CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16.pdf

Raadsvergadering 25 september 2025, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 5: Vaststelling omgevingsplan Veldweg 12a-16 Gendringen35.974 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Zienswijzen

Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling. Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 5 juni voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

60

zienswijzen binnengekomen.

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

61

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

62

Bijlagen bij de motivering

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

63

Bijlage 1

Verkennend (asbest)bodemonderzoek

TAM-omgevingsplan Kom Gendringen, locatie Veldweg 12A-16 NL.IMRO.1509.OP000002-VA01

64

De Klinker Milieu Adviesbureau

VERKENNEND BODEMONDERZOEK volgens NEN 5740 en VERKENNEND ASBESTONDERZOEK volgens NEN 5707 Veldweg 14-16 Gendringen

Datum:

18 december 2023

Adviesbureau:

De Klinker B.V. Verlengde Ooyerhoekseweg 9 7207 BJ Zutphen 0575-517298

Rapportnummer:

K2320295

Opdrachtgever:

’t Bonte Paard Advies Wehlseweg 87 6941 DK Didam

Auteur: J.F. Eggink

Paraaf

Gecontroleerd door N. Looman

Paraaf

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING .........................................................................................................................................3 2 VOORONDERZOEK ............................................................................................................................4 2.1 Wat is de afbakening onderzoekslocatie...................................................................................4 2.2 Locatie informatie .....................................................................................................................4 2.3 Locatie-inspectie........................................................................................................................5 2.4 Historische kaarten....................................................................................................................6 2.5 Informatie Overheid ..................................................................................................................7 2.6 Bodemkwaliteitskaart ...............................................................................................................7 2.7 Asbestdakenkaart ......................................................................................................................7 2.8 PFAS

...........................................................................................................................................8 2.9 Bodemopbouw en geohydrologie .............................................................................................8 2.10 Beïnvloeding vanuit de omgeving .............................................................................................9 2.11 Uitgevoerde bodemonderzoeken .............................................................................................9 2.12 Bodemonderzoek noodzakelijk? ...............................................................................................9 2.13 Hypothese en strategie .......................................................................................................... 10 3 ONDERZOEKSOPZET EN UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ......................................................... 11 3.1 Onderzoeksopzet.................................................................................................................... 11 3.2 Veldonderzoek........................................................................................................................ 11 3.3 Chemisch onderzoek ..............................................................................................................

12 4 ONDERZOEKSRESULTATEN ............................................................................................................ 14 4.1 Globale bodemopbouw .......................................................................................................... 14 4.2 Zintuiglijke waarnemingen ..................................................................................................... 14 4.3 Veldmetingen ......................................................................................................................... 14 4.4 Waarnemingen in het kader van aanwezigheid van asbest ................................................... 15 4.5 Toetsingskader ....................................................................................................................... 15 4.5.1 Wet bodembescherming ................................................................................................ 16 4.5.2 Besluit bodemkwaliteit................................................................................................... 16 4.5.3 Asfalt ............................................................................................................................... 17 4.5.4 Asbest .............................................................................................................................

17 4.6 Analyseresultaten asbest ....................................................................................................... 17 4.6.1 Interpretatie analyseresultaten asbest .......................................................................... 18 4.7 Beslisschema Omgevingsdienst.............................................................................................. 19 4.8 Analyseresultaten PAK in asfalt .............................................................................................. 20 4.9 Analyseresultaten grond en grondwater ............................................................................... 20 4.9.1 Interpretatie analyseresultaten grond en grondwater .................................................. 21 4.10 Toetsing hypothese ................................................................................................................ 22 4.11 Asbestverontreiniging ............................................................................................................ 23 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 24 5.1 Conclusies ...............................................................................................................................

24 5.1.1 Druppelzone schuur I ..................................................................................................... 24 5.1.2 Druppelzone schuur II .................................................................................................... 24 5.1.3 Druppelzone schuur III ................................................................................................... 25 5.1.4 Druppelzone schuur IV ................................................................................................... 25 5.1.5 (Voormalige) Boomgaard ............................................................................................... 25 5.1.6 Overig terrein ................................................................................................................. 25 5.2 Algemeen................................................................................................................................ 26

Rapportnummer: K2320295

1

BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8:

Ligging onderzoekslocatie Boorstaten en zintuiglijke waarnemingen Analyseresultaten Toetsingstabellen Situering monsterpunten Checklist vooronderzoek Historische informatie Foto’s onderzoek

Rapportnummer: K2320295

2

1 INLEIDING ’t Bonte Paard Advies heeft aan De Klinker Milieu Adviesbureau een opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een asbest in grondonderzoek conform de NEN 5707 op de locatie Veldweg 14-16 te Gendringen (gemeente Oude IJsselstreek). De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 5.246 m2. In bijlage 1 is de regionale ligging opgenomen en bijlage 5 een overzicht van de onderzoekslocatie. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen eigendomsoverdracht en een herontwikkeling van de locatie. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Het door De Klinker Milieu Adviesbureau gehanteerde kwaliteitssysteem en de toepassing daarvan voldoet aan NEN-EN-ISO 9001:2015. Tussen De Klinker Milieu Adviesbureau en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie die de onafhankelijkheid en integriteit zou kunnen beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. In voorliggende rapportage wordt een overzicht gegeven van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek. In hoofdstuk 2 worden de tijdens het vooronderzoek verzamelde informatie, de globale bodemopbouw, de geohydrologische gegevens en de hypotheses weergegeven.

Hoofdstuk 3 presenteert de onderzoeksopzet en de uitgevoerde werkzaamheden. Vervolgens worden de onderzoeksresultaten weergegeven in hoofdstuk 4. Tot slot worden de conclusies en aanbevelingen gepresenteerd in hoofdstuk 5.

Rapportnummer: K2320295

3

2

VOORONDERZOEK

Onderstaand wordt de informatie gepresenteerd die tijdens uitvoering van het vooronderzoek is verzameld. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (2017). Hierbij is getracht uit diverse bronnen de voorgeschreven onderzoeksvragen te beantwoorden. In bijlage 6 is de tabel uit de NEN 5740 met de diverse aanleidingen voor bodemonderzoek weergegeven, alsmede een checklist van de verplichte vooronderzoeksaspecten. De gekozen aanleiding van het vooronderzoek is ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’ (optie A uit de NEN 5725). In onderstaande alinea’s worden de te beantwoorden onderzoeksvragen weergegeven en beantwoord. Hierbij is (indien van toepassing) tevens de bron van de informatie weergegeven. 2.1 Wat is de afbakening onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft het perceel, kadastraal bekend als gemeente Gendringen (GDG00), sectie K, perceelnummer 84 en 2453 (bron: Kadaster). Voor het vooronderzoek zijn gegevens van zowel de onderzoekslocatie als de direct aangrenzende percelen bekeken.

