CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

24-04-16.12 Relevant stuk 1a, Op Zuid in Zetten - Fase 2_Toelichting

Gemeenteraadsvergadering 16 april 2024, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Op Zuid in Zetten fase 219.022 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Identificatienummer: NL.IMRO.1734.ZTTNzuidfase2-VSG1

Bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Identificatienummer: NL.IMRO.1734.ZTTNzuidfase2-VSG1

Lycens B.V.

Deventerstraat 10

7575EM Oldenzaal

Schrevenweg 6

8024HA Zwolle

0541-570730

info@lycens.nl

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Inleiding Aanleiding Ligging en begrenzing van het plangebied Vigerend bestemmingsplan De bij het plan behorende stukken Leeswijzer

3 3 3 5 6 6

Hoofdstuk 2 2.1 2.2

Beschrijving van het plan Huidige situatie Beoogde situatie

7 7 7

Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4

Beleid Rijksbeleid en regelgeving Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

10 10 12 13 14

Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14

Milieu- en omgevingsaspecten Algemeen Bodem Water Erfgoed Flora en fauna Stikstof Akoestiek Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Geur Externe veiligheid Verkeer en parkeren Kabels en leidingen MER-toets

16 16 16 17 19 21 23 24 25 26 31 32 35 37 38

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische plantoelichting Juridische aspecten

40 40

Hoofdstuk 6 6.1

Economische uitvoerbaarheid Financiële uitvoerbaarheid

43 43

Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voortraject Inspraak en overleg Zienswijzen

44 44 44 44

2

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op het nieuwe woongebied gelegen ten zuiden van de woonkern Zetten in de gemeente Overbetuwe. Het nieuwe woongebied ligt tussen de Wageningsestraat en de Stationsstraat. Dit initiatief maakt onderdeel uit van een tweeledig plan om woningen te realiseren in het zuiden van Zetten. De eerste fase is reeds gerealiseerd, het bijbehorende bestemmingsplan is vastgesteld op 02-10-2018. Het initiatief komt mede voort uit de wens van de gemeente, hierbij wil de gemeente de zuidzijde van het dorp transformeren tot woongebied. Het onderhavige voornemen bestaat uit het realiseren van plancapaciteit voor het realiseren van maximaal 80 grondgebonden woningen. De woningen zullen voorzien in een variërend aanbod waarmee wordt ingespeeld op de toenemende vraag naar woningen in de gemeente Overbetuwe. Onder een variërend aanbod vallen onder andere vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen en rijwoningen. Het plangebied bestaat momenteel uit grasland en heeft grotendeels een agrarische bestemming. Binnen de huidige bestemmingen is de beoogde woningbouw niet toegestaan, voor realisatie van het planvoornemen is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. De realisatie van de woningen wordt juridisch-planologisch mogelijk gemaakt door middel van het onderhavige bestemmingsplan.

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied ligt ten zuiden van de woonkern van Zetten en staat kadastraal bekend als gemeente Valburg, sectie F, nummers 2444 en gedeeltelijk 2461 en 2755. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt 39.345 m2. In Figuur 1.1 is de globale ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving weergegeven, Figuur 1.2 geeft de begrenzing van het plangebied weer. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van het bestemmingsplan.

3

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Figuur 1.1: Ligging plangebied ten opzichte van omgeving

4

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Figuur 1.2: Begrenzing van het plangebied

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het vigerende bestemmingsplan "Zetten - Hemmen". Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 24 oktober 2017. Voor het plangebied gelden de enkelbestemmingen 'Agrarisch' en 'Buitenruimte'. In Figuur 1.3 is een uitsnede van de vigerende planologische situatie opgenomen. Het noordelijke deel van het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan "Zetten-Zuid". Dit plan is vastgesteld op 2 oktober 2018. De gronden zijn hier bestemd als 'Groen' en 'Water'. De gronden met de bestemming 'Agrarisch' mogen voor agrarische doeleinden (bedrijfsmatig of hobbymatig) worden gebruikt. De gronden met de bestemming 'Buitenruimte' zijn bedoeld voor de functies Verkeer en Verblijf en Water. Hieronder vallen onder andere functies zoals wegen, groen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter plaatse van het plangebied gelden ook de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. De met deze bestemming aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van te verwachten waardevolle archeologische informatie in de bodem. Het noordelijke deel van het plangebied is bestemd met de dubbelbestemming 'Leiding'.

De met deze bestemming aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, bestemd voor de hoogspanningsverbinding en leidingen. Ten noorden van het plangebied ligt een hoogspanningsverbinding, om deze verbinding ligt een zone bestemd met restricties voor planologische mogelijkheden in verband met veiligheidsrisico's. Het gebied onder de dubbelbestemming 'Leiding' heeft tevens de functieaanduiding 'waterberging'. Deze gronden zijn bestemd voor het bergen van water. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 80 grondgebonden woningen mogelijk, de beoogde ontwikkeling is binnen de vigerende bestemmingen niet mogelijk. Het merendeel van het plangebied mag in de huidige situatie enkel worden gebruikt voor agrarische doeleinden. Voorliggend plan zal een deel van de bestemmingsplannen "Zetten-Hemmen" en "Zetten-Zuid" herbestemmen om het planvoornemen, het realiseren van woningen, mogelijk te maken.

