2021.02.16 Raadsinformatiebrief 'Provinciale omgevingsvisie en interim omgevingsverordening' - Merged.pdf
Tekst van het document
Duurzame energie in natuurgebieden Nr. 059 066 072 074 077 084 098 114 136 146 149 168
Indieners Stichting Duurzaam Woudenberg Stichting Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug Vechtplassencommi ssie Vereniging Natuur en Milieu, IVNafdeling Wijk bij Duurstede, Werkgroep groenberaad Natuur- en milieuvereniging De Groene Venen Werkgroep Biodiversiteit Buitengebied gemeente Zeist Stichting Milieuzorg Zeist e.o. Vereniging voor Dorp en Natuur Amerongen – Leersum
Samenvatting zienswijze Verzocht wordt om het NNN, de weidevogelkerngebieden en Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug uit te sluiten voor windturbines en zonnevelden. Een eigen verantwoordelijkheid van de provincie brengt dat met zich mee vanwege de gebrekkige staat van de biodiversiteit en de noodzaak om deze te verbeteren. Dat ook aangezien slechts een beperkte oppervlakte van Nederland ook echt als natuur is aangewezen en de energietransitie, die een menselijke / antropocene oorzaak kent, juist niet op gebieden met een specifieke natuurdoelstelling zouden moeten worden afgewenteld (066, 072, 084, 098, 114, 136, 168). Gevraagd wordt om NNN uit te sluiten voor wind- en zonne-energie. Er zijn zeker kansen om een koppeling te maken tussen natuur en energie, maar dat vereist wel een grote mate van robuustheid van het natuurnetwerk. Die robuustheid is er op dit moment nog niet. Om die reden zijn er op dit moment géén mogelijkheden voor het opwekken van energie in het NNN, in ieder geval niet tot er een grote mate van robuustheid van het natuurnetwerk is gerealiseerd (074, 149). Wind- en zonne-energie dient niet te worden genoemd als optie in de NNNgebieden, tenzij er een aantoonbare verbetering van het leefgebied aan de orde is (059). Er moet voorzichtig worden omgegaan met NNN en weidevogelgebieden.
De bouw van windmolens en zonnevelden zijn volgens het “Nee, tenzij” principe geformuleerd. Omdat dit kwetsbare natuurgebieden betreffen moet er zeer zorgvuldig te werk worden gegaan, om de natuur ter plaatse niet te verstoren, en daar waar dat kan juist te versterken. Het is mogelijk, mits goed onderbouwd, van het beleid af te wijken en toch in deze gebieden windmolens en/of zonnevelden te bouwen. De vraag is wel of de opgenomen formuleringen energie-initiatieven niet te veel belemmeren en ook of de verwachtingen van de provincie richting de energie-initiatiefnemers kloppen (146).
Reactie en eventuele aanpassing Er zijn in dit kader twee grote opgaven: de klimaatverandering en het voldoen aan de afspraken die hiertoe in het kader van het Klimaatakkoord zijn gemaakt, en de verbetering van de biodiversiteit. De energietransitie is een grote opgave waar voldoende zoekruimte voor nodig is. De opgave van de energietransitie vraagt om het benutten van zoveel mogelijk geschikte locaties. Ook binnen het NNN ziijn (beperkte) kansen voor de realisatie van duurzame energiebronnen. Het NNN wordt derhalve niet volledig uitgesloten. Daarbij moet aan de bepalingen in de Interimverordening voor het NNN worden voldaan. Deze regels garanderen dat zowel de kwaliteit als de wezenlijke kenmerken en waarden, en oppervlakte en samenhang niet mag worden aangetast. Onderdeel van deze kwaliteit zijn de leefgebieden van de voorkomende soorten. Daarnaast geldt de Wet natuurbescherming. De concretisering van locaties voor duurzame energie vindt plaats binnen de RES’en. Ten aanzien van uw suggestie m.b.t. zonnevelden. Er is, ook ten aanzien van andere activiteiten dan energie-opwek, geen bufferzone rond NNN en Natura2000 aangegeven. De instandhoudingsdoelen voor de natuur dienen getoetst te worden. Dat betekent dat altijd getoetst zal worden aan de Wet natuurbescherming, ongeacht de ligging.
85
Federatie Groene Heuvelrug Utrechtse energiecoöperaties Samenwerkende Utrechtse natuur- en milieuorganisaties Vrienden van Amelisweerd
In het NNN zijn kansen om de natuur te versterken via een coöperatieve ontwikkeling. Opbrengsten van windmolens kunnen ten goede komen aan de natuur, bijv. via het concept Natuurwind. Zonneweiden in NNN gebieden zijn niet goed mogelijk, behalve op de grenzen ervan als robuuste bufferzone. De vraag is wel wat dit beleid betekent voor gemeenten die bijna alleen NNN gebieden hebben (bv gemeente Utrechtse Heuvelrug), en waar zij dan duurzame energie kunnen opwekken? Voor deze gemeenten zouden er wellicht te veel blokkades voor energie-initiatieven worden opgeworpen? Om die reden is voor windmolens in NNN gebieden de volgende wijziging nodig: ‘Windmolens mogen wel in NNN gebieden, mits er geen aantasting is van de natuur en van de kernkwaliteiten van het NNN gebied. Dit kan worden aangetoond met de gebruikelijke natuurstudies ten behoeve van de Milieueffectrapportage, die voorafgaat aan de vergunningaanvraag.’ Voor zonnevelden in NNN gebieden als wijziging: ‘Zonnevelden mogen alleen aan de randen van NNN gebieden, mits zij een versterking opleveren als bufferzone voor het NNN gebied’ (146).
Duurzame energie nabij natuurgebieden Nr. 044 074 084 105 116 143
Indieners Particulier Vereniging Natuur en Milieu, IVNafdeling Wijk bij Duurstede, Werkgroep groenberaad Werkgroep Biodiversiteit Buitengebied gemeente Zeist Vereniging Eemland300 Stichting Beter Zeist Natuurmonumenten Zuid-Holland
Samenvatting zienswijze ln het Ontwerp ontbreekt de ruimtelijke bescherming van de directe omgeving van bestaande NNN en Natura 2000 gebieden. Verzocht wordt om passende bescherming te bieden en aan te geven wat het zoekgebied is voor uitbreiding daarvan. Maatwerk blijft nodig, zeker rond natuurgebieden. Het huidige NNNareaal bestaat – afgezien van de stuwwal - uit snippers groene landschapselementen afgewisseld met grote delen landbouwgebied. Wanneer landschapselementen (houtwallen, bosjes, verbindingsgroen) met de NNNstatus mogen worden “ingemetseld” tussen zonneparken en overschaduwd door windturbines dan gaat de waarde daarvan voor natuur en biodiversiteit verloren. De ervaring leert dat gemeentes geneigd zijn om te kiezen voor dunbevolkte gebieden omdat daar weinig weerstand te verwachten is (NNN). Verzoek vast te leggen dat plaatsing van windturbines niet toelaatbaar is binnen 2500 meter van Natura-2000 gebied en ook niet binnen 1000 meter van NNNgebied. Voor zonneparken is het verzoek om in alle gevallen 500 meter als minimale afstand aan te houden.
Reactie en eventuele aanpassing Er is, ook ten aanzien van andere activiteiten dan energie-opwek, geen bufferzone rond NNN en Natura2000 aangegeven. De instandhoudingsdoelen voor de natuur dienen getoetst te worden. Dat betekent dat altijd getoetst zal worden aan de Wet natuurbescherming, ongeacht de ligging. Voor Natura 2000 gebieden moet externe werking en cumulatie ook worden betrokken.
Samenvatting zienswijze Voor concrete plannen of initiatieven is vaak een vergunning of ontheffing nodig, zoals bij de wet natuurbescherming. De vraag is dan of de ruimte die geboden wordt in NNN en weidevogelkerngebieden en rond de Natura 2000 in de praktijk haalbaar is (095). Er zijn soorten in Nederland waar geen gebieden voor zijn aangewezen, maar waar wel instandhoudingsdoelstellingen voor gelden, zoals de zeearend. De plaatsing van windmolens in de corridor tussen de delta en Flevoland en de Randmeren vormt een potentiële bedreiging voor populatie zeearenden (143).
Reactie en eventuele aanpassing Als het niet mogelijk is om een ontheffing of vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming te verlenen, kan een project niet doorgaan. De geboden ruimte in de verordening, komt daarmee dan inderdaad te vervallen. Overigens kan de ontheffing of vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming ook buiten de genoemde gebieden ertoe leiden dat een project niet door kan gaan.
