Vast te stellen TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16.pdf
Tekst van het document
Hiermee probeert de gemeente Oude IJsselstreek iedereen die woont of wil wonen in de gemeente te voorzien van een passende woning. Toets Zoals reeds beschreven, heeft de voorliggende ontwikkeling betrekking op het opknappen van een bestaande monumentale boerderij, de realisatie van een gemeenschappelijke ruimte voor bewoners, de realisatie van 13 levensloopbestendige grondgebonden woningen, en op het toevoegen van twee appartementen. Eén appartement wordt gerealiseerd op de verdieping van de bestaande woning aan de Veldweg 12A, waarbij de begane grond wordt verbouwd naar een levensloopbestendige woning. Het andere appartement wordt gerealiseerd boven de monumentale boerderij. Het plangebied ligt in het bestaande stedelijk gebied. Hierdoor is er sprake van een inbreidingslocatie. Met het plan wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt door het opknappen van de monumentale boerderij en wordt er voorzien in een actuele behoefte aan meer betaalbare levensloopbestendige woningen voor ouderen. Gelet hierop wordt geacht dat voorliggend plan van meerwaarde zal zijn voor de gemeente Oude IJsselstreek. 3.4.2
Toekomstvisie Oude IJsselstreek
De toekomstvisie is tot stand gekomen door vele ontmoetingen en bijeenkomsten met inwoners, ondernemers, organisaties en verenigingen. De termen 'leven' en 'het maken' lopen als een rode draad door de toekomstvisie. Oude IJsselstreek heeft zichzelf zeven opgaven gesteld waarmee ze een antwoord kan bieden op maatschappelijke uitdagingen en waarmee de gemeente en de gemeenschap verder kunnen groeien. 1. Benut de stroom van de Oude IJssel De gemeente zet de komende jaren in op het benutten van alle kansen die de Oude IJssel als zone biedt. Het gebied op en rondom de rivier kan een vliegwiel zijn voor toerisme en recreatie, bedrijvigheid, klimaatvraagstukken en wonen. 2. Florerende Smart Industrie Een bloeiende en concurrerende lokale economie heeft een aanzuigende werking op mensen en kapitaal waarmee demografische ontwikkelingen kunnen worden gekeerd en wonen een
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
26
boost krijgt. Drie duidelijke clusters dragen bij aan een robuust economisch systeem. Werken op De Rieze, innoveren op het DRU Industriepark en innovatieve en hightech maakindustrie rond Varsseveld. Gemeente Oude IJsselstreek zet zich daarmee de komende jaren nog beter op de kaart en zet in op het ontwikkelen van het nieuwe Varsseveld Industriepark (het VIP). 3. Vitaal platteland Het agrarisch buitengebied is een belangrijke en karakteristieke pijler in de gemeente. De landbouwsector is voor de gemeente als plattelandsgemeente een cruciale sector, zowel qua economische omvang als qua ruimtebeslag in het buitengebied. Het platteland zal zich het komende decennium ontwikkelen tot een multifunctioneel buitengebied. 4. De allernieuwste energie In de gemeente vinden ontwikkeling plaats op vele fronten, van woningbouw tot het ontwikkelen van industrie en bereikbaarheid. Bij al die ontwikkelingen wordt er optimaal gebruik gemaakt van de meest duurzame en nieuwste vormen van energie. De gemeente wil energieneutraal zijn in 2030. 5. Groene parels Van de Slangenburg tot de Vennebulten en van het Zwarte Veen tot de Anholtse bossen vormen landgoederen, oude bossen en natuurgebieden een groene parelketting door Oude IJsselstreek. De opgave ‘Groene Parels’ zet in op het verder versterken van dit karakteristieke landschap. 6.
Gezond oud worden én gezond jong zijn Oude IJsselstreek is de plek waar mensen zich kunnen ontplooien, gezond kunnen leven en regie op hun eigen leven hebben. In de basis benutten de gemeente vooral de kracht van de maatschappij om een plek te maken waar mensen hun leven lang fijn en gezond kunnen wonen. Om de kracht uit de samenleving optimaal te benutten worden er voldoende aanleidingen voor ontmoeting, duurzaam gedrag, leren, spel en bewegen geboden. 7. Het Witte Vel Vanaf de eerste gesprekken is duidelijk geweest dat de Toekomstvisie een levend document moet zijn. Er zullen zich tal van zaken voordoen die de gemeente dwingen deze Toekomstvisie bij te stellen. Hobbels en beren op de weg, maar juist ook kansen, versnellingen en innovaties. Om in de Toekomstvisie ook letterlijk de ruimte te geven om in te springen op nieuwe ontwikkelingen heeft de gemeente ‘Het Witte Vel’ vanaf het begin eraan toegevoegd. Een nog blanco hoofdstuk dat symbool staat voor de prachtige onzekerheid van de toekomst en al het moois dat daaruit voort gaat komen. Toets De beoogde woningen worden gasloos gebouwd. Om te voorzien in de energiebehoefte krijgen de woningen een warmtepomp en zonnepanelen. Daarmee wordt geacht dat de woningen voldoende toekomstbestendig zijn. Dit woonconcept maakt dat ouderen langer (meer)zelfstandig kunnen wonen.