Figuur 1.3: Uitsnede vigerende planologische situatie

5

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

1.4

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Op Zuid in Zetten - Fase 2" bestaat uit de volgende stukken: toelichting; bijlagen bij de toelichting; verbeelding, schaal 1:1.000 (tek.no. NL.IMRO.1734.0374ZTTNopzuidf2-VSG1); regels; bijlagen bij de regels.

De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan.

1.5

Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe). Na dit inleidende hoofdstuk volgt Hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. In Hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde milieu- en omgevingsaspecten zoals geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie en water wordt in dit hoofdstuk beschreven dat de ontwikkeling die voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de plansystematiek en de opzet van de regels. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de economische uitvoerbaarheid van het plan en Hoofdstuk 7 geeft inzicht in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

6

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van het plan

Huidige situatie

Ligging en omgeving Het plangebied ligt ingesloten tussen twee wegen, de ontsluitingswegen Wageningsestraat en de Stationsstraat. Beide wegen vormen een belangrijke schakel in de verkeersontsluiting rondom Zetten. De Wageningsestraat vormt een verbinding naar de nabije woonkernen als Randwijk, Heteren en Wageningen en de A15. De Stationsstraat vormt een rechtstreekse verbinding naar de voorzieningen in het centrum van Zetten. Ten zuiden van het plangebied liggen tevens de spoorlijnverbindingen Dordrecht - Elst en de Betuwelijn. Het plangebied is op dit moment voornamelijk bestemd voor agrarische doeleinden, dit is in overeenstemming met het gebruik als agrarisch grasland. Er is geen bebouwing aanwezig. Ten oosten en zuiden van het plangebied zijn enkele solitaire bedrijven gesitueerd. Tevens ligt ten zuidwesten van het plangebied het bedrijventerrein Andelst-Zetten. Ten noorden van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Rondom deze hoogspanningslijn ligt een beschermingszone waar strikte voorwaarden gelden voor het realiseren van gebouwen of bouwwerken.

Figuur 2.1: Luchtfoto bestaande situatie plangebied

2.2

Beoogde situatie

Ten behoeve van het planvoornemen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie Bijlage 2 Beeldkwaliteitsplan). Dit document vormt een concrete richtlijn/toetsingskader voor de opdrachtgever, de gemeente en de ontwerpers van de bouw- en inrichtingsplannen. In de onderstaande figuur, afkomstig uit het stedenbouwkundig plan, is het stedenbouwkundig ontwerp weergegeven.

7

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Figuur 2.2: Beoogde situatie plangebied Het woonprogramma Het beoogde programma omvat de realisatie van maximaal 80 grondgebonden woningen verdeeld over verschillende segmenten. Het programma bevat een variatie van: Vrijstaande woningen; Twee-onder-één kap woningen; Beneden-bovenwoningen (BeBo); Rijwoningen (koop); Tenminste 30% van het programma wordt bestemd voor sociale huurwoningen. Stedenbouwkundige indeling Het stedenbouwkundig plan voorziet in een verdeling van grove en fijne korrel qua bebouwing. Zo zijn de vrijstaande en

8

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

twee-onder-één-kapwoningen aan de randen van het plan gesitueerd. De rijwoningen liggen in langere blokken meer in het centrum van het plangebied. Hiermee blijft er binnen de woonblokken ruimte voor parkeergelegenheden. Met de beoogde stedenbouwkundige indeling is er ook voldoende ruimte voor groenstroken en variërend groen in de vorm van bomen en struiken. Hiermee wordt een kwalitatief hoogwaardige openbare ruimte gecreëerd met een balans tussen stedelijkheid en groen. Voor elke woonbestemming in het plangebied geldt een maatvoering met een maximum goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 12 meter. Het plangebied biedt verschillende ontsluitingsmogelijkheden. Het autoverkeer wordt met een verkeersontsluiting rechtstreeks op de Stationsstraat ontsloten. Naast deze hoofdontsluiting worden er voet- en fietspaden over de begrenzende waterwegen aangelegd. De watergangen blijven intact. Ten noorden van het plangebied is een zone bestemd in verband met de nabijgelegen hoogspanningslijn. In deze zone zullen geen bouwwerken worden geplaatst, wel wordt er ruimte bestemd voor groen met voorzieningen zoals paden en dergelijke, ook blijft er een ruimte bestaan voor de functie waterberging. Het plangebied biedt voldoende parkeergelegenheid voor de beoogde wooncapaciteit.