Wnb-toets Nr. 095 143
Indieners Stichting Groene Hart Natuurmonumenten Zuid-Holland
86
Natura 2000-gebieden Nr. 060 062 143
Indieners TPSolar, Solarfields en GroenLeven Stichting Het ZuidHollands Landschap Natuurmonumenten Zuid-Holland
Samenvatting zienswijze 1. In de Zouweboezem heeft één van de grootste broedkolonies van de purperreiger van noordwest Europa, met hoog risico op negatieve effecten van windmolens (aanvaringen en barrièrewerking) op de instandhoudingsdoelen. Ook rond de Natura 2000-gebieden Nieuwkoopse plassen & De Haeck, Oostelijke Vechtplassen en het Naardermeer zijn substantiële broedkolonies van purperreigers aanwezig. Gepleit wordt voor een (veel) grotere ruimte rondom deze gebieden. In de Ontwerp Omgevingsvisie (en het onderliggende PlanMER en Passende Beoordeling) is hier onterecht geen rekening mee gehouden (062, 143). 2. Gevraagd wordt om in artikel 5.5 Instructieregel Zonnevelden͟ een bepaling op te nemen dat energie-initiatieven in Natura 2000 gebieden nadrukkelijk worden uitgesloten (060).
Reactie en eventuele aanpassing 1. De Wet Natuurbescherming biedt bescherming op soorten. De ontheffing of vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming kan ertoe leiden dat ook buiten de genoemde gebieden een project voor de realisatie van duurzame energie niet door kan gaan. 2. Natura2000 gebieden zijn, net als ganzenrustgebieden, uitgesloten voor zonnevelden. Deze staan daarom niet op de kaart waar zonnevelden (eventueel onder voorwaarden) mogelijk zijn. Dit is hoe de verordening werkt; een combinatie van kaart en regels. Het verwerken in de regels zou betekenen dat dit dubbel aangegeven wordt en dat is niet zoals het systeem werkt.
Samenvatting zienswijze Gesteld wordt dat windenergie niet past in een ganzenrustgebied. Er is daar geen problemen als er verder aan alle eisen voldaan wordt, maar het net in een rustgebied blijk te liggen. Dit heeft geen gevolgen voor de ganzen.
Reactie en eventuele aanpassing Gedurende een groot deel van de winter is afschot van ganzen ter ondersteuning van verjagen niet toegestaan. In de laatste weken van de winter is dat weer toegestaan met uitzondering van de ganzenrustgebieden. In die periode, voorafgaand aan de voorjaarstrek zijn de ganzenrustgebieden extra belangrijk. Door energieopwekking via wind kan een verstoring optreden van het ganzenrustgebied, waardoor deze niet meer als zodanig functioneert.
Ganzenrustgebieden Nr. 090
Indieners Particulier
Weidevogelkerngebieden en duurzame energie Nr. 001 063 149 156
Indieners Gezamenlijke collectieven voor Agrarisch Natuurbeheer in Utrecht Stichting Behoud Veenweidegebied Kockengen Samenwerkende Utrechtse natuur- en milieuorganisaties Particulier
Samenvatting zienswijze Het gaat (inter)nationaal erg slecht met de weidevogels. Gevraagd wordt om vanwege het belang van weidevogelstand, ruimtelijke aspecten (openheid & rust) daarvoor en de Europeesrechtelijke verplichtingen: 1. Brongebieden uit te sluiten en voor overige weidevogelkerngebieden windturbines en zonneweiden alleen toe te staan wanneer een verbetering kan worden aangetoond. In Utrecht zijn er belangrijke brongebieden. In de overige weidevogelkerngebieden zou het ‘nee tenzij’ principe gehanteerd moeten worden. Deze gebieden worden uitgesloten, tenzij er een initiatief wordt ontwikkeld waarmee aantoonbaar en op voorhand wordt bijgedragen aan de verbetering van de weidevogelpopulatie in dat gebied (149). 2. Weidevogelkerngebieden uit te sluiten vanwege de overlevingskansen van weidevogels (001, 063, 156) 3. Gebieden nabij weidevogelkerngebieden en in weidevogelrandzones uit te sluiten (001, 063).
Reactie en eventuele aanpassing De noodzaak tot bescherming van de weidevogels én ruimte voor duurzame energie zijn beide evidente opgaven. Duurzame energie is een nieuwe grote ruimtevrager. Het is belangrijk dat er ruimte is voor de realisatie van de duurzame energiebronnen. Daarom worden beperkt gebieden uitgesloten voor windturbines en zonnevelden, namelijk de Natura-2000 gebieden en ganzenrustgebieden. De Wnb-bescherming is ontoereikend m.b.t. weidevogels, daarom is in de Interimverordening aanvullende planologische bescherming opgenomen via gebiedsspecifieke voorwaarden in artikel 6.12. Bovendien geldt de natuurwetgeving. Er zijn overigens grote verschillen in kwaliteiten m.b.t. weidevogelkerngebieden. In brongebieden zal realisatie van duurzame energiebronnen met toepassing van artikel 6.12 lastig worden, omdat hier hoge eisen worden gesteld aan de compenserende maatregelen ten behoeve van het minimaal behouden van de kwaliteit van het leefgebied voor weidevogels bij realisatie van de duurzame energiebronnen.
87
Gebiedsspecifieke voorwaarden weidevogelkerngebieden Nr. 001 039 052 146
Indieners Gezamenlijke collectieven voor Agrarisch Natuurbeheer in Utrecht Nederlandse WindEnergie Associatie Gemeente Utrechtse Heuvelrug Utrechtse energiecoöperaties
Samenvatting zienswijze 1. De kwalitatieve benadering waarmee zonnepaneelvelden of windturbines binnen weidevogelkerngebieden mogelijk zijn onder voorwaarde dat deze ontwikkeling voorziet in een aantoonbare verbetering van het leefgebied van de weidevogels wordt ondersteund (052). 2. Kan worden toegelicht op welke manier een aantoonbare verbetering van het leefgebied van de weidevogels moet plaatsvinden (artikel 6.12)? Bijvoorbeeld door: stimuleren van agrarisch natuurbeheer, extensiveren van het maaibeleid, meer variatie kruidenrijke planten, aanleggen van plassen, foerageergebied voor weidevogels, natuurvriendelijke oevers en microreliëf, het voorkomen van predatie, vernatten van gebieden en natuurwind/natuurzon – concepten waarbij de initiatiefnemer geld reserveert voor weidevogels (039, 146). 3. Weidevogels hebben een aanvliegroute en zoeken naar een ruimtelijk open landschap. Is er tussen twee percelen met zonnepanelen dan nog voldoende rust en openheid om zich te vestigen? Hoewel er weinig bekend is over het effect van zonnepanelen op het gedrag van weidevogels, is wel duidelijk dat openheid een belangrijke factor is (001). 4. Voorstander dat weidevogels goed beschermd worden en daar waar dat kan hun leefgebieden verbeterd wordt.
Indien er een windmolen of zonneveld in een weidevogelgebied gebouwd zou worden, dan is medewerking van grondeigenaren en maatregelen te kunnen treffen. Hoe wordt dit georganiseerd en bij wie ligt de verantwoordelijkheid (146)?
Reactie en eventuele aanpassing 1. Geconstateerd is dat de tekst in de leden 1 en 2 van artikel 6.12 : “Aantoonbare verbetering van het leefgebied van de weidevogels’ onbedoeld een verzwaring van het huidige regime met zich meebrengt. In artikel. 6.12 van de interim verordening wordt de tekst van de leden 1 en 2 aangepast. “… aantoonbare verbetering van het leefgebied van de weidevogels.” wordt veranderd in: “…aantoonbaar per saldo minimaal behoud van de kwaliteit van het leefgebied van de weidevogels". 2. Mogelijk is het nodig een Handreiking op te stellen waarin aan de orde komt hoe aantoonbaar per saldo de kwaliteit van het leefgebied minimaal behouden wordt. Voor de weidevogelkerngebieden zijn gebiedsspecifieke voorwaarden opgenomen, zie ook artikel 6.12 Omgevingsverordening. Daarnaast moet voldaan worden ook de natuurwetgeving. De provincie voert overigens onderzoek uit naar de vliegroutes voor vogels in relatie tot windturbines. 3. De initiatiefnemer zal moeten aantonen hoe per saldo de kwaliteit van het leefgebied minimaal behouden wordt. In de toelichting worden de relevante factoren genoemd. Daarnaast gelden de bepalingen uit de Wet Natuurbescherming voor soorten en gebiedenbescherming. Aanpassing: zie de teksten bij de Interimverordening.
