CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting, regels en verbeelding-Bestemmingsplan Buitengebied, zorgpark Warmse Water.pdf

Raadsvergadering 14 december 2023, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan ‘Buitengebied, zorgpark Warmse Water'31.187 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 8. In deze aanmeldnotitie wordt aan de hand van de drie criteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn(2011/92/EU), inzicht gegeven in de mogelijke milieueffecten van dit plan. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er geen belangrijk negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Er hoeft geen milieueffectrapport te worden gemaakt.

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

24

4.2

Verkeer en parkeren

4.2.1 Parkeren De gemeente Oude IJsselstreek heeft in haar Gemeentelijk Verkeer en Vervoer Plan parkeernormen opgenomen. Omdat de hier betreffende categorie van zorg hierin niet is opgenomen, kan worden uitgeweken naar de normen van het CROW. Op basis van de CROW-publicatie 381 is het totaal aantal vereiste parkeerplaatsen voor de ontwikkeling bepaald. De gemeente Oude IJsselstreek wordt als weinig stedelijk aangemerkt. Het plangebied ligt in het buitengebied. De functie zorgpark kan breed worden geïnterpreteerd. Voor het zorgpark wordt uitgegaan van onzelfstandige verblijfseenheden voor mensen met een zwaardere zorgindicatie (dagverzorging). Deze verblijven vallen daarom onder de categorie verpleeg-/verzorgingstehuis. Het eventuele gezinshuis sluit eveneens niet direct aan bij de categorieën zoals gehanteerd door het CROW. Hiervoor is een inschatting gemaakt, waarbij wordt uitgegaan van twee parkeerplaatsen voor de begeleiders. Daarnaast bestaat de wens om de werkplek van een aantal medewerkers van Zozijn die hun werkzaamheden uitvoeren in de regio Achterhoek/De Liemers binnen het zorgpark te situeren. Het CROW gaat uit van een minimale en maximale parkeernorm. Gezien de ligging van het plangebied wordt er voor deze ontwikkeling uitgegaan van de maximale parkeernorm. Op deze manier wordt de parkeervraag worst-case berekend.

Programma Verpleeg- en verzorgingstehuis Gezinshuis Kantoor (zonder baliefunctie) Koop, huis, vrijstaand Totaal

Parkeernorm 0,7 2 2,8 (per 100 m2 bvo) 2,8

Aantallen / m2 112

Parkeerbehoefte 78,4

1 600 2

2 16,8 5,6 102,8

Tabel 4.1: berekening parkeerbehoefte

De parkeerbehoefte wordt binnen het zorgpark opgelost. Elk van de drie zorgclusters / zorgerven heeft een eigen toegang vanaf de Oude IJsselweg. Hieraan zijn de parkeervoorzieningen gesitueerd, zoveel mogelijk vooraan en naar rato van de omvang van de clusters. Het achtergelegen gebied blijft daardoor autovrij, waarbij wel alle zorggebouwen toegankelijk blijven voor calamiteiten verkeer. De twee woningen van de voormalige bewoners van de boerderij liggen buiten het zorgpark en krijgen parkeerplaatsen op eigen terrein. 4.2.2 Verkeersgeneratie en ontsluiting Verkeer Zorgpark Warmse Water Op basis van de CROW-publicatie 381 is de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie bepaald. Omdat voor een verpleeg- en verzorgingstehuis geen kencijfers bekend zijn, is een inschatting gemaakt op basis van ervaring in andere zorgparken:

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

25

aantal verkeersbewegingen per dag ma t/m do vrij za, zo activiteit 07-16 u. > 2 begeleiders wonen en dagbdesteding per 10 clienten 16-22 u. > 2 begeleiders wonen per 10 clienten 22-07 u. > 4 medewerkers nachtdienst bezoek voor clienten: gemiddeld 1 x per week 25 % clienten in weekend naar huis logeren 8 clienten halen en brengen van clienten: gemiddeld 2 busjes per dag (ma t/m vrij) (para)medisch personeel: gemiddeld 1 x per dag halen en brengen wasgoed: 1x per dag afval ophalen gezinshuis onderhoudsbedrijven: 1x per dag personeel regiokantoor: 20 personen (vrijdag kwart bezetting) maaltijd-bezorging: 3x per week boodschap-bezorging: 3x per week landwinkel

44 44 8 32

totaal aantal verkeersbewegingen per dag

44 44 8 32 56 16

2 2 40 4 4 28

44 44 8 32 56 16 4 2 2 2 2 2 10 2 2 28

216

256

204

4 2 2

2

2

gemiddeld per dag

218

Op basis van bovenstaande inschatting bedraagt het gemiddeld aantal verkeersbewegingen ten behoeve van het zorgpark ca. 218 per dag. Programma Verpleeg- en verzorgingstehuis Koop, huis, vrijstaand Totaal

