CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

D01.8 2026-02-20_I_Welstandsnota_Oudewater_2010.pdf

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: Vastellen wijze van afdoening van de Ingekomen stukken24.534 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Oudewater nummer BRO 148x00083.09218

datum

Welstandsnota

Ontwerp van april 2004 Herziene versie juni 2008 Laatste versie mei 2010

Herziening voorjaar 2010

Documentatiepagina

Opdrachtgever:

Gemeente Oudewater

Titel rapport:

Welstandsnota Oudewater Herziening voorjaar 2010 Door de gemeenteraad van Oudewater op 24 juni 2004 Vaststelling ‘Herziening voorjaar 2008’ op 10 juli 2008 Vaststelling ‘Herziening voorjaar 2010’ op 1 juli 2010 Datum inwerking treden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) BRO 148x00083.09218

Vaststelling:

In werking treding Rapportnummer: Datum:

Contactpersoon opdrachtgever:

Projectteam BRO: Beknopte inhoud: Trefwoorden:

Ontwerp april 2004 Geactualiseerd voorjaar 2008 Geactualiseerd voorjaar 2010 Aart van der Stigchel, medewerker welstand Leo Bos, medewerker monumenten en archeologie sector Ruimtelijke ontwikkeling, Economische zaken en Volkshuisvesting John Stohr, Margreet Zwols, Annemiek Lasterie, Pascal Hendriks Welstandsnota met gebiedsbeschrijving, welstandsbeleid en welstandsprocedures Welstandsnota Gemeente Oudewater Westelijk Weide- en Kromme Rijngebied

Inhoudsopgave

VOORWOORD Voorwoord 2010 Beleidsvisie voorjaar 2008 Voorwoord van mei 2004

INLEIDING Tabblad 1

Inleiding

DEEL A - BELEID Tabblad 2 Tabblad 3

Welstandsbeleid Inkadering van het welstandsbeleid

DEEL B - CRITERIA Tabblad 4 Tabblad 5 Tabblad 6 Tabblad 7 Tabblad 8

Gebruikshandleiding, stroomschema en Algemene criteria Gebiedsgerichte criteria Thematische uitwerkingen Sneltoetscriteria (herzien versie 2006) (Repressieve) criteria voor vergunningsvrije bouwwerken

DEEL C - PROCEDURE Tabblad 9

Organisatie van welstand Welstand- en bouwvergunningprocedure

BIJLAGEN Tabblad 10

Tabblad 11

1. Bebouwingskenmerken 2. Begrippenlijst 3. Vervallen 4. Monumentenlijst 5. Beschermd stadsgezicht 6. Reclamenota Oudewater 7. Reglement van orde van de welstandscommissie 8: Beeldkwaliteitsplan infoblad

KAARTEN Tabblad 12

a. Welstand-Typologiekaart hele gemeente b. Welstand-Typologiekaart diverse kernen

Voorwoord bij de herziening van de welstandsnota 2010 Deze herziening is niet zo zeer het resultaat van gewijzigde inzichten, als wel enkele ingrijpende wijzigingen in de bouwwetgeving en de procedures daaromtrent. Verder zijn er nog wat plaatselijke aspecten die vragen om een aanpassing. Als een beknopte samenvatting noem ik de volgende zaken. a. De Wet algemene bepalingen omgevingsvergunning (Wabo) Het jaar 2010 is het jaar van de invoering de omgevingsvergunning. Geen afzonderlijke bouw-, sloop-, monumenten-, kap-, aanleg-, inrit- en andere vergunningen meer, maar één integrale aanvraag en vergunning. Naast nieuwe stroomschema’s, nieuwe wetsartikelen en nieuwe begrippen, vraagt dat voor gemeenten veel afstemming en strakke procedures. De huidige welstandsnota is hierop kritisch doorgelezen en waar nodig, vooral in juridische zin, aangepast. b. Digitalisering van het gemeentelijk welstandsbeleid Digitalisering is een goede zo niet een noodzakelijke ontwikkeling, maar moet ook gebruiksvriendelijk zijn. Door het project “Welstand Transparant” is een goede landelijke voorziening gekomen om het plaatselijke welstandsbeleid op een gebruiksvriendelijke wijze beschikbaar te stellen. Een belangrijke stap vooruit. c. Overstap naar ander adviesorgaan omtrent welstand Per 1 januari 2009 is de gemeente Oudewater overgestapt naar een andere adviescommissie.

De relatie met Stichting Dorp, Stad en Land werd na ruim 70 jaar in goed overleg opgeheven. De overstap werd gemaakt naar de adviescommissie Welstand en Monumenten Midden Nederland. De reden lag vooral in het feit dat Oudewater al jaren geleden een Utrechtse gemeente werd in plaats van een Zuid-Hollandse. Met de genoemde overstap is een betere aansluiting gevonden met het Utrechtse. In de bijlage is ook het “Reglement van orde op de welstandscommissie” opgenomen. d. Andere gemeentelijke beleidsvelden De afgelopen jaren heeft de gemeente op verschillende terreinen beleid ontwikkeld dat mede van invloed is op het welstandsbeleid. In de meeste gevallen gaat het om verwijzingen naar de juiste beleidsdocumenten. Te denken valt dan aan de volgende beleidsdocumenten: Handreiking Grote Ruimtelijke Projecten Landschap Ontwikkelingsplan Groene Driehoek Beleidsnota en -kaart archeologische monumentenzorg Erfgoedverordening Gemeente Oudewater 2009

J.W. van Wijngaarden Wethouder Ruimtelijke Ordening Gemeente Oudewater, juni 2010

Beleidsvisie bij de actualisering van het welstandsbeleid. Voorjaar 2008 Na enkele jaren gewerkt te hebben met de welstandsnota en er van lieverlede aan gewend te zijn geraakt, is het tijd om de beleidsnota te actualiseren. Naast herziening door de ervaring en nieuwe inzichten die zijn opgedaan, is deze welstandsnota ook op enkele punten geactualiseerd, zodat het geheel weer up-to-date is. In vergelijking met andere gemeenten is de welstandsnota van Oudewater niet zo gebruiksvriendelijk gebleken. Reden om samen met buurgemeenten waar destijds voor dezelfde opzet is gekozen, en in samenwerking met de welstandsorganisatie Stichting Dorp Stad en Land de komende tijd te onderzoeken of de nota in het gebruik kan worden vereenvoudigd. Een nader voorstel hiertoe zal de gemeenteraad te zijner tijd voorgelegd worden. Het beleidsniveau is in hoofdzaak aangegeven op de zogenaamde beleidskaarten. Daarop zijn drie niveaus aangegeven: Bijzonder, Plus en Regulier. Het niveau ‘bijzonder’ is van toepassing op het beschermde stadsgezicht van Oudewater, evenals de kern van Hekendorp. Het niveau ‘plus’ is voornamelijk van toepassing op de historische lintbebouwing. Tenslotte hebben de overige gebieden een ‘regulier’ niveau waarop een basis niveau aan kwaliteit wordt verlangd. Onder 2.2.3 van hoofdstuk 2 wordt hier nadere uitleg aan gegeven. Niet alles kan in harde criteria worden vastgelegd.

