CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

D01.8 2026-02-20_I_Welstandsnota_Oudewater_2010.pdf

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: Vastellen wijze van afdoening van de Ingekomen stukken24.534 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hoofdstuk 1

47

Type B Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Gebogen, de weg volgende rooilijn. Zijdelingse afstand: • De bebouwing is vrijstaand. De doorzichten naar het achtergebied dienen in acht genomen te worden. Oriëntatie: • Evenwijdig aan de straat (langsrichting) of evenwijdig aan de kavelrichting. • Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kruin van de dijk en aan de voet van de dijk. • De hoogteverschillen in de dijk dienen gerespecteerd te worden. • Bijgebouwen kunnen zowel op de kruin als aan de voet van dijk zijn gesitueerd. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Toepassen van een heldere hoofdbouwvorm. • Hoofdbouwmassa is langwerpig, liggend en blokvormig. • Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. Een hoofdbouwmassa kan uit meerdere woningen bestaan. • Aan- en bijgebouwen bij voorkeur achter de hoofdbebouwing. Situering naast de hoofdbebouwing is mogelijk mits plaatsing aan- en bijgebouwen 3 meter achter voorgevelrooilijn en de breedte van de ‘kruin’ van de dijk het toelaat. Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes. • Passend in de omgeving. Kapvorm: • Zadeldak, mansardekap of schilddak of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. Kaprichting: • Evenwijdig aan de straat (langsrichting) of evenwijdig aan de kavelrichting.

Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw: • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen duidelijk herkenbaar zijn. Gevelgeleding: • Heldere, evenwichtige gevelcompositie toepassen. Plasticiteit: • Op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven in lijn en architectuur van het geheel.

48

Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; gebakken pannen. • Gevel; bakstenen. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving. Materiaalkleur: • Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving, passende kleuren hierbij zijn: donkere aardtinten rood en bruin, zwart en donker groen. • Baksteenkleur; aardtinten. • Pleisterwerk; lichte tinten, aansluitend bij toegepaste kleurstellingen in de omgeving. • Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (donkere primaire kleuren en roomwit). Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen. • Windveren, makelaars en gootlijsten aanbevolen. • Toepassen van forse raamdorpels. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Bij het beoordelen van kleinere bouwwerken die onderdeel uitmaken van een regulier vergunningplichtig zal rekening worden gehouden met eventuele van toepassing zijnde sneltoetscriteria.

Hoofdstuk 1

49

Aanvullende criteria op de sneltoetscriteria voor H4.3 Dijklint; landelijk aan- en uitbouwen aan de voorkant en aan de achterkant • Uitbreiding aan zijgevel alleen mogelijk als vorm en maat van het perceel daar ruimte voor laat; doorzichten niet dichtzetten. • Kapvorm afstemmen op kapvorm van het hoofdgebouw. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant • Bijgebouw of overkapping ondergeschikt houden aan het hoofdgebouw, in principe achter het hoofdgebouw niet zichtbaar vanaf de openbare weg. • Bijgebouw of overkapping passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf. • Kapvorm afstemmen op kapvorm van de hoofdbebouwing. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. kozijn- en gevelwijzigingen • Bij kozijn- en gevelwijzigingen is het oorspronkelijk ontwerp het uitgangspunt. • Bij nieuwe winkelpuien afstemming zoeken in ritmiek van de pui- en/of gevelstructuur tussen begane grondgevel en bovengevel. • Het samenvoegen van meerdere panden door het toepassen van luifels of andere geveltoevoegingen is niet toegestaan.

Deze moeten altijd de oorspronkelijke gevelindeling van het individuele gebouw volgen en afgestemd zijn op de materiaalkeuze en kleurstelling van het bestaande hoofdgebouw. • Detaillering van de oorspronkelijke/ historische bebouwing met rolbogen, speklagen e.d. richtinggevend. dakkapellen • Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en passend in de architectuur van het hoofdgebouw. • Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. • Aangekapte kapel is mogelijk. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met hoofdbebouwing essentieel.

50

H5 Stroomruglint Stroomruglinten worden gekenmerkt door langgerekte, meanderende lijnen in het verder strakke polderlandschap met bebouwing in verschillende dichtheden. Het veenweide gebied is verkaveld en in cultuur gebracht vanaf de hoger gelegen oeverwallen van de veenstromen. Op deze oeverwallen zijn visueel verdichte linten met boerderijen ontstaan, later gevolgd door bebouwing verder van de oeverwal. Karakteristiek van de stroomruglinten Stroomruglinten zijn ontstaan op de hoger gelegen oeverwallen langs de Lange Linschoten. De Lange Linschoten heeft zich ingesneden in het veen en heeft direct naast de bedding zand afgezet, waardoor de stroomruggetjes ontstonden waarop gebouwd is. Het riviertje kent geen uiterwaarden, maar wordt wel begeleidt door een beplanting van knotwilgen. De bebouwing ligt, waar de stroomrug dit toelaat op de kruin en waar de rug te smal is beneden aan de voet van de stroomrug. Het hoogteverschil tussen kruin en voet is niet groot. Het veenweidegebied is verkaveld en in cultuur gebracht vanaf de hoger gelegen oeverwallen van de Lange Linschoten. Op deze oeverwallen zijn visueel verdichte linten met boerderijen ontstaan. In Oudewater is verschil gemaakt tussen de ‘uitlopers/buurtschappen’: de stroomruglinten met een half-open tot dicht karakter en de ‘landelijke stroomruglinten’: de linten met half-open tot open karakter.

Stroomruglint – Uitloper/buurtschap (H5.2) De lintbebouwing aan de Noord-Linschoterkade en Zuid-Linschoterkade. Stroomruglint – Landelijk (H5.3) De lintbebouwing aan de Noord-Linschoterzandweg en Zuid-Linschoterzandweg.

Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw geplaatst kan worden.

