Toelichting.pdf
Tekst van het document
Door het gebruiken van dit bos tijdens de voortplantingsperiode van de buizerd wordt mogelijk een bezet nest verstoord, beschadigd of vernield. Om te achterhalen of dit nest bezet is dient er nader onderzoek te worden uitgevoerd (zie paragraaf 4.3 en bijlage 5 voor de nader uitwerking hiervan). De ontwikkeling levert, met inachtname van de uitgevoerde quickscan en het daarop geplande vervolg van het uitvoeren van nader onderzoek naar de buizerd, geen strijdigheid op met de Visie op landschap, natuur en groene kernen. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Visie op landschap, natuur en groene kernen. 3.4.8 Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 -2026 Op 18 januari 2022 is de Klimaatagenda 2022-2026 vastgesteld. Met deze Klimaatagenda wordt de visie en ambitie voor een klimaatbestendige toekomst vastgelegd. Daarnaast is een uitvoeringsagenda voor 2022 tot en met 2026 beschreven. Steeds duidelijker wordt welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen van klimaatverandering, waaronder droogte, wateroverlast, overstromingen en hittestress aan te pakken De effecten van klimaatverandering worden opgedeeld in vier hoofdthema’s: • Meer regen: wateroverlast. Neerslagpatronen veranderen door klimaatverandering. We krijgen te maken met grotere piekbuien en langere natte winterperiodes. Dit kan leiden tot meer hemelwateroverlast en grondwateroverlast.
• Hoger water: overstromingen. Door het veranderende weer krijgen we in Oude IJsselstreek vaker te maken met stormen en een sterker fluctuerende rivierafvoer. Deze factoren betekenen een extra belasting op de dijken. • Meer hitte: hitte. Klimaatverandering wordt ook wel ‘global warming’ genoemd. We moeten er rekening mee houden dat we in de zomer vaker met extreme hitte te maken krijgen. • Drogere zomers: droogte. Het wordt warmer en neerslagpatronen worden grilliger. Vooral in de zomers zullen we steeds meer te maken krijgen met langdurige periodes van droogte en de effecten van (zoet) watertekorten. Beoordeling initiatief Op basis van de klimaatatlas gemeente Oude IJsselstreek is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering. 32
•
•
•
•
Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van het sportcentrum nauwelijks tot geen sprake is van plasvorming na korte extreem hevige buien of bij langdurige extreme buien. Ter plaatse van de beoogde tuin kan die wateroverlast wel optreden bij dit soort extreme buien. Plassen kunnen hier vervolgens enige tijd blijven staan. Op deze plek zal echter niet worden gebouwd. Desnoods kan de grond hier met enkele tientallen centimeters worden opgehoogd. De Molenweg en Den Dam blijven begaanbaar bij dit soort extreme buien. Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur op de planlocatie ongeveer gelijk is aan andere locaties met verspreid liggende bebouwing in het buitengebied. De ontwikkeling leidt ten opzichte van de huidige situatie niet tot meer hittestress. Bovendien worden er geen woningen of andere hittegevoelige gebouwen gerealiseerd. De kwaliteit van het oppervlaktewater van de Keizersbeek zal door langdurige opwarming in de zomer risico’s voor de volksgezondheid kunnen opleveren (door blauwalgen en snelle groei van ziekteverwekkers). Hiermee dient rekening te worden gehouden bij de bedrijfsvoering.
Droogte De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 weinig verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft op de planlocatie sprake van lage grondwaterstanden en van beperkte droogtegevoeligheid. De planlocatie ligt niet in een gebied waar een grote natuurbrand kan ontstaan in tijden van langdurige droogte. Overstroming De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er geen dijken en watergangen in nabijheid van de planlocatie liggen die kans geven op overstromingsgevaar.
Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat bij het voorliggend initiatief geen sprake is van zodanig risico’s door klimaatverandering dat hiervoor maatregelen moeten worden getroffen. Aandachtspunt is de beoogde tuin, waarbij door de iets lagere ligging wateroverlast kan optreden bij extreme buien. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Klimaatagenda 2022-2026. 3.4.9 Welstand Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld. Beoordeling initiatief Voor de planlocatie is geen sprake van een bouwplan. Een welstandstoets is daarom niet aan de orde. Conclusie Het plan levert geen strijdigheid op met de Welstandsnota.
