22-12-20.03 Welstandsnota 2016 (3).pdf
Tekst van het document
Welstandsnota Overbetuwe 2016
Colofon: Opdrachtgever: Gemeente Overbetuwe, team Vergunningen en Handhaving Opmaak: Tekstverwerking
Welstandsnota 2016
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Voorwoord
5
Hoofdstuk 2 Inleiding
6
Hoofdstuk 3 Samenvatting
9
Hoofdstuk 4 Welstandsbeleid en procedures
11
Hoofdstuk 5 Algemene en objectgerichte criteria
15
Hoofdstuk 6 Gebiedsgerichte welstandscriteria
25
Gebied 1 Oeverwallen en stroomruggen
29
Gebied 2 Komgronden
45
Gebied 3 Uiterwaarden
51
Gebied 4 Recreatiegebieden
55
Gebied 5 Historische invalwegen
60
Gebied 6 oonwijken vooroorlogs tot jaren 40
68
Gebied 7 Woonwijken wederopbouw
72
Gebied 8 Woonwijken jaren zeventig en tachtig
78
Gebied 9 Woonwijken recente uitbreidingen
82
Gebied 11 Bedrijventerreinen
89
Gebied 12 Elst centrum
94
Gebied 13 Zetten centrum
100
Gebied 14 Hemmen
103
Gebied 15 Helderingstichting e.o.
107
Bijlage 1 Criteria voor ambtelijke toetsing van kleine bouwwerken Bijlage 2 Begrippenlijst Bijlage 3 Literatuurlijst Bijlage 4 Overzichtkaarten kernen Bijlage 5 Overzichtskaart buitengebied
109 127 129 130 142
3
Welstandsnota 2016
4
Welstandsnota 2016
Hoofdstuk 1
Voorwoord
Meer mogelijk maken en borgen ruimtelijke kwaliteit De gemeente Overbetuwe is een aantrekkelijke gemeente om te wonen en te verblijven. Het uiterlijk van de kernen en het buitengebied draagt daaraan bij. Wij willen dat zo houden. Veranderingen in de gemeente gaan vaak heel geleidelijk. Door kleine bouwinitiatieven van particulieren en grotere ontwikkelingen verandert de omgeving voortdurend. Het welstandsbeleid is één van de middelen waarmee u als gemeenteraad stuurt op de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. Het is ook een uitdaging om bestaande en nieuwe gebieden te ontwikkelen in samengang met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Snelheid Ons uitgangspunt is om zo snel mogelijk een besluit op een ingediende aanvraag om omgevingsvergunning te nemen. Hierbij is een voortvarende welstandsadvisering over een aanvraag gewenst. Om dit proces te versnellen, is in de welstandsnota een lijst met criteria opgenomen, waardoor over de meeste aanvragen snel advies kan worden uitgebracht als zij voldoen aan die criteria. Hierbij hoeft de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit veelal niet te worden ingeschakeld. Voldoet de aanvraag niet aan de criteria, zal de aanvraag om advisering aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden voorgelegd.
Behoud van kwaliteit De nieuwe welstandsnota draagt bij aan een snelle en zorgvuldige advisering van aanvragen om omgevingsvergunning waarbij de vereiste ruimtelijke kwaliteit wordt geborgd. Dynamische welstandsnota De welstandsnota zal om de twee jaar worden geëvalueerd en indien nodig worden aangepast. Hierdoor wordt in de toekomst geborgd dat de welstandsnota aansluit op de huidige en toekomstige ontwikkelingen binnen de gemeente. De welstandsnota blijft zo een goede basis vormen voor de ontwikkelingen die een positieve invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van onze gemeente.
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS, de gemeentesecretaris, de burgemeester,
drs C.W.W. van den Berg
drs A.S.F. van Asseldonk
5
Welstandsnota 2016
Hoofdstuk 2
Inleiding
2.1. Inleiding Deze welstandsnota gaat over het duurzaam bevorderen van de kwaliteit van de bebouwing en omgeving in de gemeente Overbetuwe. Oude en nieuwe gebouwen, in al hun verscheidenheid, vormen met elkaar het aanzien en daarmee de welstand van de gemeente. De gemeente Overbetuwe wil zorgvuldig omgaan met de bebouwing en de openbare ruimte. Zij wil ook haar burgers inspireren en stimuleren zorgvuldig om te gaan met (verbouwingen aan) hun gebouwde eigendommen. Deze welstandsnota is hiervoor geschreven. Met deze welstandsnota geeft de gemeente uitvoering aan de eisen die de Woningwet stelt ten aanzien van het welstandstoezicht. 2.2. Leeswijzer 2.2.1. Wat is een welstandsadvies? In principe wordt elk bouwplan getoetst aan “redelijke eisen van welstand”. Met ander woorden: heeft het plan, zowel op zichzelf als in zijn omgeving, een aanvaardbare vormgeving? Ofwel: ziet het er acceptabel uit en past het in de omgeving? Die toets wordt gedaan door de CRK. Deze commissie is onafhankelijk en bestaat overwegend uit deskundige mensen. Die komen tot een gezamenlijk oordeel. Dat oordeel wordt vastgelegd in een advies. Het advies gaat naar het college van burgemeester en wethouders. Het college beslist dan of een omgevingsvergunning wordt afgegeven of niet. Een positief welstandadvies is een voorwaarde voor het verlenen van een omgevingsvergunning.
Waaraan wordt een bouwplan getoetst? Elk plan wordt getoetst aan de hand van de welstandsnota. Daarin staan criteria (kenmerken/voorschriften). Er zijn verschillende soorten welstandscriteria: criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken, gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria. Sommige criteria gelden voor de gehele gemeente. Andere alleen in bepaalde gebieden. Criteria voor reclame Reclame komt door de hele gemeente voor, zij het dat er concentraties zijn in gebieden met veel detailhandel en andere bedrijvigheid. In deze nota worden reclames beschouwd als een aparte categorie kleine bouwwerken. Deze criteria zijn vervolgens wel onderverdeeld in criteria voor reclame bij monumenten, in woongebieden, winkelgebieden, recreatie- en sportterreinen, buitengebied en bedrijventerreinen. De reclamecriteria zijn verwoord in Bijlage 1 van deze welstandsnota, als aparte categorie kleine bouwwerken. Waarvoor zijn de criteria voor kleine bouwwerken? Als een vergunning past binnen de omschreven criteria dan wordt voldaan aan de welstandnota. Deze criteria worden ambtelijk getoetst.
