CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16.pdf

Raadsvergadering 25 september 2025, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 5: Vaststelling omgevingsplan Veldweg 12a-16 Gendringen35.974 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

42

geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Toets Het voorliggende plan betreft de realisatie van in totaal 15 woningen in de nabijheid van meerdere ontsluitingswegen.

Op grond van artikel 5.53 in combinatie met artikel 5.54 van het Bkl wordt geconcludeerd dat sprake is van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dit omdat pas bij twee ontsluitingswegen en 3.000 woningen sprake is van een project dat in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggende ontwikkeling.

4.6

Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2). Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3). Andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.

Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Toets In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen (agrarische) bedrijven die milieubelastende activiteiten uitoefenen. Er is dan ook geen sprake van eventuele geuroverlast. Het aspect 'geur' kan verder buiten beschouwing worden gelaten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'geur' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggende ontwikkeling.

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

43

4.7

Milieubelastende activiteiten

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Om dit doel te bewerkstelligen is het ruimtelijk- en milieuspoor verder geïntegreerd. In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'. Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis. Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba's.

Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden. Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties. De VNG heeft gewerkt aan een hulpmiddel die kan worden toegepast voor het plannen en toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen: 'Milieuzonering nieuwe stijl'. De VNG-uitgave 'Milieuzonering nieuwe stijl' gaat uit van zones die bij een grotere afstand tot gevoelige functies en locaties (bijvoorbeeld wonen) uitgaat van een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Daarbij staat het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het Besluit kwaliteit leefomgeving waar 'gebruiksruimte' een belangrijk begrip is (zie paragraaf 3.3 'Sturen op de verdeling van gebruiksruimte onder de Omgevingswet' van de Nota van toelichting bij het Bkl. De gebruiksruimte van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) is de milieuruimte die een milieubelastende activiteit op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van de bedrijfsvoering. Toets Het plangebied is gelegen in een bestaand woonwijk van Gendringen, waar in overwegende mate woonfuncties aanwezig zijn.

Er kan worden uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Ter plaatse van een aantal bestaande woonfuncties zijn ondergeschikte bedrijfsfuncties toegestaan (bedrijf of beroep aan huis). Gesteld wordt dat dit hoofdzakelijk administratieve werkzaamheden betreffen passend in een woonwijk met bijpassende uitstraling. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'milieubelastende activiteiten' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggende ontwikkeling.

4.8

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

44

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten.

Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Toets Aan hand van de kaarten met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' zoals opgenomen in de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 4.1 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart, waarop het plangebied globaal is aangegeven met een rode ster. Hieruit blijkt dat er geen risicobronnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde risicobron ligt aan de Industrieweg 29 in Gendringen op circa 800 meter afstand.

Het betreft een LPG-tankstation. Het plangebied ligt ver buiten de risicocontouren van dit tankstation. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

45

Figuur 4.1: uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving) Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggende ontwikkeling.

4.9

Water

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema's die in onderstaande alinea's beschreven worden. Klimaatrobuust gebied De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied.

Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

46

wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Toets Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. Er moet een watertoets worden uitgevoerd.

Het waterschap kijkt op basis daarvan of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding binnen het plangebied en geeft een wateradvies. De watertoets is uitgevoerd en opgenomen als Bijlage 9 bij deze motivering. Gebleken is dat er waterschapsbelangen worden geraakt. De normale procedure is van toepassing. In onderstaande alinea's wordt beschreven hoe binnen het plangebied rekening gehouden wordt met het water. Het afstromend verhard oppervlak is bepaald op 2.210 m². Conform de uitgangspunten van Waterschap Rijn en IJssel dient bij de dimensionering van de waterberging uitgegaan te worden van een maatgevende bui met een herhalingstijd van T=100 + 10%, wat overeenkomt met een neerslaghoeveelheid van 80 mm. Dit resulteert in een vereiste statische waterberging van 177 m³. Uit het principeontwerp, opgenomen als Bijlage 9, blijkt dat er 179 m³ aan berging beschikbaar is binnen het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde bergingseis. Ontwerpopbouw Het waterbergingssysteem bestaat uit drie onderdelen: Wadi A (westzijde van het plan). Wadi B (centraal in het plangebied). IT-riool (infiltratie-/transportriolering). Om de afvoer van hemelwater van oost naar west mogelijk te maken, is Wadi B opgenomen in het midden van het plan. Deze wadi staat in verbinding met Wadi A via een overstort, uitgevoerd als IT-riool.