Daarom wordt er aan gehecht om op deze plaats een aantal opmerkingen te maken. a.

b.

c.

d.

Het slagen landschap is van essentieel belang. Daarom is het belangrijk te letten op de clustering en oriëntatie van gebouwen in het buitengebied. Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw geplaatst kan worden. De uitgangspunten voor de welstandsnota zijn de bestaande karakteristieken en de beoogde kwaliteiten. Dat betekent dat voor nieuwe ontwikkelingsgebieden de welstandsnota niet van toepassing kan zijn. Voor deze locaties moet dan ook voorafgaand aan de ontwikkelingen afzonderlijk een beeldkwaliteitsplan gemaakt worden, waarin tevens rekening wordt gehouden met bestaande structuren en kwaliteiten. De cultuurhistorische kwaliteiten zijn een vaststaand onderdeel van het beeldkwaliteitsplan. Een ander aandachtspunt is de kwaliteit van diverse gebouwen. De architectonische kwaliteit kan soms hoger. Dat betreft ondermeer de agrarische bijgebouwen.

Naast een zorgvuldige landschappelijke inpassing door streekeigen beplanting is het belangrijk de vaak grote gebouwen een hoogwaardiger uitstraling te geven dan alleen het functionele ‘recht toe recht aan’ niveau. Ontwerpers worden uitgedaagd ook met deze gebouwen creatief te zijn. Het beschermde stadgezicht verdient ook extra aandacht. Vandaar ook het ‘bijzonder niveau’. Dat betekent echter niet dat nieuwbouw in dit gebied historiserend van karakter moet zijn. Eigentijdse architectuur verdient de voorkeur boven historiserend bouwen, mits passend in de karakteristieke schaal en met een hoge kwaliteit. Dat betekent ondermeer het toepassen van duurzame materialen, verticaal gerichte gevelopeningen en aandacht voor details.

In 2006 werden op voorstel van Stichting Dorp Stad en Land de sneltoetscriteria al eens aangepast. Daarnaast ontbrak er achteraf gezien nog een klein deel van de gebiedsgerichte criteria en zijn enkele themagerichte criteria toegevoegd. Dat betreft met name de Groengebieden in het Buitengebied (G6). Themagerichte criteria zijn nu opgenomen voor ‘Paardenbakken en stapmolens’ en voor ‘Rivierfronten’. Het laatste thema is van begin af aan de bedoeling geweest, maar was er uiteindelijk niet in terecht gekomen. Hierbij moet vooral gedacht worden aan het zicht vanaf de Hollandse IJssel die evenals de openbare weg een openbare verkeersroute is. Paardenbakken en stapmolens is een thema dat steeds meer aan de orde komt in ons landelijke gebied. Het is wenselijk hier gerichte criteria voor vast te stellen om uitwassen van bijvoorbeeld ontsierende witte kunststof hekken te voorkomen, dan wel aan te kunnen pakken. Belangrijk onderdeel van deze herziening zijn de criteria voor reclame-uitingen. Onlangs werd de nota reclamebeleid door de gemeenteraad vastgesteld als afzonderlijk beleid. Waar dat aan de orde is, wordt hiernaar in deze welstandsnota verwezen.

Door een afzonderlijk beleid voor reclame-uitingen vast te leggen kan dit van toepassing zijn voor zowel gebouwde reclame uitingen, vallend onder de Woningwet (bouwvergunning), als reclames die vallen onder de Algemene Plaatselijke Verordening. De welstandsnota is tot nu toe alleen ambtelijk digitaal beschikbaar geweest. Daarbij bleek dat die een aantal onvolkomenheden bevatte. Nu de welstandsnota geactualiseerd is, zal deze ook extern digitaal beschikbaar (dat wil zeggen raadpleegbaar) gesteld worden. Met de vaststelling van deze herziening en actualisering van de welstandsnota wordt beoogd de esthetische kwaliteiten in onze gemeente als onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit veilig te stellen. Bewust wordt gesproken van richtlijnen en criteria. De welstandsnota is namelijk niet als een keurslijf bedoeld. Door richtlijnen in de vorm van minimale welstandscriteria ter beschikking te stellen worden ontwerpers uitgedaagd de esthetische kwaliteiten niet alleen te behouden, maar ook te versterken.

Dr. W.F.E. (Tim) Smelik, Wethouder Ruimtelijke Ordening Oudewater, juni 2008

VOORWOORD mei 2004 Welstand in Oudewater op een nieuwe leest In de nieuwe Woningwet wordt welstandszorg gezien als middel tot sturing van de ruimtelijke kwaliteit. Geconstateerd wordt dat er kritiek is op de wijze waarop de welstandszorg tot nu toe wordt uitgeoefend. Daarom heeft de Rijksoverheid in de nieuwe Woningwet voorgesteld om het maatschappelijke draagvlak voor welstandsadvisering te vergroten door vooraf criteria te formuleren waaraan een bouwplan op welstand getoetst wordt. Aan de gemeenten de taak om deze criteria voor de welstandsbeoordeling vast te stellen. Het doet mij genoegen u de welstandsnota van de gemeente Oudewater te kunnen voorleggen. Wat beoogt de gemeente met de nieuwe nota? Iedereen die in onze gemeente rondkijkt, zal zo zijn oordeel hebben over mooi en lelijk. Dat blijft een persoonlijke zaak. De kwaliteit van het woon- en leefmilieu is altijd voor verbetering vatbaar. In de nota is hierop ingespeeld door bepaalde delen van de gemeente extra aandacht te geven; met name de welstandsgevoelige gebieden zoals het beschermd stadsgezicht. De Gemeente Oudewater bestaat uit een diversiteit aan gebieden waarin een duidelijk onderscheid is waar te nemen wat betreft de bebouwing. Zo is er onderscheid gemaakt tussen de bebouwing in de historische stadskernen van Oudewater en Hekendorp; waardevolle rivierlinten; woonwijken en bijvoorbeeld het bedrijventerrein.