Betrokkenheid stakeholders en omwonenden Nr. 050 059 074 149 177
Indieners U10 gemeenten Stichting Duurzaam Woudenberg Vereniging Natuur en Milieu, IVNafdeling Wijk bij Duurstede, Werkgroep groenberaad Samenwerkende Utrechtse natuur- en milieuorganisaties Particulier
Samenvatting zienswijze 1. Gepleit wordt voor voldoende (óók financiële) participatie van omwonenden en stakeholders. Met betrekking tot participatie schiet de Ontwerp Omgevingsvisie te kort (149). 2. Lokale overheden dienen de bewoners en de stakeholders te betrekken bij de plannen op het gebied van wind- en zonne-energie. Deze dienen steeds te participeren in de ontwikkeling van plannen (059). 3. Participatie en inspraak van omwonenden / stakeholders van zonnevelden is onvoldoende geregeld. Het gaat niet alleen om ‘hoe’, ook om ‘waaraan’ moet de inspraak en participatie minimaal voldoen (074). 4. Opgeroepen wordt om in het kader van de POVI de mogelijkheid te bieden voor maatwerk om burgerinitiatieven te faciliteren en uitkomsten van participatietrajecten met inwoners in de regionale en lokale energiestrategie te respecteren (050). 5. In de gemeentelijke en provinciale communicatie wordt de open blik op alternatieven die het landschap en de leefomgeving niet sterk of extra beschadigen gemist (177).
Reactie en eventuele aanpassing De betrokkenheid van stakeholders en omwonenden is belangrijk, zoals ook opgenomen is in de Omgevingsvisie. In de Verordening is bovendien hiertoe opgenomen: ‘een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming betrokken zijn’ (art 5.4 en 5.5). RES-regio’s en gemeenten hebben aangegeven de betrokkenheid zelf te kunnen regelen, zodat met maatwerk gekeken kan worden naar de beste invulling. Gemeenten hebben een belangrijke plek in het aangeven van beoogde locaties en het participatieproces hiertoe. Onze betrokkenheid wordt verder ingevuld in het Programma Energietransitie, zoals via (financiële) ondersteuning van coöperaties, en het ondersteunen van gemeenten bij participatieprocessen. En specifiek: Ad 3. Gemeenten hebben aangegeven dit zelf te kunnen organiseren, als vergunningverlenende instantie. Gemeenten kunnen ondersteuning vragen bij het opstellen van deze kaders. Ad 4. Met de Omgevingsvisie wordt zoveel mogelijk planologische ruimte geboden, maar ook provinciale belangen beschermd. Ook burgerinitiatieven kunnen hierin gefaciliteerd worden, mits deze provinciale belangen niet schaden. Ad 5. Goede betrokkenheid van stakeholders en omwonenden is van belang.
88
Betrokkenheid specifieke organisaties Nr. 001 039 064 124
Indieners Gezamenlijke collectieven voor Agrarisch Natuurbeheer in Utrecht Nederlandse WindEnergie Associatie TenneT TSO B.V VNO-NCW Midden en MKB-Nederland Midden
Samenvatting zienswijze 1. De agrarische collectieven willen graag betrokken worden bij de zorgvuldige afweging tussen de diverse belangen in gebieden. Het kiezen van de juiste gebieden is maatwerk (001). 2. De Nederlandse WindEnergie Associatie biedt aan om haar ervaring en kennis bij het verkrijgen van lokaal draagvlak te delen (039). 3. TenneT verzoekt om betrokken te worden (blijven) bij de doelen met betrekking tot de energietransitie. De provincie voert samen met partners een systeemstudie energie-infrastructuur uit. Hierdoor is de provincie in staat om het ruimtegebruik voor de energietransitie goed af te stemmen met ontwikkelingen. TenneT zou graag hieraan deelnemen of op de hoogte worden gehouden (064). 4. Van belang is om bij de verdere ontwikkeling van de RES’en het bedrijfsleven aan te haken. Op bedrijfsterreinniveau verdient een verdere uitrol van de verschillende energie-activiteiten de inzet, aandacht en ondersteuning van alle betrokken partijen (124).
Reactie en eventuele aanpassing 1. T.a.v. participatie is opgenomen: omwonenden, naburige grondeigenaren en grondgebruikers te betrekken in een gebiedsproces. Deze zin wordt aangepast om geen specifieke groepen te benoemen. 2. Dank. Hier maakt de provincie graag gebruik van. 3. De provincie heeft een regierol in de regionale energie-infrastructuur en werkt hiertoe in nauw overleg met de netbeheerders. Tennet wordt ook bij een systeemstudie betrokken. 4. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de participatie; naast particulieren kunnen zij ook bedrijven betrekken. In de regio Foodvalley nemen vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zitting in het regionaal Stakeholderoverleg.
Samenvatting zienswijze Gepleit wordt voor voldoende financiële participatie van omwonenden en stakeholders (149). Het is belangrijk om op niet al te lange termijn concrete invulling aan te geven aan de ambitie dat de omgeving financieel moet kunnen meeprofiteren van de opbrengsten van windturbines en zonnevelden, zodat voor iedereen helder wordt op welke manier hiermee kan worden omgegaan (036, 046). Gewenste aanpassing in de Omgevingsvisie: Nadrukkelijk opnemen dat participatie een vereiste is bij wind- en zonne-energie projecten. Onderdeel van die verplichting is een minimum percentage van 50% voor financiële participatie (149). Gevraagd wordt om de bepalingen over financiële participatie in de Verordening over te nemen in artikel 5.5 waarbij maatwerk per project wordt geboden en gestreefd wordt naar 50% lokaal eigendom in overeenstemming met het Klimaatakkoord (060, 098, 149). Indien er ergens windturbines of (onverhoopt toch) zonnevelden worden beoogd, is het verzoek om een participatiedoelstelling van 50% lokaal eigendom wettelijk te verankeren. Op deze manier blijven inwoners van de provincie Utrecht deels eigenaar en verdwijnen eventuele winsten niet (volledig) (081).
Reactie en eventuele aanpassing In de visie is opgenomen dat de provincie vindt dat de omgeving financieel moet kunnen meeprofiteren van de opbrengsten van de windturbines vanaf 3 megawatt (MW) en van de zonnevelden en dat de omgeving moet worden betrokken. Aanvullend wordt een zin opgenomen over het streven om minimaal 50% lokaal eigendom te bewerkstelligen. Via bepalingen in de Verordening opleggen van 50% lokale financiële participatie zou projecten kunnen blokkeren die ruimtelijk en maatschappelijk wel aanvaardbaar zijn, maar waar geen lokale mede-investeerders bereid zijn. Daarnaast is het afdwingen van bepaalde eigendomsverhoudingen geen ruimtelijk relevant aspect en om die reden niet als zodanig mogelijk. Dit neemt niet weg dat de inzet is op het bereiken van (50%) lokale deelname. In de Verordening is opgenomen dat in het ruimtelijk plan een beschrijving moet komen hoe omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken. De toelichting op de verordening wordt aangevuld met een zin over het streven om minimaal 50% lokaal eigendom te bewerkstelligen. RES-regio’s en gemeenten hebben overigens aangegeven zelf de betrokkenheid van stakeholders en omwonenden te kunnen regelen, zodat met maatwerk gekeken kan worden naar de beste invulling.
Samen met gemeenten en waterbeheerders zoekt de provincie naar mogelijkheden om meer invulling te geven aan participatie-vereisten. Via het Programma Energietransitie wordt ondersteuning aan coöperaties en gemeenten geboden.
Aanpassing Toevoegen: Wij vinden het belangrijk om bij een zorgvuldige locatiekeuze de omgeving te betrekken in een gebiedsproces.
Financiële participatie Nr. 036 046 060 081 098 149
Indieners Gemeente Oudewater Gemeente Woerden TPSolar, Solarfields en GroenLeven LTO Noord, Hollands Agrarisch Jongeren Kontakt, Nederlandse Fruittelers Organisatie en Glastuinbouw Nederland Stichting Milieuzorg Zeist e.o. Samenwerkende Utrechtse natuur- en milieuorganisaties
Aanpassing tekst visie, toevoegen: We streven er naar om minimaal 50% lokaal eigendom te bewerkstelligen.
