Toelichting, regels en verbeelding-Bestemmingsplan Buitengebied, zorgpark Warmse Water.pdf
Tekst van het document
Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene is geregeld, wat werkelijk noodzakelijk is. Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkingsmogelijkheden opgenomen. De bevoegdheid om door een omgevingsvergunning een afwijking van bepaalde regels te Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling
46
verlenen, is gebaseerd op artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De uitvoering berust bij burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid maakt kleine afwijkingen mogelijk binnen de aan de grond toegekende bestemming. De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingsregels en specifieke gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen. 5.2
Artikelsgewijze toelichting
5.2.1 Inleidende regels Begripsbepaling In het eerste artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de belangrijkste begrippen die in de planregels voorkomen. Door het opnemen van begrippen wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorgeschreven maten dienen te worden gemeten of berekend. Door het opnemen van aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. 5.2.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Agrarisch In dit bestemmingplan is de bestemming “Agrarisch” opgenomen voor de zone rondom het woonerf. Deze bestemming sluit aan bij de vigerende situatie en is bestemd voor het agrarische gebruik, zoals akkerbouw of het laten begrazen van de weide en de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Er is geen bouwvlak opgenomen. De agrarische gronden buiten een bouwvlak zijn voor het beweiden van de grond door vee of het verbouwen van gewassen.
Maatschappelijk Het centrale deel van het plangebied, waar de zorgvoorziening wordt gerealiseerd, kent grotendeels de bestemming ‘Maatschappelijk’, waarmee, de gronden zijn aangewezen voor maatschappelijke voorzieningen en bijbehorende voorzieningen. Gebouwen mogen enkel binnen de drie aangegeven bouwvlakken (de zorgerven) worden gebouwd, waarbij moet worden voldaan aan het aangegeven maximale aantal gebouwen, het aantal wooneenheden, de maximale goot- en bouwhoogte, het Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling
47
aangegeven maximale bebouwingsoppervlak en het maximum oppervlakte per gebouw. Binnen het middelste bouwvlak is de aanduiding ‘gezinshuis’ opgenomen, om de eventuele realisatie van een gezinshuis in de toekomst mogelijk te maken. Daarnaast is voor het westelijke en middelste erf de aanduiding ‘landwinkel’ opgenomen. Buiten de bouwvlakken is de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – tuingaarde’ opgenomen. Deze gronden zijn tevens bedoeld als tuin, moestuin, boomgaard, akker, weide en daarmee gelijk te stellen doeleinden. Hier mogen in beperkte mate plantenkasjes en verblijven voor dieren worden gebouwd. Natuur De bestemming 'Natuur’ is bedoeld voor waardevolle bos- en natuurgebieden. In dit plan primair de strook langs de rivier. Deze gebieden moeten behouden blijven, hersteld worden of nog worden ontwikkeld. Agrarisch medegebruik en extensief (dag)recreatief medegebruik is tevens toegestaan. Om de natuur te beschermen is een vergunningsstelsel opgenomen voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die de natuurlijke en/of landschappelijke waarden kunnen beschadigen. Water De watergang Warmse Water is bestemd als 'Water'. Binnen deze bestemming geldt een vergunningplicht voor een aantal grondwerkzaamheden. Wonen Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van het realiseren van de twee woningen binnen het plangebied.
Binnen de bestemming worden tevens aan huis verbonden beroepsactiviteiten, tuinen en erven, parkeer-, speel- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair en nutsvoorzieningen mogelijk gemaakt. Waarde – Archeologie Het bestemmingsplan kent de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie – 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Die hiervoor aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarden. Het bevoegd gezag kan in geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken alvorens de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, verlangen dat door de aanvrager een rapport wordt overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Voor dit bestemmingsplan is archeologisch onderzoek verricht. Echter, een vervolgonderzoek dient nog te worden uitgevoerd. Om deze reden is vooralsnog de dubbelbestemming met betrekking tot archeologie opgenomen in het bestemmingsplan. Leiding – Riool De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor een rioolleiding.
