CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Molenweg 21 en 23.pdf

Raadsvergadering 25 januari 2024, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan Buitengebied, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek18.738 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het witte vel Vanaf de eerste gesprekken is duidelijk geweest dat de Toekomstvisie een levend document moet zijn. Want hoe we ook vooruit turen, zowel de nabije als de verre toekomst kennen we niet. Er zullen zich tal van zaken voordoen die ons dwingen deze Toekomstvisie bij te stellen. Hobbels en beren op de weg, maar juist ook kansen, versnellingen en innovaties.

Planspecifiek De plannen aan de Molenweg voorzien in de ontwikkeling van een vitaal platteland en geven invulling aan recreatie en beleving van cultuurhistorische waarden. Dat past binnen de Toekomstvisie Oude IJsselstreek.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

27

3.4.3 Beleidsnotitie Toerisme en Recreatie 2020 - 2024 Het gemeentebestuur spreekt hierin zijn toeristische ambities uit. Er liggen veel kansen. Toerisme is een belangrijk onderdeel van onze economie en zorgt voor werkgelegenheid. Samen met ondernemers en betrokken partijen werken we de komende jaren aan de kwalitatieve en kwantitatieve groei van de toeristische sector. In deze Beleidsnotitie worden ambities uitgesproken. Eén van de ambities betreft het bijzondere vormen van verblijfs- en overnachtingsmogelijkheden. Verder wordt in deze Beleidsnotitie beschreven waarop gedoeld wordt: Een toename van de toeristische overnachtingen; Stimulering van de lokale economie; Meer veelzijdigheid en onderscheidend vermogen in het dag- en verblijfsaanbod; Capaciteit verblijfsaccommodaties uitbreiden d.m.v. vernieuwende concepten die aansluiten Ook staat er in de Beleidsnotitie dat is geconstateerd dat het aantal recreatieve overnachtingen binnen onze gemeente achterblijft bij ontwikkelingen elders in de regio. “Willen we onze doelen behalen en de kansen benutten, dan moeten we de komende jaren inzetten op bijzondere vormen van verblijfs- en overnachtingsmogelijkheden.”

Planspecifiek In de beleidsnotitie Toerisme en Recreatie 2020-2024 worden verschillende ambities genoemd. Specifiek wordt als ambitie de “bijzondere vormen van verblijfs- en overnachtingsmogelijkheden” genoemd. Het plan, waarin naast woningbouw aan de Molenweg 21 tevens wordt voorzien in 5 recreatiewoningen, in de voormalige maalderij en bakkerij aan de Molenweg 23, past volledig in de ambitie om bijzondere verblijfs- en overnachtingsmogelijkheden te bieden. 3.4.4 Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek De ‘Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek’ is een aanvulling op het beleidsdocument ‘Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek’ voor het toetsen van woningbouwplannen. Het beleidsdocument is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 februari 2020 (aangepast op 22 april 2021) en dient als een instrument om te kunnen sturen op gewenste ontwikkelingen op de woningmarkt. Dit betekent de bouw van de ‘juiste’ woningen, van voldoende kwaliteit, in de juiste hoeveelheden en op de juiste locaties. De woningbehoefte binnen de gemeente bestaat voornamelijk uit levensloopbestendige woningen en betaalbare woningen voor de startersdoelgroep. Vier typen woningbouwplannen zijn te onderscheiden waarvoor de lokale kwaliteitscriteria een kader biedt: • Bouwen op onbenutte inbreidingslocaties ‘van binnen naar buiten’.

• Buitengebied: woningsplitsing van bestaande woningen. • Buitengebied: functieverandering en hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s). • Buitengebied: landgoederen met verplichte natuurcompensatie.

Planspecifiek Hoewel de vijf gewenste recreatiewoningen niet vallen binnen dit beoordelingskader, passen deze helemaal binnen de ambities zoals opgenomen in de Beleidsnotitie Toerisme en Recreatie 2020-2024. In onderhavig plan worden drie van de vijf woningen gerealiseerd in het bestaande vastgoed, een gemeentelijk monument (Molenweg 21). Met de twee levensloopbestendige nieuwbouwwoningen (op de plek van voormalige bedrijfswoning met schuur), de drie woningen in de voormalige maalderij en de vijf recreatiewoningen in bestaande onbenut vastgoed, wordt maatwerk verleend.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

28

Aan de Molenweg 21 waren in een eerder stadium reeds 2 woningen toegestaan en opgenomen in de Beleidsnotitie woningbouwplanning. De extra 2 seniorenwoningen en starterswoning in de voormalige maalderij, waarvan nu sprake is in het plan, passen binnen het beleid, waarin de voorkeur uitgaat naar levensloopbestendige woningen en woningen voor starters. Dit maatwerk is niet onwenselijk zolang de overeengekomen oplossing direct bijdraagt aan de doelstellingen van het woningbouw-/ruimtelijk beleid. Er wordt door dit maatwerk een toekomstbestendige invulling aan een locatie met daarop 2 gemeentelijke monumenten gegeven. Daarmee voldoet het plan aan de kwaliteitscriteria uit het woningbouwbeleid.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

29

4 OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet aangetoond worden dat de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse van de planlocatie geschikt is voor het beoogde gebruik.

Molenweg 23 De ontwikkelingen aan de Molenweg 23 vinden allen plaats binnen bestaande gebouwen. Een bodemonderzoek op deze locatie is niet noodzakelijk geacht.