6
Welstandsnota 2016
Als een plan niet voldoet aan criteria voor kleine bouwwerken? Dan wordt het voorgelegd aan de CRK. Die toetst het plan aan de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria. ♦ Gebiedsgerichte criteria (hoofdstuk 5) De gemeente is verdeeld in 15 gebieden (zie overzichtskaart en de kaartjes van de komdorpen). Voor elk gebied (bijvoorbeeld woonwijken, bedrijfsterreinen, agrarisch gebied e.d.) gelden eigen criteria. Die criteria komen voort uit de gebiedsbeschrijving. De criteria gaan over de situering, de vormgeving, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik van het plan. In de criteria is vaak verwezen naar de gebiedsbeschrijving, bijvoorbeeld: “er dienen kleuren en materialen te worden toegepast die overeenstemmen met de bestaande karakteristieken zoals in de gebiedsbeschrijving beschreven”. De gebiedsbeschrijvingen zijn ingedeeld met een aantal kopjes: structuur, bebouwing, detaillering en bijzondere elementen. Hierdoor zijn op relatief eenvoudige wijze de kenmerken terug te vinden. Die kenmerken zijn nodig bij het ontwerp van een bouwplan. ♦ Objectgerichte criteria en algemene criteria (hoofdstuk 6) Voor monumenten zijn eigen welstandscriteria geformuleerd. Die criteria gelden in de gehele gemeente. In sommige gebiedsgerichte criteria komt het voor dat een plan een goede architectonische kwaliteit moet hebben. Architectonische kwaliteit is een abstract begrip.
Dat begrip is in de criteria zo goed mogelijk uitgewerkt. ♦ Bijzondere beoordeling Dit aspect heeft vooral betrekking op bouwen bij een monument. Hoofdstuk 6.3 gaat daarop nader in. Een bouwplan kan van invloed zijn op een monument. Daarmee moet dus rekening gehouden worden. Vastgelegd is dat het bouwplan moet harmoniëren met het monument. Concreet betekent dit dat het bouwplan geen groot contrast mag vormen met het monument. Als het kan moet het bouwplan kenmerken overnemen van het monument. Daarbij moet het bouwplan architectonische kwaliteit hebben en dus voldoen aan de criteria voor architectonische kwaliteit. Bij het welstandsbeleid wordt een aantal termen (begrippen) gebruikt. Die begrippen worden toegelicht in bijlage 2. In onderstaande tabel is aangegeven welke welstandscriteria wanneer gelden. Bij het Omgevingsloket van de gemeente kunt u ook navragen waaronder uw bouwplan valt.
7
Welstandsnota 2016
Soort bouwplan
Bijzondere voorwaarden
Kleine bouwwerken ( bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken of dakkapellen)
Criteria voor kleine bouwwerken (Gelden niet voor Representatieve gebieden, zie pagina ) Aan een monument
Regulier bouwplan (dit zijn alle andere bouwwerken)
Omgevingsvergunningsvrij bouwplan (zie www.omgevingsloket.nl)
Soort criteria
Criteria voor monumenten (hfdst. 5.3) Gebiedsgerichte criteria (hfdst. 6)
Aan een monument
Criteria voor monumenten (hfdst. 5.3)
Als er in de gebiedsgerichte criteria is aangegeven dat er architectonische kwaliteit wordt verlangd
Gebiedsgerichte criteria en de criteria voor architectonische kwaliteit
Geldt niet voor monumenten Geen toetsing en dus geen criteria vooraf Bij zeer ontsierende vorm geving
8
Eventueel toetsing achteraf volgens de criteria voor excessen. (hfdst. 5.5)
Welstandsnota 2016
Hoofdstuk 3
Samenvatting
3.1. Inleiding Deze welstandsnota gaat over het duurzaam bevorderen van de kwaliteit van de bebouwing en omgeving in de gemeente Overbetuwe. Oude en nieuwe gebouwen, in al hun verscheidenheid, vormen met elkaar het aanzien en daarmee de welstand van de gemeente. De gemeente Overbetuwe wil zorgvuldig omgaan met de bebouwing en de openbare ruimte. Zij wil ook haar burgers inspireren en stimuleren zorgvuldig om te gaan met (verbouwingen aan) hun gebouwde eigendommen. Deze welstandsnota is hiervoor geschreven. Essentieel in de welstandsnota zijn de gebiedsgerichte criteria. Hoofdstuk 6 ‘Gebiedsgerichte welstandscriteria’ vormt met 15 gebiedsbeschrijvingen dan ook de kern van de nota. Met deze welstandsnota geeft de gemeente uitvoering aan de eisen die de Woningwet stelt ten aanzien van het welstandstoezicht. De onderstaande samenvatting geeft de essentie weer van de hoofdstukken 4 t/m 6 van deze nota. 3.2. Welstandsbeleid en procedures voor de toetsing Een aantal ruimtelijke plannen is van invloed op welstandsbeleid. Daartoe behoren in ieder geval bestemmingsplannen en beeldkwaliteitsplannen. Voor de gebieden waarvoor een beeldkwaliteitsplan is vastgesteld en die nog in ontwikkeling zijn, geldt voor de nieuwbouw van bouwwerken het beeldkwaliteitsplan in plaats van de welstandsnota. Zodra deze gebieden uit ontwikkeld zijn, zijn de beeldkwaliteitsplannen niet meer van kracht.
In deze situatie geld dan de regelgeving van de welstandsnota. Op website van de gemeente kunt u lezen welke beeldkwaliteitsplannen van kracht zijn. De welstandstoets is bij de uitvoering van de gemeente. In de de welstandstoets cricriteria zijn deels gelijk en deels verschillend vergunningplichtige de welstandscriteria bouwwerken gelden geformuleerde criteria, beelden en –schetsen.
een belangrijk instrument het ruimtelijk beleid van welstandsnota zijn voor teria geformuleerd. Deze voor de hele gemeente per deelgebied. Alle gebouwen worden aan getoetst. Voor kleine zo concreet mogelijk aangevuld met referentie-
De gemeenteraad vast en evalueert het Op basis daarvan is mogelijk. Het college wethouders voert het
stelt de welstandsnota welstandsbeleid jaarlijks. tussentijdse aanpassing van burgemeester en welstandsbeleid uit.
3.3. Algemene en objectgerichte criteria In hoofdstuk 5 zijn criteria genoemd die in de gehele gemeente gelden. Het gaat enerzijds om meer algemene criteria, zoals de criteria voor architectonische kwaliteit. Anderzijds gaat het om objectge-
9
Welstandsnota 2016
richte criteria bijvoorbeeld de criteria voor monumenten. Daarnaast zijn in hoofdstuk 5.6 objectgerichte criteria toegevoegd voor nutsgebouwen, civieltechnische bouwwerken et cetera. 3.4. Gebiedsgerichte welstandscriteria Hoofdstuk 6 is de kern van de nota. De gemeente Overbetuwe is in 15 gebieden ingedeeld. Ieder gebied is beschreven en aan de hand daarvan zijn welstandscriteria opgesteld. De vijftien gebieden die de gemeente telt zijn in drie categorieën onder te verdelen: generiek, specifiek en buitengebied. De generieke gebieden, zoals de woonwijken uit de wederopbouw, komen door de hele gemeente voor. De specifieke gebieden zijn unieke gebieden, voorbeelden zijn de kern van Elst of Zetten. Het buitengebied is naar aanleiding van landschappelijke aspecten in 3 gebieden ingedeeld. Grondgebied Overbetuwe
Iedere gebiedsbeschrijving is volgens een vast stramien opgezet: kaart, gebiedsbeschrijving (structuur, bebouwing, detaillering), bijzondere elementen, welstandsbeleid en tot slot de welstandscriteria. Bij iedere gebiedsbeschrijving zijn een kaart en foto’s gevoegd om de tekst begrijpelijker te maken (zie afbeeldingen op pagina vier). De foto’s zijn een integraal deel van de beschrijving. De gebiedsbeschrijving is de basis voor de formulering van het welstandsbeleid. Het beleid is uitgewerkt in welstandscriteria. De criteria zijn toegespitst op drie schaalniveaus van de bouwplannen; • situering, • vormgeving, • detaillering, kleuren en materiaalgebruik.