Figuur 1: Overzicht onderzoekslocatie (blauw omkadert)

2.2 Locatie informatie Op basis van het vooronderzoek kan geconcludeerd worden dat op het perceel, Veldweg 14-16, een woonhuis is gesitueerd, welke is gebouwd omstreeks 1900. Het woonhuis bestaat uit een voorhuis en een dwarsgelegen achterhuis/schuur en is geregistreerd op de lijst van gemeentelijke monumenten in Gendringen. De bebouwingen zijn voorzien van een zadeldak bedekt met dakpannen. Voor de locatie is in 1951 een bouwvergunning verleend voor een uitbreiding van de boerderij. In de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn eveneens vergunningen verleend voor de bouw van kippenhokken en een kapschuur. Op luchtfoto’s zijn op het perceel enkele bijgebouwen zichtbaar, welke bedekt zijn met een golfplaten dakbedekking. Dit wordt (deels) bevestigd door de Asbestdakenkaart Gelderland. Het perceel rondom de bebouwing is in gebruik als weide met fruitbomen. Het perceel bekend als nummer 2453 is nagenoeg onbebouwd en bestaat uit een grasveld met groene zone (bomen/struiken). Rondom wordt het perceel begrenst door woonpercelen. Er zijn geen gegevens bekend over het (voormalig) gebruik van een brandstoftank op de locatie. Rapportnummer: K2320295

4

De voormalige boomgaard naast de boerderij wordt als ‘verdachte’ deellocatie opgenomen in onderhavig onderzoek. Daarnaast zijn de opstallen met een asbestverdachte dakbedekking en waar geen dakgoot aanwezig is, waardoor asbestvezels met het regenwater uit kunnen spoelen naar het maaiveld, als verdacht aangemerkt. 2.3 Locatie-inspectie Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden op 7 december 2023 heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden. Op het perceel is een hoofdbebouwing bestaande uit woonhuis met aangrenzende schuur aanwezig. Op het achterterrein zijn meerdere kleine bouwwerken aanwezig (schuurtjes) welke bedekt zijn met een asbestverdachte dakbedekking. De daken van deze bouwwerken zijn niet voorzien van een deugdelijke dakgoot. De zogeheten ‘druppelzones’ zijn onverhard. Opgemerkt wordt dat het terrein rondom de bouwwerken plaatselijk sterk overgroeid is door vegetaties. Op het zuidoostelijk deel van het perceel zijn fruitbomen aanwezig. Het westelijk deel van de onderzoekslocatie bestaat uit een grasveld met een groene zone bestaande uit plantsoenbeplanting. Rondom dit perceel zijn woonpercelen met geschakelde woningen gelegen, bekend als Veldweg, Beukenstraat en Oosterstraat. Het terrein rondom de bebouwingen is plaatselijk verhard met een elementenverharding (tegels) en plaatselijk met een asfaltverharding. Onder de asfaltverharding is geen fundering aanwezig.

Onderstaande foto’s geven een indruk van de onderzoekslocatie ten tijde van de locatie-inspectie. In bijlage 8 zijn meer foto’s van de onderzoekslocatie opgenomen.

foto 1

foto 2

foto 3

foto 4

foto 5

foto 6

foto 7

foto 8

foto 9

Rapportnummer: K2320295

5

Er bevonden zich aan de daken van de bouwwerken gesitueerd op het noordelijk terreindeel geen dakgoten. Het terreindeel ter plaatse is onverhard. Door verwering van de golfplaten dakbedekking kunnen asbestvezels met het regenwater uitspoelen en op/in de bodem terecht komen. Als er geen sprake is van een deugdelijke dakgoot en er is geen gesloten verharding, kunnen de vezels in de bodem terechtkomen. De zogenaamde druppelzones zijn in dat geval verdacht op het voorkomen van asbest. De desbetreffende druppelzones zijn in onderhavig onderzoek als ‘verdachte’ deellocatie onderzocht.

Figuur 2: Overzicht verdachte druppelzones (rood gearceerd)

2.4 Historische kaarten Onderstaand een schematische weergave van historische kaarten, afkomstig van www.topotijdreis.nl, uit de periode van 1920 tot heden. De eerste bebouwingen op de onderzoekslocatie zijn op kaarten al van 1920 zichtbaar, het betreft het woonhuis. Daarvoor maakte de locatie deel uit van een uitgestrekt agrarisch gebied aan de rand van het dorp Gendringen. De wijk ten noorden van de onderzoekslocatie is vanaf eind jaren zestig van de vorige eeuw ontwikkeld. Voor zover bekend hebben er geen ophogingen plaatsgevonden en zijn er geen sloten gedempt. Er zijn op de historische kaarten, voor zover zichtbaar, geen verdachte zaken waar te nemen die betrekking hebben op het voorkomen van bodembedreigende activiteiten.

1920

Rapportnummer: K2320295

1940

1975

6

1980

2000

2022

2.5 Informatie Overheid Bij gemeente Oude IJsselstreek zijn geen relevante bodem- en milieudossiers van de onderzoekslocatie bekend. In Omgevingsrapportage Gelderland zijn van de onderzoekslocatie eveneens geen gegevens bekend. Ook van nabij gelegen percelen van de onderzoekslocatie zijn geen relevante bodemgegevens bekend. 2.6 Bodemkwaliteitskaart De locatie is volgens de bodemkwaliteitskaart gelegen in deelgebied ‘wonen voor 1970’ met de volgende bodemkwaliteitsklassen: - Ontgravingskwaliteit: Wonen - Bodemfunctieklasse: Wonen - Toepassingsklasse: Wonen (bron: Bodemkwaliteitskaart Achterhoek + Nota Bodembeheer Regio Achterhoek 2020). 2.7 Asbestdakenkaart Enkele daken van de bijgebouwen binnen het onderzoeksgebied zijn volgens de provinciale asbestdakenkaart verdacht op de aanwezigheid van asbest. Onderstaand figuur 3 is een uitsnede van de asbestdakenkaart provincie Gelderland.

Figuur 3: Uitsnede asbestdakenkaart (Gelderland)

Rapportnummer: K2320295

7

Tijdens de locatie-inspectie is bevestigd dat de daken van deze bijgebouwen verdacht zijn op asbest. Op direct aangrenzende percelen zijn geen bebouwingen aanwezig welke verdacht zijn op een asbestverdachte dakbedekking. Tijdens het veldonderzoek zijn eveneens geen bebouwingen met golfplaten aangetroffen welke direct aan het onderzoeksgebied grenzen. De druppelzones van de bijgebouwen met een asbestverdachte dakbedekking (zonder deugdelijke dakgoot en zonder verharding onder de ‘druppelzone’) zijn als verdachte deel 2.8 PFAS PFAS is een verzamelnaam en staat voor poly- en perfluoroalkylstoffen. Deze groep chemische stoffen is door mensen gemaakt en komt van nature niet in het milieu voor. PFAS hebben handige eigenschappen. Ze zijn onder andere water-, vet- en vuilafstotend. PFAS zitten in verschillende producten. Zoals in smeermiddelen, voedselverpakkingen, blusschuim, antiaanbaklagen van pannen, kleding, textiel en cosmetica. Ook worden ze gebruikt in verschillende industriële toepassingen en processen. Door het gebruik van deze producten, door fabrieksemissies en incidenten zijn PFAS in het milieu terechtgekomen. PFAS breken niet af en zitten nu onder andere in de bodem, in bagger en in het grondwater. PFAS kunnen een negatief effect hebben op het milieu en de gezondheid van mensen.

Op 8 juli 2019 is een tijdelijk handelingskader in werking getreden voor hergebruik van PFAS - houdende grond en baggerspecie. De initiatiefnemers van grondverzet moeten de kwaliteit van de grond voor PFAS inzichtelijk maken in te verzetten grond en baggerspecie, die op of in de landbodem of in het oppervlaktewater wordt toegepast. Het tijdelijk handelingskader is op 29 november 2019 en op 2 juli 2020 geactualiseerd. Op 29 november 2019 zijn voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFASgehalten gedefinieerd, evenals voorlopige toepassingswaarden in verschillende toepassingssituaties. Op 2 juli 2020 zijn de voorlopige landelijke achtergrondwaarden aangepast en voor een aantal toepassingssituaties in een oppervlaktewaterlichaam de toepassingswaarden gewijzigd. Binnen onderhavig onderzoeksgebied zijn voor zover bekend geen bronnen aanwezig of aanwezig geweest en hebben zich geen calamiteiten voorgedaan welke de locatie verdacht maken op de aanwezigheid van PFAS. Opgemerkt dient te worden dat brandincidenten waarbij mogelijk PFAShoudend bluswater is gebruikt voor zover bekend niet zijn geregistreerd. 2.9 Bodemopbouw en geohydrologie Als uitgangspunt voor de bodemsamenstelling en de geohydrologische situatie is boring B41C0103 van het Dinoloket gekozen. Deze boring is in de nabijheid van de locatie uitgevoerd. De bodemopbouw laat zich globaal als volgt beschrijven:

Figuur 4: Regionale bodemopbouw (bron: Dinoloket)

