CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

22-12-20.03 Welstandsnota 2016 (3).pdf

Voorronde Zaal 1 20 december 2022, gemeente OverBetuweBij agendapunt: Rondetafelgesprek met het college over uitgangspunten welstandsbeleid23.278 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

27

Welstandsnota 2016

De gebieden; inhoudsopgave Buitengebied 1. Oeverwallen en stroomruggen 2. Komgronden 3. Uiterwaarden Generiek 4 Recreatiegebieden 5 Historische invalswegen 6. Woonwijken vooroorlogs tot jaren veertig 7. Woonwijken wederopbouw 8. Woonwijken jaren zeventig en tachtig 9. Woonwijken recente uitbreidingen 10. Beeldkwaliteitplannen 11. Bedrijventerreinen Specifiek 12. Elst centrum 13. Zetten centrum 14. Hemmen

28

Welstandsnota 2016

Gebied 1

Oeverwallen en Stroomruggen

Gebiedsbeschrijving 15. Heldringstichting e.o. Structuur Het Oeverwallen- en stroomruggengebied is een gemengd gebied met landbouw en tuinbouw. Het beeld van het landschap is afwisselend, met boomgaarden en boomkwekerijen, weiland en bouwland, wegbeplanting, erfbeplantingen met hagen en vruchtbomen en zo nu en dan monumentale bomen. De wegen hebben een bochtig verloop en zijn talrijk. De verkaveling is blokvor-

mig. Verschillende landgoederen en buitenplaatsen komen in dit gebied voor. De bebouwing staat verspreid of is geconcentreerd in kernen, buurtschappen of linten. In de gehele gemeente komen diverse linten met bebouwing voor (zie kaart op bladzijde 44). De afstand tussen de bebouwing in zo’n lint is wisselend. Hier en daar is de afstand zodanig klein dat kleine buurtschappen worden gevormd. De plaatsing van de bebouwing in de linten is zeer

De oudste en meest voorkomende bebouwing in het buitengebied bestaat uit boerderijen. De afstand van die bebouwing tot de weg en de richting van de boerderij ten opzichte van de weg is wisselend. Ze liggen vaak op een natuurlijke verhoging of woerde (terp). Naast boerderijen komen zowel woningen als andere bebouwing voor. Vrijstaande bebouwing

29

Welstandsnota 2016

(1900-1940), in de vorm van veel kleine woningen van het boerderijtype, staat overwegend op enige afstand (5 tot 10 meter) van de weg en veelal met de kaprichting loodrecht ten opzichte van de weg of in de richting van de verkaveling. Bij boerderijen, tuinderijen en andere bedrijven van na 1960 staan de schuren parallel aan de weg, de woningen staan veelal haaks ten opzichte van de weg. Het huis is verder van de schuren af gebouwd dan bij oudere boerderijen. Veel vrijstaande woningen van na 1960 zijn met de kaprichting evenwijdig aan de weg gebouwd. Bij nieuwbouw op een bestaand erf wordt vaak verder van de weg gebouwd.

Langs de Rijndijk en de Waaldijk staat de meeste bebouwing onderaan de dijk. Hier en daar staat echter bebouwing op de dijk. Aan de Rijndijk aan de landzijde en aan de Waaldijk het meest aan de rivierzijde. Op de erven staan de gebouwen overwegend haaks ten opzichte van elkaar of parallel aan elkaar.

Op de erven staan de gebouwen overwegend haaks ten opzichte van elkaar of parallel aan elkaar.

Bij boerderijen en de kleine woningen van het boerderijtype staan de bijgebouwen achter de scheidslijn tussen het woongedeelte en het stalgedeelte van de boerderij. Deze scheidslijn is aan het verschil in de vorm, de grootte en het materiaal van de ramen te herkennen.

30

Welstandsnota 2016

Bebouwing 1. Historische boerderijen De historische boerderijen behoren tot de hallehuisgroep. Kenmerken van dit type boerderij zijn grote daken met lage goten en dus lage gevels. Deze boerderijen hebben zich ontwikkeld van een boerderij onder één dak, via de kleine en grootte T-boerderij naar een herenboerderij met villa en schuren. Van al deze types zijn voorbeelden in het gebied aanwezig. Het woongedeelte heeft bij de herenboerderij een voornamer uiterlijk gekregen en is groter geworden. Bij de eerste typen is het erf nog bescheiden, bij de steeds groter wordende boerderij neemt het erfoppervlak toe. Het silhouet van de erven wordt mede door beeldbepalende en monumentale bomen in de voortuin gevormd. De hoofdvorm en kapvorm van de boerderijen zijn eenvoudig. Een boerderij bestaat over het algemeen uit één of twee (T-vorm) gelijkwaardige bouwdelen.

Bijgebouwen Bij alle boerderijen zijn bijgebouwen gebouwd, zoals stallen, hooibergen, een schuur voor landbouwmachines, een wagenloods, een kippenhok en een rookhok(bakhuis). Alleen dit laatste gebouwtje staat bij het woongedeelte, de overigen staan achter op het erf. Stonden er voor de oorlog op ieder erf hooibergen, nu worden deze nauwelijks meer aangetroffen. Hier en daar heeft een voormalige hooiberg een nieuwe functie gekregen.

31

Welstandsnota 2016

De schuren hebben in eerste instantie hetzelfde type dak als de stal van de boerderij, na 1900 zien we schuren met een mansarde. Een bijzonder en kenmerkend gebouw op diverse erven is de vloedschuur. Het diende als een noodschuur in geval van hoog water, voor het bergen van graan, gelegen op een terp. De vormgeving komt overeen met de schuur achter het T-huis.

Een ander kenmerkend gebouw is de fruitschuur. Deze heeft relatief hoge gevels.

Als gevolg van de veranderende landbouwproductie na de Tweede Wereldoorlog, zijn bij de agrarische bedrijven schuren, stallen en silo’s geplaatst. Afhankelijk van de functie zijn deze laag of juist hoog. Door de andere schaal, vormgeving, materiaal, kleurgebruik en de situering buiten het oude erfoppervlak detoneren deze gebouwen soms met de boerderij. Beplanting kan weer voor samenhang zorgen.

2. Wederopbouwboerderijen In de Tweede Wereldoorlog zijn veel boerderijen geheel of gedeeltelijk vernield. Dit geldt vooral voor de noordzijde van de gemeente. Voor het herstel van deze schade werd tussen 1940 en 1949 gezorgd door het Bureau Wederopbouw Boerderijen. Daarbij werd een nieuw type boerderij geïntroduceerd. Dit type heeft geen streekeigen kenmerken meer. In korte tijd werden de noodwoningen en noodstallen vervangen door een nieuwe boerderij met soms schuren. De situering van de boerderij op het erf bleef gelijk, omdat men van het oude erf en de situering van de te handhaven bebouwing uitging. De verbrande

32

Welstandsnota 2016

grote bomen werden niet vervangen, waardoor de gebouwen nog steeds opvallen in het landschap. Dat geldt vooral voor de boerderijen met de rode daken. De overeenkomst met wederopbouwboerderijen in heel Nederland zoals de boerderijen in de Noordoostpolder is groot. Soms is aan de boerderij de geschiedenis duidelijk af te lezen, zeker als het gaat om een oude T-boerderij met rieten kap waar een nieuwe stal bij is gebouwd met een rode pan op het dak.

Er werden diverse typen boerderijen gebouwd, ook weer van klein naar groot. Het schuurgedeelte is groter dan de woning. De opslag in hooibergen werd gewijzigd in opslag op de zolder van de boerderij. De schuren hebben grote kappen met een lage goot, de woningen hebben soms een hogere goot. Veel woonhuizen werden los van de schuur gebouwd met een bescheiden tussenlid.

3. Nieuwe boerderijen/tuinderijen/kwekerijen Op de grens tussen het oeverwallen en stroomruggengebied met de kommen zijn de laatste jaren nieuwe boerderijen/tuinderijen gebouwd. Deze bebouwing staat loodrecht ten opzichte van de weg of in de verkavelingsrichting. De woningen staan los van de schuren of zijn met een klein tussenlid daarmee verbonden. Wanneer de woning los van de schuren is gebouwd, staat ze ook op een duidelijke afstand. Er is nauwelijks samenhang in vormgeving tussen woning en de bedrijfsgebouwen. Bij diverse woningen wordt ge-

33

Welstandsnota 2016

refereerd aan de voorhuizen van de T-boerderijen en voorname neoclassisitische woonhuizen, maar er komen ook ander typen woningen voor. De hoofdvorm en kapvorm zijn eenvoudig.