89
Twee paarsgekleurde kaarten Nr. 093 156
Indieners Stichting Vrienden Soester Eng Particulier
Samenvatting zienswijze Verzocht wordt om de volgende gebieden op de kaarten van bladzijde 80 als niet tot matig geschikt op te nemen: 1. De Soester Eng als niet tot matig geschikt te benoemen. De geschiktheid is in tegenstrijd met de toegekende en te beschermen aardkundige waarde, waarde als agrarisch cultuur landschap en recreatieve waarde. Daarnaast zal de recent ingezette ontwikkeling naar duurzame en natuurinclusieve landbouw op de Soester Eng concurrentie ondervinden van een nieuwe ruimtelijke claim vanuit de energiesector (093). 2. Het open landschap ten noorden en oosten van de Soester Eng langs de spoorlijn Amersfoort-Amsterdam voor windenergie (093) 3. Het gebied nabij Nieuwer ter Aa: energie-opwekkers passen hier niet (156).
Reactie en eventuele aanpassing De kaart betreft een toelichting op hetgeen zou resulteren na toepassing van de Verordening. De kaart wijst geen gebieden aan. Bij de uitwerking en bepalen van uiteindelijke zoekgebieden dienen andere belangen zoals opgenomen in de Verordening te worden meegenomen. Gemeenten kunnen lokaal afwegen waar ze de energiebehoefte binnen de provinciale kaders een plek geven.
Impact duurzame energie op omgeving Nr. 086
Indieners Particulier
Samenvatting zienswijze Zonne- en windparken zijn geen oplossing en versterken de onrust onder omwonenden.
Reactie en eventuele aanpassing Bij de omschakeling naar duurzame energie is sprake van een transitie, een veranderend systeem. Wind- en zonne-energie dragen hier op dit moment het meeste aan bij en dragen voor nu bij aan de oplossing. De balans tussen energie-transitie en andere belangen heeft zijn weerslag in wettelijke afspraken hierover, zoals in het Activiteitenbesluit. Zo is er in dit besluit bijvoorbeeld een strengere norm voor windturbines dan voor wegverkeer en is een aparte norm opgenomen voor geluidsproductie van windturbines in de nacht. Bij de uitwerking van locaties is overleg met omwonenden nodig. Veel energie-initiatieven komen overigens van lokale energiecoöperaties van inwoners.
Samenvatting zienswijze Windturbines vormen een ernstig gezondheidsrisico voor mensen. De Wereld Gezondheidsorganisatie WHO rapporteerde in 2018 het effect van geluid op gezondheid en bestempelde opnieuw omgevingsgeluid als een belangrijk gezondheidsrisico. In Nederland wordt een afstand van 400 meter aangehouden en met eventueel mitigerende maatregelen voldoen ze dan aan wet- en regelgeving voor geluid en slagschaduw. De windturbines worden steeds hoger maar de geldende normen zijn daar niet op aangepast. Nederland hanteert bovendien de soepelste geluidsnormen in Europa. De huidige normen sluiten overlast door windparken niet uit, zie bijv. Houten. Diverse praktijkonderzoeken wijzen uit dat de contouren van het geluid in de praktijk verder reiken dan berekend en de overlast is dus groter. Een zorgvuldige besluitvorming waarbij het belang van burgers zwaarder weegt dan het algemeen belang behoort tot de verantwoordelijkheid van de provincie, zoals ook naast het Verdrag van Aarhus verwoord is in de Grondwet (086). Windmolens in groot of klein formaat zorgen voor veel overlast voor zowel mens als dier, er zijn hiervan genoeg voorbeelden op te noemen bij andere gemeente die windmolens hebben staan (176).
Reactie en eventuele aanpassing De energie-transitie betekent een toevoeging van nieuwe activiteiten, waaronder windturbines. Dit kan niet onmerkbaar plaatsvinden. De balans tussen energietransitie en andere belangen heeft zijn weerslag in wettelijke afspraken hierover, zoals in het Activiteitenbesluit en Wet natuurbescherming. Zo is er in dit besluit bijvoorbeeld een strengere norm voor windturbines dan voor wegverkeer en is een aparte norm opgenomen voor geluidsproductie van windturbines in de nacht. Wij zijn van mening dat het voorzorgprincipe op basis van de huidige wetgeving en procedures goed geborgd is. De besluitvorming in Nederland, waaronder toepassing Activiteitenbesluit en de planMER, voldoet aan het gestelde in Verdrag van Aarhus. Gemeenten kunnen overigens lokaal afwegen waar ze de energiebehoefte binnen de provinciale kaders een plek geven. Mochten nieuwe inzichten uit lopende onderzoeken over effecten van windturbines leiden tot andere wettelijke afspraken, dan zal de provincie die uiteraard implementeren.
Overlast windturbines Nr. 086 176
Indieners Twee particulieren
90
Vermogen en ashoogte windturbines Nr. 112 114 175 177
Indieners Particulier Vereniging voor Dorp en Natuur Amerongen – Leersum Twee particulieren
Samenvatting zienswijze 1. Geadviseerd wordt om geen technische specificaties op de nemen en die te vervangen door strakke ruimtelijke eisen. Dus niet: minimaal 3MW maar wel: maximaal 150 meter hoog. De ervaring leert immers dat de technische specificaties door innovatie zeer snel veranderen. Daarnaast kunnen wel extra uitvoeringseisen worden opgenomen zoals de kleur van de turbinebladen i.v.m. het voorkomen schade aan de vogelstand (112). 2. Het vervangen van oude windturbines met een lage opbrengst door moderne windturbines met een hoge opbrengst is wenselijk. Zo ontstaat er in ieder geval geen nieuwe aanwas (175, 177). 3. De molens zijn rendabeler bij meer en vaker wind en kunnen dus beter in het westelijk deel van de provincie geplaatst worden dan verspreid door de hele provincie (114).
Reactie en eventuele aanpassing 1. De 3 MW is opgenomen om er zeker van te zijn dat de turbine gezien haar impact op de omgeving ook daadwerkelijk bijdraagt aan de opgave in de energietransitie. 3 MW zal op grond van nieuwste technieken mogelijk een lage waarde blijken. Hogere maten stellen kan echter de mogelijkheden beperken, bijvoorbeeld bij innovaties die leiden tot 4 MW op 60 meter. 2. Dit aspect maakt inderdaad onderdeel uit van de analyse naar geschikte locaties. 3. Er is verschil tussen de gemiddelde windsnelheden in oost en west, maar dit is beperkt. Ook aan de oostzijde zijn rendabele windturbines te plaatsen. Teneinde aan de opgave te kunnen voldoen is het nodig om opties in de hele provincie te onderzoeken.
Samenvatting zienswijze 1. Waarom is niet de meer gangbare ashoogte van 15 meter gehanteerd (063)? Gevraagd wordt om kleinschalige windturbines (lees: boerderijmolens, kleine windmolens) met een ashoogte van maximaal 35 meter mogelijk te maken. Een windturbine van 35 meter zorgt voor het energieneutraal maken van een agrarische onderneming en legt weinig beslag op de beschikbare netcapaciteit. De eventueel extra opgewekte stroom kan terug geleverd worden aan het net (081, 155, 160). 2. Er zouden voorwaarden moeten worden gesteld aan locatie en uitvoering; bijvoorbeeld ten aanzien van het materiaalgebruik, zoals voorgeschreven voor molens in de provincie Groningen, waar hout voor wieken en windvaan wordt gebruikt (063). 3. Plaatsing bij niet-agrarische of slechts semi-agrarische gebouwen en woningen is ongewenst (063).
Reactie en eventuele aanpassing 1. Er is zowel belangstelling voor het beperken van deze hoogte vanwege impact als het vergroten van deze hoogte vanwege opbrengst. De generieke maat van 20 meter is een aanvaardbaar maximum teneinde de impact op de omgeving te beperken. Lokaal kan een gemeente altijd besluiten vanwege de lokale waarden het maximum te beperken tot 15 meter. 2. De inzet is primair gericht op windturbines met maatschappelijk rendement versus particulier rendement. Kleine windturbines worden beperkt in hoogte i.v.m. impact op de omgeving. Indien lokale waarden een specifieke uitvoering vragen is het gemeenten vrij hier nadere eisen aan te stellen. 3. De bepalingen omtrent de kleine windturbines zijn gericht op het beperken van de impact op de omgeving versus het maatschappelijk nut ervan. Plaatsing bij bouwperceel beperkt de impact op de omgeving ten opzichte van solitaire plaatsing in het veld. De aard van de werkzaamheden in het gebouw doen hier niet aan af. Voor de energietransitie is het goed als ook niet-agrarische functies zich voorzien van duurzame energie.