De regionale grondwaterstroming is zuidoostelijk gericht (bron: Grondwatertools). Rapportnummer: K2320295

8

2.10 Beïnvloeding vanuit de omgeving Op basis van de kaarten uit gisviewer.odachterhoek is gebleken dat op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie geen verontreinigings-, sanerings- en/of zorgmaatregelcontouren bekend zijn. Op het perceel Grotestraat 44 is echter een restverontreiniging aanwezig. De locatie is gelegen op ruim 150 meter in oostelijke richting van onderhavige onderzoekslocatie. In de bodemviewer van Omgevingsdienst Achterhoek zijn eveneens geen gegevens bekend over de ligging van (voormalige) ondergrondse brandstoftanks op de onderzoekslocatie of direct aangrenzende percelen. Op het perceel Veldweg 3 is in de periode van 1980 tot 1995 een ondergrondse HBO-tank in gebruik geweest. 2.11 Uitgevoerde bodemonderzoeken In de omgeving van het onderzoeksgebied zijn bodemonderzoeken uitgevoerd (bron: Gemeente Oude IJsselstreek en Omgevingsrapportage Gelderland). In onderstaande tabel 2.1 een kort overzicht van de beschikbare bodemgegevens/-dossiers: Tabel 2.1: Overzicht uitgevoerde bodemonderzoeken Locatie

Datum

Omschrijving/auteur

Status/conclusie

Dahliastraat 1

2014

Verkennend bodemonderzoek (Rouwmaat)

n.b.

Grotestraat 70

1994

Verkennend bodemonderzoek (Ecopart B.V.)

Licht tot matig verontreinigd, voldoende onderzocht

Veldweg 1a en 2

2006

Verkennend bodemonderzoek (Econsultancy) Licht verhoogd PAK (10 VROM), vold. Onderzocht

Veldweg 3

1994 1994

Indicatief onderzoek (n.b.) Nul- of eindsituatieonderzoek (WLO)

Potentieel verontreinigd, voldoende onderzocht

Veldweg 1a en 2 Gendringen Op de locatie is het volgende bodemonderzoek uitgevoerd: 1. Verkennend bodemonderzoek, Econsultancy B.V., project 06092537, 18 oktober 2006. Ad 1: Op de locatie heeft een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. Aanleiding tot het onderzoek is een voorgenomen nieuwbouw op de locatie. Uit het vooronderzoek zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen welke wijzen op de aanwezigheid van een verontreiniging. Op zintuiglijke wijze is tijdens het onderzoek in de ondergrond plaatselijk zwak tot matig puin aangetroffen. Op analytische wijze is in de bovengrond geen van de onderzochte stoffen verhoogd gemeten. In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan PAK (10 VROM) aangetoond. In het grondwater zijn eveneens geen verontreinigingen geconstateerd.

Van de overige bovengenoemde locaties zijn digitaal geen relevante bodemgegevens beschikbaar. Gelet op de resultaten en de afstand tot de onderzoekslocatie zijn vanuit de omgeving geen zaken bekend die van invloed kunnen zijn op de bodemkwaliteit van de huidige onderzoekslocatie. 2.12 Bodemonderzoek noodzakelijk? De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is niet bekend. Op de locatie is een (voormalige) boomgaard aanwezig welke verdacht is op het voorkomen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn de druppelzones (onverharde strook onder asbestverdachte dakbedekking van de bijgebouwen op het noordelijke terreindeel) als asbestverdachte deellocaties aangemerkt. Verder zijn er op de locatie geen aanwijzingen dat de locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging en wordt de rest van de locatie onderzocht als onverdachte locatie aangemerkt.

Rapportnummer: K2320295

9

2.13 Hypothese en strategie De hypotheses en onderzoeksstrategieën zijn weergegeven in tabel 2.1. Tabel 2.1: Geselecteerde deellocaties en hypothese Deellocatie (Vml.) Boomgaard

Druppelzone schuur I

Druppelzone schuur II

Druppelzone schuur III

Druppelzone schuur IV

Overig terrein

Oppervlakte/ Hypothese lengte (m²/m1) <500 m2 Verdacht, plaatselijke bodembelasting 2 x 12 m1 Verdacht, plaatselijke bodembelasting 1 x 14 m1 Verdacht, plaatselijke bodembelasting 2 x 8 m1 Verdacht, plaatselijke bodembelasting 2 x 5 m1 Verdacht, plaatselijke bodembelasting 5.246 m2 Onverdacht

Verdachte stoffen

Strategie*

OCB’s

Verdachte bodemlaag Toplaag

Asbest

Toplaag

NEN 5707 paragraaf 6.4.4

Asbest

Toplaag

NEN 5707 paragraaf 6.4.4

Asbest

Toplaag

NEN 5707 paragraaf 6.4.4

Asbest

Toplaag

NEN 5707 paragraaf 6.4.4

-

-

ONV-NL

NEN 5740 (VED-HO)

* Strategie: VED-HO = Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, homogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming. ONV-NL = onverdachte, niet lijnvormige locatie

Indien in de geanalyseerde monsters geen van de onderzochte stoffen aanwezig zijn in een concentratie boven de achtergrondwaarde/streefwaarde uit de “Circulaire bodemsanering 2013” (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) en of de achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage 4, Staatscourant 247, 20 december 2007 en de wijzigingen hierop) wordt de hypothese ‘onverdacht’ aangenomen en/of de hypothese ‘verdacht’ verworpen.

Rapportnummer: K2320295

10

3

ONDERZOEKSOPZET EN UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN

3.1 Onderzoeksopzet De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 5.246 m2. Het aantal boringen, gaten en peilbuizen en het aantal te analyseren grond- en grondwatermonsters is omschreven in NEN 5740 en/of NEN 5707 en is afhankelijk van de verdachtheid en de oppervlakte van de locatie. In tabel 3.1. worden de uit te voeren veld- en laboratorium werkzaamheden weergegeven. Tabel 3.1: Uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden Locatie

Veldwerk

Analyses

(Vml.) Boomgaard

6 boringen tot 0,3 m-mv

1 x OCB-pakket grond (laag 0,0-0,3 m-mv)

Druppelzone schuur I

6 gaten 0,3 x 0,3 m tot 0,1 m-mv

1 x Asbest in grond (NEN 5898) (laag 0,0-0,1 m-mv)

Druppelzone schuur II

4 gaten 0,3 x 0,3 m tot 0,1 m-mv

1 x Asbest in grond (NEN 5898) (laag 0,0-0,1 m-mv)

Druppelzone schuur III

6 gaten 0,3 x 0,3 m tot 0,1 m-mv

1 x Asbest in grond (NEN 5898) (laag 0,0-0,1 m-mv)

Druppelzone schuur IV

4 gaten 0,3 x 0,3 m tot 0,1 m-mv

1 x Asbest in grond (NEN 5898) (laag 0,0-0,1 m-mv)

Overig terrein (5.246 m2)

12 boringen tot 0,5 m-mv, en

2 x Standaardpakket grond + As (laag 0,0-0,5 m-mv)

3 boringen tot 2,0 m-mv en

2 x Standaardpakket grond + As (laag 0,5-2,0 m-mv)

1 peilbuis

1 x Standaardpakket (grondwater)

De opgeboorde grond wordt in trajecten van maximaal 50 cm bemonsterd, of anders afhankelijk van de veldwaarnemingen en bodemlagen. 3.2 Veldonderzoek In tabel 3.2 worden de verrichte veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 3.2: Verrichte veldwerkzaamheden Locatie

Aantal gaten/boringen (excl. peilbuizen)

Aantal peilbuizen

(Vml.) Boomgaard

6 boringen tot 0,30 m-mv (W1 t/m W6)

-

Druppelzone schuur I

6 gaten 0,3 x 0,3 tot 0,10 m-mv (G01 t/m G06)

-

Druppelzone schuur II

4 gaten 0,3 x 0,3 tot 0,10 m-mv (G07 t/m G10)