10
Welstandsnota 2016
Hoofdstuk 4
Welstandsbeleid en procedures
4.1. Inleiding In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste uitgangspunten van het welstandsbeleid beschreven. Ook de procedures voor het welstandsadvies en de CRK zijn beschreven. Deze uitgangspunten vinden hun vertaling in het gebiedsgerichte welstandsbeleid in hoofdstuk 6 en de welstandscriteria in hoofdstuk 5. 4.1.1. Bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit door gebiedsgerichte criteria Deze welstandsnota gaat over het duurzaam bevorderen van de kwaliteit van bebouwing en omgeving in de gemeente Overbetuwe. De welstandstoets is daarbij een belangrijk hulpmiddel. Door middel van welstandscriteria is zo concreet mogelijk aangegeven aan welke uitgangspunten de ontwerper van een bouwplan zich moet houden. Deze uitgangspunten zijn deels gelijk voor de hele gemeente en deels verschillend per deelgebied omdat ieder gebied zijn eigen kenmerken heeft. Deze kenmerken zijn in deze nota per gebied beschreven. Bovendien zijn per gebied de welstandscriteria beschreven. 4.1.2. Alle omgevingsvergunningplichtige bouwplannen getoetst In het Besluit Omgevingsrecht (Bor), Bijlage II is vastgelegd voor welke bouwwerkzaamheden een omgevingsvergunning nodig is. Bij algemene maatregel van bestuur (amvb) is bepaald welke bouwwerken vergunningvrij zijn. De gemeente heeft er voor gekozen om alle vergunningplichtige bouwwerken aan welstandseisen te toetsen.
Voor onder andere, veel voorkomende kleine bouwwerken en voor monumenten gelden welstandscriteria die voor de gehele gemeente van toepassing zijn. Die criteria zijn niet gebiedsgericht. In de volgende paragraaf wordt hierop nader ingegaan. Voor alle overige vergunningplichtige bouwplannen geldt dat zij aan de welstandscriteria moeten worden getoetst. In een aantal gevallen zal deze toets meer dan de gebruikelijke aandacht en zorg krijgen. Dit is het geval bij: • bouwwerken op de grens van twee gebieden; • bouwwerken naast of in de directe nabijheid van monumenten. 4.1.3. Algemeen geldende en objectgerichte criteria Naast de gebiedsgerichte benadering met gerichte toetsingscriteria zijn er algemene criteria waaraan bouwwerken kunnen worden getoetst. We onderscheiden vier soorten: 1. criteria voor architectonische kwaliteit; 2. criteria voor monumenten; 3. criteria voor de veel voorkomende kleine bouwwerkzaamheden, inclusief reclames; 4. criteria voor ernstige strijd met welstand. 5. criteria voor nutsgebouwen, civiele kunstwerken en dergelijk. 6. criteria voor antennes en masten In hoofdstuk 5 worden deze criteria nader omschreven.
11
Welstandsnota 2016
4.2.
Welstandsbeleid en ander ruimtelijk beleid
4.2.1. Bestemmingsplan annex welstandscriteria De inrichting van een gebied wordt voor een belangrijk deel bepaald door het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening). Mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt kunnen niet door welstandscriteria worden tegengehouden. In het kader van deze welstandsnota is vooral de relatie tussen het bestemmingsplan en de welstandscriteria van belang. Het bestemmingsplan regelt niets over de architectonische vormgeving van bouwwerken. In deze welstandsnota zijn hiervoor de uitgangspunten, in de vorm van de welstandscriteria, geformuleerd. 4.2.2. Beeldkwaliteitsplan Voor nieuwe woongebieden wordt de laatste jaren een beeldkwaliteitsplan (BKP) ontwikkeld (zie paragraaf 5.6.). Een beeldkwaliteitsplan heeft deels een vergelijkbare functie als de welstandsnota, namelijk: • samenhang aanbrengen tussen de stedenbouwkundige en architectonische vormgeving; • toetsingscriteria geven bij de beoordeling van bouwaanvragen door de CRK. Voor de gebieden waarvoor een beeldkwaliteitsplan is vastgesteld, geldt voor de nieuwbouw van bouwwerken het beeldkwaliteitsplan als welstandsnota. De beeldkwaliteitsplannen vormen daarmee integraal onderdeel van deze welstandsnota.
Zodra deze gebieden uit ontwikkeld zijn, zijn de beeldkwaliteitsplannen niet meer van kracht. Deze situatie geld dan de regelgeving van de welstandsnota. 4.3. De gemeenteraad stelt de welstandsnota vast Het welstandstoezicht vindt plaats op basis van het door de gemeenteraad vastgestelde beleid, dat in deze nota is verwoord en verbeeld. De welstandsnota geldt voor een periode van maximaal tien jaar. Tussentijds kan de gemeenteraad de nota wijzigen dan wel aanvullen bijvoorbeeld in verband met de jaarlijkse evaluatie of wijziging van bestemmingsplannen. Dit zal vooral voorkomen als er grote ruimtelijke ontwikkelingen zijn in de gemeente. Voor zover deze nu bekend zijn, zijn zij vermeld in paragraaf 5.7. (Toekomstige ontwikkelingen). 4.3.1. De gemeenteraad evalueert jaarlijks het welstandsbeleid De Woningwet schrijft voor dat zowel het welstandsbeleid als de welstandsnota jaarlijks moeten worden geëvalueerd. Zowel het college van burgemeester en wethouders (Artikel 12c Ww) als de CRK (Artikel 12b lid 3 Ww) stellen hiervoor jaarlijks een verslag op over het voorgaande kalenderjaar en leggen deze voor aan de gemeenteraad. Op welke wijze dit plaats vindt is geregeld in de bouwverordening. 4.3.2. Burgemeester en wethouders voeren het welstandsbeleid uit De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het welstandsbeleid ligt bij het college van burgemeester en wethouders.
12
Welstandsnota 2016
Door het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning geeft het college van burgemeester en wethouders uitvoering aan het welstandsbeleid. Het college van burgemeester en wethouders neemt dit besluit pas nadat daarover advies is ingewonnen bij de CRK. Voor alle vergunningplichtige bouwwerkzaamheden, waarvoor vaststaat dat de omgevingsvergunning niet op een andere grond moet worden geweigerd, wordt deze commissie om advies gevraagd. Bij het beoordelen van een bouwaanvraag heeft het college van burgemeester en wethouders een eigen bestuurlijke verantwoordelijkheid. Strijdig maar toch positief advies De CRK kan het college van burgemeester en wethouders voorstellen van haar bevoegdheid gebruik te maken om toch een omgevingsvergunning af te geven voor een plan dat strijdig is met het welstandsbeleid. De commissie doet dit alleen wanneer naar haar mening overtuigend is aangetoond dat het plan een positieve impuls geeft aan de welstand in de gemeente. Zij zal dit advies schriftelijk motiveren. Zij baseert zich hierbij op de criteria voor architectonische kwaliteit (zie paragraaf 5.2.). Afwijken van advies Voor het bevorderen van de welstand in de gemeente is het van het belang dat het gemeentebestuur eenduidig en helder is bij de uitvoering van haar beleid. Daarom volgt het college van burgemeester en wethouders in principe het advies van de CRK.