33
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Wettelijk kader In de Memorie van Toelichting bij de Aanvullingswet bodem Omgevingswet wordt beschreven dat de algemene doelstelling van het bodembeleid is, het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door de maatregelen van het in onderlinge samenhang: • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen. • Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteit van de bodem. • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. Via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is de algemene doelstelling van het bodembeleid opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende AMvB’s.
In paragraaf 5.1.4.5 Bodemkwaliteit van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over: • Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie • Nazorg • Aanwijzing bodembeheergebieden • Indeling landbodem en bodemfunctieklassen Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl). Tot het moment waarop de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5. Bodemkwaliteit van het Bkl zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de artikelen 22.29 lid 1 sub c en 22.30 uit het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek. Dit zijn de regels uit
34
de bruidsschat. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen wordt verleend als de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden, of bij overschrijding, aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Toetsing In verband met de functieverandering van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’ is voor deellocatie 1 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Montferland Milieu. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde bodemonderzoeksrapport d.d. 11 juli 2024 (zie bijlage 2) kan het volgende worden opgemaakt: • Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden. • In de bovengrond is een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. • In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. • Het grondwater is licht verontreinigd met koper, molybdeen en xylenen. • In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodemof grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn.
De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen. • Het is echter wel aan te raden geen grondwater op te pompen. Tevens dienen (toekomstige) eigenaren en gebruikers geïnformeerd te worden over de onderhavige situatie. • De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden aangenomen. De verhogingen in de grond en in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. • Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen planwijziging, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen directe risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. De Omgevingsdienst Achterhoek heeft het rapport beoordeelt en aangegeven dat het rapport niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. Ter hoogte van boring 6 is een laag betongranulaat aangetroffen. De ODA adviseert in het kader van de voorgenomen functiewijziging deze fundatielaag analytisch op asbest te onderzoeken. De grond onder deze fundatielaag behoort te worden onderzocht op het NEN5740 standaardpakket. Op 17 maart 2025 heeft Montferland Milieu vervolgonderzoek uitgevoerd.
Uit deze vervolgonderzoek met nummer MM24075 en datum 16 april 2025 volgt onderstaande conclusie. Het volledige rapport is te raadplegen onder bijlage 2a. •
•
Bij het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Zowel visueel als analytisch is in zowel de fijne als de grove fractie van de funderingslaag geen asbest vastgesteld. Gelet op de resultaten van eerder uitgevoerd bodemonderzoek, worden geen significante afwijkingen in de ondergrond onder de fundatielaag verwacht. Er zijn geen aanwijzingen of vermoedens van bodemverontreiniging aanwezig. Ook visueel zijn er geen afwijkingen of verontreinigingen vastgesteld.
Conclusie Ten aanzien van het aspect bodem is er, met in achtneming van de inhoud van het onderzoeksrapport, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 35
4.2 Archeologie en cultuurhistorie Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving moet een afweging plaatsvinden met betrekking tot eventueel op een locatie aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspect archeologie en cultuurhistorie. Wettelijk kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 het beleidsdocument “Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen-, en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek” vastgesteld, alsmede de erfgoedverordening. De erfgoedverordening maakt momenteel onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege.
Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/ of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Toetsing Uit de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) volgt dat de planlocatie ligt in een gebied met een lage archeologische verwachting en dat op de locatie zelf geen monumenten aanwezig zijn of anderszins sprake is van een vanuit cultuurhistorie te beschermen waarde die vanuit de locatie zelf voortvloeit. Bij deze ontwikkeling wordt niet voorzien in bouwwerkzaamheden of andere grondwerkzaamheden. Op grond hiervan is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Ook in het omgevingsplan van rechtswege is geen archeologische waarde voor dit plangebied opgenomen. Indien tijdens werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht.