Het gezamenlijke parkje (waar ook buitenfitness mogelijk is) en de gemeenschappelijke ruimte zorgt voor contact onderling. Bekend is dat sociale contacten, ontmoetingen bijdragen aan het welzijn en daarmee aan gezond oud worden. 3.4.3
Woonvisie 2018 gemeente Oude IJsselstreek
De Woonvisie 2018 is vastgesteld in de gemeenteraad van 14 december 2017. Met de Woonvisie wordt een lokale uitwerking van de Regionale Woonagenda geformuleerd, waar mogelijk gebruik makend van de nieuwste inzichten uit het in 2017 uitgevoerde AWLO (Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheids-Onderzoek). De belangrijkste onderwerpen van deze Woonvisie zijn: De sociale huurvoorraad: In de sociale huurvoorraad ligt de focus op betaalbaarheid, maximale wachttijd voor woningzoekenden en een monitor op de omvang en samenstelling van de doelgroep. Woonzorg: Het terrein Woonzorg bestaat uit ouderen die niet langer zelfstandig thuis kunnen wonen (de grootste en flink groeiende groep op dit terrein) en bijzondere doelgroepen. De focus ligt op het in kaart brengen van de ontwikkeling van vraag en aanbod voor ouderen, het langer thuis blijven (levensloopbestendig maken van woningen), is er voldoende intramurale capaciteit, is er behoefte aan woonvormen tussen intramuraal en langer thuis blijven en hoe wordt dit gerealiseerd?
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
27
Verduurzaming: De gemeente Oude IJsselstreek wil een ruime bijdrage leveren aan het realiseren van de klimaat-, energie- en duurzaamheidsdoelstellingen die zijn vastgelegd op wereld-, landelijkeen regionale schaal. In 2030, dus over 12 jaar (!), moet de gemeente Oude IJsselstreek energieneutraal zijn en wordt er 50% minder gebruik gemaakt van primaire grondstoffen. Woningvoorraad en waarde behoud: Het gaat om het gereed maken voor de toekomst van de bestaande voorraad en het voorkomen van waardeverlies door het stimuleren van verduurzaming en levensloopbestendigheid. Het uitnemen van woningen aan onderkant van de woningmarkt moet worden voorbereid waarbij (beperkt) terugbouwen door toevoeging van ontbrekende kwaliteiten mogelijk wordt gemaakt. Toets Aangezien de woningen betaalbaar en levensloopbestendig zullen zijn, zijn ze uitermate geschikt voor ouderen met een zorgvraag. Hier is in de gemeente Oude IJsselstreek veel behoefte naar. De betaalbaarheid wordt geborgd door de doelgroepenverordening die de gemeente heeft vastgesteld. Met de doelgroepenverordening is het mogelijk het woonbeleid juridisch te verankeren en kan er gestuurd worden op de betaalbare opgave, zoals bedoeld in de Regionale Woonagenda Achterhoek 2023-2030. De nieuwe woningen worden standaard gasloos gebouwd en krijgen een warmtepomp en zonnepanelen om te voorzien in de energiebehoefte.
Daarmee voldoen de woningen aan de vereiste van 'Bijna Energie Neutraal Gebouwen (BENG). Indien gewenst kunnen de woningen energieneutraal worden gemaakt door extra zonnepanelen te nemen. Dit is een keuze van de toekomstige bewoners. Gelet op het vorenstaande wordt middels voorliggend plan een steentje bijgedragen aan het verwezenlijken van de gemeentelijke doelstelling om in 2030 energieneutraal te zijn en voor 50% minder gebruik te maken van primaire grondstoffen. 3.4.4
Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek
In de Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw wordt aanbevolen om lokaal een kader vast te stellen over de ruimtelijke inpassing van nieuwbouw binnen de bebouwde kom en in het buitengebied. In 2021 heeft de gemeenteraad vervolgens de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vastgesteld. De 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vormt samen met de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor Woningbouw' de kaders voor nieuwe woningbouwplannen. Met het vaststellen van de Lokale kwaliteitscriteria en de (regionale) Kwalitatieve toetsingscriteria beschikt de gemeente over een compleet kader waarmee nieuwe woningbouwplannen kunnen worden getoetst en kan de gemeente sturen op gewenste ontwikkelingen op de woningmarkt. Uit de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' blijkt dat de aantoonbare (woning)behoefte voor de komende jaren vooral bij het toevoegen van starters- en levensloopgeschikte woningen ligt, de gemeente wil hier dan ook extra op inzetten. Voor het starterssegment ligt de nadruk logischerwijs met name bij de betaalbaarheid. De levensloopgeschikte woningen zijn voor de doelgroep senioren bedoeld, daarbij gaat het om woningen waarbij (minimaal) alle basisvoorzieningen op de begane grond of gelijkvloers aanwezig zijn. Het bouwen van woningen op locaties met leegstaand vastgoed heeft de voorkeur.
Vanuit het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik gaat woningbouw op inbreidingslocaties voor op uitbreiding aan de randen van de kernen. Toets Voorliggend plan heeft betrekking op de herontwikkeling van een locatie binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij wordt voorzien in de behoefte aan meer betaalbare levensloopbestendige woningen voor ouderen. De betaalbaarheid wordt geborgd door de doelgroepenverordening die de gemeente heeft vastgesteld. Aangezien wordt voorzien in een concrete behoefte binnen de gemeente Oude IJsselstreek en sprake is van een inbreidingslocatie, is voorliggend plan in overeenstemming met de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek'.