Ten westen van zowel Oosterhout als Driel zijn kassencomplexen gebouwd.

4. Woningen van het boerderijtype Dikwijls in linten maar ook vrijstaand staan in het oeverwallen en stroomruggengebied woningen van het boerderijtype. Zij zijn gebouwd na de woningwet van 1901. De woningen bestonden uit een woongedeelte en een deel met ruimte voor 1 paard, 2 koeien, 2 varkens en bergruimte op zolder. Bij de woningen hoorde grond, waarmee de bewoners hun inkomen konden aanvullen. De groene erfbeplanting met ruimte voor een moestuin, nu vaak siertuin en boomgaard, is kenmerkend.

34

Welstandsnota 2016

De woningen staan in een rooilijn en met de nokrichting loodrecht ten opzichte van de weg of in de verkavelingsrichting. Door de plaatsing van de woning blijft er in een lint tussen de woningen een groene ruimte over. Aanbouwen en bijgebouwen die de woning verbreden komen nauwelijks voor.

5. Woningwetwoningen Op enkele plaatsen komen woningwetwoningen voor. Het zijn meestal twee-onder-een-kap woningen. Ze hebben veelal één laag met een kap. Hier was het erf van oorsprong zodanig groot dat men een moestuin achter het huis had. De woningen staan met hun kap evenwijdig aan de weg, waardoor er een straatwand ontstaat met doorzichten. Bijgebouwen staan achter de woningen. De projectmatige bouw van de woningen valt in het buitengebied op. Het vormt een negatief contrast met de variatie en landelijke vormgeving in het buitengebied. 6. Overige bebouwing Overal in het gebied staan vrijstaande woningen. Vrijstaand betekent hier ook: vormgeving of architectuur met een eigen kenmerk. Men kan dikwijls aflezen in welke periode ze zijn gebouwd. De woningen uit de dertiger en de vijftiger jaren zijn vaak één laag met een spitse kap. Woningen uit de 60er en 70er jaren hebben vaak twee bouwlagen en een flauwere kap.

35

Welstandsnota 2016

Wanneer woningen op grotere afstand van de weg liggen en omgeven worden door een tuin dan krijgen zij de allure van een villa. Dat past niet bij het overwegend eenvoudige en ingetogen karakter van de bebouwing in het buitengebied. De bijgebouwen zijn qua vorm, maat, materiaal en kleur ondergeschikt. Zij zijn soms onderdeel van de architectuur. Bij woningen uit de 80er en 90er jaren is geëxperimenteerd met materialen, kleur en dakvormen. Deze woningen hebben weinig streek¬eigen kenmerken. Door hun grote diversiteit passen ze niet bij de eenduidig vormgegeven bebouwing in het buitengebied. Bij woningen rond 2000 wordt teruggegrepen op een meer historiserende en landelijke bouwstijl met een daarbij passende erfinrichting met hagen en fruitbomen. De garage staat vaak naast de woning en achter de voorgevellijn maar is ondergeschikt aan de woning.

Detaillering 1. Historische boerderijen De boerderijen zijn gebouwd met een roodbruine handgevormde baksteen die in de omgeving werd gebakken. Wanneer deze van mindere kwaliteit was werd de gevel gestuukt en wit gesausd. Diverse gevels van boerderijen zijn dan ook helemaal of gedeeltelijk wit. Verbouwingen konden zo ook aan het zicht worden onttrokken. In het voorhuis zijn de kozijnen wit geschilderd, de deuren en luiken donkergroen. Bij de oudste erven ziet men dat de kozijnen oudgeel en donkergroen zijn geschilderd. De boerderijen hebben over het algemeen geen dakkapellen.

36

Welstandsnota 2016

Sporadisch komt een kleine dakkapel op het woongedeelte voor.

De indeling van de achtergevels van de boerderijen met deuren en ramen is symmetrisch. Dit geldt ook voor de schuren die naast de boerderij werden gebouwd. Het gebruik van kleur in de achtergevel is uiterst sober, kozijnen worden ook zwart of groen geschilderd. Als erfverharding komt bij de historische boerderijen grind voor.

De boerderij onder één dak heeft een rechthoekig grondplan en een dak met deels riet en deels pannen. Er komen boerderijen voor met aan beide zijden een wolfeind of aan beide zijden een topgevel. Een aantal boerderijen heeft nog een (deels)houten gevel in het stalgedeelte.

Bij de T-boerderij is het woonhuis dwars voor de stal geplaatst. Het dak van de stal is net zo hoog als van het dwarshuis of lager. Meestal heeft het dwarshuis een rieten schilddak met twee schoorstenen. Als er pannen op het dak liggen dan zijn dat gesmoorde dakpannen. Ook is er dan een betimmerde goot. De rechthoekige stal achter het voorhuis heeft vaak een deels met riet en deels met pannen gedekt wolfsdak. De ramen van het woonhuis zijn voorzien van luiken. De voordeur kan sober of juist rijk gedetailleerd zijn, maar heeft een bovenlicht en een stoep. Er zijn altijd bovenvensters, van klein tot de grootte van de benedenramen, afhankelijk van de grootte en 37

Welstandsnota 2016

hoogte van het dwarshuis. De plaatsing van deze ramen zorgt voor een evenwichtige gevelindeling. Aan de gevelindeling is soms te zien dat er een opkamer met kelder eronder is. In het dak van huis en schuur zitten geen dakkapel. De scheiding tussen voorhuis en stal ligt niet altijd op de plaats van het dwarshuis; onder het dak van de schuur liggen vanouds de keuken en de bijkeuken. Dit is te zien aan de vorm van de ramen, een deur of het opgetilde dak. Op deze plaats is dikwijls boven de keuken of bijkeuken een kamer gebouwd. Soms wordt er een serre aangebouwd.

Bij de herenboerderijen is de variatie zeer groot. Overeenkomst is dat de schuren groot zijn en er dikwijls meerdere kappen naast elkaar staan. De gevels zijn van baksteen en vaak hoog, soms rijk gedetailleerd. De woningen zijn grote dwarshuizen of villa’s met een afwijkende architectuur, gebouwd tussen 1800 en 1940. Op de daken komt soms een dakkapel voor, meestal symmetrisch boven de entree geplaatst. De verbinding tussen de villa en de schuren is onopvallend. Bijgebouwen Wanneer bijgebouwen houten gevels hebben dan zijn deze zwart gemaakt. Stallen worden gemetseld, nieuwe gevels zijn van donkere stalen damwand platen.

38

Welstandsnota 2016

2. Wederopbouwboerderijen Bij deze boerderijen wordt meer gebruik gemaakt van rode baksteen. Het pannendak is voornamelijk rood maar ook grijs, op het dak staan twee schoorstenen. In de stal en schuur zijn betonnen ramen toegepast. In het voorhuis is er extra aandacht voor de voordeur met het bovenlicht met dikwijls een kruis. De kozijnen zijn wit geschilderd, de deuren en luiken donkergroen. Achter op het erf werden de houten delen zwart gemaakt. Kleine boerderijen zijn inmiddels vaak woonboerderijen geworden, de grote functioneren nog als agrarisch bedrijf. Daar staan dan ook nieuwe schuren en stallen bij, met bakstenen en/of damwandprofielgevels en golfplaten op het dak.

Wanneer in de stal gewoond wordt gaat dit soms ten koste van de typische vormgeving van de boerderij. Een reden daarvoor is bijvoorbeeld de wens tot lichttoetreding. Hierdoor ontstaan niet karakteristieke gevelindelingen waarmee het karakter van de boerderijen wordt aangetast.

3. Nieuwe boerderijen/tuinderijen/kwekerijen De hoge schuren bij de tuinderijen en kwekerijen worden voornamelijk in damwandprofiel uitgevoerd. Kassen worden uiteraard van glas gebouwd. Bij boerderijen worden delen van de wanden in baksteen gemaakt. De baksteen komt niet meer uit de omgeving, de kleur is dan ook verschillend waarbij genuanceerd rood overheerst. De kleuren van de schuren en stallen zijn voornamelijk groen en donker. Witte windveren en witte regenpijpen zijn verstorend omdat zij de grootte van het gebouw benadrukken en niet streekeigen zijn.

