CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

24-12-03.16 Relevant stuk 1, Toelichting en regels bestemmingsplan “Elst, De Pas Noord

Gemeenteraadsvergadering 3 december 2024, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan "Elst, de Pas Noord"29.300 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hierbij is getoetst aan de richtafstanden ten opzichte van een rustige woonwijk. Adres

Functie

Milieucat.

Richtafstand Afstand feitelijk*

Korte Bemmelseweg 10 Sanitairbedrijf (restant)

2

30 m

ca. 10 m

Stationsstraat 50

Heinz

4.1

200 m

ca. 65 m

Industrieweg 10 e.v. (Spoorallee)

Bedrijventerrein

3.2

100 m

ca. 230 m

*kortste afstand tussen de dichtstbij gelegen woning in het plangebied en de rand van het perceel Uit deze analyse blijkt dat aan de richtafstanden ten opzichte van het achterblijvende gedeelte van de bedrijfslocatie aan de Korte Bemmelseweg 10 en ten opzichte van Heinz niet wordt voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van een rustige woonwijk. Ten aanzien van overige functies in de omgeving is er geen sprake van enige belemmering. Op afbeelding 5.2 is de uitwaartse milieuzonering weergegeven.

26

(vastgesteld)

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord

Afbeelding 5.2: milieuzones bedrijvigheid in relatie tot het plangebied, met plangebied in rood kader en relevante bedrijvigheid in blauwe kaders (bron: Cauberg Huygen) Bedrijfslocatie Van Dijk, Korte Bemmelsweg 10 In hoofdstuk 5 van Bijlage 6 is ingegaan op de milieueffecten vanwege deze inrichting. Er is uitgegaan van de representatieve invulling van de planologische mogelijkheden op de bedrijfslocatie. De vergunning voor een sanitairbedrijf (d.d. 5 augustus 1997) is van rechtswege vervallen. De huidige (toegestane) activiteiten ter plaatse zijn niet milieuvergunningplichting, maar alleen meldingsplichtig op grond van het Activiteitenbesluit. Uitgaande van de systematiek van de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG, is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op 30 meter van de grens van de inrichting gegarandeerd. Binnen deze zone worden geen woningen voorzien. De betreffende zone wordt in de planregels en op de verbeelding geborgd (aanduiding 'geluidzone industrie'). Heinz Een groot deel van het plangebied ligt binnen de richtafstand tot de inrichting van Heinz. In hoofdstuk 6 van Bijlage 6 is onderzoek verricht naar de milieueffecten vanwege deze inrichting. Zowel het aspect geluid als het aspect geur is relevant in het plangebied.

Ten aanzien van het aspect geluid is uitgegaan van de representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden, inclusief de redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen. Ten aanzien van het aspect geur is de vigerende omgevingsvergunning van de inrichting als uitgangspunt gehanteerd.

(vastgesteld)

27

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord Geluid: Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting Heinz binnen het beoogde woongebied op sommige delen hoger is dan de streefwaarde (45 dB(A)) en op een veel kleiner deel hoger dan de grenswaarde (50 dB(A)). Laatstgenoemde contour ligt niet over het beoogde woongebied op begane grondniveau, zeer beperkt op eerste verdiepingshoogte en op een wat groter deel op de tweede verdieping en hoger (meetpunten 8,5 meter en 11,5 meter hoogte). Dit vormt met name voor de realisatie van het bijzonder woongebouw een aandachtspunt. Woningbouw buiten de 50 dB(A)-contour wordt, gezien de aard van de omgeving, aanvaardbaar geacht en levert geen belemmeringen voor de inrichting Heinz op. Binnen de 50 dB(A)-contouren is woningbouw niet zonder meer mogelijk. Om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen moet voor het gestapelde gebouw een aanvullend akoestisch onderzoek worden gedaan. Hierin moet voor de locatie, vorm en indeling bekend zijn zodat voor het gebouw de geluidbelasting en de te nemen maatregelen beschreven kunnen worden. Daarbij geldt dat de bedrijfsvoering van H.J. Heinz B.V. niet belemmerd mag worden door het te bouwen woongebouw. Mogelijke maatregelen voor gevels met een geluidbelasting hoger dan 50 dB(A) vanwege het geluid van H.J. Heinz B.V.

zijn het toepassen van dove gevels en/of de indeling zo maken dat de scheidingsconstructie van de verblijfsgebieden geen onderdeel mogen zijn van deze gevels. De 50 dB(A)-contour is op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen. Hier wordt de voorwaarde van een akoestisch onderzoek naar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aangaande het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau verbonden aan het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen met een verblijfsfunctie op de derde bouwlaag en hoger. Hierdoor wordt de inrichting van H.J. Heinz B.V. voor het aspect geluid niet belemmerd in de bedrijfsvoering en wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd. Geur: De geuremissie en -immissie wordt veroorzaakt door de centrale schoorsteen van de productie en (het biofilter van) de afvalwaterzuivering. De eerstgenoemde geurimmissie is getypeerd als "niet hinderlijk". De hedonische waarde van de geur van het biofilter ligt echter net op de grens van "minder hinderlijk" en "niet hinderlijk". Gelet hierop en het feit dat het een nieuwe situatie betreft (nieuwe woningen bij een bestaand bedrijf) wordt de (strengere) streefwaarde en richtwaarde gehanteerd voor “minder hinderlijk” i.c. respectievelijk 0,5 OUE/m³ en 1,5 OUE/m³ als 98 percentiel.