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
28
3.4.5
Visie wonen en zorg 55+
De aanleiding voor het opstellen van deze visie zijn diverse ontwikkelingen. Het aantal ouderen in Oude IJsselstreek neemt snel toe. Hun behoeften, wensen en beelden over ouder worden en wonen zijn divers. De meeste ouderen genieten van het ouder worden en worden ouder zonder te (willen) verhuizen. Ze zijn gehecht aan hun woning, buurt en woonplaats. Een deel van hen heeft intensieve zorg nodig in een verpleeghuis omdat het thuis niet langer gaat. Een deel wil nog een keer hun woondroom waarmaken en voorbereid zijn voor de volgende levensfase. Naar de toekomst toe groeit het aantal thuis wonende ouderen harder dan het aantal ouderen in het verpleeghuis. De betrokken organisaties en gemeente willen klaar staan. Ze willen op de juiste manier kunnen reageren op wat komen gaat. Het maken van een woonzorgvisie komt ook voort uit bestuurlijke afspraken tussen Aedes, ActiZ, VNG, Taskforce Wonen en Zorg, ZN, ministerie BZK en VWS. Hierin is verwoord dat alle gemeenten medio 2021 een woonzorgvisie moeten hebben. Hoe is het om in Oude IJsselstreek oud te worden, nu en straks? En wat kunnen de gemeente, inwoners en organisaties betrokken bij ouderen, met elkaar doen om te zorgen dat mensen in Oude IJsselstreek op een prettige manier oud kunnen worden? Daar gaat deze visie over.
Deze visie vormt de verbinding tussen enerzijds de woonopgaven in Oude IJsselstreek en anderzijds de opgaven in het sociaal domein en de bijbehorende visiedocumenten, netwerken en inspanningen. Toets De visie gaat in op drie thema's te weten: 1. Zorgzame buurten en wijken. 2. Vergroten aanbod van woon(zorg)vormen voor ouderen. 3. Versterken zelfredzaamheid en eigen regie. Voorliggend plan haakt met name in op de thema 'Vergroten aanbod van woon(zorg)vormen voor ouderen'. Dit door realisatie van betaalbare en levensloopbestendige woningen. Daarmee is voorliggend plan in overeenstemming met de 'Visie wonen en zorg 55+'. 3.4.6
Visie op landschap, natuur en groene kernen
De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt een gewenste toekomstbeeld. De visie is in een interactief proces met bewoners, maar ook organisaties en verenigingen tot stand gekomen. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving. Toets Het plangebied is op de visiekaart niet aangeduid als locatie voor specifieke doelstellingen. Daarnaast ligt het niet in een Groene Ontwikkelingszone of een Gelders Natuurnetwerk. Het plan heeft betrekking op de herontwikkeling van een locatie in bestaand stedelijk gebied. Gelet op dat het plangebied reeds bebouwd is, zullen er geen negatieve effecten zijn voor het landschap. De eventuele effecten voor de natuur als gevolg van voorliggend plan wordt nader op ingegaan in paragraaf 4.3 met behulp van een quickscan flora & fauna.
Voor wat betreft de groenstructuur in de kernen geldt dat het plangebied niet binnen een hoofdroute of entree van Gendringen ligt. Het plan heeft derhalve geen invloed op de groenstructuur van Gendringen. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om groen aan te planten, zodat hemelwater beter kan worden vastgehouden en hittestress kan worden verminderd. Geacht wordt hiermee dat voorliggend plan in overeenstemming is met de 'Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen'.
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
29
3.4.7
Oude IJsselstreek Klimaatbestendig - Klimaatagenda 2022-2026
Het klimaat verandert en weersomstandigheden worden extremer. Als de gemeente Oude IJsselstreek veilig, leefbaar en aantrekkelijk wil blijven voor toekomstige generaties, dan moet de leefomgeving zodanig ingericht worden dat mensen zich voldoende kunnen weren tegen de weersextremen. De gemeente Oude IJsselstreek heeft daarom de Klimaatagenda 2022 2026 opgesteld, waarin de visie en ambities voor een klimaatbestendige inrichting en de maatregelen voor 2022 tot en met 2026 zijn opgenomen. Toets De relevante aspecten omtrent klimaatbestendige ontwikkelingen (overstromingen, wateroverlast, droogte en hittestress) zijn reeds getoetst in de voorgaande paragrafen. Geacht wordt dat middels voorliggend plan voldoende klimaatadaptieve maatregelen genomen kunnen worden. 3.4.8
Welstandsnota
De historische linten van Gendringen zijn ontstaan langs de oudere hoofdwegen. Ze bestaan uit vrijstaande bebouwing met tuinen en open ruimtes daartussen. Verder van de kern verwijderd zijn er grotere ruimtes tussen de gebouwen met doorzichten naar het landschap. De nog onbebouwde percelen zijn in gebruik als weide of moestuin. Kenmerkend voor de openbare ruimte is de afwisseling in het ruimtelijk beeld en het van oorsprong eenvoudige karakter van de inrichting. De bebouwing langs de historische linten is meestal ruimer opgezet dan in de kern. Gezien vanaf de kern naar het landelijk gebied is er meer nieuwere bebouwing in de linten opgenomen. Hier vindt men ook voortuinen en straatbomen. De afstand van de bebouwing tot de weg varieert. Langs de Anholtseweg bevinden zich de meeste grote villa's, gericht op de weg. De bebouwing van de Veldweg en de Grotestraat is meestal van agrarische oorsprong en staat relatief dicht op de weg. De oude begraafplaats tussen de Wiekenseweg en de Walseweg is een karakteristieke plek, bepaald door haar ligging en de oude poort, de beukenhaag en de oude bomen. Specifiek voor het plangebied zijn de kenmerken van het bebouwingsbeeld. Het bebouwingsbeeld is afwisselend, mede als gevolg van het individuele karakter van de bebouwing. Traditionele kenmerken van de architectuur overheersen. De hoofdmassa is eenvoudig van opzet.