Binnen deze gebieden mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd, behalve voor de leiding zelf. Leiding – Water De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor een waterleiding. Binnen deze gebieden mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd, behalve voor de leiding zelf. Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling
48
5.2.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels welke op de bestemmingen van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Het gaat om de volgende artikelen. Anti-dubbeltelregel In deze bepaling is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen dat voor alle bestemmingen kan gelden, zoals regels omtrent erfbebouwing en ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft voor dit plan een beperking met betrekking tot het toegestane gebruik van gronden. Het gaat hierbij om ongewenst gebruik of gebruik dat enige vorm van hinder kan veroorzaken waardoor het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen.
Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. 5.2.3 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling
49
6.
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente zal een anterieure- en planschadeovereenkomst worden gesloten. Het kostenverhaal is hiermee verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Voorbereidingsfase bestemmingsplan Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is een concept van het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. Aanpassingen die volgden uit de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. 6.2.2 Ontwerpfase bestemmingsplan Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 27 april tot 7 juni 2023 ter inzage gelegen.
Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. De ingediende zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de ‘Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen’, die als bijlage 11 bij dit bestemmingsplan is gevoegd.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling
50
6.2.3 Vaststellingsfase bestemmingsplan Na de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en de beantwoording van de zienswijzen neemt de gemeenteraad een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan. 6.3
Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.
Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling De regels die voor het plangebied opgesteld worden zijn flexibel en ruim waar mogelijk en zijn star en strak gesteld waar nodig. Bij de opzet van deze beheersregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting (zie hoofdstuk 2) die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen. In deze motivering wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om alsnog af te wijken van dit plan na een ruimtelijk-juridisch afwegingsproces. Zo wordt recht gedaan aan de praktijk dat een bestemmingsplan een momentopname is.
De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling
REGELS
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
INLEIDENDE REGELS Begrippen Wijze van meten
2 2 9
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
BESTEMMINGSREGELS Agrarisch Maatschappelijk Natuur Water Wonen Leiding - Riool Leiding - Water Waarde - Archeologische Verwachting 2 Waarde - Archeologische Verwachting 3
11 11 12 14 16 17 19 20 22 25
Hoofdstuk 3 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16
ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
28 28 29 30 32 33
Hoofdstuk 4 Artikel 17 Artikel 18
OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht Slotregel
34 34 35
Bijlage 1
Lijst van neven- en hoofdactiviteiten
Bijlage 2
Beeldkwaliteit landschap en bebouwing, KuiperCompagnons, april 2023
2
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 1.1
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan 'Buitengebied, zorgpark Warmse Water' NL.IMRO.1509.BP000211-VA01 van de gemeente Oude IJsselstreek; 1.2
met
identificatienummer
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
aan-huis-verbonden beroeps- /bedrijfsactiviteit:
een beroeps-/bedrijfsactiviteit die in of bij een woning wordt uitgeoefend door een bewoner van de op het bouwperceel gesitueerde woning, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de beroeps-/bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitwerking en/of uitstraling heeft die met de woonfunctie ter plaatse in overeenstemming is; groepspraktijken, detailhandel en horeca (met uitzondering van bed and breakfast) zijn hiervan uitgesloten; 1.6
agrarisch medegebruik:
agrarisch gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit agrarisch gebruik is toegestaan; 1.7
achtererfgebied:
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw; 1.8
antennedrager:
antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne; 1.9
antenne-installatie:
installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie; 1.10
archeologisch onderzoek:
diverse vormen van onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; 1.11
archeologische verwachting:
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische resten;
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
3
1.12
archeologische waarde:
de waarde die een gebied bezit op grond van de aldaar aanwezige archeologische resten; 1.13
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.14
bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, verhandelen, installeren en/of herstellen van goederen; 1.15
bed & breakfast:
een kleinschalige verblijfsaccommodatie voor kortdurend recreatief verblijf waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.16