De afgeleide streefwaarde en richtwaarde voor 99,99 percentiel bedraagt respectievelijk (4 * 0,5 =) 2 OUE/m³ en (4 * 1,5 =) 6 OUE/m³. De geurimmissie 98-percentiel in het plangebied is blijkens het onderzoek niet hoger dan de streefwaarde van 0,5 OUE/m³. De geurimmissie 99,99-percentiel in het plangebied is niet hoger dan de streefwaarde van 2 OUE/m³. De conclusie is daarmee dat de geureffecten ter plaatse van woningen binnen het plangebied voldoen aan de streefwaarde. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect geur wordt gewaarborgd. Conclusie De omliggende bedrijvigheid vormt geen belemmering voor het plan. Aan de noordoostelijke zijden gelden wel enige restricties. Ten opzichte van het sanitairbedrijf moet in beginsel minimaal 30 meter afstand worden gehouden. Binnen deze afstand zijn in beginsel geen woningen voorzien. Het realiseren van woningen binnen deze zone is alleen mogelijk, indien uit nader onderzoek blijkt dat er geen belemmeringen over en weer optreden. Dit is in het plan geborgd. Ten aanzien van de inrichting Heinz is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied geborgd, zowel ten aanzien van geluid als geur.

Vanaf de tweede verdieping van de nieuwe woningen gelden binnen een beperkte zone, waar de optredende geluidbelasting hoger is dan 50 dB(A), van het plangebied restricties in het realiseren van verblijfsruimten op de betreffende verdieping(en). Hiertoe is in het bestemmingsplan een milieuzone opgenomen. Onder deze

28

(vastgesteld)

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord voorwaarden is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd. Invloed plan op omgeving Aan de noordkant van het plangebied wordt een bijzonder woongebouw mogelijk gemaakt, waarbinnen maatschappelijke/culturele voorzieningen en/of dienstverlening mogelijk zijn. Dergelijke voorzieningen behoren volgens de VNG-brochure tot milieucategorie 1. De bijbehorende richtafstand is 10 meter. Alle bestaande woningen liggen buiten deze richtafstand, zodat het optreden van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat uitgesloten is. Dat geldt ook voor de grondgebonden woningen in het plangebied. Voor zover er binnen het bijzondere woongebouw (zorg)woningen worden voorzien, is het volgende van belang. Volgens de VNG-Handreiking is het mogelijk om – op gebouwniveau – lichte bedrijvigheid direct toe te laten naast gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-Handreiking kent daartoe een lijst van typen activiteiten die geschikt zijn voor zogenaamde 'functiemenging'. Categorie A-activiteiten uit deze lijst kunnen direct naast woningen worden toegelaten en categorie B-activiteiten eveneens, onder de voorwaarde dat er sprake is van bouwkundige scheiding met de woningen. De toegestane activiteiten in de plinten, zoals voorgaand opgesomd, vallen geheel onder de categorie A van de Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging.

Hierdoor zijn er geen belemmeringen te verwachten. De plint wordt bouwkundig overigens van de woningen op de hogere verdiepingen gescheiden. Onevenredige hinder tussen de functies binnen het onderhavige plan wordt vanwege de voorgaande factoren niet verwacht. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan. Onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat op omliggende woningen is niet aan de orde. Ook vormt de in de omgeving gelegen bedrijvigheid geen belemmering en worden deze bedrijven niet beperkt in de bedrijfsvoering. Ten aanzien van de inrichting Heinz is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied geborgd, zowel ten aanzien van geluid als geur. Vanaf de tweede verdieping van de nieuwe woningen gelden binnen een beperkte zone van het plangebied restricties in het realiseren van verblijfsruimten op de betreffende verdieping(en). Hiertoe is in het bestemmingsplan een milieuzone opgenomen. Hier wordt de voorwaarde van een akoestisch onderzoek naar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aangaande het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau verbonden aan het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen met een verblijfsfunctie op de derde bouwlaag en hoger. In de planregels is dit geborgd.

(vastgesteld)

29

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord

5.5

Geurhinder (veehouderijen)

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Beoordeling Het bestemmingsplan maakt het oprichten van nieuwe geurgevoelige objecten (woningen) mogelijk. In de ruime omtrek van het plangebied zijn geen veehouderijen gevestigd. De meest nabij gelegen intensieve veehouderij is op meer dan 1 kilometer afstand gelegen. Vanwege de grote afstand tot veehouderijen, levert het plan geen belemmeringen voor veehouderijen op en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verzekerd. Nader onderzoek is daarom niet nodig. Conclusie De Wgv vormt geen belemmering voor het plan.

5.6

Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond. Beoordeling Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van een nieuw woongebied op gronden die momenteel deels agrarisch in gebruik zijn en deels als bedrijfslocatie. Het toekomstige gebruik betreft een gevoelige functie. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit in het plangebied is daarom noodzakelijk. Er is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarin de bodemkwaliteit in het plangebied is onderzocht. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Daarnaast is onderzoek verricht naar de waterdoorlatendheid van de bodem. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 7.

Gronden noordelijk en zuidelijk Uit het onderzoek volgen voor het grootste deel van het plangebied, namelijk de gronden buiten de bestaande bedrijfslocatie, de volgende conclusies:  de bovengrond bevat plaatselijk licht verhoogde gehalten aan koper en lood;  in de ondergrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten aan kobalt en nikkel aangetroffen;  in de toplaag (tot 0,3 m-mv) is plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan som DDT, som DDE en som organochloorbestrijdingsmiddelen aangetroffen;  in het grondwater uit alle peilbuizen is een verhoogd gehalte aan barium gemeten;  de doorlatendheid van de zanderige ondergrond is zeer goed. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de boven- en ondergrond, de toplaag en het grondwater geven geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. De gemeten gehalten vormen geen belemmering voor de beoogde bestemmingen. De bodemkwaliteit is binnen deze gronden geschikt voor het toekomstige gebruik. Bestaande bedrijfslocatie De bestaande bedrijfslocatie in het plangebied is op basis van het vooronderzoek deels als verdacht en deels als onverdacht aangemerkt.