Hoofdstuk 1

51

H5.2 Stroomruglint – Uitloper/buurtschap, Lange Linschoten De Lange Linschoten is als bochtig riviertje de basis geweest voor de ontginningen die van hieraf in zuidoostelijke en noordwestelijke richting hebben plaatsgevonden. De stroomruglinten van de Lange Linschoten hebben van oudsher een half-open karakter met vele doorzichten naar het achterliggende poldergebied. Daar waar het lint Oudewater binnen komt wordt de bebouwingdichtheid hoger. De bebouwing ligt, waar de stroomrug dit toelaat op de kruin en waar de rug te smal is beneden aan de voet van de stroomrug. Het hoogteverschil tussen kruin en voet is niet groot. De uitloper van het stroomruglint Noord Linschoterkade en Zuid Linschoterkade, dat tegen de dorpskern Oudewater ligt wordt gekenmerkt door een afwisseling van woningen (met of zonder agrarische oorsprong) en bedrijvigheid direct achter woningen. Met name aan de Noord Linschoterkade is dit het geval. De bebouwing is parallel aan of haaks op de kavelrichting van het slagenlandschap gesitueerd en staat vaak door het bochtige verloop van de rivier verdraait ten opzichte van de weg, die de stroomrug volgt. Dit is minder het geval naar mate men de vesting nadert. Kenmerkend voor dit stroomruglint is het symmetrische profiel; aan beide zijden van het riviertje de Lange Linschoten wordt de bebouwing ontsloten met een weg, die tussen het water en de bebouwing.

De bebouwing in het lint is zeer divers en heeft één tot twee lagen met kap (voornamelijk zadeldak). In de uitstraling van de panden is er grofweg een onderscheidt te maken tussen de oorspronkelijk agrarische bebouwing met een forse bouwmassa, de traditioneel vormgegeven vrijstaande, kleinschaligere woonhuizen en de aaneengesloten woonbebouwing. De (voormalige) agrarische bebouwing en de kleinschaligere woonbebouwing kennen een zekere mate van detaillering door het toepassen van windveren, makelaars en strekken. Het materiaalgebruik is traditioneel en bestaat uit baksteen, pleisterwerk, gebakken pannen, riet en hout. Het pleisterwerk is uitgevoerd in lichte tinten, de toegepaste kleuren zijn verder gedekt en er is veelal gebruik gemaakt van oud Hollandse tinten (donkere primaire kleuren). Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw

52

geplaatst

kan

worden.

Welstandscriteria Voor historische boerderijen die voorkomen in dit gebied wordt verwezen naar het themablad ‘Historische boerderijen’. Voor de uitloper geldt het PLUS niveau van welstand. Hiervoor gelden de volgende welstandscriteria: Gebiedsgerichte welstandscriteria voor stroomruglint; uitloper/buurtschap H5.2 Algemeen: bestemmingsplanvoorschriften hebben voorrang op de welstandscriteria. Aan de welstandscriteria kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. Ook gelden voor panden met een monumentenstatus andere criteria. • •

Type A: langwerpige boerderijachtige bouwmassa’s met een van oorsprong agrarische functie. Type B: kleinschalige langwerpig en blokvormige bouwmassa’s met een niet agrarische functie.

Type A Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Gebogen rooilijn, volgt de weg. Zijdelingse afstand: • Los van elkaar. Oriëntatie: • Aan de stroomrugzijde van de wegen is bij (vervangende) nieuwbouw de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. • Aan de polderzijde van de wegen is het van belang dat de (vervangende) nieuwbouw op de kop van de kavel is gesitueerd. • Haaks op het lint (dwarsrichting), dat wil zeggen evenwijdig aan het perceel/kavel. • Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kop van de kavel. Bijgebouwen bij voorkeur achter de hoofdbouwmassa om de doorzichten naar het achtergebied te behouden. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw heeft een herhaling van eigenschappen van de landelijke gebouwen zoals in de directe omgeving voorkomende boerderijen, of een bewerking hiervan de voorkeur; • Toepassen van een heldere hoofdbouwvorm. • Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. • Hoofdbouwmassa is langwerpig, liggend.

Hoofdstuk 1

53

Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes. • Passend in de omgeving. Kapvorm: • Zadeldak, schilddak of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. • Toepassen van een forse kap. • Daken mogen met overstek worden toegepast. Kaprichting: • Haaks op het lint (dwarsrichting), dat wil zeggen evenwijdig aan het perceel/kavel. Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen duidelijk herkenbaar zijn. • Onderstuk overwegend symmetrisch, bovenstuk geheel symmetrisch. Gevelgeleding: • Verticale geleding. • Staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen aanbevolen. Plasticiteit: • Op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven in lijn en architectuur van het geheel. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; (kunst)riet of gebakken pannen. • Gevel: bakstenen. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving. Materiaalkleur: • Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving, passende kleuren hierbij zijn: donkere aardtinten rood en bruin, zwart en donker groen. • Baksteenkleur; aardtinten. • Pleisterwerk; lichte tinten, aansluitend bij toegepaste kleurstellingen in de omgeving.

• Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (donkere primaire kleuren en roomwit). Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen. • Windveren, makelaars en gootlijsten aanbevolen.

54

Type B Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Gebogen rooilijn, volgt de weg. Zijdelingse afstand: • Los van elkaar. In achtneming van de doorzichten naar het achtergebied. Oriëntatie: • Aan de stroomrugzijde van de wegen is bij (vervangende) nieuwbouw de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. • Situering op de kop van de kavel. • Evenwijdig aan het lint (langsrichting) of evenwijdig aan de kavelrichting. • Situering veelal dicht op de straat. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Toepassen van een heldere hoofdbouwmassa. • Hoofdbouwmassa is langwerpig, liggend en blokvormig met kap. • Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw streven naar zorgvuldige inpassing tussen de bestaande bebouwing. • Aan- en bijgebouwen bij voorkeur achter de hoofdbebouwing om de doorzichten naar het achterliggende gebied te behouden. Naast de hoofdbebouwing is mogelijk mits plaatsing aanen bijgebouwen 3 meter achter voorgevelrooilijn. Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes. • Passend in de gevelwand. Kapvorm: • Zadeldak, mansardekap of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. Kaprichting: • Evenwijdig aan het lint (langsrichting) of evenwijdig aan de kavelrichting. Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen duidelijk herkenbaar zijn.

Gevelgeleding: • Verticale geleding toepassen. • Gebruik van staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen zijn aanbevolen. Plasticiteit: • Op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven in lijn en architectuur van het geheel.

Hoofdstuk 1

55

Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; (kunst)riet of gebakken pannen. • Gevel: bakstenen. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving. Materiaalkleur: • Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving, passende kleuren hierbij zijn: donkere aardtinten rood en bruin, zwart en donker groen. • Baksteenkleur; aardtinten. • Pleisterwerk; lichte tinten aansluitend bij de toegepaste kleurstellingen in de omgeving. • Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (donkere primaire kleuren en roomwit). Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen. • Windveren, makelaars en gootlijsten aanbevolen. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Bij het beoordelen van kleinere bouwwerken die onderdeel uitmaken van een regulier vergunningplichtig zal rekening worden gehouden met eventuele van toepassing zijnde sneltoetscriteria.

