24-04-16.12 Relevant stuk 1a, Op Zuid in Zetten - Fase 2_Toelichting
Tekst van het document
In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.
Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.
4.5.2
Onderzoek
4.5.2.1
Quickscan Ecologisch Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling en ter beoordeling van eventuele negatieve effecten voor de natuur heeft Lycens B.V. in maart 2022 een Quickscan Ecologisch Onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen bij de toelichting als Bijlage 4 Quickscan Ecologisch Onderzoek. Het plangebied is onderzocht op (potentiële) aanwezigheid van beschermende planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied.
21
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied. Omdat de voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer hebben en geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied, hoeft er niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Met uitzondering van het aspect stikstof, kan een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Het aspect stikstof is nader toegelicht in hoofdstuk 4.6 Stikstof. Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rusten/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en voortplantingsplaats en nestelen er vogels.
De steenuil Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. In een eerder onderzoek, uitgevoerd door Bureau Waardenburg in 2017, is tevens vastgesteld dat de steenuil in de directe omgeving van het plangebied voorkomt. Dit onderzoek is mede uitgevoerd in het kader van het eerste deel van Zetten Zuid. Voor de overige nestelende vogelsoorten in het plangebied, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet (opzettelijk) gedood worden. Om te voorkomen grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden.
Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een Gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende diersoorten, niet aangetast. Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden Voor de te rooien (reeds afgezette) bomen is de bomenverordening van de desbetreffende gemeente van kracht. Er dient te worden nagegaan of een (omgevings-)vergunning aangevraagd moet worden voor het rooien van de desbetreffende bomen.
4.5.2.2
Nader Soortenonderzoek
Op basis van de Quickscan Ecologisch Onderzoek is geconcludeerd dat het plangebied mogelijk deel uitmaakt van het (essentiële) functionele leefgebied van de steenuil en er gericht onderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5 Nader onderzoek steenuil. Het (essentiële) functionele leefgebied van de steenuil is beschermd en mag alleen negatief beïnvloed worden indien een ontheffing van de Wet natuurbescherming is verkregen. Om volledig inzicht te krijgen in de betekenis van het plangebied voor de steenuil is besloten gericht onderzoek te verrichten conform Kennisdocument Steenuil 2017. In de maanden februari en maart van 2023 is de functie van het onderzoeksgebied onderzocht voor de steenuil. Het onderzoek is uitgevoerd conform 'Kennisdocument Steenuil' en is volledig onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat het onderzoeksgebied geen onderdeel van het functioneel leefgebied uitmaakt. Zo zijn er gedurende drie rondes geen waarnemingen van de steenuil in het onderzoeksgebied gedaan. Tevens zijn nestplaatsen van de steenuil uitgesloten wegens het ontbreken van geschikte locaties in bomen en nestkasten. Voorgenomen activiteiten leiden dan ook niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming.
4.5.3
Conclusie
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
22
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
4.6
Stikstof
4.6.1
Algemeen
Ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen dient onderbouwt te worden of er sprake is van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden door de mogelijke toename aan stikstofdepositie afkomstig uit het plangebied. Als gevolg van de herontwikkeling van het plangebied ten behoeve van woningbouw neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het onderzoeksgebied, tijdens de gebruiksfase en de realisatiefase (tijdelijk) toe, ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied kan een negatief effect van stikstof op een Natura 2000-gebied op voorhand niet worden uitgesloten.
4.6.2
Onderzoek
In het kader van de beoogde ontwikkeling is derhalve door Lycens B.V. een stikstofdepositieberekening van de beoogde gebruiksfase en realisatiefase uitgevoerd, deze is opgenomen in Bijlage 6 Stikstofonderzoek irt N2000. In de berekening is uitgegaan van een worstcasescenario. Het ligt in de lijn der verwachting dat de daadwerkelijke uitstoot, met name in de realisatiefase, in werkelijkheid lager zal liggen. Dit zal mede bepaald worden door het type woningen dat gebouwd gaat worden en de efficiëntie van de betrokken partijen. Als gevolg van de wetgeving omtrent stikstofemissies is het met de gehanteerde cijfers niet mogelijk om het plan te realiseren in 1 jaar. De initiatiefnemer heeft zich daarom bereid verklaard om de realisatie van het plan meerjarig te verspreiden. Voor de berekening zijn de onderstaande richtcijfers gehanteerd, hierbij is uitgegaan van de volgende verdeling van de werkzaamheden: Fase 1 2024: Realisatie 60% planvoornemen Fase 2 2025: Realisatie 20% planvoornemen Fase 3 2026: Realisatie 20% planvoornemen Gebruiksfase In de gebruiksfase kan er stikstofemissie optreden afkomstig van bebouwing of wegverkeer. De woningen worden gasloos gebouwd, dit betekent dat er alleen stikstofemissie kan optreden als gevolg van een toegenomen verkeersintensiteit.