In uitzonderlijke gevallen kan het college van burgemeester en wethouders van het advies afwijken. De wettelijke basis hiervoor ligt bij artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo. Mochten deze gevallen zich voordoen, dan doen zij hiervan schriftelijk (gemotiveerd) mededeling aan de commissie. In de jaarverslagen van zowel het college van burgemeester en wethouders, als van de CRK moeten deze gevallen worden geëvalueerd. Afwijken van criteria (hardheidsclausule) Het kan voorkomen dat een bouwwerk in strijd is met de criteria maar wel een waardevolle en/of kwalitatieve toevoeging vormt voor het hoofdgebouw of de omgeving. Daarnaast kan het voorkomen dat juist het hoofdgebouw of de omgeving zich niet leent voor het voorgestelde bouwwerk. Om dit soort situaties te voorkomen is een vangnet gebruikt door het toevoegen van de regel: “Deze criteria gelden tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel mag bestaan aan de toepasbaarheid van de genoemde criteria”. Bij het gebruik van dit vangnet dient goed gemotiveerd te worden waarom er een uitzondering wordt gemaakt op de opgestelde criteria. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op de A.w.b. (algemene principes, opgenomen in hoofdstuk 5). 4.3.3. Tweejaarlijkse monitoring Tweejaarlijks wordt een monitoring uitgevoerd.
Deze monitoring dient te zijn gericht op: • het effect van de ruimtelijke kwaliteit door de welstandsnota; • het effect van de vermindering van regels; • de klanttevredenheid; • ontstaan van knelpunten; • voorstellen tot eventuele aanpassing van beleidsregels.
13
Welstandsnota 2016
4.4. Procedure welstand De procedure voor een welstandsadvies en het functioneren van de CRK zijn in de bouwverordening geregeld. 4.5. Gemeentelijke CRK De gemeenteraad van Overbetuwe heeft gekozen voor een integrale Commissie Ruimtelijke Kwaliteit die tevens als monumentencommissie voor wijzigingsplannen en beleidsmatige aspec-ten fungeert. 4.5.1. Samenstelling, taken en bevoegdheden van de CRK De samenstelling, taken en bevoegdheden van de gemeentelijke CRK staan vermeld en zijn geregeld in de bouwverordening. 4.5.2. Precedentwerking / Trendzetters Regelmatig wordt door een aanvrager verwezen naar eerder uitgevoerde en dus vaak goedgekeurde bouwwerken. Een dergelijk bouwwerk kan als precedent werken voor overige bouwplannen. De gemeente Overbetuwe kiest er voor om bij het vaststellen van de welstandsnota het nieuwe beleid als uitgangspunt te nemen. Eerder toegestane bouwwerken kunnen niet ver-wijderd worden maar zullen langzamerhand verdwijnen (uitsterven) doordat het nieuwe beleid bepalend is. Het door bouwaanvragers verwijzen naar deze eerder toegestane exemplaren gaat niet meer op, de gemeente heeft namelijk een duidelijk standpunt ingenomen. Uitzondering hierop vormen de zogenaamde trendsetters. Bij een bouwaanvraag dienen deze trendsetters als voorbeeld waarnaar verwezen kan worden.
Een trendsetter kan afwijken van de nieuwe welstandscriteria als min of meer geaccepteerde uitzonderingen. Trendsetters worden altijd vooraf door de CRK vastgesteld. Nieuwe trendsetters ontstaan meestal als afgeweken wordt van welstandscriteria maar die toch door de CRK als acceptabel wordt goedgekeurd. Tijdens de jaarlijkse evaluatie van het welstandsbeleid kunnen dergelijke bouwplannen als trendsetter
14
Welstandsnota 2016
Hoofdstuk 5
Algemene en objectgerichte criteria
5.1. Inleiding In dit hoofdstuk worden criteria genoemd die niet gebiedsspecifiek zijn maar in de gehele gemeente gelden. Het gaat om meer algemene criteria zoals: • de criteria voor architectonische kwaliteit (paragraaf 5.2); • de sneltoetscriteria (paragraaf 5.6); • de criteria voor excessen (paragraaf 5.5). Ook gaat het om objectgerichte criteria zoals; • de criteria voor monumenten (paragraaf 5.3); • reclame (paragraaf 5.4) en; • de criteria voor zendinstallaties en antennes (paragraaf 5.7). 5.2. Criteria voor architectonische kwaliteit In bijzondere situaties kan worden gekozen voor een hoog architectonisch kwaliteitsniveau. Daartoe zijn de welstandscriteria, die in deze paragraaf worden genoemd, geformuleerd. Met deze criteria wordt gestreefd naar architectonische ontwerpen met zeggingskracht en vakmanschap. Zij worden toegepast in de volgende situaties: 1. Als bij het welstandsbeleid specifiek is aangegeven dat in dit gebied hogere eisen aan de architectuur worden gesteld; 2. Als een bouwplan niet voldoet aan de gebiedsgerichte criteria maar volgens de CRK van een zodanige kwaliteit is dat ze hier toch een positief advies over wil geven. De CRK kan in een dergelijk geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren van de hardheidsclausule (hoofdstuk 4.4.2.) gebruik te maken.
Burgemeester en wethouders wordt dan geadviseerd af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van deze criteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere welstand van het plan aan de hand hiervan overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van ‘redelijke eisen van welstand’ ligt in deze gevallen uiteraard hoog. Het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonische vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat moet voldoen aan criteria voor architectonische kwaliteit mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Het welstandstoezicht is in beginsel slechts gericht op de uiterlijke verschijningsvorm. De vorm van het bouwwerk kan echter niet los worden gezien van de eisen die het gebruik hieraan stelt. Dit geld ook voor de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie bepalen in belangrijke mate de vorm.
Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Tijdens het ontwerpproces kunnen andere aspecten de vorm gaan domineren. Ook dan mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke en leesbare relatie houdt met
15
Welstandsnota 2016
zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm meer is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben. Bijvoorbeeld de omgeving of de betekenis die een vorm in een bepaalde omgeving kan hebben (gekregen). Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie, dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat moet voldoen aan criteria voor architectonische kwaliteit mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context. Het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen. Ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag daarnaast worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent.
Het gaat erom dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. (Hoofdstuk 6) Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren, kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen. Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat moet voldoen aan criteria voor architectonische kwaliteit mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de maatschappelijke context ter plaatse. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen dan krijgen zij een zelfstandige betekenis. Zij roepen, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels. Transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang.
In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders al aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd. Dit moet gebeuren binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen. Daardoor ontstaan concepten en vormen die voor die plek en gemeenschap geëigend zijn.
16
Welstandsnota 2016
Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat iets zegt over zijn tijd. Het wordt op grond van zijn uiterlijk in de tijd geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden. Bij nieuw- of verbouw in een bestaande (monumentale) omgeving betekent dit echter dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode. Dat is dan wel iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatie (aaneensluiting) is van groot belang om een omgeving te begrijpen als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan. Zij is van grote betekenissen voor zowel het verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan. Zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat moet voldoen aan criteria voor architectonische kwaliteit mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming. Het is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw.