Dit IT-riool draagt tevens bij aan de totale bergingscapaciteit. Wanneer het maximale waterpeil in Wadi A is bereikt, zal het overschot afstromen naar het gemeentelijk riool via een bestaande uitlegger aan de noordoostzijde van het plangebied. Aanvullend onderzoek en aanbevelingen Om de infiltratiecapaciteit en leeglooptijd van de wadi's en IT-riool aan te tonen, wordt geadviseerd om een in-situ k-waarde-onderzoek uit te voeren, evenals een bepaling van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Daarnaast wordt aanbevolen om, zodra het bouwpeil definitief is vastgesteld, een hoogteplan op te stellen. Op basis daarvan kan het maximale peilhoogte van Wadi A en de benodigde overstorthoogte richting het gemeentelijk riool worden bepaald. Om de benodigde onderzoeken en het hoogteplan juridisch-planologisch te borgen, zijn ze middels een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit TAM-omgevingsplan. Conclusie Er vanuit gaande dat de benodigde onderzoeken en het hoogteplan uiterlijk bij de aanvraag omgevingsvergunning door het bevoegd gezag beoordeeld en goedgekeurd worden, zijn vanuit het aspect 'water' vooralsnog geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

47

plan.

4.10

Mobiliteit en parkeren

Van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet ook in beeld worden gebracht of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte. Toets Verkeer De realisatie van voorliggend plan zorgt voor een bepaalde verkeersaantrekkende werking. Om het aantal extra verkeersbewegingen als gevolg van het plan te berekenen, is de meest recente CROW-publicatie 'Parkeerkencijfers 2024'geraadpleegd. Hierin staan kengetallen voor het berekenen van de verkeersgeneratie bij een functie, die landelijk geaccepteerd zijn door gemeenten, provincies en het Rijk. Er worden 13 nieuwbouw woningen en twee appartementen binnen het plangebied toegevoegd. De bestaande woningen in de momentale boerderij en in de bestaande woning aan de Veldweg 12a blijven behouden. De 13 nieuwbouw woningen worden onderverdeeld in de volgende woningtypen: acht rijwoningen; een vrijstaande woning; vier twee-onder-één-kap woningen. De twee appartementen betreffen kleine appartementen.

Uitgaande van het gebiedstype 'rest bebouwde kom' met een weinig stedelijke stedelijkheidsgraad (tussen 500 en 1.000 adressen) bedraagt het maximum aantal dagelijkse verkeersbewegingen binnen het plangebied per etmaal: afgerond 63 verkeersbewegingen voor de acht rijwoningen (berekening: 8*7,8); afgerond 9 verkeersbewegingen voor de vrijstaande woning (berekening: 1*8,6); afgerond 33 verkeersbewegingen voor de vier twee-onder-één-kap woningen (berekening: 4*8,2); 12 verkeersbewegingen voor de twee appartementen (berekening: 2*6). In de toekomstige situatie bedraagt het totaal aantal dagelijkse verkeersbewegingen derhalve afgerond 117 verkeersbewegingen per etmaal (berekening: 63+9+33+12). De woningen worden via een eigen toegangsweg op de Veldweg aangesloten. De Veldweg is een van de doorgaande straten in Gendringen en betreft een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Gelet op de kenmerken van deze weg, intensiteit en de lage snelheidsregime van 30 km/u, wordt verwacht dat de verkeersbewegingen eenvoudig afgewikkeld kunnen worden, zonder het nemen van extra veiligheidsmaatregelen. 10% van het aantal verkeersbewegingen vindt naar verwachting plaats tijdens de spits. Dit resulteert in één auto per vijf minuten. Dit kan alleen probleem zijn voor de omliggende wegen, maar zit buiten de scope van dit TAM-omgevingsplan.

Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van het Gemeentelijke Verkeer- en Vervoerplan 2012 - 2020 (GVVP) van de gemeente Oude IJsselstreek. De te realiseren woningen zijn hierboven beschreven. Het gaat om: acht rijwoningen; een vrijstaande woning; vier twee-onder-één-kap woningen; twee kleine appartementen. Volgens het GVVP bedraagt de parkeernorm, uitgaande van rest bebouwde kom, 2 parkeerplaatsen voor een vrijstaande en twee-onder-één-kap woning, 1,8 parkeerplaatsen voor rijwoningen en 1,4 parkeerplaatsen voor de kleine appartementen. Er zijn derhalve 26,8 parkeerplaatsen (berekening: 2 +(4*2) + (2x1,4) + (8*1,8), afgerond 27 parkeerplaatsen nodig binnen het plangebied. Binnen het plangebied worden 25 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Zie ook

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

48

figuur 4.2. Dat betekent dat er niet voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden.

Figuur 4.2: situatietekening plangebied met 25 parkeerplaatsen (bron: Biedt Ruimte) Omdat er niet voldaan wordt aan de parkeernorm, is op 11 november 2024 op verzoek van de initiatiefnemer door het bureau C2 Akertech een parkeermemo opgesteld. De parkeermemo is als Bijlage 11 opgenomen bij dit TAM-omgevingsplan. In de onderstaande alinea's worden de belangrijkste bevindingen en conclusie beschreven. Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 11. Op basis van de parkeermemo blijkt dat twee normen te hanteren zijn. De normen die het CROW hanteert of de normen van GVVP van de gemeente zelf. Uitgangspunt is normaliter de maximale norm tenzij er geldige redenen zijn hiervan af te wijken. Er komen steeds meer verschillende woonvormen voor ouderen, die verschillen in de wijze waarop, en de mate waarin, wordt voorzien in zorg. Voor het toepassen van de parkeerkencijfers is het met name van belang in welke mate bewoners nog in staat zijn om zelf auto te rijden. Als ze een auto hebben en gebruiken, zijn de betreffende woningen te beschouwen als een ‘gewone’ woning. Is dat niet het geval, dan is meer sprake van een woonzorgcentrum. De verwachting is dat doordat de gezamenlijke ruimte die de nieuwe bewoners moeten bekostigen in een maandelijkse bijdragen, er 80% senioren alleen of met 2 personen per woning komen te wonen.

Daarnaast is de verwachting is dat een groot deel van de toekomstige bewoners geen auto in bezit zullen hebben. Met deze wetenschap is de keuze voor een minimale norm plausibel.

Figuur 4.3: opsomming te verwachten parkeerplaatsen (bron: C2 Akertech) De normen vanuit het CROW komen gunstiger uit. Aangezien de getallen een indicatie geven is aannemelijk dat de behoefte zal liggen tussen de 22 en 27 parkeerplaatsen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'Mobiliteit en parkeren' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggend plan.

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

49

4.11

Trillingen

In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Toets In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig waarbij de bewegingen op de spoorweg door treinen tot trillinghinder kunnen leiden. De dichtstbijzijnde spoorlijn Doetinchem - Winterswijk ligt op een afstand van ruim 5 km.

Het RIVM(Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) heeft hinder van trillingen gemeten bij mensen die binnen 300 meter afstand van het spoor wonen. Gelet op de onderlinge afstand met de dichtstbijzijnde spoorlijn is het daarom niet aannemelijk dat de woningen binnen het plangebied hinder zullen ondervinden van trillingen door het spoor. Tevens is het plangebied niet gelegen aan een weg waarover het vervoer van goederen door zware voertuigen plaatsvindt, waardoor trillingshinder ontstaat. Een onderzoek naar trillingen kan gelet op het vorenstaande achterwege blijven. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'Trillingen' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggend plan.

4.12

Kabels en leidingen

Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse (hoogspannings)leidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving. De Omgevingswet bevat regels en instrumenten om dit te voorkomen of om dit zoveel mogelijk te beperken. Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) Doel van de Wibon is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen. Het gaat dan om water-, elektriciteit-, gas- en telecomleidingen. Netbeheerders zijn door deze wet verplicht om informatie te geven over de ligging van hun kabels en leidingen.

