21-01-26.10 Relevant stuk 4 BP Oosterhout, Peperstraat
Tekst van het document
28
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat
Visie kaart Toekomstvisie+, uitsnede Oosterhout bron: gemeente Overbetuwe, 2009
Toetsing In de Toekomstvisie+ wordt aangegeven dat bij eventuele groei van een kern uitgegaan moet worden van de bestaande contouren voor woningbouw en zoekzones. Als inbreiding in een bepaalde kern niet mogelijk en/of wenselijk is, wordt gezocht naar locaties binnen de contouren of zoekzones of bij de uitbreidingsrichtingen op de visiekaart. Met de realisatie van woningbouwlocatie Peperstraat wordt invulling gegeven aan de uitbreiding van Oosterhout met maximaal 44 woningen. Deze ontwikkeling zal aan de noordwestzijde van de kern plaatsvinden, aangezien in de kern zelf geen ruimte is voor een ontwikkeling van deze omvang. De locatie Peperstraat ligt weliswaar buiten de bebouwingscontouren uit de toekomstvisie, maar past binnen de gemeentelijke beleidsdoelstellingen op het gebied van ruimte en wonen. Er wordt ingezet op een flexibel plan ten aanzien van woningbouwtypen. Zodoende kunnen veranderingen in woonwensen, als gevolg van hoge (of eventueel lage) economische groei, worden opvangen.
toelichting (ontwerp)
29
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat
4.6
Conclusie
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie, de regio en de gemeente geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het plan. Weliswaar bevindt de locatie zich buiten de bebouwingscontouren zoals opgenomen in de Toekomstvisie+, de locatie bevindt zich wel binnen de grenzen van het zoekgebied van de gemeentelijke Kadernota. De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft aangetoond dat het plan voorziet in een behoefte welke niet kan worden opgevangen op een inbreidingslocatie. Om aan de woonvraag en woonwensen te kunnen voldoen is invulling van het zoekgebied nodig.
30
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk komen alle relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Het betreffen hier de randvoorwaarden en beperkingen die voortkomen uit het beleid en wetgeving op het gebied van: milieueffecten (Wet milieubeheer en Besluit m.e.r.), bodem (Wet bodembescherming), geluid (Wet geluidhinder), bedrijvigheid (Wet milieubeheer), luchtkwaliteit (Wet luchtkwaliteit), externe veiligheid (Besluit risico's zware ongevallen (BRZO), Regeling externe veiligheid en inrichtingen (REVI), Besluit externe veiligheid en inrichtingen (BEVI), Wet milieubeheer), water (Kaderrichtlijn water), flora en fauna (Flora- en faunawet), archeologie, cultuurhistorie en monumenten (Wet op de archeologische monumentenzorg en Monumentenwet 1988), verkeer en parkeren en handhaafbaarheid.
5.2
Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.)
5.2.1
Algemeen
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.
In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.beoordeling worden gedaan.
Het bevoegde gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) moet voorafgaande aan het besluit inzake het plan formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag kan dit besluit nemen aan de hand van een 'aanmeldingsnotitie'.
5.2.2
Toetsing
Onderhavig plan, zoals in hoofdstuk 5 van de toelichting van het bestemmingsplan beschreven, kan worden gekwalificeerd als de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.
Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd.
Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
toelichting (ontwerp)
31
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat Onderhavig plan betreft de realisatie van 44 woningen binnen een plangebied van ca. 2 ha. De omvang van onderhavig plan blijft hiermee ver onder de indicatieve drempelwaarden. Er kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan.
In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden beoordeeld of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: de kenmerken van het project; de plaats waar de activiteit plaatsvindt; de kenmerken van het potentiële effect. 5.2.3
Beoordeling
Kenmerken van het project Algemeen Het plan betreft de realisatie van een woningbouwlocatie aan de rand van de kern Oosterhout. Het plangebied maakt deel uit van de bebouwde kom, maar is hoofdzakelijk in gebruik als agrarisch perceel (grasland). Omvang van het project Het plangebied is ca. 2 ha groot. Er worden 44 grondgebonden woningen binnen het plangebied gerealiseerd. Beschrijving bestemmingsplan (als van toepassing) Het bestemmingsplan gaat uit van globale bestemmingsvlakken 'Woongebied' waar de woningen in de aangeduide bouwstroken kunnen worden gerealiseerd. De hoofdstructuur van het plan is vastgelegd in bijpassende bestemmingen 'Groen' en Verkeer. In de regels is het maximale aantal woningen vastgelegd. Cumulatie met andere projecten Er is geen sprake van cumulatie met een ander plan. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen De nieuwe functies binnen het plan maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de direct nabijheid van het plangebied. In het geheel legt het project hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico van ongevallen Afgezien van de tijdelijke aanlegfase is geen sprake van een betekenisvolle productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder. Ook brengt het plan geen bijzondere risico's voor ongevallen met zich mee. De nieuwe functies hebben een verkeersaantrekkende functie.
Dit heeft onder meer ook consequenties voor de aspecten lucht en geluid.