Molenweg 21 Aan de Molenweg 21 wordt, onder meer na sloop van de bestaande bedrijfswoning en schuur, nieuwbouw gepleegd. Zodoende is door Econsultancy Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (oktober 2019 rapportnummer 10141.001). Met betrekking tot de onderzoeken zoals deze zijn uitgevoerd aan de Molenweg 21 kan het volgende worden opgemerkt (voor de volledige onderzoeken wordt verwezen naar bijlagen 2-1 tot en met 2-4).

Verkennend bodemonderzoek Er wordt vanuit gegaan dat er op deze locatie sprake is van een gesloten grondbalans. Eventueel af te voeren grond zal onderzocht worden op PFAS. Econsultancy adviseert om een nader onderzoek uit te voeren naar de aard en omvang van de sterke PAK-verontreiniging in de bovengrond ter plaatse van deellocatie B. Deze PAK-verontreiniging, welke in 2004 al bij een bodemonderzoek is vastgesteld, is nog steeds op de locatie aanwezig. In het kader van de geplande bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw zal deze verontreiniging eerst verder afgeperkt moeten worden alvorens er een sanering kan plaatsvinden.

Verkennend onderzoek asbest in bodem Er is geen asbest gevonden. In geval van grondwerkzaamheden op deze locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen (zie bijlage 2-1).

Nader bodemonderzoek Het nader bodemonderzoek (zie bijlage 2-2) heeft de volgende doelstellingen: - het vaststellen van de aard en de omvang van het geval van bodemverontreiniging (vooralsnog tot maximaal aan de perceelsgrenzen); - het geven van uitsluitsel of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; - het, indien noodzakelijk, maken van een inschatting van de milieuhygiënische risico's. Geconcludeerd wordt dat het hier een geval van niet ernstige bodemverontreiniging betreft. Er wordt geadviseerd om de met PAK verontreinigde bodem voorafgaand aan de nieuwbouw te saneren conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd plan van aanpak.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

30

Plan van aanpak en sanering Op 26 mei 2020 is een definitieve versie van het plan van aanpak voorgelegd aan de gemeente Oude IJsselstreek. Op 8 september 2020 is het evaluatierapport (zie bijlagen 2-3 en 2-4) van de uitgevoerde sanering voorgelegd aan bevoegd gezag.

Evaluatie sanering Bij schrijven d.d. 9 oktober 2020 heeft gemeente Oude IJsselstreek te kennen gegeven dat de geformuleerde saneringsdoelstelling voor de locatie aan de Molenweg 21 is gehaald (zie bijlage 2-5).

Concluderend Ten aanzien van het aspect bodem is er, na sanering, sprake van een goed woon- en leefklimaat. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie Bescherming van archeologische- en cultuurhistorische waarden is een wettelijke verplichting. De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 de archeologische- en cultuurhistorische waardenkaart vastgesteld, alsmede de erfgoedverordening. Zowel de voormalige maalderij op Molenweg 21 als het bedrijfsgebouw aan de Molenweg 23 zijn aangewezen als gemeentelijk monument. De beschrijvingen op basis waarvan deze gemeentelijke monumentenstatus is gebaseerd zijn opgenomen in bijlagen 7-1 en 7-2. Uit de gemeentelijke kaart “Archeologische waarden en verwachtingen (zie figuur 18a), blijkt dat de planlocatie is gelegen in een gebied met: lage archeologische verwachting.

Figuur 18a: uitsnede gemeentelijke kaart Archeologische waarden en verwachtingen, met rood omcirkeld de planlocatie

De locaties met een hoge archeologische verwachtingswaarde van de ondergrond binnen de gemeente Oude IJsselstreek zijn vastgelegd in verbeelding en de regels, zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ (figuur 18b). Voor de planlocatie aan de Molenweg is in het bestemmingsplan geen dubbelbestemming met een archeologische verwachtingswaarde opgenomen.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

31

Figuur 18b: Uitsnede bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017” met rood omlijnd de planlocatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De planlocatie heeft in het vigerende bestemmingsplan geen nadere aanduiding ten aanzien van archeologie of cultuurhistorie. Daarbij betreft het een ruimtelijk plan van beperkte aard en omvang. Onderzoek naar archeologische waarden is daarom niet noodzakelijk. Mocht tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dienen deze conform de Erfgoedwet 2016 artikel 5.14 bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Regioarcheoloog of de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed, zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologisch informatiesysteem. Uiteraard wordt bij aantreffen van archeologische waarden ook de gemeente geïnformeerd.

Concluderend De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

32

4.3 Flora en Fauna Met de beoogde ontwikkeling mogen beschermde soorten (flora en fauna) niet worden gefrustreerd. Tevens moet beoordeeld worden in hoeverre beschermde gebieden (negatief) worden beïnvloed. Het wettelijk kader hieromtrent is de Wet natuurbescherming. 4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000-gebieden bevinden zich niet op korte afstand van de planlocatie. Het dichtstbijgelegen Natura 2000gebied is het Korenburgerveen en bevindt zich op een afstand van circa 15,7 kilometer (op circa 8,4 km is een Duits Natura 2000-gebied gelegen, NSG Hetter-Millinger Bruch). Gezien de grote afstand, tussenliggende verstorende elementen (zoals wegen en woningen), de reeds bestaande achtergrondverstoring van de kernen Varsseveld, Lichtenvoorde en Aalten en de beperkte omvang van het voorgenomen plan aan de Molenweg te Breedenbroek, mag worden aangenomen dat de beoogde ontwikkeling een negatief effect zal hebben op de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden. In de op 1 juli 2021 in werking getreden Wet stikstofreductie en natuurverbetering is geregeld dat kortdurende, tijdelijke activiteiten zoals sloop-, aanleg en bouwwerkzaamheden zijn vrijgesteld van de gevolgen van de eventuele stikstofdepositie als gevolg van het uitvoeren van het plan.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 2 november 2022 echter uitgesproken dat van deze vrijstelling geen gebruik mag worden gemaakt. Dat betekent dat voor de sloop-, aanleg- en bouwfase een vergunningplicht toch weer een vergunningplicht kan gelden op grond van de Wet natuurbescherming. In deze situatie is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling op ruime afstand van Natura 2000-gebieden, waarbij geen stikstofeffecten zijn te verwachten. Om deze aanname te controleren zijn stikstofberekeningen uitgevoerd naar de gebruiksfase en bouw-/aanlegfase (zie bijlage 9). Daarnaast is een stikstofberekening uitgevoerd voor beide fase gecombineerd in één kalenderjaar (zie ook bijlage 9). Hieruit komt naar voren dat de bijdrage van het plan op een Natura 2000-gebied niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar, zodat hiermee is bevestigd dat stikstofeffecten zijn uit te sluiten. 4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk De planlocatie is niet gelegen binnen of nabij de begrenzingen van het Gelders Natuurnetwerk, zodat negatieve effecten hierop zijn uit te sluiten.