36
Figuur 21: archeologische waardenkaart met planlocatie (rood omcirkeld)
Ondanks het feit dat op de locatie zelf geen sprake is van archeologische waarden of een anderszins vanuit cultuurhistorie te beschermen waarde (zoals een Rijksmonument, een gemeentelijk monument of een MIPobject), zijn in de directe omgeving wel cultuurhistorische waarden aanwezig die in relatie tot voorliggende ontwikkeling moeten worden bezien. Het gaat hierbij om twee gemeentelijke monumenten (het voormalig maalderijcomplex), een rijksmonument (Kempermolen) en een karakteristieke woning. Hieronder wordt nader ingegaan op die cultuurhistorische waardevolle objecten. Voormalig maalderijcomplex en Kempermolen Het maalderijgebouw aan de Molenweg 21 is ooit gebouwd door de toenmalige coöperatie. Het voormalige maalderijgebouw aan de Molenweg 21 vormde oorspronkelijk, samen met de voormalige bedrijfswoning/ kantoor en bijgebouwen dan ook één gezamenlijk ensemble met de gebouwen aan de Molenweg 23. De kwaliteit van het maalderijcomplex is in de loop van de jaren sterk achteruitgegaan. Aangezien dit voormalig maalderijcomplex de status gemeentelijk monument heeft is het wenselijk geacht om hieraan een toekomstbestendige invulling te geven.
Die invulling is gevonden in de transformatie van het maalderijcomplex naar drie woningen en vier recreatiewoningen, de realisatie van een vijfde recreatiewoning in het naastgelegen voormalige bakkerijgebouw en de bouw van twee nieuwe woningen op de plek van een reeds gesloopt bijgebouw. Hiertoe is op 25 januari 20224 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek, locatie Molenweg 21&23 Breedenbroek’ vastgesteld. De Kempermolen kent een lange geschiedenis. In 1882 is deze, samen met een woonhuis en een maalderij gebouwd. De molen is in 1975 en 2003 gerestaureerd. De molen is altijd in het bezit geweest van de familie Kemper. Dit verklaart ook de naam van de molen. Thans is de molen eigendom van de Stichting Kempermolen. De molen wordt regelmatig door vrijwillige molenaars in bedrijf gesteld. De molen heeft de status rijksmonument, de bijgebouwen zijn gemeentelijke monumenten. Het maalderijgebouw is in 2015 gerestaureerd en in oorspronkelijke staat teruggebracht. In de aanbouw aan de voorzijde is een vernieuwd kantoor aanwezig waar een interieuradviesbureau is gevestigd. De ontwikkeling die met voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van het voormalig maalderijcomplex en de Kempermolen. Zo is geen sprake van nieuwe bebouwing op het terrein en vormen de reeds aanwezige toestellen geen 37
belemmering voor de windvang van de molen of het uitzicht daarop vanaf openbaar gebied. Ook vloeit uit de activiteiten binnen de planlocatie geen schade voort aan het voormalig maalderijcomplex en de Kempermolen. In dat verband zijn de bedrijfsactiviteiten in de huidige en beoogde opzet als veel lichter te classificeren dan de activiteiten die hier in het verleden plaatsvonden. Karakteristieke woning De woning op de locatie Molenweg 13 heeft de bouwaanduiding 'karakteristiek' in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ (thans onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan). De met voorliggende wijziging van het omgevingsplan mogelijk te maken activiteiten doen op geen enkele wijze afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van dit pand, dat zich op een afstand van circa 28 meter bevindt ten opzichte van de beoogde woonfunctie en op circa 33 meter ten opzichte van de beoogde begrenzing van de bedrijfsbestemming. Conclusie Er is geen onderzoek nodig naar archeologie en cultuurhistorie. Er worden geen archeologische of cultuurhistorische waarden aangetast met de realisatie van dit plan. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.3 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. Wettelijk kader In het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter bescherming van de natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan.
Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 38
• • •
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Stikstof Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Toetsing Natura 2000/stikstof De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 15,7 km van het meest nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebied Korenburgerveen (zie figuur 22). Op kortere afstand (circa 4,4 km) ligt het meest nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebied. Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen de locatie en Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve effecten anders dan door stikstof bij voorbaat worden uitgesloten. Potentiële effecten blijven in dit opzicht beperkt tot verstoring door geluid en licht. Die effecten zijn echter sterk lokaal en laten zich op zodanig grote afstand niet gelden. Voor stikstof kunnen die effecten eveneens worden uitgesloten. Ten eerste vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden in relatie tot de geringe stikstofemissie vanuit de planlocatie (de enige bronnen voor stikstofemissie zijn de c.v.-ketel in de bedrijfswoning en het relatief bescheiden aantal verkeersbewegingen van en naar het bedrijf).
Ten tweede vanwege het feit dat in de referentiesituatie, zijnde de feitelijk aanwezige en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan c.q. de uitvoering van de passende beoordeling, sprake was van bedrijfsactiviteiten met een aanzienlijk hogere stikstofemissie dan in de beoogde situatie. In die situatie was nog sprake van een bedrijf dat producten op basis van vooral tuinhout leverde, waarbij gebruik werd gemaakt van mobiele werktuigen en sprake was van vervoersbewegingen met vrachtwagens. In de beoogde situatie worden geen mobiele werktuigen ingezet en blijven de vervoersbewegingen beperkt tot gemiddeld maximaal enkele tientallen auto’s per
39
dag. Per saldo levert dit minder stikstofemissie op dan in de referentiesituatie. Daarbij is in de beoogde situatie geen sprake van een aanlegfase, omdat alles in het verleden al gerealiseerd is. De ontwikkeling leidt dus niet tot nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ook leidt de ontwikkeling niet tot vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit.
Figuur 22: ligging planlocatie t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: aerius.nl)
Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone Gelderland heeft veel natuurgebieden. Samen vormen zij het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. De begrenzing en de regels ter bescherming van het GNN en de Groene ontwikkelingszone zijn opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Gelderland. De planlocatie is niet gelegen binnen of nabij de begrenzingen van het GNN of de GO, waardoor negatieve effecten hierop zijn uit te sluiten. Er is buiten deze zones namelijk geen sprake van externe werking, zoals voor Natura 2000-gebieden wel het geval is.
40
Figuur 23: ligging planlocatie t.o.v. GNN/GO Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnet werk Nederland. Dit kan vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar ook in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is er door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (“Quickscan natuurwaardenonderzoek Den Dam 2 - Breedenbroek”, d.d. 10 april 2025, aangepast 1 oktober 2025, projectnummer 7506, versie 1.0).
De locatie is daarbij onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De rapportage van die quickscan is opgenomen in bijlage 5. Hieronder een overzicht van de conclusies. •
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende
41
beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied.
•
In het bos waar de sporttoestellen geplaatst zijn is een buizerdnest aangetroffen. Door de ingebruikneming van het erf en bos als plek om te sporten tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet buizerdnest verstoord, beschadigd of vernield. Om te achterhalen of dit nest bezet is moet er nader onderzoek uitgevoerd worden naar de functie van het bos aan de zuidkant van het plangebied voor de soort buizerd.
•
Er bestaat daarnaast een kleine kans dat vogels vlak naast de sporttoestellen een nestplaats gaan bezetten. Door de ingebruikname van de sporttoestellen tijdens de voortplantingsperiode van vogels worden mogelijk vogelnesten in de omgeving van de sporttoestellen verstoord. Wanneer de verstoring van deze vogels zonder jaarrond beschermd nest tijdelijk van aard is, leidt dit niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om ervoor te zorgen dat vogelnesten die in de directe omgeving van de sporttoestellen nestelen niet dusdanig verstoord worden dat er vogels gedood worden en nestplaatsen verloren gaan.