Dat onderscheid is terug te vinden in de criteria die van toepassing zijn. Bovendien zijn er themagerichte criteria opgesteld voor bijvoorbeeld historische boerderijen en reclame-uitingen. In de nota wordt aangegeven aan welke criteria bouwplannen in bepaalde gebieden getoetst worden en op welke accenten er in die gebieden of bij bijzondere objecten specifiek wordt gelet. Op deze manier wordt de helderheid en de openheid bij de beoordeling door de welstandscommissie vergroot. Ik ben ervan overtuigd, dat deze welstandsnota een positieve bijdrage levert aan de communicatie tussen de plan-indiener en de welstandscommissie en daarmee aan een soepeler afhandeling van de beoordeling van bouwplannen in onze gemeente. Tenslotte wens ik op te merken dat de nota niet beoogt de creativiteit van architecten en andere ontwerpers te beknotten, maar juist een minimum niveau wil aangeven, waarbij een zekere kwaliteit wordt gewaarborgd. De regionale samenwerking heeft ervoor gezorgd dat de nota’s in hoofdlijnen op elkaar zijn afgestemd, zodat de beoordeling van bouwplannen vergelijkbaar is. Kortom: Welstand in Oudewater op een nieuwe leest. J.G. Heinen, Wethouder Ruimtelijke Ordening, Mei 2004

Voorwoord

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding

Veranderingen in de bebouwde omgeving gaan vaak heel geleidelijk. Ze zijn het resultaat van een optelling van bouwinitiatieven, variërend van kleinere bouwwerken, zoals een schutting, aanbouw of dakkapel, tot een compleet nieuwe woning. Deze optelling valt niet altijd positief uit. Het is immers lastig de invloed van iedere omgevingsvergunningaanvraag op de omgeving goed te beoordelen en naar de burger inzichtelijk te maken waarom deze beoordeling zo uitvalt. Het welstandsbeleid moet de handvatten bieden om deze beoordeling te kunnen maken. Bovendien geeft het de burgers vooraf inzicht in de criteria waaraan hun aanvraag getoetst zal worden. Zij kunnen deze gebruiken als handvat bij het opstellen van hun bouwplan waardoor dit eerder aan de eisen van welstand kan voldoen zodat de vergunningprocedure soepeler kan worden doorlopen. Een belangrijke aanleiding voor het opstellen van welstandsbeleid vormen de wijzigingen van de Woningwet in 2003. Deze wijzigingen hebben tot doel de welstandsbeoordeling met kortere procedures transparanter en objectiever te maken. Het beleid moet lokaal ontwikkeld worden en bestuurlijk door de gemeenteraad worden vastgesteld. De wet eist voortaan dat gemeenten welstandsbeleid ontwikkelen om een welstandstoets te kunnen blijven uitvoeren. Met deze welstandsnota voldoet de gemeente Oudewater aan deze eis.

1.2

Het doel en de reikwijdte van deze welstandsnota

Voordat iemand mag gaan bouwen, zal hij in beginsel een vergunning moeten aanvragen bij de gemeente. De vergunningaanvraag wordt, naast welstand, o.a. getoetst aan het Bouwbesluit en aan het bestemmingsplan. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan aanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. Het legt voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld een dorpskern, een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. Afhankelijk van de waarde van het gebied kan het kader meer of minder streng zijn. In bijvoorbeeld een historisch dorpscentrum zal de prioriteit van welstand anders liggen dan op een regulier bedrijventerrein. Welstandstoezicht is dus niet simpelweg een vraag van mooi of niet mooi, maar een beoordeling van de kwaliteit van het bouwwerk aan de hand van duidelijk benoemde criteria. Welstand is niet zozeer een waardeoordeel over een bouwwerk op zich, maar vooral een beoordeling van de bijdrage van dat bouwwerk aan de ruimtelijke kwaliteit op die specifieke locatie.

2

Hoofdstuk 1

De gemeentelijke welstandsnota richt zich op de lokale karakteristieken in bestaande stedelijke gebieden en het buitengebied. De gemeentelijke welstandsnota, als onderdeel van het welstandsbeleid van de gemeente Oudewater richt zich op de relatief kleine bouwopgaven van één of enkele gebouwen, uitbreidingen van bestaande bebouwing en veel voorkomende kleine bouwwerken in bestaand stedelijk- en buitengebied (beheergebieden). Voor grootschalige ontwikkelingen of voor herontwikkelingen in bijvoorbeeld dorpscentra, vormen andere documenten, zoals beeldkwaliteitsplannen, de welstandsnota.

1.3

Leeswijzer

De 'Welstandsnota Oudewater’ bestaat uit drie delen: een toelichting op het welstandsbeleid in de gemeente Oudewater (deel A), criteria (deel B) en welstandsprocedures (deel C). Het benoemen, inventariseren en analyseren van de lokale ruimtelijke karakteristieken en vervolgens het vertalen van deze karakteristieken naar deelgebieden en thema's, vormt de basis voor een gebiedsgericht welstandsbeleid. In deel A - het welstandsbeleid - wordt toegelicht hoe de gemeente Oudewater vorm geeft aan haar gebiedsgerichte welstandsbeleid. Op basis van een waardering van de verschillende kwaliteiten per gebied wordt een welstandsniveau toegekend. Dit welstandsniveau betekent een bepaalde manier van toetsen. Deel B - criteria - gaat in op de bij een vergunningaanvraag te hanteren criteria. In dit deel zijn de geldende 'algemene', 'gebiedsgerichte' en 'sneltoets'-criteria aangegeven. De algemene criteria van welstand bestaan uit een 'algemene richtlijn voor goede architectuur'. De gebiedsgerichte criteria zijn op basis van een gebiedsinventarisatie en een gebiedsanalyse opgesteld en gelden voor een specifiek deelgebied van de gemeente. De sneltoetscriteria bestaan uit een algemene en een gebiedsgerichte set van criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken. Het lezen van dit hoofdstuk geeft inzicht in de eisen die aan een bouwplan in een bepaald gebied worden gesteld.

Bij de uitoefening van een gebiedsgericht welstandsbeleid zijn vervolgens procedureregels nodig. Het welstandsinstrumentarium is vervat in procedures. Deze zijn te vinden in deel C procedures - van deze nota. Dit gedeelte gaat in op de organisatie van welstandstoezicht. Daarnaast is een gebruikshandleiding voor het toetsen van omgevingsvergunningaanvragen opgenomen.

Hoofdstuk 1

3

INHOUDSOPGAVE Deel B

GEBIEDSGERICHTE CRITERIA (hoofdstuk 5) Gebiedsgerichte criteria Karakteristiek Oudewater

1 3

Historisch gegroeide gebieden (H) H1 Historisch centrum H1.1 Hoofdstraten H1.2 Dwarsstraten H1.3 Gemengde gebieden t.p.v. wallen

7 9 10 15 20

H4 H4.1 H4.2 H4.3

Dijklinten Dorps dijklint Goejanverwelle Uitlopers en buurtschappen Landelijk

26 27 33 44

H5 H5.2 H5.3

Stroomruglinten Uitlopers en buurtschappen Landelijk

52 53 59

H6 H6.2 H6.3

Polderlinten Uitlopers en buurtschappen Landelijk

65 66 71

H7 H7.3

Ruilverkavelingslinten Landelijk

80 81

Planmatig ontworden woongebieden (W) W1.2 Stroken en blokverkaveling W1.3 Woonerven W1.4 Woongebieden eind 20e eeuw W2 Individuele bouw

85 87 96 105 110

Werkgebieden en grootschalige pub.voorz. (B) 114 B1 Werkgebieden met cultuurhistorie 116 B2 Maatschappelijke en publieke voorz. 119 B3 Werkgebieden met weinig samenhang 121 Groengebieden (G) G1 Groengebieden met cultuurhistorie G3 Sportterreinen en recreatiegebieden G4 Rivieren en grachten G5 Recreatiewoningen G6 Buitengebied

125 126 128 131 133 135

THEMATHISCHE UITWERKINGEN (hoofdstuk 6) Inleiding

1

Agrarische bedrijfsbebouwing

3

Historische boerderijen

5

Nieuwbouw in boerderijlinten

9

Bouwen aan en nabij monumenten

11

Archeologie

13

Dakopbouwen

15

Erkers

19

Gevelschilderwerk / gevelstucwerk

21

Trafostations

23

Dorps- en stadsranden

25

Nissenhutten, noodlokalen e.d.