32
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat
Plaats van het project Het bestaande grondgebruik Het plangebied maakt deel uit van de huidige bebouwde kom maar is in de huidige situatie bestemd en in gebruik als agrarisch grasland. De locatie wordt aan de noord-, west-, zuid-, zuidwest- en noordwestzijde begrensd door bestaande (grondgebonden) woningen. Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een korte analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn, of gebieden die krachtens nationale en provinciale regels zijn aangewezen. Hieruit ontstaat het volgende beeld: -
Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn): In de omgeving van het plangebied ligt Natura 2000-gebied Rijntakken dat op grond van de Wet natuurbescherming beschermd is.
-
Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid: Het plangebied is niet gelegen in een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid.
-
Landschappen van archeologisch of cultureel belang: Het plangebied betreft geen archeologisch monument, wel geldt evenwel een hoge archeologische verwachting.
-
Ecologische Hoofdstructuur / Natuurnetwerk Nederland: Het meest nabijgelegen deel van het Natura 2000 gebied Rijntakken maakt ook deel uit van de NNN
-
Gebied geschikt voor beschermde soorten (Wet natuurbescherming) Binnen het plangebied kunnen zich beschermde (dier- en planten-)soorten hebben ontwikkeld.
-
Beschermde stads- en dorpsgezichten. Het plangebied is niet gelegen in een beschermd dorpsgezicht.
Kenmerken van het potentiële effect Algemeen Het project betreft de realisatie van een woningbouwontwikkeling met 44 woningen. De omgeving van het projectgebied kent een beperkt aantal kwetsbaarheden. Gezien voorgaande zijn de milieugevolgen voor de volgende aspecten nader beoordeeld: -
archeologie: er kan sprake zijn van negatieve effecten op de archeologische waarden in het projectgebied.
-
geluid: er kan sprake zijn van milieueffecten op de omgeving als gevolg van geluid veroorzaakt door onderhavig project;
-
lucht: er kan sprake zijn van milieueffecten op de omgeving als gevolg van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, veroorzaakt door onderhavig project;
-
natuur: flora en fauna: het project kan voor wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna en wat betreft gebiedsbescherming op beschermde gebieden;
-
verkeer: het project kan leiden tot negatieve milieueffecten op de verkeerssituatie (doorstroming, congestie, etc.).
toelichting (ontwerp)
33
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat
Voor de overige milieuaspecten geldt dat op voorhand geen negatieve effecten hoeven te worden verwacht. Hierover kan heel kort het volgende worden gesteld: -
externe veiligheid: onderhavig plan brengt geen activiteiten met zich mee die leiden tot externe veiligheidsrisico's op de omgeving;
-
bodem: bij onderhavig plan zal het momenteel hoofdzakelijke agrarische plangebied worden ontwikkeld met woningbouw. Er hoeft niet te worden verwacht dat deze bouwactiviteiten bodemverontreiniging met zich meebrengen;
-
water: onderhavig plan betreft geen functies die risico's met zich meebrengen voor de waterhuishouding; de toename aan bebouwing en verharding kan worden gecompenseerd.
Archeologie Op grond van de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart is sprake van een lage archeologische waarde. Wel is in het kader van het bestemmingsplan een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie verder paragraaf 5.10 van de toelichting). Hieruit blijkt dat het grootste deel van het plangebied kan worden vrijgegeven. Voor de zuidelijke rand van het plangebied geldt dat hier mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn. In het bestemmingsplan worden die beschermd middels een archeologische dubbelbestemming. Hiermee worden de archeologische waarden beschermd. Negatieve effecten op het aspect archeologie hoeven daarom niet te worden verwacht. Geluid Onderhavig plan kan leiden tot meer geluidshinder op de bestaande omgeving als gevolg van het lawaai van wegverkeer van en naar het onderhavige plangebied. Het plan wordt voor autoverkeer aan de zuidzijde op de Peperstraat aangesloten. Verder is aan de oostzijde een calamiteitenontsluiting op de Spaanstraat aanwezig. Op voorhand is de toename van het verkeer beperkt. Zoals hierna in de paragraaf 'Verkeer' wordt besproken, kan worden uitgegaan van ca. 352 verkeersbewegingen per etmaal op de Peperstraat. Op de Peperstraat zijn (zie ook de paragraaf 'Verkeer') bestaande verkeersintensiteiten van ca. 2.000 motorvoertuigen per etmaal.
Uit de Wet geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40%. Bij dit plan zal de verkeerstoename op de Peperstraat ruimschoots lager zijn dan 40%; deze overschrijdt de 20% niet. Hiermee is geen sprake van een merkbare geluidstoename. Luchtkwaliteit Bij onderhavig plan zal sprake zijn van een toename van het verkeer (zie ook bij 'Verkeer'). De toename is echter niet zodanig dat sprake is van een ontwikkeling die wordt aangemerkt als 'In betekende mate' conform de ministeriele regeling NIBM. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen negatieve effecten zijn op de luchtkwaliteit. Natuur Gebiedsbescherming In het kader van het bestemmingsplan is een quick scan flora en fauna uitgevoerd. Wat betreft gebiedsbescherming kan gezien de afstand niet worden uitgesloten dat er veranderingen in stikstofdepositie optreden ten aanzien van het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Rijntakken”. Dit natuurgebied (ook onderdeel van de NNN) is gelegen op 420 meter van het plangebied. Gezien voorgaande is een Aerius-berekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat op de stikstofgevoelige habitattypen in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden geen toename van stikstofdepositie te verwachten is.