-

Druppelzone schuur III

6 gaten 0,3 x 0,3 tot 0,10 m-mv (G11 t/m G16)

-

Druppelzone schuur IV

4 gaten 0,3 x 0,3 tot 0,10 m-mv (G17 t/m G20)

-

Overig terrein (5.246 m2)

12 boringen tot 0,50 m-mv (03 t/m 11, 13, 14, 15) 1 boring tot 0,60 m-mv (17) 3 boringen tot 2,0 m-mv (02, 12, 16)

1 peilbuis (Pb01, 2,20-3,20 m-mv)

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 24 november 2023 (boorwerkzaamheden) door de heren R. Kinnaer en D. van Konijnenburg (boorwerkzaamheden). De monsterneming van het grondwater heeft plaatsgevonden op 5 december 2023 en is uitgevoerd door de heer R. Kinnaer. Zowel De Klinker Milieu Adviesbureau als de heren Kinnaer en Van Konijnburg zijn erkend voor het uitvoeren van deze werkzaamheden (certificaat K25343/16). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de normen van het Nederlands Normalisatie Instituut. Tevens is gewerkt conform de Beoordelingsrichtlijnen "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek" (BRL-SIKB 2000) en de daarbij behorende protocollen 2001, 2002 en 2018.

Rapportnummer: K2320295

11

Tijdens het uitvoeren van het veldwerk is de grond zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van verontreinigingen en is het opgeboorde materiaal gekarakteriseerd en vastgelegd in boorbeschrijvingen. Bij het zintuiglijk beoordelen wordt door middel van geur en aanblik van de opgeboorde grond een eerste indruk verkregen. Verder wordt door middel van de "olie-op-water"proef een indicatie verkregen omtrent de aanwezigheid van olie-achtige verontreinigingen. De zintuiglijke waarnemingen en boorprofielen zijn vermeld in bijlage 2. De foto’s van de boorgaten zijn opgenomen in bijlage 8. 3.3 Chemisch onderzoek De geanalyseerde (meng)monsters en hun samenstelling staan weergegeven in tabel 3.3. Tabel 3.3: Geanalyseerde (meng)monsters en hun samenstelling Deellocatie

Monster

Samenstelling

Traject (m-mv)

Analyse

(Vml.) Boomgaard

MMOCB01 G

W1-1, W3-1, W5-1, W6-1

0,00-0,30

OCB-pakket

Druppelzone schuur I

ASB01 ASB02

A A

G01-1, G02-1, G03-1 G04-1, G05-1, G06-1

0,00-0,10 0,00-0,10

Asbest in grond (NEN 5898) Asbest in grond (NEN 5898)

Druppelzone schuur II

ASB03

A

G07-1, G08-1, G09-1, G10-1

0,00-0,10

Asbest in grond (NEN 5898)

Druppelzone schuur III

ASB04 ASB05

A A

G11-1, G12-1, G13-1 G14-1, G15-1, G16-1

0,00-0,10 0,00-0,10

Asbest in grond (NEN 5898) Asbest in grond (NEN 5898)

Druppelzone schuur IV

ASB06

A

G17-1, G18-1, G19-1, G20-1

0,00-0,10

Asbest in grond (NEN 5898)

Overig terrein

MMBG01

G

Pb01-1, 03-1, 06-1, 07-1

0,00-0,50

Standaardpakket grond + As*

MMBG02

G

13-1

0,00-0,50

Standaardpakket grond + As*

MMBG03

G

02-1, 04-1, 08-1, 09-1, 10-1, 11-1, 12-1, 0,00-0,50 14-1, 15-1

Standaardpakket grond + As*

MMOG04

G

16-2

0,50-0,80

Standaardpakket grond + As*

MMOG05

G

Pb01-2, Pb01-4, 02-2, 02-3, 02-4

0,50-2,00

Standaardpakket grond + As*

MMOG06

G

12-2, 12-4, 16-2, 16-3, 16-4

0,50-2,00

Standaardpakket grond + As*

Pb01

W Pb01-1

2,20-3,20

Standaardpakket grondwater

ASF

AS 17-3

0,00-0,08

PAK (10 VROM) in asfalt

G = grond W = grondwater A = grondmonsters i.k.v. asbestonderzoek AS= asfalt * Door het van nature voorkomen van roest en oer in de bodem zijn de grondmonsters aanvullend geanalyseerd op arseen.

Het samenstellen van de mengmonsters en het asfalt en de grond- en grondwateranalyses is uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. (Raad voor de Accreditatie (RvA)- erkend laboratorium (NENEN-ISO/IEC 17025). Tevens is SGS Environmental Analytics B.V ISO 14001 (2004) gecertificeerd en AS 3000 erkend. De asbest in grond analyses zijn door SGS Environmental Analytics B.V. conform AP04 geanalyseerd op asbest (NEN 5898).

Rapportnummer: K2320295

12

In de onderstaande tabel worden de samenstelling van de standaard analysepakketten weergegeven. Tabel 3.4: Samenstelling standaard analysepakketten Grond

Grondwater

Zware metalen: Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn

*

*

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK (10 van VROM))

*

PCB (7)

*

Minerale olie

*

*

Vluchtige aromaten, incl. naftaleen en styreen

*

Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (incl. vinylchloride, chloorpropanen en bromoform)

*

Geleidbaarheid, pH en troebelheid

*

Organische stof en lutum

*

Aanvullend zware metalen: As

*

Door het op zintuiglijke wijze aantreffen van roest in de bodem zijn de grondmonsters aanvullend op het zware metaal arseen onderzocht.

Rapportnummer: K2320295

13

4

ONDERZOEKSRESULTATEN

4.1 Globale bodemopbouw Een globale beschrijving van de bodemopbouw is opgenomen onderstaande tabel. Het is de beschrijving van de bodemopbouw ter plaatse van boring Pb01, welke is afgewerkt als peilbuis van onderhavig onderzoek. Tabel 4.1: Lokale bodemopbouw Diepte [m-mv] 0,00-0,50 0,50-0,80 0,80-1,30 1,30-1,60 1,60-2,40 2,40-3,20

Bodemsamenstelling Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus Zand, matig fijn, sterk siltig, zwak humeus Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus Zand, matig fijn, matig siltig Zand, matig grof, zwak siltig, sterk grindig Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig

Kleur Donkerbruin Neutraalbruin Neutraalbruin Licht geelbruin Neutraal geelbruin Lichtbruin

Opmerkingen Zwak roesthoudend Matig roesthoudend -

4.2 Zintuiglijke waarnemingen De tijdens de veldwerkzaamheden waargenomen zintuiglijke afwijkingen in de bodem zijn weergegeven in tabel 4.2. Tabel 4.2: Zintuiglijke afwijkingen Boring

Traject (m-mv)

03 05 06 07 13 16

0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,50-0,80 0,00-0,10 0,00-0,10 0,00-0,10 0,00-0,10 0,00-0,10 0,00-0,10 0,00-0,10 0,00-0,10

G01 G02 G03 G04 G05 G06 G17 G18

Zintuiglijke afwijking Zwak baksteenhoudend Zwak baksteenhoudend Zwak baksteenhoudend Zwak baksteenhoudend Resten baksteen, resten kooldeeltjes, resten dakpan Resten baksteen Sporen kooldeeltjes Sporen puin Sporen puin Sporen puin Sporen puin Sporen puin Sporen puin Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend

4.3 Veldmetingen Bij bemonstering van het grondwater uit de peilbuis is de grondwaterstand, de zuurgraad (pH), geleidbaarheid en de troebelheid gemeten. De meetresultaten zijn opgenomen in tabel 4.3. Tabel 4.3: Grondwaterstand, zuurgraad, geleidbaarheid en de troebelheid grondwater Peilbuis

Plaatsingsdatum

Bemonsteringsdatum

Filterstelling (m-mv)

Grondwaterstand (m-mv)

Zuurgraad pH

Geleidbaarheid EGV (µS/cm)

Troebelheid (ntu)

Pb01

24-11-2023

05-12-2023

2,20-3,20

1,70

5,8

310

0,8

Geen van de gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden.