Daarnaast vormt de toenemende verkeersintensiteit als gevolg van het planvoornemen geen probleem voor de nabije omgeving of het plan zelf. Dit wordt nader toegelicht in 4.12 Verkeer en parkeren. Water Voor het planvoornemen is een waterhuishoudkundig plan opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 3. Hiervoor zijn de relevante beleidskaders in beeld gebracht. Daarnaast zijn de planspecifieke uitgangspunten, waarop het ontwerp wordt gebaseerd, afgestemd met de gemeente en het waterschap. Na het opstellen van het waterhuishoudkundig plan is het stedenbouwkundig ontwerp aangepast, de berekende toename aan verharding is lager dan in eerste instantie is berekend. Dit heeft echter geen directe gevolgen voor de conclusies en aanbevelingen in het waterhuishoudkundig plan. Het grondgebied binnen zowel fase 1 als fase 2 van Zetten Zuid geeft voldoende mogelijkheden voor waterberging. De oppervlaktewaterberging heeft bij de toegestane peilstijging van 30 cm een bergingscapaciteit van 1.643 m3. Dit is voldoende voor de totale wateropgave van maximaal 1.630 m3.. Deze waterbergingsopgave is een cumulatie van zowel fase 1 en fase 2. De vuilwaterafvoer wordt aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel van fase 1. Dit zal in een volgende fase verder worden onderzocht en definitief bepaald in overleg met de gemeente.

Een uitgebreidere beschrijving van het aspect water is opgenomen in hoofdstuk 4.3 Water.

9

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1

Rijksbeleid en regelgeving

3.1.1

Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.

In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In dit geval is er sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan. Onderhavig plan is niet in strijd met het Barro.

10

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

3.1.3

Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.

Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt vanaf twaalf woningen dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is Met het planvoornemen wordt de realisatie van maximaal 80 woningen mogelijk gemaakt. Dit is meer dan 11 woningen, gelet op het voorgaande is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving van de behoefte aan de woningen die mogelijk worden gemaakt bevatten. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het ruimtelijk verzorgingsgebied kan worden beperkt tot de gemeente Overbetuwe.

Beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? In januari 2022 heeft de gemeente Overbetuwe de nieuwe Woonagenda 2025 vastgesteld. Een van de belangrijkste punten is de achterblijvende woningvoorraad op basis van de vraag. In de gemeente Overbetuwe bedraagt de woningbehoefte tot aan 2030 ongeveer 2.500 woningen, conform het meest recente regionaal behoefteonderzoek van Companen. Hieruit blijkt dus dat er een kwantitatieve behoefte bestaat aan de toevoeging van nieuwe woningen. Verder wordt benadrukt dat de sociale huur steeds meer is bestemd voor een strikte doelgroep met lage inkomens en dat deze doelgroep naar verwachting ook toeneemt in de komende jaren. In de gemeente blijft daardoor een vraag bestaan naar sociale huurwoningen, tot 2030 moeten er 800 sociale huurwoningen bij komen. Met onderhavig plan wordt tenminste 30% van de woningen bestemd voor sociale huur. Daarnaast is er in de gemeente Overbetuwe ook behoefte aan betaalbare koop- en vrije sector koopwoningen, het planvoornemen voorziet hier ook in. Hiermee wordt naast de kwantitatieve behoefte tevens ingespeeld op de kwalitatieve behoefte binnen de gemeente. Het plan is door de gemeente ook benoemd tot prioritair project.

Dat betekent dat een afweging langs de lokale beleidsdoelen, zoals woningbehoefte en duurzaamheid, heeft plaatsgevonden en dat de gemeente het plan voorrang geeft in de organisatie om zo op korte termijn tot realisatie te komen. Gesteld wordt dat onderhavig plan voorziet in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte in het verzorgingsgebied. Ligt de stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied dan wordt voldaan aan de Ladder. In de bestaande situatie is het plangebied bestemd voor en in gebruik als agrarisch grasland. Ter plaatse van het plangebied bestaan geen mogelijkheden tot het oprichten van bebouwing. Er is daarmee geen sprake van bestaand stedelijk gebied. Als de woningbouwontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro gemotiveerd worden waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De directe omgeving van het plangebied is wel sterk verstedelijkt, ten noorden, zuiden en westen van het plangebied is sprake van stedelijk gebied. Ten oosten van het plangebied is sprake van agrarisch gebruik. Voor het realiseren van maximaal 80 woningen in het bestaande stedelijke gebied van Zetten is niet voldoende ruimte beschikbaar.