De meeste panden zijn opgebouwd uit een of twee lagen met een stevige kap en bij de agrarische bebouwing een lage gootlijst. Verschillende dakvormen komen naast elkaar voor. De nokrichting is daarbij afwisselend evenwijdig aan de weg of staat daar haaks op. Karakteristieke details zijn plinten, kroonlijsten en soms speklagen, segmentbogen en luiken. Het gebruik van aardkleuren voor de hoofdmaterialen en een lichte kleur voor de kozijnen en lijsten overheerst. Deze overeenkomsten verzachten de verschillen tussen de panden. Historische bebouwingslinten ondergaan vaak een geleidelijk veranderingsproces van functiewisseling, aanpassing en verdichting. Incidenteel kan zich een ingrijpende en onbedoelde verandering van het bebouwingsbeeld voordoen. De aanleg van toeritten en parkeerplaatsen op voorterreinen kan in sommige gevallen leiden tot relatief grote verhardingsoppervlakken en een stenig karakter van de omgeving. Ook kunnen de aan- en bijbouwen naast de zijgevels de open ruimtes verstoppen. Toets Onderstaande welstandscriteria gelden specifiek voor het plangebied. Als een bouwplan niet aan deze specifieke welstandscriteria voldoet, kan een nadere beoordeling plaatsvinden op basis van de algemene welstandscriteria. Wellicht dat dit alsnog leidt tot een positief welstandsoordeel. Situering Nieuwbouw baseren op de gegroeide kleinschaligheid, openheid en diversiteit.
Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek van de bestaande bebouwing in de omgeving. De parcellering, de positie en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing zijn richtinggevend bij nieuwbouw. Bedrijfsbebouwing staat op het achtererf.
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
30
Het overwegend half open bebouwingbeeld van herkenbare individuele panden wordt in stand gehouden. Panden zijn gericht naar de openbare ruimte. Massa en Vorm Nieuwe bebouwing zal in harmonie met de bestaande bebouwing ontworpen moeten worden. De bouwmassa is compact en op zichzelf staand. Het toepassen van een kapvorm is uitgangspunt voor het bouwplan. De bouwmassa bestaat uit één of twee bouwlagen met kap. De bestaande samenhang en afwisseling in de vormgeving van de kappen in de omgeving is richtinggevend. Ondergeschikte aanbouwen of uitbreidingen op het achterterrein zijn mogelijk. Gevels Bij verbouw en renovatie is respect voor de oorspronkelijke stijl, gevelopbouw en materiaal- en kleurgebruik essentieel. De onderpui en de bovengevel vormen architectonisch een samenhangend geheel. De onderzijde (plint) en de bovenzijde (goot of kroonlijst) geven een horizontale geleding en bakenen het gevelvlak af. Zijgevels die duidelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte worden behandeld als voorgevel. De architectonische eenheid van het oorspronkelijke pand blijft uitgangspunt in geval van splitsing. De individualiteit van de panden blijft bij samenvoeging gehandhaafd. Bij verbouw en renovatie wordt aangesloten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen. De plaatsing en behandeling van de hoofdentree krijgt bijzondere aandacht.
Bij historische gebouwen geen panelen of collectoren aan de voorkant. Materiaalgebruik Bij verbouw of renovatie het oorspronkelijk materiaalgebruik tot uitgangspunt nemen. Bij voorkeur bakstenen en gebakken dakpannen toepassen. Glas, spiegelende oppervlakken, kunststof en trespa worden niet toegepast bij beplating van gevels. Kleurgebruik Bij verbouwing of renovatie het oorspronkelijke kleurgebruik tot uitgangspunt nemen. Voor de hoofdmaterialen worden aardkleuren toegepast, in combinatie met donkere of rode dakpannen. In lichte kleur geschilderde gevels en stucwerk worden toegestaan indien deze kenmerkend zijn voor de omgeving en in getemperd kleurniveau worden toegepast. Detaillering Bij renovatie rekening houden met de kenmerkende ornamentiek zoals overstekken, dakgevellijsten, siermetselwerk en speklagen. Specifieke detaillering van gevelopeningen, balkonhekken, deurluifels en dergelijke met aandacht ontwerpen. Gevelreclame aan panden met een commerciële functie past binnen de structuur en de detaillering van de gevel. Afwerking erven Bij voorkeur hagen toepassen, al dan niet voorzien van open en donker geschilderd hekwerk. De inritten laten de groenstructuur en het wegprofiel intact. De inritten naar erven en achterterreinen zijn beperkt van afmeting en worden uitgevoerd in grind of klinkermateriaal.
