CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan “Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik”.pdf

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan "Kom Etten, Palmlaan en Strik"21.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2

Cultuurhistorie en archeologie

4.2.1 Wettelijk kader Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

4.2.2 Cultuurhistorie De bestaande woonboerderij kent een aanduiding als gemeentelijk monument. Deze monumentale woonboerderij blijft bestaan en wordt met de ontwikkeling niet aangetast. De rest van het plangebied kent geen aanduiding tot gemeentelijk monument en heeft ook geen cultuurhistorische waarden. Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.

4.2.3 Archeologie Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

32

Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik

Figuur 4.3: Archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied (bron: Archeologische Verwachtingskaart gemeente Oude IJsselstreek) Het plangebied ligt in het Bestemmingsplan Kleine Kernen 2004 welke door de gemeente Oude IJsselstreek is vastgesteld op 22-12-2005. Hierop is echter geen archeologische verwachting opgenomen voor het gebied. Sindsdien is er een gemeentelijke verwachtingskaart opgesteld die vigerend is. Het plangebied valt hierin deels onder categorie 3 (Dorpskern van vóór 1850) en deels onder categorie 6 (gebied met een specifieke archeologische verwachting). Voor categorie 3 geldt een onderzoekplicht bij ingrepen groter dan 100m2 en dieper dan 30cm en voor categorie 6 geldt een onderzoek plicht bij ingrepen groter dan 5000m2 en dieper dan 30cm. De bevoegde overheid, de gemeente Oude IJsselstreek, heeft een specifiek archeologisch beleid vastgesteld en beschikt over een Archeologische Verwachtingskaart. Er is een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een verkennend booronderzoek uitgevoerd op een terrein aan de Palmlaan/Strik te Etten (Bijlage 10 van de toelichting). De aanleiding voor het onderzoek is de bouw van woonhuizen, het aanleggen van een wadi, uitbreiding van de bestaande sloot en aan te planten bomen, hagen, bosplantsoenen en struwelen/houtwallen.

De oppervlakte van de toekomstige bodemverstoring bedraagt 1,12 ha met een maximale diepte van 1 meter beneden maaiveld. De bodem zal waarschijnlijk tot in het archeologische niveau worden verstoord. Eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen daarbij verloren gaan. Door de voorgenomen graafwerkzaamheden, kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden verloren gaan. Daarom is op basis van het bestemmingsplan, met daarin verwoord het gemeentelijk beleid, in het kader van een bestemmingsplanprocedure voorafgaand aan de graafwerkzaamheden archeologisch onderzoek uitgevoerd. Beoordeling initiatief Op basis van de resultaten van het booronderzoek is mogelijk een archeologische vindplaats in het plangebied aanwezig. De resten worden in het gehele gebied verwacht vanaf het maaiveld tot een diepte van 1 meter. Echter is de verwachting op resten in het gedeelte wat buiten de historische kern valt niet groot. Daarom hoeft er alleen vervolgonderzoek gedaan te worden in het gedeelte wat binnen de historische kern valt en voor het gedeelte waar de wadi gegraven wordt (door de grote van de verstoring). Voor de rest van het plangebied wordt vrijgave geadviseerd (zie afbeelding 17 van de betreffende bijlage). Het advies voor het nader te onderzoeken gebied is om een karterend booronderzoek uit te voeren, met een boordichtheid van 20 boringen per hectare.

Voor het nader te onderzoeken gebied (bij elkaar 5600 m2) moeten zodanig 12 boringen worden gezet. Het hier gegeven advies geldt in principe voor het onderzochte plangebied. Voor het te verstoren gebied geldt hetzelfde advies, maar hierbij is het zwart omkaderde gedeelte de grens.

ruimte voor ontwikkeling

33

4.2.4 Karterend booronderzoek Het karterend booronderzoek zal plaatsvinden alvorens over kan worden gegaan tot ontwikkeling van het plangebied. In de planregels is hier een voorwaardelijke verplichting voor opgenomen. Beoordeling initiatief Voorlopig bestaan er geen belemmeringen op het gebied van archeologie. Het karterend booronderzoek is als voorwaardelijke verplichting opgenomen.