Verkeersgeneratie per woning 8,6

Aantallen 112

Verkeersgeneratie (mvt/etmaal) 218

2

17,2 235,9

Tabel 4.2: berekening verkeersgeneratie nieuw programma

Uit bovenstaande berekening blijkt dat het toekomstige programma gepaard gaat met een verkeersgeneratie van circa 236 verkeersbewegingen per etmaal. De woningen zijn in de huidige situatie ook al aanwezig binnen het plangebied. Het zorgpark zal worden ontsloten via drie aansluitingen op de Oude IJsselweg. De twee reguliere woningen worden ontsloten aan de Warmse Weg. Vervolgens vindt vanaf de Oude IJsselweg ontsluiting plaats op de provinciale N317. Verkeersmaatregelen buiten het plangebied Het zorgpark ligt aan de Oude IJsselweg in Terborg. Deze weg, en in het verlengde daarvan de Waalseweg is geclassificeerd als Erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 60km/u. Dit type weg is bedoeld om de aangrenzende erven te ontsluiten, en niet als doorgaande verbinding. De Oude IJsselweg wordt echter ook gebruikt door sluipverkeer van en naar Doetinchem dat via de Doetinchemseweg, Waalseweg en Oude IJsselweg rijdt in plaats van via de daarvoor aangewezen route over de autosnelweg A18 en de N317/Slingerparallel. Dit geeft een relatief hoge verkeersintensiteit op de Oude IJsselweg en de kruising met de N317/Slingerparallel. In het verleden heeft dit geleid tot onveilige situaties en ongelukken op de kruising.

Ondanks dat de komst van het zorgpark slechts in beperkte mate invloed heeft op de verkeersituatieen veiligheid op de Oude IJsselweg zelf en de kruising daarvan met de N317/Slingerparallel, vindt de Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

26

gemeente dat deze situatie wel kan worden verbeterd. De gemeente is hier al langere tijd, los van het zorgpark, over in gesprek met de dorpsbelangenorganisaties, omwonenden, werkgroep en de provincie. In de vorm van een tweesporen aanpak is de gemeente in gesprek met de provincie over het maken van aanpassingen aan de kruising. Daarnaast is het noodzakelijk om aanpassingen te doen aan de Oude IJsselweg zelf, om de hoeveelheid verkeer hier fors te laten afnemen. Om dit te bereiken legt de gemeente een landbouwsluis aan. Deze komt ongeveer ter hoogte van de brug over het Waalse Water te liggen. Landbouwvoertuigen en de hulpdiensten kunnen gebruik blijven maken van de Oude IJsselweg. Dit geldt ook voor voetgangers en fietsers. De landbouwsluis zal in eerste instantie als pilot voor een periode van enkele maanden worden aangelegd. Als hiermee het doel wordt bereikt, wordt deze maatregel definitief. Het verwijderen van het sluipverkeer van de Oude IJsselweg betekent dat de verkeersintensiteit fors afneemt. Er komt zo minder verkeer op de kruising met de N317/Slingerparallel. Daarnaast verbetert de verkeersveiligheid op de Oude IJsselweg/Waalseweg. Gelijktijdig daarmee gaat de provincie de kruising aanpassen door één of beide linksaf-stroken af te sluiten. Daarnaast versmalt de provincie de aansluiting op de N317/Slingerparallel vanaf de Oude IJsselweg.

Deze maatregelen zorgen ervoor dat de kruising overzichtelijker wordt. Deze maatregelen worden in eerste instantie tijdelijk uitgevoerd en naar verwachting volgen in 2025 de definitieve werkzaamheden. Bovenstaande aanpassingen zorgen ervoor dat de Oude IJsselweg en de kruising daarvan met de N317/Slingerparallel voor alle verkeersdeelnemers overzichtelijker en daarmee veiliger te wordt. Voor het maken van de aanpassingen worden verkeersbesluiten genomen en in procedure gebracht. Zij vallen namelijk buiten de grenzen van het plangebied van dit bestemmingsplan en maken daarom geen onderdeel uit van de bestemmingsplanprocedure. 4.2.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden.

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

27

Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m 3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Als de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.3.2 Beoordeling Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 112 onzelfstandige verblijfseenheden en 2 reguliere woningen mogelijk gemaakt. Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2021.

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

28

Afbeelding 4.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2021)

Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 17,9 µg/m3, 15,4 µg/m3 en 8,6 µg/m3 bedragen. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 4.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 4.4

Geluid

4.4.1 Kader De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. 4.4.2 Beoordeling Omdat het zorgpark zijn gelegen binnen de geluidszone van de Oude IJsselweg en de N317, is akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk. Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies beschreven. Uit het onderzoek blijkt dat het verkeer op beide wegen een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De geluidsbelasting door de N317 bedraagt maximaal 51 dB op de grens van het bouwvlak binnen de maatschappelijke bestemming en lager dan 48 dB op de grens van het bouwvlak binnen de woonbestemming. Het verkeer op de Oude IJsselweg veroorzaakt een Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