39

Welstandsnota 2016

4. Woningen van het boerderijtype Aan de woningen onder één dak is door de raamindeling in de kamerhoge zijmuur af te lezen waar de scheiding tussen de woning en de stal was. De woningen hebben een mansardedak of zadeldak. De voorgevel is soms gedecoreerd. De indeling van de voorgevel is symmetrisch met de deur in het midden en een raam aan weerszijden, of a-symmetrisch met een voordeur en soms een erker. Diverse woningen zijn wit gesausd of geverfd. De kozijnen zijn wit of groen geschilderd, de deuren groen. Op het erf staan bijgebouwen, vroeger in gebruik voor opslag en wagens, nu voor diverse doeleinden. De bijgebouwen zijn in situering, maat, materiaal en detaillering ondergeschikt aan de woning.

5. Woningwetwoningen De Woningwetwoningen zijn uitgevoerd in metselwerk (overwegend rood) en dakpannen.

6. Overige bebouwing De woningen uit de jaren ‘60 en ‘70 zijn vaak gebouwd met een bruingele baksteen en hebben bruine kozijnen en deuren. Hiermee wijken ze af van de karakteristieken in het gebied. Woningen waren of worden wit gesausd of geschilderd.

40

Welstandsnota 2016

De woningen uit de jaren ‘80 en ‘90 hebben vaak een steenkleur die lichter is dan die van de oorspronkelijk baksteen uit de omgeving. Hierdoor wordt hun verstorende werking in de omgeving versterkt.

Bijzondere elementen Kasteel Loenen kent landgoedaanleg in de vorm van lanen, houtwallen en loofboscomplexen, afgewisseld met weilanden en bouwlanden. Bij en achter het buitenhuis, dat wit is met een grijs dak en groene luiken, staan schuren schijnbaar ordeloos gegroepeerd. Het complex heeft een cultuurhistorische betekenis en is afwijkend van de omgeving.

Landgoed Schoonderlogt. De herenboerderij met poorthuis en parkachtige voortuin wordt omgeven door een drietal woningen met dezelfde architectonische details als die van de villa van de boerderij. Ze zijn gestuukt en wit gesausd, in de topgevel van de woning zit een verwijzing naar Normandische of Engelse boerderijen en de kozijnen van de ramen en deuren werden zachtgeel met groen geschilderd. Dit ensemble heeft cultuurhistorische betekenis en is afwijkend van de omgeving.

41

Welstandsnota 2016

Het Lingegemaal is gebouwd aan de kruising van het Lingekanaal en de Rijndijk. Zowel de plek als de vormgeving van het gebouw uit de 50er jaren zijn bijzonder.

Aan weerszijden van de A50 staat bij de kern Heteren een geluidswal. De wanden zijn van duurzaam hout gemaakt en opgeschilderd. Bruggen over de Linge. Deze bruggen zijn niet opvallend maar ze vernauwen de route over het water, waardoor de kruising weg-water herkenbaar wordt. Ze zijn veelal gemetseld van baksteen. Nieuwe bruggen zijn uitgevoerd in beton met metselwerk accenten.

42

Welstandsnota 2016

Welstandsbeleid Verantwoording In het gebied staan gebouwen die een agrarische functie hebben of hebben gehad en vrijstaande woningen. Veel oorspronkelijke boerderijen en wederopbouwboerderijen met bijbehorende erven zijn nog gaaf in situering, hoofdvorm en gevelindeling. De bebouwingskarakteristieken van de boerderijen zijn waardevol voor het aanzien van het gebied, want de historie van het gebied is daardoor nog goed afleesbaar. Het beleid is er dan ook op gericht het oorspronkelijke karakter van deze boerderijen en de erven in het gebied zoveel mogelijk te bewaren, zonder dat ze museumstukken worden. Daarnaast staan in het gebied nieuwe gebouwen. Daarvan is de vormgeving en detaillering divers. Soms werkt dit verstorend voor het karakter van het gebied. De landschappelijke waarde van het gebied wordt hierdoor echter niet aangetast. De diversiteit van de bebouwing kan in nieuwe ontwikkelingen doorgezet worden. Daarbij zal wel goed naar belendende bebouwing en de kwaliteit van de bebouwing gekeken moeten worden. Beleid 1. Bij verbouwingen en uitbreidingen aan de historische en wederopbouwboerderijen dienen de bestaande bebouwingskarakteristieken van het complex en de directe omgeving dienen te worden gerespecteerd. Zie de gebiedsbeschrijving. 2. Bij vervanging en grote uitbreidingen aan andere bestaande gebouwen en bij nieuwbouw is vernieuwing onder voorwaarden mogelijk.

Daartoe gelden de criteria voor architectonische kwaliteit in hoofdstuk 6.2. 3. Bij verbouwingen en uitbreidingen aan de bijzondere elementen dienen de bestaande bebouwingskarakteristieken te worden behouden en waar mogelijk versterkt. Welstandscriteria Bouwplannen worden getoetst aan de volgende welstandscriteria: Situering 1. Bouwplannen aan of bij de bestaande boerderijen en woningen van het boerderijtype dienen gesitueerd te worden conform de bestaande karakteristieken. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 2. Bij nieuwbouw en de overige bebouwing dient deze in ieder geval op de weg te worden georiënteerd. 3. Bijgebouwen zijn ten opzichte van het hoofdgebouw zodanig gesitueerd dat zij ondergeschikt zijn en met het hoofdgebouw een samenhangend geheel vormen. Vormgeving 1. Bij bouwplannen aan of bij historische en wederopbouw boerderijen en woningen van het boerderijtype dienen de bestaande bebouwingskarakteristieken van het gebouw en de directe omgeving te worden gerespecteerd. Daarbij is in ieder geval relevant: boerderijtype, de dakvorm en schaal en maat. Zie ook de gebiedsbeschrijving 2. Uitbreiding van de woonfunctie in een bestaande of voormalige boerderij mag niet ten koste gaan van de uiterlijke verschijningsvorm. Daarbij dient in ieder geval het onderscheid tussen woon- en (voormalige) bedrijfsgedeelte in de gevels herkenbaar te blijven.

43

Welstandsnota 2016

3. Bij de overige bebouwing is vernieuwing mogelijk maar met respect voor de directe omgeving qua maat, schaal, kapvorm en van de bestaande bebouwing. 4. Een uitbreiding mag niet dominant zijn ten opzichte van het hoofdgebouw. Hij moet qua vorm aansluiten op de bestaande bouw. Een afwijkende vorm is toegestaan als deze aan de achterzijde staat. 5. Bijgebouwen worden vormgegeven conform de bestaande karakteristieken van de omgeving. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 6. Bij nieuwbouw van een woning kiezen voor een eenvoudige bouwmassa met als basis een rechthoekige plattegrond. Het dak is daarbij onaangetast. 7. De plaats, afmetingen en verhoudingen van de raam-, deur- en andere openingen dienen goed op elkaar afgestemd te zijn en op de karakteristieken van het gebouw. 8. Bij verbouwingen en uitbreidingen aan de bijzondere elementen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden behouden en waar mogelijk versterkt. Detaillering, kleuren en materialen: 1. Bij uitbreidingen en verbouwingen dienen materialen en kleuren toegepast te worden die gelijk zijn aan of harmoniërend met het bestaande gebouw. 2. Er dienen kleuren toegepast te worden die passen bij de directe omgeving. 3. Bij nieuwbouw dienen materialen en kleuren te worden toegepast die gelijk zijn aan of harmonierend met directe omgeving. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 4.

De gekozen detaillering, materialen en kleuren moeten het karakter van het bouwwerk ondersteunen. 5. De detaillering dient sober te zijn tenzij de bestaande karakteristieken daartoe aanleiding geven. Bij reclame, monumenten, zendinstallaties en antennes gelden de criteria zoals beschreven in hoofdstuk 5.