bedrijfsvloeroppervlakte:
de totale oppervlakte bedrijfsruimte die voor de bedrijfsuitoefening nodig is, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.17
begane grondvloer:
de bouwlaag van een gebouw, welke rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau. 1.18
bestaande bebouwing:
bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; 1.19
bestaande situatie:
a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning; b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen; 1.20
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak; 1.21
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.22
bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.23
bijzondere woonvorm:
een complex van ruimten bedoeld voor de huisvesting van één of meer huishoudens door hulpbehoevenden op het fysieke, psychische en/of sociale vlak eventueel met extra zorg en/of begeleiding, met bijbehorende voorzieningen, zoals een gemeenschappelijke ruimte en kantoor. Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
4
1.24
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.25
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak; 1.26
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; 1.27
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.28
bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel; 1.29
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.30
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.31
dak:
iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.32
dakkapel:
een uitspringend gedeelte op een hellend dak waarin een raamkozijn is opgenomen en die voorzien is van zijwanden; 1.33
daknok:
hoogste punt van een schuin dak; 1.34
dakvoet:
het laagste punt van een schuin dak; 1.35
deskundige:
een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake een bepaalde vakdiscipline; 1.36
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- /bedrijfsactiviteiten;
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
5
1.37
eerste bouwlaag:
de onderste bouwlaag, waarvan de vloer boven maaiveld is gelegen; 1.38
erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.39
extensieve recreatie:
recreatief (mede)gebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, vissen en daarmee gelijk te stellen activiteiten, dat geen specifiek beslag legt op de ruimte behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden en rust- en pichnickplaatsen, en die in hoofdzaak gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving; 1.40
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.41
gestapelde bebouwing:
bebouwing bestaande uit zich in één gebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten; 1.42
gezinshuis:
woonvorm waarin zorgmedewerkers permanent wonen, samen met de cliënten die zij begeleiden en met eventuele andere gezinsleden; 1.43
hoofdfunctie:
een functie waarvoor het gebouw hoofdzakelijk mag worden gebruikt; 1.44
hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.45
huishouden:
één persoon dan wel twee of meer personen, die duurzaam met elkaar samenleven, dan wel twee of meer personen in wisselende samenstelling die gebruik maken van gezamenlijke voorzieningen; 1.46
inrit:
een weg die van de straat naar een gebouw, een parkeerterrein en dergelijke voert; 1.47
kap:
een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden; 1.48
kunstobject:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met artistieke waarde; Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
6
1.49
kunstwerk:
civieltechnisch bouwwerk; 1.50
landwinkel:
ondergeschikte detailhandel als verbrede activiteit van een agrarisch bedrijf met verkoop van boerderijen agrarische streekproducten; 1.51
langzaam verkeer:
niet-motorvoertuigen (bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen), fietsers, voetgangers, en geleiders/berijders van een dier en motorvoertuigen met een snelheidsbeperking zoals landbouwvoertuigen; 1.52
ondergeschikte detailhandel:
beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een bedrijf, waarbij het gaat om detailhandel dat niet zelfstandig functioneert, maar als een ondergeschikte aanvulling en ondersteuning van de bedrijfsfunctie dient; 1.53
ondergeschikte horeca:
horeca die ondergeschikt en gerelateerd is aan een andere, nader in de planregels omschreven hoofdfunctie en tot doel heeft het verstrekken van kleine etenswaren en niet- of zwak-alcoholische dranken; 1.54
onzelfstandige verblijfseenheid:
woonruimte welke niet door één persoon of één huishouden kan worden bewoond, zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, welke voorzieningen gedeeld worden met anderen; 1.55
openbaar toegankelijk gebied:
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.56
overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct of indirect en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.57
overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak; 1.58
maatschappelijke voorzieningen:
culturele, medische, educatieve, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening (met uitzondering van een ziekenhuis) en dagopvang; 1.59
nevenactiviteit:
een activiteit die in ruimtelijke en/of functionele zin ondergeschikt is aan en voortvloeit uit de hoofdfunctie;
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
7
1.60
pand:
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is; 1.61
parkeergelegenheid
een gebouwde of ongebouwde voorziening die geschikt is om één of meer motorvoertuigen te parkeren, voor privé en/of gemeenschappelijk gebruik, zoals parkeerterreinen, parkeergarages en garageboxen; 1.62
