CConstaterende datOude Ijsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting.pdf

Raadsvergadering 23 april 2026, gemeente Oude IjsselstreekBij agendapunt: 15: TAM-omgevingsplan ‘Buitengebied, locatie Molenweg 19 en Den Dam 2 Breedenbroek’20.415 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding. Gemeente: Water- en Rioleringsprogramma 2024-2028 In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gemeenten verplicht een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op 1 januari 2024, vervalt de verplichting voor het opstellen van een GRP. Wel blijven gemeenten verplicht invulling te geven aan hun gemeentelijke watertaken en het onderbouwen van de benodigde rioolheffing. Om aan deze verplichting te voldoen, heeft de gemeente Oude IJsselstreek ervoor gekozen om een Wateren Rioleringsprogramma (WRP) op te stellen. Dit programma beschrijft hoe de gemeente omgaat met haar wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast bevat dit programma: 1. een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater en het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn; 2. een overzicht van de aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder 1; 3. een overzicht van de financiële gevolgen van het programma; 4.

een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen worden of zullen worden beheerd; de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen en van de in het plan aangekondigde activiteiten. Toetsing Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema’s voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toets vraag met ‘ja’ is beantwoord). Thema Veiligheid

Toetsvraag Relevant 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een Nee waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) Nee 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?

Intensiteit 2 2

52

Riolering en Afvalwaterketen

1. 2. 3.

Wateroverlast (oppervlaktewater)

1. 2. 3. 4.

Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwateroverlast

Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer

Volksgezondheid

1. 1. 2. 3. 4. 1. 1. 2. 1. 2.

Natte natuur

1. 2. 3.

Verdroging Recreatie

4. 1. 1.

Cultuurhistorie

1.

Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2? Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? Is in het plangebied sprake van kwel? Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? Beoogt het plan aanleg van drainage? Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? Bevindt het plangebied zich in

beschermingszones voor natte natuur? Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee Nee Nee

2 1 1

Nee

2

Nee

1

Nee Nee

1 1

Nee

1

Nee

1

Nee Nee Nee Nee

1 1 1 1

Nee

1

Nee Nee

2 1

Nee

1

Nee Nee Nee

2 2 1

Nee Nee Nee

1 1 2

Nee

1

Uit de watertoetstabel en de digitale watertoets (zie bijlage 4) blijkt dat er bij deze ruimtelijke activiteit geen sprake is van een waterbelang, omdat er alleen sprake is van een functieverandering, zonder dat sprake is van een toename aan bebouwing of terreinverharding. Het plan heeft geen invloed op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Verder overleg met Waterschap Rijn en IJssel is daarom niet nodig. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het in nieuwe situaties verboden is om hemelwater te lozen op het riool. In dit geval is echter sprake van een functieverandering zonder toevoeging van nieuw verhard oppervlak, zodat er daarom geen verplichting bestaat om hemelwater af te koppelen van de gemeentelijke riolering. Die afkoppeling heeft in het verleden echter wel degelijk plaatsgevonden, waarbij het hemelwater 53

deels rechtstreeks of via kelders in de bodem infiltreert en deels wordt afgevoerd naar een zaksloot bij het bosje. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.10 Mobiliteit en parkeren Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Daarbij is getoetst aan de meest recente inzichten, zoals vastgelegd in de op 5 maart 2024 vastgestelde Nota parkeernormen Oude IJsselstreek. Toetsing Mobiliteit Er is bij voorliggende initiatief alleen sprake van een functieverandering, zonder toename van het aantal verkeersbewegingen. Ten opzichte van de voormalige bedrijfsactiviteiten is zelfs sprake van een afname in zowel het aantal verkeersbewegingen als in het aandeel vrachtverkeer van en naar de locatie. Ontsluiting van de planlocatie vindt voor de woning Molenweg 19 net als nu plaats op de Molenweg en voor de bedrijfslocatie net als nu via twee inritten op Den Dam. Deze wegen hebben voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen van en naar de locatie te kunnen verwerken. Parkeren In de Nota parkeernormen Oude IJsselstreek wordt voor de met de activiteiten op de projectlocatie meest overeenkomende omschrijving ‘fitnessscentrum’ uitgegaan van 7,4 parkeerplaatsen per 100 m2 brutovloeroppervlak. Voor de gebouwen wordt voor de sportactiviteiten uitgekomen op een brutovloeroppervlak van 302 m2.