Uit de rekenresultaten blijkt dat in de 'beoogde situatie, gebruiksfase' geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend. Dat betekent dat het onderhavige plan in de permanente gebruiksfase geen significant negatieve invloed uitoefent op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Realisatiefase In de realisatiefase kan stikstofemissie optreden als gevolg van het gebruik van materieel met dieselverbruik en de verkeersaantrekkende werking om de realisatie mogelijk te maken. Uit de rekenresultaten blijkt dat in de 'beoogde situatie, realisatiefase fase 1' rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend, namelijk 0,01 mol/ha/j. Hoewel er een toename is van stikstofdepositie, leidt de toename niet tot significant negatieve gevolgen op Natura 2000-gebied, omdat het gaat om een beperkte toename van 0,01 mol/ha/j voor een tijdelijke periode van maximaal 1 jaar. Deze conclusie komt overeen met de uitspraak van de Raad van State: AbRS van 26 oktober 2022, ECLI:NLRVS:2022:3093. Uit de rekenresultaten blijkt dat in de 'beoogde situatie, realisatiefase fase 2' en 'beoogde situatie, realisatiefase fase 3' geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op omliggende Natura 2000-gebieden zijn berekend.
Dat betekent dat het onderhavige plan in de tijdelijke realisatiefase geen significant negatieve invloed uitoefent op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van de realisatiefase zijn geen nadere stappen noodzakelijk. Concluderend kan gesteld worden dat het planvoornemen geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
4.6.3
Conclusie
Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
23
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
4.7
Akoestiek
4.7.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken.
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai bedraagt 48 dB. Daarnaast geldt, op basis van het Bouwbesluit, een maximaal toelaatbaar binnenniveau van 33 dB. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.
Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.
4.7.2
Onderzoek
Wegverkeerslawaai Ten behoeve van voorliggend plan is een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting door wegverkeer, de bijbehorende rapportage is opgenomen als Bijlage 7 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Uit dit onderzoek volgt dat de geluidbelasting op de grens van het bouwplan maximaal 57 dB bedraagt, na aftrek van 5 dB op grond van art. 110g van de Wet
24
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
geluidhinder. De geluidbelasting is daarmee hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de verdere ontwikkeling van het planvoornemen wordt een hogere waarde procedure doorlopen waarbij een hogere waarde van 57 dB wordt vastgesteld voor deze woningen. Hierbij geldt de voorwaarde dat de benodigde gevelisolatie gelijk moet zijn aan het verschil tussen de werkelijke geluidbelasting en het niveau van 33 dB. De hogere waarde procedure loopt parallel aan het bestemmingsplan. Spoorweglawaai Ten zuiden van het plangebied zijn twee spoorwegen gesitueerd. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten geluidbelasting vanwege het spoorweglawaai op het plan, de bijbehorende rapportage is opgenomen als Bijlage 8 Akoestisch onderzoek spoorweglawaai. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van de spoorlijn Dordrecht - Elst alsmede de Betuwelijn en ondervindt een geluidbelasting door spoorweglawaai. De geluidbelasting op het plan bedraagt maximaal 53 dB, en is dus lager dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Derhalve wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd industrieterrein gesitueerd. Een akoestisch onderzoek industrielawaai is niet noodzakelijk.
4.7.3
Conclusie
Het plan voldoet aan de voorwaarden voor het vaststellen van een hogere waarde wegens wegverkeerslawaai. Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Algemeen
In de Wet milieubeheer (Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (fracties PM10 en PM2,5). Aan de andere stoffen die in de Wm worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan. Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat: Het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijven van de inde wet genoemde grenswaarden, of; De luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbeter of tenminste gelijk blijft, of een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; Het bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.