Voorafgaand aan de aavraag omgevingsvergunning heeft er een overleg plaatsgevonden tussen de initiatiefnemer en de welstands- en/of monumentencommissie. De initiatiefnemer heeft in dit plan rekening gehouden met de gegeven feedback, in die zin dat de woningen op eenduidige wijze in schuurarchitectuur moeten worden gerealiseerd. Over het algemeen geldt dat de welstandtoets pas verder plaatsvindt bij de aanvraag omgevingsvergunning. Aangezien rekening in dit plan is gehouden met de gegeven feedback, wordt geacht dat er geen belemmeringen zullen zijn.
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
31
3.4.9
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend plan in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid verwoord in de 'Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025','Toekomstvisie Oude IJsselstreek', 'Woonvisie 2018 gemeente Oude IJsselstreek', 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek', 'Visie wonen en zorg 55+', 'Visie op landschap, natuur en groene kernen', 'Oude IJsselstreek Klimaatbestendig - Klimaatlagen', klimaatagenda 2022-2026' en de 'Welstandsnota'.
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
32
Hoofdstuk 4
Aspecten fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd.
4.1
Bodem
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Toets Middels voorliggend plan worden in totaal 15 extra woningen binnen het plangebied mogelijk gemaakt. Woningen zijn bodemgevoelige gebouwen aangezien een woning de bodem raakt, waarin personen langer dan twee uur per dag aanwezig zijn. Derhalve is op 18 december 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door De Klinker B.V. en als Bijlage 1 opgenomen bij deze motivering. Hetzelfde bureau heeft ook een asbestinventarisatie verricht die als Bijlage 2 is opgenomen bij deze motivering. Voor de concrete inhoud van het bodemonderzoek en de asbestinventarisatie wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 1 en Bijlage 2. In onderstaande alinea's worden de belangrijkste resultaten/conclusies beschreven.
Verkennend (asbest)bodemonderzoek Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat: de bodem bestaat overwegend uit matig fijn tot matig grof, zwak tot sterk siltig, zwak tot matig humeus zand; van nature is de bodem plaatselijk zwak tot matig roesthoudend en plaatselijk sterk grindig; het grondwaterniveau bevindt zich ten tijde van het onderzoek op circa 1,7 m-mv. Druppelzones schuur 1 Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: ter plaatse van schuur I heeft het asbestverdachte dak aan weerszijden geen deugdelijke dakgoot en is het terrein onder de druppelzone niet verhard; in de bodem is op zintuiglijke wijze geen asbesthoudend plaatmateriaal
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
33
aangetroffen. Wel bevat de bodem plaatselijk sporen puin; analytisch in de bodem van de zuidelijke druppelzone een berekend asbestgehalte van 51,4 mg/kg ds. aangetroffen. Het gehalte aan asbest overschrijdt daarmee de concentratie aan asbest voor nader onderzoek (½ interventiewaarde). Conform het stroomschema ODA nader onderzoek niet nodig (mits de afwatering als bron kan worden gezien), maar is een sanering wél noodzakelijk; in de bodem van de noordelijke druppelzone is een berekend gehalte aan asbest van 289,5 mg/kg ds. aangetroffen. De concentratie overschrijdt ruimschoots de restnormconcentratie voor asbest. Voor deze druppelzone geldt eveneens een saneringsnoodzaak; de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ dient aangenomen te worden. Druppelzone schuur 2 Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: ter plaatse van schuur II heeft het asbestverdachte hellend dak aan de westzijde geen deugdelijk dakgoot en is het terrein onder de druppelzone niet verhard; in de bodem is op zintuiglijke wijze geen asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen; analytisch in de bodem van de druppelzone een berekend asbestgehalte van 9,35 mg/kg ds. aangetroffen. Er zijn analytisch geen respirabele vezels aangetoond. Het gehalte aan asbest overschrijdt daarmee de restconcentratienorm van 100 mg/kg ds.
uit het Besluit bodemkwaliteit niet; de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ dient echter aangenomen te worden, echter is er geen sanering noodzakelijk. Druppelzone schuur 3 Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: ter plaatse van schuur III heeft het asbestverdachte dak aan de weerszijden geen deugdelijk dakgoot en/of is het terrein onder de druppelzone niet verhard; in de bodem is op zintuiglijke wijze geen asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen; analytisch in de bodem van de druppelzone van het zuidelijk dakvlak een berekend asbestgehalte van 45,2 mg/kg ds. aangetroffen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat hiervan een concentratie van 29,0 mg/kg ds. aan respirabele vezels betreft. De concentratie aan respirabele vezels ligt ruim boven 10 mg/lg ds. hierdoor dient op basis van het stroomschema er een sanering noodzaak; in de bodem van de druppelzone van het noordelijk dakvlak is een concentratie van 152 mg/kg ds. gemeten. Het gehalte overschrijdt daarmee ruimschoots de restnormconcentratie voor asbest en dient de druppelzone te worden gesaneerd; de hypothese ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ dient aangenomen te worden.