Uit de analyseresultaten voor het onverdachte gedeelte kan geconcludeerd worden dat:  de bodem plaatselijk sterk puinhoudend is;  de puinhoudende grond matig verontreinigd is met PAK (10 VROM);  de bovengrond plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan minerale olie bevat;  de bovengrond plaatselijk een verhoogd gehalte aan asbest bevat. De concentratie overschrijdt echter de restnormconcentratie uit het Besluit bodemkwaliteit niet;  de ondergrond plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan nikkel bevat;

30

(vastgesteld)

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord  het grondwater een licht verhoogd gehalte aan barium bevat; De hypothese als onverdachte locatie is daarmee niet bevestigd. De aangetroffen matige verontreiniging geeft aanleiding tot nader onderzoek, waaruit zal moeten blijken of er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De verdachte deellocaties zijn separaat onderzocht. Werkplaats met smeerkelders  De ondergrond bevat een matig verhoogd gehalte aan nikkel en een licht verhoogd gehalte aan kobalt.  In het grondwater is een verhoogd gehalte aan barium, koper, zink en naftaleen gemeten. Een nader onderzoek is noodzakelijk om de ernst en omvang van de matige verontreiniging met nikkel ter plaatse vast te stellen. Wasplaats  De ondergrond bevat een licht verhoogd gehalte aan nikkel en minerale olie.  In het grondwater is een sterke verontreiniging aan xylenen, een matige verontreiniging aan minerale olie en een lichte verontreiniging aan barium, benzeen, ethylbenzeen, naftaleen en som 1,2-dichloorethenen gemeten. Middels een nader onderzoek moet worden vastgesteld of er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Ondergrondse tanks met pompen  De grond bevat lichte tot sterke verontreinigingen met minerale olie en vluchtige aromaten. De grondverontreiniging is in verticale richting nog niet volledig afgeperkt.

 In het grondwater zijn matig tot sterk verhoogde gehalten aan vluchtige aromaten en minerale olie gemeten. De grondwaterverontreiniging is zowel in horizontale als in verticale richting afgeperkt tot beneden de streefwaarde. Geadviseerd is om in de ‘verontreinigingskern’ door middel van een mechanische boring de sterke verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten in verticale richting in kaart te brengen. Daarmee kan de omvang van de betreffende verontreiniging in beeld worden gebracht. Wasplaats  De bovengrond bevat geen verhoogd gehalte aan minerale olie.  In het grondwater is eveneens geen verhoogde gehalten aan minerale olie en vluchtige aromaten gemeten. De hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van verontreinigingen’ kan daarmee verworpen worden en nader onderzoek is hier niet noodzakelijk. Olie-opslag  De bovengrond bevat een licht verhoogd gehalte aan minerale olie.  Het grondwater is ter plaatse niet is onderzocht doordat de olieopslag boven de ‘verontreinigingskern’ van de ondergrondse tanks is gesitueerd. De hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van verontreinigingen’ dient formeel aangenomen te worden. Druppelzones  In de toplaag van de druppelzones van de overkappingen (noordzijde bedrijfsterrein) zijn verhoogde gehalten aan asbest aangetroffen.

De concentratie overschrijdt echter niet de restnormconcentratie uit het Besluit bodemkwaliteit.  Op het maaiveld ter plaatse zijn restanten golfplaat aangetroffen welke afkomstig zijn van de overkapping (mogelijk stormschade). In de bodem ter plaatse zijn geen restanten asbest waargenomen. Geadviseerd is om de restanten golfplaat zo spoedig mogelijk door een erkend asbestverwijderingsbedrijf te laten saneren om verdere verspreiding van het asbesthoudend materiaal te voorkomen.  In de toplaag van de druppelzone van de werkplaats (zuidzijde bedrijfsterrein) is geen asbest aangetoond.

(vastgesteld)

31

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord De hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’, dient aangenomen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. Conclusie Er is uitvoerig onderzoek verricht naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Gebleken is dat er voor het grootste gedeelte van het plangebied geen belemmeringen aan de orde zijn. Uitzondering hierop zijn delen van het bestaande bedrijfsterrein. Dit terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit, die uit het onderzoek volgt, niet zonder meer geschikt voor het voorgenomen gebruik. Door middel van een nader onderzoek in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen moeten de omvang en de ernst van de aangetroffen verontreinigingen in de grond en het grondwater nader in kaart worden gebracht. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. Tevens zal voor het perceel van de gemeente, waarop een wijzigingsbevoegdheid van toepassing zal zijn, een verkennend bodemonderzoek in het kader van de wijzigingsprocedure moeten worden uitgevoerd. Dit is als voorwaarde opgenomen in de wijzigingsbevoegdheid.

5.7

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10 -6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Beoordeling Het ruimtelijk plan voorziet in de realisatie van maximaal 140 woningen en een bijzonder woongebouw.