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

50

Mechanisch graven of heien mag in de openbare ruimte pas als er bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) van het Kadaster (verwijst naar een andere website) een KLIC-melding is gedaan. Deze verplichting geldt voor elke graafdiepte. Degene die de mechanische graafwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, is de grondroerder. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen. Het Kadaster regelt dat de melder informatie krijgt over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie. Toets Door de initiatiefnemer is een KLIC-melding gedaan. In figuur 4.4 is een uitsnede daarvan opgenomen. Zoals te zien is, liggen er geen kabels en leidingen waar de meeste graafwerkzaamheden plaatsvinden. Bij plekken waar kabels en leidingen liggen, zullen de eventuele werkzaamheden zorgvuldig worden uitgevoerd, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de kabels en leidingen.

Figuur 4.4: KLIC-melding (bron: Hoornstra Infrabouw) Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'Kabels en leidingen' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggend plan.

4.13

Milieueffectrapportage

Met de Omgevingswet verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten; de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

51

het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34, eerste lid Omgevingswet). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Omgevingswet) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een plan-milieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1.

Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-mer-plichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.

Toets De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Voorliggend plan heeft betrekking op de realisatie van 15 woningen binnen het plangebied. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een logische aansluiting kan echter wel worden gemaakt bij nummer J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten dat als stedelijk ontwikkelingsproject kan worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36, lid 3, Ow). Als er niet gekozen wordt

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

52

voor de plan-mer-beoordeling, dan geldt er een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is, kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, is gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832). Voorliggend plan maakt de realisatie van per saldo 15 woningen mogelijk binnen het plangebied. In de huidige situatie is er nog een monumentale boerderij binnen het plangebied aanwezig, met een schuur waarvan een deel onderdeel is van het monument. De voormalige bijbehorende bouwwerken zijn al verwijderd. In de toekomstige situatie bedraagt de bebouwde oppervlakte circa 1.022 m2. Er is hiermee een toename in de bebouwde oppervlakte.

Gelet op de toename van de bebouwde oppervlakte in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie, in relatie tot bovenstaande uitspraak van de Raad van State, wordt geconcludeerd dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11, van Bijlage V van het OB. Op basis hiervan is een plan-mer-beoordeling noodzakelijk. Plan-mer-beoordeling Als gevolg van de uitvoering van voorliggend plan wordt de bestaande functie wonen binnen het plangebied uitgebreid met extra woningen. De functie wonen heeft geen effect op de milieusituatie van de omgeving. De functie wonen is immers geen functie waarbij milieubelastende activiteiten horen. Verder is in de voorgaande paragrafen vanuit diverse milieu- en omgevingsaspecten gemotiveerd dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggend plan.

Dit omdat: de bodem na sanering geschikt wordt geacht voor de beoogde functie; de geplande werkzaamheden geen effect hebben op de archeologische waarde van de gronden binnen het plangebied; geen afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van de monumentale boerderij; de woningen niet voor geluidhinder zorgen voor de omgeving of een ander vorm van milieubelastende hinder; ten aanzien van de waterhuishouding binnen het plangebied nog voldoende geregeld kan worden; de woningen tot een bepaalde verkeersgeneratie leiden die eenvoudig afgewikkeld kan worden door middel van de bestaande infrastructuur; er voldoende parkeerplaatsen worden geregeld; het plan een bijdrage kan leveren aan het verhogen van de gezondheid van mensen/bewoners binnen het plangebied. Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat voorliggend plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben voor de omgeving. Er is derhalve geen plan-mer-plicht als bedoeld in artikel 16.36, lid 3, Ow. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'Milieueffectrapportage' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggend plan.

4.14

Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

53

gevolgen voor de gezondheid?); het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Toets Middels voorliggend plan wordt de realisatie van per saldo 15 woningen binnen het plangebied mogelijk gemaakt. Bouwplannen moeten tegenwoordig voldoen aan de meest recente (technische) eisen op het gebied van duurzaamheid, luchtkwaliteit en bouwkundige aspecten. Daarmee wordt een goed binnenmilieu verzekerd binnen het plangebied/gebouwen wat een positief effect zal hebben op de gezondheid van de toekomstige bewoners. Daarbij wordt opgemerkt dat de woningen in het groen worden ingepast en met de voorgevel georiënteerd worden op het informele parkje in het midden van het plangebied. Dit betekent dat men elkaar doorgaans zal tegenkomen wat tot onmoetingen leidt. Hierdoor zal een gevoel van saamhorigheid ontstaan wat de gezondheid ten goede kan komen. Daarnaast gaan met de functie 'wonen' geen milieubelastende activiteiten gepaard die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van mensen in de nabijheid van het plangebied. Gesteld wordt hierdoor dat nader onderzoek omtrent gezondheid achterwege kan blijven. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'gezondheid' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggende ontwikkeling