Figuur 20 Ligging t.o.v. Gelders Natuurnetwerk (bron: provincie Gelderland)

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

33

4.3.3 Soortenbescherming

Molenweg 23 De ontwikkelingen aan de Molenweg 23 vinden allen plaats binnen bestaande gebouwen. Er vinden enkele interne verbouwingen plaats. Voor deze locatie is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd om vast te stellen dat bij de voorgenomen werkzaamheden geen natuurwaarden worden aangetast. Op 13 juli 2021 is op de onderzoekslocatie onderzoek verricht. Het onderzoek is beschreven in de Quickscan flora en fauna, welke is toegevoegd als bijlage 3-3 (d.d. 19 juli 2021 – rapportnummer 16419.001). De conclusie luidt kort samengevat: Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien nestplaatsen buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortengroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/ verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/ of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Molenweg 21 Door Econsultancy is op de planlocatie een quickscan uitgevoerd naar het voorkomen van (beschermde) soorten flora en fauna. Het onderzoek is beschreven in de Quickscan flora en fauna welke is toegevoegd als bijlage 3-1 (d.d. 9 september 2019 – rapportnummer 1014.002). Gekeken is naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste verblijf- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies.

Vleermuizen De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het plan.

Steenmarter De steenmarter is beschermd volgens het regime van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming (andere soorten). Volgens Artikel 3.10 lid b is het verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van steenmarters te beschadigen. Gelet op de langdurige leegstand zou het op de onderzoekslocatie kunnen gaan om een vaste voortplantingsplaats of dagrustplaats.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

34

De sloop en renovatie van de bebouwing zal in geval van aanwezigheid van een steenmarter leiden tot overtreding van Artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Om de functie van de bebouwing voor steenmarter te bepalen is daarom een aanvullend onderzoek naar de soort benodigd. Met behulp van een cameraonderzoek kan de functie van de bebouwing voor de soort bepaald worden. Naar aanleiding van de uitgevoerde Quickscan wordt een vervolgonderzoek geadviseerd. Deze is uitgevoerd en de resultaten van dit vervolgonderzoek zijn opgenomen in de bijlage (zie bijlage 3-2, Plan, rapportnr. 10141.005, d.d. 3 september 2020). Vervolgonderzoek/Plan van aanpak

Vleermuizen Tijdens het aanvullend vervolgonderzoek naar vleermuizen is geen vaste verblijf- en/of kraamplaats vastgesteld.

Steenmarter Tijdens het vervolgonderzoek naar aanwezigheid van steenmarters is deze niet vastgesteld.

Steenuil/kerkuil Tijdens het aanvullende onderzoek, is het verblijf van een paartje steenuilen vastgesteld in en nabij de maalderij. De rust- en voortplantingsplaats van de steenuil is niet duurzaam te behouden. Ook is gebleken dat de maalderij en de (te behouden) kapschuur worden gebruikt als rustplaats door een kerkuil. De volgende maatregelen worden voorgesteld en zijn ook als zodanig door onderzoeksbureau Econsultancy besproken en afgestemd met de provincie Gelderland (zie ook projectplan in bijlage 3-2): - alternatieve nestplaatsen (2 steenuilkasten en 2 kerkuilkasten) aanbieden in directe omgeving (als mitigerende en compenserende maatregel). De broedkasten zijn inmiddels geplaatst (september 2020); - inschakelen lokale uilenwerkgroep om de kasten te monitoren (en om eventuele toekomstige jonge uilen te ringen); - werkzaamheden buiten broedseizoen opstarten; - het handmatig verwijderen van dakpannen van de Maalderij dient onder begeleiding van een ter zake deskundig ecoloog te worden uitgevoerd.

Concluderend gebieds- en soortenbescherming Molenweg 21 en 23 Het aspect soortenbescherming (flora en fauna) vormt, met in achtneming van de voorgestelde maatregelen voor de locatie Molenweg 21, zorgvuldig handelen en de wettelijke zorgplicht (zie bijlage 3-2 Plan) geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.