Niet in betekende mate (NIBM) bijdragen In de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn: Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 nieuwe woningen en twee ontsluitingswegen; Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg; Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen. Besluit gevoelige bestemmingen Dit Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. In het besluit zijn onderzoekszones ingesteld waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. De zone wordt gemeten vanaf de rand van de weg. Om rijkswegen ligt een onderzoekszone van 300 meter aan beide zijden van de weg en bij
25
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
provinciale wegen binnen 50 meter aan beide zijden van de weg. Het totaal aantal mensen dat behoort bij een gevoelige bestemming mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Bij uitbreiding van bestaande gevoelige bestemmingen mag het totale aantal blootgestelden eenmalig maximaal 10% toenemen. Is de dreigende normoverschrijding niet aan de orde, dan is er geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszones.
4.8.2
Onderzoek
Niet in betekende mate (NIBM) bijdragen Voorliggend bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 80 nieuwe woningen mogelijk. Daarmee valt het plan ruimschoots onder de norm en draagt het plan NIBM bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Het is niet nodig dit met de NIBM-tool te berekenen. Besluit gevoelige bestemmingen In dit plan worden geen gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt.
4.8.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.9
Bedrijven en milieuzonering
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie "Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.
Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
26
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
5.1 5.2 5.3 6
500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
300 m 500 m 700 m 1.000 m
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.
4.9.1
Onderzoek
Gemengd gebied Het planvoornemen maakt de functie 'Wonen' mogelijk. Ten noorden van het plangebied is voornamelijk de functie 'wonen' aanwezig (zie Figuur 4.1). Deze omgeving wordt gecategoriseerd als 'rustige woonwijk'. Ten westen en zuiden van het plangebied bevinden zich verscheidende functies; bedrijf, bedrijventerrein, dienstverlening, kantoor en wonen. Een gebied kan aangemerkt worden als een gemengd gebied als direct naast woningen andere functies voorkomen zoals kleine bedrijven en sportvelden (ABRvS 1 december 2010, 201008212/1/R1 en 201008213/2/R1, LJN BO6591), als de woning(en) gelegen zijn aan de rand van een woonwijk, omgeven door (spoor)wegen en nabij een instelling voor voortgezet onderwijs (ABRvS 4 augustus 2010, 200908729/1/R2, LJN BN3151), of als ter plaatse naast woningen ook kleine bedrijven voorkomen (ABRvS 21 juni 2010, 201003018/1/R1 en 201003018/2/R1, LJN BM9627). Ook de menging van woningen, een bedrijfsverzamelgebouw, een belastingkantoor, een vestiging van het CWI en een bedrijf leidt tot een gemengd gebied (ABRvS 24 november 2004, 200404442/1, LJN AR6301). Gelet op het bovenstaande wordt gesteld dat voor het plangebied moet worden uitgegaan van 'gemengd gebied'. Ten noorden van het plangebied is sprake van een rustige woonwijk, echter liggen het plangebied en de beoogde woningen in een transitiegebied naar bedrijvigheid.
In deze overgangszone zijn verschillende vormen van bedrijvigheid gevestigd met uiteindelijk het spoor en de A15 als barrière naar het bedrijventerrein van Andelst. In de overgangszone zijn milieuhinderlijke en gevoelige functies in gemengde samenstelling gesitueerd. Gesteld wordt dat in voorliggende beoordeling van het aspect bedrijven en milieuzonering moet worden uitgegaan van 'gemengd gebied' en daarmee functiemenging. De richtafstanden van de VNG-publicatie kunnen met één stap worden verkleind.
Figuur 4.1: Bestemmingsplan-technische situatie omgeving
27
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
Het planvoornemen betreft een milieuhindergevoelige functie. Er moet daarom worden beoordeeld of ter plaatse van het plangebied sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende activiteiten in de bedrijfsvoering worden belemmerd. Ook moet worden beoordeeld of deze bedrijven in hun uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt. Nabij het plangebied zijn milieubelastende activiteiten gelegen. Hieronder worden de relevante omliggende milieubelastende activiteiten, met betrekking tot het aspect 'bedrijven en milieuzonering', toegelicht. Loonwerkbedrijf - Stationsstraat 66 Ten westen van het plangebied is een loonwerkbedrijf gesitueerd. Conform het vigerende bestemmingsplan betreft het ter plaatse gevestigde bedrijf een 'agrarisch hulpbedrijf', ofwel loonwerkbedrijf. Omdat het bedrijf een bebouwd oppervlak groter dan 500 m2 heeft, geldt voor het bedrijf een milieucategorie van 3.1. De grootst te hanteren afstand is 50 meter vanwege het aspect geluid. Dit geluid is voornamelijk afkomstig van het opstarten van bedrijfsmachines en -voertuigen, en activiteiten die in de loods plaatsvinden. Omdat sprake is van een gemengd gebied wordt de te hanteren richtafstand met één stap verkleind naar 30 meter. Bovengenoemde geluid-producerende activiteiten vinden met name plaats op het achterste gedeelte van het perceel en in de loods.