44

Welstandsnota 2016

Gebied 2 Komgronden Gebiedsbeschrijving Structuur De komgronden bestaan uit agrarisch gebied en zijn voornamelijk als weiland in gebruik. Er staat niet veel bebouwing. Het gebied is ontstaan voor de bedijking, toen de rivieren jaarlijks overstroomden en waar de stroomsnelheid veel lager was, fijn kleimateriaal werd gedeponeerd in kommen. Deze kommen werden begrensd door oeverwallen langs de rivieren en stroomruggen dwars door het gebied. In de gemeente ligt centraal de kom met Liedermeint, Hollanderbroek, De Meilanden en Weerbroek. Aan de rand van de gemeente liggen de kommen Lakemond, Het Zettensche Veld, een deel van het Eldensche Veld en Het Broek. Omdat ze oorspronkelijk als weide en hooiland in gebruik waren de kommen zeer open. De verkaveling is regelmatig en groter van schaal dan die van de oeverwallen en stroomruggen. Na een ruilverkaveling in de 50-er en 60-er jaren van de vorige eeuw werden de kommen ontslo-ten met rechte wegen. Populierenbossen, erf-beplanting met populieren en wegbeplanting met populieren verkleinen de openheid maar versterken door hun silhouetten het kenmerk van de kommen. De A50 doorsnijdt de centrale kom en de A15 het Zettensche Veld. De wegen liggen vlak en open in het landschap. Het klaverblad ‘Knooppunt Valburg’ is door hoogopgaande beplanting omgeven. De nieuwe Betuwe-spoorlijn snijdt door het klaverblad heen.

Als gevolg van het open landschap is zicht op de bebouwing op bedrijventerreinen langs de snelwegen ontstaan. Hoogte, massa, materiaal en kleurgebruik zijn opvallend. Het geldt voor het bedrijventerrein in Zetten en Heteren, grenzend aan het Zettensche Veld, De Meilanden en Weerbroek.

45

Welstandsnota 2016

De bebouwing staat verspreid in het gebied. Als gevolg van de ruilverkavelingen werden boerderijen eerst op de rand van de kom en later midden in de kom gebouwd. De laatste jaren worden opnieuw boerderijen, tuinderijen of andere bedrijven op de rand van of in de kom gebouwd. De afstand van de bebouwing tot de weg en de richting van de kappen ten opzichte van de weg variëren bij de bebouwing van de 50er jaren. Na de 50er jaren is de woning gericht naar de weg en staat voor de stallen/schuren. In de jaren ‘50 zaten woning en stal/schuur in één gebouw. Vanaf de jaren ‘60 worden de woningen los van de stal/schuur geplaatst en eventueel met een laag tussenlid verbonden. De afgelopen jaren ziet men ook weer woning en schuur onder één dak. Maar de gerichtheid van de woning op de straat blijft. Aan de Parallelweg-Noord, het begin van de Woutersdijk en langs de Linge is sprake van lintbebouwing. De gebouwen staan haaks ten opzichte van elkaar. Bijgebouwen staan achter de scheidslijn tussen de woning en de stal/schuurgedeelte. Een enkel erf ligt op een natuurlijke verhoging of terp. De bebouwing 1. Ruilverkavelingsboerderijen De ruilverkavelingsboerderijen uit de jaren ‘50 zijn nauwelijks te onderscheiden van de wederopbouwboerderijen uit de gemeente als gevolg van de gekozen architectuur, kleur en materiaalgebruik. Ook hier geldt de grote variatie.

Op diverse erven staat een woonhuis met twee lagen en een kap. De erven kennen weinig erfbeplanting.

46

Welstandsnota 2016

De ruilverkavelingsboerderijen uit de jaren 60 en 70 zijn vernieuwend en vallen op door hun lage gebouwen en door hun erfbeplantingen. Deze omzomen de erven met voornamelijk populieren, waarbij de weg- en voorzijde vrij is van beplanting. De daken van de stallen en schuren hebben flauwe hellingen en bestaan uit golfplaat. De vormgeving van de woningen is divers waardoor een rommelig beeld ontstaat. Deze schuren/stallen en de woning zijn aan elkaar aangepast. Bijgebouwen bij deze ruilverkavelingsboerderijen hebben een vormgeving die bij de bedrijfsvoering past; stallen en silo’s bij veebedrijven, hoge schuren bij akkerbouw en tuinbouwbedrijven. Schaal en maat zijn groter dan de oorspronkelijke bebouwing. 2. Nieuwe boerderijen, tuinderijen en bedrijven Daar waar het woonhuis los van de schuur of de stallen wordt gebouwd, wijkt de vormgeving sterk af van het bedrijfsgedeelte. Dit geldt ook voor kleur en materiaalgebruik. Daar waar de schaal van de gebouwen groot is, of beplanting ontbreekt, blijft het zicht erop bestaan. Als de gevels dan ook opvallend van kleur (bijvoorbeeld te licht of glimmend) zijn wordt de openheid en het groene karakter van de kommen aangetast. 3. Overige bebouwing Vrijstaande woningen komen niet veel voor. Zij voegen zich in de omgeving als verbouwde boerderij of als woning in het groen.

In het gebied staan een trafo- en een pompstation, omgeven door hoogopgaande beplanting. Bij het pompstation bevinden zich twee woningen met een bijgebouw. De woning die wit is geschilderd valt op. Langs de A50 wordt in Weerbroek, in aansluiting op de “Poort van midden-Gelderland”, een nieuw bedrijventerrein ontwikkeld. De bedrijven richten zich op de A50. Aan de westzijde van de A50 en ten noorden van de Linge staat een tankstation. Dit station is aan de west- en zuidzijde door beplanting ingekaderd.

47

Welstandsnota 2016

Detaillering 1. Ruilverkavelingsboerderijen De boerderijen hebben rode gebakken pannen op het dak en een rode baksteen, of een grijze pan met een donkere kleur baksteen. De kozijnen worden bij de woning wit geschilderd en de deuren groen. De houten delen achter op de boerderijen zijn zwart. De ruilverkavelingsboerderijen uit de jaren ‘60 en ‘70 hebben verschillende maar wel donkere kleuren baksteen. Bij de hoge schuren bestaan de wanden uit damwandprofiel, dikwijls in een groene kleur. De daken zijn bedekt met golfplaten. 2. Nieuwe boerderijen/tuinderijen/kwekerijen Kleur en materiaalgebruik van woning en bedrijfsgebouw zijn sterk verschillend. De woningen zijn meestal gemetseld. De bedrijfsgebouwen overwegend in stalen damwandplaten.

Bijzondere elementen Homoet Op de hoger gelegen stroomrug tussen Valburg en Heteren werd, omgeven door het in het verleden onbegaanbare natte gebied van de kommen, een burcht gebouwd met een parochiekerk temidden van enkele boerderijen. De burcht en de kerk werden gesloopt en nu staat er een 19de eeuws kerkje op een terp (woerde). Het staat te midden van enkele boerderijen, een bedrijf en enkele vrijstaande woningen. De twee historische boerderijen aan weerszijde van het kerkje staan eveneens op een terp, maar deze is lager. De ene boerderij is met de achterzijde naar de weg gekeerd, de andere met de voorzijde. Alle bebouwing staat in een lint. De karakteristieken van de bebouwing wijken niet af van die van de bebouwing in de linten op de oeverwallen en de stroomruggen.

48

Welstandsnota 2016

Welstandsbeleid Verantwoording In dit gebied staat weinig bebouwing. De relatief jonge boerderijen en de bijbehorende beplante erven zijn bepalend voor de karakteristiek van het verder voornamelijk open gebied. De vormgeving van de bebouwing is divers. De waarde van het gebied zit meer in de openheid van het landschap dan in de overwegend bescheiden bebouwing. De diversiteit van de bebouwing kan dan ook in nieuwe ontwikkelingen doorgezet worden. Daarbij zal wel naar belendende bebouwing gekeken moeten worden. Beleid 1. De bestaande bebouwingskarakteristieken van het complex en de directe omgeving dienen te worden gerespecteerd. Zie de gebiedsbeschrijving. 2. Bij vervanging en grote uitbreidingen aan andere bestaande gebouwen en bij nieuwbouw is vernieuwing onder voorwaarden mogelijk. Zie daartoe hoofdstuk 6.2. 3. Bij verbouwingen en uitbreidingen aan de bijzondere elementen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden behouden en waar mogelijk versterkt. Welstandscriteria Bouwplannen worden getoetst aan de volgende welstandscriteria: Situering 1. Bouwplannen aan of bij de bestaande boerderijen en woningen van het boerderijtype dienen gesitueerd te worden conform de bestaande karakteristieken. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 2. Bij nieuwbouw en de overige bebouwing dient deze in ieder geval op de weg te worden georiënteerd. 3.