Het plangebied is daarom aangewezen als geschikte locatie voor woningbouwontwikkeling. Het plangebied sluit direct aan op bestaand stedelijk gebied, hiermee wordt aangesloten bij de Ladder. Een nieuw beslag op de

11

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

onbebouwde ruimte wordt zo veel mogelijk beperkt. Geconstateerd wordt dat het plangebied geschikt is voor de beoogde functie 'Wonen'. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor het onderhavig planvoornemen.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gelderland

Het provinciale beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De visie is vastgesteld door Provinciale Staten op 19 december 2018. Het treedt in werking op 1 maart 2019. In de omgevingsvisie wordt beschreven wat de provincie wil en moet veranderen en ontwikkelen om het Gelderland van nu door te kunnen geven aan de volgende generaties. De provincie zet daarom een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Met ‘Gezond en veilig’ wordt een gezonde leefomgeving met schone en frisse lucht, een schoon milieu, voldoende schoon en veilig (drink)water en de bescherming van flora en fauna bedoeld. Daarnaast wordt ermee bedoeld dat de provincie is voorbereid op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. ‘Schoon en welvarend’ betekend dat de provincie een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat kent, dat goed bereikbaar is en een goed functionerende arbeidsmarkt heeft met daarbij behorende goede kennis- en onderwijsinstellingen. Het betekent ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen en het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Aan deze ambitie worden met behulp van de volgende zeven onderwerpen nader richting gegeven: Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer.

Circulaire economie; sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Economisch vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Met deze ladder wordt een transparante besluitvorming en een zorgvuldige ruimtelijke afweging nagestreefd. Het gaat om het tijdig afwegen van kansen en mogelijkheden om bestaande gebouwen te benutten bij overwegingen van nieuwe bebouwing. Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In elk bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dienen gemeenten volgens de rijksladder aan de hand van drie stappen die locatiekeuze te motiveren. Deze rijksladder is van provinciaal belang.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Aangezien in subparagraaf 3.1.3 is aangetoond dat voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking en de beoogde woningtoevoeging regionaal is afgestemd, is het plan passend binnen de omgevingsvisie. De omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de voorliggende ontwikkeling. De omgevingsvisie vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen.

3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, wordt de focus bij het uitvoeren van de taken op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland gelegd. In de verordening zijn alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen. In artikel 2.2 is opgenomen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. In de toelichting wordt hierbij aangegeven dat voornoemde betrekking heeft op alle nieuwe woningen die in een ruimtelijk plan worden opgenomen; dus ook woningen die ontstaan door woningsplitsing of woningen die in het kader van functieverandering van kantoren, scholen, zorggebouwen,

12

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

nieuwe (zorg-)landgoederen, vrijkomende agrarische bebouwing en dergelijke worden gerealiseerd. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Aangezien het toevoegen van een capaciteit voor 80 woningen passend is binnen het gemeentelijke woningagenda, is de voorgenomen ontwikkeling niet strijdig met de Omgevingsverordening Gelderland. Dit is nader toegelicht in paragraaf 3.4.2. Het plangebied is gelegen in een Glastuinbouwgebied. In de huidige situatie is hervesting, nieuwvesting van glastuinbouw en uitbreiding bestaand glastuingebied niet toegestaan. Daarnaast is het plangebied in een intrekgebied gelegen. In deze gebieden mag het bestemmingsplan de winning van fossiele energie niet mogelijk maken. Uit de kaart behorend bij de Verordening is op te maken dat het gebied ligt in een gebied waar een boringsvrije zone en een koude-warmteopslag vrije zones gelden en het plangebied ligt binnen een intrekgebied. In artikel 3.3.4 van de Verordening is opgenomen welke verboden gelden in de boringsvrije zone en aan welke voorwaarden een omgevingsvergunning verbonden is. In artikel 3.3.5 is dit bepaald voor de koude-warmteopslag vrije zones. In artikel 2.6.3.1 is bepaald dat in een bestemmingsplan intrekgebieden geen bestemming krijgen die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt.

In artikel 3.3.6.1 is bepaald dat het verboden is in een intrekgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten ten behoeve van de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas. Hier voorziet dit bestemmingsplan niet in. Voor het onderhavige plangebied zijn geen andere specifieke doelstellingen geformuleerd in de omgevingsverordening.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Woonagenda subregio Arnhem

In de subregio Arnhem e.o. werken de gemeenten Arnhem, Lingewaard, Overbetuwe, Rheden, Renkum en Rozendaal op een praktische manier samen aan het thema wonen. Dat wordt gedaan op basis van vraagstukken die lokaal spelen en vraagstukken die bovenlokaal belangrijk zijn. Maar uiteraard wordt dit ook gedaan met het oog op afspraken met de provincie over afstemming van woningbouwplannen. Samen wordt er gezocht naar meerwaarde op bovengemeentelijk niveau en informeren en inspireren de gemeenten elkaar op thema’s die ertoe doen. Er is veel beweging in de regio omtrent de woningmarkt. Vanuit regionale samenwerking zijn onder andere opgesteld: In 2018 is een regionale Woonagenda opgesteld. Focus in die agenda lag op: betaalbaar, passend en goed, duurzaamheid en wonen-zorg, en 'verschil maken'; Op regionaal niveau is een woningmarktonderzoek uitgevoerd en een monitor gemaakt. Hiermee is gecreëerd richting voor de toekomst én een achteruitkijkspiegel om de juiste keuzes te maken; De provincie Gelderland heeft een Actieplan Wonen opgesteld. Met betrekking tot de subregionale agenda's blijft dit een belangrijk document; De Groene Metropoolregio en de Woondeal Arnhem-Nijmegen vormen tevens belangrijke kaders.