Voor de beoordeling van de milieucontour is dit gedeelte, inclusief het bouwvlak van het betreffende bedrijf, als uitgangspunt genomen. Uit onderstaande figuur volgt dat deze milieucontour niet over het plangebied ligt. De ter plaatse uitgeoefende activiteiten leiden niet tot de aantasting van het woon- en leefklimaat in het plangebied. Tevens wordt de bedrijfsvoering niet belemmerd en worden de uitbreidingsmogelijkheden van het loonwerkbedrijf in de bestaande situatie reeds beperkt door de aangrenzende woonpercelen. Het planvoornemen beperkt het betreffende bedrijf dan ook niet.
Figuur 4.2: Milieucontour loonwerkbedrijf
Autohandel - Stationsstraat 68 De bedrijfsactiviteiten van het betreffende bedrijf en de hierbij behorende milieucontour vormen geen belemmering voor het planvoornemen (zie Figuur 4.3). Het bedrijf wordt door voorliggend plan niet in de uitbreidingsmogelijkheden beperkt. Dit bedrijf vergt geen nadere beschouwing.
28
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
Figuur 4.3: Milieucontour autohandel
Autowasserij - Stationsstraat 70 Het ter plaatse gevestigde bedrijf betreft een autowasserij. Voor een dergelijk bedrijf geldt conform de VNG-publicatie een richtafstand van 30 meter vanwege het aspect geluid. Omdat sprake is van een gemengd gebied wordt de te hanteren richtafstand met één stap verkleind naar 10 meter. Het geluid wordt voornamelijk veroorzaakt door de was- en schoonmaakactiviteiten welke in het bedrijfsgebouw en op het perceel plaatsvinden. Ten oosten van het bedrijfsgebouw is een bedrijfswoning gevestigd, hier vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats. Omdat de bedrijfsactiviteiten over het gehele bedrijfsperceel plaatsvinden, met uitzondering van de grond rondom de bedrijfswoning, is de milieucontour vanaf de bestemmingsgrens geplot. Uit figuur 4.4 volgt dat de milieucontour van de autowasserij niet over het plangebied ligt. De bedrijfsactiviteiten van het betreffende bedrijf en de hierbij behorende milieucontour vormen geen belemmering voor het planvoornemen. De ter plaatse uitgeoefende activiteiten leiden niet tot de aantasting van het woon- en leefklimaat in het plangebied. Ook wordt het bedrijf niet in de uitbreidingsmogelijkheden beperkt. Dit bedrijf vergt geen nadere beschouwing.
29
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
Figuur 4.4: Milieucontour autowasserij
Bestrijdingsmiddelen - agrarische percelen oostzijde Ten oosten van het plangebied ligt de enkelbestemming 'Agrarisch'. Hier is op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Zetten - Hemmen' onder andere (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt toegestaan. Bij dergelijk gebruik is de toepassing van bestrijdingsmiddelen mogelijk. Met betrekking tot milieuhinder moet in dat geval een spuitzonering (hindercontour) van 50 meter worden aangehouden. De agrarische gronden liggen op een afstand van circa 20 meter tot de plangrens. Echter, is in artikel 4.3 van de bestemming 'Agrarisch' bepaald dat de uitoefening van (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt niet is toegestaan op een afstand van minder dan 50 m van bestemmingsvlakken ten behoeve van voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies. Dit zijn alle functies behoudens de agrarische bedrijvigheid, dus ook woningen. Aangrenzend op de agrarische bestemming is in de bestaande situatie reeds sprake van de bestemming Wonen en dus gevoelig gebruik (figuur 4.1). Op basis van het vigerende artikel 4.3 is in een zone van 50 meter rondom deze bestemmingsvlakken derhalve de toepassing van bestrijdingsmiddelen in de bestaande situatie reeds niet toegestaan. In figuur 4.5 is deze zone inzichtelijk gemaakt, hieruit volgt dat toepassing van bestrijdingsmiddelen op een afstand van 50 meter of minder in de bestaande situatie niet is toegestaan.