4.4 Geluid Molenweg 21: wegverkeerslawaai De 5 nieuwe woningen komen te liggen buiten de bebouwde kom. De vervoersbewegingen ten gevolge van deze ontwikkelingen worden direct opgenomen in het heersende verkeersbeeld en hebben geen invloed op de bestaande woningen in de omgeving. Daarnaast is ten behoeve van de gewenste situatie akoestisch onderzoek verricht naar wegverkeerslawaai. Over de Molenweg en Den Dam mag men maximaal 60 kilometer per uur rijden. Aan de hand van akoestisch onderzoek is beoordeeld of er ter plaatse van de gewenste woningen sprake is van een aanvaardbaar akoestische kwaliteit.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

35

Econsultancy heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd in het kader van de voorgenomen realisatie van woningen aan de Molenweg 21. Deze (nieuwe) geluidsgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Molenweg en Den Dam. De geluidsbelasting op de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen is inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader (zie bijlage 4-1, akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, rapportnr. 10141.003, versienummer D3, d.d. 25 januari 2023). Hieronder de belangrijkste bevindingen, conclusies en aanbevelingen: Alleen ten gevolge van de Molenweg treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt met maximaal 5 dB overschreden op woningen 1, 3 en 4. De maximaal te ontheffen waarde van 53 dB wordt niet overschreden. Vanwege de geluidbelasting door de Molenweg is een afweging van geluidreducerende maatregelen noodzakelijk. Uitgangspunt hierbij is dat de gevels aan de kant van de Molenweg worden uitgevoerd als dove gevel. Een voordeur past hier dan niet binnen, omdat deze deuren niet kunnen worden aangemerkt als bij uitzondering te openen delen. Als gevolg daarvan blijven de voordeuren alleen als beeldelement bestaan. De hoofdingangen worden aan de achterzijde gepositioneerd.

Uit de maatregelenafweging vanwege overschrijdingen van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ten gevolge van de Molenweg op woningen 1, 3 en 4 is gebleken dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig zijn. Voor woning 4 dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor woning 1 en 3 kan op grond van het Bouwbesluit het van rechtens verkregen niveau worden gehanteerd, omdat sprake is van transformatie van een bestaand gebouw. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet echter een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen worden gegarandeerd. Om die reden is onderzoek gedaan naar de gevelwering en het binnenniveau van woning 1 tot en met 3. Voor woning 4 heeft ten gevolge van het aanvragen van een hogere waarde tevens onderzoek naar de gevelwering van de nieuwbouwwoning plaatsgevonden. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport in bijlage 4-2 “Onderzoek geluidwering gevels Molenweg 21 te Breedenbroek” (Econsultancy, rapportnummer 10141.007, versie D2, 23 november 2021). In dat onderzoek naar de karakteristieke geluidweringen is voor woningen 1 tot en met 3 inzichtelijk gemaakt wat de binnenniveaus zijn op basis van de hoogste geluidbelasting en maatgevende geluidruimtes.

Voor woning 4 is per verblijfsruimte en verblijfsgebied op basis van het Bouwbesluit de te realiseren en de voor het bouwplan berekende karakteristieke geluidwering afgerond weergegeven in onderstaande tabel. Geconcludeerd kan worden dat voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de realisatie van de woningen geen akoestische belemmeringen gelden.

Nu de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer ter hoogte van de niet-dove gevels maximaal 53 dB bedraagt, en deze waarde de maximaal te ontheffen waarde niet overschrijdt, zal deze ontheffing in de procedure ter verkrijging van de omgevingsvergunning worden aangevraagd.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

36

Molenweg 21: geen belemmering bedrijfsvoering Den Dam 2 Op Den Dam 2 is een bedrijf gevestigd. Het bestemmingsplan maakt formeel de vestiging van een bedrijf in maximaal milieucategorie 2 mogelijk. Feitelijk is sprake van een bedrijf met twee (web)winkels en een sportcentrum. Het sportcentrum bestaat uit meerdere inpandige sportruimtes en buitenruimtes die voornamelijk zijn gericht op survivalruns. Hiervoor is op 15 september 2022 een melding op grond van het Activiteitenbesluit ingediend (zie bijlage 8-1). Zoals blijkt uit paragraaf 4.6 wordt voor dit bedrijf niet voldaan aan de gecorrigeerde richtafstand van 10 meter. Geluid is hierbij het voor de richtafstand maatgevend milieuaspect. Om die reden heeft Econsultancy akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting van het bedrijf in de gemelde situatie (zie bijlage 8-4, rapportnr. 10141.004, versienr. D5, d.d. 16 december 2022). Uit dat onderzoek volgt dat ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen wordt voldaan aan zowel de richtwaarde uit de VNGpublicatie als de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Het maximale geluidniveau en de indirecte hinder voldoen daarbij aan de richt- en grenswaarden. Het woon- en leefklimaat is hierbij niet in het geding.

Molenweg 23 Recreatiewoningen vallen buiten het beoordelingskader van wegverkeerslawaai. De recreatiewoningen in het voormalige bedrijfsgebouw worden op geruime afstand van de Molenweg gerealiseerd. Bovendien worden deze recreatiewoningen afgeschermd door het gebouw met daarin het kantoor. Het is aannemelijk dat er, gezien deze omstandigheden en het feit dat het hier recreatiewoningen betreft, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De vijfde recreatiewoning wordt gerealiseerd in de voormalige bakkerij. Dit gebouw is gelegen op ruim 30 meter afstand van de Molenweg. Gezien deze afstand wordt in het kader van de beoordeling van wegverkeerslawaai uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het voormalige bakkerijgebouw is gesitueerd op de grens met het naastgelegen bedrijf. Het bestemmingsplan maakt op Molenweg 27 formeel de vestiging van een bedrijf in milieucategorie 2 mogelijk. In werkelijkheid bevindt zich hier een servicelocatie van een koelinstallatiebedrijf (milieucategorie 1). In een gemengd gebied geldt voor een dergelijke situatie een gecorrigeerde richtafstand van 0 meter. Gezien de feitelijke bedrijfssituatie en het feit dat het hier een recreatiewoning betreft, kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zie verder de overwegingen in paragraaf 4.6 op dit punt.

