CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

D01.8 2026-02-20_I_Welstandsnota_Oudewater_2010.pdf

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: Vastellen wijze van afdoening van de Ingekomen stukken24.534 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijke huisnummerkaart, is gelegen. Bij het beoordelen van kleinere bouwwerken die onderdeel uitmaken van een regulier vergunningplichtig zal rekening worden gehouden met eventuele van toepassing zijnde sneltoetscriteria.

12

Aanvullende criteria op de sneltoetscritria voor het Historisch centrum – Hoofdstraten (Gebiedstype H1.1) aan- en uitbouwen aan de voorkant en aan de achterkant • aan- en uitbouwen aan de achterkant. • materiaal, kleur en detailleringsniveau van aan- of uitbouw afstemmen op dat van het hoofdgebouw. • extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overtrek, daklijst etc. afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant • Bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant situeren. • Kapvorm afstemmen op de kapvorm van de hoofdbebouwing. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek , daklijst kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. kozijn- en gevelwijzigingen • Bij kozijn- en gevelwijzigingen dient het oorspronkelijk ontwerp als uitgangspunt. • Bij nieuwe winkelpuien afstemming zoeken in ritmiek van de pui- en/of gevelstructuur tussen begane grondgevel en bovengevel. • Het samenvoegen van meerdere panden door het toepassen van luifels of andere geveltoevoegingen is niet toegestaan. Deze moeten altijd de oorspronkelijke gevelindeling van het individuele gebouw volgen en afgestemd zijn op de materiaalkeuze en kleurstelling van het bestaande hoofdgebouw.

• Ritmerende elementen als voordeuren en kozijnen en ramen blijven identiek of krijgen bij vernieuwing tenminste een aan elkaar verwante vormgeving. • Detaillering van de oorspronkelijke /historische bebouwing met rolbogen, sluitstenen, speklagen e.d. is richtinggevend. • Met name (winkel)puien op hoeken verdienen een zeer zorgvuldige vormgeving. • Behoud van en respect voor oorspronkelijke raamindeling. • Behoud van en respect voor oorspronkelijke ornamentiek. dakkapellen • Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en passend bij de architectuur van het hoofdgebouw. • Dakkapellen positioneren in of net boven de goot. • Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. • Aangekapte dakkapel is mogelijk. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met hoofdbebouwing is essentieel. erfafscheidingen • Uitsluitend erfafscheidingen in metselwerk, begroeiing/ hagen of houten of ijzeren hekwerken, passend bij de karakteristiek van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte.

Hoofdstuk 1

13

Historisch centrum – Dwarsstraten (Gebiedstype H1.2) De secundaire structuren worden gevormd door de dwarsverbindingen tussen de aan de kades parallellopende hoofdstraten (H1.1) en de overgangszone naar de vestingwallen c.q. vroegere wallen van Oudewater. Dit gedeelte van de vesting is vooral in gebruik als woongebied. Door de kleine schaal van de vesting Oudewater beperken de binnengebieden zich hier tot een aantal straten. Het smalle profiel van deze straten, die haaks op de hoofdstructuur liggen, wordt gevormd door aaneengesloten gevelwanden die direct aan de straat gesitueerd zijn. Deze gevelwanden zijn opgebouwd uit individuele panden met wisselende goot- en nokhoogtes van één tot twee lagen met kap. Het verschil tussen de hoofdstructuur en het gebied met de dwarsstraten is vooral te ervaren door de uitstraling van de bebouwing die minder allure heeft. De bouwhoogtes zijn beperkter, de architectonische vormgeving is soberder en er zijn minder details op en in de gevel aangebracht. Het beeld in de dwarsstraten wordt op vele plekken mede bepaald door bijgebouwen en erfafscheidingen behorend bij de panden aan de hoofdstraten daarnaast bevindt zich plaatselijk ook bedrijfsbebouwing in deze gebieden.

Het kleur- en materiaalgebruik komt overeen met die toegepast aan de hoofdstraten: traditionele materialen als hoofdzakelijk baksteen, pleisterwerk, gebakken pannen, hout (met name voor bijgebouwen) en natuursteen in natuureigen kleuren of oud Hollandse kleurstellingen. Welstandscriteria De dwarsstraten van de kern Oudewater liggen binnen het beschermde stadsgezicht en hebben het BIJZONDER niveau van welstand. In onderstaand schema zijn deze gebiedsspecifieke welstandscriteria aangegeven voor de binnengebieden.

14

Gebiedsgerichte welstandscriteria voor het Historisch centrum – Dwarsstraten (Gebiedstype H1.2) Algemeen: a. Bestemmingsplanvoorschriften hebben voorrang op de welstandscriteria. Aan de welstandscriteria kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. b. Voor panden met een monumentenstatus gelden andere criteria. c. Voor nieuwbouw geldt dat eigentijdse architectuur met hoge kwaliteit de voorkeur heeft boven traditionele architectuur, waarop de hierna genoemde criteria zijn afgestemd

Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Rechte, de weg volgende rooilijn. Zijdelingse afstand: • Gebouwen dienen de aaneenschakeling van de individuele gebouwen te ondersteunen. • De zijdelingse afstand is zeer beperkt tot gesloten. Oriëntatie: • Hoofdbebouwing is georiënteerd op de dwarsstraten van de binnengebieden. Bijgebouwen situeren achter de hoofdbouwmassa. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Toepassen van een heldere hoofdbouwvorm. • Langwerpig, liggend en staand en blokvormige bouwmassa. • Het is van groot belang voor de herkenbaarheid en zeggingskracht van het geheel dat er een duidelijk verband tussen de vorm en het gebruik van het individuele gebouw bestaat. • De bebouwingswand is samengesteld uit in maatvoering verschillende bouwmassa's. • Bijgebouwen alleen achter de hoofdbebouwing. • Accenten op straathoeken toegestaan. Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes, passend in de omgeving. Kapvorm: • Kapvorm afhankelijk van de plasticiteit en de bouwmassa's in de gehele gevelwand. • Toepassen van een zadeldak, tentdak of een direct afgeleide van deze daktypen met een helder hoofdvorm. • Toepassen van een zichtbare hellende kap. Kaprichting: • Evenwijdig aan de straat (langsrichting) en haaks op de straat (dwarsrichting).