27

Antenne installaties GSM

29

Paardenbakken

32

Rivierfronten

33

SNELTOETSCRITERIA (hoofdstuk 7) 7.0 Titelpagina

0

7.1

Inleiding

1

7.2

Toepassing

1

7.3

Beoordelingsaspecten

3

7.4

Aan- en uit- of aangebouwde bijgebouwen

4

7.5

Bijgebouwen (vrijstaand) en overkappingen

6

7.6

Kozijn- en gevelwijzigingen

8

7.7

Dakkapellen

11

7.8

Erfafscheidingen

16

7.9

Overige lichtvergunningplichtig

18

7.10

Dakramen

19

7.11

Zonnepanelen en –collectoren

21

7.12

Spriet-, staaf- en schotelantennes

23

7.13

Rolhekken, luiken en rolluiken

25

REPRESSIEVE CRITERIA (hoofdstuk 8) 8.0 Inleiding

1

8.1

Excessenregeling

1

8.2

Vrijwillige welstandstoets vergunningvrij

2

DEEL B – CRITERIA

GEBRUIKSHANDLEIDING

Gebruik In dit hoofdstuk zijn de criteria ten behoeve van de welstandstoets van de gemeente Oudewater uitgewerkt. Deze criteria zijn in belangrijke mate gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. Aan welke criteria een bouwplan getoetst wordt, hangt af van het soort gebied en het type bouwwerk. De welstandstoets vormt een onderdeel van de omgevingsvergunningprocedure. De complete omgevingsvergunningprocedure is uitgewerkt in Deel C, hoofdstuk 10. In de gemeente Oudewater worden de volgende typen criteria onderscheiden: 1)

Algemene criteria: deze liggen ten grondslag aan iedere bouwplanbeoordeling. Fungeren daarnaast als 'vangnet' wanneer een bouwplan gemotiveerd afwijkt van de gebiedsgerichte criteria;

2)

Gebiedsgerichte criteria: specifieke aan bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. Gelden alleen voor vergunningplichtige bouwwerken

3) Sneltoetscriteria: algemeen geldende met name kwantitatieve criteria voor vergunningplichtige aanof uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen die niet in het beschermd stadsgezicht of bij een monument liggen, en geen monument zijn. Deze sneltoetscriteria gelden eveneens voor een vrijwillige toetsing van vergunningsvrije bouwwerken.

4) Thematische uitwerkingen: gelden aanvullend op de gebiedsgerichte criteria voor specifieke bouwwerken zoals monumenten, historische boerderijen en masten of specifieke plekken zoals een stads- en dorpsranden, entrees en rivierfronten;

5) Beeldkwaliteitsplan: planologisch deelplan voor een (nieuw) te ontwikkelen gebied met geldende criteria. Een vastgesteld beeldkwaliteitsplan treedt in plaats van de ‘normaal’ geldende criteria.

Gebruikshandleiding deel B

1

In onderstaand schema staat de onderlinge relaties tussen de verschillende typen criteria weergegeven. Afhankelijk van de te doorlopen omgevingsvergunningprocedure zijn de typen criteria uit het schema wel of niet van toepassing. In het kader van een welstandstoets is er altijd sprake van één toets. Deze toets kan overigens bestaan uit meerdere toetselementen, de verschillende typen criteria. De nummers verwijzen naar de respectievelijke hoofdstukken.

Omgevingsvergunning Vergunningplichtig

Vergunningsvrij

Monument en/of beschermd stadsgezicht

Repressieve/ vrijwillige welstandstoets

ja

nee Sneltoetscriteria (7)

nee

Toetsbaar?

ja

Welstandscommissie Plantoetser

Sneltoetscriteria (7) nee Gebiedsgerichte criteria (5) Beeldkwaliteitsplan

Voldoet?

ja

Thematische criteria (6) Algemene welstandscriteria (4) Welstandsadvies

Gebruikshandleiding deel B

2

Niveau van welstand De welstandscommissie handelt bij haar toets conform de inhoud van de welstands-criteria, zoals in deze nota opgenomen. Zij houdt bij haar toets rekening met de verschillen in de niveaus van welstand. Bieden de criteria voor de welstandstoets aanknopingspunten voor het ontwerp, de niveaus van welstand geven een indicatie voor de mate van ontwerpvrijheid. De niveaus van welstand bepalen in hoofdlijnen de mate van gedetailleerdheid van de gebiedsgerichte criteria. De welstandscommissie kan in haar welstandsadvies geen zwaardere criteria hanteren dan vastgelegd in deze nota. De gemeente Oudewater onderscheidt drie niveaus van welstandstoezicht: • REGULIER niveau van welstand; • PLUS niveau van welstand; • BIJZONDER niveau van welstand. In Deel A, Hoofdstuk 2, §2.2.3 wordt de invulling van deze niveaus van welstand nader toegelicht. In Deel B, Hoofdstuk 5 wordt per gebiedstype het geldende niveau van welstand en de bijbehorende set van criteria per gebiedstype uitgewerkt.

Gebruikshandleiding deel B

3

4.

ALGEMENE CRITERIA

Naast de specifieke gebiedsgerichte criteria zijn bij de beoordeling van een bouwwerk ook algemene criteria van kracht. Deze criteria richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes. De algemene criteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling en bestaan uit een uiteenzetting van algemene architectonische begrippen en aspecten. De algemene architectonische begrippen komen voort uit de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, dhr. Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel 'Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid'. Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap van de welstandscommissie bij de argumentatie van het welstandsadvies. Toepassing algemene criteria In bijzondere situaties, wanneer de van toepassing zijnde criteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene criteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en sneltoetscriteria.

In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene criteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie.

Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben, zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in

Hoofdstuk 4

1

tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren, kunnen de gebiedsgerichte criteria duidelijkheid verschaffen.

Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd worden gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen bijvoorbeeld naar zuilenstructuren, zuilen en/of pilasters van tempels. Transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht.

De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen. Er kunnen dan concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke

Hoofdstuk 4

2

realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgevingen betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door eenvoud verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld.

Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden helderheid en complexiteit daarom als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie.

Hoofdstuk 4

3

Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie.

Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk.

Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.

Hoofdstuk 4

4

Hoofdstuk 4

5

1.