56

Aanvullende criteria op de sneltoetscriteria voor H5.2 Stroomruglint; uitlopers/buurtschappen aan- en uitbouwen aan de voorkant en aan de achterkant • Uitbreiding aan zijgevel alleen mogelijk als vorm en maat van het perceel daar ruimte voor laat; doorzichten niet dichtzetten. • Kapvorm afstemmen op kapvorm van het hoofdgebouw. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant • Bijgebouw of overkapping ondergeschikt houden aan het hoofdgebouw, in principe achter het hoofdgebouw niet zichtbaar vanaf de openbare weg. • Bijgebouw of overkapping passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf. • Kapvorm afstemmen op kapvorm van de hoofdbebouwing. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. afstemming met hoofdgebouw is essentieel. kozijn- en gevelwijzigingen • Bij kozijn- en gevelwijzigingen dient het oorspronkelijke ontwerp als uitgangspunt. • Bij nieuwe winkelpuien afstemming zoeken in ritmiek van de pui- en/of gevelstructuur tussen begane grondgevel en bovengevel. • Het samenvoegen van meerdere panden door het toepassen van luifels of andere geveltoevoegingen is niet toegestaan.

Deze moeten altijd de oorspronkelijke gevelindeling van het individuele gebouw volgen en afgestemd zijn op de materiaalkeuze en kleurstelling van het bestaande hoofdgebouw. • Detaillering van de oorspronkelijke/historische bebouwing met rolbogen, sluitstenen, speklagen e.d. is richtinggevend. • Met name (winkel)puien op hoeken verdienen een zeer zorgvuldige vormgeving. • Behoud van en respect voor oorspronkelijke raamindeling. • Behoud van en respect voor oorspronkelijke ornamentiek. dakkapellen • Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en passend in architectuur van het hoofdgebouw. • Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. • Aangekapte dakkapel is mogelijk. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. afstemming met hoofdbebouwing essentieel.

Hoofdstuk 1

57

H5.3 Stroomruglint – Landelijk, Noord- en Zuid-Linschoterzandweg De Lange Linschoten is als bochtig riviertje de basis geweest voor de ontginningen die van hieraf in zuidoostelijke en noordwestelijke richting hebben plaatsgevonden. De stroomruglinten van de Lange Linschoten hebben in het buitengebied van oudsher een open karakter. Het landelijke stroomruglint kent een diversiteit aan lintbebouwing. Deze bebouwing is geregeld afgewisseld met doorzichten naar het achterliggende landschap en hoofdzakelijk opgebouwd uit langwerpige boerderijachtige hoofdbouwmassa’s met een van oorsprong agrarische functie. Deze staan, soms in clusters, op een behoorlijke afstand van elkaar. De vaak grootschalige bedrijfsbebouwing is doorgaans achter de hoofdbouw gerealiseerd waardoor de doorzichten behouden blijven. De bebouwing ligt, waar de stroomrug dit toelaat op de kruin en waar de rug te smal is beneden aan de voet van de stroomrug. Het hoogteverschil tussen kruin en voet is niet groot. Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door boerderijen die de hoofdrichting van het slotenpatroon volgen en daardoor verdraaid ten opzichte van de weg geplaatst zijn. Er is sprake van tweezijdig vrij open bebouwing op de kop van de kavels. Het bebouwingslint bestaat vrijwel geheel uit (voormalige) agrarische bebouwing.

Karakteristiek voor deze bebouwing is vaak symmetrische gevelindeling met staande ramen en de detaillering ervan. De met snij- en zaagwerk verfraaide windveren en makelaars, de muurankers, de luiken, de strekken in het metselverband en de engelenvensters verbijzonderen het straatbeeld en de beleving van de omgeving. Het materiaalgebruik is traditioneel en bestaat uit baksteen, pleisterwerk, gebakken dakpannen, riet, natuursteen en hout. De toegepaste kleuren zijn oud Hollands (donkere primaire kleuren, bruin en roomwit), het pleisterwerk heeft lichte tinten. Het lint van de Noord- en Zuid Linschoterzandweg vormen binnen de gemeente Oudewater de enige landelijke stroomruglinten. Voor historische boerderijen die voorkomen in dit gebied wordt verwezen naar het themablad ‘Historische boerderijen’. Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw geplaatst kan worden.

58

Welstandsniveau Voor het landelijke stroomruglint geldt het PLUS niveau van welstand. Hiervoor gelden de volgende welstandscriteria: Gebiedsgerichte welstandscriteria voor stroomruglint; landelijk H5.3 Algemeen: bestemmingsplanvoorschriften hebben voorrang op de welstandscriteria. Aan de welstandscriteria kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. Ook gelden voor panden met een monumentenstatus andere criteria. • •

Type A: langwerpige boerderijachtige bouwmassa’s met een van oorsprong agrarische functie. Type B: kleinschalige langwerpig en blokvormige bouwmassa’s met een niet agrarische functie.

Type A Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Verspringend, de weg van het lint volgend. Zijdelingse afstand: • Los van elkaar. In clusters en individueel. Oriëntatie: • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie op de kop van de kavel en de oriëntatie parallel aan de kavelrichting van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. • In geval van clustering op een stroomrug verder van het hoofdlint is de hoofdbebouwing georiënteerd op het erf. • Bijgebouwen zijn gesitueerd achter (in geval van oriëntering op het stroomruglint en/of erf) en opzij van (in geval van oriëntering op het erf) de hoofdbebouwing. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Toepassen van een heldere hoofdbouwvorm. • Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw heeft een herhaling van eigenschappen van de landelijke gebouwen zoals in de directe omgeving voorkomende boerderijen, of een bewerking hiervan de voorkeur; • Aansluiten bij de langwerpige, (liggende) bouwmassa’s. • Bijgebouwen bij voorkeur achter de hoofdbouwmassa situeren om de doorzichten naar het achtergebied te behouden. Bouwhoogte: • Streven naar wisselende bouwhoogtes. • Afstemmen op de bebouwingshoogte van de omgeving.