Hoofdstuk 1

15

Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw • Toepassen van een duidelijke indeling: de verschillende bouwlagen zijn te onderscheiden in de gevelopbouw. • Middenstuk symmetrisch. • Toepassen van hoge onderverdiepingen en 1e verdieping, lagere toplaag (bij voorname, grotere bouwmassa's). • Vensteropbouw: afnemend van begane grond naar 1e en 2e verdieping. • Dakopbouw: gebruik dakkapellen toegestaan mits liggend in de dakgoot/ op de daklijst en mits verticaal gericht (smaller dan hoog). • Winkelpuien (en overige begane gronden) afstemmen op gevelopbouw 1e verdieping. Gevelgeleding: • Verticale geleding. • Toepassen van hoge en staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen aanbevolen. Plasticiteit: • Weinig reliëf in de gevel handhaven. • Hoge plasticiteit in raampartijen door toepassen van een behoorlijk diepe neggemaat aansluitend bij de toegepaste maatvoering in de omgeving. • Toepassen van forse, duidelijk uitkomende, geprononceerde daklijsten bij gevelbeëindiging (met name bij voorname, grotere bouwmassa's). • Geaccentueerde deur- en raamlijsten. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalgebruik en verwerking: • Gevels; baksteen of pleisterwerk. Plaatmaterialen, kunststof en metaal zichtbaar in de gevel is niet toegestaan - Baksteen of pleisterwerk als hoofdmateriaal in de gevel. Glas niet als grootste geveloppervlak.

• Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij de omgeving. • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; (oud) Hollandse gebakken pannen. Specifieke materiaalkleur: • Baksteenkleur: aardtinten. • Voegkleur: lichte voegspecie. • Pleisterwerk: lichte tinten aansluitend bij de toegepaste kleurstellingen in de omgeving. • Kozijn- en dakrandkleur; lichtkleurig (kozijnen licht en roeden donker). • Dakbedekking: rood of blauwgrijs.

Detaillering: • Sobere detaillering; kleinere, functionele details.

16

• • • • • • • • •

Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek. Windveren en gootlijsten toegestaan. Muurschotels en ankers in de gevel toegestaan. Reclame alleen in het gevelvlak. Raamlijsten, beperkte gevelversiering en kroonlijsten toegestaan. Dakkapellen met front toepassen (betimmerde omlijsting aan weerszijden). Vaste luifels en overkappingen aan de voorzijde niet toegestaan. Toepassen van forse raamdorpels. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Bij het beoordelen van kleinere bouwwerken die onderdeel uitmaken van een regulier vergunningplichtig zal rekening worden gehouden met eventuele van toepassing zijnde sneltoetscriteria.

Hoofdstuk 1

17

Aanvullende criteria op de sneltoetscriteria voor H1.2. Binnengebieden aan- en uitbouwen aan de voorkant en aan de achterkant • aan- en uitbouwen aan de achterkant. • materiaal, kleur en detailleringsniveau van aan- of uitbouw afstemmen op dat van het hoofdgebouw. • extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overtrek, daklijst etc. afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant • Bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant situeren. • Kapvorm afstemmen op de kapvorm van de hoofdbebouwing. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek , daklijst kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. kozijn- en gevelwijzigingen • Bij kozijn- en gevelwijzigingen dient het oorspronkelijk ontwerp als uitgangspunt. • Bij nieuwe winkelpuien afstemming zoeken in ritmiek van de pui- en/of gevelstructuur tussen begane grondgevel en bovengevel. • Het samenvoegen van meerdere panden door het toepassen van luifels of andere geveltoevoegingen is niet toegestaan. Deze moeten altijd de oorspronkelijke gevelindeling van het individuele gebouw volgen en afgestemd zijn op de materiaalkeuze en kleurstelling van het bestaande hoofdgebouw.

• Ritmerende elementen als voordeuren en kozijnen en ramen blijven identiek of krijgen bij vernieuwing tenminste een aan elkaar verwante vormgeving. • Detaillering van de oorspronkelijke /historische bebouwing met rolbogen, sluitstenen, speklagen e.d. is richtinggevend • Met name (winkel)puien op hoeken verdienen een zeer zorgvuldige vormgeving. • Behoud van en respect voor oorspronkelijke raamindeling • Behoud van en respect voor oorspronkelijke ornamentiek Dakkapellen • Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en passend bij de architectuur van het hoofdgebouw. • Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. • Aangekapte dakkapel is mogelijk. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met hoofdbebouwing is essentieel. erfafscheidingen • Uitsluitend erfafscheidingen in metselwerk, begroeiing/ hagen of houten of ijzeren hekwerken, passend bij de karakteristiek van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte.

18

Historisch centrum – Gemengde gebieden ter plaatse van de vroegere wallen (Gebiedstype H1.3) De singels De slechte woningen van voor de Woningwet (1901) en de stijgende vraag naar woningen in het begin van de vorige eeuw leidde tot een grote behoefte aan betere woningen. Deze werden in Oudewater gesitueerd in een schil rondom de oude kernen en in de linten. Deze uitbreidingen kwamen op gang nadat de vestingwerken en fortificatie na ca. 1850 waren opgeruimd. Pas in de 20e eeuw vond op enige schaal woninginvulling plaats aan de Lange Burchwal en na 1940 ook aan de Westsingel, de Oude Singel, Dr. Plesmanplantsoen, van de Griendstraat, Van Veenendaalstraat, van Lefébureplein, de Biezenwal, het Joostenplein en deels de Brede dijk. In het stratenpatroon van dit gebied is de oude stervormige omwalling van de stad nog te herkennen. Net buiten de vesting aan de Oude Singel ligt nog enige voormalig agrarische bebouwing. Het straatbeeld wordt echter bepaald door halfvrijstaande en aaneengesloten seriematige woningen. Deze woningen tellen één tot twee lagen met kap, in de vorm van zadeldaken en mansardekappen. Uitzondering hierop vormt de bebouwing aan het Joostenplein die bestaat uit vijf bouwlagen. In vergelijking met de aangrenzend binnenstad heeft de bebouwing een sobere, eenvoudige uitstraling.

Nadrukkelijk aanwezige details in de gevel zijn niet toegepast, enkel de dakgoten zijn geaccentueerd en boven de vensters en deuren zijn strekken gemetseld. Een opvallend bouwcluster binnen deze gebiedstypologie is het recent gerealiseerde bouwblok aan de Veenendaalstraat. De architectuurstijl ervan refereert aan de expressionistische vormen in dit gebied en heeft met name in de ramen een duidelijke horizontale gevelcompositie. Het materiaalgebruik in de Singels is traditioneel en bestaat in hoofdzaak uit baksteen, hout en gebakken pannen. Deze materialen hebben hun materiaaleigen kleur behouden of zijn geschilderd in gedekte kleuren of wit.

Hoofdstuk 1

19

Molenstraat, IJsselvere De slechte woningen van voor de Woningwet (1901) en de stijgende vraag naar woningen in het begin van de vorige eeuw leidde tot een grote behoefte aan betere woningen. Deze werden in Oudewater gesitueerd in een schil rondom de oude kernen en in de linten. Deze uitbreidingen kwamen op gang nadat de vestingwerken en fortificatie na ca. 1850 waren opgeruimd. In eerste instantie werden aan de westzijde van de vroegere vestingwerken enkele huizen gebouwd (Molenwal, Westerwal). De karakteristiek van de bebouwing is vergelijkbaar met die langs de dwarsstraten binnen de vesting. Het smalle profiel van deze straten wordt gevormd door aaneengesloten gevelwanden met wisselende bouwhoogtes die direct aan de straat gesitueerd zijn. Deze gevelwanden zijn opgebouwd uit individuele panden van één tot twee lagen met kap waarvan de kaprichting zowel haaks op als evenwijdig aan de straat zijn gesitueerd. De gevelwanden bevinden zich onder andere karakteristieke lijst-, tuit- en klokgevels. Het beeld in deze eerste uitbreidingsschil wordt op vele plekken mede bepaald door bijgebouwen en erfafscheidingen daarnaast bevindt zich plaatselijk ook bedrijfsbebouwing in deze gebieden.

