapportage is als Bijlage 16 opgenomen bij de toelichting. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat mogelijk invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap (vanwege de watergangen en de beschermingszone van de Waalbandijk binnen het plangebied en de toename aan verhard oppervlak). Dit ruimtelijk plan dient dan ook de normale watertoetsprocedure te volgen.

Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met het Waterschap Rivierenland. Het plan is in het kader van het vooroverleg toegezonden aan het waterschap Rivierenland (zie ook paragraaf 8.2.1 Vooroverleg). Het waterschapsbelang is voldoende geborgd. 5.14.5 Conclusie Realisatie van onderhavig plan leidt, met inachtneming van de voorwaarden van het waterschap, niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Wel is vanwege de schaal, aard en ligging van het planvoornemen contact met het Waterschap Rivierenland noodzakelijk.

50

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische regeling

Algemeen

Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Het bestemmingsplan Landschapspark De Danenberg, deelgebieden Boerderij en Nieuwedijk bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet. De bestemmingsregels De bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen die gelegen zijn binnen het plangebied, weergegeven en begrensd. Tevens zijn enkele maatvoeringsaanduidingen en bouwvlakken opgenomen. De opzet van het plan Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is aangesloten bij recent vastgestelde bestemmingsplannen binnen de gemeente Overbetuwe. Bouwplan Als een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2

Bestemmingen

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen regelen in hoofdzaak zowel de bouw- als de gebruiksmogelijkheden op de bestemde percelen. Bestemmingen Agrarisch met waarden, Groen en Natuur De bestemmingen Agrarisch met waarden en Natuur richten zich op de - op basis van het landschapsplan - landschappelijk in te richten gebieden binnen het plan. Deze bestemmingen hebben als doel de inrichting en het beheer van een openbaar toegankelijk landschapspark mogelijk te maken. Voor de bestemming Natuur ligt het accent op de groene (bos)inrichting, en voor de noordelijke strook aan de Nieuwe Dijk maken deel uit van een ecologische verbinding. Bij de bestemming Agrarisch met waarden zijn meer extensieve recreatieve gebruiksmogelijkheden voor de omgeving , zoals bijvoorbeeld een dierenweide, toegestaan. De bestemming Groen richt zich, getuige ook de aanduiding 'specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing' op de landschappelijke inpassing van het gebied, waarbij de groene inrichting leidend is en er geen openbaar karakter is gegeven aan de gronden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=82f85895-84aa-4302-826a-ec7847510288