Voor wat betreft stikstof zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden vanwege de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Er is hiermee geen sprake van negatieve milieu-effecten.
34
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat Soortenbescherming In de voornoemde quick scan natuur is ook gekeken naar beschermde soorten. Uit het onderzoek blijkt dat voor de meeste beschermde soorten er geen effecten worden verwacht. Wel is mogelijk sprake van de verstoring van de steenuil en kerkuil. Hiernaar heeft nader soortonderzoek plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat het plan geen negatieve effecten tot gevolg zal hebben ten aanzien van kerkuil en nestplaatsen van steenuilen, alsmede de functionele leefomgeving van deze nestplaatsen. Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een negatief milieueffect. Verkeer De hoofdontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Peperstraat. Daarnaast wordt de locatie, met een langzaamverkeersverbinding, via een smaller profiel, ontsloten op de Lage Wick. Een calamiteitendoorgang verbindt het plangebied met de Hoge Wickstraat aan de oostzijde. Op voorhand is de toename van het verkeer beperkt. Uitgaande van 8 verkeersbewegingen per etmaal per woning bedraagt het 352 verkeersbewegingen. Dit is een beperkte intensiteit, als in acht wordt genomen dat de intensiteit op de Peperstraat in 2027 2.000 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Dit blijkt uit navolgende tabel uit het akoestische onderzoek:
Etmaalintensiteiten (bron: akoestisch onderzoek) Er kan worden aangenomen dat dit extra verkeer kan worden ingepakt binnen het bestaande verkeersbeeld. Verder geldt de volgende specifieke opmerking: -
Wat betreft de Peperstraat kan hieraan worden toegevoegd dat bekend is dat deze straat zal worden gereconstrueerd. Door de reconstructie van de Peperstraat is de capaciteit op dat moment zodanig, dat extra verkeersbewegingen als gevolg van dit plan zonder problemen kunnen worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld.
Concluderend is wat betreft verkeer geen sprake van een negatief milieueffect.
5.2.4
Conclusie
Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en de locatie van het project die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen of zeer beperkt effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-)procedure is daarom niet nodig.
Ook gezien het feit dat geen passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming nodig is, is een m.e.r. niet aan de orde.
5.3
Bodem
toelichting (ontwerp)
35
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat 5.3.1
Algemeen
Voordat een bestemmingsplan wordt vastgesteld voor de toevoeging van functies waar langdurig of frequent mensen verblijven, moet aangetoond zijn dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Voor het plangebied dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
5.3.2
Verkennend bodemonderzoek plangebied 4
Door Ingenieursbureau Land is in januari 2016 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek had betrekking op het perceel kadastraal bekend gemeente Valburg, sectie L, nummer 648. Op basis van het gebruik is de onderzoekslocatie in twee deellocaties verdeeld, te weten: 2 1. Weiland (maisveld): hoofdperceel circa 13.300 m ; 2 2. Strook met schuren circa 1.500 m . In het onderstaande zijn de conclusies ten aanzien van beide deellocaties opgenomen.
Weiland In zowel beide twee boven- (BG1 en BG2) als ondergrond mengmonsters (OG1 en OG2) zijn geen overschrijdingen van achtergrondwaarde voor de onderzochte parameters aangetoond. Uit de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de klei van de boven- en ondergrond altijd toepasbaar is. In het grondwater is een overschrijding van de streefwaarde voor barium aangetoond.
Strook In het bovengrondmengmonster (BG3) is een overschrijding van de interventiewaarde voor lood aangetoond. Echter bij uitsplitsing van dit mengmonster is voor de afzonderlijke grondmonsters geen verhoogd gehalte aan lood (kleiner dan de achtergrondwaarde) aangetoond. Dit is te verklaren doordat lood inhomogeen kan voorkomen in de bodem. In het ondergrond mengmonster (OG3) zijn geen overschrijdingen van de achtergrondwaarde van de onderzochte parameters aangetoond.
Uit de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de klei van de boven- en ondergrond altijd toepasbaar is. In het grondwater zijn overschrijdingen van de streefwaarde voor barium en naftaleen aangetoond.
Voor de onderzoekslocatie, het gehele perceel, wordt op basis van de aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater de hypothese "onverdacht" voor het voorkomen van ernstige bodemverontreinigingen bevestigd. Er is geen geval van ernstige bodemverontreiniging aangetoond. Op basis van de resultaten is er geen noodzaak voor het uitvoeren van nader onderzoek.
5.3.3
36
Historisch onderzoek Peperstraat 48
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat 5
In juli 2017 is er onderzoek verricht naar mogelijke activiteiten die in het verleden de bodem van het kadastrale perceel (Gemeente Valburg, Sectie L, Nummer 649) verontreinigd zouden kunnen hebben.
Daaruit volgt dat op basis van de verkregen informatie er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een verontreiniging van de bodem op het perceel. Het voormalige agrarische perceel is deels bebouwd en deels in gebruik genomen als moes- of siertuin.
Punt van aandacht is de ligging van het perceel binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting. In paragraaf 5.10 wordt onderzoek naar dit aspect nader toegelicht.