Het kleur- en materiaalgebruik komt overeen met die toegepast aan de hoofdstraten: traditionele materialen als hoofdzakelijk baksteen, pleisterwerk, gebakken pannen, hout (met name voor bijgebouwen) en natuursteen in natuureigen kleuren of oud Hollandse kleurstellingen. Welstandsniveau Voor deze gebieden geldt het PLUS niveau van welstand. Hiervoor gelden de volgende welstandscriteria:

20

Gebiedsgerichte welstandscriteria voor het Historisch centrum – Gemengde gebieden ter plaatse van de vroegere wallen (Gebiedstype H1.3) Algemeen: a. Bestemmingsplanvoorschriften hebben voorrang op de welstandscriteria. Aan de welstandscriteria kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. b. Voor panden met een monumentenstatus gelden andere criteria. c. Voor nieuwbouw geldt dat eigentijdse architectuur met hoge kwaliteit de voorkeur heeft boven traditionele architectuur, waarop de hierna genoemde criteria zijn afgestemd

Situering van het bouwwerk: Rooilijn: • Aansluiten bij de aanwezige rooilijn: een doorgaans rechte, de weg volgende rooilijn. Zijdelingse afstand: • Aaneengesloten of clusters twee-onder-één-kap woningen en vrijstaande woningbouw; • Blokken en woningen onderling: respecteren toegepaste zijdelingse afstand. Oriëntatie: • De op de straat gerichte oriëntatie handhaven. • Bijgebouwen dienen terugliggend ten opzichte van het hoofdgebouw te worden geplaatst. Hoofdvormen van het bouwwerk: Bouwmassa: • Toepassen van een heldere hoofdbouwvorm. • Bouwmassa qua vorm, maat, schaal en geleding aansluiten bij de belendende bouwmassa/massaopbouw. • In één bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of seriematige twee-onder-één-kap woningen het bestaande beeld handhaven. Bouwhoogte: • Aansluiten op bouwhoogte binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of tweeonder-één-kap woningen. Kapvorm en kaprichting: • De kapvorm dient aan te sluiten bij de aanwezige kapvorm in de bebouwingswand en heeft een heldere hoofdvorm. • Kaprichting zowel haaks op als evenwijdig aan de straat, passend binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of twee-onder-één-kap woningen. • Dakopbouwen op kappen zijn niet toegestaan.

Hoofdstuk 1

21

Gevelaanzichten van het bouwwerk: Gevelopbouw, geleding en plasticiteit: • De gevelopbouw, gevelgeleding en plasticiteit dienen aan te sluiten bij gevelopbouw, gevelgeleding en plasticiteit binnen bouwblok of cluster van seriematige, vrijstaande of seriematige twee-onder-één-kap woningen. • Duidelijke indeling: de verschillende bouwlagen zijn te onderscheiden in de gevelopbouw. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk: Materiaalkeuze en kleurgebruik • Aansluiten bij kleur- en materiaalgebruik binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of twee-onder-één-kap woningen. Detaillering: • Toegevoegde elementen zelfstandig vormgeven in de lijn van de architectuur van het geheel. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek. Specifieke aandachtspunten voor de bebouwing aan de Westerwal • Voor de bebouwing aan de Westwal heeft de gemeente Oudewater een Beeldkwaliteitsplan opgesteld. Doel van het beeldkwaliteitsplan is het scheppen van voorwaarden voor een ruimtelijk inrichtingsbeleid, waarin de omgevingskwaliteiten en interne kwaliteit vanuit een historisch perspectief in een toekomstgericht kader worden geplaatst en geoptimaliseerd.

Het beeldkwalitietsplan heeft betrekking op de Westerwal zover begrensd door de Hollandsche IJssel, Zwier Regelinkstraat, de ten zuiden van de huidige bedrijfsterreinen van Six en Machinefabriek ‘de Hollandsche IJssel’ gelegen waterpartijen, de straat Westerwal en IJsselvere. Specifieke aandachtspunten voor de bebouwing rondom de Molenstraat en deels Molenwal • Kapvorm: toepassen van zadeldaken, mansardekappen of een afgeleide van dit daktype. • Kaprichting: evenwijdig aan (langsrichting) of haaks op de straat (dwarsrichting). • De voorgevel heeft een verticale geleding. • Toepassen van hoge en staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen. • Gevels; baksteen of pleisterwerk. Plaatmaterialen, kunststof en metaal zichtbaar in de gevel is niet toegestaan - Baksteen of pleisterwerk als hoofdmateriaal in de gevel. Glas niet als grootste geveloppervlak. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype en kleuren aansluitend bij omgeving. • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; (oud) Hollandse gebakken pannen.

22

Niet seriematige gebouwen en complexen in gebieden met seriematige bouw • Bij verbouw en uitbreiding van bijzondere bebouwing dient aangesloten te worden bij de bestaande massaopbouw, vormgeving, ritmering, detaillering, materiaal- en kleurgebruik. • Bij totale (ver)-nieuwbouw dienen er vooraf aparte criteria (bijvoorbeeld beeldkwaliteitsplan) te worden opgesteld. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Bij het beoordelen van kleinere bouwwerken die onderdeel uitmaken van een regulier vergunningplichtig zal rekening worden gehouden met eventuele van toepassing zijnde sneltoetscriteria.

Hoofdstuk 1

23

Aanvullende criteria op de sneltoetscriteria voor het Historisch centrum – Gemengde gebieden ter plaatse van de vroegere wallen (Gebiedstype H1.3) aan- en uitbouwen aan de voorkant en aan de achterkant • aan- en uitbouwen aan de achterkant. • materiaal, kleur en detailleringsniveau van aan- of uitbouw afstemmen op dat van het hoofdgebouw. • extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overtrek, daklijst etc. afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant • Bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant situeren. • Kapvorm afstemmen op de kapvorm van de hoofdbebouwing. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek , daklijst kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. kozijn- en gevelwijzigingen • Bij kozijn- en gevelwijzigingen dient het oorspronkelijk ontwerp als uitgangspunt. • Bij nieuwe winkelpuien afstemming zoeken in ritmiek van de pui- en/of gevelstructuur tussen begane grondgevel en bovengevel. • Het samenvoegen van meerdere panden door het toepassen van luifels of andere geveltoevoegingen is niet toegestaan. Deze moeten altijd de oorspronkelijke gevelindeling van het individuele gebouw volgen en afgestemd zijn op de materiaalkeuze en kleurstelling van het bestaande hoofdgebouw.