Deze structuur wordt bepaald door de symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen. Zij maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de nieuwsgierigheid van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde wordt bepaald door helderheid en complexiteit in een evenwichtige en spanningsvolle relatie. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat moet voldoen aan criteria voor architectonische kwaliteit mag worden verwacht dat het een samenhangend geheel is van maatverhoudingen dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen zijn geleed.
Zij worden echter onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uit zien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde. Maar tegelijk vormen ze een van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De
17
Welstandsnota 2016
waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk. Waarom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt echter nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen samen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld. Niet alleen van het object zelf, maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat moet voldoen aan criteria voor architectonische kwaliteit mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en voelbare kracht.
De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt een bredere toepassing mogelijk. Daardoor wordt het risico van een onsamenhangend beeld groter. Als materialen en kleuren te veel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, dan wordt de betekenis ervan toevallig. Zij worden slechts gekozen op grond van decoratieve werking. Dat kan afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving. Ook wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard van de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. Detaillering Van een bouwwerk dat moet voldoen aan criteria voor architectonische kwaliteit mag worden verwacht dat sprake is van een zorgvuldige en op duurzaamheid gerichte bouwkundige detaillering. De wijze waarop materialen en bouwkundige constructies zijn gedimensioneerd en onderling worden samengebracht, bepalen in hoge mate de esthetische kwaliteiten van een gebouw. Dit geldt ook voor de wijze waarop het materiaal naar zijn eigenschappen is gevormd en toegepast. Ze zijn ook bepalend voor de duurzaamheid en instandhouding van het gebouw.
Dus voor de welstand en ruimtelijke kwaliteit van hun omgeving. 5.3. Criteria voor monumenten De gemeente Overbetuwe kent veel monumenten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en archeologische monumenten. Rijksmonumenten worden beschermd door de Monumentenwet, gemeentelijke monumenten door de erfgoedverordening. Archeologische monumenten worden hier buiten beschouwing gelaten.
18
Welstandsnota 2016
Rijksmonumenten Objecten (niet alleen gebouwen) komen in aanmerking voor bescherming als Rijksmonument wanneer zij een aantoonbare schoonheid, wetenschappelijke betekenis of cultuurhistorische waarde van nationaal belang vertegenwoordigen. Rijksmonumenten zijn in het Monumentenregister ingeschreven door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). Eerder konden alleen panden en objecten van 50 jaar of ouder als rijksmonument worden aangewezen, maar deze grens geldt niet meer. De waardering van een monument wordt bij aanwijzing vastgelegd in de redengevende beschrijving. In de redengevende beschrijving wordt aangegeven welke aspecten en bestanddelen van het monument in het bijzonder beschermingswaardig zijn. Echter, niet alleen de genoemde aspecten maar het hele pand of object is beschermd. Dat betekent dat er zonder vergunning niets aan een rijksmonument veranderd mag worden. De vergunningplicht voor rijksmonumenten is geregeld in de Wabo (artikel 2.1 lid 1 onder f.), het college van burgemeester en wethouders is hiervoor bevoegd gezag. Voor verlening van een omgevingsvergunning moet het college advies vragen bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Tot 2009 was het verplicht om ook aan de RCE advies te vragen.
Sinds 2009 is het alleen nog maar nodig om bij ingrijpende wijzigingen aan rijksmonumenten (sloop, herbestemming, reconstructie en ingrijpende restauratie) advies te vragen aan de RCE. In de Wabo wordt bepaald dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het college rekening met het gebruik van het monument (artikel 2.15 Wabo). Gemeentelijke monumenten De Erfgoedverordening regelt de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten. Het college beslist of een object of gebouw aangewezen wordt als beschermd gemeentelijk monument. De CRK adviseert het college over de aanwijzing. Aanwijzing geschiedt op grond van vastgestelde selectiecriteria. Na aanwijzing worden monumenten opgenomen op de gemeentelijke monumentenlijst. De waardering van een monument wordt bij aanwijzing vastgelegd in de redengevende beschrijving. In de redengevende beschrijving wordt aangegeven welke aspecten en bestanddelen van het monument in het bijzonder beschermingswaardig zijn. Echter, niet alleen de genoemde aspecten maar het hele pand of object is beschermd. Dat betekent dat er zonder vergunning niets aan een gemeentelijk monument veranderd mag worden. Ook de vergunningplicht voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wabo (artikel 2.2 lid 1 onder b.).
Hierin is bepaald dat een dergelijke vergunningplicht kan worden opgenomen in een gemeentelijke verordening. Dit vindt in Overbetuwe zijn beslag in de Erfgoedverordening. De Wabo bepaalt verder dat de gronden waarop een omgevingsvergunning mag worden verleend of geweigerd moeten zijn aangegeven in de betreffende verordening (artikel 2.18 Wabo). In de Erfgoedverordening is bepaald dat de omgevingsvergunning (net als bij rijksmonumenten) slechts mag worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het college rekening met het gebruik van het monument (artikel 12 Erfgoedverordening Overbetuwe 2016). Of het belang van de monumentenzorg zich verzet tegen een bepaalde wijziging of gebruik van een monument wordt bepaald aan de hand van de eerder genoemde redengevende beschrijving. De CRK moet bij haar advies aan het college alle aspecten uit de redengevende beschrijving meewegen. De Welstandsnota gemeente Overbetuwe, 2016 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project waarbij een monument gewijzigd wordt, moet altijd zowel de activiteit ‘bouwen’ als ‘wijzigen van een monument’ worden aangevraagd. Deze activiteiten zijn onder de Wabo onlosmakelijk verbonden.
De CRK voorziet het college van advies inzake eisen van welstand als het gaat om de activiteit ‘bouwen’ en inzake het belang van de monumentenzorg als het gaat om de activiteit ‘wijzigen van een monument’. De CRK streeft naar een vergaande integratie van deze adviezen. Daarom wordt ten aanzien van monumenten in 19
Welstandsnota 2016
deze nota één toetsingskader neergezet voor beide activiteiten. Voor de welstandstoets wordt in deze nota onderscheid gemaakt in deelgebieden waarin een bepaald welstandsniveau wordt nagestreefd. Echter, omdat monumenten verspreid zijn over verschillende deelgebieden, zijn in voorliggende paragraaf algemene (voor de hele gemeente gelijke) criteria geformuleerd voor monumenten. Deze criteria moeten dus worden beschouwd als leidraad bij de advisering in het kader van zowel de activiteit ‘bouwen’ als de activiteit ‘wijzigen van een monument’. Bij de activiteit ‘wijzigen van een monument’ spelen bij de toetsing voorts de beschermingswaardige aspecten een rol die genoemd worden in de redengevende beschrijving. Behalve voor wijzigingen aan het monument zelf, gelden de criteria ook voor bouwwerken in de directe omgeving van het monument. Het gaat om bouwwerken die op hetzelfde perceel zijn gelegen en die een duidelijk waarneembaar effect hebben op de belevingswaarde van het monument. (Welstands)beleid voor monumenten Monumenten hebben een unieke waarde. Uitgangspunt is dat deze unieke waarde en daarmee de bebouwingskarakteristieken, zoals beschreven in de monumentenbeschrijving, worden behouden en waar mogelijk versterkt. Monumenten blijven echter alleen in goede staat als zij een nuttige maatschappelijke functie hebben.