•
Door de ingebruikneming van het erf en bos als plek om te sporten worden geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en worden geen voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield. Mogelijk neemt de kwaliteit van het foerageergebied van sommige grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten iets af. De meeste grondgebonden zoogdieren en amfibieën zijn nachtactief, hierdoor wordt het foerageergebied van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën niet veel aangetast. Daarnaast is het foerageergebied van de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd en leidt afname van de kwaliteit van deze soorten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Nader onderzoek buizerd In de periode april en mei 2025 is er op 4 momenten door Natuurbank Overijssel veldonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5a (Resultaten nader onderzoek Buizerd met datum 28 mei 2025 en nummer 7506). Tijdens al deze veldbezoeken was het buizerdnest leeg en is er in het plangebied geen buizerdactiviteit waargenomen. Ook zijn er in de omgeving van het bosje geen foeragerende buizerds waargenomen die binding vertoonden met het nest of het overige deel van het plangebied. Naast de afwezigheid van buizerds tijdens de veldbezoeken, was ook aan de staat van het nest te zien dat het buizerdnest verlaten is, omdat de voering van het nest over de rand hing. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het nest verlaten is en er geen buizerd aanwezig is. Lichtverstoring Verstoring door licht betreft de invloed van kunstmatige lichtbronnen, zoals verlichting afkomstig van woonwijken, bedrijventerreinen of glastuinbouw, op het natuurlijke systeem. Kunstmatige verlichting in de nachtelijke omgeving kan leiden tot verstoring van het normale gedrag van dieren. Hoewel het aantal onderzoeken naar de effecten nog beperkt is, wijzen bestaande studies op risico’s.
Met name schemer- en nachtactieve soorten, zoals vleermuizen, zijn gevoelig voor lichtverstoring, doordat zij door lichtbronnen kunnen worden aangetrokken of juist vermijdend gedrag vertonen. Dit kan leiden tot verstoring van het natuurlijke dag-nachtritme of het mijden van verlichte delen van het leefgebied.
42
In het plangebied wordt verlichting (3 lantaarns) alleen toegepast op plekken waar dit functioneel noodzakelijk is. Dit betreft het verlichten van de sporttoestellen. De overige delen van het bos worden niet verlicht. Deze verlichting is al 30 jaar in het bos aanwezig waarbij kan worden aangenomen dat de aanwezige dieren inmiddels zijn gewend aan het (tijdelijke) licht, of al eerder van deze plek zijn vertrokken. Daarbij is de verlichting zo geplaatst dat er alleen in de richting van de sporttoestellen schijnt. Op deze manier ontstaat er geen strooilicht richting de omgeving. Deze verlichting is enkel aan op de dinsdagavond (van 19:30uur tot 21:00uur) en de donderdagavond (van 18:30uur tot 20:00uur). De aanwezige verlichting op het erf gaat automatisch om 21:30 uur uit. Specifieke invloed van verlichting op vleermuizen Sommige vleermuissoorten zoals gewone grootoorvleermuis en de myotis-soorten, zoals watervleermuis, meervleermuis en franjestaart zijn lichtmijdende soorten. Binnen de myotis groep bevinden zich de minder algemene vleermuissoorten die niet in het plangebied worden verwacht.
De algemenere soorten die wel binnen het plangebied verwacht worden; gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis, zijn snelvliegende vleermuizen die erom bekend staan bij verlichting te foerageren omdat verlichting een aantrekkende werking heeft op sommige insecten en er hierdoor insectenconcentraties ontstaan. De verlichting in het plangebied heeft daarom geen negatief effect op vleermuizen. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.4 Geluid Een planlocatie kan bij een geluidsbron zijn gelegen, zoals een drukke weg, spoorweg, industrie of een windturbine. Bekeken moet worden of het plan geen hinder voor de omgeving vormt, en of de omgeving geen hinder vormt voor het plan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen geluid van activiteiten en geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (aandachtsgebieden). Wettelijk kader Geluid van activiteiten In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden zorggedragen voor een aanvaardbare geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Oude IJsselstreek een permanent omgevingsplan heeft, gelden in de gemeente Oude IJsselstreek de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek. Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen.
Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • onderwijsfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
43
In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). In het omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek zijn nog geen geluidaandachtsgebieden opgenomen waardoor het overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen van toepassing is (artikel 17.5 Omgevingsregeling), met bijbehorende afstanden: • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl. Toetsing Geluid van activiteiten In de directe omgeving van de planlocatie liggen meerdere woningen.
