Raadsvoorstel 'Vaststellen bestemmingsplan Tappersheul III - bedrijventerrein en sportvoorzieningen' - Bijlage 2 (Bestemmingsplan).pdf
Tekst van het document
Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof.
Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
35
4.2.3
Conclusie
Met voorgenomen ontwikkeling wordt, zo blijkt uit het ecologisch onderzoek, het leefgebied van de beschermde heikikker en ransuil verstoord en vernietigd, en de ontwikkeling is daardoor ontheffingsplichtig. Uit het activiteitenplan blijkt dat voor beide beschermde soorten geen andere bevredigende oplossing bestaat en moet zorgvuldig worden gehandeld conform ecologisch werkprotocol. Er worden geen verbodsbepalingen met betrekking tot gebiedsbescherming overtreden. Ten aanzien van de heikikker is door de provincie Utrecht ontheffing verleend. De provincie heeft ook aangegeven dat voor de ransuil geen ontheffing nodig is, omdat er naar oordeel van de provincie geen sprake is van overtreding van verbodsbepalingen voor die soort. Momenteel wordt gewerkt aan een ecologisch werkprotocol. Ten tijde van de aanvraag en behandeling van omgevingsvergunningen moeten de maatregelen, die voortkomen uit dit protocol, als voowaarden worden opgenomen.
4.3
Geluidhinder wegverkeer
4.3.1
Kader
Het onderzoek naar geluid wordt uitgevoerd op grond van de Wet geluidhinder (Wgh). Een nieuw bedrijventerrein genereert extra verkeer, waardoor een toename plaats vindt van het verkeer op bestaande wegen in de omgeving van de ontwikkeling. Als significante toename van de geluidsbelasting is 1,5 dB verondersteld in analogie met een reconstructie van een weg. Deze toename wordt door het gemiddeld menselijk oor als hoorbaar waargenomen, zodat er effecten kunnen optreden. Eveneens wordt in analogie met de Wgh een voorkeursgrenswaarde aangehouden van 48 dB. Dit houdt in dat een toename van de geluidsbelasting ter plaatse van woningen toelaatbaar is, ook een toename van meer dan 1,5 dB, als de geluidsbelasting beperkt blijft tot de voorkeursgrenswaarde. 4.3.2
Onderzoek
Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 11. In deze notitie zijn de akoestische effecten van de ontwikkeling op de bestaande woningen op het gebied van wegverkeerslawaai beschreven. Extra verkeer op de bestaande wegen Uit de resultaten blijkt dat in de plansituatie een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaatsvindt bij vier woningen ten gevolge van het verkeer op de Wilgenweg en bij twee woningen ten gevolge van de route Iepenweg / Toleind / Kabelslag. Omdat hier echter formeel geen sprake is van een 'Wet geluidhinder-situatie' waarvoor hogere waarden kunnen worden aangevraagd (want: er worden geen nieuwe woningen gebouwd en er worden geen nieuwe wegen aangelegd) wordt deze situatie beschouwd vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Om de situatie te kunnen beoordelen is aansluiting gezocht bij de geluidbelastingen die volgens de Wgh zijn toegestaan. De toename bij de woningen langs de Wilgenweg is significant (meer dan 1,5 dB), maar wordt toch acceptabel geacht gezien het feit dat het bedrijfswoningen betreffen die al vanuit andere milieuaspecten worden belast.
Bovendien zijn de woningen waarbij de grootste toename plaatsvindt gebouwd na de inwerkingtreding van het bouwbesluit (1992), waardoor kan worden aangenomen dat de geluidwering van deze woningen als 'goed' bestempeld kan worden en de binnenwaarde daarmee geacht wordt voldoende te zijn. Ten gevolge van de Johan J. Vierbergenweg wordt geen significante toename van de geluidbelasting veroorzaakt. Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
36
Nieuwe wegen Op het nieuw aan te leggen deel van het bedrijventerrein worden nieuwe wegen ('inprikkers') aangelegd. Deze wegen zijn positief bestemd in dit bestemmingsplan. Nieuwe wegen hebben op grond van de Wet geluidhinder een onderzoekszone waarbinnen de geluidbelasting ter plaatse van, in dit geval, bestaande woningen moet worden beoordeeld. De nieuw aan te leggen ontsluitingen voor de bedrijven veroorzaken allen geen hogere geluidsbelasting dan 48 dB. Hierdoor ontstaan geen belemmeringen. 4.3.3
Conclusie
Het aspect geluid leidt niet tot belemmeringen voor voorgenomen ontwikkelingen.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Kader
Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.
Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
37
4.4.2
Onderzoek
Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van bedrijvigheid, een zwembad, een sporthal en een skeelerbaan en valt niet binnen de NIBM-regeling van de Wet luchtkwaliteit. Om deze reden is onderzoek noodzakelijk naar het effect op de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen. Voor dit onderzoek is de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe bedrijvigheid relevant. Door Goudappel Coffeng is een verkeersonderzoek uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling. In dit onderzoek is de verkeersaantrekkende werking ook uiteengezet. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 14. De totale ontwikkeling leidt tot 1.593 extra motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag. Hierbij is uitgegaan van een percentage van 13% vrachtverkeer. Middels de NIBM-rekentool kan op een snelle en eenvoudige manier bepaald worden of er sprake is van een project dat 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Afbeelding 4.1: NIBM-berekening Uit de berekening m.b.v. de NIBM-tool blijkt dat het plan als 'IBM' dient te worden aangemerkt. Een nadere onderbouwing is daarom benodigd. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) Voor de volledigheid zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste weg, de Johan J. Verbergenweg, de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 4.2 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2020 ter hoogte van de planlocatie.
Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
38
Afbeelding 4.2: Overzicht punten concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2018). Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 22,2 µg/m3, 17,2 µg/m3 en 9,8 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Het plan draagt maximaal 2,59 NO2 bij en maximaal 0,36 PM10. De achtergrondconcentraties zullen dus, inclusief de ontwikkeling, de grenswaarden niet overschrijden. Wanneer de planbijdrage zoals bepaald in de NIBM-tool wordt opgeteld bij de jaargemiddelde concentraties uit de NSL-monitoringstool blijkt dat voor zowel NO2 als PM2 de jaargemiddelde grenswaarde van respectievelijk 40 en 25 µg/m3 niet wordt overschreden. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde concentratie inclusief de planbijdrage 24,79 µg/m3 (22,2 + 2,59). Voor PM10 bedraagt de jaargemiddelde concentratie inclusief de planbijdrage 17,56 µg/m3 (17,2 + 0,36). Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling als gevolg van de toegenomen verkeersgeneratie niet leidt tot overschrijding van de jaargemiddelde grenswaarden.
Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 4.4.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overschrijding van de jaargemiddelde grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de realisatie van bedrijventerrein Tappersheul.
4.5
Water
4.5.1
Kader
Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet. Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
39
duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.
Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit is Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouder van waterber-gingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Waterhuishouding In oktober 2001 is de "Handreiking Watertoets 1" uitgekomen. Hierin werd de basis gelegd voor een duidelijke waterparagraaf in ruimtelijke plannen. Eind 2003 is de "Handreiking Watertoets 2; samenwerken aan water in ruimtelijke plannen" verschenen, die de eerste handreiking volledig vervangt. In deze tweede handreiking is per type plan een concrete uitwerking van de watertoets vermeld. Voor bestemmingsplannen geldt het volgende. Vanuit het oogpunt van toelatingsplanologie (de benadering die inmiddels in het nieuwe nationale ruimtelijke beleid is losgelaten maar nog wel als uitgangspunt voor de handreiking geldt) bepaalt het bestemmingsplan welke ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn en welke niet. Het plan geeft de Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
40
ruimtelijke en functionele randvoorwaarden en mogelijkheden. Om de gewenste ontwikkelingen ook daadwerkelijk te realiseren is vroegtijdig overleg tussen de initiatiefnemer en de betrokken waterbeheerder(s) noodzakelijk. Het doel hiervan is tijdig inzicht te krijgen in de mogelijke negatieve effecten van plannen en besluiten op de waterhuishouding, maatregelen op te zetten om deze negatieve effecten te voorkomen en mogelijke kansen voor het watersysteem te benutten. Het bestaande nationale, provinciale en gemeentelijke beleid met betrekking tot de waterhuishouding dient altijd als uitgangspunt. Het bestemmingsplan mag geen slechtere waterhuishoudkundige situatie creëren dan in dat beleid is vastgelegd. Met de wettelijke verankering van de watertoets in het Bro worden initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen verplicht "een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding" op te nemen in de toelichting van onder meer streekplannen en bestemmingsplannen. Provinciaal beleid Bodem- Water- en Milieuplan 2016-2021 In het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 van de provincie Utrecht staat wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van Bodem, Water en Milieu. De uitwerking van dit beleid staat beschreven in de Uitvoeringsagenda Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021.
De provincie Utrecht richt zich op het behouden en verbeteren van een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Dit betekent dat we werken aan: een robuust bodem- en watersysteem bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied, zoals landbouw, recreatie of natuur een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving een gezonde leefomgeving die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio Beleid waterbeheerder Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden regelt het lokale en regionale waterbeheer in Midden-Nederland. Ze zorgen voor veilige dijken, schoon oppervlaktewater en droge voeten. Veilige dijken: Het waterschap houdt in de gaten of de dijken langs Rijn en Lek en de kleinere polderkaden in goede conditie blijven. Waar nodig neemt het maatregelen. Schoon water: Het waterschap gaat over schoon water in sloten en rivieren. Ze zuiveren het afvalwater van inwoners en bedrijven en controleren de waterkwaliteit. Droge voeten: De Stichtse Rijnlanden regelt dat er voldoende oppervlaktewater beschikbaar is in sloten, plassen en kanalen. De belangrijkste beleidsdocumenten van het hoogheemraadschap zijn het waterbeheerplan ‘waterkoers 2016-2021’, de waterstructuurvisie, de keur en de legger.
In de keur van HDSR is opgenomen dat het verboden is om zonder vergunning hemelwater, afkomstig van nieuw verhard oppervlak, versneld tot afvoer te laten komen en te lozen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, dienen maatregelen te worden genomen om de negatieve effecten te voorkomen. De minimale oppervlakte waarvoor dit geldt bedraagt binnen de bebouwde kom 500 m2 en buiten de Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
41
bebouwde kom 1.000 m2 nieuw verhard oppervlak. Het hoogheemraadschap heeft een rekenmodel ontwikkeld om de wateropgave als gevolg van klimaatontwikkelingen in beeld te brengen. Uitgangspunten hierbij zijn: de maximale afvoer bedraagt 1,5 l/s/ha; de maximale peilstijging van 15 cm voor veen, 20 cm voor klei en 30 cm voor zand, ten opzichtte van waterpeil (2,06 m -NAP); een maatgevende neerslagsituatie met een herhalingstijd T=100 jaar. In het handboek Watertoetsproces is door het HDSR beschreven hoe zij invulling geeft in waterhuishoudkundige aspecten. Bij een toename van verhard oppervlak van minimaal 500 m² in stedelijk gebied of 1.000 m² in landelijk gebied, is de algemene richtlijn dat er 15% van de toename aan verhard oppervlak door het graven van extra waterberging gecompenseerd wordt. Gemeentelijk beleid Gemeentelijk waterbeleidsplan (GWP) 2020-2024 Voor nieuwbouwlocaties, maar ook voor alle andere nieuwbouw (inbreiding), geldt dat hemel- en afvalwater gescheiden aangeboden moet worden. Op nieuwbouwlocaties is een gescheiden rioolstelsel aanwezig of wordt er een aangelegd. De gemeente besteedt speciale aandacht aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. De gemeente stimuleert om afkoppeling en berging te creëren op eigen terrein.