29

geluidsbelasting van maximaal 51 dB de grens van het bouwvlak binnen de maatschappelijke bestemming en 52 dB op de grens van het bouwvlak binnen de woonbestemming. Uit het onderzoek volgt verder dat geluidsreducerende maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied niet mogelijk zijn. 4.4.3 Conclusie Omdat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde(n) aan de orde is bij de nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen moet een hogere waarde procedure in het kader van de Wgh worden doorlopen. De eerste stap daartoe is dat bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan ook een ontwerpbesluit hogere waarden terinzage moet worden gelegd. Omdat voor de nieuwe (zorg)woningen hogere waarden noodzakelijk zijn, moet bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw van deze woningen een onderzoek naar de karakteristieke geluidwering worden uitgevoerd. Dit is vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. 4.5

Bodemkwaliteit

4.5.1 Kader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van belang indien er sprake is van functieverandering en/of een ander gebruik van de gronden. Ontwikkelingen kunnen pas plaats vinden als de bodem, waarop die ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is bevonden voor het beoogde doel of voorafgaand aan die ontwikkeling alsnog geschikt wordt gemaakt. 4.5.2 Beoordeling Door onderzoeksbureau Milieutechniek ZVS is een verkennend bodemonderzoek (BO422201, 14 februari 2022) uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies benoemd. Op het bebouwde deel van de locatie is een stal aanwezig die is voorzien van asbestverdachte dakbedekking. Op het met asfaltverharde maaiveld is daarbij asbesthoudend materiaal aangetroffen. Deze stal is voorzien van hemelwaterafvoer doch is aan de zijde waar het maaiveld niet met asfalt is verhard op een tweetal plekken defect. In de druppelzone is in de grond gering asbest aangetoond. Hoewel het resultaat indicatief is verkregen, ligt het gehalte ruim onder 0,5 x interventiewaarde en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

Het onderzoeksbureau adviseert wel een asbestinventarisatie van de opstallen te (laten) verrichten en om asbestverdacht materiaal op maaiveld middels zogenaamde ‘handpicking’ van het maaiveld te verwijderen door een hiertoe bevoegde sloopaannemer. De grond op zowel het bebouwde als onbebouwde deel is vergelijkbaar in kwaliteit en is niet verontreinigd. Een uitzondering is mengmonster OG8 van de ondergrond (1,5-2,0 m-mv) samengesteld van boringen 71 en 92. Hier worden de achtergrondwaarden overschreden voor kobalt en nikkel. Het grondwater is overwegend licht verontreinigd met barium. Van barium is bekend dat deze vaker in deze mate in het grondwater voorkomt. Op een drietal locaties is in het grondwater ook nikkel aangetroffen. In het grondwater van peilbuis 92 komt nikkel sterk verhoogd voor. Ter hoogte van peilbuizen 82 en 87 is nikkel in lichte mate vastgesteld. Nikkel is ter plaatse van peilbuis 92 ook in lichte mate in de grond aangetroffen. Het is theoretisch aannemelijk dat de verhogingen van nikkel gerelateerd is aan (in het verleden) gebruikte meststoffen (i.e. zouten) gedurende het agrarisch gebruik en daarmee meer regionaal voorkomend is. Gezien het feit dat in het grondwater van de andere peilbuizen geen sterke verhogingen worden aangetoond, is een nader grondwater onderzoek niet noodzakelijk.

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

30

Tevens is onderzocht of de puinverharding, zoals aanwezig op een deel van het projectgebied, asbesthoudend is. In de met puin verharde oprit is geen asbest aangetoond. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek en de beoordeling door de Omgevingsdienst Achterhoek is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Volgens de beoordeling diende de huidige en voormalige tanklocatie alsmede de druppelzones van de (vermeende) asbestdaken op het bebouwde deel van de onderzoekslocatie aanvullend te worden onderzocht. De volledige rapportage van het aanvullend bodemonderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. Gedurende onderhavig onderzoek is in de bovengrond ter hoogte van de voormalige en huidige tanklocatie geen minerale olie vastgesteld. In geen van de onderzochte druppelzones is gedurende onderhavig onderzoek asbest aangetoond. Middels deze aanvulling worden eerdere resultaten gecompleteerd. Er is met deze aanvulling geen wijziging in eerder geformuleerde conclusie. Er zijn geen milieutechnische belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning. 4.5.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Kader Externe veiligheid (EV) heeft betrekking op het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer (over weg, water en spoor en door buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Bij een grootschalige calamiteit met deze gevaarlijke stoffen kunnen personen die geen directe relatie hebben tot die risicovolle activiteit komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een inrichting die valt onder het Bevi, moeten worden aangehouden. 4.6.2 Beoordeling en conclusie Op basis van een analyse van de risicokaart (afbeelding 4.2) zijn er geen risicobronnen in de omgeving van het plangebied waarvan de contour over het plangebied reikt aanwezig. Ook bevindt het plangebied zich buiten de veiligheidsafstanden van de hoogspanningsverbinding ten zuiden van het plangebied. Onderzoek is dan ook niet benodigd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