Het programma bestaat uit sociale woningbouw, appartementen, reguliere woningen, zorgwoningen en maatschappelijke, culturele en/of dienstverlenende functies. Met het plan worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt en neemt het aantal personen binnen het plangebied

32

(vastgesteld)

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord toe. In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (Bijlage 8) en door de Omgevingsdienst Regio Arnhem is het externe veiligheidsrisico in beeld gebracht. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In figuur 5.3 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.

Afbeelding 5.3: Uitsnede provinciale risicokaart (geraadpleegd 23 september 2024) met het plangebied in zwarte cirkel.

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op. Het plangebied ligt op ca. 190 meter van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen, op ca. 1.500 meter van de Betuweroute en op ca. 1.500 meter van de snelweg A15. Over deze transportroutes worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen in het invloedsgebied van spoorlijn ArnhemNijmegen, Betuweroute en de snelweg A15. Daarmee hebben wijzigingen in het invloedsgebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico van de risicobronnen. Echter is de afstand tussen het plan en de Betuweroute en snelweg dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico ten aanzien van deze risicobronnen alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Ten aanzien van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen is een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd (bijlage Bijlage 9). Uit de analyse is gebleken dat het groepsrisico door de ontwikkeling niet toeneemt en onder de oriëntatiewaarde blijft. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Arnhem – Nijmegen, de Betuweroute en de snelweg A15. De gemeente heeft bij het invullen

(vastgesteld)

33

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 18 september 2024 (kenmerk: Z2024-00004402). Onderstaand een beschouwing van deze aspecten. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol.

Het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan:  Gelet op de afstand tot de genoemde risicobronnen is het scenario toxische wolk en explosie het meest relevant. Het plan leidt tot een toename van het aantal aanwezigen. Met uitzondering van de bewoners van eventuele zorgwoningen ligt het in de verwachting dat aanwezigen zichzelf bij een (dreigend) incident in veiligheid kunnen brengen mits zij geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd zijn;  De VGGM adviseert toekomstige bewoners te infomeren over de aanwezige risico's in hun leefomgeving met bijbehorend handelingsperspectief en technische maatregelen zoals afschakelbare ventilatie om veilige schuilmogelijkheden te creëren.  Daarnaast wordt geadviseerd te letten op de ontvluchtbaarheid en mogelijkheden tot evacuatie van (een deel van) het gebied. Zorg te dragen voor een goede toegankelijkheid voor hulpdiensten en zorgwoningen op een afstand van meer dan 200 meter van de spoorlijn te situeren. Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan via de Taminiausingel te ontvluchten van de risicobron af. Daarnaast is het te verwachten handelingsperspectief voor een toxische wolk binnenshuis schuilen.

De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Conclusie Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de transportroutes met een externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van deze risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem – Nijmegen, de Betuweroute en snelweg A15. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

34

(vastgesteld)

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord

5.8

Explosieven

De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) ging er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er kans bestaat dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie.

Beoordeling en conclusie Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, uitvoeren van graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke onontplofte oorlogsmunitie (OO) van belang. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onbebouwd en in gebruik als agrarisch gebied, terwijl een deel in gebruik is als bedrijfslocatie en al bebouwd/verhard is. De gemeente heeft in 2020 een vooronderzoek (projectleiderssamenvatting) verricht om de mogelijke aanwezigheid van OO binnen het totale ontwikkelgebied van De Pas in beeld te brengen. De projectleiderssamenvatting is opgenomen in Bijlage 10. In de niet-naoorlogs geroerde bodem, wat een groot deel van het onderhavige plangebied betreft, zijn mogelijk de volgende (sub)soorten OO achtergebleven:  geschutmunitie, verschoten, diverse kalibers, met een maximaal kaliber van 155mm tot een diepte van 2,50 meter minus maaiveld (maaiveld Tweede Wereldoorlog), oftewel 5,80m+NAP;  klein-kalibermunitie, hand- en geweergranaten en munitie voor granaatwerpers, tot een diepte van maximaal 2,50m-MV, oftewel 5,80m+NAP. Op basis van deze bevindingen is het uitvoeren van een opsporingsproces geadviseerd. Initiatiefnemer heeft in 2022 een oriënterend explosievenonderzoek uitgevoerd, specifiek gericht op onderhavig plangebied (Bijlage 11).

Naar aanleiding van de conclusies uit dit onderzoek is (eveneens) te constateren dat het (historisch) bronnenmateriaal wijst op betrokkenheid van het onderzoeksgebied bij oorlogshandelingen. Ook zijn er in de directe omgeving van het gebied al explosieven geruimd. Het is daarom niet uit te sluiten dat er binnen het plangebied OO aanwezig zijn. Er is geen sprake van een onverdachte locatie. Deze lag tijdens de Tweede Wereldoorlog in frontgebied en zijn na de oorlog niet intensief gebruikt. Vervolgonderzoek is daarom noodzakelijk, voordat wordt gestart met de werkzaamheden. Dit zal in de vorm van een onderzoek door middel van detectie gebeuren. Voor de onderhavige bestemmingsplanprocedure zijn de risico's op het aantreffen van OO voldoende onderzocht. Het benodigde detectie-onderzoek vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

(vastgesteld)

35

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord

5.9

Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Beoordeling en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig, die in de geldende bestemmingsplannen een dubbelbestemming hebben gekregen of anderszins relevant zijn. Dit aspect levert geen belemmeringen op voor het plan.