Bijgebouwen zijn ten opzichte van het hoofdgebouw zodanig gesitueerd dat zij ondergeschikt zijn en met het hoofdgebouw en elkaar een samenhangend geheel vormen. Vormgeving 1. Bij bouwplannen aan of bij historische en wederopbouw boerderijen en woningen van het boerderijtype dienen de bestaande bebouwingskarakteristieken van het gebouw en de directe omgeving te worden gerespecteerd. Daarbij is in ieder geval relevant: boerderijtype, de dakvorm en schaal en maat. Zie ook de gebiedsbeschrijving 2. Uitbreiding van de woonfunctie in een bestaande of voormalige boerderij mag niet ten koste gaan van de uiterlijke verschijningsvorm. Daarbij dient in ieder geval het onderscheid tussen woon- en bedrijfsgedeelte in de gevels herkenbaar te blijven.

49

Welstandsnota 2016

3. Bij de overige bebouwing is vernieuwing mogelijk maar met respect voor de directe omgeving qua maat, schaal, kapvorm en van de bestaande bebouwing. 4. Een uitbreiding mag niet dominant zijn ten opzichte van het hoofdgebouw. Hij moet qua vorm aansluiten op de bestaande bouw. Een afwijkende vorm is toegestaan als deze aan de achterzijde staat. 5. Bijgebouwen worden vormgegeven conform de bestaande karakteristieken van de omgeving. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 6. Bij nieuwbouw van een woning kiezen voor een eenvoudige bouwmassa met als basis een rechthoekige plattegrond. Het dak is daarbij onaangetast. 7. De plaats, afmetingen en verhoudingen van de raam-, deur- en andere openingen dienen goed op elkaar afgestemd te zijn en op de karakteristieken van het gebouw. 8. Bij verbouwingen en uitbreidingen aan de bijzondere elementen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden behouden en waar mogelijk versterkt. Detaillering, kleuren en materialen 1. Bij uitbreidingen en verbouwingen dienen Bij uitbreidingen en verbouwingen dienen materialen en kleuren toegepast te worden die gelijk zijn aan of harmoniërend met het bestaande gebouw. 2. Er dienen kleuren toegepast te worden die passen bij de directe omgeving. 3. Bij nieuwbouw dienen materialen en kleuren te worden toegepast die gelijk zijn aan of harmonierend met directe omgeving. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 4.

De gekozen detaillering, materialen en kleuren moeten het karakter van het bouwwerk ondersteunen. 5. De detaillering dient sober te zijn tenzij de bestaande karakteristieken daartoe aanleiding geven. Bij reclame, monumenten, zendinstallaties en antennes gelden de criteria zoals beschreven in hoofdstuk 5.

50

Welstandsnota 2016

Gebied 3 Uiterwaarden Gebiedsbeschrijving Structuur Langs de rivieren Rijn en Waal liggen buitendijks uiterwaarden. Hier krijgt de natuur de ruimte naast de gangbare landbouw. Na de bedijking van de Betuwe rond 1300, met een zomer en een winterkade, werd het gebied als weide en hooiland gebruikt en werd er klei gewonnen voor de baksteenfabricage. Het terrein is niet vlak en de openheid neemt als gevolg van natuurontwikkeling af. Er is weinig bebouwing. Aan de zomerkade en dus aan de rivier, ligt op terpen de bebouwing. Via een doodlopende weg door de uiterwaarden heen worden de gebouwen bereikt. Bij hoog water staan de gebouwen midden in het water.

In de Randwijkse Uiterwaarden zijn drie clusters van bebouwing aanwezig. Verder is er incidenteel wat bebouwing. Bij het Sluis-stuwcomplex bij Driel staan enkele verspreid staande gebouwen die bij het functioneren van het complex horen. De A50 ligt op bruggen die de stroom van het water in de rivier ook bij hoog water zo weinig mogelijk belemmeren. Bij de steenfabrieken staan de schuren evenwijdig aan de rivier. Bij de overige bebouwing staat de meeste bebouwing gericht naar de rivier.

51

Welstandsnota 2016

Bebouwing Steenfabrieken Er zijn twee nog werkende steenfabrieken. Daarnaast is er nog één ruïne aan de Rijn en is er een herkenbare voormalige locatie van een steenfabriek, (“De Steenoven”) aan de Waal. Bij de werkende steenfabrieken zijn de schoorsteenpijpen een oriëntatiepunt in de omgeving. De kleinste steenfabriek heeft historische bebouwing en geen beplanting. De grootste fabriek heeft diverse gebouwen van een forse maat en is door een dijk en beplanting omgeven aan de zijde van de uiterwaard. Bij de ruïne staat een eenvoudig huis en op het voormalige steenfabriekcomplex staat een T-boerderij met enkele bijgebouwen. Het is een camping door beplanting omgeven.

Overige bebouwing De kleinste steenfabriek is onderdeel van een lint met vier woningen en een boerderij. Eén woning is de bedrijfswoning van de fabriek, vervolgens staan er twee vrijstaande woningen, waaronder één wit gestuukt. De boerderij is een agrarisch bedrijf met stallen omgeven door een dijk.

52

Welstandsnota 2016

Bij de pont over de Rijn bij Lexkesveer staan twee gebouwen. Een voormalige herberg, nu woning met kantoor en een café-restaurant met terras aan het water. De voormalige herberg is een gebouw met een groot volume en het caférestaurant is klein en laag.

Detaillering De bebouwing is overwegend gemetseld in een rood genuanceerde steen. Enkele panden zijn wit gestuukt.

Bijzondere elementen De stuw bij Driel is met de twee bogen een landmark in het gebied. Alle bouwwerken op het Sluisstuwcomplex zijn overwegend wit en hebben een plat dak. Er is geen verhullende beplanting.

De twee bruggen over de twee rivieren hebben een eigen beeldkenmerk en zijn van beton gebouwd. De brug over de Waal is in de verte te zien door de rode streep langs het wegdek en de twee pylonen. Deze brug kenmerkt zich door zijn slanke constructie en fraaie vormgeving.

53

Welstandsnota 2016

Welstandsbeleid Verantwoording In het gebied staat weinig bebouwing. Alle bebouwing is uniek en individueel vormgegeven. Verbouwingen en uitbreidingen dienen dan ook voornamelijk in relatie tot het gebouw zelf te worden beoordeeld. Bij nieuwbouw zijn er weinig karakteristieken die als uitgangspunt kunnen gelden, diverse vormgeving is dus mogelijk. De basiskwaliteit van het landschap dient te worden gehandhaafd. Beleid 1. De bestaande bebouwingskarakteristieken van het complex en de directe omgeving dienen te worden gerespecteerd. Zie de gebiedsbeschrijving. 2. Bij vervanging en grote uitbreidingen aan andere bestaande gebouwen en bij nieuwbouw is vernieuwing onder voorwaarden mogelijk. Daartoe gelden de criteria voor architectonische kwaliteit in hoofdstuk 5.2. 3. Bij verbouwingen en uitbreidingen aan de bijzondere elementen dienen de bestaande bebouwingskarakteristieken te worden behouden en waar mogelijk versterkt. Welstandscriteria Bouwplannen worden getoetst aan de volgende welstandscriteria: Situering 1. Bouwplannen dienen gesitueerd te worden conform de bestaande karakteristieken. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 2. Bijgebouwen zijn ten opzichte van het hoofdgebouw zodanig gesitueerd dat zij daaraan ondergeschikt zijn. Zij moeten in elk geval met elkaar en met het hoofdgebouw een samenhangend geheel vormen. 3.

Bijgebouwen worden vormgegeven conform de in de gebiedsbeschrijving beschreven karakteristieken. 4. Bij nieuwbouw van een woning kiezen voor een eenvoudige bouwmassa met als basis een rechthoekige plattegrond. Het dak is daarbij onaangetast. Vormgeving 1. Bij verbouwingen en uitbreidingen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden gerespecteerd. 2. Bij nieuwbouw is vernieuwing mogelijk maar met respect voor de bebouwingskarakteristieken in de directe omgeving, de vormgeving, maat en schaal van de bestaande bebouwing. 3. De plaats, afmetingen en verhoudingen van de raam-, deur- en andere openingen dienen goed op elkaar en op de karakteristieken van het gebouw afgestemd te zijn. 4. Een uitbreiding mag niet dominant zijn ten opzichte van het hoofdgebouw. Hij moet qua vorm aansluiten op de bestaande bouw. Een afwijkende vorm is toegestaan als deze aan de achterzijde staat.