Concluderend Ten aanzien van geluid is er, met inachtneming van de toepassing van de voorgestelde maatregelen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Ook bij de recreatiewoningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aan de Molenweg 21 en 23.

4.5 Luchtkwaliteit Op 15 november 2017 is de Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht gelden uitsluitend bepalingen uit deze Titel. In bijlage 5 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofdioxiden, fijnstof (PM10), lood, benzeen en koolmonoxide. Bestuursorganen moeten er bij het uitoefenen of toepassen van hun bevoegdheden, waaronder het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, voor zorgen dat deze grenswaarden niet (verder) worden overschreden.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

37

Tegelijkertijd met het in werking treden van de luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is ook het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: NIBM) in werking getreden. In dit besluit is geregeld dat (nu er een plan is bekendgemaakt, zoals wordt bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, namelijk het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van 10 juli 2009) uitbreidingen zijn toegestaan wanneer aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van fijnstof ten gevolge van de uitbreiding niet de NIBM-grens overschrijdt. De NIBM-grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Die NIBM-grens ligt in beide gevalleen bij een jaargemiddelde concentratie van 1,2 µg/m3. Met de komst van de 5 extra woningen en 5 recreatiewoningen nemen de verkeersbewegingen licht toe. In het kader van de “worst-case”- benadering worden in het kader van de beoordeling van de luchtkwaliteit, de recreatiewoningen als volwaardige woningen beschouwd. Per woning wordt uitgegaan van 8 (auto)verkeersbewegingen per werkdagetmaal (norm volgens CROW-publicatie). Er wordt voor de “worst-case” benadering (waarbij de recreatiewoningen worden meegewogen als zijnde volwaardige woningen) derhalve uitgegaan van 10 x 8 (auto)verkeersbewegingen = 80 per etmaal.

Door middel van de NIBM-tool is berekend of het extra verkeer invloed heeft op de luchtkwaliteit. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet-in-betekende-mate bijdraagt (NIBM). In figuur 21 is de berekening van de NIBM-tool weergegeven. Geconcludeerd is dat de toename van het verkeer niet-in-betekende-mate bijdraagt. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2023

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

80

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,04

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 21: NIBM-tool (bron: infomil.nl)

Verder is in en in de omgeving van het plangebied geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Daarnaast is geen sprake van realisatie van gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Concluderend Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Tevens draagt het plan niet in betekenende mate bij aan de heersende luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

38

4.6 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten van bestaande en toekomstige bedrijvigheid om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Andersom mag een gewenste ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) worden per toegestane milieucategorie richtafstanden gesteld. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden.

Figuur 22: richtafstanden tabel Bedrijven en milieuzonering (bron: www. infomil.nl)

In de nabijheid van de planlocatie aan de Molenweg 21 en 23 liggen locaties met de enkelbestemming “bedrijf”. De gewenste invulling van het plangebied en de bedrijven aan de zuidoost- en westzijde van het plangebied in combinatie met de woonbestemmingen aan de noord- en noordoostzijde zorgen voor een zodanige functiemenging, dat het plangebied kan worden getypeerd als “gemengd gebied”. Op grond daarvan kunnen volgens de systematiek van de VNG-publicatie de richtafstanden met 1 afstandsstap worden verkleind. Naast omliggende bedrijven moet ook rekening worden gehouden met de in het plangebied gelegen traditionele molen.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

39

Molen De in het plangebied aanwezige Kempermolen is een korenmolen met enige regelmaat door vrijwilligers in gebruik wordt gesteld. Er kan op bepaalde momenten sprake zijn van het optreden van geluid en slagschaduw: - Voor geluid geldt dat de molen alleen af en toe in de dagperiode in werking is, zodat zeker kan worden voldaan aan de waarde van 47 dB Lden (als jaargemiddelde). Bij het voldoen aan die waarde is het woon- en leefklimaat niet in het geding. - Slagschaduw is van toepassing als de molen (af en toe) in de dagperiode in werking is. Wanneer gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden bij ramen in de woningen, dan is er volgens algemeen aanvaarde inzichten (zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer) sprake van hinder waartegen maatregelen moeten worden genomen. De beoogde woningen staan aan de noordwestzijde van de windmolen. Tijdens een zonnige dag kan op bepaalde uren sprake zijn van slagschaduw op de ramen in de woningen. Op een bewolkte dag is er geen sprake van slagschaduw. Gelet op het beperkte in werking zijn van de molen is het aannemelijk dat niet meer dan 17 dagen per jaar tijdens zonnige dagen slagschaduw optreedt. Dit maximumaantal dagen wordt volgens de exploitant van de molen niet overschreden. De mogelijke hinder van slagschaduw is daarmee aanvaardbaar.

Geluid en slagschaduw van de molen vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Woningen Molenweg 21 In de door Econsultancy uitgevoerde Quickscan Bedrijven en milieuzonering (bijlage 5, rapportnr. 10141.004, d.d. 7 december 2020) is een gebiedsanalyse gemaakt en zijn de voorkomende functies en gewenste functies nader beoordeeld in het kader van de in de VNG-publicatie genoemde richtafstanden. Econsultancy heeft dit onderzoek uitgevoerd ten behoeve van voorgenomen realisatie en renovatie van de bestaande maalderij tot 3 woningen en de sloop van de agrarische bedrijfswoning en nieuwbouw van 2 seniorenwoningen aan de Molenweg 21 te Breedenbroek. Het plangebied ligt volgens de quickscan niet binnen de richtafstanden van omliggende inrichtingen. Voor de bedrijfslocatie Den Dam 2 moet echter een kanttekening worden gemaakt. Het bestemmingsplan maakt hier formeel de vestiging van een bedrijf in maximaal milieucategorie 2 mogelijk. Feitelijk is sprake van een bedrijf met twee (web)winkels en een sportcentrum, dat op zich kan worden gezien als een categorie 2-bedrijf. Het sportcentrum bestaat uit meerdere inpandige sportruimtes en buitenruimtes die voornamelijk zijn gericht op survivalruns. Hiervoor is op 15 september 2022 een melding op grond van het Activiteitenbesluit ingediend (zie bijlage 8-1). Hierbij wijkt de grens van de inrichting af van de grens van de bedrijfsbestemming.