4.3

Bodem

4.3.1 Wettelijk kader De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

4.3.2 Onderzoek Voorliggend initiatief voorziet in een functiewijziging van Agrarisch naar Wonen. Ten aanzien van het initiatief zullen er graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. De planologisch geldende functie van de locatie betreft bovendien eveneens een milieugevoelige functie, aangezien ook hierbij meerdere personen voor langere tijd in het pand aanwezig kunnen zijn. Op de locatie zijn geen bodemverontreinigingen bekend of bekende locaties van ernstige bodemverontreiniging die met spoed moeten worden gesaneerd. Een verkennend bodemonderzoek is noodzakelijk om een goed woon- en leefklimaat op deze locatie te garanderen. In opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen is door bureau Vink een verkennend bodemonderzoek aan de Palmlaan /Strik uitgevoerd. Aanleiding voor het verkenned bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de omgevingsvergunning bouwen. In Bijlage 9 van de toelichting is de rapportage van dit verkennend bodemonderzoek opgenomen. Op basis van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie in deellocaties onderverdeeld: - Deellocatie A: gehele onderzoekslocatie - Deellocatie B: drupzone westelijk deel schuur

4.3.3 Onderzoeksresultaten Deellocatie A: Geconcludeerd kan worden dat de hypothese 'onverdacht' formeel verworpen dient te worden. De aangetoonde lichte verontreinigingen zijn echter niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is voldoende bekend. Deellocatie B: Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdacht diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld' dient te worden geaccepteerd. Er is sprake van een verontreiniging met asbest. Uit het bodemonderzoek blijkt dat er sprake is van een bodemverontreiniging met asbest. De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft de onderzoeksresultaten beoordeld. Voorafgaand aan de (her)ontwikkeling van de locatie adviseert de ODA om de asbestverontreiniging in de grond in horizontale en verticale richting af te perken middels een nader onderzoek en vervolgens te saneren.

34

Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik

4.3.4 Beoordeling

initiatief

Er zal sanering van de verontreiniging plaatsvinden middels een plan van aanpak of saneringsplan. Deze zal ter goedkeuring van het bevoegd gezag voorgelegd moeten worden.

4.4

Ecologie

4.4.1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.

Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. Zorgplicht Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.

Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten.

ruimte voor ontwikkeling

35

4.4.2 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een Natura 2000 gebied. Het Natura 2000 gebied Hetter-Millinger Bruch (en beschermd vogelgebied Unterer Nederrhein) in Duitsland ligt op 7 km afstand. Het Natura 2000 gebied Rijntakken ligt op 15 km afstand ten westen van de planlocatie. Het plangebied ligt niet in een gebied van het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Delen van dit netwerk liggen aan de andere kant van Etten.

Figuur 4.4: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden. Het plangebied is met een rode marker aangegeven. (bron: https://www.natura2000.nl/gebieden/gelderland) In het verkennend ecologisch onderzoek dat is uitgevoerd door Foreest Groen Consult B.V. (Bijlage 4 van de toelichting) wordt geconcludeerd dat op voorhand is uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden, Beschermde Natuurmonumenten, het Natuurnetwerk Noord-Holland (NNNH). Een uitgebreide beschrijving, beoordeling en aanvullend onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Aanvullend is wel extra aandacht besteed aan de mogelijke verzuring en vermesting van een habitat ten gevolge van stikstofdepositie.

4.4.3 Stikstofdepositie Door Kubiek Ruimtelijke Plannen is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd naar de stikstofdepositie van de gebruiks- en bouwfase met behulp van de AERIUS Calculator. De rapportage is te vinden onder Bijlage 5 Rapport stikstofdepositieberekening. Uit de berekeningen blijkt dat er door de gewenste ontwikkeling geen strijdigheden ontstaan met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied. Er vindt geen stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De AERIUS- berekeningen zijn te vinden onder Bijlage 6 en Bijlage 7 van de toelichting. In Bijlage 8 van de toelichting is een overzicht te vinden van de in te zetten machines tijdens de realisatiefase. Conclusie De bouw- en gebruiksfase zorgt niet voor stikstofdepositie op de omgeving.

36

Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik

4.4.4 Soortenbescherming Om de effecten van de voorgenomen wijziging op de aanwezige flora en fauna te bepalen is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd door Foreest Groen Consult B.V. Dit verkennend onderzoek zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden. Uit de quickscan is gebleken dat het terrein van belang kan zijn voor de volgende soorten: Steenuil; Kerkuil; Kleine marterachtigen; Huismus; Soortgroep vleermuizen; Het is daarom aanbevolen om nader onderzoek te doen naar het belang van het gebied voor deze diersoorten. Ook wordt een vliegroute onderzocht doordat deze door verlichting verstoord kan worden. Direct voorafgaand aan de werkzaamheden zal het plangebied tevens onderzocht worden op de aanwezigheid van diersoorten. Worden er dieren aangetroffen moeten deze de kans krijgen om zich in veiligheid te brengen. Ook tijdens de werkzaamheden dient met de aanwezigheid van dieren rekening te worden gehouden.

4.4.5 Conclusie quickscan Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de flora- en faunaregelgeving beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief. Nader onderzoek is noodzakelijk om de gevolgen van het plan op de beschermde diersoorten vast te stellen en mitigerende maatregelen te kunnen treffen zodat negatieve gevolgen op de natuur zoveel mogelijk worden uitgesloten.