Verder conformeert de gemeente zich aan het beleid van het hoogheemraadschap. Beleidsplan Klimaatbestendig Oudewater 2050 Volgens het beleidsplan Klimaatbestendig Oudewater 2050 - dat nu ter besluitvorming bij de Raad ligt mag bij nieuwbouw een bui van 90 mm/uur niet tot schade aan panden leiden en staat er bij voorkeur niet meer dan 15 cm water op straat. Op bedrijventerrein Tappersheul I en II wordt wateroverlast ervaren bij piekbuien. Om dit te reduceren is een maatregelenplan opgesteld. 4.5.2
Onderzoek
Door Econsultancy is in 2018 een watertoets opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 15. Bij het doorlopen van deze procedure bleek dat het plan een groot effect had (groot waterbelang > 2.000 m²). In het kader van het watertoetsproces heeft vervolgens overleg plaatsgevonden met het hoogheemraadschap en de gemeente. Naar aanleiding daarvan, een eerder uitgevoerde watercompensatieberekening en een actualisatie van het planvoornemen is door Econsultancy een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Hierin is beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en de gemeente Oudewater. Uitgangspunt hierbij is dat een ruimtelijk besluit of plan geen verslechtering in de waterhuishoudkundige situatie oplevert. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 16. De belangrijkste uitkomsten worden in deze paragraaf samengevat. Randvoorwaarden en uitgangspunten In overleg met het hoogheemraadschap zijn ten aanzien van het plan en de omvang met hemelwater nadere uitgangspunten overeengekomen. Deze zijn opgenomen in en vormen de basis voor het waterhuishoudkundig plan. Grondwater en drooglegging De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is ingeschat op ± 1,8 m -NAP. Hiermee zou de GHG zich t.a.v. het huidig maaiveld niveau (AHN) op ± 0,5 m -mv bevinden.
Uitgangspunt bij de realisatie van Tappersheul II is dat in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen. Om Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
42
aan de ontwateringsdiepte en droogleggingseisen te voldoen zal het maaiveld opgehoogd worden. Ten aanzien van het planvoornemen wordt uitgegaan wordt van een as-hoogte van 1,10 m -NAP en een vloerpeil van 0,90 m -NAP. Op basis van deze peilen bedraagt de drooglegging 0,95 m t.a.v. de wegen en 1,16 m t.a.v. het vloerpeil. Op basis van de grondwaterstanden en fluctuatie zullen inzake de ontwikkeling zowel voor, tijdens als wellicht na realisatie maatregelen genomen moeten worden. Watercompensatie Door de ontwikkeling van het plan gaan enkele bestaande watergangen verloren (9.760 m²) en wordt er nieuwe verharding toegevoegd (36.555 m²). Ten aanzien van de nieuwe verharding dient 15% gecompenseerd te worden door het graven van extra water. Op basis van het nieuw verhard oppervlak komt dit overeen met een compensatieopgave van 5.490 m² (15% van 36.555 m²). Het hoogheemraadschap heeft gevraagd om in relatie tot de Lange Linschoten extra 5.000 m² aan het plan toe te voegen. In totaal bedraagt de compensatieopgave circa 20.250 m² (zie tabel 4.1). Compensatie
Opgave (m²)
Nieuwe verharding
± 5.490
Dempen watergangen
± 9.760
Lange Linschoten
± 5.000
Totaal
± 20.250
Tabel 4.1: Watercompensatieopgave (bron: Waterhuishoudkundig plan, Econsultancy, 2021). Om te kunnen voorzien in voldoende waterberging/compensatie wordt in totaal circa 20.470 m² oppervlaktewater elders in het plan gegraven. Het uitgangspunt hierbij is om bestaande watergangen en de lineaire structuur van de sloten te behouden. De extra hoeveelheid water wordt met name gezocht in het verbreden van bestaande sloten en het verbinden van doodlopende watergangen. De twee bestaande paddenpoelen (1.660 m²) die verloren gaan worden in het noorden van het gebied gecompenseerd met drie nieuwe poelen. Dit gebied wordt qua landschap ingericht voor de heikikker. De aanvullende vraag vanuit het hoogheemraadschap om, in aanvulling op de compensatieopgave, 5.000 m² aan het plan toe te voegen is in het plan vertaald naar enkele waterbufferzones (plasdraszones). Deze zones zorgen in tijden van hevige regenval voor extra waterberging. In totaal wordt voorzien in 20.470 m² nieuw oppervlaktewater. Circa 4.570 m² hiervan wordt gerealiseerd door de aanleg van de waterbufferzones (plasdras-zones). De toekomstige waterstructuur is opgenomen als bijlage bij het waterhuishoudkundig plan. Waterkwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie.
Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) en is ook van toepassing op onderhavige planlocatie. De emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater dienen in verband met de waterkwaliteit zoveel mogelijk te worden beperkt door bij voorkeur gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
43
Waterafvoer en riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater toenemen. Het vuilwater zal conform het gemeentelijk beleid worden aangesloten op het bestaande rioleringssysteem in de Iepenweg. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) aangesloten maar separaat worden verwerkt. Afstromend hemelwater afkomstig van de toekomstige dakoppervlakken zal direct worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater afkomstig van terreinoppervlakken kan potentieel (deels) verontreinigd zijn. Met name bij MKB-bedrijven die vallen in milieucategorie tot en met 3.2 en bedrijven die vallen in een hogere milieucategorie (4.2 met ontheffing 5.1) is dit een aandachtspunt. De gemeente is momenteel met het hoogheemraadschap in overleg hoe hier het beste mee omgegaan kan worden. Mogelijkerwijs kan de first flush via het dwa afgevoerd worden. Vanwege de al bestaande wateroverlast in Tappersheul I en II zal het dan slechts gaan om de eerste paar mm neerslag. Beheer en onderhoud Momenteel ligt nog niet exact vast waar in het toekomstige watersysteem bruggen en dammen met duikers komen te liggen. Dit zal door het team beheer van de gemeente nader worden uitgewerkt.
Belangrijke aandachtspunten hierin zijn in ieder geval: Bruggen dienen voldoende draagkrachtig te zijn om te berijden voor onderhoudsvoertuigen voor maaien van gras, sloten en baggeren; Waar varend maaien en baggeren nodig is, moeten inlaatlocaties voor boten zijn; Maaiboten moeten onder bruggen door kunnen of de desbetreffende watergang moet een eigen inlaatlocatie hebben die bereikbaar is; Maaien vanaf de kant indien 3 meter ruimte naast de watergang beschikbaar is. Keur Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het hoogheemraadschap benodigd. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht: Toename verhard oppervlak; Lozen van hemelwater op het oppervlaktewater; Het graven en het dempen van water; Het plaatsen en het verwijderen van kunstwerken; Tijdelijke grondwateronttrekkingen; Tijdelijke lozingen van bemalingswater. 4.5.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In een waterhuishoudkundig plan is het aspect water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen. Hemelwater wordt op een duurzame wijze verwerkt, en de ontwikkeling zal hydrologisch neutraal zijn.
Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
44
4.6
Bodemkwaliteit
4.6.1
Kader
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 4.6.2
Onderzoek
Door Econsultancy is verkennend bodemonderzoek verricht in het plangebied met als doen om vast te stellen of op de onderzoekslocatie bodenmverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen aankoop van de onderzoekslocatie. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 17. Door Econsultancy is daarnaast een milieuhygiënisch (aanvullend) vooronderzoek bodem uitgevoerd. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 18. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Hieronder worden alleen de belangrijkste conclusies weergegeven. Uit het onderzoek blijkt dat de deellocaties a en b nog verdacht zijn i.v.m. de aanwezige puinverhardingen. De gedempte sloot in het oostelijk deel van de onderzoekslocatie (deellocatie d) is ook nog een verdachte locatie. Tenslotte behoeft de deellocatie in de noordwestelijke hoek van de onderzoekslocatie (deellocatie c) nog zintuigelijk bodemonderzoek nadat hier de aanwezige begroeiing is weggehaald. Deze locatie is verdacht i.v.m. de aanwezigheid van twee gedempte sloten. Het overgrote deel van de onderzoekslocatie is recent onderzocht en behoeft geen aanvullend onderzoek. Door Econsultancy wordt echter wel geadviseerd om een verkennend onderzoek asbest in Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
45
bodem uit te voeren, alsmede een verkennend bodemonderzoek, ter plaatse van de verdachte terreindelen en het verdachte terreindeel waar nog geen (recent) bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Verder wordt geadviseerd om het verkennend onderzoek asbest in de bodem ter plaatse van de al onderzochte gedempte sloten voor te leggen aan het bevoegd gezag. Dit vanwege het feit dat het toenmalige onderzoek niet volgens de NEN 5707 ‘Bodem -Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond’ is uitgevoerd. Naar aanleiding van deze resultaten is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek inclusief onderzoek asbest in bodem uitgevoerd. De volledige rapportage is te raadplegen in bijlage 19. Hieronder worden per onderzocht deellocatie de belangrijkste conclusies samengevat. Deellocatie A: Strook op het noordelijke deel van de onderzoekslocatie De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, op het voorkomen van asbest, wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.
De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie, met betrekking tot de overige onderzochte parameters als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Echter, gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Ter verificatie of de matig bariumverontreiniging te relateren is aan het regionaal voorkomen van verhoogde achtergrondconcentraties aan barium in het grondwater, kan het grondwater op termijn herbemonsterd en geanalyseerd worden op barium. De uiteindelijke beslissing hierover ligt bij de bevoegde overheid. Deellocatie B: Strook in het westen van de onderzoekslocatie (puin) De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, op het voorkomen van asbest, wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie, met betrekking tot de overige onderzochte parameters als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard.