Hoofdstuk 1

59

Kapvorm: • Zadeldak, schilddak of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. • Daken mogen met overstek worden toegepast. • Toevoegingen aan het dakvlak aan de achterzijde van de hoofdbouw situeren; • Kapvorm bijgebouwen afstemmen op kapvorm hoofdbebouwing. Kaprichting: • Evenwijdig aan het lint (langsrichting) of evenwijdig aan de kavel (dwarsrichting). Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen herkenbaar zijn. • Onderstuk overwegend symmetrisch, bovenstuk geheel symmetrisch. • Bij de uitstraling van de bouwstijl dient de functie van het bouwwerk herkenbaar te zijn. Gevelgeleding: • Verticale geleding toepassen. • Staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen aanbevolen. • Geleding passend bij architectuurstijl hoofdbouw. Plasticiteit: • Erkers, dakkapellen en overige aanbouwen en toevoegingen in de gevelwand of aan het dakvlak in maatvoering, architectuur en detaillering afstemmen op de hoofdbebouwing. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Deuren en kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; gebakken pannen of (kunst)riet. • Gevel: bakstenen of ijsselsteentjes.

• Aanbouwen (gevel en dakvlak): materiaal conformeren aan materiaal gevel/dakvlak • Bijgebouwen: uitvoeren in metselwerk, gepotdekseld hout of staalprofiel. Regulier damwandprofiel is hier minder passend en afhankelijk van de situering op de kavel. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving.

60

Materiaalkleur: • Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving, passende kleuren hierbij zijn: donkere aardtinten rood en bruin, zwart en donker groen. • Baksteenkleur; aardtinten. • Pleisterwerk; lichte tinten aansluitend bij de toegepaste kleurstellingen in de omgeving. • Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (donkere primaire kleuren en roomwit). • Hout of staal bij bijgebouwen: donkere kleurstelling in Oud-Hollandse kleuren. Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels & vensteropeningen: rollaag of strek aanbevolen. • Windveren, makelaars en gootlijsten aanbevolen. Type B Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Verspringend, de weg van het lint volgend. Zijdelingse afstand: • Los van elkaar. In achtneming van de doorzichten naar het achtergebied. Oriëntatie: • Evenwijdig aan het lint (langsrichting) of evenwijdig aan de kavel (dwarsrichting). • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie op de kop van de kavel en de oriëntatie parallel aan de kavelrichting van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. • In geval van clustering op een stroomrug verder van het hoofdlint is de hoofdbebouwing georiënteerd op het erf.

• Bijgebouwen zijn gesitueerd achter (in geval van oriëntering op het stroomruglint en/of erf) en opzij van (in geval van oriëntering op het erf) de hoofdbebouwing. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Toepassen van een heldere hoofdbouwmassa. • Hoofdbouwmassa is langwerpig, liggend en blokvormig met kap. • Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw streven naar zorgvuldige inpassing tussen de bestaande bebouwing. • Aan- en bijgebouwen bij voorkeur achter de hoofdbebouwing om de doorzichten naar het achterliggende gebied te behouden. Naast de hoofdbebouwing is mogelijk mits plaatsing aanen bijgebouwen 3 meter achter voorgevelrooilijn. Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes. • Passend in de gevelwand.

Hoofdstuk 1

61

Kapvorm: • Zadeldak (met wolfseind), mansardekap, schilddak of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. Kaprichting: • Evenwijdig aan het lint (langsrichting) of evenwijdig aan de kavel (dwarsrichting). Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen duidelijk herkenbaar zijn. Gevelgeleding: • Verticale geleding toepassen. • Gebruik van staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen zijn aanbevolen. Plasticiteit: • Op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven in lijn en architectuur van het geheel. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; (kunst)riet of gebakken pannen. • Gevel: bakstenen. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving. Materiaalkleur: • Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving, passende kleuren hierbij zijn: donkere aardtinten rood en bruin, zwart en donker groen. • Baksteenkleur; aardtinten. • Pleisterwerk; lichte tinten aansluitend bij de toegepaste kleurstellingen in de omgeving. • Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (donkere primaire kleuren en roomwit).

Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen. • Windveren, makelaars en gootlijsten aanbevolen.

Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Bij het beoordelen van kleinere bouwwerken die onderdeel uitmaken van een regulier vergunningplichtig zal rekening worden gehouden met eventuele van toepassing zijnde sneltoetscriteria.

Aanvullende criteria op de sneltoetscriteria voor H5.3 Stroomruglint; landelijk

62

aan- en uitbouwen aan de voorkant en aan de achterkant • Uitbreiding aan zijgevel alleen mogelijk als vorm en maat van het perceel daar ruimte voor laat; doorzichten niet dichtzetten. • Kapvorm afstemmen op kapvorm van het hoofdgebouw. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant • Bijgebouw of overkapping ondergeschikt houden aan het hoofdgebouw, in principe achter het hoofdgebouw niet zichtbaar vanaf de openbare weg. • Bijgebouw of overkapping passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf. • Kapvorm afstemmen op kapvorm van de hoofdbebouwing. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. kozijn- en gevelwijzigingen • Bij kozijn- en gevelwijzigingen is het oorspronkelijk ontwerp het uitgangspunt. • Bij nieuwe winkelpuien afstemming zoeken in ritmiek van de pui- en/of gevelstructuur tussen begane grondgevel en bovengevel. • Het samenvoegen van meerdere panden door het toepassen van luifels of andere geveltoevoegingen is niet toegestaan.

Deze moeten altijd de oorspronkelijke gevelindeling van het individuele gebouw volgen en afgestemd zijn op de materiaalkeuze en kleurstelling van het bestaande hoofdgebouw. • Detaillering van de oorspronkelijke/ historische bebouwing met rolbogen, speklagen e.d. richtinggevend. dakkapellen • Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en passend in de architectuur van het hoofdgebouw. • Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. • Aangekapte kapel is mogelijk. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met hoofdbebouwing essentieel.

Hoofdstuk 1

63

H6 Polderlint Polderlinten worden gekenmerkt door langgerekte, rechte landschappelijke lijnen met bebouwing in verschillende dichtheden. Het veenweidegebied is verkaveld en in cultuur gebracht vanaf de oeverwallen van de Hollandse IJssel en de Lange Linschoten, later gevolgd door binnenwaartse nederzettingen langs bestaande of nieuw gegraven waterlopen, de weteringen. Karakteristiek van de Polderlinten Polderlinten zijn ontstaan toen bij het verkavelen en in cultuur brengen dijkjes tussen oude verbindingswegen werden aangelegd dwars op de dijklinten van de Hollandse IJssel. Langs de dijkjes en weteringen zijn bebouwingslinten ontstaan: de polderlinten. De bebouwing aan het polderlint langs de weteringen heeft dezelfde richting als de verkaveling. Op het punt waar meerdere polderlinten samenkomen is met het verdichten van de bebouwing een nederzetting ontstaan (Papekop) en hebben zich naast agrarische functies ook andere functies en voorzieningen gevestigd. In de uitlopers van polderlinten bevinden zich vrijstaande panden en kleine clusters van bebouwing soms direct aan de kern, als uitloper van de verdichte dorpskern en soms als buurtschap solitair aan het lint. De bebouwing in de uitlopers en bebouwingsclusters zijn gesitueerd op de kop van de kavel, aan het polderlint (de wetering of de weg).