31

Afbeelding 4.2: Overzicht risicobronnen (EV Signaleringskaart - plangebied globaal rood omlijnd)

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Kader Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen kan gebruik worden gemaakt van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld door de VNG (versie 2009). Deze geeft per bedrijfscategorie een “veilige” afstand voor de genoemde milieuaspecten, de zogenaamde richtafstand. Realisatie van woningen binnen deze richtafstand is alleen gemotiveerd mogelijk indien wordt aangetoond dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd én dat het bestaande bedrijf niet onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt geschaad ten gevolge van de ontwikkeling. 4.7.2 Beoordeling Rondom het plangebied liggen diverse relevante bedrijven. Voor de nabijgelegen RWZI en het timmerbedrijf aan de Warmseweg 6 wordt voldaan aan de richtafstand (respectievelijk 200m en 100m), waardoor daarvan geen belemmeringen worden verwacht.

Voor de agrarische bedrijven in de omgeving geldt dat geur het belangrijkste aspect is. Geur is geregeld in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Voor dieren waarvoor geen geuremissie is vastgesteld, geldt een generieke afstand. Die afstand is 100 meter als het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen en 50 meter als het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor dieren waarvoor wel een geuremissie is vastgesteld zijn geen generieke afstanden te geven, maar moet een berekening gemaakt worden. Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

32

Gezien de beoogde ontwikkeling dient veiligheidshalve in beginsel te worden getoetst aan de richtafstand van 100 meter: - De afstand van het bouwvlak van bedrijf aan de Oude Sluisweg 11 tot de zuidelijke oever van de Oude IJssel bedraagt circa 130 meter. - De afstand van het bedrijf aan de Warmseweg 4 reikt tot net tussen de weg en de rioolleiding binnen het plangebied. - Van het bedrijf aan de Oude IJsselweg 5 ligt de richtafstand voor een kleine strook (circa 10 a 15 meter) binnen het plangebied.

Afbeelding 4.3: Omliggende veehouderijen en geuremissies

Ondanks dat voor twee van de drie veehouderijen de richtafstand wordt gerespecteerd, is door onderzoeksbureau De Roever onderzoek verricht naar de ligging van de geur- en afstandscontouren en naar de overige geuraspecten. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. Hieruit blijkt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de belangen van veehouderijen niet worden geschaad. Geurhinder van veehouderijen vormt zodoende geen belemmering voor het plan. 4.7.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.8

Water

4.8.1 Kader Rijks- en provinciaal beleid Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Waterplan 2016-2021.

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

33

Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Provinciaal Waterplan 2016-2021 De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening.

Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Regionaal Waterprogramma Gelderland De provincie is vanuit diverse invalshoeken betrokken bij het thema water: vanuit de provinciale rol op het gebied van water en ondergrond, drinkwater, waterveiligheid en wateroverlast, natuur, waterkwaliteit en diverse gebruiksfuncties. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, is in de geest van de nieuwe Omgevingswet ingevuld.

In het verlengde daarvan wordt deze visie op hoofdlijnen aangevuld met een detaillering van het beleid in dit waterprogramma. De visie en het waterprogramma vormen samen ‘het beleid’. De ambitie is de komende jaren toe te werken naar een programma, dat vanuit raakvlakken in het provinciale beleid, bijvoorbeeld vanuit urgenties op gebiedsniveau, is ingevuld. Naar analogie van wat gezegd wordt in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland: het gaat om het vinden van synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden, om Gelderland ook in de toekomst gaaf te houden. Raakvlakken worden in elk geval voorzien tussen water en de beleidsterreinen van bodembeheer, natuur-/ soortenbescherming, Natura 2000, klimaatadaptatie en met de programma’s van gebiedsontwikkeling Waar en hoe, wordt de komende jaren onderzocht, met de ambitie dit concreet te maken in programma(‘s) onder de nieuwe Omgevingswet. Zo staat Gelderland gesteld voor de toekomst. Dit waterprogramma is daarvoor een begin. Het bevat geen nieuw beleid, maar is een voortzetting van het bestaande waterbeleid. Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan waterschap Rijn en IJssel In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

34

halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Voor het Waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema's. Klimaatrobuust gebied De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen.

Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. De herontwikkeling beschreven in deze watertoets betreft een inbreiding van verhard naar verhard oppervlak in het buitengebied. In het kort zijn de uitgangspunten: • Kwalitatief: vuilvracht uit de riolering (HWA + DWA) mag niet groter zijn dan de vuilvracht uit een verbeterd gescheiden referentiestelsel waarbij gemeente / projectontwikkelaar aantoont dat het voorgestelde stelsel hieraan voldoet. • Kwantitatief: bij extreme hemelwatergebeurtenissen mag bui T100+10 % tot aan maaiveld geborgen worden en mag er geen waterschade, door inundatie vanuit het watersysteem, ontstaan.