Het bedrijf wenst namelijk een deel van het perceel op de hoek tussen Molenweg 19 en Den Dam om te zetten naar de bestemming “Wonen”, teneinde dit als tuin bij de woning Molenweg 19 aan te kunnen trekken. Hierover heeft afstemming plaatsgevonden met de eigenaar van het perceel. In het omgevingstype gemengd gebied geldt voor een categorie 2-bedrijf een gecorrigeerde richtafstand van 10 meter. Aan die gecorrigeerde richtafstand wordt voor in ieder geval 1 nieuwe woning niet voldaan. Geluid is hierbij het voor de richtafstand maatgevende milieuaspect. Om die reden heeft Econsultancy akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting van het bedrijf in de gemelde situatie (zie bijlage 8-4, rapportnr. 10141.004, versie D5, d.d. 16 december 2022). Uit dat onderzoek volgt dat ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen wordt voldaan aan zowel de richtwaarde uit de VNG-publicatie als de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Het maximale geluidniveau en de indirecte hinder voldoen daarbij aan de richt- en grenswaarden. Voor de nieuwe woningen worden op de verbeelding bouwvlakken opgenomen om te voorkomen dat afstanden tot omliggende functies kleiner worden.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

40

Door de ontwikkelingen aan de Molenweg 21 worden omliggende functies, met in achtneming van het bovenstaande, niet onevenredig belemmerd in hun mogelijkheden en is ter plaatse van de nieuwe woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Recreatiewoningen Molenweg 23 Bij de gewenste ontwikkeling op de Molenweg 23 worden 4 recreatiewoningen gerealiseerd in de voormalige maalderij. Deze maalderij is in de huidige situatie reeds op meer dan 10 meter afstand gelegen van de bedrijfsfunctie aan Den Dam 2. In de gewenste situatie aan de Molenweg 23 wordt in de voormalige bakkerij een 5de recreatiewoning gerealiseerd. Deze voormalige bakkerij is gesitueerd tegen de perceelsgrens met het naastgelegen bedrijf aan de Molenweg 27. Op de Molenweg 27 is in het Bestemmingsplan Oude IJsselstreek 2017 een bedrijfsbestemming opgenomen (categorie 1 en 2 zijn toegelaten).

Bakkerij

Figuur 23: uitsnede bestemmingsplan Molenweg 27 (ruimtelijkeplannen.nl)

Zoals eerder in deze paragraaf aangegeven kan het plangebied Molenweg 21 en 23 en haar omgeving worden getypeerd als “gemengd gebied”. Met in achtneming van de richtafstanden uit figuur 22 zou er voor categorie 2 een gecorrigeerde richtafstand gelden van 10 meter. De voormalige bakkerij is echter gesitueerd tegen de erfgrens op 0 meter afstand van de bestemmingsgrens van het naastgelegen bedrijf. De “bedrijf”-bestemming aan de Molenweg 27 heeft binnen deze enkelbestemming echter ook een aanduiding “maatvoering”. Deze houdt in dat op deze bedrijfslocatie de bedrijfsbebouwing maximaal 495 m 2 mag bedragen. In de huidige situatie staat deze oppervlakte aan bedrijfsbebouwing er reeds. Daarbij bedraagt de afstand van het bedrijfsgebouw tot de erfgrens circa 13 meter (zie figuur 24). Het is niet aannemelijk dat het bestaande bedrijfsgebouw wordt gesloopt en wordt gebouwd op de erfgrens, maar dit is planologisch wel mogelijk. Zelfs als die situatie zich voordoet is dat voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de hier direct naastgelegen nieuwe recreatiewoning nog altijd geen probleem.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

41

Categorie 2-bedrijven hebben geen zodanige milieueffecten dat hierdoor het woon- en leefklimaat in het geding komt. Daarbij speelt mee dat sprake is van gemengd gebied en dat een recreatiewoning minder vergaande bescherming toekomt dan een reguliere woning. In een recreatiewoning mag immers geen sprake zijn van permanente bewoning. Dat betekent dat mensen in een recreatiewoning minder langdurig worden blootgesteld aan bijvoorbeeld geluidhinder dan in een reguliere woning. Hierbij kan verder worden verwezen naar bijlage 4 van de publicatie Bedrijven en milieuzonering waarbij voor bedrijven tot en met categorie 2 (en voor geluid zelfs categorie 3.1) in een gebied met functiemenging geen richtafstanden gelden, maar het voldoende is dat de activiteiten bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaatsvinden. Wel wordt hierbij een afwijkende categorie-indeling gehanteerd, waarbij bedrijven worden onderverdeeld in categorie A, B en C, wat dus leidt tot een daarop aangepaste Staat van Bedrijfsactiviteiten. De als zodanig bestemde bedrijfsactiviteiten op de locatie Molenweg 27 zouden in dat geval overeenkomen met categorie B. Bij deze categorie is het voldoende dat de activiteiten bouwkundig afgescheiden van woningen plaatsvinden. Daarvan is in dit geval sprake.