GEBIEDSGERICHTE CRITERIA

Naast de algemene welstandscriteria, welke een gebouw op zich beoordelen, bestaan er criteria die eisen stellen aan bouwwerken in relatie tot de omgeving van dat bouwwerk: de gebiedsgerichte welstandscriteria. In dit hoofdstuk zijn per deelgebied gebiedsgerichte welstandscriteria geformuleerd. Vertrekpunt voor het bepalen van gebiedsgerichte criteria is de ruimtelijke hoofdstructuur, verfijnd in een gebiedstypologiekaart en gebiedsbeschrijving. Op de typologiekaart worden de verschillende gebiedstypen in landelijke en stedelijke gebieden onderscheiden. De gebiedsbeschrijving gaat in op het voorkomen, de oorsprong en de karakteristieken van de verschillende gebieden en gebiedsdelen. Op basis van inventarisatie en analyse kunnen de belangrijkste karakteristieken bepaald worden. Deze vormen de aandachtspunten voor de gebiedsgerichte welstandsnota. Binnen één type gebied kunnen meerdere welstandseenheden voorkomen. De keuze voor een bepaald welstandsniveau (REGULIER, PLUS of BIJZONDER) in een bepaald (gedeelte) van een gebiedstype wordt bepaald vanuit de volgende invalshoeken: 1) de ruimtelijke karakteristiek en samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, 2) de cultuurhistorische kwaliteiten en 3) de dynamiek van de bouwopgave1. Door de benoeming van een bepaald welstandsniveau ontstaan verschillende welstandseenheden.

Voor elke welstandseenheid is een set met gebiedsgerichte criteria opgesteld (zie hieronder). Voor grenssituaties en ingrepen van grote invloed zijn algemene beleidsregels opgenomen. Een begrippenlijst en een uitleg van bouwkundige termen zijn als bijlage bij deze welstandsnota gevoegd.

1

Zie voor uitgebreide toelichting deel A - paragraaf 2.2.3

Hoofdstuk 1

1

Voorbeeld tabel gebiedsgerichte- en sneltoets criteria: Gebiedsgerichte welstandscriteria voor gebied X Algemene karakteristiek Situering bouwwerk

•

Algemeen geldend: criteria voor rooilijn, plaatsing, oriëntatie.

Hoofdvormen bouwwerk

•

Algemeen geldend: criteria voor relatie vorm bouwwerk tot hoofdvormen in gebied.

Gevelaanzichten

•

Algemeen geldend: criteria in relatie tot gevelaanzichten in gebied.

Materialisatie en detaillering

•

Algemeen geldend: criteria in relatie tot materialisatie en detaillering van bouwwerken in gebied.

bouwwerk •

Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.

•

Bij het beoordelen van kleinere bouwwerken die onderdeel uitmaken van een vergunning zal rekening worden gehouden met eventuele van toepassing zijnde sneltoetscriteria.

Sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen aan- en uitbouwen

•

Geldend aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X.

bijgebouwen en overkappingen

•

Geldend aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X.

kozijn- en gevelwijzigingen

•

Geldend aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X.

dakkapellen

•

Geldend aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X.

erfafscheidingen

•

Geldend aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X.

dakramen

•

Geldend aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X.

zonnepanelen, -collectoren

•

Geldend aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X.

spriet-, staaf- en schotelanten- •

Geldend aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X.

nes rolhekken, luiken en rolluiken

•

Geldend aanvullend op de sneltoetscriteria voor specifiek type bouwwerk in gebied X.

2

Karakteristiek van de gemeente Oudewater De gemeente Oudewater is gelegen aan de westzijde van de provincie Utrecht, ten zuiden van Woerden. De gemeente Oudewater is een landelijke gemeente gedeeltelijk gelegen in het Belvédèregebied de Lopikerwaard en gedeeltelijk gelegen in het gebied ten noorden van de Hollandse IJssel, behorende tot het veenweidegebied en rivierkleigebied. Het landschap De ruimtelijke structuur van het landelijk gebied van de gemeente Oudewater wordt (voor een groot deel) bepaald door de structuur en de begrenzingen van de middeleeuwse ontginningen, voornamelijk cope-ontginningen. Karakteristiek voor de cope-ontginningen zijn de lange, smalle kavels, ook wel slagenlandschap genaamd. De Hollandse IJssel diende als uitgangpunt voor de ontginningen in dit gebied. Het rationele slotenstelsel dat loodrecht op de rivier lag ontwaterde het veenmoeras. Ontginning vond verder plaats vanaf bestaande riviertjes of nieuw gegraven waterlopen en weteringen. Typerend voor dit gebied is dat de achtergrens van de te ontginnen gronden bij aanvang werd vastgesteld. Zo kreeg de ontginningsslag een standaarddiepte van ongeveer 1250 meter. Vanaf de ontginningsbasis werden hoeven uitgezet, de boerderijen verrezen op de kop van de kavels, zodat nederzettingen (boerderijlinten) ontstonden.

De kernen In de gemeente Oudewater komen drie kernen voor; de hoofdkern en stad Oudewater en de agrarische kernen Hekendorp en Papekop. Daarnaast komen er verschillende boerderijlinten voor, waarbinnen soms kleine buurtschappen zijn ontstaan. Deze nederzettingen buiten Oudewater zijn overwegend agrarisch van karakter, en zeer klein. Karakteristiek kern Oudewater In het begin van de 12e eeuw is Oudewater in een nog onontgonnen moerasgebied op een zandafzetting bij de monding van de Lange Linschoten in de Hollandse IJssel tot ontwikkeling gekomen. Politieke oogmerken, gericht tegen de graven van Holland, hebben rond 1265 de bisschop van Utrecht doen besluiten aan deze in het grensgebied van het Sticht gelegen nederzetting stadsrechten te verlenen. Rond de jonge nederzetting werd een eenvoudige versterking, bestaande uit aarden wallen, opgeworpen. In 1321 werd deze vervangen door stenen muren; het toen afgebakende stadsgebied heeft tot halverwege de 19e eeuw aan de inwoners voldoende levensruimte geboden. Het huidige Oudewater kan onderscheiden worden in het gebied binnen de vroegere vestingwerken, de vroegere vestingwerken (inmiddels getransformeerd tot industrie- en woongebied), en de daarbuiten gelegen woonwijken van na 1945. In deze planmatige uitbreidingen komen verschillende typen stedenbouwkundige en architectonische kenmerken voor.