Druppelzone schuur 4 Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: ter plaatse van schuur IV heeft het asbestverdachte dak aan de weerszijden geen deugdelijk dakgoot en/of is het terrein onder de druppelzone niet verhard; in de bodem is op zintuiglijke wijze geen asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. Wel is de bodem ter plaatse zwak puinhoudend; analytisch in de bodem van de druppelzone een berekend asbestgehalte van 31,8 mg/kg ds. aangetroffen, daarbij zijn respirabele vezels aangetoond. Het gehalte aan asbest overschrijdt daarmee de restconcentratienorm uit het Besluit bodemkwaliteit niet. Echter is in het grondmengmonster asbestdelen >20 mm aangetroffen. Deze delen zijn conform NEN 5898 niet meegenomen in de uiteindelijke berekening van het asbestgehalte in het grondmengmonster waardoor het gehalte aan asbest naar verwachting hoger zal liggen. Geadviseerd wordt om de druppelzones eveneens te saneren. door het aantreffen van asbest dient de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ aangenomen te worden. (Voormalige) Boomgaard Uit de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat: in de toplaag (tot 0,3 m-mv) geen gehalten aan chloorbestrijdingsmiddelen (OCB) boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond; de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen’ kan daarmee verworpen worden.
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
34
Overig terrein Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: plaatselijk is het perceel (erf) verhard met een asfaltverharding. Het asfalt is niet teerhoudend; onder de asfaltverharding is geen fundering aanwezig; visueel is in de bodem van het overig terrein geen asbestverdacht materiaal waargenomen. De bodem is plaatselijk wel zwak baksteenhoudend en/of bevat het resten baksteen, resten/ sporen kooldeeltjes en resten dakpan; de (baksteen, kooldeeltjes en/of dakpanhoudende) bovengrond ter plaatse van boring 13 is sterk verontreinigd met lood, matig verontreinigd met zink en licht verontreinigd met cadmium, kwik en PAK (10 VROM); in de overige bovengrondmengmonsters is maximaal een licht verhoogd gehalte aan zware metalen (cadmium, lood, zink) en PAK (10 VROM) gemeten; in de ondergrond van het overige terrein zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen; in het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen; de hypothese ‘de locatie is onverdacht op de aanwezigheid van verontreinigingen’ dient door het aantreffen van verontreinigingen verworpen te worden. Geadviseerd wordt middels een nader onderzoek de omvang en ernst van de matige tot sterke verontreinigingen met individuele zware metalen (lood en zink) nader in kaart te brengen. Derhalve heeft De Klinker B.V.
op 7 mei 2024 een nader bodemonderzoek uitgevoerd, waarin de omvang en ernst van de matige tot sterke verontreinigingen met individuele zware metalen (lood en zink) in kaart is gebracht. Het nader bodemonderzoek is als bijlage opgenomen bij deze motivering. Voor de concrete inhoud van het nader bodemonderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 3. In onderstaande alinea's worden de belangrijkste resultaten/conclusies beschreven. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: de bodem op de onderzoekslocatie bestaat overwegend uit matig fijn tot matig grof, zwak tot matig siltig zand; op zintuiglijke wijze is plaatselijk een bijmenging met baksteen, dakpan, grind en/of kooldeeltjes aangetroffen; de in het verkennend onderzoek aangetroffen lood en zinkverontreiniging ter plaatse van boring 13 zijn in horizontale en verticale richting (globaal) afgeperkt; er wordt ingeschat dat ter plaats van boring 13 circa 70 m3 grond verontreinigd is met lood en zink. De grond wordt geclassificeerd als bodemklasse ‘Sterk verontreinigd’; de verontreiniging met lood en zink is in zowel horizontale als in verticale richting globaal afgeperkt tot de bodemklasse wonen/industrie; de aangetroffen verontreiniging zijn waarschijnlijk ontstaan voor 1987. De aangetroffen verontreinigingen geven mogelijk belemmeringen bij de uitvoering van de geplande herinrichting.
Er dient voorafgaand een melding gedaan te worden in het Digitaal Stelsel Omgevingsweg (DSO). Hierbij dient een melding gedaan te worden voor de milieubelastende activiteit (mba) saneren of voor de mba graven in grond met een bodemkwaliteit > interventiewaarde. Er geldt hiervoor een proceduretijd van 4 weken. Als de melding is goedgekeurd, kan worden gestart met de werkzaamheden. Grondwerkzaamheden in sterk verontreinigde grond dienen uitgevoerd te worden door een aannemer welke is gecertificeerd voor de BRL7000 en begeleid te worden door een adviesbureau welke is gecertificeerd voor de BRL6000. Asbestinventarisatie De uitgevoerde asbestinventarisatie is 05-06-2024 akkoord bevonden door de omgevingsdienst. Er mag worden gesloopt. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'bodem' geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van voorliggende ontwikkeling, mits voorafgaand de geplande herinrichting een melding wordt gedaan in het DSO voor de mba 'saneren of graven in grond met een bodemkwaliteit > interventiewaarde'. Pas als de melding is goedgekeurd kan worden gestart met de geplande herinrichting. Derhalve is een verbod opgenomen in de regels van voorliggend TAM IMRO omgevingsplan die toeziet op het feit dat eerst een melding gedaan moet worden alvorens nieuwe bouwwerken gebouwd mogen worden en de daarvoor
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
35
bestemde gronden in gebruik genomen mogen worden.