Op de voormalige bedrijfslocatie Molenweg 21 is de realisatie van vijf woningen toegestaan conform het hier geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek’. Volgens datzelfde bestemmingsplan zijn op de locatie Molenweg 23 vijf recreatiewoningen toegestaan. Die recreatiewoningen zijn volgens het Bkl in tegenstelling tot reguliere woningen niet aan te merken als geluidgevoelige gebouwen. Voor de bedrijfsactiviteiten op de locatie Den Dam 2 is in het kader van dat bestemmingsplan en voor de op 14 december 2023 melding Activiteitenbesluit een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Geurts Technisch Adviseurs (zie bijlage 3). In het onderzoeksrapport zijn de volgende conclusies opgenomen: • Uit toetsing van de resultaten blijkt dat ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAR,LT ter plaatse van zowel de toekomstige als de bestaande woningen voldaan kan worden aan de normstelling uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van 50 dB(A) etmaalwaarde (uitgaande van gemengd gebied). Dit betekent dat aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit die van toepassing zijn, eveneens wordt voldaan (exclusief stemgeluid). • De hoogste bijdrage ten aanzien van het LAmax op de woningen in de dag- en avondperiode bedraagt 63 dB(A).
Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van 70 dB(A) in de dagperiode en 65 dB(A) in de avondperiode. Dit betekent tevens dat aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. • Indirecte hinder ten gevolge van aan- en afrijdend verkeer is niet te verwachten.
Het bovenstaande betekent dat ter plaatse van omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het Activiteitenbesluit is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 komen te vervallen. In de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan van rechtswege, zijn echter dezelfde geluidnormen opgenomen als die voorheen in het Activiteitenbesluit stonden, zodat de conclusies 44
van het akoestisch rapport als zodanig niet veranderen. Die conclusies veranderen eveneens niet als wordt getoetst aan de standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw zoals opgenomen in artikel 5.65 Bkl. Ook onder de Omgevingswet kan het bedrijf dus aantoonbaar voldoen aan de geluidnormen. In het akoestisch onderzoek zijn de sportactiviteiten in het bosje niet meegenomen als geluidbron. Het bosje ligt op een afstand van circa 33 meter van het bedrijfsperceel en op een afstand van circa 130 ten opzichte van de meest nabijgelegen woningen van derden. In het bosje wordt door sporters uitsluitend gebruik gemaakt van het hier aanwezige klimtoestel. Daarbij is er hoegenaamd geen sprake van geluidproductie (geen muziek of andere geluidbronnen). Het stemgeluid van de sporters zelf is minimaal te noemen. Anders dan bij een veldsportactiviteit als voetbal wordt hierbij door de sporters niet geroepen of gejoeld. De instructeur begeleidt de sporters persoonlijk en op korte afstand, zodat hiervoor geen stemverheffing nodig is. Het geluid vanuit het bosje is zeker in verhouding tot voornoemde afstanden verwaarloosbaar te achten. Datzelfde geldt voor het graspad waarmee dit bosje in verbinding staat met de bedrijfslocatie Den Dam 2 en dat alleen te voet begaanbaar is. De beoogde tuin naast de woning Molenweg 19 is feitelijk al als zodanig in gebruik.
De sportactiviteiten vinden daarbij op zodanige afstand (> 25 meter van de tuin) plaats dat hiervan geen overmatige hinder valt te verwachten. De tuin wordt daarbij indirect tegen geluidhinder beschermd, doordat op de gevel van onder meer de woning Molenweg 19 moet worden voldaan aan de geluidnormen. Gezien de indeling van het terrein zijn daarbij in de tuin eigenlijk geen hogere geluidniveaus te verwachten dan op de gevel van deze woning. Overigens is de tuin niet aangewezen als geluidgevoelige functie in het Bkl, zodat hier juist hogere geluidniveaus aanvaardbaar zijn te achten dan op de gevel van de woning. Railverkeerslawaai In de omgeving van de planlocatie bevinden zich geen spoorwegen. Wegverkeerslawaai De planlocatie bevindt zich binnen de geluidaandachtsgebieden van de Molenweg en Den Dam. Met dit omgevingsplan worden echter geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt, zodat een verdere toetsing aan wegverkeerslawaai achterwege kan blijven. Industrielawaai De planlocatie bevindt zich buiten het aandachtsgebied van een industrieterrein. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.5 Luchtkwaliteit Bij het aspect luchtkwaliteit moet worden beoordeeld of een initiatief bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit en of ter plaatse van een initiatief de luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden bijvoorbeeld zogeheten omgevingswaarden voor o.a. de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).