5.3.4
Conclusie
Het verkennend bodemonderzoek heeft aangetoond dat de bodem van het plangebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.4
Geluid
5.4.1
Algemeen
Wanneer in een plan nieuwe geluidsgevoelige ruimten, zoals woningen worden gerealiseerd, stelt de Wet geluidhinder (Wgh) de verplichting akoestisch onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op deze geluidsgevoelige bebouwing ten gevolge van omliggende wegen. Deze geluidsbelasting mag de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijden.
5.4.2
Onderzoek 6
Voor het plangebied is in juli 2017 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd . Het onderzoek is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. De belangrijkste conclusies zijn hieronder weergegeven.
Het plangebied is gelegen aan de Peperstraat. Dit is een 30 km/uur weg welke formeel niet getoetst hoeft te worden aan de Wet geluidhinder, maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel in de beoordeling wordt betrokken.
Daarnaast ligt het plangebied in de nabijheid van de Oosterhoutsestraat. Het betreft hier een weg in binnenstedelijk gebied met een akoestische aandachtszone van 200 meter. Het plangebied is in deze zone gelegen.
Van de overige wegen (30 km/uur) kan worden aangenomen dat deze akoestisch niet relevant zijn gezien het te verwachten geringe verkeer en de afstand tot het plangebied. Verder is het plangebied niet gelegen in de zone van een spoorweg of een gezoneerd industrieterrein.
Akoestisch onderzoek is derhalve uitgevoerd voor de wegen Peperstraat en Oosterhoutsestraat.
Toetsing in het kader van de Wet geluidhinder
toelichting (ontwerp)
37
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat In het kader van de Wet geluidhinder is de geluidbelasting van de Oosterhoutsestraat berekend. Uit de berekening blijkt dat de geluidbelasting van deze weg maximaal 38 dB(A) bedraagt. Dit is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er is verder geen onderzoek naar maatregelen noodzakelijk.
Toetsing in het kader van een goede ruimtelijke ordening Peperstraat De geluidbelasting vanwege de Peperstraat bedraagt maximaal 56 dB. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder, maar minder dan de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB. Een goed woon- en leefklimaat kan hiermee worden gewaarborgd.
Gecumuleerd geluid De geluidbelasting van alle wegen bij elkaar bedraagt maximaal 61 dB zonder aftrek conform artikel 110g Wgh en 56 dB met aftrek. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar lager dan de hoogst toelaatbare geluidbelasting. Een goed woon- en leefklimaat kan hiermee worden gewaarborgd.
Mogelijkheden voor geluidreducerende maatregelen Ondanks dat vanuit de Wet geluidhinder geen onderzoek naar maatregelen noodzakelijk zijn, is er vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde vanwege de Peperstraat (30 km/uur weg) gekeken naar mogelijke maatregelen.
Er is onderzocht of, en zo ja, welke doeltreffende maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting terug te brengen tot een waarde die lager of gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde. Bij het treffen van maatregelen geldt een voorkeursvolgorde: bron, overdracht en ontvanger.
Bronmaatregelen Afstand vergroten Een mogelijkheid om de geluidbelasting te reduceren is het vergoten van de afstand tussen het plan en de weg. Gezien de geringe ruimte binnen het plangebied is er niet of nauwelijks een mogelijkheid voor het vergroten van de afstand.
Geluidstil asfalt Geluidstil asfalt kan een bijdrage leveren aan het verminderen van de geluidemissie van de wegen. Echter wordt de overschrijding veroorzaakt door de 30 km/uur weg de Peperstraat. Voor dit soort wegen is met name het motorgeluid de veroorzaker van het geluid. Daarnaast is een stil asfalt type minder slijtvast. Door het vele wringende verkeer zal een stil asfalt type hier stuiten op financiële bezwaren door de kosten voor het onderhoud. Ander stil asfalt is derhalve gezien de omvang van het plan en de beperkte geluidwinst niet doelmatig.
Overdrachtsmaatregelen Gezien de binnenstedelijke situatie en de daarmee gepaard gaande beperkte ruimte zullen schermen of wallen niet geplaatst kunnen worden. Daarnaast zullen schermen op de hogere hoogtes geen effect hebben. Nader onderzoek naar overdrachtsmaatregelen is derhalve niet uitgevoerd.
Maatregelen bij de ontvanger
38
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat De maatregelen die kunnen worden genomen bij de ontvanger zijn erop gericht om de binnenwaarde te beperken tot een aanvaardbaar niveau. Het niveau van 33 dB uit de Wet geluidhinder kan hierbij als leidraad worden gehanteerd. Bij een geluidbelasting op de gevel van 61 dB is dan een gevelwering van 28 dB noodzakelijk. Deze gevelwering kan zonder meer gehaald worden. Een goed woon- en leefklimaat kan daarmee worden gewaarborgd.
Aanbeveling Wel wordt aanbevolen om voor de gevels van het bouwvlak direct aan de Peperstraat een geluidwering te realiseren van 28 dB zodat de binnenwaarde van 33 dB is gewaarborgd.
5.4.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.
5.5
Bedrijvigheid
5.5.1
Algemeen
Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt.
Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking) 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking) Wat betreft de aanbevolen afstand tussen de te realiseren woningen en omliggende bedrijven, is de 7 VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geraadpleegd. Hierin worden richtafstanden voor zowel het omgevingstype 'gemengd gebied' als 'rustige woningbouwlocatie' en 'rustig buitengebied' aanbevolen. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woningbouwlocatie en buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor. De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van het gebiedstype 'rustig woongebied'.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande woningen gelegen buiten betreffend perceel. Het plangebied maakt gezien de omliggende functies deel uit van een 'rustig woongebied'. De VNG-uitgave biedt overigens de mogelijkheid om gemotiveerd van deze indicatieve afstanden af te wijken.
5.5.2
Onderzoek
Ad 1 (externe werking) Hierbij gaat het om de vraag of de realisatie van de plannen leidt tot hinder of belemmeringen voor de (milieugevoelige) omgeving. In voorliggende ontwikkeling worden alleen woningen gerealiseerd. De plannen leiden dan ook niet tot hinder of belemmering voor in de omgeving aanwezige functies. Ad 2 (interne werking)
toelichting (ontwerp)
39
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving, aangezien onderhavig plan de realisatie van een hindergevoelige functie (wonen) betreft.
In de omgeving van het plangebied zijn twee functies aanwezig die van belang zijn in het kader van de ontwikkeling van de beoogde woningen: een tuincentrum aan de Oosterhoutsestraat 87: richtafstand 30 m (VNG-brochure 4752) een tuinbouwbedrijf met kassen aan de Oosterhoutsestraat 89: richtafstand 30 m (VNG-brochure 011) Vanwege de aanwezigheid van deze bedrijven in de omgeving van het plangebied is het aspect 8 bedrijven en milieuzonering nader uitgewerkt .
Uit de VNG-brochure volgt zowel ten aanzien van het tuincentrum als het tuinbouwbedrijf een maximale indicatieve hinderafstand van 30 meter.
Overzicht nabijgelegen functies (afstanden in meters) bron: Antea Group/VNG
Binnen deze maximale indicatieve hinderafstand van het tuincentrum aan de Oosterhoutsestraat 87 zijn in het westelijke deel van het plangebied woningen geprojecteerd. Bij het afwijken van de afstanden uit de VNG-brochure moet het bevoegd gezag onderbouwen waarom desondanks een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Hiertoe zal een locatiespecifiek onderzoek worden uitgevoerd.
Geluid - locatiespecifiek Bij het afwijken van de afstanden uit de VNG-brochure moet het bevoegd gezag onderbouwen waarom desondanks een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Hiertoe is een indicatief geluidonderzoek gedaan naar de geluiduitstraling van de functie 'tuinbouwbedrijf' richting de nieuw te realiseren bebouwing.
Voor het indicatieve onderzoek zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Voor de bepaling van de geluidsituatie met invulling van het plan wordt het betreffende tuinbouwperceel opgevuld met een oppervlaktebron die de inrichtingen 'akoestisch verkavelt' met 2 2 dB(A)/m . Voor glastuinbouw wordt een bronsterkte 45 dB(A)/m gehanteerd (kengetal [1], [2]). Voor het inzichtelijk maken van het industrielawaai wordt de kavelbron ingevoerd in een grafisch computermodel dat rekent volgens de Standaardrekenmethode II uit het 'Reken- en meetvoorschrift geluid 2012'. Daarbij is gebruik gemaakt van het programma Geomilieu v4.30. Aangenomen is dat de functie 'tuinbouwbedrijf' continu in bedrijf is. Dit moet worden beschouwd als een maximale invulling van het perceel. Voor de spectrale verdeling is het standaard industrielawaaispectrum gehanteerd.
40
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat
Met behulp van het berekeningsmodel is de geluidbelasting op het nieuwbouwplan vanwege de functie 'tuinbouwbedrijf' berekend.
Uit de rekenresultaten blijkt dat het gehele plan buiten de 50 dB(A) geluidcontour als gevolg van de functie 'tuinbouwbedrijf' ligt. Dit betekent dat de functie 'tuinbouwbedrijf' niet in haar akoestisch milieurecht wordt aangetast, aangezien conform het Activiteitenbesluit de geluidbelasting 50 dB(A) op nabijgelegen woningen mag zijn. De 2 noordwestelijk geprojecteerde woningen ondervinden een geluidbelasting van ten hoogste 46 dB(A). Hiermee wordt net niet voldaan aan de richtwaarde zoals gesteld in 'stap 2' van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' voor een rustige woonwijk van 45 dB(A). Inpassing is mogelijk tot en met 50 dB(A) ('stap 3'), indien het bevoegd gezag kan motiveren waarom het deze belasting in de concrete situatie mogelijk acht. Hierbij dient tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting te worden betrokken.
In dit geval is de inpassing te motiveren aangezien er: geen andere relevante geluidbronnen in de omgeving zijn;
toelichting (ontwerp)
41
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat
een worst case situatie is beschouwd; de richtwaarde van 45 dB(A) maar nét wordt overschreden, op maar 2 woningen; met een geluidbelasting van 46 dB(A) met de minimale geluidwering eis uit het Bouwbesluit (20 dB) wordt voldaan aan het wettelijk binnenniveau van 35 dB(A); de functie 'tuinbouwbedrijf' niet in haar akoestisch milieurecht wordt aangetast.
Concluderend is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (goed woon- en leefklimaat) en zijn er geen akoestische belemmeringen voor het inpassen van het plan.