In de subregio blijven de prijzen op de koopmarkt stijgen en het woningtekort blijft groot. Om hierop in te spelen heeft de regio de volgende opgaven opgesteld:

Figuur 3.1: Opgaven woonagenda subregio Arnhem

13

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Met onderhavig plan wordt er voornamelijk een bijdrage geleverd aan de thema's 'Sneller', 'Betaalbaar' en 'Toekomstbestendige voorraad'. Met het planvoornemen wordt een capaciteit voor 80 woningen gerealiseerd, hiermee kan een significante bijdrage worden geleverd aan de kwantitatieve opgave. Daarnaast bestaan de te realiseren woningen voor tenminste 30% uit sociale huur. Hiermee wordt ook een bijdrage geleverd aan het segment betaalbaarheid. De nieuwe woningen worden gasloos gebouwd en in het plan wordt ruimte bestemd voor groenstroken. Het planvoornemen is daarmee groen van karakter, zo wordt een bijdrage geleverd aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Gesteld wordt dat het planvoornemen in lijn is met de Woonagenda.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Overbetuwe

Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden. De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid. In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven: 1. Vitaal buitengebied in beweging; 2. Innovatieruimte voor ondernemerschap; 3.

Samen werken aan energietransitie; 4. Gevarieerde dorpse woonomgeving; 5. Netwerk verbonden met samenleving; 6. Voorzieningen geclusterd.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Binnen de omgevingsvisie wordt benoemd dat er behoefte is aan nieuwe woningen, hier sluit het planvoornemen op aan. Aansluitend op opgave 1 wordt met onderhavig plan de ruimte effectief benut zonder dat dit ten koste gaat van landschappelijk buitengebied. Het plangebied is weliswaar op dit moment als agrarisch bestemd, de aangrenzende gronden worden voornamelijk gebruikt voor stedelijke functies. Daarmee leent het plangebied zich voor stedelijke uitbreiding zonder dat dit ten koste gaat van de bestaande landschappelijke indeling in het buitengebied. Met het planvoornemen wordt ook in bepaalde mate aangesloten op opgave 6. De woningen zijn verbonden met een ontsluiting op de Stationsstraat. Via deze straat is het woningplan direct verbonden met de kern van Zetten en al haar voorzieningen. Hier wordt dus rekening gehouden met een bepaalde toegankelijkheid tot de voorzieningen. Concluderend wordt gesteld dat het planvoornemen in lijn ligt met de Omgevingsvisie.

3.4.2

Woonagenda Overbetuwe 2025

De woningmarkt is in de afgelopen jaren sterk veranderd. De vraag naar woningen is groot maar het aanbod blijft achter. Dit leidt tot stijgende woningprijzen en meer woningzoekenden die moeite hebben een plek te vinden in de gemeente Overbetuwe. Dit heeft de gemeente de vorige woonagenda te actualiseren. De nieuwe woonagenda laat zien hoe dit soort opgaven aangepakt gaan worden. Hierbij wordt voortgeborduurd op de goede zaken uit de vorige woonagenda. Voor de woonagenda Overbetuwe 2025 zijn vier uitgangspunten opgesteld: 1. We sturen op de voorraadstrategie door de markt uit te dagen in plaats van alleen voor te schrijven. 2. We leggen een nadrukkelijke focus op de bestaande woningvoorraad. 3. Nadruk op betaalbaar, met extra aandacht voor (bijzondere) doelgroepen. 4. We hebben aandacht voor combinaties van wonen en zorg.

14

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Vanuit het wettelijk kader (Wet ruimtelijke ordening, Omgevingswet, Woningwet en Huisvestingswet 2014) heeft de gemeente verantwoordelijkheid voor lokaal volkshuisvestingsbeleid. Tegelijkertijd is de uitvoering van dit beleid in grote mate de verantwoordelijkheid van woningcorporaties, projectontwikkelaars, makelaars, beleggers, financiële instellingen en zorgpartijen. De gemeente Overbetuwe werkt vanuit allianties met partners aan goed wonen in de gemeente. Voor het realiseren van de ambities stelt de gemeente zich afhankelijk op ten opzichte van de inzet van haar partners. Op basis van de gestelde uitgangspunten en de geschetste rolverdeling wil de gemeente werken aan voornamelijk 4 hoofdthema's. Voorraadstrategie: nieuwbouw en bestaand Verduurzaming en koppelkansen Bijzondere doelgroepen en woonvormen Wonen en zorg Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Met onderhavig plan wordt een capaciteit gerealiseerd voor maximaal 80 woningen. Hiermee wordt ingespeeld op het woningtekort in de gemeente Overbetuwe. Gelet op de thema's draagt onderhavig plan vooral bij aan het thema Voorraadstrategie. Binnen dit thema wordt de geformuleerde woningbehoefte tot 2030 concreet geschat op 2.000 woningen. De woningproductie blijft achter bij deze behoefte. Naast een kwantitatieve behoefte aan wonen is er ook een concrete behoefte betaalbaar wonen.