Rapportnummer: K2320295

14

4.4 Waarnemingen in het kader van aanwezigheid van asbest Ten tijde van het veldonderzoek heeft een visuele beoordeling van asbest op de bodem plaatsgevonden (maaiveld inspectie). Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Opgemerkt wordt dat een deel van het perceel is bebouwd en/of is verhard. Op de locatie zijn in het kader van onverharde druppelzones in totaal twintig gaten ter plaatse van de bijgebouwen (schuur I t/m IV) gegraven. De grond uit de gegraven gaten is gezeefd en beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. In onderstaande tabel 4.3 staan de resultaten weergegeven. De gezeefde grond is bemonsterd. Tabel 4.3: Waarnemingen asbest Gat

Lengte (cm)

Breedte (cm)

G1 G2 G3 G4 G5 G6

30 30 30 30 30 30

30 30 30 30 30 30

G7 G8 G9 G10

30 30 30 30

30 30 30 30

G11 G12 G13 G14 G15 G16

30 30 30 30 30 30

30 30 30 30 30 30

G17 G18 G19 G20

30 30 30 30

30 30 30 30

Diepte (cm) Druppelzone schuur I 10 10 10 10 10 10 Druppelzone schuur II 10 10 10 10 Druppelzone schuur III 10 10 10 10 10 10 Druppelzone schuur IV 10 10 10 10

Aantal stukjes asbest

Gewicht asbest

geen geen geen geen geen geen

-

geen geen geen geen

-

geen geen geen geen geen geen

-

geen geen geen geen

-

De grond uit de gegraven gaten is geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Ten hoogte van deze druppelzones is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Wel is een bijmenging met sporen puin tot zwak puinhoudend aangetroffen. De opgeboorde grond uit de boringen van de (vml.) boomgaard en het overige terrein is eveneens visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. In de bodem is geen ‘asbestverdacht’ materiaal aangetroffen. Wel is in de bodem plaatselijk een bijmenging met baksteen en/of kooldeeltjes aangetroffen. Opgemerkt dient te worden dat er geen verkennend asbestonderzoek conform NEN-5707 “Monsterneming en analyse van asbest in bodem” of NEN-5897 “Monsterneming en analyse van asbest in bouw- en sloopafval en puingranulaat” op het overige terrein heeft plaatsgevonden. 4.5 Toetsingskader De analyseresultaten van de onderzochte monsters worden vergeleken met de waarden van de toetsingstabel uit de circulaire “Circulaire bodemsanering 2013” (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) en achtergrondwaarden en maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage 4, Staatscourant 247, 20 december 2007 en de wijzigingen hierop). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de, door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa). Rapportnummer: K2320295

15

4.5.1 Wet bodembescherming De in deze tabel genoemde toetsingswaarden hebben de volgende betekenis: achtergrond-/streefwaarde1 tussenwaarde2

= =

interventiewaarde

=

referentiewaarde referentiewaarde voor nader onderzoek grond: 1/2(AW+I-waarde) grondwater: 1/2(S+I-waarde) toetsingswaarde voor sanering of saneringsonderzoek

De achtergrond-, tussen- en interventiewaarden voor een aantal stoffen in de bodemmonsters zijn afhankelijk van het gehalte aan organische stof en lutum. Deze gehalten zijn in het laboratorium bepaald en verwerkt in de toetsingstabel (zie bijlage 3 voor de analyseresultaten en bijlage 4 voor de toetsing). Voor de beoordeling van de verontreinigingssituatie wordt behalve met de toetsingstabel, ook rekening gehouden met de zintuiglijke waarnemingen en eventueel met het gebruik van de bodem. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: kleiner dan de achtergrond-/streefwaarde tussen achtergrondwaarde en tussenwaarde tussen tussenwaarde en interventiewaarde groter dan de interventiewaarde

= = = =

niet verontreinigd licht verontreinigd matig verontreinigd sterk verontreinigd

De locatie wordt als verontreinigd beschouwd, indien in een (meng)monster stoffen aanwezig zijn in een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde. Overschrijding van de tussenwaarde houdt in dat er een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat en dat een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Als voor tenminste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger is dan de interventiewaarde is het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bevestigd. Het bovenstaande toetsingskader is alleen van toepassing voor “bestaande” gevallen van bodemverontreiniging (ontstaan voor 1987). Recente gevallen van bodemverontreinigingen vallen onder de “zorgplicht”. De aantasting van de bodem dient dan gesaneerd te worden of de aantasting en de directe gevolgen daarvan dienen beperkt en zoveel mogelijk ongedaan gemaakt te worden. Dit staat los van de ernst en urgentie van de verontreiniging. 4.5.2 Besluit bodemkwaliteit Voor het toetsen van de kwaliteit van grond en baggerspecie aan de verschillende normen van het Besluit en voor het indelen van de (water)bodem in kwaliteitsklassen kent het Besluit als uitgangspunt dat de rekenkundige gemiddelden moeten voldoen aan de gestelde maximale waarden. Deze maximale waarden zijn landelijk (generiek) vastgesteld. Daarnaast mogen gemeenten gebiedsspecifieke maximale waarden hanteren.

Deze dienen te worden vastgelegd in een bodembeheernota. Bij de toetsing geldt een rekenregel voor het standaardiseren van de gemeten concentraties met de daadwerkelijk gemeten concentraties lutum en organische stof. Daarnaast zijn er twee bijzondere toetsingsregels: voor de achtergrondwaarde en voor de indeling in de bodemkwaliteitsklasse wonen. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: Kleiner dan de achtergrondwaarde(a) Kleiner dan maximale waarde wonen(b) Kleiner dan maximale waarde industrie

1

= = =

Bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde Wonen Industrie

Voor grond wordt de achtergrondwaarde en voor grondwater wordt de streefwaarde als referentiewaarde gehanteerd.

2 De term tussenwaarde is niet meer in de wet verankerd maar wordt landelijk nog wel op deze wijze gebruikt.

Rapportnummer: K2320295

16

(a)

(b)

De kwaliteit van de grond en baggerspecie overschrijdt niet de achtergrondwaarde als bij meting van X stoffen in de grond of baggerspecie het rekenkundige gemiddelde van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde. De verhoging mag per stof maximaal 2x de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen van de betreffende stof. X

2

7

16

27

37

Y

1

2

3

4

5

De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen wanneer bij meting van X stoffen maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen. De verhoging mag per stof ten hoogste de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen vermeerderd met de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse industrie van de betreffende stof. X

7

16

27

37

Y

2

3

4

5

4.5.3 Asfalt Asfalt is teerhoudend als de concentratie aan PAK (10 VROM) gelijk dan wel groter is dan 75 mg/kg. 4.5.4 Asbest In de circulaire Streef/ en interventiewaarden bodemsanering (Staatscourant 2000, 39) is voor asbest een interventiewaarde opgenomen van 100 mg/kg (gewogen: serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolasbestconcentratie). Bij concentraties asbest beneden de 100 mg/kg gewogen zijn geen risico’s aanwezig en wordt vastgehouden aan de benadering dat beneden deze norm het materiaal als asbestvrij beschouwd mag worden. Echter bij een verkennend asbestonderzoek kan door de lage intensiteit van het onderzoek niet direct worden getoetst aan de interventiewaarde, maar dient deze waarde gecorrigeerd te worden met factor 2. Indien het asbestgehalte groter is dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. In de circulaire bodemsanering is aangegeven dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, wanneer er asbest wordt aangetroffen in een concentratie boven de interventiewaarde (onafhankelijk van het volume). 4.6

Analyseresultaten asbest

In tabel 4.4a en 4.4b worden de resultaten van de asbestanalyses van de druppelzones van de bijgebouwen weergegeven. De analyseresultaten worden in bijlage 3 weergegeven. Tabel 4.4a Samenstelling en analyseresultaten van de asbestverdachte mengmonsters grond <20 mm Monstercode

Fractie (mm)

Gewicht veldvochtig (kg)

Gewicht droog (kg)

Soort asbest

Hechtgebonden

Gewogen asbestconcentratie

Aangetoond

Onderzocht

ASB01 (Gat G01 t/m G03)

0,5-2

0-31,5

15,49

15,49 x 80,1% = 12,24 kg

Chrysotiel

Niet hechtgeb.