Gemeentelijk waterbeleid Voor de gemeente Oude IJsselstreek is een gemeentelijk waterplan opgesteld. In het waterplan is een watervisie opgenomen die ervoor moet zorgen dat de waarde van het water nu en in de toekomst behouden blijft en daar waar mogelijk wordt versterkt. De gemeente Oude IJsselstreek wil een waterketen en een watersysteem dat goed functioneert onder wisselende omstandigheden en dat rekening houdt met voortdurende ontwikkelingen. De gemeente Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

35

Oude IJsselstreek en het waterschap Rijn en IJssel stellen zich hierbij een systeem voor waarbij peilbeheer, waterberging en waterkwaliteit met elkaar in evenwicht zijn, waarbij beheer en onderhoud gewaarborgd zijn en klanttevredenheid een vanzelfsprekendheid is. Dit impliceert een systeem waarbij het grondwaterniveau een optimaal gebruik van gronden mogelijk maakt zonder op andere plaatsen verdroging, vernatting of vervuiling te veroorzaken. Een systeem dat bovendien flexibel is en opgewassen is tegen langdurig natte en droge perioden en tegen intensieve neerslag. In alle gevallen geldt dat het watersysteem en de waterketen met enige hinder, minimale overlast (volgens de normen) en zonder schade dergelijke situaties kunnen verwerken, zowel kwantitatief als kwalitatief. Mocht het dan op enig moment toch misgaan dan worden de burgers door een adequaat ambtelijk apparaat te woord gestaan en geholpen. Voor een dergelijk systeem zijn onder andere de volgende algemeen geldende principes (ladders) leidend: • Schoonhouden – scheiden – schoonmaken • Vasthouden – bergen – afvoeren • Conserveren – accepteren - aanvoeren 4.8.2 Watertoets Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op.

Huidig en toekomstig watersysteem Van nature is het gehele plangebied onderdeel van het "beekdal". Het plangebied grenst aan de Oude IJssel en wordt doorkruist door de watergang Warmse Waterleiding. De Warmse Waterleiding bevat meerdere duikers, een stuw en een brug. Aan de Oude IJssel bevindt zich een vlonder / aanlegsteiger. Aan de Oude IJssel zullen geen wijzigingen plaatsvinden door voorliggende ontwikkeling. Ten behoeve van de veiligheid van de toekomstige bewoners worden rondom de zorgerven heggen en/of hekken geplaatst. De heggen en/of hekken zullen niet op de rand van het beekdal worden geplaatst, waardoor deze geen belemmering vormen. De Warmse Waterleiding krijgt een centrale plek in het plan en zal worden verbreed. Onderstaande tekening geeft het profiel van de Warmse Waterleiding weer. De breedte is 7 meter gemeten van insteek tot insteek. Aan de westzijde ligt de onderhoudsstrook van 5 meter, aan de oostzijde een groenzone met voetpad.

Afbeelding 4.4: Toekomstig profiel Warmse Waterleiding

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

36

In het verleden was het plangebied als mogelijk “zoekgebied waterberging” aangewezen door de Provincie. In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is de locatie niet meer aangemerkt als waterberging. Ook voor het Waterschap is deze plek momenteel geen zoekgebied meer.

Afbeelding 4.5: Uitsnede leggerkaart Waterschap Rijn en IJssel - plangebied globaal rood omlijnd

Waterkwantiteit Bij uitwerking van het plan en de verkaveling is stilgestaan bij het aantal m2 verhard oppervlak. Hieronder is het verschil in huidige en toekomstige situatie inzichtelijk gemaakt. Totale verharding Waarvan bebouwing Waarvan verharding (toegangswegen/erf) Water en groen Totaal plangebied

9.700 2.400 7.300 196.420 206.120

Tabel 4.3: Huidige verhardingssituatie

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

37

Afbeelding 4.6: Huidige verhardingssituatie ter plaatse van het bestaande erf

Bebouwing Wegen en paden Totaal verhardingen Groen en water Totaal

Oppervlak totaal incl. woonerf 11.000 m2

Woonerf

Zorgerf west

Zorgerf midden

Zorgerf oost

500 m2

12.500 m2

2.150 m2

23.500 m2

2.650 m2

5.000 m2 5.200 m2 10.200 m2

3.000 m2 2.650 m2 5.650 m2

2.500 m2 2.500 m2 5.000 m2

182.620 m2 206.120 m2

Tabel 4.4: Toekomstige verhardingssituatie

Uit bovenstaande tabellen blijkt dat het aantal m2 verharding naar verwachting met circa 14.000 m2 toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. De toekomstige verhardingssituatie en bijbehorende m 2 zijn gebaseerd op de voorlopige verkavelingsschetsen. Het uitgangspunt vanuit het waterschap luidt dat er in het buitengebied 55 mm water per m 2 toename verhard oppervlak moet kunnen worden geborgd. De afvoer naar het oppervlaktewater mag daarnaast niet meer bedragen dan 1,6 ltr/sec. Uitgaande van bovenstaande tabellen betekent dat dat er circa 770 m3 water moet worden geborgen binnen het plangebied. Uitgangspunt is dat een nieuwe ontwikkeling minimaal waterneutraal wordt gerealiseerd. Het afstromende hemelwater zal worden gebufferd en vastgehouden binnen het plangebied. Daartoe worden voor de drie zorgerven en voor het woonerf wadi’s / waterbuffers ingericht die het aantal Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