productiegebonden detailhandel:
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces; 1.63
straatmeubilair:
objecten die in de openbare ruimte staan en die niet tot de weg zelf behoren, zoals banken, lantaarnpalen, abri's, vuilnisbakken en verkeersborden; 1.64
uitrit:
een weg die van een gebouw, een parkeerterrein en dergelijke naar de straat voert; 1.65
vloeroppervlakte:
de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen op de begane grond; 1.66
voorerfgebied:
erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; 1.67
voorgevellijn:
de lijn waarin de voorgevel van het gebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan; 1.68
voorgevelrooilijn:
a. ter plaatse van de aanduiding ‘gevellijn’: de ter plaatse aangeduide grens van het bouwvlak; b. overige situaties: de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd; 1.69
water:
water zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen; 1.70
waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen, die het waterhuishoudkundige belang dienen, zoals watergangen, waterlopen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang of waterloop; 1.71
woning:
een (complex van) ruimte(n), geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
8
1.72
wooneenheid:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten. 1.73
zorgpark:
een geheel, bestaande uit gebouwen met onzelfstandige verblijfseenheden.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
9
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
de kortste afstand tussen de (zijdelingse) perceelsgrens en enig punt van een bouwwerk. 2.2
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3
de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer dan wel -indien aanwezig- van de kelder of souterrainvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6
de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren, met dien verstande dat indien een gevelvlak niet evenwijdig loopt dan wel verspringt, het gemiddelde geldt van de kleinste en grootste breedte, diepte c.q. lengte; 2.7
het bebouwingspercentage:
het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming daarvan, of binnen een in de planregels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming; 2.8
de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.9
het peil:
a. voor een gebouw: de hoogte van de vloer bij de entree van de woning (begane grond) en/of trappenhuis; b. voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte bouwterrein; c. vanaf het waterpeil tot het hoogste punt van het bouwwerk.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
10
2.10
de vloeroppervlakte van een gebouw (binnenwerks):
de som van alle tot het gebouw behorende binnenruimten, gemeten op vloerniveau tussen de begrensde opgaande scheidingsconstructie van de afzonderlijke daartoe behorende ruimte(n), inclusief onderbouw en zolderruimte. De oppervlakte van een trapgat, een liftschacht en een toegankelijke leidingschacht moet op elke bouwlaag tot de vloeroppervlakte van een gebouw worden gerekend; 2.11
ondergeschikte bouwdelen:
bij toepassing van het in dit artikel bepaalde worden ondergeschikte bouwonderdelen, zijnde: a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, antennes, luchtkokers, liftschachten, technische ruimten op het dak, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken met betrekking tot de goot- en bouwhoogte, oppervlakten en bouwgrenzen buiten beschouwing gelaten, met dien verstande dat de overschrijding van een overstekend dak niet meer mag bedragen dan 1 m en met dien verstande dat niet meer dan 50% van het totale dakvlak gebruikt mag worden voor ondergeschikte bouwdelen (met uitzondering van zonnepanelen: deze mogen het dakvlak voor 100% beslaan); b. dakkapellen met betrekking tot de goothoogte buiten beschouwing gelaten mits de breedte van de dakkapel niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van het dakvlak en de onderzijde van de dakkapel op minimaal 0,50 m van de dakvoet word gebouwd; c. reclame- en uithangborden, mits de breedte van het reclame- en/of uithangbord niet meer bedraagt dan 1 m, de hoogte niet meer bedraagt dan 0,2 m en de oppervlakte niet meer bedraagt dan 0,5 m2.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
11
Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 3.1
Agrarisch
Bestemmingsomschrijving
De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarische doeleinden; alsmede voor: b. de bestaande met vergunning verleende schuilgelegenheden, paardenbakken, sleufsilo's, kuilvoerplaten, foliebassins met bijbehorende omheiningen, bezinkbassins en/of mestzakken en/of daarmee gelijk te stellen voorzieningen buiten het agrarisch bouwvlak; c. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; d. extensief (dag)recreatief medegebruik, voor zover daarmee de agrarische functie van de gronden niet onevenredig wordt aangetast; met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tuinen, erven, parkeer- en groenvoorzieningen, toegangswegen en nutsvoorzieningen. 3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming 'Agrarisch' worden gebouwd. 3.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag maximaal bedragen: 1. voor kunstobjecten 6 meter; 2. voor erfafscheidingen 1 meter; 3. voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde 3 meter. 3.3
Nadere eisen
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de situering en de afmetingen van bouwwerken: a. b. c. d.