Daarnaast bestaan er nieuwe woonwijken waarbij zowel individuele als seriematige bouw voorkomt. De ruimtelijke structuur van Oudewater is in de afgelopen 4 eeuwen voor een groot deel overeind gebleven. De vesting heeft een rechthoekige vorm, die voor een groot deel nog goed herkenbaar is. Het stratenpatroon bestaat uit de kades langs de Lange Linschoten, die door de historische kern

Hoofdstuk 1

3

een slingert. Tussen de kades zijn dwarsstraten ontstaan, die tevens de parallel aan de kades lopende straten verbinden. De grootste verschillen tussen de huidige situatie en die op de historische kaarten liggen in de buitenste rand van het stadscentrum en in het gebied daar direct omheen. De ontwikkelingen die zich daar hebben voorgedaan, hebben een transformatie van de vestingwallen tot industriegebied en woongebieden tot gevolg gehad. Door de beperkte uitbreidingsmogelijkheden binnen de vesting werden veel panden op een beperkt grondgebied gebouwd. Dit heeft geleid tot een dicht bebouwd stedelijk gebied met smalle straatjes en steegjes. De percelen zijn over het algemeen smal en diep met woningen direct aan de straat zonder voortuin. De bebouwing is, uitgezonderd enkele grote gebouwen zoals bijvoorbeeld de kerk, de kazerne, het stadhuis en de waag, kleinschalig van karakter. De historische omgeving vormt een toeristische trekpleister waardoor aan de aanloopgebieden enkele winkels en caférestaurants liggen. De reclame op de gevels en in de straat zijn terughoudend aangebracht. Karakteristiek Hekendorp De boerderijstrook Hekendorpsebuurt ligt aan de noordelijke dijk langs de Hollandse IJssel ten westen van Oudewater, en is tot stand gekomen eind 12e eeuw.

Omstreeks 1850 is Hekendorp een kleine nederzetting waar enige bedrijvigheid is door de aanwezigheid van de IJssel in de vorm van een scheepswerf en een touwslagerij. Hekendorp bestond toen uit zo’n 60 woningen met 370 inwoners. Na 1940 groeide Hekendorp het sterkst van de overige boerderijlinten rond Oudewater. In Hekendorp verrees een nieuwbouwwijk achter de lintbebouwing aan Goejanverwelle (Baron Bentinckstraat en omgeving). De historische kern Hekendorp bestaat uit een buurtje rond de sluis in de IJsseldijk Het gaat voornamelijk om een kerk en enkele woonhuizen. Als geheel is de kern als ‘sluisontwikkeling’ van waarde binnen de boerderijstrook. De boerderijen in de strook zijn voor een groot deel monumentaal of beeldbepalend van aard. De erfindeling is goeddeels gaaf, met voortuin of voorerf en bijgebouwen als schuren en kapbergen. Bij veel boerderijen zijn fruitbomen aanwezig en voor enkele panden staan leilinden.

Karakteristiek Papekop De boerderijstrook Papekop ligt aan de westzijde van de Papekopperdijk en Papekopperstraatweg en wordt doorsneden door de spoorlijn Woerden-Gouda. De rechte Papekopperdijk is de basis geweest voor de ontginningen die van hieraf in westelijke richting in de 12e en 13e eeuw hebben plaatsgevonden. Kenmerkend is het langgerekte bebouwingslint aan één zijde van de weg met de naastgelegen wetering, waarbij het bebouwingsbeeld nog steeds wordt bepaald door boerderijen die in een regelmatig patroon de hoofdrichting van het slotenpatroon volgen en daardoor onder een vrijwel rechte hoek aan de weg geplaatst zijn. In Papekop is sprake van een éénzijdige, tamelijke dichte bebouwing op de kop van de kavels. Het bebouwingslint bestaat vrijwel geheel uit boerderijen, waarvan het woongedeelte naar de weg is gekeerd en het bedrijfsgedeelte naar het achterliggende land.

4

De boerderijlinten Buiten Oudewater, Hekendorp en Papekop liggen er in de gemeente de boerderijlinten Papekopperstraatweg, Linschoterzandweg, Hekendorpse buurt, Goudse Straatweg, Utrechtse Straatweg, Hoenkoopse buurt, Diemerbroek en Ruige Weide. Willeskop en Waardsedijk liggen gedeeltelijk binnen de gemeente. De boerderijstroken zijn in de tijd na de ontginning van het gebied ontstaan, tussen de 11e en 14e eeuw. In de periode 1850-1940 hebben zich nauwelijks wijzigingen voorgedaan in de ruimtelijke structuur van de linten. De meest opvallende ontwikkeling is de toename van niet-agrarische bebouwing geweest in de bestaande linten. Er trad verdichting op door het bouwen van arbeiderswoningen, winkels, bedrijfjes, rentenierswoningen en dergelijke. De boerderijen in de boerderijlinten worden gekenmerkt door de bouw voor op de kavel, dichtbij de ontginningsbasis in de richting van het ontginningspatroon, met daar tussen sloten als perceelsgrenzen en doorzichten naar het achterland. We onderscheiden vier soorten linten in de gemeente Oudewater; het stroomruglint, het dijklint, het polderlint en het ruilverkavelingslint. De dijklinten zijn de Hekendorpse buurt, de Goudse Straatweg, de Utrechtse Straatweg, Willeskop en de Waardsedijk. De polderlinten zijn de Papekopperstraatweg, Diemerbroek, de Hoenkoopse Buurt en Ruige Weide.

De stroomruglinten zijn de Noord- en Zuid-Linschoterzandweg. De ruilverkavelingslinten zijn Hoge Brug, de Damweg en het deel van Papekopperdijk dat evenwijdig aan het spoor loopt. Gebiedstypologieën De totale oppervlakte van de gemeente Oudewater is onderverdeeld in gebieden die vanuit historisch, ruimtelijk en/of functioneel perspectief een duidelijke samenhang vertonen en min of meer als eenheid beleefd worden. Deze verschillende gebieden zijn ondergebracht de typologieën ‘Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden’ (H-gebieden), ‘Planmatig ontworpen woongebieden’ (W-gebieden), ‘Werkgebieden en grootschalige publieke voorzieningen’ (B-gebieden) en ‘Groengebieden’ (G-gebieden). De codes behorende bij de verschillende gebieden (bijv. W1.2) corresponderen met de codes op de Typologiekaart. Binnen deze typologieën wordt een onderverdeling gemaakt op basis van bebouwingskarakteristieken als situering, dichtheid en architectonische vormgeving. Zo zijn de gebieden met individuele, vrijstaande bebouwing (W2) onderscheiden binnen de typologie ‘Planmatig ontworpen woongebieden’. Per onderscheiden wijk, buurt of ruimtelijke eenheid is bovendien een korte omschrijving opgesteld van de karakteristiek en worden op basis van deze kenmerken specifieke welstandscriteria geformuleerd.