45
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl.
Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden luchtkwaliteit (zoals de gemeente Oude IJsselstreek) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. . Echter, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient de lokale luchtkwaliteit onderzocht te worden, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiervoor dient het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd te worden (https://www.cimlk.nl/kaart.). Het CIMLK geeft meer inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) op lokaal niveau tussen 2022 en 2030.
Toetsing De gemeente Oude IJsselstreek ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, zodat het aspect luchtkwaliteit slechts marginaal hoeft te worden getoetst. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten. Duidelijk is op dat op en rondom de planlocatie geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Zo blijkt uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit dat in de omgeving geen sprake is van zodanig drukke wegen dat zij in het kader van de monitoring van de luchtkwaliteit hoefden te worden onderzocht. De verderop gelegen pluimveehouderij Molenweg 12 heeft op een woning op veel kleinere afstand dan de planlocatie een bronbijdrage van iets minder dan 2 microgram/m2 aan fijnstof (PM10), waarmee de concentratie PM10 in 2023 ongeveer 17,2 microgram/m3 bedroeg. Daarmee wordt op die woning al in zeer ruime mate voldaan aan de voor PM10 geldende grenswaarde van 40 microgram/m2 en op de planlocatie dus zelfs nog in ruimere mate (voor zover hier überhaupt nog sprake is van een bronbijdrage van dat bedrijf). Verder zijn er in de omgeving geen veehouderijen of andere bedrijven gelegen met een relevante fijnstofemissie. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot extra verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige bestemmingen. Op de deellocaties.
De tuin bij de woning leidt sowieso niet tot extra verkeersbewegingen. 46
De sportactiviteiten leiden tot minder verkeersbewegingen en een veel minder hoog aandeel vrachtverkeer ten opzichte van het voorheen hier gevestigde bedrijf. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.6 Geur De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen optreedt. Wettelijk kader In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen (paragraaf 5.1.4.6 Bkl), op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.
Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek, welke gelden voor de volgende activiteiten: • geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf; • geur door het houden van fokteven van nertsen; • geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval; • geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. Toetsing Met dit initiatief worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich bovendien geen veehouderijen of andere geurbronnen die zouden kunnen leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor deze locatie. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.7 Milieubelastende activiteiten Bij een wijziging van het omgevingsplan kan sprake zijn van het toestaan van milieubelastende activiteiten. In dat geval moet een afweging plaatsvinden over de omgevingskwaliteit. Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is het begrip ‘inrichting’ verdwenen en heeft het begrip ‘milieubelastende activiteit’ zijn intrede gedaan. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten 47
die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip want er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de Nota van Toelichting van het Bkl blijkt dat daarmee mba’s worden bedoeld. Toetsing Bij deze ontwikkeling is enerzijds sprake van de functieverandering van ‘bedrijf’ naar ‘tuin’ en anderzijds van een verruiming van de functie ‘bedrijf’ met de mogelijkheid om hier sportactiviteiten te beoefenen. Bij de beoogde tuin is geen sprake van milieubelastende activiteiten. De tuin staat uitsluitend ten dienst van de woonfunctie, zonder dat hier sprake mag zijn van de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis.