Kleine windmolens Nr. 063 081 155 160
Indieners Stichting Behoud Veenweidegebied Kockengen LTO Noord, Hollands Agrarisch Jongeren Kontakt, Nederlandse Fruittelers Organisatie en Glastuinbouw Nederland Particulier Firma P. Rodenburg
Solitaire windturbines/clustering Nr. 044 052 063 072 077 106 114 116
Indieners Particulier Gemeente Utrechtse Heuvelrug Stichting Behoud Veenweidegebied Kockengen Vechtplassencommi ssie
Samenvatting zienswijze 1. De in art 5.4 opgenomen formulering ‘in een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines’ wordt ondersteund (052). Een voorkeurspositie voor clustering van windturbines wordt toegejuicht. Hetzelfde geldt voor het ontmoedigen van solitaire plaatsing van energieinfrastructuur (072, 077). 2. Onderschrijft niet de voorkeur voor een ruimtelijk samenhangend geheel van meerdere kleinere windturbines boven solitaire plaatsing. Een solitaire plaatsing (vlak)bij een boerderij werkt minder verstorend, waarbij bij
Reactie en eventuele aanpassing 1. Dank voor de ondersteuning. 2. Kleine windturbines kunnen solitair geplaatst worden. De bepaling over samenhangend geheel van meerdere turbines heeft betrekking op het bepaalde over turbines vanaf 3 MW. 3. Solitaire windturbines (vanaf 3 MW) zijn niet wenselijk. Het kan echter zo zijn dat lokale omstandigheden geen andere mogelijkheid bieden. Dit moet dan wel worden aangetoond.
91
Natuur- en milieuvereniging De Groene Venen Vereniging Vrij Polderland Vereniging voor Dorp en Natuur Amerongen – Leersum Stichting Beter Zeist
3. 4.
5.
voorkeur de ashoogte maximaal 15 meter is. Juist een niet-solitaire plaatsing is vanuit het oogpunt van (openheid van) het veenweidelandschap ongewenst (063). Gepleit wordt om nadrukkelijker vast te leggen dat solitaire (groepjes) windturbines niet toelaatbaar zijn (044, 114). De voorkeur voor concentratie van duurzame energiebronnen wordt ondersteund. Om snelheid te maken is het nodig alvast (op kaart) enkele clusters aan te wijzen waar grootschalige windturbines kunnen komen. Versnippering van windturbines over het mooie Utrechtse landschap moet vermeden worden. Het is een provincie onwaardig om dat achterwege te laten onder het motto (p. 78) van "wij accepteren dat vanwege de omvang van de opgave onze voorkeuren niet overal gevolgd kunnen worden". Als provincie bent u gehouden aan het Europees Landschapsverdrag, dat u verplicht tot bescherming van het cultuurhistorisch landschap. Vrijgave van vrijwel de hele provincie voor opwekking van windenergie is in het licht van dit verdrag niet te verdedigen. Met clustering wordt de rest van het landschap veiliggesteld. (044, 106, 114, 116). ‘Een solitaire turbine is alleen mogelijk als onderbouwd kan worden dat meerdere windturbines niet mogelijk zijn en dat de energieopbrengst opweegt tegen de impact die een solitaire turbine heeft op de omgeving’. Dit laatste standpunt is te gemakkelijk.
Feitelijk rendement bij plaatsing één of enkele windturbines is uiteraard lager dan wanneer voor groter aantal wordt gekozen. Bij goed beheer kan hoger rendement worden geïnvesteerd in andere duurzame projecten (116).
4.
5.
De energie-opgave is groot. Deze wordt in samenwerking met onder andere de gemeenten in de Regionale Energie Strategieën ingevuld. De Verordening geeft aan waar vanuit ruimtelijk oogpunt geen tot beperkte kansen zijn. Deze beperkingen worden met name ingegeven vanuit andere beleidsdoelen. Een andere benadering, op voorhand een selectie van clustergebieden aanwijzen, gaat mogelijk voorbij aan uitkomsten uit de gemeentelijke dialogen met de omgeving en initiatieven. Dit neemt niet weg dat ieder initiatief getoetst moet worden aan de overige bepalingen in de Verordening en landelijke wetgeving. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat afwegingen ten aanzien van gebieden en locaties worden gemaakt in de RES. Voorts wordt opgemerkt dat overheden kaders stellen, maar dat de realisatie van duurzame energieprojecten een commerciële activiteit, waarbij initiatiefnemers zelf de afweging maken of en hoe zij een project willen en kunnen realiseren. Daarbij speelt ook een aansluitbaarheid op het elektriciteitsnetwerk en de daarmee samenhangende kosten een rol. Indien gemeenten in de RES’en gezamenlijk tot onvoldoende locaties komen kan de provincie overwegen om zelf een selectie van de meest geschikte locaties te maken of in beeld te brengen.
Conform het Europees Landschapsverdrag beschermt de provincie landschappen, en zijn hiertoe in de Verordening bepalingen voor opgenomen, zowel in 7 (Cultuurhistorie en landschappen), als 5 (Energie). Het landschap is echter niet statisch. Het landschap zal door transities veranderen, o.a. vanwege duurzame energie, verstedelijking, transities in de landbouw, klimaatadaptatie en recreatiebehoefte. Door de landschappelijke structuren te respecteren kan er een nieuwe laag in het verhaal van het landschap worden toegevoegd. Vanuit ruimtelijke overwegingen, verrommeling, hebben solitaire turbines niet de voorkeur. Het kan echter zijn dat omwille van andere beleidsdoelen een groter aantal niet mogelijk is, terwijl er naast het bepaalde over deze voorkeur er verder geen redenen zijn om de solitaire te weigeren. Dan speelt de afweging tussen dan maar solitair of helemaal geen. Dit moet ruimtelijk worden beargumenteerd.
Voorkeursvolgorde zon: volgtijdelijkheid Nr. 060 063 095 149
Indieners TPSolar, Solarfields en GroenLeven Stichting Behoud Veenweidegebied Kockengen, Stichting Groene Hart Samenwerkende Utrechtse natuur- en milieuorganisaties
Samenvatting zienswijze Gepleit wordt voor het hanteren van een (conditionele) volgtijdelijkheid. Dit garandeert voortdurende druk op optimale realisatie binnen iedere fase. Bovendien zal in de praktijk de landschappelijk minst gunstige optie onterecht de meest gemakkelijke, meest goedkope en daarmee meest gekozen optie worden (063, 095). De toepassing van de niet-volgtijdelijke zonneladder wordt ondersteund. Op die manier blijft zo veel mogelijk landbouwgrond in gebruik voor voedselproductie, maar wordt tegelijkertijd in de aangegeven volgordelijkheid een mogelijkheid geboden voor de verwezenlijking van uw doelstellingen op het gebied van duurzame energie (060, 149).
Reactie en eventuele aanpassing Er is een voorkeursvolgorde opgenomen, die geen volgtijdelijkheid inhoudt. Er zijn zonnevelden nodig om de ambities te halen. Daarom is er geen volgtijdelijke zonneladder opgenomen. In het programma energietransitie is uitgewerkt hoe ook op andere locaties meer zonne-energie opgewekt kan worden.
92
Zon op dak, gevel en infrastructurele werken Nr. 081 106 108 124 136 155 156 160 161 167 175 176 177
Indieners LTO Noord e.a., Vereniging Vrij Polderland Maatschap Zagt VNO-NCW Midden en MKB-Nederland Midden Federatie Groene Heuvelrug Twee particulieren Firma P. Rodenburg Particulier Stichting Behoud de Eemvallei Drie particulieren
Samenvatting zienswijze 1. Terecht wordt de voorkeur gegeven voor (de meestal relatief dure) plaatsing van zonnepanelen op daken (waaronder stallen op ander grote opstallen), gevels en infrastructurele werken boven veldopstellingen omdat zonnepanelen op deze plekken doorgaans minder invloed hebben op de kenmerken of identiteit van een gebied. En vanwege behoud van agrarische gronden (081, 106, 108, 136, 148, 155, 156, 160, 161, 167, 175, 176, 177). 2. Met stimulerende maatregelen zou het vol leggen van de agrarische daken mogelijk moeten zijn (156). Voor bedrijventerreinen zijn er zon-op-dakregelingen (124). 3. Dit kan ook door middel van dwang. 4. Hiervoor is een netwerk nodig die dat mogelijk maakt. Stroom kan nu veelal niet geleverd worden aan het net, omdat de kabels en transformatorhuisjes dat niet toelaten (155).