38

benodigde kuubs (verhard oppervlak in m2 x 55mm) kunnen vasthouden. Totaal gaat het naar boven afgerond om een toename van circa 14.000 m2 verharding (zie bovenstaande berekening) hetgeen resulteert in een benodigde waterbuffer van circa 770 m3. Deze wordt naar rato verdeeld over de vier erven. Van belang is dat het hemelwater niet direct kan afstromen op bestaande watergangen en dat de waterbuffers binnen afzienbare tijd weer beschikbaar zijn (ledigingstijd) voor een navolgende regenbui. De bodem van de buffervoorzieningen ligt boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Er wordt voorts voor gezorgd dat er geen sprake is van drainage van de omliggende grond waardoor de buffer al voor een deel vol zou kunnen staan met grondwater en de benodigde capaciteit niet geborgd zou kunnen worden. Hoe de precieze watercompensatie wordt ingevuld wordt in een latere fase nader uitgewerkt. Om te borgen dat deze watercompensatie wordt gerealiseerd, is in artikel 14.1 van de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij dient advies te worden ingewonnen van het waterschap. Indien er extra water wordt gegraven dient er daarnaast een watervergunning aangevraagd te worden. Veiligheid Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering.

Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan het programma meerlaagse veiligheid (verbetering van de veiligheid tegen overstromingen tot een maatschappelijk aanvaardbaar risiconiveau). Dit beleid (meerlaagse veiligheid) is gebaseerd op 3 pijlers: • Preventie • Duurzame ruimtelijke planning en inrichting • Crisisbeheersing op orde. Met name de tweede laag is voor de ruimtelijke ordening van belang. Deze laag is erop gericht overstromingsrisico's expliciet mee te wegen bij de locatiekeuze en de inrichting van gebieden, infrastructuur en gebouwen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bieden kansen voor veiligheidsmaatregelen en in bestaand bebouwd gebied liggen kansen om mee te koppelen met herstructurering. Met de ontwikkeling wordt ingespeeld op de klimaatverandering en het voorkomen van overstromingen. In de zone langs de Oude IJssel krijgt de natuur volop de ruimte. Deze karakteristieke open IJsselweiden wordt vrij gehouden als potentieel overstromingsgebied / waterberging (klimaat-adaptatie). Hier zijn volop mogelijkheden voor natuur- en landschapsontwikkeling. Delen in deze zone worden verlaagd ten gunste van waterberging. De bebouwing op de erven worden iets verhoogd ten opzichte van de omgeving (terp-achtig) naar ongeveer het peil van de huidige boerderij (circa 13,10 +NAP) en de omliggende boerderijen. Het westelijke zorgerf ligt dus al op deze hoogte.

De andere erven dienen enkele decimeters te worden verhoogd. Hierdoor wordt de kans vergroot dat de bebouwing veilig en droog blijft bij piekbuien. Riolering De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. De aanwezige riolering voor dit perceel betreft mechanische riolering (drukriolering met pompunits). Deze drukriolering is bedoeld voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en niet voor de afvoer van hemelwater. De huidige situatie van 2 woningen met agrarisch bedrijf wordt omgevormd tot een zorgpark. Dit betekent een toename van de hoeveelheid afvalwater. De gemeente Oude IJsselstreek zamelt het afvalwater in dit gebied in en is de beheerder van deze riolering. Met de gemeente zal afgestemd worden of het bestaande drukrioolsysteem dit aan kan en of er eventuele aanpassingen of aanvullende voorzieningen op het

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

39

betreffende perceel nodig zijn. Dit is mede van belang voor het aansluitpunt van dit gemeentelijke drukrioolsysteem op de ontvangende persleiding van waterschap. Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling mogen geen (bouw)materialen toegepast worden waardoor het afstromende hemelwater bijvoorbeeld door uitloging verontreinigd kan raken. Gestreefd dient te worden naar het volgen van het voorkeursbeleid van het Waterschap. Volksgezondheid Overstorten van vuilwater dient te worden voorkomen. Door het afkoppelen van hemelwater van de droogweerafvoer (DWA) worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Bodem en grondwater De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Hierdoor zal bodemdaling niet aan de orde zijn. Grondwateroverlast is niet bekend en is ook niet te verwachten. Indien bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden. Op en aan het water zullen diverse werkzaamheden en activiteiten plaats vinden.