Dit betekent dat spuitzoneringen van agrarische gronden geen belemmering vormen. Het planvoornemen resulteert niet in de beperking van de bedrijfsvoering van de agrariër. De ter plaatse uitgeoefende activiteiten leiden niet tot de aantasting van het woon- en leefklimaat in het plangebied.
30
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
Figuur 4.5: 50 meter contour rondom bestaande woonbestemmingen oostzijde De te realiseren woningen betreffen geen milieubelastende activiteit. Er hoeft derhalve niet te worden getoetst of omliggende milieugevoelige functies hinder ondervinden van het onderhavige plan. Dit onderdeel van het aspect 'bedrijven en milieuzonering' behoeft daardoor geen nadere beschouwing.
4.9.2
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.10
Geur
4.10.1
Algemeen
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader s als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand voor veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel. binnen bebouwde kom buiten bebouwde kom concentratiegebieden 3,0 (in ou/m3) 14,0 (in ou/m3 3 niet concentratiegebieden 2,0 (in ou/m ) 8,0 (in ou/m3)
31
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
Geurnormen Wet geurhinder en veehouderij Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de wet een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom is deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar gelden ook deze minimumafstanden. Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom.
4.10.2
Onderzoek
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gevestigd met een geurcontour die raakt aan het woongebied. Ten aanzien van de aanwezige bedrijven gelden de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Op basis van deze systematiek wordt ook rekening gehouden met geurhinder. Zoals aangetoond in paragraaf 4.9 wordt aan de richtafstanden voldaan. Zodoende is sprake van een goed 'woon- en leefklimaat'.
4.10.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.11
Externe veiligheid
4.11.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de
32
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
buisleidingen.
4.11.2
Onderzoek
Met onderhavig plan wordt de plancapaciteit gerealiseerd voor de realisatie van maximaal 80 woningen, dit betreft een kwetsbare functie. Daarom moet het aspect externe veiligheid nader worden beschouwd. In de basis mogen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in principe niet binnen de risicocontour van bestaande risicobronnen liggen. Veelvoorkomende risicobronnen zijn risicovolle inrichtingen, transportassen voor gevaarlijke stoffen en luchthavens. Bij de realisatie van kwetsbare objecten nabij risicovolle inrichtingen zijn de volgende vragen relevant: Is ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling sprake van een aanvaardbaar woon– en leefklimaat? Wordt niemand onevenredig in zijn belangen geschaad? In de nabijheid van het plangebied zijn verschillende potentiële risicobronnen gesitueerd zoals weergegeven op de risicokaart. De risicokaart is hieronder te zien, het plangebied is met een blauwe cirkel aangeduid. Ten noorden van het plangebied is een buisleiding gesitueerd. Aan de zuidzijde worden er gevaarlijke stoffen getransporteerd via verschillende transportroutes, namelijk een snelweg, binnenvaart en een spoorweg.
Figuur 4.6: Uitsnede risicokaart Voor een analyse omtrent relevant beleid en potentiële relevante risicobronnen is een 'Notitie externe veiligheid' opgesteld. De notitie is opgenomen in Bijlage 9 Notitie externe veiligheid. De conclusies zijn hieronder beknopt toegelicht. Vervoer over water Op circa 3,6 kilometer van het plangebied bevindt zich de Waal. Deze is opgenomen in het basisnet. Uit beoordeling volgt dat voor het relevante segment geen plaatsgebonden risicocontour en plasbrandaandachtsgebied geldt. Het plangebied is gesitueerd buiten het invloedsgebied. Als gevolg van de ontwikkeling neemt het groepsrisico dan ook niet toe. De binnenvaartroute ten zuidwesten van het plangebied vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vervoer over wegen Ten aanzien van veiligheidsrisico's in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen zijn uitsluitend de transportassen van belang waar structureel vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan, in beginsel zijn dit Aen N-wegen. De dichtstbijzijnde transportas over weg betreft de A15, op circa 840 meter ten zuiden van het plangebied. Betreffend wegvak kent een PR-contour en plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Het plangebied is hierbuiten gelegen. Ook ligt het plangebied buiten de 200 meter contour van de dichtstbijzijnde transportas over weg.