54

Welstandsnota 2016

Gebied 4 Recreatiegebieden Gebiedsbeschrijving Structuur Dit gebied behelst zeer diverse recreatieterreinen, variërend van de recreatieplassen bij SlijkEwijk tot de golfbaan Welderen en campings. Een algemeen kenmerk van deze terreinen is dat ze zijn samengesteld uit verschillende gebouwen die zich op een afgebakend terrein bevinden. In hun totaliteit vormen ze een ruimtelijke eenheid, die zich duidelijk onderscheidt van zijn omgeving in functies en bebouwingstypologie. De terreinen liggen aan een invalsweg of doorgaande weg in of net buiten de bebouwde kom. Er is in het algemeen slechts één entree. Ze worden omheind door groen (hagen), door een hekwerk of door water. De terreinen zijn niet altijd vrij toegankelijk. Parkeren gebeurt op het eigen terrein. Bebouwing Zoals gezegd wijkt de bebouwing in deze terreinen af van die in de directe omgeving. Binnen een terrein is er veel onderlinge variatie in gebouwen. De groene buitenruimte vormt dan het verbindende element. Op het recreatieterrein Park Tergouw in Oosterhout bevinden zich houten chalets en stacaravans. De bouwmassa’s bestaand uit een rechthoekige of L-vormige basisvorm van één bouwlaag welke is afgedekt met een plat dak of een hellend dak van maximaal 45 graden. De bouwmassa’s staan minimaal 3 meter van elkaar af en met de kopse kant georiënteerd op de ontsluitingsweg. Minimaal 40% van de breedte staat in de rooilijn.

Bijgebouwen staan minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn. De gevelopbouw is traditioneel. De gevels zijn opgebouwd uit verticaal of horizontaal geplaatste rabatdelen eventueel boven een metselwerk plint en vertonen weinig plasticiteit. Het kleurgebruik is beperkt tot de materiaaleigen kleur van hout of hout geschilderd in een grijstint of donkere kleur. Hellende daken zijn uitgevoerd als pannendak, Aquapan, daksingels of riet. Dakkapellen komen niet voor. 55

Welstandsnota 2016

Bij Strandpark Slijk-Ewijk zijn in de twee aanliggende boerderijen recreatieve activiteiten in de schuur ontwikkeld. De boerderijen zelf worden bewoond. Bij boerderij de “Leijgraaf” is in de schuur een horecavoorziening gevestigd en bij boerderij “De Hooge Brug” bevindt zich in de voormalige schuur o.a. de receptie van de achtergelegen camping. Op het terrein van het strandpark staat een toiletgebouw.

Aan de Tielsestraat is een restaurant met terras gebouwd.

Aan de Grote Molenstraat ligt een golfterrein. Het clubhuis is achter en ten noorden van boerderij “Welderen” gebouwd. De bebouwing heeft een landelijke uitstraling en past bij de nieuwe functie van het terrein.

56

Welstandsnota 2016

Aan de rand van de Liedermeint liggen naast elkaar camping ‘De Overbetuwe’ en het vakantiehuisjescomplex ‘Olmenhoeve’. Zij worden omgeven door beplanting. Op de camping staat centraal de receptie voor beide terreinen met kantine. Deze bestaat uit één laag met plat dak. Twee bij het terrein behorende woningen hebben een landelijke maar afwijkende architectuur.

Aan de Waaldijk ligt bij Oosterhout camping ‘Grote Altena’. Bij het buitendijks gebouwde restaurant met terras, dat wit is geverfd, ligt tegen de dijk aan een terrein met vaste staplaatsen. Onder aan de dijk ligt in de uiterwaard het overige gedeelte van de camping.

57

Welstandsnota 2016

Detaillering Kleuren en materialen zijn zeer divers. Op het terrein van het strandpark staat een toiletgebouw met dezelfde vormgeving, kleur (blauw) en materialen (betonsteen) als de verbouwde schuur van de boerderij de “Leijgraaf”. Het restaurant en de schuur aan de Tielstraatzijn van hout gebouwd en hebben een groot rood pannen dak, passend in de landelijke en recreatieve omgeving. Welstandsbeleid Verantwoording In dit gebied liggen recreatieterreinen die verschillen in zowel grootte als vorm en functie. De bebouwing is dan ook zeer divers en wijkt vaak af van de bebouwing in de directe omgeving. De recreatieterreinen zijn een wereld op zich en alleen aan de randen is rekening gehouden met de meestal landelijke omgeving. Bouwplannen dienen dan ook getoetst te worden aan de bestaande karakteristieken op de terreinen en indien van toepassing aan de bebouwing in de landelijke omgeving. Beleid 1. Bij verbouwingen en uitbreidingen dienen de bebouwingskarakteristieken zoals beschreven in de gebiedsbeschrijvingen te worden gerespecteerd. 2. Bij nieuwbouw is vernieuwing mogelijk. Daartoe gelden de criteria voor architectonische kwaliteit in hoofdstuk 5.2. Voor Park Tergouw in Oosterhout blijft de bestaande beeldkwaliteit het uitgangspunt. 3. Aan de randen met het buitengebied dient te worden aangesloten op de bebouwingskarakteristieken van de directe omgeving.

Welstandscriteria Bouwplannen worden getoetst aan de volgende welstandscriteria: Situering 1. Bouwplannen dienen gesitueerd te worden conform de bestaande karakteristieken. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 2. Bijgebouwen zijn ten opzichte van het hoofdgebouw zodanig gesitueerd dat zij hieraan ondergeschikt zijn. Daarnaast vormen hoofdgebouw en bijgebouwen qua situering een samenhangend geheel. Vormgeving 1. Bij verbouwingen en uitbreidingen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden gerespecteerd. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 2. Bij vervanging en grote uitbreidingen aan andere bestaande gebouwen en bij nieuwbouw is vernieuwing onder voorwaarden mogelijk.

58

Welstandsnota 2016

3. De plaats, afmetingen en verhoudingen van de raam-, deur- en andere openingen dienen goed op elkaar en op de karakteristieken van het gebouw afgestemd te zijn. 4. Bij nieuwbouw aan de rand met het buitengebied dient qua vorm, maat en schaal te worden aangesloten op de bebouwing uit het buitengebied. Detaillering, kleuren en materialen 1. Detaillering, kleuren en materialen dienen aan te sluiten bij de karakteristieken van de gebouwen en de bouwwerken in de directe omgeving. 2. Aan de randen met het buitengebied mogen geen grote lichte en/of reflecterende vlakken worden toegepast. 3. De gekozen detaillering, materialen en kleuren ondersteunen het karakter van het bouwwerk. Bij reclame, monumenten, zendinstallaties en antennes gelden de criteria zoals beschreven in hoofdstuk 5.

59

Welstandsnota 2016

Gebied 5 Historische invalwegen Gebiedsbeschrijving Structuur De invalswegen van de dorpen in Overbetuwe vormen de oudste gedeelten van deze kernen. De dorpen zijn hierlangs ontstaan. De invalswegen zijn meestal licht gekromd en volgen de stroomruggen of dijken van het rivierenlandschap. Ze kunnen in twee hoofdtypes worden onderscheiden: 1. Aftakkingen van de weg over de dijk : Heteren, Driel, Oosterhout, Randwijk, Slijk-Ewijk. 2. Lintbebouwing langs een doorgaande route: Elst, Zetten, Andelst, Herveld, Valburg. De bebouwing is grotendeels vóór de tweede wereldoorlog tot stand gekomen. Bij de ‘dijkdorpen’ ligt de invalsweg haaks op de dijk. De toegang tot het dorp wordt gemarkeerd door een kerktoren of een ander markant gebouw zoals de molen in Herveld.

Bij de andere invalswegen is het start- of eindpunt niet zo helder aan te geven. De lintbebouwing verandert van ruim opgezette landelijke bebouwing naar meer aaneengesloten stedelijke bebouwing. De kerk en omgeving halverwege of aan het begin van het lint vormen meestal de kern van het dorp. Hier bevinden zich ook winkels en andere voorzieningen. Soms wordt de weg breder waardoor er een pleinvormige ruimte ontstaat zoals in Heteren, Andelst en Zetten. De randen worden gevormd door winkelbebouwing. Op het plein wordt geparkeerd. De invalswegen zijn niet altijd tweezijdig bebouwd. Soms bevinden er zich nog oude boomgaarden en moestuinen langs de invalswegen. Er zijn veel doorzichten naar het buitengebied.