Spuitzone - locatiespecifiek 9
Door de Omgevingsjurist is in januari 2020 een nader onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de kortste afstand tussen de noordelijke grens van de woonpercelen en de grenzen van de agrarische percelen waar zich een spuitzone bevindt, 1 meter bedraagt. Om ter plaatse van de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat te garanderen is er minimaal een afstand van 10 m vanaf de zuidgrens van het agrarische perceel tot aan de grens van de woonbestemming nodig. Deze 10 m is verantwoord wanneer een 3 meter hoge, in de winter groenblijvende haag, op de grens van het agrarische perceel gerealiseerd en in stand gehouden wordt. In dit bestemmingsplan is het bovenstaande geborgd met een voorwaardelijke verplichting waarbij niet eerder gebruik mag worden gemaakt van de woonbestemming dan nadat een groenblijvende haag is gerealiseerd met een minimale hoogte van 3 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - groenblijvende haag'. De 10 m is verder geborgd door het opnemen van de bestemming 'Groen- Waterberging'. Tevens is een aanduiding 'milieuzone - spuitzone' opgenomen waar geen 'voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies' zijn toegestaan. Het memo Bedrijven en milieuzonering alsmede het nader onderzoek spuitzone is opgenomen in de bijlage.
5.5.3
Conclusie
Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.6
Luchtkwaliteit
5.6.1
Algemeen
De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM 2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.
42
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt 3 dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingshuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.
5.6.2
Onderzoek
Met dit initiatief bestaat het voornemen om in totaal maximaal 44 nieuwe woningen te realiseren. Het aantal te realiseren woningen is kleiner dan 1.500. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan van deze omvang niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.
Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszone van 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg. Volgens de criteria uit de Wet milieubeheer inzake luchtkwaliteitseisen kan er daardoor geen sprake zijn van een gevoelige bestemming langs drukke infrastructuur. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.
De Regeling Beoordeling luchtkwaliteit geeft aan dat er bij onder andere een woning sprake is van een significante blootstellingsduur. Om onacceptabele gezondheidsrisico's uit te sluiten, is de lokale luchtkwaliteit onderzocht. De sanerings-tool bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van het Ministerie van VROM maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2014, 2015, 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.
toelichting (ontwerp)
43
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat 5.6.3
Conclusie
Zowel vanuit de Wet luchtkwaliteit (onderdeel van de Wet milieubeheer) als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.
5.7
Externe veiligheid
5.7.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn -6 etc.), waarbij de 10 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.
Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale 10 brandweer .
44
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat 5.7.2
Quickscan 11
Door AnteaGroup is een quick scan externe veiligheid uitgevoerd. Hieruit is naar voren gekomen dat in de omgeving van het plangebied zich diverse risicobronnen bevinden. In onderstaande tabel is een overzicht van de relevante risicobronnen weergegeven.
Tabel: overzicht risicobronnen bron: AnteaGroup
Uit bovenstaande tabel blijkt dat een nadere beschouwing van twee hogedruk aardgastransportleidingen, de Waal, de Betuweroute en het CUP Betuweroute noodzakelijk is in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Hierbij moet de hoogte van het groepsrisico worden beschouwd en moeten elementen ter verantwoording van het groepsrisico worden beschreven.
Verantwoording Groepsrisico Op basis van de quick scan externe veiligheid is door AnteaGroup een QRA uitgevoerd en is een 12 verantwoording groepsrisico opgesteld . Dit vanwege het onderkennen van risicobronnen die een invloedgebied hebben die de planlocatie overlappen. Relevante scenario's zijn: (wolk-)brand en toxische wolk.
QRA hogedruk aardgasleiding De hogedruk aardgastransportleidingen waarvan het invloedsgebied tot aan het plangebied reiken -6 hebben geen 10 plaatsgebonden risicocontour. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmeringen. Het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleidingen is lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en neemt niet toe in de toekomstige situaties. Conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen is verantwoording van het groepsrisico verplicht.
Verantwoording Groepsrisico Beschouwd vanuit de maatgevende scenario's is voor zelfredzaamheid vooral het aspect 'schuilen' van belang. Binnen het plangebied zijn ruimtelijke maatregelen niet relevant. De woningen die voorzien worden zijn goed geschikt om bescherming te bieden. Geadviseerd wordt een eenvoudige voorziening in de woning aan te brengen om de mechanische ventilatie uit te schakelen (dit mag handmatig). Daarnaast dienen de ventilatieopeningen in de woningen eenvoudig sluitbaar te zijn. Het aspect bestrijdbaarheid speelt zich voornamelijk af nabij de calamiteit, op grote afstand van het plangebied. Voor een goede uitwerking van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening wordt verwezen naar de Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid van Brandweer Nederland.
toelichting (ontwerp)
45
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat 5.7.3
Planbeoordeling Omgevingsdienst Regio Arnhem 13
Op 24 januari 2018 heeft de Omgevingsdienst Regio Arnhem een planbeoordeling opgesteld . In deze paragraaf zijn de bevindingen daarvan overgenomen. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In figuur 1 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.
Uitsnede provinciale risicokaart (geraadpleegd op 21-12-2017) met het plangebied in de zwarte cirkel.