Dat komt overeen met 302/ 100 x 7,4 = 23 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen zijn op eigen terrein aanwezig. De parkeerplaatsen zijn aangegeven op de in bijlage 1 opgenomen milieutekening. Totaal kan er worden voorzien in 45 parkeerplaatsen op eigen terrein. Het aantal parkeerplaatsen bij beide inritten bedraagt 15 stuks, maar achter de poort kunnen nog zeker 30 auto’s meer worden geparkeerd in het geval dat noodzakelijk is. In de praktijk komen de sporters echter verspreid over de dag in kleinere groepen, waardoor die extra parkeercapaciteit achter de poort onder normale omstandigheden niet hoeft te worden aangewend. Conclusie De aspecten mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.11 Kabels en leidingen In het kader van het plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante kabels en leidingen (bijv. hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Toetsing

54

Aardgastransportleidingen Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De aanwezige rioolleidingen leiden voor dit plan niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Overigens zijn er geen graafwerkzaamheden voorzien voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.12 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan of project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is in dit verband bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Wettelijk kader De m.e.r. beoordeling gebeurt op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit (Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of • waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.

Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook

55

van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. Toetsing De beoogde activiteiten zijn niet genoemd in de lijst met m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten in bijlage V bij het omgevingsbesluit. De beoogde ontwikkeling is niet te categoriseren als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals opgenomen onder categorie J11 in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaat het altijd om een fysieke uitbreiding van het te bebouwen oppervlak en daarvan is bij deze ontwikkeling niet of nauwelijks sprake. Feitelijk is alleen sprake van een gebruikswijziging (met uitzondering van het bosje met de klimtoestellen), met zodanig beperkte gevolgen voor milieu en landschap dat hiervoor geen m.e.r.-beoordeling nodig is. Verder is geen sprake van ontwikkeling waarvoor een passende beoordeling nodig is in relatie tot Natura 2000-gebieden (zie ook paragraaf 4.3.1). Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten en er is geen passende beoordeling nodig, zodat geen sprake is van plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht.

4.13 Gezondheid Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. doorvertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan is meegenomen. Toetsing De toetsing aan de wettelijke milieunormen en de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling zijn in de voorgaande paragrafen per relevant omgevingsaspect aan bod gekomen. Ook bij het voldoen aan wettelijke milieunormen kan echter gezondheidsschade optreden. Belangrijk begrip daarbij is het voorzorgsbeginsel dat voortvloeit uit het artikel 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De overheid kan op basis hiervan maatregelen treffen als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, zonder dat er (voldoende) wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn. Bij voorliggend initiatief worden geen significante gezondheidseffecten verwacht. Er is in de directe omgeving geen sprake van zodanig voor de gezondheid nadelige emissies of omstandigheden, dat hierdoor vanuit het voorzorgsbeginsel of anderszins belemmeringen optreden voor de beoogde ontwikkeling. Het moge duidelijk zijn dat de sportactiviteiten als zodanig positief bijdragen aan de gezondheid. Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.14 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: ”een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige

56

generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow). Toetsing aan het aspect duurzaamheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid is in ontwikkeling en kan op termijn worden doorvertaald naar het omgevingsplan. Toetsing De ruimten worden deels verwarmd met een warmtepomp. Er is geen sprake van nieuwbouw, zodat hierin geen aanleiding wordt gevonden om nader in te gaan op het aspect duurzaamheid. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

57

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen Het omgevingsplan is opgezet volgens een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), namelijk TAM-IMRO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wro tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. Het omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: motivering, regels en verbeelding, waarbij de regels en de verbeelding juridisch bindend zijn. De motivering heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. Het geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten, met daarnaast de interpretatie en toepassing van het omgevingsplan. De bijlagen bij de motivering en regels maken onlosmakelijk onderdeel uit van het omgevingsplan. De verbeelding bestaat uit een digitale kaart waarop functies en aanduidingen voor locaties zijn weergegeven. De regels bestaan uit de volgende onderdelen: • Hoofdstuk 1: inleidende regels, met de begrippen en wijze van meten en rekenen; • Hoofdstuk 2: specifieke regels over functies. De functies zijn op alfabetische volgorde opgenomen.