Echter, gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Deellocatie C: Strook in het oosten van de onderzoekslocatie (gedempte sloot) Zintuiglijk zijn in de bodem geen verontreinigingen of dempingsmateriaal aangetroffen. Derhalve is het analytisch onderzoek vervallen. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen. Deellocatie D: Gedempte sloten in de noordwestelijke hoek van de onderzoekslocatie Deze deellocatie is in overleg met de opdrachtgever komen te vervallen. De deellocatie is zeer dichtbegroeid en derhalve niet toegankelijk voor bodemonderzoek. Tevens blijft het gebruik van de onderzoekslocatie ongewijzigd. Deellocatie E: Westelijk deel van de onderzoekslocatie De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" dient te worden Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
46
beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Ter verificatie of de matig bariumverontreiniging te relateren is aan het regionaal voorkomen van verhoogde achtergrondconcentraties aan barium in het grondwater, kan het grondwater op termijn herbemonsterd en geanalyseerd worden op barium. De uiteindelijke beslissing hierover ligt bij de bevoegde overheid. Deellocatie F: Gedempte en eerder onderzochte gedempte sloten De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, op het voorkomen van asbest, wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie, met betrekking tot de overige onderzochte parameters als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Echter, gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. 4.6.3
Conclusie
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek en het verkennend bodemonderzoek inclusief onderzoek asbest in bodem vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wat betreft asbest in de bodem blijkt uit onderzoeksresultaten dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek, en in geval van grondwerkzaamheden op de locatie geen specifieke maatregelen getroffen hoeven te worden. Met betrekking tot de overige onderzochte parameters zijn op enkele deellocaties (lichte) verontreinigingen aangetroffen, maar gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen is er geen reden voor nader onderzoek.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Kader
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
47
waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. 4.7.2
Onderzoek
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, namelijk bedrijfsbebouwing. In de omgeving van de locatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig: Vervoer gevaarlijke stoffen over de Johan J. Vierbergenweg Vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Gouda-Woerden Lunenburg Vlees B.V. (Elzenweg 15, Oudewater) Op afbeelding 4.3 is met de blauwe ovaal globaal de ligging van het plangebied ten opzichte van deze risicobronnen weergegeven.
Afbeelding 4.3: Uitsnede risicokaart en globale ligging plangebied (blauwe cirkel). Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter en een invloedsgebied van GF3 (LPG) van 355 meter voor wegen en 460 meter voor spoorwegen. De locatie bevindt zich voor zowel de Johan J. Vierbergenweg als de spoorlijn buiten het verantwoordingsgebied en buiten het invloedsgebied van GF3. Wel bevindt het plangebied zich binnen de invloedsgebieden van andere gevaarlijke stoffen (met een toxisch scenario) die over deze transportassen vervoerd worden. De PR 10-6 contour van het bedrijf Lunenburg Vlees B.V. komt niet tot in het plangebied en het bedrijf heeft geen invloedsgebied voor het groepsrisico. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
48
van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals kinderen van 0 tot 4 jaar, ouderen, gehandicapten of gevangenen. Gezien de grote afstand tussen het plangebied en de transportroutes is het maatgevende scenario een toxisch scenario. Door een incident kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt of direct de lucht in gaat. De toxische stof van de vloeistofplas verdampt tevens deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. In het geval van ammoniak kan het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet.
In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Risicocommunicatie naar de toekomstige werknemers / gebruikers van de gebouwen is zeer belangrijk. Bij indiensttreding kunnen werknemers op de externe veiligheidsrisico's gewezen worden en kan onderhavige rapportage genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Advies Veiligheidsregio Utrecht In aanvulling op het voorgaande heeft de Veiligheidsregio Utrecht in het kader van het vooroverleg enkele adviezen gegeven voor de inrichting het plangebied. Deze zullen worden meegenomen in de verdere uitwerking van de plannen, de inrichting van de buitenruimte en bij de beoordeling van een omgevingsvergunning.
Als voorschift in de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit op te nemen dat bij gebouwen waar mensen (kunnen) verblijven, indien uitgerust met een mechanisch ventilatiesysteem deze eenvoudig uit te schakelen is; Naast de eisen die het bouwbesluit 2012 stelt aan de bluswatervoorzieningen de handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid van Brandweer Nederland als kader op te nemen in de uitwerking van het plan; (Een uitwerking van) het stedenbouwkundig plan inzake de onderwerpen bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter goedkeuring voor te leggen aan de Veiligheidsregio Utrecht; Bij de nadere uitwerking van de wegen en/of straten gebruik te maken van de CROW-publicatie 164 a t/m d met als aanvulling CROW-publicatie 165 en de handreiking bereikbaarheid en bluswatervoorziening vanuit Brandweer Nederland (2019). De toekomstige inrichting van het terrein is mede bepalend voor de bluswatervoorziening in de vorm van een geboorde put of middels open water vanuit de nog te graven sloten; In de uitwerking van het stedenbouwkundig plan aandacht te besteden aan de verbindingsweg van de openbare weg naar het bouwwerk; Aan te geven hoe de hekwerken door hulpverleningsdiensten snel en gemakkelijk geopend of ontsloten kunnen worden; Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
49
Het plangebied minimaal tweezijdig bereikbaar te maken voor hulpdiensten. Dit houdt onder meer in dat dient te worden voorzien in een calamiteitendoorgang voor hulpdiensten uit zowel noordelijke als zuidelijke richting; Een opstelplaats voor hulpdiensten aan te brengen op minder dan 4 meter van de bluswatervoorziening; Om vijf geboorde putten in te passen in overleg met de Veiligheidsregio Utrecht. 4.7.3
Conclusie
Het vaststellen van dit bestemmingsplan is niet in strijd met het landelijk externe veiligheidsbeleid. Het aspect externe veiligheid vormt hierdoor geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. In het kader van het wettelijk vooroverleg en/of bij de vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Utrecht.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
4.8.1
Kader
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 4.8.2
Onderzoek
Bedrijvigheid Door Econsultancy is een onderzoek 'bedrijven en milieuzonering' uitgevoerd ten behoeve van de toekomstige bedrijvigheid in het plangebied. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 12. In dit onderzoek is indicatief onderzocht of de realisatie van het bedrijventerrein het woon- en leefklimaat in de omgeving niet belemmert. Doel van dit onderzoek was om de ten hoogste toelaatbare milieucategorie op het bedrijventerrein vast te stellen. Gebiedstypering In het onderzoek van Econsultancy wordt met betrekking tot de gebiedstypering geconcludeerd dat het vigerende bestemmingsplan voor Tappersheul wordt gekenmerkt door bedrijvigheid met een milieucategorie tot en met 3.2. Het westelijk plandeel van het huidige bedrijventerrein kent milieucategorie 3.1. Op het huidige bedrijventerrein zijn ook bedrijfswoningen toegestaan. Deze zijn over het hele terrein verspreid gelegen. Voor het noordelijk deel van het plangebied wordt uitgegaan van het gebiedstype 'gemengd gebied' en mag de richtafstand met één afstandsstap gereduceerd worden. Verder zuidelijk is een woonwijk gelegen. Het zuidelijk deel van het plangebied wordt dan ook aangemerkt als 'rustige woonwijk'. In het onderzoek van Econsultancy is gebruik gemaakt van inwaartste zonering wat heeft geleid tot de volgende afstandenkaart.
Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
50
Afbeelding 4.4: Afstandenkaart inwaartse zonering. Bedrijvigheid Bovenstaande contouren geven de maximale milieucategorieën die mogelijk zijn in het plangebied weer. Deze contouren zijn in het bestemmingsplan vertaald naar functieaanduidingen die een bepaalde milieucategorie aan bedrijvigheid toestaan in een bepaald deel van het plangebied. Hiermee wordt geborgd dat ter plaatse van de bestaande (bedrijfs)woningen geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt. De maximaal toegelaten bedrijfscategorie is 4.2. Sportvoorzieningen Bovenstaande analyse heeft alleen betrekking op de toekomstige bedrijvigheid. De sportvoorzieningen die voorzien zijn in het zuidelijk deel van het plangebied zijn zwaarder van categorie dan op basis van de uitgevoerde analyse is toegestaan. Deze kunnen dus, andersom geredeneerd, juist hinder veroorzaken op de aanwezige woningen. Om te kunnen voorzien in deze voorzieningen is het uitvoeren van nader (akoestisch) onderzoek dan ook noodzakelijk. Zwembad Eén van de te realiseren sportvoorzieningen betreft een nieuw zwembad. Dit zwembad omvat onder meer een binnenbad, buitenbad en een ligweide. Omdat de omliggende woningen voor wat betreft het aspect geluid gelegen zijn binnen de richtafstand van het zwembad, is specifiek akoestisch onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd door KuiperCompagnons en opgenomen in bijlage 13.
Het doel van het onderzoek is het bepalen en beoordelen van de optredende geluidniveaus ten gevolge van de voorgenomen activiteiten van het zwembad ter plaatse van de omliggende woningen. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van het nieuwe bestemmingsplan dat voor het zwembad wordt opgesteld. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uiteengezet. Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Daarmee is voor wat betreft dit aspect sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft de maximale geluidsniveaus dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit maar voor een aantal specifieke situaties niet aan de Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
51
toetswaarden uit de VNG-publicatie: Parkeerterrein - vrachtverkeer Een overschrijding in de dagperiode wordt veroorzaakt door ten hoogste twee per dag arriverende en vertrekkende vrachtwagens ter plaatse van de inrichtingsgrens. Omdat de vrachtwagens het terrein op en af moet kunnen rijden is het plaatsen van een gesloten afscheiding of scherm niet mogelijk. Omdat het vrachtwagens van derden betreft is het treffen van bronmaatregelen evenmin mogelijk. De overschrijding betreft slechts 1 dB ten opzichte van stap 3; dit verschil van 1 dB is voor het menselijk oor niet waarneembaar. Verder geldt dat er al ander (vracht)verkeer op de omliggende wegen rijdt, zeker op de interne wegen van het bedrijventerrein. Met andere woorden: vrachtwagens die ten gevolge van de reguliere bedrijvigheid op Tappersheul al op de openbare wegen rijden, veroorzaken ook al soortgelijke of hogere pieken. De maximaal 2 vrachtwagens per dag extra zullen in de praktijk niet te onderscheiden zijn van dit andere verkeer. Verder geldt dat ook bij de laagste milieucategorie-bedrijven normaliter een (veel) groter aandeel vrachtverkeer aanwezig is; het aandeel bij dit zwembad is zeer beperkt. Voorts zullen deze vrachtwagens bij het zwembad uitsluitend op de dag arriveren en vertrekken, wat qua hinderlijkheid eerder acceptabel is dan in de avond of de nachtperiode.
In het rekenmodel is gerekend met dagelijks 2 vrachtwagens, maar in de praktijk zal er naar verwachting niet daadwerkelijk elke dag vrachtverkeer van en naar het zwembad rijden. Hoewel dus niet wordt voldaan aan stap 3, kan op basis van bovenstaande argumenten worden gesteld dat er wel degelijk sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Parkeerterrein - dichtslaande portieren In de nachtperiode wordt een overschrijding van stap 2 berekend, veroorzaakt door het dichtslaan van autoportieren. Aan stap 3 wordt wel voldaan. Het betreft auto's van derden, waardoor het redelijkerwijs niet mogelijk is om maatregelen aan de bron te treffen. Besloten is om rondom het parkeerterrein een grondwal aan te brengen, met een hoogte van 1,5 m, waardoor de overschrijding reeds beperkt wordt. Er zit echter wel een opening in de grondwal, de inen uitrit. Het is niet mogelijk om deze dicht te zetten. Bovendien betreft het een overschrijding in de nacht, waarin moet worden beoordeeld op verdiepingshoogte (ter plaatse van de slaapkamers), waardoor de afscherming zeer hoog zou moeten zijn. Om een significante extra reductie te realiseren, zou dan ook een significant hogere afscherming moeten worden gerealiseerd, wat vanuit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst is.