• Ritmerende elementen als voordeuren en kozijnen en ramen blijven identiek of krijgen bij vernieuwing tenminste een aan elkaar verwante vormgeving. • Detaillering van de oorspronkelijke /historische bebouwing met rolbogen, sluitstenen, speklagen e.d. is richtinggevend • Met name (winkel)puien op hoeken verdienen een zeer zorgvuldige vormgeving. • Behoud van en respect voor oorspronkelijke raamindeling • Behoud van en respect voor oorspronkelijke ornamentiek Dakkapellen • Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en passend bij de architectuur van het hoofdgebouw. • Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. • Aangekapte dakkapel is mogelijk. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met hoofdbebouwing is essentieel. erfafscheidingen • Uitsluitend erfafscheidingen in metselwerk, begroeiing/ hagen of houten of ijzeren hekwerken, passend bij de karakteristiek van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte.

24

H4 Dijklint Dijklinten bevinden zich langs de grotere rivieren. Kenmerkend is het hoogteverschil, de positie van de bebouwing ten opzichte van de dijk en de dichtheid van de bebouwing. In deze omgeving zijn de oeverwallen langs de Hollandse IJssel en de Lek niet zo breed, zodat men zich voornamelijk op of aan de dijk vestigde. De uiterwaarden zijn smal, doordat de rivier zich in het veen heeft ingesneden. Karakteristiek van de dijklinten De dijken langs de Hollandse IJssel zijn niet hoog in dit gebied en de uiterwaarden zijn soms smal of niet aanwezig, zoals bij Hekendorp. De verdichting aan de dijk heeft in Hekendorp de oorsprong van de kern gevormd. Vanuit de dorpskernen neemt de bebouwingsdichtheid langs deze historische ontsluitingsstructuren geleidelijk af en gaat het van uitlopers van en aan de kern over in landelijke bebouwingslinten met een grote openheid tussen de bebouwing solitair aan de dijk. De bebouwing in het dijklint kan, met name in de uitlopers en het landelijk gebied, van oorsprong een relatie hebben met het water of het achterliggende agrarische gebied. Dijklint – Dorps (H4.1) De verdichte bebouwing aan de Goejanverwelle in Hekendorp.

Dijklint - Uitloper/buurtschap (H4.2) De uitlopers van de dijklinten zijn delen van Goejanverwelle in Hekendorp en in Oudewater de linten Goudse Straatweg, Utrechtse Straatweg, Oude Utrechtse Straatweg, Willeskop, (Oud) Hekendorperweg en buurtschap Snelrewaard. Dijklint - Landelijk (H4.3) De bebouwingslinten van Willeskop, Snelrewaard, Waardsedijk en Hekendorp.

Hoofdstuk 1

25

H4.1 Dijklint – Dorps, Goejanverwelle De Goejanverwelle in Hekendorp vormt het dorpse dijklint. Zowel buiten- als binnendijks heeft er in dit lint rond de sluis enige verdichting plaatsgevonden. Deze verdichting is in de periode voor 1940 ontstaan en bleef beperkt tot de IJsseldijk. Het bijzondere is dat de Goejanverwelle zowel over de kruin van de dijk loopt als onder aan de dijk. De bebouwing aan de buitendijkse zijde ligt op de kruin van de dijk. De bebouwing aan de binnendijkse zijde ligt aan de voet van de dijk. Voorgesteld is om Hekendorp als ‘beschermd dorpsgezicht’ vast te leggen. In hoofdlijnen zijn er in het dorpse dijklint van Hekendorp twee typen hoofdbebouwingsvormen met eigen, onderscheidende kenmerken aan te wijzen: de langwerpige boerderijachtige bouwmassa’s met van een oorsprong agrarische functie en de kleinere langwerpig en blokvormige bouwmassa’s met een niet agrarische functie. De langwerpige boerderijachtige bouwmassa’s zijn haaks op het lint gesitueerd, parallel aan het ontginningspatroon. De kleinere bouwmassa’s die in het straatbeeld overheersen zijn zowel haaks op als evenwijdig aan de straat gelegen wat door de wisselende kaprichtingen wordt benadrukt. Deze panden volgen buitendijks het verloop van de dijk en zijn binnendijks in de richting van het slagenlandschap gesitueerd.

De bebouwing bestaat uit één tot twee lagen met kappen in verschillende vormen: zadeldaken met en zonder wolfseind, mansardekappen en schilddaken. De architectonische stijl van de bebouwing loopt uiteen en verwijst per afzonderlijk pand of cluster van bebouwing naar de periode waarin het gerealiseerd is. Er komen lijst-, tuit- en klokgevels voor die gedetailleerd zijn met bijv. strekken, daklijsten, muurankers, plinten en fraaie omlijstingen van de dakkapellen. Daarnaast bepalen meer sobere architectuurstijlen mede het straatbeeld waarbij de detaillering enkel toe gepast is met vooral windveren en forse dakgoten. Het materiaalgebruik in het lint is traditioneel en bestaat uit baksteen, pleisterwerk, hout, gebakken pannen en natuursteen. Deze materialen hebben doorgaans hun materiaaleigen kleur behouden en het pleisterwerk heeft lichte tinten. De toegevoegde kleuren zijn oud Hollands (donkere primaire kleuren, roomwit en bruin).

26

Welstandscriteria Voor het dorpsgebied van de kern Hekendorp geldt het BIJZONDER niveau van welstand. Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven van de ruimtelijke kwaliteit van het dorpse dijklint met kleine doorkijkjes en het bewaren van de eenvoud in hoofdbouwvormen en kleurgebruik. In onderstaand schema zijn de gebiedsspecifieke welstandscriteria aangegeven voor dit dorpse dijklint. Gebiedsgerichte welstandscriteria voor dijklinten; dorps - H4.1 Algemeen: bestemmingsplanvoorschriften hebben voorrang op de welstandscriteria. Aan de welstandscriteria kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. Ook gelden voor panden met een monumentenstatus andere criteria. • •

Type A: langwerpige boerderijachtige bouwmassa’s met van een oorsprong agrarische functie. Type B: kleinere langwerpig en blokvormige bouwmassa’s met een niet agrarische functie.

Type A Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Gebogen rooilijn, volgt de weg. Zijdelingse afstand: • Los van elkaar. Oriëntatie: • Haaks op de straat (dwarsrichting). • Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kruin van de dijk en aan de voet van de dijk. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Toepassen van een heldere hoofdbouwvorm. • Hoofdbouwvorm is langwerpig, liggend. • Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. Bijgebouwen bij voorkeur achter de hoofdbouwmassa om de doorkijkjes naar het achtergebied te behouden. Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes, passend in de gevelwand. Kapvorm: • Zadeldak, schilddak of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. • Forse kappen. • Daken mogen met overstek worden toegepast.