Deze mogen de waterkwaliteit niet beïnvloeden. Het gaat dan bijvoorbeeld over het toepassen van bouwstoffen die niet uit mogen logen. Verdroging De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Het plan heeft derhalve geen (negatieve) invloed op karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; er is immers geen kans op verdroging als gevolg van het plan. Natte natuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten. Het plan grenst aan het in de omgevingsverordening aangewezen Gelders natuurnetwerk, waardoor een goede inpassing van het plan in het landschap van belang is. Zoals hiervoor benoemd is daarom aandacht besteed aan een passend ontwerp dat recht doet aan de locatie. De zone aan de Oude IJssel krijgt in dit bestemmingsplan een natuurbestemming, waarmee de openheid in deze zone wordt geborgd. Keur Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de Legger zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is.

Onderhoud en beheer Het onderhoud langs de Warmse waterleiding zal in principe éénzijdig worden aan de westzijde van de watergang. Dit is toegestaan als de bovenbreedte van het water (van insteek tot insteek) niet breder is dan 7 meter, wat hier het geval is. Technisch gezien bedraagt de maximale reikwijdte van een kraan namelijk 7 meter vanaf de insteek over het water. Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

40

Volgens de richtlijnen van het Waterschap is het nodig dat het onderhoudspad een breedte krijgt van 5 meter. Aan de overzijde van de kant met het onderhoudspad dient nog een strook van minimaal 1 meter breed uit de insteek van het talud toegankelijk, zonder opgaande begroeiing te blijven. Omwille van de bereikbaarheid van het water en het talud voor onderhoud, is het in principe niet toegestaan om beplanting op het onderhoudspad en in het talud van de watergang aan te brengen. n overleg is eenzijdige begroeiing mogelijk. Hiervoor dienen wel concrete afspraken gemaakt te worden over de afvoercapaciteit en onderhoud van de watergang. Ook het op diepte houden van de Warmse Waterleiding is van belang. Het waterschap moet de afvoer van water vanaf het achterland van de Warmse Waterleiding naar de Oude IJssel garanderen. Het waterschap blijft verantwoordelijke voor het onderhoud. Dichtslibben zal hierdoor niet snel plaatsvinden. Ten noorden van de Oude IJsselweg ligt een rioolpersleiding. Over en nabij deze persleiding ligt een zogenaamde belangenstrook. Voor activiteiten en werkzaamheden binnen deze strook, is toestemming nodig van het waterschap. In voorliggend bestemmingsplan krijgt deze strook dan ook de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’, waarbij regels worden verbonden aan de toegestane werkzaamheden binnen de strook.

Vaarwegbeheer Er verandert niets bij de uitmonding van de Warmse Waterleiding in de Oude IJssel ten opzichte van de huidige situatie. Het plan heeft in de huidige vorm, geen gevolgen voor het vaarwegbeheer. Viswater De Hengelsport Federatie Midden Nederland heeft het visrecht gehuurd op de Oude IJssel. Ter plekke van de uitmonding van de Warmse Waterleiding in de Oude IJssel zijn voorzieningen gemaakt voor invalide vissers, zodat zij daar ook kunnen vissen. Bovendien is een extra brug aangelegd over de Warmse Waterleiding, om vanaf de westkant aan de oostkant van de Warmse Waterleiding te kunnen komen. Het plan heeft impact op de vislocatie en hier zal in de planuitwerking rekening mee worden gehouden in de zin dat de mogelijkheid om te vissen ook in de toekomst behouden blijft. 4.8.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 4.9

Ecologie

4.9.1 Kader Voor ecologie moet aan de Wet natuurbescherming (Wnb), met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden, worden getoetst. Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

41

Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd.

Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb.

Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Oude IJsselstreek is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb).

Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

42

worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan.

Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). 4.9.2 Beoordeling Soortenbescherming De ontwikkeling zal samen gaan met de sloop van de bestaande bebouwing en begroeiing. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Daarom is door adviesbureau Econsultancy een quickscan uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Uit de quickscan is gebleken dat er nader onderzoek nodig is naar de huismus, steenuil, gebouwbewonende vleermuizen, steenmarter en kleine marterachtigen. Dit onderzoek is uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 10 bij deze toelichting. Uit het nader onderzoek blijkt dat er op de onderzoekslocatie vijf beschermde huismusnesten en essentieel leefgebied met een vaste rust- en voortplantingsplaats van de wezel aanwezig zijn. Gebiedsbescherming Voor de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen is de stikstofdepositie in de gebruik- en aanlegfase beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief complete berekeningen is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting.

Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van het zorgpark. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. 4.9.3 Conclusie Uit onderzoek blijkt dat voor de huismus en wezel een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd dient te worden. Voor de benodigde ontheffing zal een activiteitenplan opgesteld dienen te worden met daarin mitigerende maatregelen ten aanzien van de beschermde Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

43

functies. Vervolgens zal een ontheffingsaanvraag worden ingediend bij de gedeputeerde staten van de provincie Gelderland. De benodigde mitigerende maatregelen zullen worden meegenomen in de planuitwerking. Wanneer dergelijke noodzakelijke maatregelen achterwege blijven bij de realisering van het plan, waardoor het plan leidt tot overtreding van één of meerdere verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming, dan kan op basis van de Wet Natuurbescherming handhavend worden optreden. Hiermee staat dit aspect de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. 4.10 Archeologie en cultuurhistorie 4.10.1 Kader Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Ten aanzien van het ruimtelijk domein regelt deze wet de omgang met Rijksbeschermde gebouwde en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. De Erfgoedwet werkt door in de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Erfgoedwet moet de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met de in de grond aanwezige en te verwachten archeologische waarden. 4.10.2 Beoordeling Door Econsultancy is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting.

Op grond van de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting en voornamelijk gebaseerd op de landschappelijke ligging, heeft het centrale, centraalzuidelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied nog een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen. Een verhoogde verwachting op het voorkomen van deze zogenaamde watergerelateerde resten voor het zuidwestelijke en noordelijke deel van het plangebied gaat pas gelden wanneer binnen de aangrenzende, hoger gelegen terreindelen resten en/of sporen van bewoningsactiviteiten aanwezig zijn of wanneer sprake is van een in situ gelegen archeologische vindplaats. De kans is wel groot dat binnen het plangebied diepgaande agrarische bewerking heeft plaatsgevonden, waardoor mogelijk gebroken gronden zijn ontstaan en verstoringen reiken tot in de top van de top van de rivierduin- dan wel de vlechtende rivierterrasafzettingen. Econsultancy adviseert om in eerste instantie binnen het centrale, centraal-zuidelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen te laten uitvoeren.

Hiermee wordt inzicht verkregen van de toestand van het bodemprofiel, of er mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen aanwezigheid zijn (zichtbaar als bodemverkleuringen) en kan worden vastgesteld of er nog archeologische resten in situ te verwachten zijn en of daarmee vervolgonderzoek wel of niet noodzakelijk is. Op basis van de resultaten van dit verkennend booronderzoek dient tevens bepaald te worden of er nog aanleiding is om in het zuidwestelijke en noordelijke deel van het plangebied aanvullend onderzoek/ vervolgonderzoek te laten uitvoeren. In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische waarden aanwezig. 4.10.3 Conclusie Op basis van de resultaten uit het verkennend onderzoek wordt geadviseerd om een verkennend booronderzoek uit te voeren. Het onderzoek is voorgelegd aan het bevoegd gezag ((regio)archeoloog van Omgevingsdienst Regio Arnhem). De regioarcheoloog heeft ingestemd met het uitvoeren van een Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

44

booronderzoek ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning. Op deze manier kunnen de boringen gerichter worden uitgevoerd. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien wordt aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. Dit is onder andere geborgd middels de archeologische dubbelbestemming in de regels. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 4.11 Kabels en leidingen Naast de in het kader van externe veiligheidsaspecten relevante leidingen, kunnen er ook andere leidingen zijn die planologisch relevant zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om drinkwaterleidingen of riool(pers)leidingen. Door het plangebied lopen twee hoofdwaterleidingen van Vitens. In het vigerende bestemmingsplan zijn deze leidingen niet opgenomen. Ter bescherming van deze leidingen is in het voorliggende bestemmingsplan wel de dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ opgenomen. Daarnaast is conform het vigerende bestemmingsplan ook de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ opgenomen, ter bescherming van de rioolpersleiding langs de Oude IJsselweg.

Bestemmingsplan “Buitengebied, zorgpark Warmse Water” Toelichting Vaststelling

45

5.

Juridische planbeschrijving

5.1

Planvorm

5.1.1 Algemeen Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden door middel van de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en de regels die daarop betrekking hebben, de in het bestemmingsplan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van bouwwerken en onbebouwde gronden. De juridische regeling is opgebouwd conform de SVPB 2012, de landelijke standaard voor het vervaardigen van bestemmingsplannen, die bij de invoering van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als verplichte opbouw is opgenomen. Het bestemmingsplan bestaat formeel uit twee juridische onderdelen: - een verbeelding: een digitaal GML-bestand met een specifiek nummer, in dit geval: NL.IMRO.1509.BP000211-VA01 - regels: deze regels zijn in de SVBP 2012 zoveel mogelijk gestandaardiseerd (onder andere de volgorde, indeling, benaming, begripsbepalingen, overgangsbepalingen en de slotbepaling). Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven, met bijbehorende verklaringen. De verklaringen leggen een verbinding tussen de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en de regels. In de planopzet is aansluiting gezocht bij de uitgave Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen, kortweg SVBP. Ook is er een toelichting opgesteld.

Dat betreft onderhavig document. Hier in wordt het plan toegelicht en vindt de inhoudelijke beoordeling plaats voor de relevante beleids- en milieuaspecten. In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld 5.1.2 De verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden op de planlocatie. Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGTondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. 5.1.3 De planregels De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4596/documents/28133