Feitelijk bevindt zich op de locatie Molenweg 27 een servicelocatie van een koelinstallatiebedrijf (milieucategorie 1). Bij dit bedrijf vinden nagenoeg geen geluidrelevante activiteiten plaats. De voor gemengd gebied gecorrigeerde richtafstand voor dit bedrijf bedraagt 0 meter. De beoogde situatie in het plangebied is besproken met de eigenaar van Molenweg 27 en daarover is overeenstemming. Verder is het zo dat een recreatiewoning geen geluidgevoelig object is. Het bedrijf wordt daarom niet belemmerd door de ontwikkeling. Ook bij eventuele toekomstige uitbreiding van het bedrijf aan de Molenweg 27 zal deze recreatiewoning, mede gezien de beperkte planologische mogelijkheden, geen belemmering vormen voor het bedrijf.

Figuur 24: uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Oude IJsselstreek 2017

Concluderend Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd door de ontwikkeling. Hierover heeft afstemming plaatsgevonden met de aan het plangebied grenzende bedrijven. Bovendien kan gezien de aard en omvang van omliggende functies en de in het plangebied aanwezige molen worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

42

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations) en vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. In de wetgeving wordt onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

43

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar object Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Uit de Risicokaart (zie figuur 25) blijkt dat op korte afstand van het plangebied planlocatie geen (stationaire) risicobronnen, ondergrondse gastransportleidingen of wegen aanwezig zijn die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied valt buiten de plaatsgebonden risicocontouren van 10-6/jaar en de invloedsgebieden van het groepsrisico.

Figuur 25: kaartuitsnede risicokaart.nl (planlocatie bij zwarte pijl)

Concluderend Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

44

4.8 Water Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De planlocatie ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende 6 jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het Waterschap Rijn en IJssel deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. In het waterbeheerprogramma is rekening gehouden met Europese en landelijke richtlijnen, waaronder Kaderrichtlijn Water (KRW). Doel van deze richtlijn is schoon en gezond water in alle Europese lidstaten. Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als er op een categorie 2 vraag een ‘ja’ is geantwoord, is een uitbreide watertoets noodzakelijk.

Als er alleen met ‘nee’ is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema’s voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toetsvraag met ‘ja’ is beantwoord).

Thema

Toetsvraag

Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (Primaire waterkering, regionale waterkering of kader) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m³/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m²? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m²? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage? 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2.

Bevinden zich, of komen er functies, in of bij het plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen? (Zwemmen, spelen, tuinen aan water) 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEH of SED-water?

Riolering en Afvalwaterketen Wateroverlast (oppervlaktewater)

Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwateroverlast

Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer Volksgezondheid

Natte natuur

Relevant

Intensiteit

Nee

2

Nee Nee Nee

2 2 1

Nee Nee

1 2

Nee

1

Nee

1

Nee

1

Nee Nee Nee

1 1 1

Nee Nee

1 1

Nee

1

Nee Nee

1 2

Nee

1

Nee Nee Nee

1 2 2

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

45

Verdroging Recreatie Cultuurhistorie

3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee Nee Nee

1 1 1

Nee Nee

2 1

In gewenste situatie neemt het bebouwde oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie niet toe (het pad naar de bakkerij wordt aangelegd met halfverharding). Hemelwater zal, net als in de bestaande situatie, ter plekke infiltreren in de bodem (lozing op de aanwezige drukriolering is ook niet toegestaan). Het huishoudelijk afvalwater wordt uiteraard wel geloosd op het gemeentelijk riool.

Concluderend: Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Verkeer en parkeren Qua verkeersbewegingen zal er met de komst van vijf extra woningen een toename optreden van het aantal verkeerbewegingen. Het CROW hanteert een norm van 8 (auto)verkeersbewegingen per werkdagetmaal. De Molenweg heeft voldoende capaciteit om de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen te verwerken. Gestreefd dient te worden naar parkeren op eigen terrein. In het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP) zijn parkeernormen opgenomen. Voor verschillende functies en woningtypen zijn daarin de parkeernormen opgenomen.

Molenweg 21 In het GVVP is voor een twee-onder-een-kap een norm opgenomen van maximaal 2,2 parkeerplaatsen per woning en voor tussen- en hoekwoningen is een norm van maximaal 1,9 parkeerplaatsen per woning opgenomen. Dat komt neer op een parkeernorm van maximaal 10,1 parkeerplaatsen voor de 5 beoogde woningen.

2x halfvrijstaande woning = 4,4 3x rijwoningen = 5,7 totaal = 10,1 parkeerplaatsen In de beoogde opzet is sprake van 12 parkeerplaatsen (zie figuur 26). Ter plaatse van parkeerplaats P5 wordt echter een pompgemaal gerealiseerd, zodat hier naar verwachting geen ruimte meer overblijft voor een parkeerplaats. Ook met 11 parkeerplaatsen wordt echter voldaan aan de berekende parkeerbehoefte.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