Bovendien geldt dat in de huidige straten, waar de omliggende woningen aan zijn gelegen, ook piekgeluiden als gevolg van dichtslaande portieren optreden; veel dichterbij de woningen. Hoewel dus niet wordt voldaan aan stap 2, kan op basis van bovenstaande argumenten worden gesteld dat er wel degelijk sprake is van een goed woon- en leefklimaat Parkeerterrein - stemgeluid Een overschrijding wordt in de avond- en nachtperiode veroorzaakt door het (mogelijke) schreeuwen van personen op het parkeerterrein en dan met name wanneer deze personen zich ter hoogte van de inrit bevinden. Er wordt niet voldaan aan stap 3. Allereerst wordt opgemerkt dat het bronvermogen dat is ingevoerd,op worst case is beschouwd (luid schreeuwen, 108 dB(A)). Echter, in de praktijk is het, gezien de feitelijke situatie van het zwembad, zeer onaannemelijk dat in de vroege ochtend – te weten tussen 06.00 en 07.00 uur (akoestisch: nachtperiode), daadwerkelijk 'luid schreeuwen' optreedt. In de praktijk zal het gaan om volwassenen, die voor hun werk even kort gaan zwemmen, en elkaar op normale toon begroeten. Voor “spreken verheven” is in de VDI3770 een bronvermogen van LW R,max = 73 dB(A) opgenomen. Dit bronvermogen is dus 108 73 = 35 dB lager dan het bronvermogen voor “luid schreeuwen”. Uit de berekeningen blijkt dat het Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
52
maximale geluidsniveau ten gevolge van “luid schreeuwen” ter plaatse van de woningen ten hoogste 68 dB(A) bedraagt. Het maximale geluidsniveau ter plaatse van de woningen ten gevolge van “verheven spreken” bedraagt derhalve ten hoogste 68 - 35 = 33 dB(A). Deze waarde voldoet ruimschoots aan de bepalende toetswaarde van LAmax = 55 dB(A) (nachtperiode stap 2, omgevingstype rustige woonwijk). In de avond en nacht zou 'luid schreeuwen' wellicht in extreme gevallen wel eens kunnen voorkomen, maar naar verwachting zeer incidenteel. Er is immers sprake van een kleinschalig zwembad met alleen een onderschikte, niet-openbare, horecagelegenheid voor de zwemvereniging. De openbaar toegankelijke horecagelegenheden van Oudewater liggen niet in de buurt. In overleg met de gemeente, de ODRU en het zwembadbestuur is desondanks beschouwd in hoeverre meer zekerheid kan worden verkregen dat deze overschrijding daadwerkelijk niet zal optreden. Afgesproken is dat doordeweeks (maandag t/m donderdag) de activiteiten in en bij het zwembad uiterlijk om 23.00 uur zijn beëindigd; de zwemactiviteiten stoppen om 22.00u. Daarmee kan met zekerheid worden gesteld dat de overschrijding in de nachtperiode dan niet optreedt.
Gezien de gewenste exploitatiemogelijkheden, en het feit dat in het weekend omwonenden in het algemeen meer gelegenheid hebben om uit te slapen, en het incidentele karakter, wordt een ruimere opening in het weekend en voor een incidenteel evenement toelaatbaar geacht. Daarbij wordt opgemerkt dat de zwemvereniging diens leden ook op het gedrag zal aanspreken. In het bestemmingsplan wordt juridisch-planologisch geborgd dat doordeweeks na 23.00 uur de activiteiten bij het zwembad beëindigd moeten zijn en dat de zwemvereniging toezicht houdt op het gedrag van de bezoekers. Hoewel dus op basis van de berekeningen niet wordt voldaan aan stap 3, kan op basis van bovenstaande argumenten worden gesteld dat er wel degelijk sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Buitenbad (fluitje) De overschrijding (stap 2) wordt veroorzaakt door het gebruik van het fluitje. Het beperken van het bronvermogen van het fluitje is niet realistisch en nauwelijks handhaafbaar. Vanwege de verhoogde ligging van het buitenbad en de grotere afstand tot de woningen zal ofwel een lager scherm (circa 2 meter) dicht bij het buitenbad (tussen het buitenbad en de ligweide) ofwel een hoog scherm (circa 5 a 6 meter) tussen de ligweide en de parkeerplaats noodzakelijk zijn om de overschrijding te beperken of weg te nemen. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt zijn deze voorzieningen echter ongewenst.