Ook in deze behoefte voorziet onderhavig bestemmingsplan met de realisatie van tenminste 30% sociale huurwoningen. Het plan draagt bij aan de opgaven zoals die verwoord staan in de Woonagenda Overbetuwe 2025.

3.4.3

Parkeerbeleid

In de Nota parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 zijn de parkeernormen geactualiseerd op basis van de nieuwe CROW parkeer kencijfers. Primair wordt de Nota parkeernormen gebruikt bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Secundair wordt de Nota parkeernormen gebruikt als onderlegger voor herziening van een bestaand dan wel vaststelling van een nieuw bestemmingsplan, waarmee een nieuwe ontwikkeling planologisch mogelijk wordt gemaakt. In de 'Nota parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016' zijn de landelijke richtlijnen vertaald naar de situatie in Overbetuwe. Het uitgangspunt hierbij is dat voor een nieuwe ontwikkeling het aantal parkeerplaatsen vastgesteld wordt welke op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Voor onderhavig plan is een maatwerk oplossing voor het parkeren opgesteld. Deze oplossing is afgestemd met de gemeente Overbetuwe. Het planvoornemen is niet in strijd met het parkeerbeleid van de gemeente Overbetuwe. Het aspect parkeren is nader toegelicht in hoofdstuk 4.12.2 Parkeren.

15

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf.

4.2.2

Onderzoek

Voor onderhavig planvoornemen, welke de realisatie van woningen mogelijk maakt, is door Lycens B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen bij de toelichting als Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek. Het doel van dit onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in de grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande herziening van het bestemmingsplan. De belangrijkste resultaten worden hierna beschreven. Resultaten grond Zintuiglijk zijn in de bovengrond lichte sporen van baksteen en kolen aangetroffen. In de ondergrond is enkel plaatselijk een lichte bijmenging van kolen aangetroffen. Analytisch zijn in de bovengrond hooguit licht verhoogde gehalten aan zware metalen en OCB (bestrijdingsmiddelen) gemeten. Daarnaast is plaatselijk minerale olie in de ondergrond boven de achtergrondwaarde gemeten. De resultaten zijn vergelijkbaar met de resultaten van eerder uitgevoerde onderzoeken. De gemeten gehalten overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande herziening van het bestemmingsplan. Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) vormen de gehalten eveneens geen belemmering.

Resultaten grondwater Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater licht verhoogde concentraties aan barium en plaatselijk een licht verhoogde concentratie aan zink bevat. Aangezien met betrekking tot de verhoogde concentraties geen antropogene bron bekend is, zijn barium en zink vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. De gemeten concentraties overschrijden de streefwaarden in geringe mate en vormen geen belemmering voor de geplande herziening van het bestemmingsplan. Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) vormen de concentraties eveneens geen belemmering. Resultaten onderzoek De gestelde hypothese dat de locatie als 'verdacht' beschouwd kan worden ten aanzien van bestrijdingsmiddelen is op basis van de licht verhoogde gehalten juist gebleken. De gestelde hypothese dat de locatie ten aanzien van overige chemische parameters als 'onverdacht' beschouwd kan worden is op basis van de licht verhoogde gehalten in grond en de licht verhoogde concentraties in grondwater onjuist gebleken. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bovendien vormen de gemeten gehalten (grond) en concentraties (grondwater) geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt gesteld dat de bodemkwaliteit past bij de beoogde functie wonen.

16

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

4.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3

Water

4.3.1

Algemeen

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Water programma 2022 - 2027, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken Verbinden Vergroenen' en de Keur voor waterkeringen en wateren; Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023 - 2027. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland Voor de periode 2022-2027 is het waterbeheerprogramma "Versterken Verbinden Vergroenen" van kracht. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten.

Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.

De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk

17

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen. Als indicatie voor het ruimtebeslag van de benodigde berging in het plan kan volgens het waterschap worden aanhouden dat circa 15% van de toename van de verharding (m2) terug dient te komen als wateroppervlak (m2).