Het type bebouwing verschilt niet ten opzichte van de bebouwing aan open landelijke polderlinten, hoewel er meer niet-agrarische bebouwing voorkomt. De bebouwingsvorm is divers, maar heeft een duidelijke richting. Polderlint – Uitloper/buurtschap (H6.2) Een deel van Papekop, de Kerkwetering in Oudewater en de Opweg in Hekendorp. Polderlint – Landelijk (H6.3) De bebouwingslinten van Ruige Weide, Papekop, Diemerbroek, de Opweg en Hoenkoop. Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw geplaatst kan worden.

64

H6.2 Polderlint – Uitloper/buurtschap, Kerkwetering De bebouwing langs de Kerkwetering is gebouwd in de jaren ’30. Het vormt de uitloper vanuit het centrum en gaat verderop over in een landelijk polderlint dat zich langs de Papekopperstraatweg voortzet. De Kerkwetering wordt gekenmerkt door de afwisseling tussen wonen en bedrijvigheid. Het lint is halfopen en gericht op het westelijk gelegen weidelandschap. Achter en tussen de woningen liggen bedrijven die qua bouwmassa afsteken tegen de kleinschalige woningen. De bebouwingsvorm is divers en bestaat voornamelijk uit kleinere langwerpig en blokvormige bouwmassa’s met een niet agrarische functie en een duidelijke richting haaks op de slagenverkaveling. Karakteristiek voor de jaren ’30 woningen zijn de witte dakgoten met een grote overstek en de oranjerode zadeldaken. De bedrijfsbebouwing onderscheidt zich, buiten de grotere maat- en schaalverhoudingen, van de woonbebouwing door de flauwe dakhellingen of platte daken en het materiaalgebruik waarbij naast baksteen veel metaal is toegepast. De Kerkwetering is alleen aan de oostzijde bebouwd. Achter de percelen ligt de Joh. J. Vierbergenweg. Hierdoor grenzen de achterkanten van de percelen aan deze doorgaande weg die om dit lintje is gelegd. Deze achterkant situatie vormt geen representatieve entree tot de kern Oudewater.

H6.2 Polderlint – Uitloper/buurtschap, Opweg De Opweg aan de westzijde van de kern Hekendorp sluit direct aan op het dijklint Goejanverwelle en loopt volgens de richting van het ontginningspatroon het slagenlandschap in. Typerend voor deze polderweg is het rechtlijnige karakter dat onderstreept wordt door de bebouwing die in een strakke rooilijn langs de oostzijde van deze weg gesitueerd is. Deze bebouwing bestaat uit twee-onder-één-kapwoningen en rijwoningen van respectievelijk één en twee bouwlagen met zadeldak. De twee-onder-één-kapwoningen zijn daarbij voorzien forse kappen met afwijkende hellingshoeken aan de voor- en achterzijde en brede dakkapellen aan de straatkant. De gevels zijn in baksteen opgetrokken met bij de tweekappers tevens hout als gevelmateriaal. De daken zijn bedekt met gebakken pannen. Voor de kleuren is van gedekte, donkere kleurstellingen en roomwit gebruik gemaakt. H6.2 Polderlint – Uitloper/buurtschap, Papekop

Hoofdstuk 1

65

Papekop is een klein buurtschapje binnen het agrarische lint van de Papekopperdijk en –straatweg. De verdichting van het lint is ontstaan op de het punt waar het lint van Diemerbroek aansluit op de Papekopperdijk. Deze verdichting is ontstaan in de 19e en vooral in de 20e eeuw door de bouw van woonhuizen bij de boerderijen en door uitbreiding van het aantal bedrijfsgebouwen op de erven. De bebouwing in het lint is overwegend agrarisch van karakter. De boerderijen volgen de ontginningsrichting van het slagenlandschap en staan daardoor onder een vrijwel rechte hoek op de weg. Enkele woningen zijn kleinschalig, seriematig en hebben geen agrarische functie gekend. Het onderscheid tussen deze twee type bebouwing is, buiten het verschil in bouwmassa en –vorm, in de uitstraling ervan duidelijk herkenbaar. De oorspronkelijk agrarische bebouwing is rijker gedetailleerd met details als windveren, makelaars, strekken, muurankers en speklagen. Ook de originele schuren zijn vaak verfraaid met detaillering. De woning zonder een agrarische geschiedenis zijn sober vormgegeven. Het materiaalgebruik komt in het gehele lint overeen, er is gebruik gemaakt van vooral baksteen, hout (met name voor de oorspronkelijke schuren) en gebakken dakpannen. Het kleurgebruik bestaat uit oud Hollandse kleuren (donkere primaire kleuren, bruin en roomwit).

Welstandsniveau Voor historische boerderijen die voorkomen in dit gebied wordt verwezen naar het themablad ‘Historische boerderijen’. Voor de uitlopers/buurtschappen geldt het PLUS niveau van welstand. Hiervoor gelden de volgende welstandscriteria: Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw geplaatst kan worden.

66

Gebiedsgerichte welstandscriteria voor polderlinten; uitloper/buurtschap H6.2 Algemeen: bestemmingsplanvoorschriften hebben voorrang op de welstandscriteria. Aan de welstandscriteria kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. Ook gelden voor panden met een monumentenstatus andere criteria. • •

Type A: langwerpige boerderijachtige bouwmassa’s met een van oorsprong agrarische functie. Type B: kleinschalige langwerpig en blokvormige bouwmassa’s met een niet agrarische functie.