5.10

Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang. Europees beleid Vanaf 2000 is ter verbetering van de chemische en ecologische waterkwaliteit van alle Europese wateren de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De kaderrichtlijn omvat regelgeving voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater. De streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015, maar eventueel kan, mits goed onderbouwd, uitstel worden verleend tot uiterlijk 2027 (derogatie). De plannen voor de (deel)stroomgebied zijn door de verschillende partijen, met uitzondering van het Rijk, in 2009 vastgesteld en bevatten doelen, ambities en maatregelen. Rijksbeleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is.

Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en de stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening had het NWP, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen er voor 2027 liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies. Waterschap Rivierenland Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft het waterschap wat men in de periode tot en met 2027 wil bereiken, met wie, hoe en waarom. Eén van de voornaamste en voor de ruimtelijke ordening relevante principes is dat water bepalend is voor de inrichting van een gebied. De ambitie en samenwerking worden door gebiedsgericht te werken vormgegeven. Overbetuwe maakt onderdeel uit van het deelgebied Betuwe.

Kerntaken van het waterschap zijn:  dagelijks beheer van water en dijken;  beschermen tegen overstromingen;  water eerlijk verdelen;  voorbereiden op extreem weer (klimaatadaptatie);

36

(vastgesteld)

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord  werken aan schoon water;  bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. Voor al deze taken zijn in het WBP ambities voor de lange termijn, concrete doelen voor de plantermijn, de strategie en maatregelen beschreven. Keur Waterschap Rivierenland 2014 Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen, waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd. Gemeente Overbetuwe Waterplan Overbetuwe In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast.

Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar. In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan heeft de gemeente een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) zijn uitgewerkt. Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:  wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;  waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;  grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;  beleving van water, burgers betrekken bij water;  afspraken en taken van waterschap en gemeente. Beoordeling (watertoets) Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een nieuw woongebied met maximaal 100 grondgebonden woningen met bijbehorende percelen, een bijzonder woongebouw en bijbehorende infrastructuur. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels onverhard, met uitzondering van de bestaande bedrijfslocatie. Ten gevolge van de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in het plangebied aanzienlijk toe.

De toename aan verhard oppervlak is als volgt berekend: Situatie

Verhard oppervlak

Huidig

7.600 m²

Toekomstig

20.394 m²

Toename

12.794 m²

Deze toename is ruimschoots groter dan de eenmalige compensatievrijstelling tot 500 m². Het wateraspect is daarom in een vroegtijdig stadium bij de planvorming betrokken en is een integraal onderdeel geweest bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan. Er is een watertoets opgesteld, die in Bijlage 12is opgenomen. In de watertoets is onderzoek gedaan naar de hoogteligging, bodemopbouw en bekende grondwaterstanden. Op basis hiervan zijn de belangrijkste keuzes ten aanzien van de waterhuishouding bepaald in de rapportage. Deze vormt de onderlegger voor het uiteindelijk op te

(vastgesteld)

37

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord stellen waterhuishoudkundig plan. Hierna worden de belangrijkste bevindingen en uitgangspunten beschreven. Watercompensatie Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. De toename van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. De toename van verharding dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. De vuistregel is dat er 664 m³ waterberging nodig is per hectare nieuw verhard oppervlak. De waterbergingsopgave die de toename van verhard oppervlak compenseert, bedraagt daarmee 850 m³ (12.794 m² x 0,0664 m). Van de totale bergingsopgave is 55 m³ afkomstig van het terrein van de gemeente (833 m² x 0,0664 m). In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van de realisatie van voldoende waterberging conform de genoemde vuistregel en conform het WRP van gemeente Overbetuwe. Op basis van de berekende waterbergingsopgave, is in de watertoets een hemelwaterplan opgesteld. De waterbergingsopgave wordt ingevuld door de aanleg van vier wadi's met een gezamenlijke inhoud van ca. 796 m³. De ligging hiervan is weergegeven op afbeelding 5.4. Bij het aanleggen van een wadi zijn door de kleiige bovengrond aanvullende maatregelen nodig. De zandige ondergrond is wel geschikt voor infiltratie.

Verder worden aan de noordkant van het plangebied, aan weerszijden van de toekomstige ontsluiting, greppels aangelegd. Deze hebben een totale inhoud van ca. 112 m³. De totale bergingscapaciteit binnen het plangebied komt daarmee uit op ca. 908 m³. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde waterbergingsopgave. De inhoud van de bestaande zaksloot is hierbij niet meegerekend.

38

(vastgesteld)

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord

Afbeelding 5.4: ligging wadi's/greppels en afvoerrichting oppervlaktewater (bron: Sweco) Afvalwater Een randvoorwaarde voor de planontwikkeling is om hemelwater en afvalwater gescheiden in te zamelen. De totale afvalwaterproductie vanwege het plan is berekend op 3,9 m³/uur. Het DWA-stelsel wordt aangesloten op de bestaande riolering ten zuiden van het plangebied. Bij het beoogde aansluitpunt voor het DWA-riool, op het gemengde stelsel in de Groenestraat ligt een PVCriool met diameter 400 millimeter. De definitieve uitwerking zal in afstemming tussen gemeente en initiatiefnemer plaatsvinden. Er zijn geen belemmeringen in de verwerking van het afvalwater te verwachten. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, met uitzondering van een watergang aan

(vastgesteld)