Hoofdstuk 1

27

Kaprichting: • Haaks op de straat (dwarsrichting). Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen duidelijk herkenbaar zijn. • Onderstuk is niet symmetrisch, bovenstuk geheel symmetrisch. Gevelgeleding: • Verticale geleding. • Gebruik van staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen aanbevolen. Plasticiteit: • In de voorgevel mogen geen balkons, erkers en andere uitbouwen worden toegepast. In sommige gevallen is het mogelijk een erker toe te passen mits deze voldoet aan specifieke sneltoetscriteria. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalgebruik en verwerking: • Gevels; baksteen. Plaatmaterialen, kunststof en metaal zichtbaar in de gevel is niet toegestaan - Baksteen als hoofdmateriaal in de gevel. Glas niet als grootste geveloppervlak. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluiten bij omgeving. • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; (oud) Hollandse gebakken pannen of (kunst)riet. Specifieke materiaalkleur: • Baksteenkleur: aardtinten. • Voegkleur: lichte voegspecie. • Kozijn- en dakrandkleur; lichtkleurig (kozijnen licht en roeden donker). • Dakbedekking: rood of blauwgrijs. Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving.

• Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen. • Windveren, makelaars en gootlijsten toegestaan. • Muurschotels en ankers in de gevel toegestaan. • Toepassen van forse raamdorpels.

28

Type B Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Gebogen rooilijn, volgt de weg. Zijdelingse afstand: • los van elkaar. In acht nemen van de kleine doorkijkjes naar het achtergebied. Oriëntatie: • Evenwijdig aan de straat (langsrichting) en haaks op de straat (dwarsrichting). • Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kruin van de dijk of aan de voet van de dijk. • Bijgebouwen op de kop en aan de voet van dijk, bij voorkeur achter de hoofdbebouwing. Naast de hoofdbebouwing is mogelijk mits plaatsing aan- en bijgebouwen 3 meter achter voorgevelrooilijn, en de breedte van de ‘kruin’ van de dijk het toelaat. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Toepassen van een heldere hoofdbouwvorm. • Hoofdbouwvorm is langwerpig, liggend en blokvormig. • Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes, passend in de gevelwand. Kapvorm: • Zadeldak, mansardekap of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. Kaprichting: • Evenwijdig aan (langsrichting) of haaks op (dwarsrichting) de straat. Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen duidelijk herkenbaar zijn. • Onderstuk is niet symmetrisch, bovenstuk bij voorkeur geheel symmetrisch. Gevelgeleding: • Verticale geleding toepassen.

• Gebruik van staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen aanbevolen. Plasticiteit: • In de voorgevel mogen geen balkons, erkers en andere uitbouwen worden toegepast. In sommige gevallen is het mogelijk een erker toe te passen mits deze voldoet aan specifieke sneltoetscriteria.

Hoofdstuk 1

29

Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalgebruik en verwerking: • Gevels; baksteen of pleisterwerk. Plaatmaterialen, kunststof en metaal zichtbaar in de gevel is niet toegestaan - Baksteen of pleisterwerk als hoofdmateriaal in de gevel. Glas niet als grootste geveloppervlak. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluiten bij omgeving. • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; (oud) Hollandse gebakken pannen. Specifieke materiaalkleur: • Baksteenkleur: aardtinten. • Voegkleur: lichte voegspecie. • Pleisterwerk: lichte tinten aansluitend bij toegepaste kleurstellingen in de omgeving. • Kozijn- en dakrandkleur; lichtkleurig (kozijnen licht en roeden donker). • Dakbedekking: rood of blauwgrijs. Detaillering: • Sobere detaillering; kleinere, functionele details • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen. • Windveren, makelaars en gootlijsten aanbevolen. • Muurschotels en ankers in de gevel toegestaan. • Forse raamdorpels toepassen. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.

Bij het beoordelen van kleinere bouwwerken die onderdeel uitmaken van een regulier vergunningplichtig zal rekening worden gehouden met eventuele van toepassing zijnde sneltoetscriteria.

30

Aanvullende criteria op de sneltoetscriteria voor H4.1 Dijklint; dorps aan- en uitbouwen aan de voorkant en aan de achterkant • Aan- en uitbouwen aan de achterkant situeren. • Materiaal, kleur en detailleringniveau van aan- of uitbouw afstemmen op dat van het hoofdgebouw • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant • Bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant situeren. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaal van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. kozijn- en gevelwijzigingen • Bij kozijn- en gevelwijzingen dient het oorspronkelijk ontwerp als uitgangspunt. • Bij nieuwe winkelpuien afstemming zoeken in ritmiek van de pui- en gevelstructuur tussen begane grondgevel en bovengevel • Het samenvoegen van meerdere panden door het toepassen van luifels of andere geveltoevoegingen is niet toegestaan. Deze moeten altijd de oorspronkelijke gevelindeling van het individuele gebouw volgen en afgestemd zijn op de materiaalkeuze en kleurstelling van het bestaande hoofdgebouw. • Detaillering van de oorspronkelijke/historische bebouwing met rolbogen, sluitstenen, speklagen e.d. is richtinggevend.

• Met name (winkel)puien op hoeken verdienen zeer zorgvuldige vormgeving. • Behoud en respect voor oorspronkelijke raamindeling en ornamentiek. dakkapellen • Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en passend in de architectuur van het hoofdgebouw. • Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. • Aangekapte dakkapel is mogelijk. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met hoofdbebouwing essentieel. erfafscheidingen • Uitsluitend erfafscheidingen in metselwerk, begroeiing/ hagen of houten of ijzeren hekwerken, passend bij de karakteristiek van de bebouwing en inrichting van de openbare ruimte.

Hoofdstuk 1

31

H4.2 Dijklint – Uitloper/buurtschap, (Oude) Hekendorperweg De Oude Hekendorperweg en Hekendorperweg lopen aan de westzijde van Oudewater ten noorden van de Hollandse IJssel. De uitloper van het dijklint bestaat hier vooral uit kleinschalige vrijstaande bebouwing, opgebouwd uit één of twee lagen met kap (voornamelijk zadeldak). Naast de woonbebouwing komt op enkele kavels ook bedrijfsbebouwing voor met een beperkte bouwhoogte maar een forse bouwmassa. De bebouwing is georiënteerd op het ontginningspatroon en staat daardoor vaak verdraait ten opzichte van de weg die de loop van de dijk volgt. De kaprichtingen zijn daarbij haaks op en evenwijdig aan de weg gesitueerd. De overwegend vrijstaande bebouwing is traditioneel en sober vormgegeven en opgebouwd uit baksteen, pleisterwerk, hout en gebakken dakpannen. De gebruikte kleuren zijn gedekt en hebben donkere tinten of zijn aardkleurig.

Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw geplaatst kan worden.