ter waarborging van de landschaps- en/of natuurwaarden in de omgeving; ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; ter waarborging van de verkeersveiligheid; ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; e. ter voorkoming van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken. 3.4
Specifieke gebruiksregels
3.4.1
Stikstof
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval aangemerkt het gebruiken of het laten gebruiken: a. van gronden en bouwwerken niet behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken; b. van gronden en bouwwerken behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting. Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
12
Artikel 4 4.1
Maatschappelijk
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend in de vorm van een zorgpark; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - gezinshuis', tevens voor een gezinshuis; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - tuingaarde' tevens voor tuin, moestuin, boomgaard, akker, weide en daarmee gelijk te stellen doeleinden; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - landwinkel', tevens voor een landwinkel; e. ondergeschikte horeca; f. productiegebonden detailhandel; met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en waterberging, dierenweides, sport- en speelvoorzieningen, tuinen en erven. 4.2
Bouwregels
4.2.1
Gebouwen
Ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels: a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal gebouwen' mag het aantal gebouwen niet meer bedragen dan aangegeven; c. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven; d. in afwijking van het gestelde onder c mag de goothoogte worden doorbroken onder de voorwaarden dat: 1. niet meer dan 30% van de lengte van de goot wordt doorbroken; 2. de bouwhoogte niet wordt overschreden; 3. de doorbreking is alleen toegestaan aan de zijde van de bebouwing die gericht is naar de erfzijde, conform opgenomen in het beeldkwaliteitsplan in Bijlage 2 van deze planregels. e. het totale bebouwd oppervlak binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak (m2)’ is aangegeven; f. de totale oppervlakte per gebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte per gebouw (m2)' is aangegeven; g. de gezamenlijke oppervlakte aan bebouwd oppervlak binnen de bestemming 'Maatschappelijk' mag niet meer bedragen dan 10.500 m2. 4.2.2
Bijbehorende bouwwerken en overkappingen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken en overkappingen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de maximale toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en overkappingen bedraagt 150 m2 per bouwvlak; c. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen; d. de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - tuingaarde' mogen plantenkasjes en verblijven voor dieren worden gebouwd, waarbij de volgende bepalingen gelden:
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
13
1. binnen de aanduiding mogen maximaal drie plantenkasjes en verblijven voor dieren worden gebouwd; 2. de oppervlakte per bouwwerk mag niet meer dan 20 m2 bedragen; 3. de bouwhoogte mag niet meer dan 5 m bedragen; 4. de goothoogte mag niet meer dan 3 bedragen. 4.2.3
Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag maximaal bedragen: 1. voor kunstobjecten 6 meter; 2. voor erfafscheidingen 1,5 meter; 3. voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde 3 meter. 4.3
Specifieke gebruiksregels
4.3.1
Invulling ondergeschikte functies
Het totale bedrijfsvloeroppervlakte van de in 4.1 sub d t/m f genoemde functies bedraagt in zijn totaliteit maximaal 250 m2 bvo.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
14
Artikel 5 5.1
Natuur
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.
bos- en natuurgebieden; behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden; voet- en fietspaden; water en voorzieningen voor de waterhuishouding; agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer; extensief (dag)recreatief medegebruik.