39

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord de westelijke rand van het plangebied. Dit betreft een sloot, die de perceelsafscherming tussen het huidige agrarische perceel en de aangrenzende groenstrook vormt. Deze watergang is in de legger van het waterschap Rivierenland aangemerkt als C-watergang. Deze heeft geen belemmeringenstrook. C-wateren zijn van tertiair belang voor het waterbeheer en hiervoor geldt geen jaarlijkse onderhoudsplicht. Er geldt geen beschermingszone voor deze watergang. De watergang betreft een zaksloot en staat niet in verbinding met nabij gelegen oppervlaktewater. Er zijn vooralsnog geen ingrepen aan de watergang voorzien. Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Grondwaterbeschermingsgebieden Grondwaterbeschermingsgebieden liggen op ruim 3 kilometer afstand. Daarmee zijn beperkingen of risico's uitgesloten. Conclusie Het aspect waterhuishouding is vroegtijdig bij de planontwikkeling betrokken. Er is een watertoets uitgevoerd, waarin tevens een hemelwaterplan is opgenomen. De watertoets is tijdig aan het waterschap voorgelegd. Hemelwater en afvalwater zullen gescheiden worden verwerkt. Voor de verwerking van beide waterstromen zijn geen belemmeringen te verwachten. In het plan wordt op verantwoorde wijze rekening gehouden met het waterhuishoudkundig belang.

5.11

Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dieren plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden.  Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.  De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

40

(vastgesteld)

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. de bescherming van overige soorten. Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Beoordeling Het plan betreft de ontwikkeling van een woongebied met bijbehorende infrastructuur en realisatie van groen. In de huidige situatie is er sprake van voornamelijk agrarische gronden en groen. Tevens wordt een deel van een bestaande bedrijfslocatie verwijderd, waarbij ook bebouwing wordt gesloopt. In het kader van de bestemmingsplan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de potentiële effecten van het plan op beschermde soorten en gebieden te onderzoeken. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 13. Hierna worden de resultaten en vervolgstappen besproken. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', op ca. 4 km afstand van het plangebied. Het wordt hiervan gescheiden door bebouwd gebied, agrarisch gebied en wegen.

Omdat het plangebied zich buiten de begrenzing van het Natura 2000 bevindt, gecombineerd met de relatief beperkte ingreep en afstand tot het plangebied, kan verstoring van het Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Vanwege de ontwikkelingen is van het plan wel stikstofuitstoot te verwachten die tot aan Natura 2000-gebied zou kunnen reiken. Echter, ook in de huidige situatie vindt al stikstofuitstoot uit het plangebied plaats, doordat een deel van de gronden in gebruik is als landbouwgrond en er een bedrijfslocatie aanwezig is. Omdat significant negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten zijn, is een Aerius-berekening uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 16. Uit het onderzoek blijkt dat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen deposities >0,00 mol/ha/j optreden op stikstofgevoelige habitats. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen daarom worden uitgesloten. Verder is in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig. Dergelijke gebieden liggen op ca. 1 kilometer afstand. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In de quickscan is onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten.

De aanwezigheid van beschermde soorten kan niet worden uitgesloten. Het gaat om de volgende beschermde soorten: vleermuizen, steenmarter en kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing). Ter plaatse van de huidige bedrijfslocatie zijn sporen van en/of geschikt functioneel leefgebied voor deze soorten aangetroffen. Omdat de aanwezigheid van deze soorten niet kan worden uitgesloten, is geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren om de aan- of afwezigheid vast te stellen van deze soorten. Het soortgerichte vervolgonderzoek naar vleermuizen, kleine marterachtigen en steenmarter is uitgevoerd in de juiste seizoenen in 2023. De rapportage van dit vervolgonderzoek is opgenomen in Bijlage 14. Uit het nader onderzoek blijkt het volgende:  Vleermuizen: verblijfplaatsen, essentiële vliegroute en essentieel foerageergebied binnen het projectgebied en binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden is niet aanwezig gebleken. Daarom is er geen sprake van een negatief effect op vleermuizen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming is voor de uitvoering van de werkzaamheden niet vereist.  Kleine marterachtigen: er zijn geen sporen van marterachtigen aangetroffen of waargenomen. Het is niet aannemelijk dat het projectgebied onderdeel is van het leefgebied is van kleine marterachtigen.

De voorgenomen ontwikkelingen hebben daarom geen negatief effect op kleine marterachtigen. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor kleine marterachtigen is niet nodig.

(vastgesteld)

41

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord 

Steenmarter: de steenmarter is tijdens de onderzoeksperiode waargenomen door de aanwezige wildcamera's. Het projectgebied is geschikt als foerageergebied en heeft geschikte schuilplaatsen en nestlocaties in de vorm van dichte (braam)struwelen een loods, stapels puin en hout. De voorgenomen ontwikkeling resulteert in verlies van circa 3700 m² groenstructuren aan leef-, foerageergebied met mogelijke rust- of verblijfplaatsen. Daarnaast zal een rust- of verblijfplaats verloren gaan die in de loods aanwezig is. Ook zijn mogelijk rust- of verblijfplaatsen aanwezig tussen de stapels puin en hout, die verloren gaan. Er is sprake van een negatief effect op de aanwezige steenmarter. Op basis van het vervolgonderzoek blijkt dat uitsluitend ten aanzien van de steenmarter sprake is van negatieve effecten. Hiervoor is een ontheffing op grond van de Wnb noodzakelijk. Hiertoe is in december 2023 een aanvraag bij het bevoegd gezag gedaan. In dit kader moet een projectplan worden opgesteld. De aanvraag is in behandeling bij het bevoegd gezag. Het verkrijgen van een ontheffing is op voorhand redelijkerwijs te verwachten. Het plan is in dit opzicht uitvoerbaar. Het plangebied is verder (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bosschages in het projectgebied als broedlocatie gebruiken.