De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op:
Transportroutes Het plangebied ligt op ± 1.300 meter van de Rijksweg A15, op ± 1.450 meter van de Betuweroute, op ± 2.500 meter van de Spoorlijn Arnhem - Nijmegen en op ± 1.000 meter van de Waal. Op basis van -6 de Regeling Basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10 van deze vier risicobronnen niet over plangebied gelegen is. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen binnen het invloedsgebied van deze vier risicobronnen (Waal 1.080 meter, rest 4.000 meter). Daarmee hebben wijzigingen in het plangebied mogelijk een invloed op de hoogte van het groepsrisico van deze risicobronnen. Echter is de afstand tussen het plan en de risicobronnen der mate groot (groter dan 200 meter) dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid.
46
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat Buisleidingen Op ongeveer 370 meter van het plangebied liggen een tweetal aardgastransportleidingen (A-524 en 14 A-533). Hiervoor is een notitie CAROLA-berekening en Verantwoording Groepsrisico opgesteld. Uit de risicoberekening blijkt dat ter hoogte van het plan voor beide aardgastransportleidingen geen -6 plaatsgebonden 10 risicocontour wordt berekend. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen belemmering voor het plan. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen in het invloedsgebied groepsrisico (540 meter) van beide aardgastransportleidingen. Uit de risicoberekening blijkt dat het groepsrisico voor beide aardgastransportleidingen lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en niet toeneemt door het plan. Doordat de hoogte van het groepsrisico lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde kan er worden volstaan met beperkte verantwoording groepsrisico. Hierdoor hoeft enkel nog de aanwezigen dichtheid, de hoogte van het groepsrisico, de zelfredzaamheid en beheersbaarheid beschouwt te worden.
Inrichtingen Het plangebied ligt op ongeveer 1.450 meter van het emplacement van de Betuweroute (genaamd CUP) en op 3.500 meter van het bedrijf Broekman Logistics. Bij beide inrichtingen vinden handelingen plaats met gevaarlijke stoffen, zij het rangeren van gevaarlijke stoffen bij het emplacement en zijnde 15 opslag bij Broekman Logistics. Er is een notitie Quickscan externe veiligheid opgesteld. Hieruit is -6 gebleken dat het plaatsgebonden risicocontour 10 van beide risicobronnen niet over het plan is gelegen. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan wel gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van beide risicobronnen. Hierover wordt het volgende geconcludeerd in de notitie 'Quickscan externe veiligheid': De hoogte van het groepsrisico van het CUP en Broekman Logistics ligt ver onder de oriëntatiewaarde. Gezien de grote afstand van beide risicobronnen tot het plangebied, moet worden gesteld dat de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op de hoogte van het groepsrisico voor beide risicobronnen nihil zal zijn. Het groepsrisico van beide risicobronnen zal met de geprojecteerde ontwikkeling ruim onder de oriëntatiewaarde blijven. Wel moet voor beide risicobronnen het groepsrisico volledig verantwoord worden conform het besluit externe veiligheid inrichtingen.
Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer gevaarlijke stoffen over de A15, de Betuweroute, de spoorlijn Arnhem - Nijmegen en de Waal (zie onderdelen H en I), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) artikel 12 vanwege een tweetal aardgastransportleidingen (zie onderdelen A, B en H en I) en Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) artikel 13 vanwege het spoor emplacement CUP en Broekman Logistics (zie onderdelen A t/m I). De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruikgemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 18 januari 2018 (kenmerk: 180118-0009).
A. Personendichtheid Het plan maakt de bouw van 44 woningen mogelijk waar het voorheen agrarisch landbouwgrond betrof. Hierdoor neemt het aantal personen toe met 106 personen. Voor de kern Oosterhout geldt een gemiddelde aanwezigheid van 25 personen per hectare conform PGS 1 deel 6 aanwezigheidsgegevens.
B. Hoogte groepsrisico
toelichting (ontwerp)
47
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat Hierover wordt het volgende geconcludeerd in de notitie 'Quickscan externe veiligheid': De hoogte van het groepsrisico van CUP en Broekman Logistics ligt ver onder de oriëntatiewaarde. Gezien de grote afstand van beide risicobronnen tot het plangebied, moet worden gesteld dat de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op de hoogte van het groepsrisico voor beide risicobronnen nihil zal zijn. Het groepsrisico van beide risicobronnen zal met de geprojecteerde ontwikkeling ruim onder de oriëntatiewaarde blijven. Uit de notitie 'CAROLA-berekening en verantwoording groepsrisico' blijkt dat voor beide buisleidingen (A-524 en A-533) het groepsrisico lager is dan 0,1 maal de orientatiewaarde. Daarnaast neemt het groepsrisico niet toe door de ontwikkeling van het plan.
C t/m E. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico binnen de inrichting Omdat het plan beperkt van aard is en op flinke afstand is gelegen van CUP en Broekman Logistics ziet de gemeente Overbetuwe geen mogelijkheden om het groepsrisico verder te beperken. In het verleden zijn bij beide inrichtingen aanvullende veiligheidsmaatregelen opgenomen in de omgevingsvergunning.
F. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico De gemeente Overbetuwe heeft in haar beleid een aantal ontwikkellocaties aangewezen. Deze planlocatie is daar één van. Er zijn dan ook geen andere ontwikkelmogelijkheden met een lager groepsrisico. Daarnaast betreft het plan alleen woningbouw. Binnen het plan zijn dan ook geen ontwikkelmogelijkheden met een lager groepsrisico.
G. Mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst De gemeente Overbetuwe is niet voornemens nieuwe maatregelen te nemen om het groepsrisico te beperken.
H bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. VGGM ziet ook geen reden om nader te adviseren over de bestrijdbaarheid.
I. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol.
Het advies van Veiligheids en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan: Door de ontwikkeling neemt het aantal aanwezigen in het gebied toe, ook in de nachtelijke uren. Het ligt in de verwachting dat de aanwezige personen, mits tijdig gewaarschuwd, zichzelf in veiligheid kunnen brengen; Wel adviseert de VGGM, ter verbetering van de zelfredzaamheid aandacht te hebben voor Risicocommunicatie. Ten aanzien van risicocommunicatie is er NL-alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan via de
48
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat Peperstraat te ontvluchten. De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant.
5.7.4
Conclusie -6
Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10 van een inrichting, buisleiding en transportroute met externe veiligheidsrisico's. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de A15, de Betuweroute, de spoorlijn Arnhem-Nijmegen, de Waal, een tweetal aardgastransportleidingen, het CUP en Broekman Logistics. Op basis van bovenstaande verantwoording groepsrisico kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van dit plan.
5.8
Water
5.8.1
Algemeen
Bij nieuwe ontwikkelingen moet zijn aangetoond dat met het plan mogelijkheden bestaan voor een goede waterhuishouding. Hierbij moet onder andere worden getoetst aan het beleid van het waterschap en de gemeente.
5.8.2
Rijksbeleid
EU Kaderrichtlijn Water Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De Europese Kaderrichtlijn water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid.
Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoet water Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien is het aantal mensen en de economische waarde
toelichting (ontwerp)
49
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een normspecificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar.
Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.
5.8.3
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma's of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.
De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden.
5.8.4
Beleid Waterschap Rivierenland
Waterbeheerprogramma 2016-2021 Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma richt zich op het veilig houden van het rivierengebied tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het plan is ingegaan op 22 december 2015 en heeft een looptijd van zes jaar.
50
toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan Oosterhout, Peperstraat Waterschap Rivierenland speelt bij het waterbeheer in op veranderingen in de omgeving zoals klimaatverandering. De doelen richten zich op de lange termijn. Zo moeten bijvoorbeeld de dijken in 2050 voldoen aan de nieuwe veiligheidsnormen en de waterkwaliteit moet in 2027 aansluiten bij de doelen uit de Kaderrichtlijn Water. Hogere overheden als het rijk, de provincies en de Europese Unie hebben deze doelen voor het waterbeheer bepaald. Waterschappen hebben ook gezamenlijke doelen afgesproken, onder andere in het Bestuursakkoord Water en het Klimaatakkoord.
Waterschap Rivierenland trekt in het Waterbeheerprogramma 2016-2021 de lijn door van het vorige waterbeheerplan. De koers wordt niet gewijzigd, maar het werk wordt gecontinueerd. De doelen voor de lange termijn blijven het uitgangspunt. Om de inhoudelijke ambities te realiseren, wordt geanticipeerd op nieuwe ontwikkelingen en worden strategische allianties aangegaan. Het accent ligt in de periode 2016-2021 onder meer op: gebiedsgericht werken; waterbewustzijn; innovatie. Waterveiligheid Het beschermen van het rivierengebied tegen overstromingen is de hoogte prioriteit van dit programma. Veel rivierdijken zijn momenteel niet veilig genoeg op basis van de veiligheidsnormen. Overheden werken hard aan de waterveiligheid met als doel dat men hier veilig kan wonen en werken. Het beleid volgt het principe van 'meerlaagsveiligheid': preventie, ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing. De komende 6 jaar zijn er forse verbeteringen nodig bij zowel onze primaire keringen als de regionale keringen. Het waterschap gaat tot en met 2021 het volgende doen: verbetering van afgekeurde dijken; toepassing van innovatieve dijkverbeteringen; behoud van sterke dijken; deelname aan regionaal programma WaalWeelde; grensoverschrijdende samenwerking. Watersysteem Er zijn diverse maatregelen die wateroverlast moeten voorkomen.
Deze maatregelen dragen bij aan een betere waterkwaliteit waardoor men in het hele watersysteem over voldoende en schoon water kan beschikken. Een goed waterpeil en goede grondwatercondities worden bediend door aan- en afvoer van water. Een aandachtspunt hierbij is dat de belangen van de verschillende partijen in het gebied zo goed mogelijk nagestreefd worden. De ambitie is dat er in 2021 voldoende water van goede kwaliteit beschikbaar is voor stedelijk gebied, bedrijfsleven, landbouw, natuur en recreatie.
Waterketen Afvalwater wordt in de waterketen ingezameld, getransporteerd en gezuiverd. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de inzameling en het transport tot aan een overnamepunt. Vanuit deze overnamepunten transporteert het waterschap het afvalwater naar de rioolwaterzuivering waar het wordt gezuiverd. Aandachtspunten hierbij zijn het doelmatig en duurzaam zuiveren waarbij een goede samenwerking in de waterketen onontbeerlijk is. Het doel is dat in 2021 zuiveringen efficiënter werken en het gezuiverde afvalwater schoner is. Om dit te bereiken worden energie, grondstoffen en water hergebruikt.