Type A Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Rechte rooilijnen handhaven. Zijdelingse afstand: • Los van elkaar. Oriëntatie: • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. • Bebouwing bij voorkeur parallel situeren aan verkavelingsrichting. • Achterzijden van de bebouwing op eilanden tussen twee weteringen en of een wetering en een openbare weg in verband met de zichtbaarheid vanuit de openbare ruimte behandelen als twee voorzijden. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Toepassen van een heldere hoofdbouwvorm. • Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw heeft een herhaling van eigenschappen van de landelijke gebouwen zoals in de directe omgeving voorkomende boerderijen, of een bewerking hiervan de voorkeur; • Langwerpige, (liggende) bouwmassa’s toepassen. Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes. • Afstemmen op de bebouwingshoogte van de omgeving. Kapvorm: • Zadeldak (met wolfseind), schilddak of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. • Daken mogen met overstek worden toegepast. • Toevoegingen aan het dakvlak aan de achterzijde van de hoofdbouw situeren; • Kapvorm bijgebouwen afstemmen op kapvorm hoofdbebouwing. Kaprichting: • Haaks op het lint (dwarsrichting). Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw

Hoofdstuk 1

67

Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen duidelijk herkenbaar zijn. • Bij de uitstraling van de bouwstijl dient de functie van het bouwwerk herkenbaar te zijn. Gevelgeleding: • Verticale geleding. • Staande kozijnen en ramen en relatief smalle muurdammen aanbevolen. • Geleding passend bij architectuurstijl hoofdbouw. Plasticiteit: • Erkers, dakkapellen en overige aanbouwen en toevoegingen in de gevelwand of aan het dakvlak in maatvoering, architectuur en detaillering afstemmen op de hoofdbebouwing. •

Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Deuren en kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; gebakken pannen of (kunst)riet • Gevel: bakstenen of ijsselsteentjes • Bijgebouwen: uitvoeren in metselwerk, gepotdekseld hout of staalprofiel. Regulier damwandprofiel is hier minder passend en afhankelijk van de situering op de kavel. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving. Materiaalkleur: • Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving passende kleuren hierbij zijn: donkere aardtinten rood en bruin, zwart en donker groen; • Baksteenkleur; aardtinten. • Pleisterwerk; lichte tinten aansluitend bij de toegepaste kleurstellingen in de omgeving. • Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (donkere primaire kleuren en roomwit). • Hout of staal bij bijgebouwen: donkere kleurstelling in Oud-Hollandse kleuren. Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek. • Windveren, makelaars en gootlijsten aanbevolen.

68

Type B Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Rechte rooilijnen. Zijdelingse afstand: • Los van elkaar. Oriëntatie: • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. • Bebouwing bij voorkeur parallel situeren aan verkavelingsrichting. • Achterzijden van de bebouwing op eilanden tussen twee weteringen en of een wetering en een openbare weg in verband met de zichtbaarheid vanuit de openbare ruimte behandelen als twee voorzijden. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Langwerpige, (liggende of staande) en blokvormige bouwmassa’s. • Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw streven naar zorgvuldige inpassing tussen de bestaande bebouwing. Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes. • Afstemmen op de bebouwingshoogte van de omgeving. Kapvorm: • Zadeldak, afgeplat tentdak, mansardekap, schilddak of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. • Toevoegingen aan het dakvlak aan de achterzijde van de hoofdbouw situeren; • Kapvorm bijgebouwen afstemmen op kapvorm hoofdbebouwing. Kaprichting: • Evenwijdig (langsrichting) of haaks (dwarsrichting) op het lint. Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel waarin de verschillende bouwlagen duidelijk herkenbaar zijn.

• Bij de uitstraling van de bouwstijl dient de functie van het bouwwerk herkenbaar te zijn. Gevelgeleding: • Zorgen voor een heldere gevelcompositie. • Geleding passend bij architectuurstijl hoofdbouw. Plasticiteit: • Erkers, dakkapellen en overige aanbouwen en toevoegingen in de gevelwand of aan het dakvlak in maatvoering, architectuur en detaillering afstemmen op de hoofdbebouwing. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze:

Hoofdstuk 1

69

Deuren en kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. Dakbedekking; gebakken pannen of (kunst)riet Gevel: bakstenen Bijgebouwen: uitvoeren in metselwerk, gepotdekseld hout of staalprofiel. Regulier damwandprofiel is hier minder passend en afhankelijk van de situering op de kavel. • Gebruikte metselverband, voegvorm en baksteentype aansluitend bij omgeving. Materiaalkleur: • Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving passende kleuren hierbij zijn: donkere aardtinten rood en bruin, zwart en donker groen; • Baksteenkleur; aardtinten. • Pleisterwerk; lichte tinten aansluitend bij de toegepaste kleurstellingen in de omgeving. • Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (donkere primaire kleuren en roomwit). • Hout of staal bij bijgebouwen: donkere kleurstelling in Oud-Hollandse kleuren. Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen. • Windveren, makelaars en gootlijsten aanbevolen.

• • • •

Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Bij het beoordelen van kleinere bouwwerken die onderdeel uitmaken van een regulier vergunningplichtig zal rekening worden gehouden met eventuele van toepassing zijnde sneltoetscriteria.

70

Aanvullende criteria op de sneltoetscriteria voor H6.2 Polderlint; uitlopers/buurtschappen aan- en uitbouwen aan de voorkant en aan de achterkant • Uitbreiding aan zijgevel alleen mogelijk als vorm en maat van het perceel daar ruimte voor laat; doorzichten niet dichtzetten. • Kapvorm en –richting afstemmen op kapvorm van het hoofdgebouw. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant • Bijgebouw of overkapping ondergeschikt houden aan het hoofdgebouw, in principe achter het hoofdgebouw niet zichtbaar vanaf de openbare weg. • Bijgebouw of overkapping passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf. • Kapvorm en –richting afstemmen op kapvorm van de hoofdbebouwing. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. afstemming met hoofdgebouw is essentieel. kozijn- en gevelwijzigingen • Bij kozijn- en gevelwijzigingen dient het oorspronkelijke ontwerp als uitgangspunt. • Detaillering van de oorspronkelijke/historische bebouwing met rolbogen, sluitstenen, speklagen e.d. is richtinggevend. • Met name (winkel)puien op hoeken verdienen een zeer zorgvuldige vormgeving. • Behoud van en respect voor oorspronkelijke raamindeling.

• Behoud van en respect voor oorspronkelijke ornamentiek. dakkapellen • Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en passend in architectuur van het hoofdgebouw. • Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. • Aangekapte dakkapel is mogelijk. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. afstemming met hoofdbebouwing essentieel.