5.2
Bouwregels
5.2.1
Algemeen
Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming 'Natuur' worden gebouwd. 5.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag maximaal bedragen: 1. voor kunstobjecten 6 meter; 2. voor erfafscheidingen 1 meter; 3. voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde 3 meter. b. de totale oppervlakte van een bouwwerk geen gebouwen zijnde mag binnen de bestemming ''Natuur' maximaal 20 m2 bedragen. 5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 5.3.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de gronden de volgende andere-werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden met 50 cm of meer; c. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen en draineren; d. aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging daarvan tot gevolg kunnen hebben. 5.3.2
Verlening
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3.1 wordt slechts verleend indien door het uitvoeren van de andere-werken, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
15
5.3.3
Uitzondering
Geen omgevingsvergunning is nodig voor: a. andere-werken in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; c. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, voor zover daarvoor geen vergunning is vereist krachtens de Ontgrondingenwet.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
16
Artikel 6 6.1
Water
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
watergangen, waterpartijen , oevers, taluds, onderhouds- en andere paden en kaden; waterhuishouding en waterberging; verkeer te water; instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen natuurwaarden in en langs watergangen en waterpartijen; e. extensieve dagrecreatie; met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers. 6.2
Bouwregels
6.2.1
Gebouwen
Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 6.2.2
Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag de bouwhoogte maximaal 3 meter bedragen. 6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op deze gronden de volgende andere-werken uit te voeren: a. aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden; c. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging daarvan tot gevolg kunnen hebben; d. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen; e. verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden met 50 cm of meer. 6.3.2
Verlening
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 wordt slechts verleend indien door het uitvoeren van de andere-werken, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 6.3.3
Uitzondering
Geen omgevingsvergunning is nodig voor: a. andere-werken in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
17
Artikel 7 7.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' maximaal het aantal (vrijstaande) woningen dat op de verbeelding als zodanig is aangegeven; b. aan huis verbonden beroep; c. een bed en breakfast in een woning; d. het hobbymatig agrarisch gebruik van gronden en opstallen; e. paardenbakken; met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tuinen, erven, parkeer- en groenvoorzieningen. 7.2
Bouwregels
7.2.1
Woningen
Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a. b. c. d.
de goothoogte mag maximaal 3,5 meter bedragen; de bouwhoogte mag maximaal 8 meter bedragen. de inhoud mag maximaal 750 m3 bedragen; ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen niet meer bedragen dan aangegeven.
7.2.2
Bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij woningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij woningen gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken en overkappingen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte mag per woning maximaal 150 m2 bedragen; c. bijbehorende bouwwerken en overkappingen moeten minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de betreffende woning worden gebouwd; d. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen; e. de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen; f. de afstand tot enig punt van de woning mag maximaal 25 meter bedragen; 7.2.3
Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij woningen gelden de volgende regels: a. voor (het verlengde van) de voorgevel van de woning mogen worden gebouwd: 1. erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van maximaal 1 meter; b. vanaf één meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning mogen worden gebouwd: 1. erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; 2. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde is maximaal 3 meter; c. de bouwhoogte van masten mag maximaal 10 meter bedragen; d. de bouwhoogte van kleinschalige windturbines mag maximaal 15 meter bedragen; e. de bouwhoogte van grondgebonden installaties ten behoeve van zonnepanelen mag maximaal 1,5 m en de oppervlakte mag maximaal 50 m2 bedragen.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
18
7.2.4
Paardenbakken
Voor het bouwen van paardenbakken gelden de volgende regels: a. b. c. d.
de oppervlakte maximaal 1.200 m2 mag bedragen; de bouwhoogte van omheiningen maximaal 1,7 m mag bedragen; de afstand van de paardenbak tot de bijbehorende woning maximaal 50 m mag bedragen; de afstand tussen de rand van de paardenbak en bedrijfs- en/of plattelandswoningen en/of tuinen van derden minimaal 30 m moet bedragen; e. de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 8 m mag bedragen; f. het aantal lichtmasten maximaal 4 mag bedragen. 7.3
Specifieke gebruiksregels
7.3.1
Aan huis verbonden beroep
Een aan huis verbonden beroep is toegestaan onder de voorwaarden dat: a. de oppervlakte die wordt gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep maximaal 30% van het woonoppervlak beslaat met een maximum van 50 m2; b. het aan huis verbonden beroep wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning; c. geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat, uitgezonderd een beperkte verkoop in verband met het uitgeoefende beroep. 7.4
Afwijken van de gebruiksregels
7.4.1
Aan huis verbonden bedrijf
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor het gebruik van een gedeelte van de woning ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf onder de voorwaarden dat: a. degene die de activiteiten uitvoert, tevens de bewoner van de woning is; b. de oppervlakte van de voor het bedrijf uit te oefenen ruimte maximaal 30% bedraagt van het woonoppervlak, met een maximum van 50 m2. c. er geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat, uitgezonderd een beperkte verkoop in verband met het uitgeoefende beroep of bedrijf; d. geen onevenredige afbreuk plaatsvindt aan het (leef)milieu en/of in de omgeving aanwezige functies. 7.4.2
Bed en breakfast