Daarmee is het niet mogelijk om aan de toetswaarde van stap 2 te voldoen. Mits onderbouwd biedt de VNG-brochure de mogelijkheid om naar stap 3 te gaan. Aan de toetswaarde van stap 3 wordt voldaan. Het geluid van het fluitje tot 23.00 uur kan hinderlijk zijn, zeker omdat 23.00 uur laat op de avond is en veel mensen op dat tijdstip al slapen of willen inslapen. In overleg met de gemeente, de ODRU en het zwembadbestuur is daarom beschouwd in hoeverre het gebruik van het fluitje kan worden beperkt. Overeengekomen is dat het fluitje niet later dan 20.00 uur, dus slechts een uur van de vanuit akoestisch oogpunt gedefinieerde avondperiode, en gevoelsmatig ruim voor het tijdstip waarop de meeste mensen naar bed gaan, zal worden gebruikt. Dit wordt ook juridisch-planologisch geborgd in het bestemmingsplan. Hoewel dus niet wordt voldaan aan stap 2, kan op basis van bovenstaande argumenten worden gesteld dat er wel degelijk sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Al met al kan worden gesteld dat de situering van het zwembad op deze locatie en volgens deze opzet acceptabel wordt geacht, zeker gezien het maatschappelijke belang van het zwembad dat hiermee Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
53
gediend wordt: het zwembad draagt bij aan een vitalere bevolking en biedt op andere plekken in de gemeente kansen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Skeelerbaan met natuurijsbaan In de VNG-brochure is een skeelerbaan niet opgenomen. Een inrichting uit de lijst die naar aard en potentiële hinder gelijk is te stellen, zou een veldsportcomplex (met verlichting) kunnen zijn. In de VNG-publicatie is een dergelijke inrichting geclassificeerd als categorie 3.1. (SBI-2008: 931G). De natuurijsbaan betreft een ring die rondom de skeelerbaan heen wordt gelegd, die bij vorst onder water kan worden gezet. In de Staat van bedrijfsactiviteiten is de noemer 'Stations en open-lucht-ijsbanen' opgenomen (SBI-2008: 931D), waaraan een milieucategorie 4.2. is gekoppeld. In het geval van de natuurijsbaan die bij de skeelerbaan mogelijk wordt gemaakt, is echter geen sprake van hinder veroorzakende installaties zoals koelinstallaties, belichting of andere installaties. Deze natuurijsbaan is van ondergeschikte aard bij de skeelerbaan en zal alleen in gebruik zijn ingeval er door natuurlijke vorst een bevriezing van de opgebrachte waterlaag kan ontstaan. Gezien het voorgaande wordt het standpunt ingenomen dat de totale inrichting (skeelerbaan en natuurijsbaan) als categorie 3.1.-inrichting moet worden beschouwd. Voor een 3.1.-inrichting geldt een richtafstand van 50 meter.
De afstand van het dichtstbijzijnde gevoelig object tot de aanduiding 'skeelerbaan' (inclusief de natuurijsbaan) binnen de bestemming 'Sport' bedraagt 50 meter. De richtafstand wordt dan ook gerespecteerd. De eventueel toekomstige sporthal wordt in dit bestemmingsplan nog niet juridisch mogelijk gemaakt. Bij een eventuele toekomstige planologische procedure ten behoeve van deze sporthal zal het aspect 'bedrijven en milieuzonering' hiervoor afzonderlijk moeten worden beschouwd en gemotiveerd. Zienswijzen m.b.t. geluid zwembad en skeelerbaan Op het ontwerpbestemmingsplan zijn enkele zienswijzen ingediend, waarbij ook het milieuaspect geluid in relatie tot de sportvoorzieningen (het zwembad en de skeelerbaan) aan de orde kwam. Naar aanleiding daarvan zijn enkele bepalingen in de regels van dit bestemmingsplan aangepast en aangevuld. Hierop wordt in de Nota van beantwoording zienswijzen (bijlage 23) uitgebreid ingegaan. In ieder geval is in de regels van het bestemmingsplan geborgd dat laad- en losactiviteiten (waaronder niet inbegrepen het komen en gaan van bezoekers en personeel) bij beide sportvoorzieningen uitsluitend overdag zijn toegestaan (tussen 07.00 en 19.00 uur). Daarnaast is bij de skeelerbaan het gebruik van een geluidsinstallatie (voor het ten gehore brengen van omroepberichten of muziekgeluid) expliciet niet toegestaan.
Hierop is een uitzondering gemaakt voor evenementen behorende bij de sportactiviteiten en -voorzieningen. Daarbij gaat het in het bijzonder om landelijke / regionale wedstrijden en natuurijsbaangebruik als evenement. Omtrent deze evenementen gelden de regels en bepalingen uit het Evenementenbeleid 2021 van de gemeente Oudewater of de rechtsopvolger(s) daarvan. Zo kunnen aan evenementen voorwaarden worden verbonden ter voorkoming of beperking van geluidhinder. Evenementen zullen hier zodoende niet onbeperkt kunnen plaatsvinden. Het begrip is afgebakend in het bestemmingsplan, en er zal altijd moeten worden voldaan aan de voorwaarden op grond van het gemeentelijke evenementenbeleid en de geldende APV. 4.8.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen.
Bedrijventerrein Tappersheul III vastgesteld, 8 november 2021
54
4.9
Verkeer en parkeren
Door Goudappel Coffeng is een verkeersonderzoek ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 14 bij de toelichting. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek weergegeven. 4.9.1
Onderzoek
Verkeer De uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein en de ontwikkeling van de sportvoorzieningen zorgt voor een verandering in de verkeersaantrekkende werking. Het volledige bedrijventerrein wordt ontsloten via het kruispunt Johan J. Vierbergenweg - Wilgenweg. In de huidige situatie wordt beweerd dat dit kruispunt al enigszins belast is, waardoor wordt verwacht dat in de toekomstige situatie met de uitbreiding van het bedrijventerrein het kruispunt de toenemende verkeersintensiteiten niet meer kan afwikkelen. Voor de uitbreiding van het bedrijventerrein is het noodzakelijk een verkeersonderzoek uit te voeren. Zo is op het kruispunt Johan J. Vierbergenweg - Wilgenweg een visuele kruispuntteling uitgevoerd gedurende de ochtendspits (07.30 - 09.00 uur) en avondspits (16.30 - 18.00 uur). Hiermee is inzicht verkregen in de huidige verkeersintensiteiten op het kruispunt. Tevens is een prognose van de verkeersgeneratie opgesteld voor de nieuwbouw van het bedrijventerrein Tappersheul, en is met behulp van het programma OMNI-X kruispuntberekeningen uitgevoerd. Deze kruispuntberekeningen zijn ten eerste uitgevoerd voor de huidige situatie, om te bepalen of er sprake is van restcapaciteit op het kruispunt.