4.15

Duurzaamheid

Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Bbl stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Bbl stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van het waterschap beschreven in paragraaf 4.9. Toets Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de BENG-eisen. Ook wordt aangetoond dat er gasloos wordt gebouwd. Wat betreft de circulariteit van de te bouwen bouwwerken zal hier te zijner het e.e.a. over worden weerlegd. Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van het waterschap beschreven in paragraaf 4.9. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'duurzaamheid' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggende ontwikkeling.

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

54

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planopzet

Algemeen

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.

5.2

Toedelen van functies aan locaties

5.2.1

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek is technisch opgesteld conform het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet. 5.2.2

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'Veldweg 12a-16 te Gendringen', waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1509.OP000002-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen. 5.2.3

Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. 5.2.4

Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat inleidende bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

55

artikel 1: dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan; artikel 2: in dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen; artikel 3: dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 5.2.5

Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In paragraaf 5.2.8 wordt daar nader op ingegaan. 5.2.6

Algemene bepalingen

Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: artikel 8: dit artikel geeft het toepassingsbereik aan van de regels van voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan; artikel 9: in dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen ten behoeve van een aanvraag omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit en/of omgevingsplanactiviteit; artikel 10: anti-dubbeltelregel; artikel 11: in dit artikel is het overgangsrecht opgenomen ten aanzien van bestaande maatvoering voor bouwwerken; artikel 12: in dit artikel zijn algemene gebruiksregels opgenomen die van toepassing zijn op het plangebied. 5.2.7

Overgangsregels

Hoofdstuk 4 bevat de overgangsregels voor bouwwerken en voor het gebruik van gronden en bouwwerken. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied en staan in artikel 13. 5.2.8

Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden). Groen Binnen de voor 'Groen' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan: groenvoorzieningen, groensingels en plantsoenen; paden; bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; speelvoorzieningen, kunstwerken en ontmoetingsplekken; straatmeubilaiir, en nutsvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de toegestane functies. Teven is het verboden om bouwwerken te bouwen, tenzij wordt gebouwd voor speelvoorzieningen, kunstwerken en ontmoetingsplekken, met een maximale oppervlakte van 20 m² en een maximale bouwhoogte van 3 meter.

Verder geldt voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat de bouwhoogte van masten en kunstwerken maximaal 10 meter mag bedragen, de bouwhoogte van speeltoestelling maximaal 4 meter, de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 2 meter. Overkappingen zijn niet toegestaan. Tuin

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

56

Binnen de voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan: tuinen; paden; erfafscheidingen. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de toegestane functies. Tevens is het verboden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen, tenzij het om erfafscheidingen gaat. Voor het bouwen van erfafscheidingen geldt dat de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt voor (het verlengde van) de voorgevel van de woning en maximaal 2 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw. Verkeer en verblijfsgebied Binnen de voor 'Verkeer en verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan: verblijfsgebieden; wegen en pleinen; voet- en fietspaden; gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; parkeerplaatsen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - parkeren [sv-par]'; speel- en groenvoorzieningen en kunstwerken; water en voorzieningen voor de waterhuishouding; ontmoetingsplekken en straatmeubilair; ondergrondse containers; openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de toegestane functies.

Voor het bouwen van bouwwerken geldt dat de bouwwerken ten dienste moeten staan van de toegestane functies en alleen gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn toegestaan. Daarbij geldt dat de oppervlakte van de gebouwen maximaal 50 m2 bedraagt en de bouwhoogte maximaal 3 meter. Voor andere bouwwerken gelden de volgende regels: overkappingen zijn maximaal 50 m2 groot en zijn maximaal 3 meter hoog; de bouwhoogte van kunstwerken en bouwwerken voor verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer is maximaal 12 meter; de bouwhoogte van masten is maximaal 10 meter; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3 meter. Wonen Binnen de voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan: wonen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - gemeenschappelijke ruimte [sw-gr]' ook een gemeenschappelijke ruimte is toegestaan; aan huis verbonden beroepsactiviteiten; bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de toegestane functies. Tevens is het verboden om vrijstaande bouwwerken voor zelfstandige bewoning of als afhankelijke woonruimte te gebruiken, met uitzondering van mantelzorg.