Hoofdstuk 1

71

H6.3 Polderlint – Landelijk, Papekopperdijk en Papekopperstraatweg De bebouwing langs de Papekopperdijk en Papekopperstraatweg ligt aan de westzijde van deze landelijke polderlinten. Het lint wordt doorsneden door de spoorlijn WoerdenGouda. De rechte Papekopperdijk is de basis geweest voor de ontginningen die van hieraf in westelijke richting in de 12e en 13e eeuw hebben plaatsgevonden. Kenmerkend is het langgerekte bebouwingslint aan één zijde van de weg met de naastgelegen wetering, waarbij het beeld nog steeds wordt bepaald door boerderijen die in een regelmatig patroon de hoofdrichting van het slotenpatroon volgen en daardoor doorgaans haaks op of sporadisch evenwijdig aan de weg geplaatst zijn. De wetering langs de Papekopperstraatweg ligt aan de oostzijde van de dijk en de bij de Papekopperdijk ligt de wetering aan de westzijde van de dijk. De boerderijen aan de Papekopperdijk zijn door middel van bruggen over de wetering bereikbaar. De bebouwing in het lint is vrij gaaf en wordt weinig verstoord door latere toevoeging. Het bebouwingslint bestaat daardoor vrijwel geheel uit oorspronkelijke agrarische bebouwing, waarvan het woongedeelte naar de weg is gekeerd en het bedrijfsgedeelte naar het achterliggende land.

De vaak grootschalige bedrijfsbebouwing is daarbij achter de hoofdbouwmassa gesitueerd en waardoor de doorzichten in en de openheid van het slagenlandschap behouden blijven en de karakteristieke uitstraling van de boerderijen weinig verstoord wordt. Deze waardevolle karakteristieken bestaan uit het traditionele materiaalgebruik van baksteen, natuursteen, pleisterwerk, gebakken pannen, riet en hout (voor met name de oorspronkelijke agrarische bedrijfsbebouwing). Daarnaast is de detaillering op en in de gevels beeldbepalend, er zijn windveren en makelaars, muurankers, luiken, rollagen en strekken in de vaak symmetrische gevels toegepast. Deze details en de staande vensters hebben een oud Hollandse kleur (donkere primaire kleuren, bruin en roomwit). H6.3 Polderlint – Landelijk, Diemerbroek De boerderijstrook Diemerbroek ligt ten oosten van Papekop aan weerszijde van de Diemerbroekkade. Het lint sluit onder een enigszins schuine hoek aan op het lint van Papekop. De wetering, die de ontginningsbasis van dit gebied vormt, ligt gedeeltelijk aan de zuidzijde en gedeeltelijk aan de noordzijde van de weg. Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door (voormalige) agrarische bebouwing, die in een regelmatig patroon het slotenpatroon volgt en daardoor gedraaid ten opzichte van de weg zijn geplaatst.

De bebouwingskarakteristieken komen overeen met de hiervoor omschreven specifieke kenmerken voor polderlintbebouwing. H6.3 Polderlint – Landelijk, Ruige Weide Het polderlint Ruige Weide ligt ten noordwesten van Oudewater. De gelijknamige kade en de naastgelegen wetering zijn de basis geweest voor de ontginningen die van hieraf in noordelijke richting hebben plaatsgevonden. Ruige Weide is aan één zijden bebouwd, waarbij het bebouwingsbeeld bepaald wordt door (voormalige) agrarische bebouwing in een zeer lage dichtheid. De

72

boerderijen zijn door middel van bruggen over de wetering bereikbaar. De bebouwingskarakteristieken komen overeen met de hiervoor omschreven specifieke kenmerken voor polderlintbebouwing. H6.3 Polderlint – Landelijk, Hoenkoopse buurt Het polderlint Hoenkoopse buurt ligt ten zuidwesten van Oudewater aan de zuidzijde van de Hoenkoopse Buurtweg. De rechte weg en wetering zijn de basis geweest voor de ontginningen in zuidelijke richting. Het lint loopt door in de gemeente Vlist. De bebouwing aan de zuidzijde is oorspronkelijker, dan de bebouwing aan de noordzijde die later is ontstaan net buiten de gemeentegrens. Het bebouwingsbeeld wordt geheel bepaald door agrarische bebouwing. De bebouwingskarakteristieken komen overeen met de hiervoor omschreven specifieke kenmerken voor polderlintbebouwing. H6.3 Polderlint – Landelijk, Opweg en Damweg Het polderlint Opweg ligt ten westen van Hekendorp. Het polderlint Damweg ligt ten zuid-oosten van Oudewater. De linten zijn zeer open en weinig bebouwd. Een enkel agrarisch bedrijf heeft zich hier gevestigd. De Opweg ligt in het verlengde van het dichter bebouwde polderlint van Hoogeind in de gemeente Reeuwijk. Nabij Hekendorp is aan de oostzijde van het lint is meer kleinschalige bebouwing gevestigd. Dit deel van het lint vormt een uitloper dat wordt omschreven bij de kern Hekendorp.

De bebouwingskarakteristieken komen overeen met de hiervoor omschreven specifieke kenmerken voor polderlintbebouwing.

Naast het feit dat de gebouwen zoveel mogelijk in de lengterichting van de percelen gebouwd moeten worden, dient bij de situering van aanbouwen of uitbreidingen bij de hoofdgebouwen, ter wille van de doodzichten, een logische breedte - lengte verhouding in acht te worden genomen van ongeveer 1:2. De verhouding van de hoofd- en bijgebouwen (woonhuizen en bedrijfsgebouwen) dienen eveneens afgestemd te worden op de (oorspronkelijke) vorm van de kavel. Dat betekent dat op een langgerekte kavel in principe slechts een langgerekt gebouw geplaatst kan worden.

Hoofdstuk 1

73

Welstandsniveau Voor de landelijke polderlinten geldt het PLUS niveau van welstand. Hiervoor gelden de volgende welstandscriteria: Gebiedsgerichte welstandscriteria voor landelijke polderlinten H6.3 Algemeen: bestemmingsplanvoorschriften hebben voorrang op de welstandscriteria. Aan de welstandscriteria kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. Ook gelden voor panden met een monumentenstatus andere criteria. • •

Type A: langwerpige boerderijachtige bouwmassa’s met een van oorsprong agrarische functie. Type B: kleinschalige langwerpig en blokvormige bouwmassa’s met een niet agrarische functie.

Type A Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Rechte rooilijnen. Zijdelingse afstand: • Los van elkaar. Oriëntatie: • Behouden van open en weidse karakter van het lint - géén visuele verdichtingen toepassen; • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie op de kop van de kavel en de oriëntatie, met de voorgevel haaks op de kavelrichting, van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend; • Bijgebouwen zoveel mogelijk achter de hoofdbouwmassa. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • Langwerpige, (liggende) bouwmassa’s. • Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw heeft een herhaling van eigenschappen van de landelijke gebouwen zoals in de directe omgeving voorkomende boerderijen, of een bewerking hiervan de voorkeur; Bouwhoogte: • 1 tot 1,5 bouwlaag met kap, afstemmen op de bebouwingshoogte van de omgeving. Kapvorm: • Zadeldak, schilddak of een afgeleide van dit daktype. • Daken mogen met overstek worden toegepast. • Toevoegingen aan het dakvlak aan de achterzijde van de hoofdbouw situeren; • Kapvorm bijgebouwen afstemmen op kapvorm hoofdbebouwing.