Reactie en eventuele aanpassing 1. Er is inderdaad de voorkeur opgenomen dat zonnepanelen zoveel mogelijk op daken, etc. geplaatst worden, maar daarmee zal niet voorkomen kunnen worden dat veldopstellingen nodig zijn om in de (toekomstige) energievraag te voorzien. 2. De provincie faciliteert agrarisch ondernemers door het aanbieden van daken-scans en het stimuleren om als ondernemers gezamenlijk met de netbeheerder eventueel noodzakelijke netaanpassingen efficiënt aan te pakken. Het blijft uiteindelijk de beslissing van de ondernemer zelf of hij zijn daken vol legt met zonnepanelen. 3. De provincie kan geen dwang uitoefenen om eigenaren van bestaand vastgoed te verplichten hun daken vol te leggen met zonnepanelen. Dit zou een onbehoorlijke inbreuk op het eigendomsrecht betekenen. 4. Door de netbeheerder wordt in het kader van de Regionale Energiestrategieën in beeld gebracht wat er gedaan moet worden om de capaciteit van het elektriciteitsnet geschikt te houden en te maken voor de toenemende hoeveelheid opgewekte energie.
Samenvatting zienswijze 1. Wat verstaat de provincie onder een lage natuurkwaliteit? Hoe zit weidevogelbeheer in deze natuurkwaliteit verweven? Weidevogels zitten tenslotte maar een paar maanden per jaar op die percelen. Het is noodzakelijk dit ten gunste van de weidevogels anders te omschrijven. 2. Zonnevelden worden mogelijk geacht “op sommige waterplassen”. Een meer terughoudend beleid wordt gevraagd jegens zonnevelden op water en op de bodem. Er is nog onvoldoende bekend over de effecten van zonnepanelen op de ecologie van zowel de bodem als het water (072, 077). 3. Denk aan het plaatsen aan zonnepanelen op stukken weiland waar geen agrarisch activiteit meer plaats vindt (176). 4. Gevraagd wordt zo weinig mogelijk aan de Verordening en Omgevingsvisie te veranderen daar de opgenomen bepalingen zeer werkbare uitgangspunten bevatten voor de realisatie van de duurzaamheidsdoelstellingen met zonne-energie (060). 5. Gevraagd wordt zonnepanelen dusdanig in het landschap in te passen dat dit voor omwonenden nog steeds voelt als wonen in het groene hart i.p.v. wonen op een zonne-energie complex (175). 6. De opgaven rond droogte, bodemdaling, stikstof, versterking biodiversiteit leggen in Groene Hart een claim op meer agrarische (natuur)grond (095). 7.
De voorkeur voor realisatie van zonnevelden langs stad- en dorpsranden wordt gedeeld, maar aandacht wordt daarbij gevraagd voor mogelijkheden voor verduurzaming van de bedrijfsvoering van de agrarische sector door hier maatwerk te leveren. In dit verband wordt aandacht gevraagd voor cultureel erfgoed (050).
Reactie en eventuele aanpassing 1. Lage natuurkwaliteit = gronden waar relatief minder ecologische waarden aanwezig zijn. Voor de weidevogelkerngebieden zijn gebiedsspecifieke voorwaarden opgenomen, zie ook artikel 6.12 Omgevingsverordening. 2. Zonnepanelen op water zijn een van de mogelijkheden, als ecologie en effect op waterkwaliteit dit toestaat. Naar deze aspecten wordt landelijk steeds meer onderzoek gedaan. 3. Dit is inderdaad een mogelijkheid voor zonne-energie. Echter is het nog wel aan de eigenaar van het perceel om te kiezen voor zonne-energie. 4. Fijn dat u de visie en verordening ondersteunt. 5. Landschappelijke inpassing is een van de voorwaarden voor het realiseren van zonnevelden. Dit is geregeld via de verordening. 6. Inzet is om te kiezen voor de minder rendabele landbouwgronden voor zonnepanelen. 7. In de voorkeursvolgorde zon in de visie en verordening staan stads- en dorpsranden niet expliciet. In 2021 start de provincie met de inzet van plattelandscoaches, die agrarische ondernemers kunnen ondersteunen bij het maken van hun beslissingen om zich klaar te maken voor de toekomst van hun onderneming. Door de Rijksdienst voor cultureel erfgoed zijn diverse publicaties gemaakt die eigenaren / beheerders van cultureel erfgoed kunnen helpen bij het maken van keuzes in de verduurzaming van hun erfgoed.
Overige zonneladder Nr. 001 050 060 072 077 095 175 176
Indieners Gezamenlijke collectieven voor Agrarisch Natuurbeheer in Utrecht U10 gemeenten TPSolar, Solarfields en GroenLeven Vechtplassencommi ssie Natuur- en milieuvereniging De Groene Venen Stichting Groene Hart Twee particulieren
93
Rol provincie voorkeursvolgorde zonnevelden Nr. 106 108 124 148 160 161 167
Indieners Vereniging Vrij Polderland Maatschap Zagt VNO-NCW Midden en MKB-Nederland Midden Particulier Firma P. Rodenburg Particulier Stichting Behoud de Eemvallei
Samenvatting zienswijze 1. Voorgesteld wordt om zonnepanelen aan te leggen boven infrastructuur (167). Het vereist centrale regie van het Rijk en de provincie om zonoverkappingen grootschalig aan te leggen boven bestaande infrastructuur in plaats van zonnevelden op landbouw of natuurgronden. Er is maar liefst ca. 1500 ha beschikbaar is in de provincie Utrecht boven grote opslag/ parkeerterreinen en weg, spoor en waterwegen (106). 2. Geadviseerd wordt om een meer proactieve houding in te nemen en te starten met het actief benaderen van (agrarisch)ondernemers en ze te helpen (financieel en ondersteunend) met het aanleggen van zonnepanelen op hun dak. Veel ondernemers willen meewerken, maar de grote investeringen en de rompslomp houdt velen houdt (108, 148, 160, 161). 3. De provincie zou garant kunnen staan voor de risico’s op de nog onbekende effecten van bijvoorbeeld vervuilingsrisico’s en het aan het eind van hun levensduur verwijdering van zonnepanelen. De risico’s van ambities van de provincie hoeven niet alleen door ondernemers gedragen te worden. (108, 148, 160, 161). 4. Om succesvol te kunnen schakelen op en met bedrijventerreinen helpt het ook dat het organiserende vermogen op de terreinen wordt ondersteund dan wel wordt opgezet. Faciliteer daarom de samenwerking op de verschillende bedrijventerreinen, bijvoorbeeld via parkmanagement.
Deze ondersteuning is en wordt van groot belang om de gewenste versnelling te realiseren op het gebied van bv. mobiliteits-, energie- en circulaire projecten (124).
Reactie en eventuele aanpassing 1. Als provincie Utrecht zijn we inderdaad ook aan het zoeken naar mogelijke functiecombinaties met onder andere infrastructuur. Zo experimenteren we met zonnepanelen in het fietspad, hebben we een applicatie beschikbaar gesteld om zonnepanelen boven parkeerplaatsen te realiseren en zijn we aan het kijken of bijvoorbeeld fietspaden overkapt kunnen worden. Hier wordt via het programma energietransitie 2020 -2025 aan gewerkt. 2. In 2019 en 2020 heeft de provincie, samen met vier gemeenten in de Kromme Rijnstreek, vier energiecoöperaties en netbeheerder Stedin, eigenaren van grote daken in het landelijk gebied actief benaderd om hen te adviseren en te ondersteunen bij het maken van de keuzen om hun bedrijfsdaken te benutten voor het opwekken van zonne-energie (New Grid on the Block). Begin 2021 start de provincie met de inzet van plattelandscoaches in de gehele provincie die agrarische ondernemers hierbij kunnen ondersteunen. 3. Ontwikkelaars en leveranciers van zonnestroominstallaties moeten te allen tijde voldoen aan geldende milieueisen. De installatiebranche is al enkele jaren actief met het inzamelen en recyclen van oude zonnepanelen.