Voor wat betreft het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan huis gebonden beroep geldt dat dit onder bepaalde voorwaarden bij recht is toegestaan. Aan huis verbonden bedrijf is echter vergunningsplichtig. Tevens zijn de realisatie van een bed & breakfast en bijzondere woonvorm vergunningsplichtig. Verder geldt over het algemeen dat er gebouwd moet worden binnen het bouwvlak en mag het maximum aantal woningen niet meer bedragen dan het bestaande aantal of meer dan het aantal woningen dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven. De woningen dienen ter plaatse van de bouwaanduiding 'vrijstaand [vrij]' vrijstaand te worden gebouwd. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'aaneengebouwd [aeg]' moeten de woningen aaneengebouwd worden. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'gestapeld [gs]' mag er een appartement worden gerealiseerd op de verdieping van de woning. De bouw- en goothoogte bedraagt niet meer dan de bestaande bouw- en goothoogte, tenzij

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

57

door middel van een aanduiding een andere bouw- en goothoogte is aangegeven, in welk geval de bouw- en goothoogte maximaal het aangegeven aantal mag bedragen. Hierbij dient in acht genomen te worden dat voor de voorgevel van de woningen, die op de gevellijn worden geplaatst, een afwijkende goothoogte geldt van maximaal 5 meter. Hiermee kan de gewenste uitstraling van de woningen als zijnde kapschuur gerealiseerd worden. De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag binnen het bouwvlak maximaal 3 meter bedragen, in afwijking hiervan mag ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand [vrij] de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 3,5 meter bedragen. Dakkapellen zijn niet toegestaan binnen deze functie teneinde de monumentale status van de bestaande boerderij te behouden en beschermen. Voor wat betreft het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak geldt dat uitsluitend bestaande bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan, waarbij eventuele herbouw alleen mogelijk is indien: op dezelfde plek wordt gebouwd de bestaande maatvoering in acht genomen wordt en het bevoegd gezag een omgevingsvergunning heeft verleend voor de activiteit bouwen. Ondergronds bouwen is enkel toegestaan onder een hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken, waarbij de verticale diepte maximaal 3,5 meter mag bedragen.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van de bouwregels voor hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, in die zin dat de bouwgrenzen onder bepaalde voorwaarden overschreden mogen worden.

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

58

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid van het plan

Economische uitvoerbaarheid

Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zal de overheid vaak kosten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. De wettelijke regeling voor kostenverhaal is niet van toepassing voor gronden die de gemeente in eigendom heeft of in erfpacht uitgeeft, omdat kostenverhaal dan wordt verrekend via de gronduitgifte of de erfpachtcanon. Voor de overige gronden (vol eigendom) bevat afdeling 13.6 van de Omgevingswet de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. Bij het opnemen van nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden in het omgevingsplan wordt gelijktijdig bepaald of een kostenverhaalsgebied moet worden aangewezen. Van belang is of er sprake is van een bouw- of gebruiksactiviteit waarvoor kostenverhaal verplicht is (artikel 13.11 Ow). In artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob) zijn deze activiteiten limitatief aangewezen. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of transformatie van gebouwen naar een andere functie, zoals een kantoor- of een winkelfunctie. In sommige gevallen zijn de te verhalen kosten gering. Deze gevallen zijn opgesomd in artikel 8.14 Ob.

Het bestuursorgaan kan besluiten in die gevallen geen kosten te verhalen (artikel 13.11 Ow). Als de activiteit niet onder deze uitzondering valt is kostenverhaal verplicht. Het bevoegd gezag dient te beoordelen of het kostenverhaal verplicht is. Een kostenverhaalsbijdrage kan voldaan worden via afspraken die worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst of op basis van de regels voor een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan. Als kostenverhaal verplicht is wordt bij voorkeur een privaatrechtelijke anterieure overeenkomst afgesloten met een initiatiefnemer (artikel. 13.13 Ow). Deze moet zijn afgesloten voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. Voor aanvang van een activiteit wordt vervolgens de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage betaald op basis van de afgesloten anterieure overeenkomst. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het opstellen van een dergelijke overeenkomst en dient met de initiatiefnemer te worden gesloten, waarmee wordt voldaan aan de verplichting de verplichting tot het verhalen van kosten.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Voorkantsamenwerking