4.2
Archeologie & Cultuurhistorie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. Toets Archeologie Binnen het projectgebied zullen (graaf)werkzaamheden plaatsvinden om de nieuwbouw woningen te realiseren.
Het plangebied heeft een oppervlak van circa 4.500 m2. Het onderzoeksgebied heeft een oppervlak van circa 3.500 m2. De exacte verstoringsdiepte van de gronden door realisatie van de nieuwbouw is momenteel niet exact bekend. Echter met het oog op vorstvrij funderen dient minimaal rekening gehouden te worden met een verstoringsgdiepte van circa 80 cm onder het maaiveld. De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek laat zien dat de bestaande woning binnen het plangebied als gemeentelijk monument staat geregistreerd. Op de archeologische beleidskaart van de Gemeente Oude IJsselstreek ligt het plangebied in een zone met een gematigde archeologische verwachting (categorie 5). Binnen deze zone is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld en bij plangebieden groter dan 1.000 m2. Het onderzoeksgebied heeft een totale oppervlakte van circa 3.500 m2, waarmee de vrijstellingsgrens van het verstoringsoppervlak wordt overschreden. De bodemingrepen zullen circa tot 80 cm onder het maaiveld bedragen, in verband met vorstvrij funderen en waardoor vrijstellingsgrens van de verstoringsdiepte eveneens wordt overschreden. Een archeologisch onderzoek is noodzakeljik. Op 24 april 2024 is derhalve door Hamaland Advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd.
Het archeologisch onderzoek is als Bijlage 4 opgenomen bij deze motivering, waarbij de boorstaten als Bijlage 5 zijn opgenomen. In het archeologisch onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen twee onderzoeken, te weten: 1. bureauonderzoek; 2. booronderzoek. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies per onderzoek beschreven. Voor de concrete inhoud van het onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 4. Bureauonderzoek Het plangebied bevindt zich in het dal van de Oude IJssel op een hoger gelegen terrasrestrug welke is afgedekt met dekzand. In het dal van de Oude IJssel heeft de bewoning vooral op de rivierduinen en de hoger gelegen rivierterrassen plaatsgevonden. Hier was men veilig voor overstromingen, en waren de vruchtbare gronden en water binnen bereik. Het is daardoor aannemelijk dat er in het plangebied vindplaatsen uit de periode Laat Paleolithicum -
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
36
Mesolithicum kunnen worden verwacht. De ontdekking van een Flint-Ovalbeil uit het Neolithicum in de nabijheid van het plangebied bevestigt dit beeld. De geraadpleegde historische kaarten laten zien dat het plangebied vanaf in ieder geval begin 19e eeuw in gebruik is geweest als landbouwgrond. In het nabijgelegen historische centrum van Gendringen zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd welke bewoningssporen laten zien uit de periode Vroege Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Op grond van het uitgevoerde cartografisch onderzoek blijkt dat begin 20ste eeuw bebouwing wordt gerealiseerd aan de zuidkant van het plangebied. Volgens de huidige eigenaar is de oudste boerderij rond 1880 door zijn overgrootvader gerealiseerd. Rond 1950 is de aanbouw gerealiseerd. De bebouwing is nog steeds aanwezig en is geclassificeerd als gemeentelijk monument. Booronderzoek In het plangebied is sprake van een uniforme bodemopbouw. Deze bestaat uit een 20 tot 30 cm dikke subrecente bouwvoor van grijsbruine gevlekte zandige klei met baksteenpuin. Onder de subrecente bouwvoor is in boring 1, 2 en 3 een bruingrijze gevlekte ploegvoor aanwezig eveneens met baksteenpuin, kiezels en brokjes steenkool (boring 2). In boring 4 en boring 5 ontbreekt deze laag. De ploegvoor gaat geleidelijk over in de natuurlijke afzettingen welke bestaan uit grijze iets zandige klei van de Formatie van Echteld.
De top van deze natuurlijke afzettingen is aangetroffen op dieptes variërend van 25 cm onder het maaiveld in boring 4 tot 70 cm onder het maaiveld in boring 2. De basis van het bodemprofiel bestaat uit grijs fijn dekzand waarvan de top aanwezig is tussen 90 cm onder het maaiveld in boring 4 en 155 cm onder het maaiveld in boring 1. In geen van de boringen is sprake van bodemvorming als gevolg van menselijk handelen in het verleden. De in het plangebied aangetroffen bodems betreffen ooivaaggronden. Selectieadvies Gelet op het vorenstaande wordt een vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. Er zijn geen aanwijzingen voor archeologische vindplaatsen in het plangebied. Eventuele bewoningssporen bevinden zich naar verwachting op de hogere delen van de rivierterrasrestrug aan de oostzijde van het plangebied waar zich ook de historische kern van Gendringen bevindt. De kans is zeer gering dat met de voorgenomen bodemingrepen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen verloren gaan. Selectiebesluit Op 8 januari 2025 heeft de gemeente Oude IJsselstreek de beoordeling ontvangen van het conceptrapport versie 1.2. Het conceptrapport is op 7 januari 2025 namens de gemeente beoordeeld door de Regioarcheoloog (dhr. D. Kastelein) van de ODA. Er zijn geen opmerkingen op het rapport. Het advies uit het rapport om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren kan worden overgenomen.