Een nader onderzoek is niet noodzakelijk, onder voorwaarde dat er buiten het broedseizoen om wordt gewerkt. Of onder voorwaarde dat eventuele nesten in de bosschages tijdens het broedseizoen niet worden verstoord. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming. Mocht er binnen het broedseizoen werkzaamheden gepland staan dan moet het gebied maximaal drie dagen vóór aanvang van de werkzaamheden door een ecoloog worden vrijgegeven middels een broedvogelinspectie. Tijdens de werkzaamheden wordt aangeraden mitigerende maatregelen te treffen om het gebied broedvrij te houden. Deze nadere voorwaarden/restricties vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Houtopstanden Bij de ruimtelijke ontwikkeling worden bomen geveld. Bomen worden beschermd door enerzijds de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente en anderzijds de Wet natuurbescherming. Omdat het plangebied binnen de bebouwde kom ligt, is het onderdeel houtopstanden uit de Wnb niet van toepassing in dit geval. In de APV is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de gemeentelijke 'Lijst van monumentale en waardevolle bomen'.

Geen van de te kappen bomen staan op de lijst. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Met betrekking tot de onderdelen gebiedsbescherming en houtopstanden zijn negatieve effecten niet aan de orde. Voor de meeste soortgroepen zijn negatieve effecten eveneens uitgesloten, maar ten aanzien vleermuizen, steenmarter en kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) is nader onderzoek nodig gebleken. Ter plaatse van de huidige bedrijfslocatie zijn sporen van en/of geschikt functioneel leefgebied voor deze soorten aangetroffen. Dit vervolgonderzoek is uitgevoerd in 2023 binnen de voorgeschreven onderzoeksperiodes. Uit het soortgericht vervolgonderzoek blijkt dat uitsluitend ten aanzien van de steenmarter sprake is van negatieve effecten. Hiervoor is een ontheffing benodigd. Deze kan redelijkerwijs worden verleend. Er zijn geen belemmeringen in de uitvoerbaarheid van het plan te verwachten.

5.12

Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

42

(vastgesteld)

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces. Beoordeling en conclusie Archeologie Ter plaatse van het plangebied is volgens de archeologische beleidsadvieskaart geheel een hoge archeologische verwachtingswaarde aanwezig. In het huidige bestemmingsplan is de bestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Als er bodemingrepen dieper dan 0,30 meter en met een oppervlakte van minimaal 200 m² binnen deze gebieden plaatsvinden, moet volgens het gemeentelijk archeologisch beleid archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Gezien de aard en omvang van de beoogde werkzaamheden, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk voordat de graafwerkzaamheden kunnen worden gestart. In het kader van deze bestemmingsplanherziening is daarom een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een verkennend bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 15. Uit het onderzoek blijkt het volgende. Het plangebied ligt binnen het stroomgebied van de Baal beddinggordel. Afzettingen ouder dan circa 1.500 voor Christus (midden Bronstijd) zijn waarschijnlijk geërodeerd.

Het plangebied is een geschikte bewoningslocatie dankzij de hogere en drogere ligging ten opzichte van het omliggende komgebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit de IJzertijd tot en met de Middeleeuwen gevonden. Mogelijk liggen nabij het plangebied begravingen (crematies) uit de IJzertijd en Romeinse tijd. Uit de boringen blijkt dat de bodem in het plangebied bestaat uit een bouwvoor en omgewerkte of opgebrachte grond op oever- op beddingafzettingen. De bouwvoor bevat regelmatig oranjerode keramische spikkels en brokken. Vermoedelijk zijn dit baksteenresten die door agrarisch gebruik in de bodem zijn beland maar enkele brokjes zouden aardewerk kunnen zijn. In het noorden van het plangebied is een antropogene laag aanwezig met indicatoren uit de 20 e eeuw. Onder het bedrijventerrein is in één boring onverbrand bot en houtskoolbrokken aangetroffen. De geroerde toplaag is ongeveer 30 tot 60 cm dik en daaronder kunnen nog archeologische resten aanwezig zijn. De top van de ongeroerde oeverafzettingen ligt tussen 20 en 150 cm -mv (889 en 767 cm NAP) en zal waarschijnlijk worden geroerd bij de voorgenomen werkzaamheden. Op basis van deze resultaten wordt vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om eventuele archeologische resten op te sporen en te waarderen, noodzakelijk geacht.

De werkwijze van het onderzoek moet worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Vooralsnog wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' in het plangebied opgenomen ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische resten. Deze dubbelbestemming biedt een adequate waarborg totdat het nader onderzoek is uitgevoerd en de gemeente een selectiebesluit heeft genomen. Cultuurhistorie In het plangebied en de directe omgeving zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een cultuurhistorisch waardevol gebied. Er zijn geen monumenten in het plangebied aanwezig. Dit aspect vormt daarom geen belemmering voor het plan.

(vastgesteld)

43

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord

5.13

Verkeer en parkeren

De beoogde ontwikkeling heeft relevante gevolgen voor de verkeers- en parkeersituatie. Daarom is een onderzoek verkeer en parkeren uitgevoerd door Goudappel. De onderzoeksrapportage is opgenomen in Bijlage 17. Hierna wordt op beide aspecten ingegaan aan de hand van dit onderzoek. Parkeren De gemeente Overbetuwe heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de Nota Parkeernormen Overbetuwe 2016 (hierna ook: de Nota). Uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen is dat de parkeerbehoefte geheel op eigen terrein moet worden opgevangen. De Nota bevat parkeernormen voor verschillende categorieën van functies. Het plangebied wordt beschouwd als kern Elst, rest bebouwde kom. In de Nota zijn daarnaast berekeningsaantallen opgenomen. Deze bepalen in hoeverre een bepaalde voorziening (zoals garage met enkele oprit, garage met dubbele oprit) als parkeerplaats mag worden gerekend. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een woongebied met diverse typen woningen, zorgwoningen alsmede maatschappelijke voorzieningen, zorg, dienstverlening en/of cultuur in het bijzondere woongebouw. De exacte verkaveling en de aantallen woningen per type woning, evenals de exacte functionele invulling van het bijzondere woongebouw, zijn niet vastgelegd in het bestemmingsplan. De finale toetsing aan de Nota vindt plaats bij de omgevingsvergunningen voor het bouwen.