De regels bevatten een omschrijving van de functie en regels voor het bouwen, gebruik en waar nodig over milieu; • Hoofdstuk 3: algemene regels over functies. Dit zijn de regels die gelden voor alle functies, bijvoorbeeld algemene gebruiksregels, maar ook de aanvraagvereisten voor vergunningen; • Hoofdstuk 4: overgangsrecht.

5.2 Toedelen van functies aan locaties Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de in dit omgevingsplan opgenomen functies. Bedrijf (artikel 4) In dit omgevingsplan is de functie ‘Bedrijf’ overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege. Daarbij zijn naast bedrijven in categorie 1 en 2 zoals opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten ook de activiteiten gericht op de survivalrunsport/vitaliteitsontwikkeling en de hieraan gerelateerde webshops toegestaan middels een specifieke functie-aanduiding. Vanwege de ontwikkeling is de in het omgevingsplan van rechtswege opgenomen afwijkingsbepaling voor het vergroten van de oppervlakte van de bebouwing geschrapt. Bos (artikel 5) In dit omgevingsplan is de functie ‘Bos overgenomen uit het omgevingsplan van rechtswege. Binnen de functie ‘Bos’ zijn nieuwe gebouwen niet toegestaan. Uitsluitend bestaande gebouwen zijn toegestaan. Wel bestaat er de mogelijkheid om binnen deze functie onder voorwaarden bouwwerken, geen gebouw zijnde, te realiseren. Het gaat daarbij om bouwwerken met een bouwhoogte van maximaal 3 m. De uitzondering hierop vormen bestaande bouwwerken geen gebouw zijnde. Hiermee kan het bestaande klimtoestel (zie figuur 19), met een maximale hoogte van 3,3 m hier toelaatbaar worden geacht. Wonen (artikel 6)

58

De bestaande woning Molenweg 19 en de nieuwe daarbij behorende tuin vallen onder de functie 'Wonen'. Voor de bebouwingsmogelijkheden wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw van de woning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Ter plaatse van de nieuwe tuin mag geen hoofdgebouw van de woning worden gerealiseerd. Het hoofdgebouw van de woning mag uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gerealiseerd worden. De toegestane goot- en bouwhoogten van de woningen zijn op de verbeelding weergegeven. Net als nu wordt hier maximaal één vrijstaande woning toegestaan. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen zijn regels opgenomen over de ligging ten opzichte van de voorgevellijn, met maximum oppervlak en de goot- en bouwhoogte. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, is een maximale maatvoering opgenomen. Hierbij is bepaald dat erfafscheidingen in het achtererfgebied tot een hoogte van 2 meter mogen worden opgericht. Voor de voorgevel mogen erfafscheidingen tot maximaal 1 meter hoogte worden opgericht.

5.3 Aanvraagvereisten In artikel 8 zijn de aanvraagvereisten opgenomen, die van toepassing zijn op een aanvraag om omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan. Als toelichting daarop nog het volgende: • Voor een aanlegactiviteit op grond van dit TAM-omgevingsplan moet het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [Werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheden uitvoeren] worden gebruikt. • Voor een bouwactiviteit op grond van dit TAM-omgevingsplan moet het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [Bouwactiviteit (omgevingsplan)] worden gebruikt. • Voor een andere vergunningplicht in dit TAM-omgevingsplan moet het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [afwijken van regels in het omgevingsplan] worden gebruikt. De aanvraagformulieren zijn te vinden op de website omgevingswet.overheid.nl (door daar te kiezen voor het tabblad [Aanvragen]).