Of ondernemers de ambitie van de provincie delen en de beslissing maken om te investeren in zonnepanelen is aan hen zelf waarbij er een integrale afweging gemaakt kan worden tussen technische-, financiële-, milieu- en duurzaamheidsaspecten. 4. Hier wordt door de provincie steeds meer op ingezet. Er zijn onder andere subsidies beschikbaar om in collectiviteit te verduurzamen. Dit proberen we via gemeenten en bedrijventerreinen onder de aandacht te brengen. Ook binnen RES’en wordt hier aan gewerkt.
Zonnevelden op agrarische grond Nr. 001 081 121 155
Indieners Gezamenlijke collectieven voor Agrarisch Natuurbeheer in Utrecht LTO Noord, Hollands Agrarisch Jongeren Kontakt, Nederlandse Fruittelers Organisatie en Glastuinbouw Nederland Twee particulieren
Samenvatting zienswijze Grond moet zoveel mogelijk behouden blijven voor duurzame voedselproductie en niet voor zonnevelden (001, 081, 121). Behoud van agrarische gronden is van belang, gezien de ruimtelijke uitdagingen die de agrarische sector zelf ook heeft voor de toekomst, doordat zij toe zal werken naar een sector die kringlopen zoveel mogelijk weet te sluiten. Hoe kan de lokale voedselproductie worden verduurzaamd, als (jonge) boeren op de grondmarkt niet alleen moeten concurreren met woningbouw, industrie, infrastructuur en natuur, maar ook met projectontwikkelaars die azen op boerenland voor hun zonnecentrales. Al deze partijen hebben veel diepere zakken dan de boer, waardoor de provincie effectief een uitrookbeleid toepast voor voedselproductie in de provincie (155).
Reactie en eventuele aanpassing In de Omgevingsvisie is, vanwege zonnevelden op agrarische gronden, o.a. de volgende zin opgenomen: 'Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen zijn echter ook zonnevelden nodig, bij voorkeur op gronden met een andere functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, vuilnisbelten, binnenwateren, langs van spoor- en autowegen en kanalen'. Hiermee is duidelijk dat we er erop inzetten om landbouwgronden pas in het uiterste geval in te zetten voor zon. Echter, vanwege het behalen van de energie-ambities, is geen volgtijdelijkheid in de voorkeursvolgorde zon opgenomen. Bovendien is in de instructieregel Zonnevelden (artikel 5.5) opgenomen: de motivering van het bestemmingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid inzake de mogelijkheden voor kavelruil vanwege het behouden en verbeteren van de goede landbouwstructuur. Overigens sturen gemeenten via hun kaders hier al op. De inzet is verder om te kiezen voor de minder rendabele landbouwgronden.
94
Ruimte voor energie uit biomassa Nr. 053 074 086 109 112 114 149
Indieners Gemeente Rhenen Vereniging Natuur en Milieu, IVNafdeling Wijk bij Duurstede, Werkgroep groenberaad Particulier Gemeente Bunnik Particulier Vereniging voor Dorp en Natuur Amerongen – Leersum Samenwerkende Utrechtse natuur- en milieuorganisaties
Samenvatting zienswijze 1. Gevraagd wordt om biomassa uit het toepassingsbereik van duurzame energie te schrappen, of extra restricties op te nemen. Biomassa zorgt voor een kaalslag in bossen, illegale houtkap in andere delen van de wereld en vervuilend vervoer van biomassa over de wereld en een forse toename van luchtverontreiniging: meer CO2-uitstoot dan bij gebruik van gas en kolen. Bovendien kan niet van CO2-neutraal voor de provincie gesproken worden als elders vastgelegde biomassa hier verbrand wordt (086, 112, 114). 2. Vertaal de provinciale belangen daadwerkelijk naar concrete voorwaarden en eisen aan biomassa-installaties. Verzocht wordt om naast eisen aan de locatie en omvang van de installatie ook eisen te stellen aan de herkomst van materialen, namelijk dat als brandstof alleen restmateriaal wordt gebruikt dat niet op een andere manier nog hoogwaardig inzetbaar is, dat hout alleen afkomstig is uit de regio met een maximale afstand van 100 kilometer en afkomstig is uit FSC-gecertificeerde bossen en dat de herkomst van biomassa en de installatie voldoen aan het ‘Beter Biomass’ keurmerk. En eisen aan de uitstoot van fijnstof, namelijk dat de bijdrage aan de concentratie fijnstof van de installatie 0 is, de samenstelling van de rookgassen continu gemeten en gemonitord wordt en de initiatiefnemer hierover per kwartaal rapporteert (149).
Naast eisen aan de locatie en omvang van de installatie, ook eisen aan de herkomst van materialen (brandstof) en uitstoot (fijnstof) (074). Ook een opruimplicht instellen na beëindiging van de activiteit (053). 3. Verzoek om in de Omgevingsvisie op te nemen dat biomassa alleen als tussenoplossing in de energietransitie wordt toegepast totdat duurzame alternatieven haalbaar zijn (149). 4. De provincie ziet kansen voor kleinschalige bio-energie installaties op en nabij agrarische bouwpercelen. Juist deze kleinere installaties zijn veelal niet vergunningplichtig en dus is het erg lastig om aan deze installaties aanvullende (milieu-)eisen te stellen, zoals hierboven benoemd (149). 5. Voor kleinschalige bio-energie installaties worden alleen kansen gezien op of nabij agrarische bouwpercelen. Hier wordt een belangrijke groep gemist die het wel wil; de landgoedeigenaren. Die mogen op hun gebouwen geen zonnepanelen (monumenten) en de oude gebouwen zijn slecht geïsoleerd dus gebruiken veel gas èn ze hebben vaak houtige biomassa van landschapselementen en bos (109).
Reactie en eventuele aanpassing In 2020 heeft onderzoek plaatsgevonden naar de inzet van biomassa als duurzame energiebron in de provincie Utrecht (Rapport Bio-energie in de provincie Utrecht, HaskoningDHV Nederland B.V.), zoals in de Ontwerp Omgevingsvisie aangekondigd. Dit rapport is begin 2021 aangeboden aan Provinciale Staten. De zienswijzen over biomassa sluiten hier op aan. De tekst van de ontwerp-visie wordt n.a.v. de zienswijzen en de bevindingen uit het rapport aangepast. Aanvullend Ad 1. In de provincie Utrecht wordt nagenoeg geen biomassa ingezet vanuit overzeese gebieden maar betreft het regionale reststromen zoals “shreds” uit landschapsbeheer. Deze stromen kennen een relatief korte CO2-cyclus. De emissies naar lucht van moderne centrales zijn ongeveer gelijk of lager dan van conventionele aardgasgestookte ketels. Ad 2. De bedoeling is om in vervolg op het onderzoek additionele randvoorwaarden op te leggen aan (nieuwe) centrales zoals inderdaad dat er voor die locatie geen techno-economisch haalbare alternatieven zijn om de warmtevoorziening in te vullen, de biomassa gecertificeerd is en er evenmin alternatieven zijn de reststromen anderszins te verwerken. Aanvullend wordt getoetst op Best beschikbare technieken; een fijnstofemissie van 0 is vanzelfsprekend niet haalbaar maar zeer lage emissies wel.
Ook zal de provincie vanaf 2021 de biomassa-installaties gaan monitoren en handhaven indien nodig. Ad 3. Zie tekstvoorstel. Ad 4. Kleine installaties hebben weliswaar geen milieuvergunning nodig maar andere wetgeving is wel degelijk van toepassing zoals het Activiteitenbesluit en de Wet Natuurbescherming. Ook is vaak een bouwvergunning nodig. Ad 5. Dit is herkenbaar. De tekst wordt hierop aangepast. Aanpassingen: Tekst onder kopje Ruimte voor energie uit biomassa wordt aangevuld in lijn met de reacties die hiervoor gegeven zijn.