De tijdens het vooronderzoek aangetroffen bodemgesteldheid geeft geen aanleiding om een archeologische vindplaats binnen het plangebied te vermoeden. Erfgoed Binnen het plangebied is een monumentale boerderij aanwezig met een schuur die voor een deel onderdeel is van het monument. Om de boerderij en schuur te mogen verbouwen, dient advies te worden verkregen van de welstandscommissie. De welstandcommissie heeft meerdere keren een advies uitgebracht. Op 23 mei 2024 is het meest actuele advies uitgebracht. De commissie is akkoord voor wat betreft de aanpak van de monumentale boerderij, onder de voorwaarde dat de dakramen in vorm een verticaler karakter hebben (de hoogte van het dakraam dient groter te zijn dan de breedte van het dakraam). Dit moet blijken uit de bouwkundige tekening. Het principe voor het plaatsen van vijf woningen rechts van de boerderij in de vorm van schuurwoningen is akkoord bevonden door de commissie. Het plan voor de nieuwbouw dient nog wel ter beoordeling aan de commissie te worden voorgelegd. Het advies van de welstandscommissie is als Bijlage 6 opgenomen bij deze motivering. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen.
Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Conclusie
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
37
Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'archeologie & cultuurhistorie' geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Natuur
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.
De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
38
Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Toets Ten behoeve van dit TAM-IMRO omgevingsplan wordt gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden die door Natuurbank Overijssel is uitgevoerd op 26 april 2024, en opgenomen als Bijlage 7 bij deze motivering. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten / conclusies beschreven.
Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 7. Gelders Natuurnetwerk Nederland (GNN) Het plangebied behoort niet tot het GNN. Vanwege de ligging van het plangebied buiten het GNN, hoeft voorliggend plan niet te worden getoetst aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van het GNN. GNN heeft immers geen externe werking. Natura 2000-gebied Het plangebied behoort niet tot een Natura 2000-gebied. Gelet op de duur van de ontwikkelfase en de afstand (ca. 2,8 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (NSG Hetter-Millinger Bruch, mit Erweiterung' kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de depositie van stikstofoxiden in Natura 2000-gebied, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is voor zowel de ontwikkel- als gebruiksfase niet noodzakelijk. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. Voor de aanwezige beschermde soorten geldt een vrijstelling van verbodsbepalingen, omdat sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Mits zorgvuldig gewerkt wordt, kan overtreding van een verbodsbepaling voorkomen worden. Zorgplicht In de Omgevingswet heeft de zorgplicht een belangrijkere betekenis gekregen. Geadviseerd wordt een ecologisch werkprotocol op te stellen. In dit protocol wordt beschreven op welke wijze de voorgenomen activiteiten uitgevoerd kunnen worden, met de minst schadelijke effecten voor (beschermde) planten en dieren òf hoe voorkomen kan worden dat (beschermde) dieren zich tijdens de bouw gaan vestigen in het plangebied (met nadelige gevolgen van dien). Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'natuur' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggende ontwikkeling. Ondanks dat er wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te stellen, is dit niet noodzakelijk aangezien de ecoloog het plangebied op basis van eigen onderzoek had vrijgegeven voor het slopen van bebouwing en verwijderen van planten.
Er waren geen schadelijke effecten voor planten en dieren.
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
39
4.4
Geluid
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluidsgevoelige gebouwen In artikel 3.20 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter. In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
40
Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn; 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; 4. het gecumuleerd geluid de grenswaarde niet overschrijdt; 5. het gezamenlijke geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschrijdt; 6. besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen.
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluid door activiteiten In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten.
Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01
41
geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen Toets Wegverkeerslawaai en spoorwegen Het plangebied ligt aan de Veldweg in Gendringen. Dit is een 30 km/u weg met een lage verkeersintensiteit. Datzelfde geldt voor de andere straten nabij deze locatie. Uit een indicatieve geluidberekening die op 21 maart 2024 is uitgevoerd door de omgevingsdienst en is opgenomen als Bijlage 8 bij deze toelichting, blijkt dat de geluidbelasting op zowel de bestaande woning als de nieuwe woningen onder de standaardwaarde van 53 dB Lden ligt. Daarmee wordt voldaan aan de standaardwaarden uit het Bkl. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk en de minimale eis van 20 dB voor de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie volstaat om te voldoen aan een aanvaardbaar binnenniveau. Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats die mogelijk voor geluidsoverlast kunnen zorgen voor de nieuwe woningen. Met uitvoering van dit plan worden geen activiteiten toegestaan die mogelijk effect hebben op de nabijgelegen gevoelige bestemmingen. Onderzoek naar industrielawaai wordt niet noodzakelijk geacht. Geluid door belastende activiteiten Met de uitvoering van voorliggend plan worden nieuwe woningen welke geluidgevoelig objecten zijn mogelijk gemaakt.
Echter vindt dit plaats in een bestaande woonwijk met uitsluitend andere woningen in de nabijheid van het plangebied. De instructieregels uit het Bkl zijn niet van toepassing op woonactiviteiten. Derhalve wordt een onderzoek naar geluid door belastende activiteiten niet noodzakelijk geacht. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'geluid' geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van voorliggende ontwikkeling.
4.5
Luchtkwaliteit
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen;
TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01