51,0 mg/kg ds.

ASB02 (Gat G04 t/m G06)

0,5-8

0-31,5

15,34

15,34 x 83,2% = 12,66 kg

Chrysotiel Crocidoliet*

Niet hechtgeb.

289,5 mg/kg ds.

ASB03 (Gat G07 t/m G10)

0,5-8

0-31,5

15,84

15,84 x 83,4% = 13,21 kg

Chrysotiel

Niet hechtgeb.

9,35 mg/kg ds.

ASB04 (Gat G11 t/m G13)

0,5-8

0-31,5

14,17

14,17 x 84,2% = 11,89 kg

Chrysotiel Crocidoliet

Niet hechtgeb.

45,2 mg/kg ds.

ASB05 (Gat G14 t/m G16)

0,5-8

0-31,5

14,41

14,41 x 83,4% = 11,93 kg

Chrysotiel Crocidoliet

Niet hechtgeb.

152,0 mg/kg ds.

ASB06 0,5->31,5 0-31,5 (Gat G17 t/m G20) n.a. = niet aangetoond * gevonden vezels met behulp van SEM

27,65

27,65 x 83,3% = 22,97 kg

Chrysotiel

Niet hechtgeb.

31,8 mg/kg ds.

Rapportnummer: K2320295

17

Omdat er in het monster niet-hechtgebonden asbest is aangetroffen en er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie <500 µm, moet er, wanneer dat relevant is om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, vervolgonderzoek van de fijne fractie m.b.v. SEM worden gedaan. Dit is beschreven in NEN 5898 Hoofdstuk 6. Voor alle mengmonsters ASB01 t/m ASB06 is een SEM-analyse uitgevoerd. In onderstaande tabel staan de gewogen concentraties van de grondmonsters weergegeven. Tabel 4.4b Totale (gewogen) concentratie Monstercode

Concentratie materialen >20 mm (mg/kg ds)

Concentratie mengmonster Te toetsen <20 mm (mg/kg ds) concentratie

Toetsing

ASB01 (Gat G01 t/m G03)

n.a.

51,4 mg/kg ds.

51,4 mg/kg ds.

½ Interventiewaarde

ASB02 (Gat G04 t/m G06)

n.a.

289,5 mg/kg ds.

289,5 mg/kg ds.

>I Interventiewaarde

ASB03 (Gat G07 t/m G10)

n.a.

9,35 mg/kg ds.

9,35 mg/kg ds.

<I / ½ Interventiewaarde

ASB04 (Gat G11 t/m G13)

n.a.

45,2 mg/kg ds.

45,2 mg/kg ds.

<I / ½ Interventiewaarde

ASB05 (Gat G14 t/m G16)

n.a.

152,0 mg/kg ds.

152,0 mg/kg ds.

>I Interventiewaarde

ASB06 (Gat G17 t/m G20)

n.a.

31,8 mg/kg ds.

31,8 mg/kg ds.

<I / ½ Interventiewaarde

<I / ½I

Gewogen asbestconcentratie <I en ½I (analytisch bepaald)

½I

Gewogen asbestconcentratie ½I (analytisch bepaald)

>I n.a. = niet aangetoond

Gewogen asbestconcentratie >I (analytisch bepaald) n.b. = niet bepaald

4.6.1

Interpretatie analyseresultaten asbest

Schuur I Ter plaatse van de druppelzones aan weerszijden van schuur I zijn in totaal zes gaten (G01 t/m G06) gegraven. Op zintuiglijke wijze is geen asbestverdacht materiaal waargenomen, wel zijn plaatselijk sporen puin aangetroffen. Van de grond uit de gegraven gaten zijn twee grondmengmonsters samengesteld (ASB01 en ASB02). Op analytische wijze is in het grondmengmonster ASB01 (gat G01-G03) (na uitvoering van een aanvullende SEM-analyse) asbest aangetoond met een gewogen asbestconcentratie van 51,4 mg/kg ds. De gewogen concentratie respirabele vezels bedraagt 0,05 mg/kg ds. Het gehalte aan asbest overschrijdt daarmee de concentratie aan asbest voor nader onderzoek (½ interventiewaarde) uit het Besluit bodemkwaliteit. In het grondmengmonster ASB02 (gat G04-G06) is (na uitvoering van een aanvullende SEM-analyse) een gewogen asbestgehalte van 289,5 mg/kg ds. aangetroffen. Daarvan is een gewogen concentratie respirabele vezels 6,1 mg/kg ds. Het gehalte overschrijdt daarmee de restnormconcentratie voor asbest ruimschoots. Schuur II Aan de westzijde van schuur II zijn ten hoogte van de druppelzone van het dakvlak vier gaten (G07 t/m G10) gegraven. Op visuele wijze is in de bodem geen asbestverdacht materiaal of ander bodemvreemd materiaal aangetroffen. Van de grond uit de vier gaten is een grondmengmonster (ASB03) samengesteld.

Op basis van de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de druppelzone van schuur II (na uitvoering van een aanvullende SEM-analyse) een gehalte aan asbest is aangetoond van 9,35 mg/kg ds. Het gehalte aan asbest overschrijdt daarmee de restconcentratienorm van 100 mg/kg ds. uit het Besluit bodemkwaliteit niet.

Rapportnummer: K2320295

18

Schuur III Ter plaatse van de druppelzones aan weerszijden van schuur III zijn eveneens zes gaten (G11 t/m G16) gegraven. Op zintuiglijke wijze is geen asbestverdacht materiaal of bodemvreemd materiaal waargenomen. Van de grond uit de zes gaten is per dakvlak een grondmengmonster samengesteld (ASB04 en ASB05). Op analytische wijze is (na uitvoer van een SEM-analyse) in het grondmengmonster ASB04 (gat G11-G13) asbest in een gehalte van 45,2 mg/kg ds. aangetoond. Daarvan is een gewogen concentratie respirabele vezels 29 mg/kg ds. In het grondmengmonster ASB05 (gat G14-G16) is (na uitvoer van een SEM-analyse) een sterk verhoogd gehalte aan asbest gemeten. Het gehalte van 152,0 mg/kg ds. aan asbest overschrijdt daarmee de restnormconcentratie ruimschoots. Van dit gehalte is een gewogen concentratie van 0,74 mg/kg ds. aan respirabele vezels vastgesteld middels SEM-analyse. Schuur IV Ter plaatse van de druppelzones aan weerszijden van het dak van schuur IV zijn in totaal vier gaten (G17 t/m G20) gegraven. Gelet op de grootte van het schuurtje en de zintuiglijke waarnemingen is van beide druppelzones samen één grondmengmonster (ASB06) samengesteld. Op zintuiglijke wijze is geen asbestverdacht materiaal waargenomen, wel is plaatselijk de bodem zwak puinhoudend. Op analytische wijze is in het grondmengmonster asbest aangetoond met een gewogen asbestconcentratie van 31,8 mg/kg ds.

In het grondmengmonster zijn middels SEM-analyse geen respirabele vezels aangetoond. Door het laboratorium wordt opgemerkt dat in het grondmengmonster zijn asbesthoudende delen >20 mm aangetroffen. Dit kan een onderschatting van de asbestconcentratie tot gevolg hebben. Conform NEN 5898 is in de asbestconcentratie, zoals door het laboratorium weergegeven in het analysecertificaat, geen rekening gehouden met het asbest in de delen >20 mm. 4.7 Beslisschema Omgevingsdienst De Omgevingsdienst Achterhoek heeft in oktober 2022 een notitie toelichting en onderbouwing werkwijze asbestonderzoek en sanering ter plaatse van druppelzones opgesteld. Om te bepalen welke acties noodzakelijk zijn op basis van het onderzoek en/of sanering van asbesthoudende grond bij druppelzones is onderstaand stroomschema opgesteld.