(Nieuwe) gebruiksmogelijkheden dienen dan ook zo min mogelijk te worden beperkt, zolang de cultuurhistorische waarde van het (rijks) monument maar behouden blijft. Criteria voor monumenten Voor bouwplannen tot wijziging van een monument of bouwplannen in de directe omgeving van een monument geldt dat: • situering, vormgeving en detaillering afgestemd dienen te worden op de bebouwingskarakteristieken van het monument zoals die in de beschrijving ter bescherming van het monument zijn omschreven; • vernieuwende bouwplannen mogelijk zijn voor zover de bebouwingskarakteristieken die de cultuurhistorische waarde van het monument bepalen behouden blijven. De welstandscommissie toetst daarbij op de volgende aandachtspunten: • of hoofdvorm en situering passen bij het monument; • of het bouwplan invloed heeft op de omgeving (indien van toepassing); • of de verschijningsvorm voldoende kwaliteit heeft (hierbij worden de criteria • voor architectonische kwaliteit gehanteerd zoals geformuleerd in paragraaf 5.2) en de bebouwingskarakteristieken van het monument respecteert; • of de plaats en de afmetingen van raam-, deur- en andere gevelopeningen in de gevels op elkaar afgestemd zijn; • of kleur- en materiaalgebruik en de detaillering passen bij het monument. 5.4. Criteria voor kleine bouwwerken Een groot aantal van de aanvragen omgevingsvergunning betreft veel voorkomende kleine bouwwerken.
Om de vergunningaanvraag voor deze bouwwerken snel af te handelen zijn zo objectief mogelijke criteria geformuleerd (zie bijlage 1) Deze kaders zijn aangevuld met referentiebeelden en –schetsen die de aanvrager houvast geven.
20
Welstandsnota 2016
Toetsing van deze bouwwerken gebeurt dan door een ambtenaar of door de rayonarchitect van de CRK. Dat laatste is het geval als een bouwaanvraag naar de mening van de gemachtigde ambtenaar niet voldoet aan de criteria of bij twijfel daarover. Monumentenplannen worden altijd voorgelegd aan de CRK / gemandateerde rayonarchitect. De gemeente Overbetuwe hanteert voor de (ambtelijke) toetsing van kleine bouwwerken de criteria zoals opgenomen in bijlage 1 van deze nota. 5.5. Criteria voor excessen Bij repressieve toetsing (toetsing achteraf) van gebouwen op welstand gelden minder strenge criteria. De Woningwet (artikel 12a, lid 1 sub b) geeft aan dat al gerealiseerde bouwplannen door het college van burgemeester en wethouders getoetst moeten worden op ernstige mate van strijd met redelijke eisen van welstand in plaats van redelijke eisen van welstand. Deze toetsing achteraf vindt bijvoorbeeld plaats bij vergunningsvrije bouwwerken die logischerwijs niet vooraf getoetst kunnen worden. In Overbetuwe geldt dat bij ernstige strijd met redelijke eisen van welstand er sprake moet zijn van een exces. Dat wil zeggen: een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet deskundigen zichtbaar en onmiskenbaar is. De excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan.
Op grond van artikel 13a Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar dan aanschrijven om de strijdige situatie ongedaan te maken. In geval van een exces moeten burgemeester en wethouders kunnen verwijzen naar specifieke criteria in de welstandsnota. Beoordelingscriteria voor excessen • Het bouwwerk of de aanpassing vormt een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is. • Bij aanpassing worden architectonische bijzonderheden ontkent of vernietigd. • Er is sprake van ernstige verwaarlozing van het uiterlijk van een bouwwerk of de omgeving. • Er is sprake van verloedering door achterstallig onderhoud. • Een bouwwerk wordt visueel of fysiek afgesloten voor zijn omgeving, bijvoorbeeld als gevels zonder gevelopeningen worden toegepast aan de openbare ruimte, terwijl dit niet past bij de functie van het gebouw of de karakteristieken van de omgeving. • Er is sprake van materiaalgebruik dat armoedig overkomt en/of sterk afwijkt van wat in de omgeving gebruikelijk is. • Er is sprake van felle of contrasterende kleuren. • Er is sprake van te opdringerige, schreeuwerige reclames. 5.6.
Nutsgebouwen, civiele kunstwerken en dergelijke
Beschrijving Nutsgebouwen zoals transformatorstations en civiele kunstwerken zoals bruggen en viaducten zijn gesloten bouwwerken met een zeer eigen vormgeving. De vormgeving wordt sterk door de functie bepaald en is daardoor nogal eens in contrast met de omgeving. Vooral in het buitengebied is dat het geval. Bij civiele kunstwerken die bijvoorbeeld bij een snelweg of spoortracé horen is dit gegeven echter vaak bepalender voor de vormgeving dan de wijdere omgeving. Dit vraagt om eigen criteria.
21
Welstandsnota 2016
Veel van de gebiedsgerichte criteria zijn geschreven voor bebouwing waarin mensen verblijven. Zulke bebouwing heeft een bepaalde openheid door het simpele feit dat een toegang noodzakelijk is en daglichttoetreding. De gebiedsgerichte criteria zijn daarom niet altijd even bruikbaar bij de beoordeling van de nutsgebouwen en civiele kunstwerken. Welstandsbeleid Verantwoording Civieltechnische werken en andere door het nut gedomineerde bouwwerken zijn vooral in het buitengebied soms nadrukkelijk aanwezig. Daarom is het van belang om bij kleine bouwwerken tot een goede inpassing in de omgeving te komen. Bij de grote bouwwerken, zoals snelwegen met hun civieltechnische kunstwerken of de Betuweroute, kan ook een keuze voor een eigen herkenbare vormgeving voor het hele project gemaakt worden. Beleid 1. Bij verbouwingen en uitbreidingen aan de bestaande gebouwen en kunstwerken dienen de bebouwingskarakteristieken te worden gerespecteerd; 2. Bij vervanging en grote uitbreidingen aan de bestaande gebouwen en bouwwerken en bij nieuwbouw is vernieuwing onder voorwaarden mogelijk. Welstandscriteria Bouwplannen worden getoetst aan de volgende welstandscriteria: Situering 1. Bouwplannen aan of bij de bestaande gebouwen of bouwwerken dienen gesitueerd te worden conform de bestaande karakteristieken; 2.