60

Welstandsnota 2016

In de kern van de dorpen staan de panden dichter op elkaar. Hier is het straatprofiel nauwer en bevindt de bebouwing zich dichter op de weg. Het bebouwingsbeeld is kleinschalig.

Grotere gebouwen betreffen vaak recente toevoegingen zoals winkels, woonvoorzieningen of scholen.

De panden langs de invalswegen liggen niet altijd strikt in een rooilijn. Ze richten zich echter wel altijd met een (kop)gevel naar de weg. Samen met de kromming van de wegen ontstaat er een verspringend en daardoor gevarieerd straatbeeld. Opvallende en terugkerende elementen langs de invalswegen zijn de kerken, het (voormalige) gemeentehuis, het plaatselijke hotel/café en de woningen van de vroegere notabelen. De overige bebouwing bestaat uit woningbouw en enige winkels.

Bebouwing Langs de invalswegen bevindt zich de oorspronkelijke en oudste bebouwing van de kernen. Aan de randen van het dorp bestaat deze uit (voormalige) boerderijen. De woonfunctie overheerst. Het bebouwingbeeld is gevarieerd en beslaat diverse periodes en bouwstijlen. De meeste bebouwing dateert uit de vooroorlogse bouwperiode alsmede de bouwperiode van de wederopbouw. Recentere bebouwing betreft invullingen langs het lint en bij de randen van de dorpen.

61

Welstandsnota 2016

Het meest voorkomende gebouwtype is de vrijstaande woning met een kap. De bijbehorende gebouwen zoals schuren en hallen liggen naast of achter de woning. Ze zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. De hoofdvorm is eenvoudig, meestal gebaseerd op een rechthoek, met een zadeldak haaks op of evenwijdig aan de weg. Andere kapvormen zijn het mansardedak en het schilddak, al dan niet met wolfseinden. In de kernen komen ook platte daken voor. De (vooroorlogse) villa’s hebben meestal samengestelde dakvormen.

De panden hebben één tot twee bouwlagen met een kap. Woningen met meerdere bouwlagen komen in de kernen voor. Goot- en nokhoogte variëren. De boerderijen hebben meestal een lage goothoogte. De rooilijn wordt niet strikt gevolgd. De gebouwen zijn wel altijd naar de weg toe gericht. Uitzonderingen vormen enige oudere landhuizen die terug liggen ten opzichte van de weg op een groot perceel. Recente invullingen vertonen de kenmerken van de periode waarin ze werden gerealiseerd: opvallend is de lichte kleurstelling van deze panden.

62

Welstandsnota 2016

Openbare voorzieningen als scholen en kleine winkelcentra bestaan uit één tot twee lagen met een plat dak. Andere gebouwen zoals de voormalige gemeentehuizen hebben hun eigen architectuur. Ze liggen verder terug en zijn soms omringd door een gazon of open ruimte (Heteren, Andelst).

Detaillering De woningen langs de invalswegen hebben roodbruine of lichtbruine bakstenen gevels. Gepleisterde gevels komen ook veel voor. De daken hebben rode of zwarte pannen. Rieten daken komen weinig voor. De detaillering is sober en eenvoudig. De villa`s van de vroegere notabelen zijn wel rijker gedecoreerd. De panden zijn voorzien van dakoverstekken, luifels, serres en houten sierornamenten. De meer recente bebouwing is overwegend rustig en sober gedetailleerd.

63

Welstandsnota 2016

De oude winkelpanden hebben op de begane grond vaak grote glazen puien. Erboven wordt gewoond. De jongere winkels zijn opgebouwd uit lichtgekleurd metselwerk en voorzien van een plat dak. De entree met luifel is vaak opvallend.

Bijzondere elementen Als bijzondere elementen kunnen alle kerken langs de invalswegen worden genoemd. Zij fungeren als herkenningspunten en markeren de toegang tot het dorp. De molen van Herveld heeft dezelfde functie.

64

Welstandsnota 2016

Deze villa in Oosterhout (nu een bedrijf) is een van de weinige houten huizen in de omgeving. Daarnaast valt zij op door het kleurgebruik.

Het voormalig gemeentehuis van Valburg in Andelst. Een mooi voorbeeld van het ‘nieuwe’ bouwen. De bijbehorende toren is bijzonder.

65

Welstandsnota 2016

Het voormalig (oude) gemeentehuis van Heteren: prachtig gelegen langs de dijk. De nieuwe aanbouw is een afwijkend element. In Herveld-Noord is het zorgcentrum een hoog gebouw van meerdere bouwlagen. Een tegenstelling tot de tweelaagse bebouwing in het dorp.

Het voormalige (nieuwe) gemeentehuis van Heteren (thans een school) is een opvallend en grootschalig element langs de invalsweg.

Welstandsbeleid Verantwoording De historische invalswegen zijn de oudste routes in de dorpen waarlangs zich de oorspronkelijke en oudste bebouwing bevindt. De centra van de dorpen liggen aan de invalsweg of worden gevormd door een deel hiervan. De invalswegen zijn dan ook van groot belang voor de openbare ruimte in de gemeente. De bebouwing is in situering en vormgeving gevarieerd. Kleinschalige woningen overheersen, maar ook andere functies waaronder grote (openbare) gebouwen komen voor. De bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit vrijstaande gebouwen en is in verschillende tijden en voor uiteenlopende doelen gebouwd. Dit geeft een contrast met de direct erachter gelegen woonwijken die vaak een grotere eenheid vormen. Het gevarieerde beeld gevormd door de individuele gebouwen is kenmerkend en bepaalt ook de kwaliteit van de invalswegen. Beleid 1. Historische invalswegen vallen altijd onder de noemer ‘representatief’ gebied. 2. In representatieve gebieden dient de bestaande architectuur versterk/verbeterd te worden. 3. De bebouwingskarakteristieken van het complex en de directe omgeving dienen te worden gerespecteerd. Zie de gebiedsbeschrijving. 4. Bij vervanging en grote uitbreidingen aan andere bestaande gebouwen en bij nieuwbouw is vernieuwing onder voorwaarden mogelijk. Daartoe gelden de criteria voor architectonische kwaliteit in hoofdstuk 6.2. 5.

Bij verbouwingen en uitbreidingen aan de bijzondere elementen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden behouden en waar mogelijk versterkt.

66

Welstandsnota 2016

Welstandscriteria Bouwplannen worden getoetst aan de volgende welstandscriteria: Situering 1. De gebouwen dienen zoveel mogelijk naar de openbare ruimte gericht te zijn en afgestemd te worden op de plaatselijke situatie. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 2. Bijgebouwen dienen ondergeschikt zijn gesitueerd aan het hoofdgebouw. Zij moeten daarmee een samenhangend geheel vormen. 3. In de kern van het dorp dient de bebouwing zoveel mogelijk de rooilijn te volgen. Vormgeving 1. De bebouwing kan in stijl onderling variëren maar dient afgestemd te worden op de bebouwingskarakteristieken van de directe omgeving. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 2. In de kernen van de dorpen dient de bebouwing qua maat en schaal nauw te worden afgestemd op de directe omgeving. Daarbij moeten de bebouwingskarakteristieken worden gerespecteerd. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 3. Vernieuwing is mogelijk maar met respect voor maat, schaal, en kapvorm van de directe omgeving. 4. Een aanbouw mag niet dominant zijn ten opzichte van het hoofdgebouw. Hij moet qua vorm bovendien goed aansluiten op de bestaande bouw. Een afwijkende vorm is alleen toegestaan aan de achterzijde. 5. Openbare gebouwen en gebouwen met bijzondere functies kunnen in maat en schaal afwijken van de bebouwingskarakteristieken in de directe omgeving. 6.

De plaats, afmeting en verhoudingen van de raam-, deur- en andere openingen dienen goed op elkaar en op de karakteristieken te zijn afgestemd. Detaillering, kleuren en materialen 1. Bij uitbreidingen, verbouwingen en veranderingen dienen materialen en kleuren toegepast te worden gelijk aan of harmoniërend met het bestaande gebouw. 2. Bij nieuwbouw zijn diverse kleuren en materialen toegestaan mits deze harmoniëren met de directe omgeving. 3. Aan de randen met het buitengebied mogen geen lichte kleuren of glimmende materialen worden toegepast. 4. De gekozen detaillering, materialen en kleuren ondersteunen het karakter van het bouwwerk. Bij reclame, monumenten, zendinstallaties en antennes gelden de criteria zoals beschreven in hoofdstuk 6.