5.4 Algemene regels Anti-dubbeltelregel(artikel 9) Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Bestaande maatvoering (artikel 10) Deze bepaling bevat een algemene regel omtrent de bestaande situatie.

5.5 Overgangsregels Er is overgangsrecht opgenomen voor zowel bouwwerken als gebruik. Een bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het plan legaal bestaat (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) en afwijkt van dit plan, mag gedeeltelijk worden vernieuwd/veranderd of in geval van een calamiteit geheel worden vernieuwd/veranderd. Het gebruik van grond en bouwwerken, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag in beginsel worden voortgezet.

59

6. UITVOERBAARHEID VAN HET PLAN 6.1. Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van de wijziging van een omgevingsplan dient onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het gaat hierbij om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Voor de door de gemeente Oude IJsselstreek gemaakte plankosten vindt kostenverhaal plaats richting de initiatiefnemer. De gewenste ontwikkeling, welke door de wijziging van het omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, valt niet onder een ‘aangewezen bouwplan’. Hierdoor worden de plankosten niet berekend met de plankostenscan maar wordt er teruggevallen op de legesverordening. De initiatiefnemer heeft zich hierbij vergewist van de economische uitvoerbaarheid. Het voorliggende omgevingsplan heeft voor de gemeente Oude IJsselstreek geen financiële consequenties. Het plan en de uitvoering daarvan komen volledig voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Dit wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Tevens wordt er met de initiatiefnemer een nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Over voorliggend plan heeft geen vooroverleg plaatsgevonden met Waterschap Rijn en IJssel, omdat uit de Digitale Watertoets naar voren is gekomen dat bij dit plan alleen een functieverandering optreedt, waarbij geen sprake is van een waterbelang. Vooroverleg met de provincie Gelderland is eveneens niet noodzakelijk geacht, nu er geen sprake is van directe provinciale belangen bij dit plan (alleen zijdelings via de onderwerpen molenbiotoop, klimaatadaptatie en solitaire bedrijvigheid in het buitengebied). Het ontwerpomgevingsplan wordt toegezonden aan zowel het waterschap als aan de provincie. Er is contact geweest met de direct omwonenden en de ontwikkelaars van de plannen voor woningbouw en recreatiewoningen op de locatie Molenweg 21-23 inzake de beoogde ontwikkeling. Met uitzondering van één omwonende (die het huis te koop heeft gezet) staat iedereen positief tegenover de ontwikkeling. Met de desbetreffende omwonende zijn gesprekken gevoerd, waaruit een aantal knelpunten naar voren zijn gekomen, die in ieder geval deels zijn aangepakt en opgelost. Het ging hierbij om klachten over geluiden lichthinder die door initiatiefnemers weliswaar serieus zijn opgepakt, maar waarbij de klachten op het gebied van geluid niet geheel konden worden weggenomen.

Zoals blijkt uit de resultaten van het akoestisch onderzoek wordt echter wel voldaan aan de geluidnormen, zodat er ook grenzen zitten aan de mate waarin initiatiefnemers bereid zijn om deze omwonende tegemoet te komen. Het ligt echter in de rede dat deze omwonende op termijn verhuist naar een andere woning. Het ontwerp-omgevingsplan wordt conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Hierbij heeft eenieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen op het ontwerpplan. Eventuele zienswijzen zullen worden voorzien van een reactie en bij de (al dan niet gewijzigde) vaststelling van het omgevingsplan worden betrokken. Het ontwerp-omgevingsplan heeft van 11 december 2025 tot en met 21 januari 2026 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

60

Uiteindelijk is het aan de gemeenteraad om het omgevingsplan vast te stellen. Na vaststelling wordt het raadsbesluit bekend gemaakt en ligt het omgevingsplan gedurende 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te dienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een omgevingsplan treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekendgemaakt, tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald (afdeling 16.7. van de Omgevingswet).

61

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5049/documents/33377