4.3.2

Onderzoek

In maart 2022 is door Aveco de Bondt B.V. een watertoets uitgevoerd voor onderhavig planvoornemen. Hieruit is voortgekomen dat de normale procedure gevolgd moet worden. Dit betekent dat er nader overleg moet plaatsvinden met Waterschap Rivierenland. Naast de uitgevoerde watertoets is een rapportage opgesteld van relevante wateraspecten. De rapportage is opgenomen in Bijlage 3 Waterhuishoudkundig plan. Sinds de publicatie van het waterhuishoudkundige plan zijn enkele kleinschalige inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd in het plan. Deze wijzigingen zijn niet zodanig dat de in het eerder stadium getrokken conclusies en gedane aanbevelingen niet meer relevant zijn. De relevante onderwerpen staan hieronder toegelicht: Aspecten water en plangebied Het plangebied bevindt zich wel in een intrekgebied en boringvrije zone; Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied; Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen EHS; Het plangebied heeft geen natuurfunctie; Het plangebied ligt niet nabij KRW wateren. Tussen de Provincie, drinkwaterbedrijf Vitens en Aveco de Bondt heeft een overleg plaatsgevonden over de boringsvrije zone. Uit dit overleg is de volgende informatie naar voren gekomen: 1. Het is verboden in boringvrije zones buiten inrichtingen: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; b.

werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht in de afsluitende kleilagen die de beschermende werking ervan kunnen aantasten, of stoffen worden gebruikt die de kwaliteit van het grondwater in de zandlagen van waaruit drinkwater wordt gewonnen aantasten; onder deze werken worden in elk geval verstaan toepassingen van de bodem als energiebron en –buffer, het plaatsen en verwijderen van heipalen en het verwijderen van damwanden. Voor het realiseren van de woningen en de infrastructuur moet dus een ontheffing worden aangevraagd. De beperkingen hebben geen betrekking op het lozen en/of infiltreren van water. Hier hoeft dus geen ontheffing voor te worden aangevraagd. De voorkeur gaat wel uit naar het scheiden van water van de daken en de wegen, maar dit kan niet worden afgedwongen op basis van de provinciale milieuverordening.

4.3.2.1

Gebiedseigenschappen

Hoogteligging De hoogteligging van het plangebied ligt gemiddeld op circa +7,7 m NAP en varieert tussen circa +7,5 m NAP aan de westkant tot +7,9 m NAP in het zuidelijke deel (zie 3.1). De omliggende wegen liggen op circa +8,0 m NAP. De omgeving ligt, ten opzichte van het plangebied, aan de westzijde van het plangebied relatief hoog (+8,3 m NAP) en de oostzijde relatief laag (+7,3 m NAP) . Bodemopbouw In het onderzoek (Bijlage 3) wordt geconstateerd dat uit een bodemonderzoek dat is uitgevoerd in het zuidelijk deel van het plangebied is gebleken dat de deklaag bestaat uit (zandige) klei. De boringen zijn gelijkmatig over het terrein geplaatst. Ter plaatse van het centrum van het onderzochte terreindeel is zand aangetroffen tussen 1,3 en 2,5 m -mv, dus ondieper dan op basis van de zandbanenkaart werd verwacht. Op het overige deel van het terrein is de kleidikte minimaal 2 m, lokaal minimaal 4 m (kleilaag aangetoond tot maximale boordiepte). In de bijlage bij het onderzoek zijn boorstaten opgenomen die zijn verkregen uit het Dinoloket van TNO. Uit deze gegevens blijkt dat van oost naar west de dikte van de deklaag toeneemt van circa 1 m tot minimaal 4 m. Op basis van bovenstaande gegevens wordt geconcludeerd dat de dikte van de deklaag, bestaande uit klei, niet overal binnen het plangebied gelijk is.

In het centrale deel van het plangebied is de dikte van de deklaag maximaal 1,5 à 2,0 m. Rondom is de deklaag dikker. Ter plaatse van het westelijk deel 3 à 4 m en ter plaatse van het zuidoostelijk deel 2 m of meer. Op basis van de bodemopbouw wordt aangenomen dat de doorlatendheid van de deklaag matig tot slecht is aangezien de deklaag bestaat uit voornamelijk (zandige) klei.

18

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

4.3.2.2

Conclusies en aanbevelingen

De beoogde ontwikkeling omvat meerdere ruimtelijke aanpassingen in het plangebied, waaronder het realiseren van woningen en bestratingen. Deze ontwikkeling heeft enkele potentieel negatieve effecten voor het watersysteem, waarvoor maatregelen genomen moeten worden. Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste conclusies en aandachtspunten: Voor de toename van het verharde oppervlak is een waterbergingsvoorziening t.b.v. een vertraagde afvoer richting het oppervlaktewater vereist. In het huidige ontwerp is sprake van een toename van verhard oppervlak van 17.360 m2. De beleidsuitgangspunten van het waterschap zijn hiervoor maatgevend met 43,6 mm waterberging per m2 nieuw verhard oppervlak. De totale waterbergingsopgave van fase 2 bedraagt daardoor 756 m3. In werkelijkheid ligt dit getal lager in verband met de vermindering van toe te voegen verharding. Dit heeft echter geen gevolgen voor de waterbergingsvoorzieningen zoals hieronder staat beschreven. In het huidige ontwerp zijn waterbergingsvoorzieningen opgenomen in de vorm van oppervlaktewater dat in contact staat met het watersysteem van het waterschap. De waterbergingsvoorziening van fase 1 wordt hierbij uitgebreid, waardoor de waterberging voldoende bergingscapaciteit moet hebben voor de wateropgave van fase 1 en fase 2 tezamen.