Bij omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van de regels voor het gebruik van de woning ten behoeve van de uitoefening van een bed & breakfast. De afwijking wordt toegepast onder de voorwaarden dat: a. de accommodatie deel uitmaakt van de woning met dien verstande dat maximaal 3 slaapkamers en maximaal 6 slaapplaatsen zijn toegestaan; b. de oppervlakte van de gehele accommodatie beslaat maximaal 30% van de woning; c. degene die de bed & breakfast uitoefent, is tevens bewoner van de woning; d. op eigen terrein in de parkeerbehoefte dient te worden voorzien.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
19
Artikel 8 8.1
Leiding - Riool
Bestemmingsomschrijving
De voor Leiding - Riool aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a. de aanleg, de instandhouding en bescherming van een ondergrondse rioolpersleiding; b. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding. 8.2
Bouwregels
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen nieuwe gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet worden gebouwd. 8.3
Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2 ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de betreffende, andere bestemming mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de betreffende leiding en vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen. 8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 8.4.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de gronden de volgende andere-werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeer- voorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c. verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden; d. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; e. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; f. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. 8.4.2
Verlening
Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door het uitvoeren van het ander-werk dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer of de veiligheid van de leiding en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 8.4.3
Advies
Een omgevingsvergunning wordt niet eerder verleend dan nadat advies is verkregen van de leidingbeheerder. 8.4.4
Uitzondering
Geen omgevingsvergunning is nodig voor: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het van kracht worden van het plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning. Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
20
Artikel 9 9.1
Leiding - Water
Bestemmingsomschrijving
De voor Leiding - Water aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a.
een hoofdwaterleiding;
met de daarbijbehorende: b. 9.2
bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bouwregels
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen nieuwe gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet worden gebouwd. 9.3
Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.2 ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de betreffende, andere bestemming mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de betreffende leiding en vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen. 9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 9.4.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de gronden de volgende andere-werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeer- voorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c. verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden; d. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; e. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; f. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. 9.4.2
Verlening
Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door het uitvoeren van het ander-werk dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer of de veiligheid van de leiding en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 9.4.3
Advies
Een omgevingsvergunning wordt niet eerder verleend dan nadat advies is verkregen van de leidingbeheerder. 9.4.4
Uitzondering
Geen omgevingsvergunning is nodig voor: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
21
b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het van kracht worden van het plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
22
Artikel 10 10.1
Waarde - Archeologische Verwachting 2
Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologische Verwachting 2 aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. 10.2
Bouwregels
10.2.1 Algemeen Ten aanzien van het bouwen van bebouwing gelden de volgende regels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk groter dan 1.000 m2 en de grondbewerking dieper is dan 30 cm vanaf het maaiveld, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld; b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: c. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of d. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen of e. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of f.
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; g. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is. 10.2.2 Advies archeologisch deskundige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 10.2.1 onder a, wint zij advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden zoals opgenomen in lid 10.2.1 onder b dienen te worden gesteld. 10.2.3 Uitzondering bouwregels Het bepaalde onder lid 10.2.1 onder a geldt niet indien: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of c.
gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering wordt vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
23
10.3
Nadere eisen
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 10.4.1 Vergunningplicht Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de gronden de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter; b. grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen; c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist; d. het verlagen van het waterpeil; e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f.
het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 10.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het in lid 10.4.1 opgenomen verbod geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 30 cm onder het bestaande maaiveld; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; c. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; d. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; e. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' in dit kader is verleend; f. voor werken en werkzaamheden waarvoor een vergunning op grond van de Erfgoedwet is vereist dan wel waarvoor overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn.
Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Regels Vaststelling
24
10.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de onder lid 10.4.1 genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologische deskundige, afdoende is vastgesteld. 10.4.4 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden onder beperkingen verlenen en zij kan voorschriften aan deze omgevingsvergunning verbinden, waaronder: a.