Bij nieuwbouw dient het gebouw of bouwwerk te worden gesitueerd passend in de directe omgeving. Vormgeving 1. Bij verbouwingen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden gerespecteerd. Daarbij is in ieder geval relevant: hoofdvorm, dakvorm en schaal en maat; 2. Bij nieuwbouw dient een vormgeving gekozen te worden met respect voor de directe omgeving qua maat, schaal en materiaalkeuze; 3. Bij nieuwbouw kiezen voor een eenvoudige bouwmassa met als basis een rechthoekige plattegrond; 4. De vormgeving kan in bijzondere gevallen gerelateerd zijn aan de stedenbouwkundige betekenis van de locatie of van de vormgeving die past in het totale concept; 5. De plaats, afmetingen en ver houdingen van de raam-, deur- en andere openingen dienen goed op elkaar afgestemd te zijn en op de karakteristieken van het gebouw. Detaillering, kleuren en materialen 1. Bij uitbreidingen, verbouwingen en veranderingen dienen materialen en kleuren toegepast te worden gelijk aan of harmoniërend met het bestaande gebouw; 2. Er dienen kleuren en materialen toegepast te worden zoals in de directe omgeving of gerelateerd aan de functie van het bouwwerk; 3. De gekozen detaillering, materialen en kleuren ondersteunen het karakter van het bouwwerk.
22
Welstandsnota 2016
5.7. Criteria zendinstallaties en antennemasten Voor het plaatsen van zend- en ontvangstinstallaties is in vrijwel alle gevallen een bouwvergunning vereist. In de meeste gevallen zal sprake zijn van strijd met het bestemmingsplan. Een bouwvergunning kan dan niet zonder meer worden verleend. De maatschappelijke vraag naar mobiele telecommunicatie rechtvaardigt een positief standpunt ten opzichte van de plaatsing van zendinstallaties. Wel wordt door de verschillende mobiele telefonie aanbieders gezocht naar locaties voor een gezamenlijk gebruik. Uitgangspunt van het planologische beleid is, dat een (verdere) verstoring van landschappelijke en culturele waarden moet worden tegengegaan. Voorkeur verdient plaatsing van zendinstallaties op bedrijfsterreinen en langs snelwegen. Primair moeten de installaties op bestaande bouwwerken worden geplaatst. In het (grootschalige) open landschap of in woongebieden moeten ze uiterst zorgvuldig worden gesitueerd. Daarnaast worden hoge eisen gesteld aan de vormgeving van masten en regelkasten. Plaatsing van zendinstallaties in woongebieden kan alleen in bijzondere gevallen en onder strikte voorwaarden. Welstandsbeleid Onderstaande richtlijnen vormen het toetsingskader voor de welstandscommissie bij de beoordeling van bouwplannen, aanvullend op de algemene richtlijnen die in de bouwverordening zijn geformuleerd.
Plaatsing • Aansluiting moet worden gezocht bij grootschalige infrastructuur (rivieren, snelwegen en spoorwegen) of een grootschalig landschap; • plaatsing bij of op horizontale vormen zoals viaducten, scholen, bedrijfshallen verdient de voorkeur; • er moet worden aangesloten op bestaande landschappelijke patronen en elementen in het landschap zoals waterlopen, wegen, beplantingslijnen, bebouwing, hoogteverschillen en dergelijke; • plaatsing is niet toegestaan in de buurt van één of meer andere hoge elementen (kerktorens, windmolens, reclamezuilen, lichtmasten, hoogspanningsmasten en dergelijke), waardoor de zend¬mast gaat ‘concurreren’ met deze elementen. Vormgeving en detaillering Er moet zo hoogwaardig mogelijke vormgeving en detaillering worden nagestreefd, vooral waar sprake is van inpassing in kwetsbare gebieden; • een smalle mast met buisprofiel verdient voorkeur boven een vakwerkconstructie; • een licht tot middelgrijze kleurtoon heeft de voorkeur boven een wit gemoffelde mast. Een witte kleur kan bij bepaalde lichtval scherp met de omgeving contrasteren; • de functie van de bouwmassa dient afleesbaar te zijn; • aandacht moet worden geschonken aan de vormgeving en detaillering van regel- en voedingskasten; • tevens moet er aandacht zijn voor de vormgeving en detaillering van de bestrating en eventuele hekwerken aan de voet van een mast.
23
Welstandsnota 2016
Plaatsing bij monumenten Plaatsing van telecommunicatieinstallaties op of aan een monument is in principe niet aanvaardbaar. Een mast kan het silhouet van een monument ernstig aantasten. Uitzonderingen kunnen, na positief advies van de monumentencommissie worden gemaakt indien: • de plaatsing in het beeld en silhouet van het monument geen aantasting van betekenis tot gevolg heeft; • de fysieke aantasting tot het uiterste minimum beperkt blijft en geen blijvende schade aan het gebouw wordt aangericht; • contractueel wordt vastgelegd dat na verwijdering van de antennes en apparatuur alle schade aan hout- en muurwerk en constructie op historisch juiste wijze door aanvrager dient te worden hersteld; • extern geen gebruik wordt gemaakt van schotelantennes; • de brandveiligheid bij blikseminslag niet negatief wordt beïnvloed; • het onderbrengen van regel- en voedingskasten niet geschiedt in ruimten die geheel of gedeeltelijk uit hout bestaan; • de antennes in de kleur van het achterliggende (zoals een muur of leien dak) vlak worden uitgevoerd; • de bevestigingsarmaturen geen onherstelbare schade aan het monument toebrengen; • extra aandacht geschonken wordt aan het kabeltracé, waarbij doorboring van een bevestiging aan monumentale onderdelen tot het uiterste beperkt moet blijven; • geen kabels worden doorgevoerd door orgels en vast, historisch meubilair.
Afmetingen en vorm van bekabeling en doorvoeren dienen duidelijk te worden aangegeven op tekening. Welstandsvrij Voor het dakraam, daklicht, lichtstraat of daglichtvoorziening die maximaal 0,6 meter uit het dak steekt, zijn de redelijke eisen van welstand niet van toepassing.
24
Welstandsnota 2016
Hoofdstuk 6
Gebiedsgerichte welstandscriteria
6.1. Gebiedsindeling Uitgangspunt bij de gebiedsindeling is dat gebieden samenhang vertonen op grond van stedenbouwkundige, landschappelijke en/of architectonische kenmerken. Deze samenhang kan ontstaan op grond van functie, ontstaansgeschiedenis of ruimtelijke verschijningsvorm en het gemiddeld aantal bouwplannen van een gebied. Op deze wijze is een gebiedsindeling ontstaan waarbij het buitengebied in 3 gebieden is ingedeeld. Daarnaast zijn de meeste kernen te onderscheiden en een aantal speciale gebieden zoals de Heldringstichting. De kern Elst is verdeeld in 8 gebieden. Daarbij gaat het om het centrum, het bedrijventerrein, belangrijke voorzieningen en verschillende woonwijken. In totaal zijn er voor het gehele gemeentegebied 15 gebieden benoemd (zie paragraaf 7.3.). 6.1.1. De gebieden (beschrijving, welstandsbeleid en criteria) Per gebied zijn een aantal bladen gemaakt met een gebiedsbeschrijving en een waardering. Elke gebiedsbeschrijving heeft dezelfde opbouw: Kaart Op het eerste blad staat een kaartje waarop (de ligging van) het gebied is aangegeven. In bijlagen staan kaarten met per kern alle gebieden aangegeven. Gebiedsbeschrijving Na het kaartje volgt de gebiedsbeschrijving. Hier worden de belangrijkste karakteristieken van het gebied en vooral van de bebouwing beschreven. Het gebied wordt beschreven met tekst en foto’s.