De sportactiviteiten zijn wel aan te merken als een milieubelastende activiteit. Hiervoor zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving geen regels opgenomen. Wel gelden de milieuregels uit de bruidsschat op het gebied van onder meer geluid en licht. De bruidsschat is onderdeel van het (tijdelijke) omgevingsplan van rechtswege. Het voorliggende initiatief geeft geen aanleiding om deze milieuregels aan te passen. Die regels blijven gelden naast het voorliggende omgevingsplan voor deze locatie. Conclusie De milieubelastende activiteiten waarvan bij deze ontwikkeling sprake kan zijn vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de milieueffecten van die milieubelastende activiteiten worden regels gesteld in het omgevingsplan van rechtswege.
4.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Wettelijk kader De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
48
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving). In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Toetsing Op de planlocatie worden geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt, zoals bedoeld in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een beperkt kwetsbaar gebouw is daarbij gedefinieerd als een gebouw met een van de volgende gebruiksfuncties, alleen voor zover het gaat om die gebruiksfunctie: a.
een woonfunctie, met uitzondering van een woonfunctie in een woongebouw en een woonfunctie voor 24-uurszorg, als het gaat om een woonfunctie: 1°.op een locatie met een dichtheid van ten hoogste twee woningen, woonschepen of woonwagens per ha; 2°.om te worden gebruikt in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf; of 3°.die onderdeel is van lintbebouwing die loodrecht of nagenoeg loodrecht is gelegen op een buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het risico op een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit; b. een bijeenkomstfunctie, met uitzondering van een bijeenkomstfunctie: 1°.voor kinderopvang; 2°.voor dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking; 3°.waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; of 4°.die een nevengebruiksfunctie is van een gebruiksfunctie als bedoeld onder E; c. een industriefunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, met uitzondering van gebouwen waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; d. een kantoorfunctie met een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 1.500 m2; e.
een logiesfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving: 1°.op een locatie met een dichtheid van ten hoogste twee logiesfuncties per ha, en met ten hoogste 5 logiesverblijven als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving per gebouw; of 2°.met een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 1.500 m2;
49
een onderwijsfunctie voor volwassenenonderwijs, met uitzondering van een onderwijsfunctie waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; g. een sportfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, met uitzondering van een sportfunctie: 1°.waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is; of 2°.die een nevengebruiksfunctie is van een gebruiksfunctie als bedoeld onder E; of h. een winkelfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, met uitzondering van een winkelfunctie in een gebouw waarin een supermarkt of warenhuis is gevestigd, als het gaat om een winkelfunctie: 1°.met meer dan vijf winkels en met een totale bruto-vloeroppervlakte van meer dan 1.000 m2; of 2°.met een winkel met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 2.000 m2. f.
Weliswaar verandert de gebruiksfunctie van bepaalde gebouwen van een bedrijfsfunctie naar een sport- of winkelfunctie, maar die gebouwen zijn in de bestaande situatie ook al aanwezig als beperkt kwetsbaar gebouw. In de omgeving zijn volgens de risicokaart (zie figuur 24) daarnaast geen risicobronnen aanwezig, waarvan de risicocontouren of de aandachtsgebieden over de planlocatie liggen. Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen op voldoende afstand van de planlocatie liggen en geen belemmeringen opwerpen.
Figuur 24: kaartuitsnede risicokaart met planlocatie blauw omcirkeld (bron: risicokaart.nl)
Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
50
4.9 Water Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Wettelijk kader Waterschap Rijn en IJssel: Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van het Waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s: • Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig in te vullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. • Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst.
De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. • Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. • Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Waterschap Rijn en IJssel: Waterschapsverordening In de Waterschapsverordening staan regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Zo staan er bijvoorbeeld regels in over water onttrekken, water lozen en andere activiteiten. Deze regels gelden voor iedereen.
Soms is niet alleen de beek of dijk zelf beschermd, maar ook een strook grond erlangs. Ook deze zones staan aangegeven in de Waterschapsverordening. Per 1 januari 2024 zijn ook sommige rijksregels over lozingen vervallen. Deze regels van het rijk zijn nu in de Waterschapsverordening opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen op een oppervlaktewater van een waterschap of zuiveringtechnisch werk van een waterschap.
51
Waterschap Rijn en IJssel: weging waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 3.