67

Welstandsnota 2016

Gebied 6 Woonwijken vooroorlogs tot jaren veertig Gebiedsbeschrijving Structuur De vooroorlogse wijken in Elst, Andelst, Heteren, Valburg en Zetten bevinden zich rondom de kern, of als een tweede schil langs het lint van de invalswegen. Soms zijn er zijstraten waaraan weer nieuwe bebouwing ontstond. In Heteren en Valburg gaat het ook om wijken die er als een verdicht stukje buitengebied uit zien. Er is in de loop van de tijd veel gewijzigd in deze gebieden waardoor het geen samenhangende wijken meer zijn. Het stratenpatroon wordt gevormd door aftakkingen vanuit de invalswegen en is gekromd. De straten zijn relatief smal en hebben soms trottoirs. Nabij het centrum bestaat de bebouwing uit lage vrijstaande woningen zoals bungalows, jarendertig woningen en een enkele villa. Een opvallend kenmerk is de groene aanblik van deze wijken: riante tuinen en hoge bomen bepalen het straatbeeld. Vaak betreft het gegroeide uitbreidingen, maar meer geplande uitbreidingen komen ook voor. De ongeplande gedeeltes vertonen veel onderlinge variatie in beeld en situering. Dit is een van de charmes van deze wijken. Voormalige boerderijen maken op natuurlijke wijze deel uit van deze uitbreidingen. De planmatige uitbreidingen betreffen veelal kleinschalige complexen van arbeiderswoningen. Hier is sprake van smalle straten met korte rijtjes woningen volgens het ‘tuindorp’ principe.

68

Welstandsnota 2016

Een ander type vooroorlogse wijken wordt gevormd door villa’s en landhuizen voor de notabelen en welgestelde boeren. Een dergelijke wijk bevindt zich in Elst rondom het station. Een algemeen kenmerk van de vooroorlogse wijken is de aanwezigheid van veel groen: voormalige moestuinen, kwekerijen, riante tuinen en vaak hagen op de perceelsgrenzen.

Er is geen strikte rooilijn. Vaak zijn er losse garages of andere bijgebouwen op het perceel aanwezig. De herenhuizen vertonen de kenmerken van het interbellum: tweelaagse bebouwing met een schilddak, grote dakoverstekken en een horizontaal gelaagde gevel.

De villa’s zijn statig en hebben een samengestelde hoofd- en kapvorm. Jugendstil en/of art deco elementen komen voor. De rooilijn ligt dikwijls verder naar achteren dan bij de andere panden in deze wijken.

69

Welstandsnota 2016

Detaillering De voorkomende dakvormen zijn het zadeldak, het mansarde dak en het samengestelde dak. Vaak is een topgevel naar de weg gekeerd. De toegepaste materialen zijn baksteen voor de gevels en gebakken pannen voor de daken. Gepleisterde en witgeschilderde gevels komen ook voor, met name bij de eerdergenoemde villa’s.

De kleine woningen hebben een gepleisterde of rode bakstenen gevel en een rode gebakken of gesmoorde pannen. De detaillering is sober. Een kenmerk dat veel terugkomt zijn kleine dakkapellen met een (zinken) puntdak. De grotere vrijstaande villa’s en herenhuizen hebben dakoverstekken en zijn rijker gedetailleerd, met serres, erkers, veranda’s en overkapte entreepartijen.

Bijzondere elementen De kerk met begraafplaats in Zetten.

70

Welstandsnota 2016

Welstandsbeleid Verantwoording De vooroorlogse wijken in de kernen van de gemeente Overbetuwe zijn de oudste uitbreidingswijken en zij bevinden zich in de nabijheid van de invalswegen. In de oorlog zijn ze nogal beschadigd waardoor er geen grote aaneengesloten wijken meer zijn. De versnipperde delen zijn echter wel als eenheid herkenbaar en waardevol uit historisch oogpunt maar vaak ook uit architectonisch oogpunt. Ook direct na de oorlog zijn kleine buurtjes gebouwd die waardevol zijn door architectuur, detaillering en kleinschaligheid. Daarnaast zijn in dit gebied individuele panden te vinden met een waardevolle architectonische kwaliteit. Beleid 1. De bebouwingskarakteristieken van de directe omgeving dienen te worden gerespecteerd. Zie de gebiedsbeschrijving. 2. Bij nieuwbouw dient te worden gestreefd naar kleinschaligheid en een gevarieerd straatbeeld. Dit geldt niet als de nieuwbouw in een architectonische eenheid wordt tussengebouwd. 3. In representatieve gebieden dient de bestaande architectuur versterkt/verbeterd te worden. Welstandscriteria Bouwplannen worden getoetst aan de volgende welstandscriteria: Situering 1. De gebouwen dienen zoveel mogelijk naar de openbare ruimte gericht te zijn en afgestemd te worden op de plaatselijke situatie. Zie de gebiedsbeschrijving. 2. Bijgebouwen dienen zodanig te zijn gesitueerd dat zij ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw.

Vormgeving 1. Bij verbouwingen en uitbreidingen dienen de bebouwingskarakteristieken van de directe omgeving te worden gerespecteerd. Daarbij is in ieder geval relevant: type, dakvorm, schaal en maat. Zie ook de gebiedsbeschrijving. 2. Bij nieuwbouw is vernieuwing mogelijk maar met respect voor maat, schaal, kapvorm en de gevelindeling van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. 3. Een aanbouw mag niet dominant zijn ten opzichte van het hoofdgebouw. Hij moet bovendien qua vorm goed aansluiten op de bestaande bouw. 4. De plaats, afmeting en verhoudingen van de raam-, deur- en andere openingen dienen goed op elkaar en op de karakteristieken van het hoofdgebouw te zijn afgestemd. Detaillering, materialen en kleuren 1. Bij uitbreidingen, verbouwingen en veranderingen dienen materialen en kleuren toegepast te worden gelijk aan of harmoniërend met het bestaande gebouw. 2. Bij nieuwbouw zijn diverse kleuren en materialen toegestaan mits deze harmoniëren met de directe omgeving. 3. Detaillering, materialen en kleuren dienen te passen bij de al bestaande detaillering. 4. De gekozen detaillering, materialen en kleuren ondersteunen het karakter van het bouwwerk. 5. Aan de randen met het buitengebied mogen geen lichte kleuren of glimmende materialen worden toegepast. Bij reclame, monumenten, zendinstallaties en antennes gelden de criteria zoals beschreven in hoofdstuk 5. 71

Welstandsnota 2016

Gebied 7 Woonwijken wederopbouw Gebiedsbeschrijving Structuur De naoorlogse uitbreidingen worden gekenmerkt door hun rechthoekige stratenpatroon. De woonfunctie is dominant. Het zijn planmatig opgezette wijken parallel aan of in de nabijheid van de invalswegen. Er is een grote mate van herhaling van woningtypes, waardoor deze wijken een grote mate van eenheid vertonen. De stedenbouwkundige structuur bestaat uit een rechthoekig stratenpatroon van hoofdstraten en smallere zijstraten. Het straatprofiel bestaat uit ondiepe voortuinen, trottoirs aan weerszijden. Er wordt op straat geparkeerd. De straten in de latere wijken zijn vaak breder dan die uit de jaren 50. Er is meer ruimte ingeruimd voor parkeren. De wijken hebben een open en groen karakter. In de achtertuinen bevinden zich kleine schuurtjes. De tuinen worden vaak omheind door lage groene hagen. De rooilijn wordt meestal strikt gevolgd. Op een aantal plekken is er een zaagtandverkaveling.

72

Welstandsnota 2016

Aan de randen van deze wijken bevinden zich soms flatgebouwen (drie of vier bouwlagen), halfvrijstaande, ruime woningen en vrijstaande bungalows.

Bebouwing De bebouwing is hoofdzakelijk woningbouw. Andere gebouwen herbergen scholen en openbare functies. Deze bevinden zich meestal in een plantsoen op centrale plekken in de wijken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=c64b2aa6-fa48-4ca7-9b7c-6d07b3217b69