Ruimte voor energie uit bodem en water Nr. 018
Indieners Gemeente IJsselstein
122 Vereniging Nederlandse Riviergemeenten
Samenvatting zienswijze 1. Bodemenergie speelt een steeds belangrijker rol in de energietransitie. Tegelijk is er een beperking in de mogelijkheden voor bodemenergie door de grondwaterbeschermingsgebieden. Omdat de techniek steeds nieuwe mogelijkheden biedt en de inzet van bodemenergiesystemen niet altijd ten kosten hoeft te gaan van de grondwaterkwaliteit, word gevraagd om
Reactie en eventuele aanpassing 1. Bodemenergie kan inderdaad een bijdrage kan leveren aan de warmtetransitie. Momenteel zijn echter de risico’s van bodemenergie in grondwaterbeschermingszones te groot om deze toe te staan, ook als maatwerk. Enige uitzondering in de verordening is de situatie waarin een bodemenergiesysteem bijdraagt aan een sanering. De ontwikkelingen worden gevolgd en betrokken bij het evalueren van beleid en regels.
95
2.
middels maatwerk mogelijkheden te laten voor bodemenergiesystemen mits zij de kwaliteit van het grondwater niet schaden (018). Gevraagd wordt de potentie die de rivier biedt voor aquathermie mee te nemen. De stroming van de rivier biedt kansen. Ruimtelijk gezien hebben aquathermie en waterkracht bovendien in het algemeen minder impact op de omgeving dan zon en wind (122).
2.
In de Omgevingsvisie staat dat wij op een veilige en verantwoorde manier meer duurzame energie uit het bodem- en watersysteem willen gaan halen. Voor relatief nieuwe technieken, bijvoorbeeld aquathermie en elektriciteit uit een stromende rivier volgen we de ontwikkelingen en benutten we de uitkomsten van concrete onderzoeksprojecten en eerste marktinitiatieven om meer inzicht te krijgen in de mogelijkheden en potentie van deze energiebronnen. Binnen de RES-regio’s kijken wij samen met onze partners naar de mogelijkheden van aquathermie en rivierstroming.
Benutten restwarmte Nr. 109
Indieners Gemeente Bunnik
Samenvatting zienswijze “P82. Daarnaast zoeken wij actief met gemeenten naar mogelijke restwarmtebronnen bij bedrijven waarvoor zij bevoegd gezag zijn, om ook daar de warmtevraag en restwarmteproductie bij elkaar te brengen”. Wat ontbreekt is, dat bedrijven zelf ook moeten verduurzamen en dus wellicht geen restwarmte meer hebben in de toekomst. Voorkom dat we onszelf rijk rekenen.
Reactie en eventuele aanpassing Hartelijk dank voor deze reactie. Hier zal in de uitvoering nadrukkelijk rekening mee worden gehouden.
4.3.1 Voorgestelde wijzigingen in de Omgevingsvisie Overzicht van voorgestelde wijzigingen n.a.v. zienswijzen en vanwege voortschrijdende ontwikkelingen / voortschrijdend inzicht. Hoofdstuk 4.3
Originele tekst 2050: de provincie Utrecht is klimaatneutraal.
Aangepaste tekst 2050: de provincie Utrecht is zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2050 CO2neutraal.
4.3
2040: provincie Utrecht is energieneutraal.
4.3
n.v.t.
4.3
We willen het energiegebruik verminderen door besparingsmaatregelen in de gebouwde omgeving.
4.3
Wij spreken onze voorkeur uit om duurzame energiebronnen met andere opgaven te combineren (bijvoorbeeld zonnevelden combineren met tegengaan van bodemdaling).
2030: minimaal 55% van het elektriciteitsgebruik in de provincie Utrecht wordt hernieuwbaar opgewekt. 2030: geschikte daken worden zoveel als mogelijk benut voor energie-opwek en/of klimaatadaptatie. We willen het energiegebruik verminderen door besparingsmaatregelen in de gebouwde omgeving. We streven naar energieneutrale gebouwen en duurzaam bouwen. Wij spreken onze voorkeur uit om duurzame energiebronnen met andere opgaven te combineren, bijvoorbeeld zonnevelden combineren met tegengaan van bodemdaling of het realiseren van duurzame energiebronnen combineren met bosuitbreiding.
4.3
Afbeelding “ruimte voor energietransitie” in Peta Joules. Om de energieambities te halen, spelen opslag (bijvoorbeeld waterstof) en transport van energie een belangrijke rol. Samen met onze partners zetten
4.3
Afbeelding “ruimte voor energietransitie” in TWh Om de energieambities te halen, spelen opslag (bijvoorbeeld waterstof) en transport van energie een belangrijke rol. Samen met onze partners zetten wij erop in dat netwerkcapaciteit proactief en tijdig wordt uitgebreid, waarbij
Reden en bron Op basis van het Rapport Ecorys en TNO: Scenario’s voor Energievraag en energieaanbod en doelstellingen, 7 oktober 2020 en ingediende zienswijzen wordt de formulering van de ambitie aangepast. Idem Op basis van een ingediende zienswijzen wordt een ambitie toegevoegd. Op basis van ingediende zienswijzen wordt de tekst onder het kopje ‘energiebesparen’ aangevuld. Afstemming met bossenstrategie van het Rijk waarin is opgenomen te overleggen om mogelijkheden voor extra bos in beeld te brengen bij het opstellen van RES’en. Deze combinatiemogelijkheid wordt opgenomen. Op basis van ingediende zienswijzen wordt de afbeelding vervangen. Op basis van ingediende zienswijzen wordt de tekst onder het kopje ‘Opslag en transport van energie’ aangevuld.
96
4.3
wij erop in dat netwerkcapaciteit proactief en tijdig wordt uitgebreid. Net als het Rijk willen wij dat initiatiefnemers de omgeving zorgvuldig betrekken bij de duurzame energieprojecten. Wij vinden het belangrijk om bij een zorgvuldige locatiekeuze omwonenden, naburige grondeigenaren en grondgebruikers te betrekken in een gebiedsproces.
wij, gezien de gemeentegrensoverschrijdende functie, de regierol nemen in de regionaal te plannen energie-infrastructuur. Net als het Rijk willen wij dat initiatiefnemers de omgeving zorgvuldig betrekken bij de duurzame energieprojecten. Wij vinden het belangrijk om bij een zorgvuldige locatiekeuze de omgeving te betrekken in een gebiedsproces. We streven er naar om minimaal 50% lokaal eigendom te bewerkstelligen.
4.3
Ruimte voor energie uit biomassa Voor kleinschalige bio-energie installaties zien wij kansen op en nabij agrarische bouwpercelen. De maximale omvang van de installaties blijkt uit de afweging tegen andere provinciale belangen, zoals gezonde leefomgeving (gezondheidsrisico’s vanwege fijnstof), landschap, landbouw (beschikbaarheid van biomassa op eigen bedrijf of van lokale herkomst) en een mobiliteitstoets. Grotere installaties behoren naar hun aard op industrieterreinen. Wij hebben de voorkeur voor een lokale herkomst van biomassa. Biomassa is waardevol en moet zo hoogwaardig mogelijk worden ingezet. Opwek van energie door middel van verbranding en vergisting zien wij als een laagwaardige toepassing van biomassa waar we voornamelijk laagwaardige reststromen voor in willen zetten. In 2020 volgt er een onderzoek naar de inzet van biomassa als duurzame energiebron in de provincie Utrecht. Hierbij wordt een afweging gemaakt tussen de duurzaamheid van biomassa en invloed op luchtkwaliteit. Dit kan tot aanpassing van de regelgeving in onze Omgevingsverordening leiden
Ruimte voor energie uit biomassa Om te voldoen aan het Klimaatakkoord is de inzet van alle hernieuwbare energiebronnen nodig. Zo ook energie uit biomassa, onder strikte voorwaarden met betrekking tot herkomst, duurzaamheid, luchtkwaliteit en vestigingsplaats. Energie uit biomassa, en dan met name biowarmte, kan de warmtevraag invullen daar waar dit vooralsnog niet mogelijk is met andere hernieuwbare warmtebronnen. Onze langetermijnvisie is gericht op het minimaliseren van de inzet ervan. Wij hebben de voorkeur voor een regionale herkomst van de biomassa. De gebruikte biomassa moet duurzaam zijn, voldoen aan de criteria van de Better Biomass certificering en aantoonbaar bijdragen aan de CO2emissiereductie over de gehele keten in vergelijking met fossiele energie. Biomassa is waardevol en moet zo hoogwaardig mogelijk worden ingezet. Energieopwekking door middel van verbranding en vergisting zien wij als een laagwaardige toepassing van biomassa, waar we alleen laagwaardige reststromen voor in willen zetten die niet inzetbaar zijn als grondstof voor hoogwaardiger toepassingen.