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd. Provincie Gelderland Conform het door de provincie Gelderland gehanteerde beleid dient het plan voor vooroverleg te worden verzonden aan de provincie. Er is nog geen reactie verkregen. Waterschap Rijn en IJssel Conform de uitkomst van de watertoets is de normale waterprocedure van toepassing. Het waterschap dient de waterparagraaf te goedkeuren. Het plan zal bij de terinzagelegging naar het waterschap worden verzonden.

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

59

6.2.2

Participatie buurt

Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Dit is voor aanvragen van een omgevingsvergunning zelfs wettelijk vastgelegd in artikel 7.4 van de Omgevingsregeling. In dit artikel staat dat een initiatiefnemer bij een aanvraag omgevingsvergunning dient aan te geven of inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken. In de voorbereidingsfase van een wijziging van het omgevingsplan wordt deze lijn doorgetrokken. De formele wettelijke procedures (zienswijze en beroep) worden niet vervangen door participatie. Deze formele wettelijke procedures worden in hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid van het plan behandeld. Op grond van artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit geldt een participatieverplichting bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan. In het vaststellingsbesluit moet staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat met de resultaten gedaan is. Op 16 december 2021 heeft de raad ingestemd met het Participatiebeleid waarin de visie wordt beschreven van de gemeente Oude IJsselstreek op participatie. Dit heeft tot gevolg dat in de voorbereidingsfase (in veel gevallen al bij het indienen van een principeverzoek) bij grotere ruimtelijke ontwikkelingen een participatieplan wordt opgesteld.

In het participatieplan wordt in ieder geval op de volgende onderwerpen ingegaan: Doel van participatie (waarbij het belangrijkste doel is om plannen beter te maken). Beschrijving van de maatschappelijke impact of de omvang van de impact: 1. hoe groter de impact, hoe groter de groep die wordt betrokken; 2. beschrijf ook de mate waarin er (tegengestelde) belangen spelen. Beïnvloedingruimte van participatie: 1. inwoners beslissen: intensief traject met meerdere momenten en invloed op beslissing. Argumenten beslissing komt vanuit inwoners. Initiatiefnemer faciliteert; 2. inwoners co-creëren en maken onderdeel uit van het maken van een plan. Duidelijkheid vooraf over de mate van invloed en uiteindelijke besluitvorming. Inwoners zijn gelijkwaardig aan de initiatiefnemer en kunnen ook wat vinden over de uitkomsten. Uitgebreide (persoonlijke) terugkoppeling; 3. inwoners geven advies of ideeën (meedenken): duidelijkheid over proces en mate van invloed, verzamelen ideeën, informeren over proces en algemene terugkoppeling met daarbij in welke mate ideeën zijn meegenomen; 4. inwoners willen weten wat er staat te gebeuren (geen invloed): Duidelijk informeren en transparantie bij start, over proces en over uitkomsten. Kaders voor participatie. Beschrijving van de fases van het project en de rol van betrokkenen in deze fases: 1.

beschrijf ook hoe er wordt teruggekoppeld naar de betrokkenen in de verschillende fases van het project. Uiteindelijk dienen de resultaten van het participatieproces te worden beschreven in een participatieverslag. De initiatiefnemers hebben de plannen besproken met de omwonenden. In totaal hebben 19 huishoudens rondom het plangebied een uitnodiging ontvangen voor een keukentafeloverleg. Hoewel er nog enkele aandachtspunten waren, staan de omwonenden over het algemeen positief tegenover de plannen. Daarnaast heeft er een inloopavond plaatsgevonden, die werd bezocht door ruim 100 personen. Veel aanwezigen hebben zich tijdens deze avond ingeschreven voor een huur- of koopwoning. Ook werden er plantechnische vragen gesteld, die ter plekke zijn beantwoord. Zowel de gesprekken met de omwonenden als de reacties tijdens de inloopavond zijn vastgelegd in het participatieverslag, opgenomen als Bijlage 12 bij deze motivering. 6.2.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4941/documents/32001