De foto’s zijn geen referentiebeelden zoals in een beeldkwaliteitplan maar zijn onderdeel van de beschrijving. De gebiedsbeschrijving is opgebouwd van groot naar klein en daarbij opgedeeld in drie kopjes: structuur, bebouwing en detaillering. Onder structuur wordt de ontstaansgeschiedenis en de structuur van het gebied beschreven evenals de plaatsing van de bebouwing. Onder bebouwing worden specifieke aspecten van de bebouwing zelf beschreven zoals (architectonische) stijl, gevelopbouw, overheersende hoofd- en kapvorm. Onder het kopje detaillering wordt aandacht besteed aan de detaillering, materialen en kleuren van de bebouwing. De beschrijving en waardering zijn niet los van elkaar te zien. Op het moment dat je de keuze maakt om iets te beschrijven geef je al een impliciete waardering. In de gebiedsbeschrijvingen zitten dan ook elementen van de waardering geïntegreerd. Bijzondere elementen Bij de beschrijvingen worden ook de bijzondere elementen benoemd. Het gaat daarbij om gebouwen die (in positieve of negatieve zin) afwijken van de algemene gebiedsbeschrijving. Welstandsbeleid Het welstandsbeleid wordt steeds voorafgegaan door een verantwoording van het beleid. Hierin wordt kort uiteengezet waarom in een bepaald gebied gekozen is voor het geformuleerde beleid. Hierin ligt ook een waardering besloten van de kwaliteiten en karakteristieken van het gebied.
Het welstandsbeleid wordt steeds opgebouwd uit: 1. één of meer punten die de algemene lijn vormen; 2. één of meer punten die elementen benoemen die specifiek zijn voor het gebied. 25
Welstandsnota 2016
Bij de formulering van het beleid worden een aantal termen gebruikt die om een nadere toelichting vragen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen behouden, respecteren, vernieuwen, versterken en herstellen. Behouden van de bebouwingskarakteristieken Met behouden wordt bedoeld dat bouwplannen dezelfde bebouwingskarakteristieken dienen te hebben als de bestaande gebouwen. Van de gebiedsbeschrijving afwijkende vormgeving voldoet dan dus niet aan redelijke eisen van welstand. Dat geldt voor nieuwbouw, maar ook voor uitbreidingen en verbouwingen aan bestaande gebouwen. Tenzij dit expliciet anders is geformuleerd. Respecteren van de bebouwingkarakteristieken Hiermee wordt bedoeld dat bouwplannen de bebouwingskarakteristieken uit het gebied als uitgangspunt moeten hebben maar dat op onderdelen hier nieuwe vormen etc. aan toegevoegd kunnen worden. Anders gezegd een bouwplan mag op onderdelen afwijken maar niet conflicteren met de bestaande bebouwing. Vernieuwen Hiermee wordt bedoeld dat van de bebouwingskarakteristieken uit het gebied afwijkende bebouwing geen probleem vormt. Het gaat dan alleen om nieuwbouw of complete vernieuwbouw en niet om uitbreidingen en gedeeltelijke verbouwingen. Versterken Hiermee wordt bedoeld dat een bouwplan zodanig ontworpen moet zijn dat het geheel na realisering van het bouwplan beter voldoet aan de bebouwingskarakteristieken van het gebied.
Herstellen Hiermee wordt bedoeld dat oorspronkelijke karakteristieken weer teruggebracht moeten worden. Afwijkingen worden daarbij teniet gedaan. Dit gaat niet alleen om verbouwingen en uitbreidingen aan bestaande gebouwen maar ook om nieuwbouw. Dit wordt met name gebruikt in de omgeving van monumenten en waardevolle historische gebieden. Bij alle categorieën zijn regelmatig uitzonderingen of nadere voorwaarden benoemd. Hier wordt bijvoorbeeld aangegeven dat vernieuwing mogelijk is maar wel met respect voor een aantal belangrijke karakteristieken zoals maat, schaal en hoofdvorm van de bestaande bebouwing. Welstandscriteria en richtlijnen Het welstandsbeleid wordt uitgewerkt in de gebiedsgerichte welstandscriteria. Ook worden eventueel verwijzingen gegeven naar de geldende andere criteria, zoals criteria voor monumenten en sneltoetscriteria en reclame. Deze zijn verzameld in hoofdstuk 6 en de bijlagen. Bijzondere beoordeling De omgeving van een monument zal met extra zorg beoordeeld worden. De cultuur historische waarde van het monument mag door bouwplannen niet worden aangetast.
26
Welstandsnota 2016
6.2. Welstandsniveau’s Specifieke gebieden oefenen in meer of mindere mate invloed uit op de gehele omgeving. Gebieden kunnen hierdoor ook op passende niveaus worden beoordeeld. In deze welstandsnota is een differentiatie in welstandsniveaus toegepast. We kennen de categorieën Hoog, Middel en laag. Categorie Hoog Op de als zodanig aangegeven gebieden geld een zorgvuldige welstandsbeoordeling omdat zij beeldbepalend zijn voor de entree van een dorp, wijk of bedrijfsterrein. Ook gebieden die zijn ontwikkeld onder regiem van een beeld kwaliteitsplan (BKP) worden daardoor extra beschermd. Gebieden die voor de kwalificatie categorie Hoog in aanmerking komen zijn de gebiedscriteria Woonwijken recente uitbreidingen, Historische invalswegen en de hoofdroutes en zichtlocaties op de bedrijventerreinen. In deze gebieden zijn de sneltoetscriteria niet van toepassing. Categorie Middel Voor de buiten de categorie Hoog gelegen gebieden geldt een soepeler reguliere welstandstoets (algemeen; op kaartjes niet nader aangeduid). Hiervoor gelden redelijke eisen met betrekking tot bebouwing zoals deze in de criteria van deze welstandsnota zijn vastgelegd. De sneltoetscriteria zijn voor de reguliere gebieden onverkort van toepassing. Welstandstoets Laag De buurten Tichelmanstraat in Zetten en Leedjes in Driel zijn gebieden waar de mate van welstandstoets laag kan zijn.
Deze twee gebieden liggen op enige afstand van het dorp en vormen een soort enclaves. Door hun solitaire ligging is in de loop der tijd een eigen wereld ontstaan. Die wereld kenmerkt zich door een grote verscheidenheid aan bebouwing zoals aan- en uitbouwen, dakkapellen, dakopbouwen en bijgebouwen. Ook onderlinge verschillen van plaats, afmetingen en detail zijn daarbij bepalend. Vooral aan de achterkant is er nauwelijks sprake van enige sa-menhang. Deze eigenschappen maakt dat voor die gebieden een lager of geen welstandsregiem gerechtvaardigd is. Beide bovengenoemde gebieden vallen onder Woonwijken wederopbouw (gebied 7). In dit hoofdstuk zijn hiertoe specifieke regels opgesteld. Hiermee wordt voorzien in de wens van de gemeenteraad tot een ruimer welstandsregiem daar waar dat mogelijk is. 6.3. Welstandsgebieden Hierna volgen de gebiedsbeschrijvingen. Op de overzichtskaarten kan gekeken worden in welk gebied een pand ligt. Bij onzekerheid daarover kunnen de kaarten (aan de balie) van de gemeente worden geraadpleegd of de website van de gemeente.