Hoofdstuk 1

5

Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden (H-gebieden) Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden zijn op verschillende manieren ontstaan. De landschappelijke en historische ontwikkeling van de gebieden zijn bepalend geweest voor de historische identiteit. Welstandseenheden Dorpen en steden kunnen op verschillende wijzen ontstaan en gegroeid zijn. De landschappelijk ontwikkeling, situering langs oude hoofdwegen en knooppunten maar ook strategische plekken zijn hierin bepalend geweest. De gemeente Oudewater is na de Franse tijd gevormd uit de bestuurlijke en juridische territoria (gerechten) van de stad Oudwater en enkele omringende dorpen. In de gemeente Oudewater kan onderscheid worden gemaakt in de verschillende wijze waarop de gebieden zijn ontstaan. 1) Historisch stedelijke bebouwing (H1). De strategische ligging langs waterwegen en hoofdwegen heeft gezorgd voor de ontwikkeling van deze kernen. Door handel en verdedigingswerken kennen de kernen een karakteristieke opbouw 2) Dijklint (H4). Om gebieden te beschermen tegen overstromingen zijn dijken opgeworpen. Vanaf de dijklinten is het gebied landinwaarts verkaveld en in cultuur gebracht. De bebouwing aan de linten komt zowel op de dijk als aan voet van de dijk voor. 3) Stroomruglint (H5). Ook de gebieden langs stromen zijn door middel van oeverwallen beschermd tegen overstromingen.

Langs deze stromen zijn visueel verdichte linten met boerderijen ontstaan. 4) Polderlint (H6). Langs de weteringen in de poldergebieden zijn verschillende linten ontstaan. De bebouwing aan het polderlint heeft overwegend dezelfde richting als de verkaveling. 5) Ruilverkavelingslint (H7). Langs nieuwe ontsluitingswegen in de poldergebieden zijn ruilverkavelingslinten ontstaan. Kenmerkend voor de linten zijn de grootschalige boerderijcomplexen. In onderstaand schema wordt aangegeven welke typologie aan de kernen kan worden toegeschreven. De nummers verwijzen naar de gebieds-/typologie-beschrijvingen met bijbehorende criteria. Daarnaast corresponderen zij met de legenda-eenheden van de typologiekaart.

6

Gebiedscode

naam gebied

typologiebeschrijving

Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden H1.1

De aaneengesloten routes binnen de kern Oudewater:

Historisch centrum - Hoofdstraten

Leeuweringerstraat, Korte Havenstraat, Kapellestraat, Havenstraat, Donkere gaard, Peperstraat, Wijdstraat, Noord IJsselkade, Linschoterpoort, Vinkenbuurt, St. Janstraat, IJsselvere, Helletje, Romeijnstraat, Kromme Haven, Amsterdamseveer, een gedeelte van de Biezenpoortstraat, de zuidelijke rand van de Van Veenendaalstraat, Biezenwal, Rodezand, Kerkstraat. H1.2

De zijstraten van de hoofdstraten binnen het beschermd Historisch centrum - Dwarsstraten stadsgezicht + Lange Burchwal.

H1.3

De Westsingel, de Oude Singel, een deel van de Brede

Historische centrum – De Singels

Dijk, van de Griendstraat, Dr. Plesmanplantsoen, Van Veenendaalstraat, van Lefébureplein, Biezenpoortstraat en het Joostenplein. H4.1

De verdichte bebouwing aan de Goejanverwelle in

Dijklint – dorps

Hekendorp. H4.2

De uitlopers van de dijklinten zijn delen van Goejanver-

Dijklint – uitloper/buurtschap

welle in Hekendorp en in Oudewater de linten Goudse Straatweg, Utrechtse Straatweg, Oude Utrechtse Straatweg, Willeskop, (Oud) Hekendorperweg en buurtschap Snelrewaard. H4.3

De bebouwingslinten van Willeskop, Snelrewaard,

Dijklint – landelijk

Waardsedijk en Hekendorp. H5.2

Noord-Linschoterkade, Zuid-Linschoterkade

Stroomruglint – uitloper/buurtschap

H5.3

Noord-Linschoterzandweg en Zuid-Linschoterzandweg.

Stroomruglint – landelijk

H6.2

Een deel van Papekop, de Kerkwetering in Oudewater

Polderlint - uitloper/buurtschap

en de Opweg in Hekendorp. H6.3

De bebouwingslinten van Ruige Weide, Papekop, Die-

Polderlint – landelijk

merbroek, de Opweg en Hoenkoop. H7.3

Hoofdstuk 1

Hogebrug , Opweg en Damweg.

Ruilverkavelingslint - landelijk

7

H1

Historisch centrum

De stedelijke kernen in de Westelijk Weide- en Kromme Rijngebied vinden hun oorsprong in de middeleeuwen. De nederzettingen zijn gevestigd aan de Lek, Hollandse IJssel, Oude Rijn en de Kromme Rijn en zijn planmatig aangelegd. De strategische ligging voor verdediging of handel heeft gezorgd voor de ontwikkeling van de kernen. De meeste nederzettingen zijn herkenbaar als vestingsteden en hebben zich vaak ontwikkeld tot centra met een regionale betekenis. Karakteristiek binnenstad Oudewater. Het centrumgebied van Oudewater bestaat uit verschillende aanloopstraten, dat zijn de routes die traditioneel de vesting doorkruisten. Vanaf de stadspoort liepen zij verder het land in. Dit waren van oudsher de handelsroutes tussen de steden en nederzettingen. Langs deze routes hebben zich traditioneel veel ambachtelijke bedrijvigheid en nijverheidsfuncties gevestigd. Tegenwoordig zijn hier de meeste winkels en publieke voorzieningen te vinden. Het zwaartepunt van het centrum ligt rond de Markt en de Visbrug, hier is de Lange Linschoten met bruggen op korte afstand van elkaar overkluisd. De binnenstad is aangewezen als beschermd stadsgezicht en is een Belvédère stadskern.

Historisch centrum – Hoofdstraten (H1.1) Binnen de kern Oudewater; Leeuweringerstraat, Korte Havenstraat, Kapellestraat, Havenstraat, Donkere Gaard, Peperstraat, Wijdstraat, Noord IJsselkade, Linschoterpoort, Vinkenbuurt, St. Janstraat, de IJsselvere, Helletje, Romeijnstraat, Kromme Haven, Amsterdamseveer, een gedeelte van de Biezenpoortstraat, de zuidelijke rand van de Van Veenendaalstraat, Biezenwal, Rodezand, Kerkstraat. Historisch centrum – Dwarsstraten (H1.2) De zijstraten van de hoofdstraten binnen het beschermde stadsgezicht. Dit zijn o.a. de Rootstraat, de Marktstraat, de Broeckerstraat, de Gasthuissteeg, de Oude Huygensteeg en de Reijersteeg. Ook de Lange Burchwal valt hieronder. Historisch centrum – Gemengde gebieden ter plaatse van de vroegere wallen (H1.3) Dit gebied bestaat uit De Singels (Westsingel, Oude Singel, een deel van de Brede Dijk, Van de Griendstraat, Dr. Plesmanplantsoen, Van Veenendaalstraat, Van Lefébureplein, Biezenpoortstraat, Joostenplein) en de Molenstraat en IJsselvere.