32

H4.2 Dijklint – Uitloper/buurtschap, Goudse Straatweg - Utrechtse Straatweg - Oude Utrechtse Straatweg – Willeskop De Utrechtse Straatweg doorsnijdt de voormalige bolwerken aan de zuidkant van Oudewater. Het gebied Utrechtse Straatweg is ontstaan door bebouwing, na sloop van de vestingwerken, aan deze belangrijke uitvalsweg en stadstoegang. In de Oude Utrechtse Straatweg is het beloop van het vroegere bolwerk te herkennen. Dit woongebied is ontstaan na de sloop van de verdedigingswerken kort na 1850. Tussen ca. 1880 en 1940 zijn middenstandswoningen en villa’s gebouwd langs de Utrechtse Straatweg en de Oude Utrechtse Straatweg. De Utrechtse Straatweg is vooral aan de noordzijde verdicht met bebouwing ontstaan door enkele kleine stroken aaneengesloten woningen. Deze woningen tellen één of twee lagen met kap. Buiten deze plaatselijke verdichting bestaat de bebouwing vooral uit vrijstaande woningen voornamelijk opgebouwd uit één laag met kap. Voor deze vrijstaande panden is een onderscheid te maken tussen de (voormalige) agrarische bebouwing en de middenstandswoningbouw en villa’s. Buiten dat deze verschillen in bouwmassa varieert ook de uitstraling van de panden. De oorspronkelijke agrarische bebouwing is vaak rijk gedetailleerd met windveren, makelaars, muurankers, rollagen, strekken en vensters met vrije vormen zoals het engelenvenster (zie foto hiernaast).

De middenstandswoningbouw en villa’s kennen veelal een minder uitbundige detaillering en kenmerken zich door de expressionistische architectuurstijl met nadrukkelijk geaccentueerde dakgoten met een grote overstek, duidelijke liggende of staande ramen en mansardekappen of steile dakvlakken. Het materiaalgebruik bestaat uit baksteen in diverse aardkleurige tinten, pleisterwerk in lichte tinten, hout geverfd in bedekte en oud Hollandse kleuren (donkere primaire kleuren en roomwit) en riet of gebakken, oranjerode en zwarte dakpannen.

H4.2 Dijklint – Uitloper/buurtschap, buurtschap Snelrewaard Kenmerkend voor het buurtschap op de Waardsedijk is het losse, vrij korte en dichte bebouwingslint aan één zijde van de IJsseldijk; Snelrewaard, waarbij het bebouwingsbeeld bepaald wordt door kleinere, halfvrijstaande middenstandswoningen

Hoofdstuk 1

33

die seriematig gerealiseerd zijn. De vrijstaande woningen staan dicht op elkaar. De noordzijde van het lint is op deze plek, vrijwel onbebouwd. Welstandsniveau Voor de uitlopers/buurtschappen geldt het PLUS niveau van welstand. Hiervoor gelden de volgende welstandscriteria: Gebiedsgerichte welstandscriteria voor dijklinten; uitloper/buurtschap - H4.2 Algemeen: bestemmingsplanvoorschriften hebben voorrang op de welstandscriteria. Aan de welstandscriteria kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. Ook gelden voor panden met een monumentenstatus andere criteria. • • •

Type A: langwerpige boerderijachtige bouwmassa’s met een van oorsprong agrarische functie. Type B: kleinschalige langwerpig en blokvormige bouwmassa’s met een niet agrarische functie. Type C: expressionistische bebouwing.

Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw geplaatst kan worden.

34

Type A Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Gebogen, op de weg gericht. Zijdelingse afstand: • De bebouwing is vrijstaand. De openheid tussen de bouwmassa's dient gehandhaafd te worden. Situering van het bouwwerk Oriëntatie: • Haaks op de straat (dwarsrichting). • Hoofdbebouwing en bijgebouwen kunnen zowel aan de voet als op de kruin van de dijk gesitueerd worden. • Bij situering aan de voet of in de berm van de dijk verdient de aansluiting van het perceel op het dijklint aandacht. (trappartijen, insteekstraten, inritten e.d.) Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Toepassen van een helder hoofdbouwmassa. • Hoofdbouwmasa is langwerpig, liggend. • Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. • Bijgebouwen liggen zowel achter als naast de hoofdbouwmassa om de doorzichten naar het achtergebied te behouden. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes. • Passend in de gevelwand. Kapvorm: • Zadeldak, schilddak of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. • Daken mogen met overstek worden toegepast. Kaprichting: • Haaks op het lint (dwarsrichting). Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw: • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen duidelijk herkenbaar zijn. • Onderstuk is niet symmetrisch, bovenstuk bij voorkeur geheel symmetrisch.

Hoofdstuk 1

35

Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelgeleding: • Verticale geleding toepassen. • Gebruik van staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen aanbevolen. Plasticiteit: • Op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven in lijn en architectuur van het geheel. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; (kunst)riet of gebakken pannen. • Gevel: bakstenen. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving. Materiaalkleur: • Baksteenkleur; aardtinten. • Pleisterwerk; lichte tinten aansluitend bij de toegepaste kleurstellingen in de omgeving. • Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (donkere primaire kleuren en roomwit). Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen. • Windveren, makelaars en gootlijsten aanbevolen. • Muurschotels en ankers in de gevel toegestaan. • Toepassen van forse raamdorpels.

36

Type B Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Gebogen, op de weg gerichte rooilijn. Zijdelingse afstand: • De bebouwing is vrijstaand. De doorzichten naar het achtergebied dienen in acht genomen te worden. Oriëntatie: • Evenwijdig aan de straat (langsrichting) en haaks op de straat (dwarsrichting). • Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kruin van de dijk of aan de voet van de dijk. • De hoogteverschillen in de dijk dienen gerespecteerd te worden. • Bijgebouwen kunnen zowel op de kruin en aan de voet van de dijk zijn gesitueerd. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Hoofdbouwmassa is langwerpig, liggend en blokvormig. • Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. Een hoofdbouwmassa kan uit meerder woningen bestaan. • Aan- en bijgebouwen bij voorkeur achter de hoofdbebouwing. Naast de hoofdbebouwing is mogelijk mits plaatsing aan- en bijgebouwen 3 meter achter voorgevelrooilijn, en de breedte van de ‘kruin’ van de dijk het toelaat. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes. • Passend in de gevelwand. Kapvorm: • Zadeldak, mansardekap of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. Kaprichting: • Evenwijdig aan (langsrichting) of haaks op (dwarsrichting) het lint. Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw: • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen duidelijk herkenbaar zijn.

Hoofdstuk 1

37

Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelgeleding: • Verticale geleding toepassen; • Gebruik van staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen aanbevolen. Plasticiteit: • Op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven in lijn en architectuur van het geheel. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; gebakken pannen. • Gevel; bakstenen. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving. Materiaalkleur: • Baksteenkleur; donkere tinten. • Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (bijv. wit en standgroen). Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen. • Windveren, makelaars en gootlijsten aanbevolen.