Figuur 5: Stroomschema werkwijze asbestverdachte druppelzones (bron: Omgevingsdienst Achterhoek)

Rapportnummer: K2320295

19

Op basis van de analyseresultaten geldt dat uit de reguliere asbestanalyse voor de druppelzones ter plaatse van het noordelijk en zuidelijk dakvlak van schuur I en het noordelijk dakvlak van schuur III volledig gesaneerd dienen te worden tot aan de nulnorm. De verontreiniging met asbest is veroorzaakt door afwatering van het dakvlak. Op zintuiglijke wijze is geen bijmenging van asbestverdacht materiaal in de bodem aangetroffen. Volgens het stroomschema geldt dat voor de druppelzones alwaar respirabele vezels zijn aangetroffen een SEM-analyse wenselijk is om de saneringsnoodzaak nader vast te stellen. Voor alle grondmengmonsters heeft aanvullend een SEM-analyse plaatsgevonden. Uit de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat in het grondmengmonster ASB04 (druppelzone zuidelijk dakvlak schuur III) respirabele vezels zijn aangetroffen (29,0 mg/kg ds. crocidoliet). De concentratie aan respirabele vezels ligt boven 10 mg/kg ds. hierdoor is op basis van het stroomschema een saneringsnoodzaak aanwezig. 4.8 Analyseresultaten PAK in asfalt Op een deel van het perceel is een asfaltverharding gelegen. Van het verhardingsmateriaal is een materiaalmonster genomen en geanalyseerd op PAK (10 VROM). Op basis van de analyseresultaat kan geconcludeerd worden dat het gehalte aan PAK (10 VROM) in asfalt niet boven de detectiegrens is gemeten.

Geconcludeerd kan worden dat het asfalt niet teerhoudend is. Het analysecertificaat is opgenomen in bijlage 3. 4.9 Analyseresultaten grond en grondwater In tabel 4.5a en 4.5b zijn de toetsingsresultaten van de grond en het grondwater weergegeven en wordt per analysemonster het eindoordeel met betrekking tot de Wet bodembescherming en een indicatieve toetsing ten aanzien van het Besluit Bodemkwaliteit weergegeven. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 3, de toetsingsresultaten in bijlage 4. (Vml.) Boomgaard Tabel 4.5a: Resultaten toetsing grond Monster (traject)

Toetsing Wbb Beoordeling

Kritieke parameter

Toetsing Bbk Beoordeling

Grond MMOCB01 (0,00-0,30 m-mv)

+ ++ +++

Rapportnummer: K2320295

< Achtergrond-/streefwaarde > Achtergrond-/streefwaarde > Tussenwaarde > Interventiewaarde

Achtergrondwaarde

20

Overig terrein Tabel 4.5b: Resultaten toetsing grond en grondwater Monster (traject)

Toetsing Wbb Beoordeling

Kritieke parameter

Toetsing Bbk Beoordeling

Grond MMBG01 (0,00-0,50 m-mv)

+

Lood, PAK (10 VROM)

Wonen

MMBG02 (0,00-0,50 m-mv)

+++ ++ +

Lood Zink Cadmium, kwik, PAK (10 VROM)

Niet toepasbaar > Int.

MMBG03 (0,00-0,50 m-mv)

+

Cadmium, lood, zink, PAK (10 VROM)

Wonen

MMOG04 (0,30-1,00 m-mv)

-

-

Achtergrondwaarde

MMOG05 (0,50-2,00 m-mv)

-

-

Achtergrondwaarde

MMOG06 (0,60-1,80 m-mv)

-

-

Achtergrondwaarde Grondwater

Pb01 (2,20-3,20 m-mv)

4.9.1

-

-

+ ++ +++

< Achtergrond-/streefwaarde > Achtergrond-/streefwaarde > Tussenwaarde > Interventiewaarde

n.v.t.

Interpretatie analyseresultaten grond en grondwater

(Vml.) Boomgaard Op zintuiglijke wijze zijn geen bijzonderheden waargenomen. Analytisch zijn in het bovengrondmonster MMOCB01 (bodemlaag 0,00-0,30 m-mv) de onderzochte chloorbestrijdingsmiddelen (som OCB) niet aangetroffen in een concentratie boven de streefwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende component. Overig terrein Visueel is in de grond van het overige terrein plaatselijk een bijmenging van resten baksteen, kooldeeltjes en/of dakpan (ter plaatse van boring 13 en 16) tot zwak baksteenhoudend (ter plaatse van boring Pb01, 03, 05, 06 en 07) aangetroffen. Het perceel is plaatselijk verhard met een (nietteerhoudend) asfaltverharding. Onder de asfaltverharding is geen funderingslaag aanwezig. Op analytische wijze is in het bovengrondmengmonster MMBG01 een licht verhoogd gehalte aan lood en PAK (10 VROM) aangetroffen. Het mengmonster is samengesteld van de zwak baksteenhoudende bodemlaag 0,00-0,50 m-mv ter plaatse van de boringen Pb01, 03, 06 en 07. Het bovengrondmonster MMBG02 is sterk verontreinigd met lood, matig verontreinigd met zink en licht verontreinigd met cadmium, kwik en PAK (10 VROM). Het bovengrondmonster betreft de bovengrond (0,00-0,50 m-mv) ter plaatse van boring 13. De bodemlaag bevat resten baksteen, resten kooldeeltjes en resten dakpan.

In het bovengrondmengmonster MMBG03 (bodemlaag 0,00-0,50 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, lood, zink en PAK (10 VROM) aangetoond. In de ondergrondmengmonsters (MMOG04 t/m MMOG06) van het overig terrein zijn geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de streefwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende stof. In het grondwater uit peilbuis Pb01 zijn geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de streefwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende stof. Rapportnummer: K2320295

21

De aangetroffen concentraties in de bovengrond ter plaatse van boring 13 geven aanleiding tot een nader onderzoek. Middels het nader onderzoek dient de omvang en ernst van de aangetroffen sterke verontreiniging met lood en matige verontreiniging met zink nader vastgesteld te worden. 4.10 Toetsing hypothese In de volgende tabel 4.6 staan de hypotheses weergegeven. Tevens wordt aangegeven of deze aangenomen of verworpen kan worden. Tabel 4.6: Toetsing hypotheses Deellocatie (Vml.) Boomgaard Druppelzone schuur I Druppelzone schuur II Druppelzone schuur III Druppelzone schuur IV Overig terrein

Oppervlakte/ Hypothese lengte (m²/m1) <500 m2 Verdacht, plaatselijke bodembelasting 2 x 12 m1 Verdacht, plaatselijke bodembelasting 1 x 14 m1 Verdacht, plaatselijke bodembelasting 2 x 8 m1 Verdacht, plaatselijke bodembelasting 2 x 5 m1 Verdacht, plaatselijke bodembelasting 5.246 Onverdacht

Verdachte stoffen

Toetsing

OCB’s

Verdachte bodemlaag Toplaag

Asbest

Toplaag

Aangenomen

Asbest

Toplaag

Aangenomen

Asbest

Toplaag

Aangenomen

Asbest

Toplaag

Aangenomen

-

-

Verworpen

Verworpen

Ter plaatse van de druppelzones van schuur I is een concentratie aan asbest aangetoond waardoor de hypothese ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ aangenomen dient te worden. De aangetroffen concentratie ter plaatse van het zuidelijk dakvlak van schuur I overschrijdt de ½ interventiewaarde voor asbest en ter plaatse van het noordelijk dakvlak wordt de interventiewaarde overschreden. De verontreinigingen zijn aantoonbaar veroorzaakt door afwatering, derhalve is een sanering noodzakelijk van zowel de noordelijk als het zuidelijk dakvlak. Ter plaatse van de druppelzone van schuur II is een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. Er zijn daarbij geen respirabele vezels vastgesteld. De hypothese ‘de locatie is verdacht verontreinigd te zijn met asbest’ dient aangenomen te worden. Conform het stroomschema is een sanering van de asbestverontreiniging niet noodzakelijk. Ter plaatse van de druppelzones van schuur III is een asbestverontreiniging aangetroffen. De hypothese ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ dient aangenomen te worden. Conform het stroomschema is een sanering van de asbestverontreiniging ter plaatse van beide druppelzones noodzakelijk. Ter plaatse van de druppelzone van schuur IV is een verhoogd gehalte aan asbest in de grond aangetoond.