46

Figuur 26: situatietekening met daarop de parkeerplaatsen aan de Molenweg 21

Molenweg 23 Ten behoeve van de parkeerbehoefte voor de 5 beoogde recreatiewoningen en het bestaande kantoor aan de Molenweg 23 zullen op dit deel van de planlocatie 12 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. In het GVVP is voor een kantoor (zonder baliefunctie) als norm 2,5 parkeerplaats per 100 m2 opgenomen. Het betreft hier een kantoor met een oppervlakte van 42 m2, zonder baliefunctie. Een kantoor, zonder baliefunctie met een oppervlakte van 42 m2, vraagt een parkeercapaciteit van 1,05 parkeerplaats. Gezien de aard en omvang van het kantoor en de activiteiten, wordt hier met de geplande 3 parkeerplaatsen ruimschoots in voorzien. Dat brengt bovendien als voordeel dat in het weekend (wanneer het kantoor gesloten is), deze parkeercapaciteit volledig benut kan worden ten behoeve van de recreatiewoningen en de cultuurhistorische functie (de molen draait hooguit in het weekend). De 5 recreatiewoningen hebben allen een capaciteit van 2 personen (2 bedden per appartement). Deze recreatiewoningen zijn niet te vergelijken met bungalows op een bungalowpark, die over het algemeen veel meer slaapplaatsen hebben. Daarom is aangesloten bij de parkeernorm voor goedkope (huur)woningen. Volgens het GVVP geldt hiervoor een parkeernorm van maximaal 1,7 parkeerplaats per woning. Uitgaande van 5 recreatiewoningen komt dat overeen met 8,5 parkeerplaatsen.

Met de 9 te realiseren parkeerplaatsen voor de recreatiewoningen wordt dus voldoende voorzien in de parkeerbehoefte. Ook hier geldt dat de overcapaciteit ingezet kan worden op eventueel drukkere momenten bij de Kempermolen. Teneinde deze parkeerplaatsen in te passen wordt een erfinpassing voorgesteld zoals opgenomen in bijlage 6 (zie het inpassingsplan in figuur 27).

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

47

Op de voorgestelde manier van inpassen krijgt het toekomstige erf enerzijds de gewenste, samenhangende beslotenheid en inpassing van de parkeerplaatsen. Anderzijds behoudt het erf de benodigde openheid en transparantie, zodat het hernieuwde ensemble van karakteristieke gebouwen (Maalderij, bakkerij en Kempermolen) elkaar versterkt en niet aan het zicht wordt onttrokken door groen. De zichtlijnen vanaf de Molenweg blijven op deze manier intact.

Figuur 27: situatie met beoogde parkeerplaatsen en erfinpassing Molenweg 23

Concluderend: Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Kabels en leidingen Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klic-melding krijgt initiatiefnemers alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen.

Concluderend Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Molenbiotoop Voor de Kempermolen zijn in de Omgevingsverordening Gelderland regels gesteld omtrent de molenbiotoop (zie paragaaf 3.2.2). In het bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017” is hiertoe voor de omgeving van de Molenweg een ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ opgenomen. In dit plan wordt de bestaande gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 2’ overgenomen. Tevens wordt bepaald dat de hoogte van de bebouwing (goot- en nokhoogte) binnen het plangebied, zoals de woningen en de recreatiewoningen, wordt gemaximeerd op de hoogten in de reeds bestaande situatie of zoals deze reeds is toegestaan.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

48

Verder geldt tot slot, met betrekking tot het aan te planten groen dat er rekening moeten worden gehouden met het feit dat er binnen het ‘molenbiotoop’, zonder vergunning, geen beplanting/houtgewassen mogen worden aangebracht welke hoger worden dan de hoogte van de onderste punt van een verticaal staande molenwiek (zie algemene aanduidingsregels). Dat betreft hier een hoogte van 3,75 meter + maaiveld. Daarmee wordt de molenbiotoop blijvend gerespecteerd en voor de toekomst beschermd.

Concluderend De molenbiotoop vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de “moederprocedure”, een bestemmingsplan of omgevingsvergunning. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

Ad a Wanneer uit een toets blijkt dat de activiteit (mogelijk) significante negatieve effecten op een Natura 2000-gebied tot gevolg heeft, dan kan een bestemmingsplan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Zoals blijkt uit paragraaf 4.3.1 is het in dit geval uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling een negatief effect zal hebben op de natuurwaarden binnen Natura 2000-gebieden. Om die reden is geen passende beoordeling nodig. Het bestemmingsplan leidt niet via dit spoor tot m.e.r.-plicht. Ad b en c Woonactiviteiten worden alleen genoemd in relatie tot een stedelijk ontwikkelingsproject, waarbij meer dan 2000 woningen worden gebouwd (onderdeel D. 11.2 van de bijlage van het besluit milieueffectrapportage). Het is de vraag of in deze situatie sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. In ieder geval staat vast dat de drempelwaarde niet wordt overschreden. Het plan aan de Molenweg 21 en 23 voorziet in de realisatie van 5 woningen en 5 recreatiewoningen. Planologisch wordt op beide locaties de enkelbestemming “Bedrijf” ingeleverd. De milieueffecten richting omgeving worden met de realisatie van 5 woningen en 5 recreatiewoningen in bestaande gebouwen minder dan in de situatie waarin hier bedrijven gevestigd mochten worden.

Er moet omgekeerd echter ook worden gekeken naar de milieueffecten vanuit de omgeving op de beoogde functies.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

49

Op aangeven van de gemeente Oude IJselstreek is zekerheidshalve een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling opgesteld (zie bijlage 10). Hieruit komt naar voren dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plangebied, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hieruit kan worden afgeleid dat er geen reden is tot het uitvoeren van een m.e.r.-procedure. De gemeente heeft dit bevestigd in haar beslissing op de aanmeldnotitie.

Concluderend Zoals blijkt uit de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling en het beoordelingsbesluit leidt de ontwikkeling niet tot m.e.r.-plicht.

Toelichting bestemmingsplan “Buitengebied Oude IJsselstreek 2017, locatie Molenweg 21 en 23 Breedenbroek”

50

5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de landelijke standaard (SVBP2012). Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4693/documents/28347