Derhalve hoeft er geen berekening plaats te vinden van het groepsrisico. De stofcategorie met het grootste invloedsgebied die over de A15 getransporteerd wordt is LT2 (toxische vloeistof). Het invloedsgebied van deze stofcategorie bedraagt 880 meter. Een beperkte verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is daarom aan de orde.
33
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
Vervoer over spoorwegen Ten aanzien van de veiligheidsrisico's in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor zijn uitsluitend de spoorwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. De dichtstbijzijnde transportas over spoor betreft de Betuweroute tussen Arnhem en Tiel, deze is op circa 750 meter ten zuiden van het plangebied gesitueerd. Betreffende spoorweg kent een plasbrandaandachtsgebied (PAG) en PR-contour van 30 meter. Hier ligt het plangebied buiten. De stofcategorieën met de grootste invloedsgebieden welke getransporteerd worden over de Betuweroute zijn B3 (zeer toxische gassen) en D4 (toxische vloeistof). Deze stofcategorieën kennen een invloedsgebied >4.000 meter. Het plangebied is op meer dan 200 meter maar binnen het invloedsgebied van de spoorweg gelegen. Derhalve hoeft er geen berekening plaats te vinden van het groepsrisico. Wel dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. Buisleidingen Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten dient tevens rekening te worden gehouden met het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen waarvoor bepaalde aan te houden risicoafstanden gelden. Deze afstanden zijn onder andere afhankelijk van de aard van de stof, de druk waaronder deze wordt getransporteerd, de diepteligging en de diameter en wanddikte van de buisleiding.
Ten aanzien van de externe veiligheid gaat het vooral om de risico's in het geval er iets fout gaat met een hogedruk aardgastransportleiding. Bepaald dient te worden of eventueel aanwezige buisleidingen consequenties kunnen hebben voor de planlocatie. Ten behoeve van de berekening van het groepsrisico zijn de 100%- en 1%-letaliteitsafstanden van belang. Deze afstanden zijn afhankelijk van de uitwendige diameter en de werkdruk van de buisleiding. De afstand tot de dichtstbijzijnde buisleiding bedraagt ruim 1.400 meter. Op basis hiervan dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. Inrichtingen Naast het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportroutes en door buisleidingen, dient bij de realisatie van een ruimtelijk plan ook rekening te worden gehouden met de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen bij inrichtingen waarvoor aan te houden risicoafstanden gelden. Bepaald dient te worden of eventueel aanwezige risicovolle inrichtingen belemmeringen kunnen vormen voor de planrealisatie. De dichtstbijzijnde gesitueerde risicobron betreft een opslagtank voor gas van Baas Veehouderij B.V. op ruim 760 meter te westen van het plangebied. Voor de bron geldt een plaatsgebonden risicocontour van 6 meter. De beoogde ontwikkeling vindt op geruime afstand van deze bron plaats en er is derhalve geen sprake van een risico.
Een punt van aandacht is dat in de nabijheid van het plangebied bovengrondse hoogspanningslijnen zijn gelegen die gevaar met zich mee kunnen brengen. Direct ten noorden van het plangebied ligt de bovengrondse hoogspanningslijn NijmegenDodewaard met een spanning van 150 kV en circa 400 meter ten zuiden ligt de lijn Dodewaard-Doetinchem Langerak met een spanning van 380 kV. Om te voorkomen dat in de nabijheid van de hoogspanningslijn gevoelige functies worden geraliseerd, bevat voorliggend bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'. Deze dubbelbestemming bevat een belemmerende strook aan weerszijden van de hoogspanningslijn waarbinnen enkel bouwwerken ten behoeve van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd. Op basis van advies van de Veiligheids- en Gezondsheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) volgt dat wat betreft de situering van de woningen rekening moet worden gehouden met een richtafstand van tenminste 50 meter tot de hartlijn en buiten de 0,4 microTesla zone om te voldoen aan de criteria van voorzorg. De situering van de bouwvlakken in het plangebied voldoet hieraan. Beperkte verantwoording groepsrisico Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied groepsrisico van een drietal risicobronnen. Conform de vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden.
Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9, vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en de snelweg A15 en de aanwezigheid van aardgastransportleidingen. Doordat het plan op meer dan 200 meter van de risicobronnen ligt hoeft enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) het volgende geadviseerd: Bestrijdbaarheid De bestrijding van het scenario toxische wolk richt zich met name op het reduceren van de schadelijke effecten door deze neer te slaan en/of verdunnen van de toxische wolk in de nabijheid van de bron en het stoppen van de uitstroom. Door een scheur die als gevolg van bijvoorbeeld een aanrijding in een tankwagen (wegvervoer) of ketelwagon (spoorvervoer) is ontstaan kan een toxische stof uitstromen die zich in dampvorm met de wind mee verspreidt. Dit biedt geen garantie dat een toxische wolk niet tot over het plangebied reikt. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL Alert.
Het handelingsperspectief bij een toxische wolk is binnenhuis schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren (incl.
34
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
ventilatieopeningen) en het uitschakelen van de ventilatie- c.q. luchtbehandelingsinstallatie. Het plan leidt tot een toename van het aantal personen in het gebied. Het ligt in de verwachting dat zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen mits zij geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd zijn. Aangezien het plan goed te ontvluchten is van de risicobron af en er een handelingsperspectief gegeven wordt via NL Alert worden de mogelijkheden voor zelfredzaamheid voldoende geacht. Calamiteitenroute In de beoogde situatie wordt het plangebied voorzien van één hoofdontsluitingsweg, het verkeer wordt aan de westzijde van het plangebied afgewikkeld op de Stationsstraat. De noordelijke fiets-/wandelroute in het plangebied dient in de beoogde situatie als calamiteitenroute.
4.11.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.12
Verkeer en parkeren
4.12.1
Verkeer
Het verkeer afkomstig uit de nieuwbouwwijk in het zuiden van Zetten, welke mogelijk wordt gemaakt door voorliggend plan, zal worden ontsloten op de Stationsstraat. Voor het planvoornemen is door BonoTraffics een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 10 Verkeerskundige onderbouwing. De conclusies van dit onderzoek staan hieronder beknopt beschreven. De verkeerstoename van het plan is berekend op basis van kencijfers. De kencijfers met betrekking tot de verkeersgeneratie zijn opgenomen in de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). De kencijfers zijn afhankelijk van de stedelijkheidsgraad en de stedelijke zone waarin de ontwikkeling is gelegen. Hiervoor zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Stedelijkheidsgraad: matig stedelijk Stedelijke zone: rest bebouwde kom De verkeergeneratie voor woningen wordt bepaald op basis van het type woning en of het koop of huur is. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is het woningbouwprogramma aangehouden zoals weergegeven in Figuur 4.7. Uit het onderzoek volgt dat de toename van de verkeersgeneratie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling op een gemiddelde weekdag 550 motorvoertuigbewegingen bedraagt, en op een gemiddelde werkdag 610 verkeersbewegingen.
De toename als gevolg van de woningbouwontwikkeling, in combinatie met het huidige verkeersaanbod op de Stationsstraat, leidt niet tot problemen. De doorstroming op het kruispunt met de Stationsstraat waar het betreffende verkeer van en naar het plangebied wordt afgewikkeld komt niet in het geding. Conclusie Verkeer Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.12.2
Parkeren
In samenwerking met de gemeente is besloten om de parkeerbehoefte van het plan te berekenen. De parkeerkundige onderbouwing voor dit plan is opgesteld door Goudappel, dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 11 Parkeerkundige onderbouwing. De conclusies van dit onderzoek staan hieronder beschreven. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is het onderstaande woningbouwprogramma aangehouden:
Figuur 4.7: Woningbouwprogramma parkeerkundige onderbouwing
35
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
Gemeentelijke parkeernormen De gemeente heeft op basis van de "Nota parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016" haar parkeernormen vastgelegd. In de Nota is opgenomen dat Zetten beschikt over een subregionale verzorgingsfunctie. Hierbij past de verstedelijkingsgraad ‘matig stedelijk’. Voor het bepalen van de parkeernorm is ook de stedelijke zone ter hoogte van het plangebied van belang. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘centrum’, ‘schil/overloopgebied’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘buitengebied’. Het plangebied valt binnen de categorie overige kernen in de 'rest bebouwde kom'. Dit leidt vervolgens tot de volgende parkeernormen:
Figuur 4.8: Parkeernormen gemeente Volgens gemeentelijk beleid genereert het plan een ongewogen parkeerbehoefte van 151 parkeerplaatsen. In dit geval is geen rekening gehouden met het dubbelgebruik van parkeerplaatsen met behulp van aanwezigheidspercentages. Wanneer dit wel het uitgangspunt is, is het maatgevende moment 134 parkeerplaatsen op de werkdagavond. Het plan dient dus, uitgaande van het gemeentelijk beleid, te voorzien in 134 parkeerplaatsen. Op basis van de vergelijking van het feitelijk en praktische gebruik van de parkeerplaatsen op eigen terrein kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een tekort van 14,2 parkeerplaatsen, hetgeen meegenomen is in de parkeerbalans. Parkeerbehoefte conform maatwerk Op basis van het daadwerkelijke autobezit in Zetten is er per woningtypologie data over het parkeergedrag. De maatwerknormen zijn gebaseerd op basis van data omtrent het parkeergedrag van bezoekers van woningen en een onderzoek naar daadwerkelijk autobezit van personen in de gemeente Overbetuwe.