De hypothese ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ dient aangenomen te worden. Uit de SEM-analyse blijkt dat er geen respirabele vezels in de grond aanwezig zijn. Wel wordt opgemerkt dat in de fractie >20 mm in het grondmengmonster asbestdelen zijn aangetoond. Deze delen zijn conform NEN 5898 niet meegenomen in de berekening van het asbestgehalte in het mengmonster. Het gehalte aan asbest is daardoor naar alle waarschijnlijkheid hoger, waardoor een sanering noodzakelijk wordt geacht. Ter plaatse van de (vml.) boomgaard kan de hypothese ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen’ verworpen worden doordat er geen verontreinigingen met OCB zijn vastgesteld. Door de aangetroffen lichte tot sterke verontreinigingen in de grond ter plaatse van het overig terrein dient de hypothese ‘de locatie is onverdacht op de aanwezigheid van verontreinigingen’ verworpen te Rapportnummer: K2320295

22

worden. De aangetroffen gehalten met individuele zware metalen (lood en zink) ter plaatse van boring 13 geven aanleiding tot de uitvoer van een nader onderzoek. 4.11 Asbestverontreiniging De omvang van de verontreiniging ter plaatse van de druppelzones van de schuren I, III en IV wordt geschat op circa 5 m3 (50 m1 x 1 meter breed met een laagdikte van 0,1 m1). De omvang van de verontreiniging is vastgesteld op basis van onderhavige onderzoeksresultaten. De aangetroffen concentraties aan asbest dienen op basis van het stroomschema Omgevingsdienst te worden gesaneerd. Omdat de verwering van de asbestdaken recent is opgetreden, ziet het bevoegd gezag dergelijke verontreinigingen als een zogenaamd ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’ en hiermee is de zorgplicht van toepassing. De aangetroffen verontreiniging dient ongedaan gemaakt te worden middels een bodemsanering. De sanering dient gemeld te worden middels een plan van aanpak bij het bevoegd gezag, gemeente Oude IJsselstreek. De sanering dient te worden uitgevoerd door een erkende instelling conform de BRL6000 (Milieukundige begeleiding) en BRL7000 (Uitvoering (water)bodemsanering)).

Rapportnummer: K2320295

23

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

’t Bonte Paard Advies heeft aan De Klinker Milieu Adviesbureau een opdracht verstrekt voor de uitvoer van een bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een asbest in grondonderzoek conform de NEN 5707 op de locatie Veldweg 14-16 te Gendringen (gemeente Oude IJsselstreek). De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 5.246 m2. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen eigendomsoverdracht en een herontwikkeling van de locatie. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. 5.1 Conclusies Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat:  de bodem bestaat overwegend uit matig fijn tot matig grof, zwak tot sterk siltig, zwak tot matig humeus zand;  Van nature is de bodem plaatselijk zwak tot matig roesthoudend en plaatselijk sterk grindig;  Het grondwaterniveau bevindt zich ten tijde van het onderzoek op circa 1,7 m-mv. 5.1.1 Druppelzone schuur I Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:  ter plaatse van schuur I heeft het asbestverdachte dak aan weerszijden geen deugdelijk dakgoot en is het terrein onder de druppelzone niet verhard;  in de bodem is op zintuiglijke wijze geen asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen.

Wel bevat de bodem plaatselijk sporen puin;  analytisch in de bodem van de zuidelijke druppelzone een berekend asbestgehalte van 51,4 mg/kg ds. aangetroffen. Het gehalte aan asbest overschrijdt daarmee de concentratie aan asbest voor nader onderzoek (½ interventiewaarde). Conform het stroomschema ODA is nader onderzoek niet nodig (mits de afwatering als bron kan worden gezien), maar is een sanering wél noodzakelijk;  in de bodem van de noordelijke druppelzone is een berekend gehalte aan asbest van 289,5 mg/kg ds. aangetroffen. De concentratie overschrijdt ruimschoots de restnormconcentratie voor asbest. Voor deze druppelzone geldt eveneens een saneringsnoodzaak;  de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ dient aangenomen te worden. 5.1.2 Druppelzone schuur II Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:  ter plaatse van schuur II heeft het asbestverdachte hellend dak aan de westzijde geen deugdelijk dakgoot en is het terrein onder de druppelzone niet verhard;  in de bodem is op zintuiglijke wijze geen asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen;  analytisch in de bodem van de druppelzone een berekend asbestgehalte van 9,35 mg/kg ds. aangetroffen. Er zijn analytisch geen respirabele vezels aangetoond. Het gehalte aan asbest overschrijdt daarmee de restconcentratienorm van 100 mg/kg ds.

uit het Besluit bodemkwaliteit niet;  de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ dient echter aangenomen te worden, echter is er geen sanering noodzakelijk.

Rapportnummer: K2320295

24

5.1.3 Druppelzone schuur III Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:  ter plaatse van schuur III heeft het asbestverdachte dak aan de weerszijden geen deugdelijk dakgoot en/of is het terrein onder de druppelzone niet verhard;  in de bodem is op zintuiglijke wijze geen asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen;  analytisch in de bodem van de druppelzone van het zuidelijk dakvlak een berekend asbestgehalte van 45,2 mg/kg ds. aangetroffen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat hiervan een concentratie van 29,0 mg/kg ds. aan respirabele vezels betreft. De concentratie aan respirabele vezels ligt ruim boven 10 mg/lg ds. hierdoor dient op basis van het stroomschema er een sanering noodzaak;  in de bodem van de druppelzone van het noordelijk dakvlak is een concentratie van 152 mg/kg ds. gemeten. Het gehalte overschrijdt daarmee ruimschoots de restnormconcentratie voor asbest en dient de druppelzone te worden gesaneerd;  de hypothese ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ dient aangenomen te worden. 5.1.4 Druppelzone schuur IV Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:  ter plaatse van schuur IV heeft het asbestverdachte dak aan de weerszijden geen deugdelijk dakgoot en/of is het terrein onder de druppelzone niet verhard;  in de bodem is op zintuiglijke wijze geen asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen.

Wel is de bodem ter plaatse zwak puinhoudend;  analytisch in de bodem van de druppelzone een berekend asbestgehalte van 31,8 mg/kg ds. aangetroffen, daarbij zijn respirabele vezels aangetoond. Het gehalte aan asbest overschrijdt daarmee de restconcentratienorm uit het Besluit bodemkwaliteit niet. Echter is in het grondmengmonster asbestdelen >20 mm aangetroffen. Deze delen zijn conform NEN 5898 niet meegenomen in de uiteindelijke berekening van het asbestgehalte in het grondmengmonster waardoor het gehalte aan asbest naar verwachting hoger zal liggen. Geadviseerd wordt om de druppelzones eveneens te saneren.  door het aantreffen van asbest dient de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van asbest’ aangenomen te worden. 5.1.5 (Voormalige) Boomgaard Uit de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat:  in de toplaag (tot 0,3 m-mv) geen gehalten aan chloorbestrijdingsmiddelen (OCB) boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond;  de hypothese, ‘de locatie is verdacht op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen’ kan daarmee verworpen worden. 5.1.6 Overig terrein Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:  plaatselijk is het perceel (erf) verhard met een asfaltverharding. Het asfalt is niet teerhoudend;  onder de asfaltverharding is geen fundering aanwezig;  visueel is in de bodem van het overig terrein geen asbestverdacht materiaal waargenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4941/documents/32001