De oppervlaktewaterberging heeft bij de toegestane peilstijging van 30 cm een bergingscapaciteit van 1.643 m3. Dit is voldoende voor de totale wateropgave van maximaal 1.630 m3 (874 m3 van fase 1 en maximaal 756 m3 van fase 2). Gebaseerd op de beschikbare gegevens is de verwachting dat de gebouwen op een voldoende hoog niveau gebouwd kunnen worden om de gewenste ontwateringsdiepte te behalen en (grond)wateroverlast te voorkomen. Dit heeft de voorkeur boven een drainagesysteem. De vuilwaterafvoer moet worden aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel van fase 1. Dit zal in een volgende fase verder moeten worden onderzocht en bepaald in overleg met de gemeente. Voor verschillende onderdelen is een watervergunning nodig. Het gaat hier om: 1. het aanleggen van open water, 2. werken in de beschermingszone van de leggerwatergang, 3. het aanleggen van een brug of dam met duiker in een leggerwatergang. Het plangebied ligt in een boringsvrije zone, waardoor bij bepaalde werkzaamheden een ontheffing nodig is. Indien bemalen gaat worden is een bemalingsonderzoek benodigd.

Bij het indienen van de omgevingsvergunning levert de initiatiefnemer een technisch uitgewerkt ontwerp aan waaruit is op te maken hoe de ontwikkeling haar totale bergings- en vertragingsopgave definitief invult, op welke wijze het water vanaf de verharde oppervlakken in de waterberging terecht komt en hoe deze in verband met de afvoer in verbinding komt te staan met het omringende watersysteem. Dit wordt ter goedkeuring voorgelegd aan waterschap Rivierenland en de gemeente Overbetuwe. De realisatie van de waterberging wordt vastgelegd middels een anterieure overeenkomst.

4.3.3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor het onderhavige plan.

4.4

Erfgoed

4.4.1

Archeologie

Algemeen In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Onderzoek

19

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

Om te bepalen of er in het plangebied archeologische waarden aanwezig zijn is door De Steekproef B.V. een archeologisch karterend en waarderend booronderzoek uitgevoerd in 2006. Uit dit onderzoek bleek dat de bodem tot een diepte van circa 80 centimeter beneden het maaiveld grotendeels verstoord was. Beneden deze diepte was de bodem voor het grootste deel intact. In het zuiden van het plangebied zijn bij tien van de 22 aanvullende boringen aardewerk gevonden. Naar aanleiding hiervan werd geadviseerd om een waarderend veldonderzoek middels proefsleuven te laten uitvoeren. Voor dit proefsleuvenonderzoek is op 6 maart 2014 een Programma van Eisen (PvE) opgesteld, deze is in februari 2014 door de regio-archeoloog van de gemeente Arnhem voor de gemeente Overbetuwe goedgekeurd. Op basis van dit PvE is in 2014 een waarderend veldonderzoek proefsleuven uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen bij de toelichting als Bijlage 2 Waarderend Veldonderzoek Proefsleuven. Het veldwerk voor het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd op 6 maart 2014. Conform het PvE zijn vijf werkputten van 16,5 x 4 meter aangelegd. In totaal is daarmee een oppervlak van 330 vierkante meter gedocumenteerd. De maximale diepte van het onderzoek bedraagt 140 centimeter beneden maaiveld. Gebaseerd op de resultaten van het veldwerk is een archeologische waardebepaling voor de locatie opgesteld.

Hieruit blijkt dat de locatie niet behoudenswaardig is. Er wordt geadviseerd om in het plangebied geen verder archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Conclusie Het plangebied is vrijgegeven met betrekking tot archeologische waarden, het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.4.2

Cultuurhistorie

Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1.

werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio's te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma's en projecten. Onderzoek Uit de verwachtingskaart erfgoed van Provincie Gelderland blijkt dat in het plangebied geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. In het plangebied vindt een herinrichting plaats met behoud van aanwezige waarden en karakteristieken van de omgeving. Voorliggend plan zorgt dan ook niet voor een aantasting van bestaande cultuurhistorische waarden in het plangebied en omgeving. Conclusie Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig.

Het plangebied omvat geen aangewezen (rijks)monumenten en geen (bijzondere) karakteristieke gebouwen. Daarnaast zijn ook in de (directe

20

bestemmingsplan Op Zuid in Zetten - Fase 2

omgeving) geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en er worden ook geen cultuurhistorische waarden aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5

Flora en fauna

4.5.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=92b2e469-c765-47f8-b611-a1b0d3a1075a