38

Type C Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Gebogen, op de weg gerichte rooilijn. Zijdelingse afstand: • Aaneengesloten of vrijstaand. • Respecteren toegepaste zijdelingse afstand. Oriëntatie: • Op de straat georiënteerd. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Langwerpig (liggend en staand) of blokvormig met kap. • De bouwmassa bestaat uit één duidelijke hoofdbouwmassa met (niet-) functionele details. • Karakteristieke aanbouwen zoals erkers, serres en torens toegestaan mits in lijn met de architectuur vormgegeven. • Bijgebouwen bij voorkeur achter de hoofdbouwmassa en in lijn met de architectuur vormgeven. • Op hoeken accenten in hoofdbouwvorm door toepassen aanbouwen, mits passen in totale gevelwand mogelijk. Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes. • Passend in de gevelwand. Kapvorm: • Zadeldak, tentdak, mansardekap of een direct afgeleide van deze daktypen met een heldere hoofdvorm. • Dakopbouw en dakkapellen toegestaan mits aansluitend bij architectuur van gevel en bouwblok. • Kap toepassen met een duidelijke overstek. • Accenten op hoeken ter versterking stedenbouwkundige structuur toegestaan mits passend bij de architectuur van het geheel. Kaprichting: • Zowel evenwijdig (langsrichting) als haaks (dwarsrichting) op het lint. Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw: • Uiterlijk bouwvorm is bepalend voor de gevelopbouw en –geleding.

• Duidelijke afsluiting van de gevelwand door toepassing van een daklijst. • Duidelijke opbouw gevel waarin de verschillende bouwlagen duidelijke herkenbaar zijn.

Hoofdstuk 1

39

Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelgeleding: • Uiterlijk bouwvorm van de afzonderlijke elementen is bepalend voor de gevelopbouw en geleding; Plasticiteit: • Hoge plasticiteit van de gevel handhaven; Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Gevels: baksteen. • Kap: dakpannen - platte daken bitumen • Kozijnen: hout of goedgelijkende andere materialen. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving. Materiaalkleur: • Gevels: lichte kleurtoon. • Kap: donkere kleurtoon (rood- en zwarttinten) • Kozijnen; wit. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Detaillering: • De panden zijn doorgaans rijk gedetailleerd. • De hoofdbouw is bepalend voor de vormen van de details. • Toepassen van kenmerkende details: vensterstroken, dik kozijnhout, kleine smalle roeden, siermetselverbanden en verticale metselverbanden. • Dakkapellen toegestaan mits passend bij geheel. • Glas-in-lood ramen aanbevolen. • Overige details kunnen mits zorgvuldig ingepast en vormgegeven in de lijn met de architectuur en passend bij de schaal en de functie van het gebouw worden toegepast. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.

Bij het beoordelen van kleinere bouwwerken die onderdeel uitmaken van een regulier vergunningplichtig zal rekening worden gehouden met eventuele van toepassing zijnde sneltoetscriteria.

40

Aanvullende criteria op de sneltoetscriteria voor H4.2 Dijklint; uitlopers /buurtschappen aan- en uitbouwen aan de voorkant en aan de achterkant • Uitbreiding aan zijgevel alleen mogelijk als vorm en maat van het perceel daar ruimte voor laat; doorzichten niet dichtzetten • Aan- en uitbouwen type C aan de achterkant situeren • Alleen erkers als deze optimaal worden geïntegreerd in architectuur van hoofdgebouw • Kapvorm afstemmen op kapvorm van het hoofdgebouw • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. • Samenhang bouwblok type C handhaven of versterken bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant • Bijgebouw of overkapping ondergeschikt houden aan het hoofdgebouw, in principe achter het hoofdgebouw niet zichtbaar vanaf de openbare weg. • Bijgebouw of overkapping passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf. • Kapvorm afstemmen op kapvorm van de hoofdbebouwing. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. kozijn- en gevelwijzigingen • Bij kozijn- en gevelwijzigingen dient het oorspronkelijk ontwerp als uitgangspunt • Detaillering van de oorspronkelijke/ historische bebouwing met rolbogen, speklagen e.d. richtinggevend.

• Met name (winkel)puien op hoeken verdienen een zorgvuldige vormgeving. • Behoud van en respect voor oorspronkelijke raamindeling. • Behoud van en respect voor oorspronkelijke ornamentiek. Specifiek voor type C: • Bij ingrepen in de bestaande gevel zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke vorm en detaillering blijven; vooral de negge (diepte van het raam ten opzichte van het gevelvlak) en de vorm van de kozijnen zijn daarbij van belang • Ritmerende elementen als voordeuren en kozijnen en ramen blijven identiek of krijgen bij vernieuwing tenminste een aan elkaar verwante vormentaal • Met name puien op hoeken en topgevels verdienen een zeer zorgvuldige vormgeving • Waar in de gevel beelden per bouwblok kwalitatief sterk bindende elementen aanwezig zijn (bijv. houten gevelbekleding, lateibalken, kozijnbehandeling) worden deze per ensemble/compositie op dezelfde wijze behandeld • Bij verbouw krijgen bindende elementen een gelijke behandeling (daklijsten e.d.)

Hoofdstuk 1

41

dakkapellen • Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en aansluiten bij de architectuur van het hoofdgebouw. • Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. • Aangekapte kapel is mogelijk. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met hoofdbebouwing essentieel. Alleen voor type C: • Dakkapellen zijn per architectonische eenheid gelijk. Dakkapellen en opbouwen zijn niet zo groot dat de bindende werking te niet gaat, maar blijven duidelijk ondergeschikt erfafscheidingen Alleen voor type C: • Het duidelijk onderscheid tussen privé-groen en openbare ruimte intact houden • Streven naar verzorgde en samenhangende vormgeving van erfafscheidingen per bouwblok • Het duidelijk onderscheid tussen privé-groen en openbare ruimte intact houden

42

H4.3 Dijklint – Landelijk, Hekendorpse buurt Het dijklint Hekendorpse buurt ligt ten westen van Oudewater aan de noordzijde van de Hollandse IJssel. Het lint ligt voornamelijk aan de noordzijde van de dijk, die op enige afstand van de rivier ligt. Bijzonder is dat de weg, waaraan de bebouwing ligt, niet op de kruin van de dijk ligt, maar onder aan de dijk. De bochtige dijk is de basis geweest voor de ontginningen in noordelijke richting. Het bebouwingsbeeld wordt voornamelijk bepaald door (oorspronkelijk) agrarische bebouwing die in een min of meer regelmatig patroon de richting van het slotenpatroon van het slagenlandschap volgt en daardoor vak onder een schuine hoek aan de weg geplaatst zijn. Deze bebouwing is vrij gaaf en wordt weinig verstoord door latere aan- en uitbouwen. Met name tussen de buitendijkse bebouwing bevinden zich naast de liggende, staafvormige massa’s van de boerderijen ook kleinere blokvormige woonbebouwing. In het gehele lint kent de bouwhoogte echter één laag met kap. Deze kappen komen voor in verschillende vormen zoals zadeldaken (met wolfseind bij boerderijen), mansardekappen en schilddaken. Vooral de van oorsprong agrarische bebouwing heeft een uitgesproken detaillering waarbij naast de strekken, muurankers en luiken vooral de engelenvensters opvallen centraal in de tweede bouwlaag van de voorgevel, onder de kap.