Figuur 4.9: Parkeernormen maatwerk Op basis van de maatwerkberekening blijkt het plan na aftrek van de parkeerplaatsen op eigen terrein te beschikken over een ongewogen parkeerbehoefte van 114 parkeerplaatsen. Uitgaande van het dubbelgebruik van de openbare parkeercapaciteit moeten daadwerkelijk 101 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het maatgevende moment is hieronder zichtbaar (zie arcering in Figuur 4.10).
Figuur 4.10: Parkeerbalans volgens maatwerkbenadering Deze reductie op de parkeernormen resulteert in een mindering van het tekort van parkeerplaatsen op eigen terrein. Uit de parkeerbalans blijkt het plan op de maatgevende werkdagavond te beschikken over een maatwerk parkeerbehoefte van 101 parkeerplaatsen. Het plan dient naast de parkeerplaatsen op eigen terrein van 20 woningen minimaal te voorzien in 101 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen. Het plan geeft voldoende mogelijkheden om 101 parkeerplaatsen te realiseren. Gezien de trend in het autobezit in de gemeente Overbetuwe, en het feit dat het plan gunstig ligt ten opzichte van het treinstation Zetten-Andelst en het centrum van Zetten, beschikken de toekomstige bewoners van Zetten op Zuid waarschijnlijk over een lager autobezit dan geschetst wordt in de gemeentelijke parkeernormennota. Vanaf het plan liggen Tiel, Arnhem en Nijmegen namelijk op minder dan 30 minuten reisafstand per trein. Utrecht centraal is binnen 1 uur te bereiken.
36
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
Daarnaast liggen functies voor dagelijkse activiteiten, zoals boodschappen, onderwijs en sport, ook allemaal binnen fiets- en zelfs loopafstand. Het hanteren van een maatwerkparkeernorm is gezien deze feiten dan ook een realistische mogelijkheid. Conclusie parkeren Conform de maatwerkoplossing voorziet het plan in de parkeerbehoefte.
4.12.3
Conclusie
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
4.13
Kabels en leidingen
4.13.1
Algemeen
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
4.13.2
Onderzoek
Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen Ter noorden van het plangebied ligt een bovengrondse hoogspanningslijn Nijmegen- Dodewaard met een spanning van 150 kV en ter zuiden ligt er de lijn Dodewaard-Doetinchem Langerak met een spanning van 380 kV. In onderhavig plan wordt rekening gehouden met de 'zakelijk rechtstrook' als voorzorgsmaatregel. Rioolleidingen Het aspect rioolleidingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen . Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.
4.13.3
Conclusie
In en nabij het plangebied van dit bestemmingsplan zijn enkele planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. De afstand tot deze leidingen/ en of verbindingen is dermate groot dat deze geen probleem vormen voor het planvoornemen. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
37
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
4.14
MER-toets
4.14.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.
4.14.2
Onderzoek
4.14.2.1 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage.
Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project, zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. In de Bijlage 12 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt een uitgebreide toelichting gegeven op de m.e.r.-beoordeling.
38
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
4.14.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig; een formele m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk. Wel is de verplichte vormvrije m.e.r.-beoordeling doorlopen. Op basis hiervan zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
39
bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische plantoelichting
Juridische aspecten
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.