8

Historisch centrum – Hoofdstraten (Gebiedstype H1.1) De bebouwing in het oorspronkelijke historische centrumgebied van Oudewater wordt gekenmerkt door in maatvoering variërende, individueel vormgegeven bebouwing. Deze gebouwen tellen afwisselend één tot twee bouwlagen met kap. Hierbij bestaat bovendien een grote variatie in de hoogtes van de toegepaste bouwlagen, dit draagt naast de variatie in het aantal bouwlagen extra bij aan de afwisseling in goot- en nokhoogtes. De kappen zijn uitgevoerd in zadeldaken en afgeknotte schilddaken die dwars op als evenwijdig aan de straat georiënteerd zijn. Het verschil in de maatvoering van de individuele panden wordt onderstreept door de architectonische uitstraling ervan: de forsere bouwmassa’s kennen een statige, klassieke uitstraling met een nadrukkelijke verticale compositie van de lijst-, trap- of tuitgevels. In de gevels zijn geprononceerde daklijsten (kroonlijsten) toegepast en wordt het reliëf in de gevel daarbij vergroot door geaccentueerde deur- en vensteromlijstingen en detaillering in de vorm van bijvoorbeeld ornamenten, zuilen, strekken en speklagen. Met name de bebouwing rond de Markt heeft deze historische en monumentale karakteristiek en dateert dan ook uit de ‘wederopbouwperiode’ van na 1575. De kleinschaligere bebouwing is soberder vormgegeven. De straten in de stadskern zijn betrekkelijk smal, met gesloten gevelwanden.

In de overgangszone naar de vestingwallen en ter plaatse van de vroegere wallen heeft de bebouwing minder aanzien dan in het eigenlijke stadscentrum. Hier is in sterk contrast met de historische panden zelfs stroken seriematige bouw gerealiseerd in voornamelijk één laag met kap (zadeldak of schilddak). Enkel het bebouwingscluster aan de Achterom heeft een uitgesproken vormgeving door de duidelijke horizontale compositie en het kleurgebruik.

Hoofdstuk 1

9

Het materiaalgebruik langs de hoofdwegen is traditioneel en bestaat voornamelijk uit bakstenen gevels eventueel afgewerkt met pleisterwerk, hout, gebakken oud-Hollandse dakpannen, leisteen en natuursteen. Deze materialen hebben veelal hun natuureigen kleur behouden, waar kleur is toegevoegd zijn deze oud Hollandse kleuren zoals donkerrood, donkergroen, roomwit en okergeel. Welstandscriteria De hoofdstraten liggen binnen het beschermde stadsgezicht en hebben het BIJZONDER niveau van welstand. In onderstaand schema zijn deze gebiedsspecifieke welstandscriteria aangegeven voor de centrumgebieden.

Gebiedsgerichte welstandscriteria voor het Historisch centrum – Hoofdstraten (Gebiedstype H1.1) Algemeen: a. Bestemmingsplanvoorschriften hebben voorrang op de welstandscriteria. Aan de welstandscriteria kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. b. Voor panden met een monumentenstatus gelden andere criteria. c. Voor nieuwbouw geldt dat eigentijdse architectuur met hoge kwaliteit de voorkeur heeft boven traditionele architectuur, waarop de hierna genoemde criteria zijn afgestemd.

Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Rechte, de weg volgende rooilijn. Zijdelingse afstand: • Gebouwen dienen de aaneenschakeling van de individuele gebouwen te ondersteunen; • De zijdelingse afstand tussen de gebouwen is gesloten. Oriëntatie: • Hoofdbebouwing is georiënteerd op de straat. Bijgebouwen situeren achter de hoofdbouwmassa.

10

Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Langwerpig, liggend en staand en blokvormige bouwmassa's. • Het is van groot belang voor de herkenbaarheid en zeggingskracht van het geheel dat er een duidelijk verband tussen de vorm en het gebruik van het individuele gebouw bestaat. • Toepassen van een heldere hoofdbouwvorm. • Accenten op pleinhoeken toegestaan. Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes, passend in de omgeving. • Relatieve afmetingen van een gebouw zijn meer bepalend dan absolute afmetingen. Kapvorm: • Zadeldak, tentdak of een direct afgeleide van deze daktypen met een heldere hoofdvorm. • Kapvorm afhankelijk van plasticiteit en bouwvormen in de gehele bebouwingswand. • Zichtbare hellende kap. Kaprichting: • Evenwijdig aan de straat (langsrichting) en haaks op de straat (dwarsrichting). Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw • Toepassen van een heldere, duidelijke indeling: de verschillende bouwlagen zijn te onderscheiden in de gevelopbouw. • Middenstuk symmetrisch. • Toepassen van hoge onderverdiepingen en 1ste verdieping, lagere toplaag (bij voorname, grotere bouwmassa's). • Vensteropbouw: afnemend van begane grond naar 1ste en 2de verdieping. • Dakopbouw: gebruik dakkapellen toegestaan mits liggend in de dakgoot/ op de daklijst en mits verticaal gericht (breedte kleiner dan hoogte).

• Winkelpuien (en overige begane gronden) afstemmen op gevelopbouw 1ste verdieping. Gevelgeleding: • Verticale geleding. • Toepassen van hoge en staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen aanbevolen. Plasticiteit: • Aansluiten bij het reliëf in de gevels van de bebouwingswand. Geen te zwaar reliëf door erkers, balkons, loggia's etc. toegestaan. • Groot reliëf in raampartijen door toepassen van een diepe neggemaat aansluitend bij de maatvoering in de omgeving. • Toepassen van forse, duidelijk uitkomende, geprononceerde daklijsten (kroonlijsten) bij gevelbeëindiging (met name bij voorname, grotere bouwmassa's). • Geaccentueerde deur- en raamlijsten. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalgebruik en verwerking:

Hoofdstuk 1

11

Gevels; baksteen of pleisterwerk. Plaatmaterialen, kunststof en metaal zichtbaar in de gevel is niet toegestaan - Baksteen of pleisterwerk als hoofdmateriaal in de gevel. Glas niet als grootste geveloppervlak. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving. • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; (oud) Hollandse gebakken pannen. Specifieke materiaalkleur: • Baksteenkleur: aardtinten. • Voegkleur: lichte voegspecie. • Pleisterwerk: lichte tinten, aansluitend bij toegepaste kleurstellingen in de omgeving. • Kozijn- en dakrandkleur; lichtkleurig (kozijnen licht en roeden donker). • Dakbedekking: rood of blauwgrijs. Detaillering: • Rijke detaillering • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek. • Toepassen van windveren en gootlijsten aanbevolen. • Muurschotels en ankers in de gevel toegestaan. • Gestuct trasraam toegestaan. • Toepassen reclame onder condities toegestaan (zie sneltoetscriteria voor 'reclame'). • Toepassen van raamlijsten, gevelversiering en kroonlijsten aanbevolen. • Dakkapellen met front (betimmerde omlijsting aan weerszijden). • Schoorstenen op de topgevel/scheidingswand situeren.

• Vaste luifels en overkappingen aan de voorzijde onder condities toegestaan (zie sneltoetscriteria voor 'luifels en zonwering'). • Forse raamdorpels toepassen. •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/704/documents/21113