Op basis van de voorlopige, indicatieve verkaveling is wel inzichtelijk gemaakt op welke wijze aan de Nota kan worden voldaan. Hiertoe is een parkeerbalans opgesteld. Op basis van de Nota zijn de volgende voor het plan relevante parkeernormen van toepassing: Functie

Norm*

Vrijstaande woning, koop

2,6

Twee-onder-een-kapwoning, koop

2,5

Tussen-/hoekwoning, koop

2,3

Appartement, koop, duur/midden

2,3

Huurhuis, sociale huur

2,0

Maatschappelijke voorzieningen (gezondheidscentrum)

2,4 (per 100 m² bvo)

*incl. bezoekersaandeel In het plan is sprake van verschillende functies, waarvan de parkeerbehoefte op andere momenten in de week piekt. Voor het parkeren wordt uitgegaan van dubbelgebruik van de parkeerplaatsen door de verschillende doelgroepen. Zo kan één parkeerplaats door meerdere doelgroepen worden gebruikt. Door toepassing van aanwezigheidspercentages, wordt rekening gehouden met dit effect. In het parkeerbeleid van de gemeente Overbetuwe wordt voor aanwezigheidspercentages verwezen naar de kencijfers van het CROW.

44

(vastgesteld)

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord In het parkeeronderzoek is de parkeerbehoefte binnen de verschillende tijdvakken berekend op basis van het richtprogramma van de toekomstige ontwikkeling. Dit levert het volgende beeld op:

Parkeerbehoefte richtprogramma conform Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 De toekomstige parkeerbehoefte conform het gemeentelijk beleid bedraagt maximaal 259 parkeerplaatsen. Overdimensionering van parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen is niet wenselijk, evenals het realiseren van te weinig parkeerplaatsen. Daarom is in het parkeeronderzoek onderzocht of de gehanteerde parkeernormen voor deze ontwikkeling naar huidige inzichten (nog) passend zijn. De parkeernormen uit de gemeentelijke parkeernota zijn, vergeleken met het autobezit in Elst, aan de hoge kant. Voor bewoners worden op basis van het onderzoek de volgende maatwerknormen gehanteerd:  Koop, 2 onder 1 kap: 1,7 parkeerplaats per woning;  Koop, tussen/hoek: 1,5 parkeerplaats per woning;  Koop, etage, duur/midden: 1,1 parkeerplaats per woning;  Huurhuis, sociale huur: 1,0 parkeerplaats per woning. Toepassing van deze reëel bevonden parkeernormen, inclusief bezoekersparkeren en met toepassing van de mogelijkheden voor dubbelgebruik, levert de volgende parkeerbehoefte op:

Parkeerbehoefte conform voorgestelde maatwerk parkeernormen richtprogramma planontwikkeling Op basis van de gemotiveerd te hanteren parkeernormen bedraagt de parkeeropgave voor het richtprogramma van de beoogde ontwikkeling 175 parkeerplaatsen. De maatwerk parkeerbehoefte van de ontwikkeling ligt hiermee 84 parkeerplaatsen lager ten opzichte van de algemene gemeentelijke parkeernormen uit het parkeerbeleid 2016. Gezien de locatieanalyse in het parkeeronderzoek en de ligging van de ontwikkeling ten opzichte van het openbaar vervoer en het centrum van Elst (op fietsafstand), is het aannemelijk dat lagere parkeerkencijfers gehanteerd kunnen worden op basis van het daadwerkelijke autobezit. De ligging nabij alternatieve modaliteiten zoals fiets en OV, en de toenemende stedelijkheid vanwege de ontwikkeling van De Pas Zuid, zal waarschijnlijk nieuwe bewoners aantrekken met een lager dan gemiddeld autobezit en -gebruik. Deze factoren maken het toepassen van maatwerk reëel en acceptabel. In het voorlopig stedenbouwkundig plan is voldoende ruimte opgenomen om deze 175 parkeerplaatsen te realiseren binnen het plangebied. De parkeeropgave zal deels op eigen terrein van de toekomstige woonpercelen en deels op collectieve parkeervoorzieningen worden opgevangen binnen acceptabele loopafstand.

(vastgesteld)

45

bestemmingsplan Elst, De Pas Noord Geconcludeerd wordt dat het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied, op acceptabele loopafstand van de woningen en voorzieningen in het plangebied. Er wordt geen parkeerdruk afgewenteld op de omgeving. Verkeer De verkeersgeneratie van het plan is berekend met toepassing van de kencijfers van het CROW. Hierbij is uitgegaan van de gemiddelde kencijfers, omdat dit het best overeenkomt met het autobezit in Elst, dat in de rapportage in Bijlage 17 is onderzocht. Hierbij zijn de volgende kencijfers gehanteerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=77efc6ee-19d6-48d2-b68b-a73cd6e4be8f