Andere vensters hebben een duidelijk verticale geleding en vormen doorgaans een symmetrische gevelindeling. Het gebruikte materiaal is traditioneel en bestaat uit baksteen, hout (vooral voor oorspronkelijke agrarische bedrijfsbebouwing), gebakken pannen en riet. Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw geplaatst kan worden.

Hoofdstuk 1

43

H4.3 Dijklint – Landelijk, Goudse Straatweg en Willeskop Het dijklint Goudse Straatweg ligt ten westen en het dijklint Willeskop ten oosten van de kern Oudewater, aan de zuidzijde van de Hollandse IJssel. De beide linten vormen één doorgaande provinciale weg die voor een gedeelte in de gemeente Oudewater ligt. De Goudse Straatweg loopt door in de gemeente Vlist en Willeskop loopt door in de gemeente Montfoort. Door de verbreding van de weg is het oorspronkelijke profiel en dijkkarakter van de zuidelijke IJsseldijk grotendeels verloren gegaan. De lintbebouwing is overwegend agrarisch van karakter en aan de voet van de dijk gesitueerd. De bebouwing staat parallel aan het slotenpatroon van het slagenlandschap. Hierdoor liggen de boerderijen vaak verdraaid ten opzichte van de bochtige dijkweg maar zijn er vele doorzichten naar het achterliggende poldergebied doordat de panden dwars op de weg staan. Het woongedeelte is daarbij naar de weg gekeerd en het bedrijfsgedeelte naar het achterliggende land. De vaak grootschalige, vrijstaande bedrijfsbebouwing is tevens aan de achterzijde van de hoofdbouw gesitueerd. De kappen op de éénlaagse bebouwing zijn fors en zijn uitgevoerd in zadeldaken met en zonder wolfseind. De meeste bebouwing ligt ten zuiden van de weg, aan de Oudeweg is er bebouwing geclusterd ten noorden daarvan, op geringe afstand van de Hollandse IJssel.

In mindere mate heeft verdichting van het lint zich voorgedaan in de richting van Oudewater, waarop de strook tussen weg en rivier enkele bedrijfsgebouwen en woningen staan. Karakteristiek voor de (voormalige) agrarische bebouwing is de symmetrische gevelindeling, de staande ramen en de detaillering ervan. De met snij- en zaagwerk verfraaide windveren en makelaars, de muurankers, de luiken, de strekken in het metselverband en de engelenvensters verbijzonderen het straatbeeld en de beleving van de omgeving. Het materiaalgebruik is traditioneel en bestaat uit baksteen, pleisterwerk, gebakken dakpannen, riet, natuursteen en hout. De toegepaste kleuren zijn oud Hollands (donkere primaire kleuren, bruin en roomwit), het pleisterwerk heeft lichte tinten. Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw geplaatst kan worden.

44

H4.3 Dijklint – Landelijk, Waardsedijk Het lint de Waardsedijk ligt aan de zuidoostzijde van de kern Oudewater ten noorden van de Hollandse IJssel. Dit lint is niet of nauwelijks verdicht tegen de kern en heeft daarmee een vrij abrupte overgang tussen het buitengebied en de stedelijke kern. Na de begraafplaats krijgt het lint direct een landelijk karakter door openheid en de aanwezige (agrarische) bedrijfsbebouwing. De bebouwing ligt voornamelijk aan de zuidkant van de Waardsedijk. Het bebouwingsbeeld van boerderijlint Waardsedijk wordt bepaald door boerderijen die in een min of meer regelmatig ritme de richting van het slotenpatroon volgen en daardoor onder een schuine hoek aan de weg geplaatst zijn. De grootschalige bedrijfsbebouwing ligt achter het hoofdgebouw waardoor er doorzichten naar de achterliggende uiterwaarden bestaan. De bebouwing telt één laag met kap in voornamelijk de vorm van een zadeldak met en zonder wolfseind. De gebruikte materialen zijn traditioneel: baksteen, hout, pleisterwerk, gebakken dakpannen en riet. De toegepaste kleuren zijn oud Hollands (donkere primaire kleuren, bruin en roomwit), het pleisterwerk heeft lichte tinten. Welstandsniveau Voor alle dijklinten in de gemeente Oudewater geldt het PLUS niveau van welstand.

Hiervoor gelden de volgende welstandscriteria: Gebiedsgerichte welstandscriteria voor dijklinten; landelijk - H4.3 Algemeen: bestemmingsplanvoorschriften hebben voorrang op de welstandscriteria. Aan de welstandscriteria kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. Ook gelden voor panden met een monumentenstatus andere criteria. • •

Type A: langwerpige boerderijachtige bouwmassa’s met een van oorsprong agrarische functie. Type B: kleinschalige langwerpig en blokvormige bouwmassa’s met een niet agrarische functie.

Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw geplaatst kan worden.

Hoofdstuk 1

45

Type A Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Gebogen, de weg volgende rooilijn. Zijdelingse afstand: • De bebouwing is vrijstaand. De openheid tussen de bouwmassa's dient gehandhaafd te worden. Oriëntatie: • Parallel aan de kavelrichting. • Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kruin van de dijk; bijgebouwen aan de voet. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Toepassen van een heldere hoofdbouwvorm. • Hoofdbouwmassa is langwerpig, liggend. • Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. • Bijgebouwen bij voorkeur achter de hoofdbouwmassa om de doorzichten naar het achtergebied te behouden. Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes. • Passend in de omgeving. Kapvorm: • Zadeldak, schilddak of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. • Toepassen van forse kappen. • Daken mogen met overstek worden toegepast. Kaprichting: • Parallel aan de kavelrichting. Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw: • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen duidelijk herkenbaar zijn. • Onderstuk overwegend symmetrisch, bovenstuk geheel symmetrisch. Gevelgeleding: • Verticale geleding toepassen. • Staande kozijnen en ramen en smalle muurdammen aanbevolen. Plasticiteit: • Op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven in lijn en architectuur van het geheel.

46

Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; (kunst)riet of gebakken pannen. • Gevel: bakstenen. • Pleisterwerk; lichte tinten, aansluitend bij toegepaste kleurstellingen in de omgeving. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving. Materiaalkleur: • Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving, passende kleuren hierbij zijn: donkere aardtinten rood en bruin, zwart en donker groen. • Baksteenkleur; aardtinten. • Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (donkere primaire kleuren en roomwit). Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen. • Windveren, makelaars en gootlijsten aanbevolen. • Muurschotels en ankers in de gevel toegestaan. • Toepassen van forse raamdorpels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/704/documents/21113