74

Kaprichting: • Evenwijdig aan de kavel. • Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel maar is te onderscheiden in een dakgedeelte en een onderstuk; • Aandacht voor zijgevels die door de openheid in het zicht komen te liggen door afstemming gevelopbouw en -geleding tussen zij- en voorgevel • De uitstraling van de bouwstijl prevaleert hierbij de herkenbaarheid van de functie van het bouwwerk. Gevelgeleding: • Verticale geleding; • Staande kozijnen en ramen.; • Geleding passend bij architectuurstijl hoofdbouw. Plasticiteit: • Erkers, dakkapellen en overige aanbouwen en toevoegingen in de gevelwand of aan het dakvlak in maatvoering, architectuur en detaillering afstemmen op de hoofdbebouwing. Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Deuren en kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; gebakken pannen of riet • Gevel: bakstenen of ijsselsteentjes • Bijgebouwen: uitvoeren in metselwerk, gepotdekseld hout of staalprofiel. Regulier damwandprofiel is hier minder passend en afhankelijk van de situering op de kavel. Materiaalkleur: • Tegengaan van gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals: oranje gifgroen of fel paars etc.

• Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving passende kleuren hierbij zijn: donkere aardtinten rood en bruin, zwart en donker groen; • Baksteenkleur; rode aardtinten. • Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (bijv. wit en standgroen). • Hout of staal bij bijgebouwen: donkere kleurstelling in Oud-Hollandse kleuren. Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen • Windveren en gootlijsten aanbevolen

Hoofdstuk 1

75

Type B Situering van het bouwwerk Rooilijn: • Rechte rooilijnen. Zijdelingse afstand: • Los van elkaar. Oriëntatie: • Behouden van open en weidse karakter van het lint - géén visuele verdichtingen toepassen; • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie op de kop van de kavel en de oriëntatie, met de voorgevel haaks op de kavelrichting, van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend; • Bijgebouwen achter de hoofdbouwmassa. Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa: • langwerpige, (liggende of staande) en blokvormige bouwmassa’s. • Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw streven naar zorgvuldige inpassing tussen de bestaande bebouwing. Bouwstijl conformeren naar de bouwstijl van de naastgelegen bebouwing. Bouwhoogte: • 1 tot 2 bouwlagen met kap handhaven, afstemmen op de bebouwingshoogte van de omgeving. Kapvorm: • Zadeldak, afgeplat tentdak (vooral toepasbaar bij een staande langwerpig als vorm hoofdbouwmassa) mansardekap of een afgeleide van dit daktype. • Toevoegingen aan het dakvlak aan de achterzijde van de hoofdbouw situeren; • Kapvorm bijgebouwen afstemmen op kapvorm hoofdbebouwing. Kaprichting: • Evenwijdig (langsrichting) of haaks (langsrichting) op het lint.

Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel maar is te onderscheiden in een dakgedeelte en een onderstuk; • Aandacht voor zijgevels die door de openheid in het zicht komen te liggen door afstemming gevelopbouw en -geleding tussen zij- en voorgevel • De uitstraling van de bouwstijl prevaleert hierbij de herkenbaarheid van de functie van het bouwwerk. Gevelgeleding: • Horizontale en verticale geleding; • Geleding passend bij architectuurstijl hoofdbouw. Plasticiteit: • Erkers, dakkapellen en overige aanbouwen en toevoegingen in de gevelwand of aan het dakvlak in maatvoering, architectuur en detaillering afstemmen op de hoofdbebouwing.

76

Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze: • Deuren en kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; gebakken pannen of riet • Gevel: bakstenen of ijsselsteentjes • Bijgebouwen: uitvoeren in metselwerk, gepotdekseld hout of staalprofiel. Regulier damwandprofiel is hier minder passend en afhankelijk van de situering op de kavel. Materiaalkleur: • Tegengaan van gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals: oranje gifgroen of fel paars etc. • Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving passende kleuren hierbij zijn: donkere aardtinten rood en bruin, zwart en donker groen; • Baksteenkleur; rode aardtinten. • Kozijnkleur; Oud-Hollandse kleuren (bijv. wit en standgroen). • Hout of staal bij bijgebouwen: donkere kleurstelling in Oud-Hollandse kleuren. Detaillering: • Gezichtsbepalende details vormgeven in de lijn van de architectuur van het bouwwerk en zijn omgeving. • Afwerking metselwerk langs gevels en vensteropeningen; rollaag of strek aanbevolen • Windveren en gootlijsten aanbevolen. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.

Bij het beoordelen van kleinere bouwwerken die onderdeel uitmaken van een regulier vergunningplichtig zal rekening worden gehouden met eventuele van toepassing zijnde sneltoetscriteria.

Hoofdstuk 1

77

Aanvullende sneltoetscriteria voor landelijke polderlinten Type Bouwwerk Criteria aan- en uitbouwen aan de voorkant en aan de achterkant • Uitbreiding aan zijgevel alleen mogelijk als vorm en maat van het perceel daar ruimte voor laat; doorzichten niet dichtzetten • Kapvorm afstemmen op kapvorm van het hoofdgebouw • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant • Bijgebouw of overkapping ondergeschikt houden aan het hoofdgebouw, in principe achter het hoofdgebouw niet zichtbaar vanaf de openbare weg. • Bijgebouw of overkapping passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf. • Kapvorm afstemmen op kapvorm van de hoofdbebouwing. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel. kozijn- en gevelwijzigingen • Bij kozijn- en gevelwijzigingen dient het oorspronkelijk ontwerp als uitgangspunt • Bij nieuwe winkelpuien afstemming zoeken in ritmiek van de pui- en/of gevelstructuur tussen begane grondgevel en bovengevel • Het samenvoegen van meerdere panden door het toepassen van luifels of andere geveltoevoegingen is niet toegestaan.

Deze moeten altijd de oorspronkelijke gevelindeling van het individuele gebouw volgen en afgestemd zijn op de materiaalkeuze en kleurstelling van het bestaande hoofdgebouw. • Detaillering van de oorspronkelijke/ historische bebouwing met rolbogen, speklagen e.d. richtinggevend. dakkapellen • Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en passend in de architectuur van het hoofdgebouw. • Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels. • Aangekapte kapel is mogelijk. • Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met hoofdbebouwing essentieel.

78

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/704/documents/21113