4.4.6 Vervolgonderzoek

Flora en fauna

Uit de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het terrein van belang kan zijn voor de volgende soorten: steenuil; kerkuil; kleine marterachtigen; huismus; soortgroep vleermuizen en vliegroute. De onderzoeken naar deze beschermde diersoorten is afgerond, het onderzoek is opgenomen als Bijlage 17. Onderstaand is per soort, zoals hierboven benoemd, samengevat wat de resultaten uit het nader onderzoek zijn. Steenuil De planlocatie is niet van belang voor de steenuil. Tijdens de onderzoeken zijn geen steenuilen aangetroffen op de planlocatie. De soort is niet gehoord en er zijn ook geen sporen aangetroffen. Wel is er één territorium van een steenuil waargenomen in de omgeving. Deze locatie ligt op meer dan 300 meter (480 meter) waardoor de planlocatie buiten dit territorium ligt. Tussen het territorium en de planlocatie ligt bovendien de N317, en een barrière vormt voor de steenuil. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Kerkuil De planlocatie is niet van belang voor de kerkuil. Tijdens de onderzoeken zijn geen kerkuilen aangetroffen op de planlocatie en in de omgeving. De soort is niet gehoord en er zijn ook geen sporen aangetroffen. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Klein marterachtigen De onderzochte locatie is niet van belang voor steenmarters of kleine marterachtigen.

Op geen van de camerabeelden zijn steenmarters of kleine marterachtigen geregistreerd. Het slopen van de gebouwen

ruimte voor ontwikkeling

37

en de nieuwbouw leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Huismus De onderzochte locatie is niet van essentieel belang voor de huismus. Bij het onderzoek zijn geen nesten aangetroffen in de gebouwen en ook geen kwetterbosjes rondom de gebouwen. Wel is één zingend mannetje aangetroffen in een struik langs de Strik, tegenover huisnummer 5, aan de rand van het plangebied. Dit geeft aan dat het plangebied deel uitmaakt van het territorium Er zijn echter genoeg nestplaatsen en kwetterbosjes aangetroffen in de omgeving waardoor de planlocatie niet van essentieel belang is voor de huismus. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Vleermuizen en vliegroutes De onderzochte locatie is van belang voor vleermuizen wat betreft vaste rust- en verblijfplaatsen. Op de locatie zijn vier zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Daarnaast zijn twee baltsterritorie van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Er zijn geen invlieglocaties vastgesteld. Het paarverblijf kan toegend worden aan één van de drie zomerverblijven. Het betreft daarom een dubbel-doel verblijf. Kraamverblijven en (massa)winterverblijven zijn niet aangetoffen. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk.

De onderzochte locatie is tevens van belang voor vleermuizen wat betreft de vliegroute. Er zijn twee vliegroutes waargenomen. Langs de beplanting aan de zuidrand van het plangebied passeerden 12 individuen van de gewone dwergvleermuis en 5 individuen van de laatvlieger. De bomenrij zal behouden blijven, maar mogelijk dat bij de nieuwbouw de verlichting toeneemt. In dat geval vindt er een verstoring van de vliegroute plaats. Langs de Palmlaan ten noorden van het plangebied passeerden 11 individuen van de gewone dwergvleermuis. De bomenrij langs deze straat blijft voor het grootste deel behouden. Wel is het plan om kleine openingen in de lage tussenliggende beplanting te maken om inritten naar de woningen te kunnen realiseren.. Indien deze openingen een grootte hebben van meer dan 30 meter, vindt er een verstoring van de vliegroute plaats. Dit is niet het geval, zoals ook in de landschappelijke inpassing is opgenomen. Dit geldt ook wanneer er door de nieuwbouw de verlichting bij dit deel van het plangebied toeneemt. Het slopen van de gebouwen en de nieuwbouw leiden mogelijk tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft vliegrouten van vleermuizen. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk.

Het slopen van de gebouwen en de herontwikkeling leiden niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft foerageergebieden van vleermuizen. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

4.4.7 Plan van aanpak ontheffing Wet natuurbescherming Voor de ontheffing op de Wet natuurbescherming betreffende de gewone dwergvleermuis is een plan van aanpak opgesteld. Deze is te raadplegen in Bijlage 18. Onderstaand is de plan van aanpak in het kort samengevat. Voor ontvangst van de vergunning Voor 1 juni 2026 realiseren 8 vleermuiskasten op gevels van woonhuizen binnen 100 meter van de planlocatie; Voor 1 juni 2026 realiseren 6 vleermuiskasten van houtbeton op 3 bomen op de planlocatie, twee kasten aan weerszijden van elke boom; Voor 1 juni 2026 realiseren 6 vleermuiskasten van houtbeton op 3 palen op de planlocatie, twee kasten waarvan één wit en één zwart aan weerszijden van elke paal. Na ontvangst van de vergunning Na de gewenniningsperiode begint het ongeschikt maken voor de gewone dwergvleermuis:

38

Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik

Periode van ongeschikt maken: 1 september 2026 - 15 oktober 2026 bij een nacht temperatuur boven de 10 graden celsius; Het ongeschikt maken voor vleermuizen door het plaatsen van 'exclusion flaps' en schuimband; Controle door een ecoloog op effectiviteit van het ongeschikt maken, minimaal 5 dagen na het ongeschikt maken; Bij afwezigheid van vleermuizen, afgeven van natuurvrijverklaring door de ecoloog. Daarna kan worden gestart met de sloopwerkzaamheden. Tijdens de werkzaamheden Het realiseren van 20 permanente voorzieningen in de kopse gevels van de nieuwbouwwoningen door het geschikt maken van vlakken, 2 x 2 meter, met gripgaas en 2 entreestenen halverwege elk vlak op minimaal 4 meter hoogte. Na de werkzaamheden Eventueel het verwijderen van de tijdelijke voorzieningen, deze mogen behouden blijven. Minimaal 3 maanden na de realisatie van de permanente voorzieningen, waarbij enkel de maanden april t/m oktober meetellen. Ongeschikt maken ofwel in de priode van 1 april - 15 mei, ofwel van 1 augustus - 15 oktober; Behoud van permanente verblijven; Bescherming van de permanente verblijven: invliegopeningen niet afsluiten en niet verlichten. Algemeen De werkzaamheden moeten worden begeleid door een deskundige op het gebied van de gewone dwergvleermuis; De bevinden moeten worden genoteerd in het logboek.

4.4.8 Landschappelijk

inpassingsplan

Waar mogelijk wordt de bestaande beplanting w.o. oude bomen gehandhaafd. Om de nieuwe bebouwing in te passen wordt nieuwe gebiedseigen beplanting toegevoegd zoals hagen, fruitbomen, vogelbosjes en struweelhagen. Hierbij wordt rekening gehouden met de molenbiotoop. Er wordt een weide gerealiseerd die begraasd zal worden door kleinvee, de weide wordt omhekt. Het gras buiten het hekwerk wordt ecologisch beheerd. De positionering van deze nieuwe beplanting en weide wordt in het beplantingsplan duidelijk beschreven. Zie het landschappelijk inpassingsplan en beeldkwaliteitsplan (Bijlage 15). Het plan is tevens gewaarborgd in de regels (Bijlage 1 van de regels). Om voldoende waterbergingscapaciteit te hebben in verband met de nieuwe bebouwing wordt een wadi aangelegd naast de weide. Zie ook onderstaande afbeelding voor de positionering van de wadi en de weide voor kleinvee (omheind). Ten opzichte van het gepubliceerde ontwerpbestemmingsplan is het landschappelijk inpassingsplan en beeldkwaliteitsplan gewijzigd om extra te waarborgen dat de molenbiotoop niet wordt verstoord.

ruimte voor ontwikkeling

39

Figuur 4.5: Situatietekening positionering weide en kleinvee-weide (bron: ANV architectuur & vastgoedontwikkeling)

4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Wettelijk kader Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze

40

Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik

waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang.

Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied

ruimte voor ontwikkeling

41

reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

4.5.2 Beoordeling Een woning betreft een kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Figuur 4.6: Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl) De oranje cirkels tonen de LPG terreinbegrenzing en LPG brand- en explosieaandachtsgebied aan. Het plangebied is buiten deze cirkels gelegen en daarmee vormen de LPG vulpunten geen gevaar / belemmering op de leefomgeving van de beoogde woningen. Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. De buisleiding onderaan op de afbeelding is op ruim 300 meter van het plangebied gelegen. Inrichtingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevantie inrichtingen gevestigd. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving.

42

Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik

4.5.3 Beoordeling

initiatief

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Geluid

4.6.1 Wettelijk kader Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd.

4.6.2 Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Wel ligt het plangebied binnen de geluidzone van wegverkeer, namelijk van de Palmlaan, de Strik, de Slingerparallel en de Zeddamseweg. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Voor de Zeddamseweg (BiKo) en de Palmlaan/Strik geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze wegen, is in het voorliggende onderzoek de geluidbelasting vanwege deze wegen toch berekend. Dit omdat: de gemeente in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing de belangen van het realiseren van het bouwplan af moet wegen tegen de mogelijke hinder door degeluidbelasting; bij het realiseren van de woningen deze geluidbelasting meegenomen kan worden bij de beoordeling van de geluidwering in het kader van een goed woonklimaat. Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting is uitgevoerd door SPA WNP. Het rapport van het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 11 van de toelichting. Onderzoeksresultaten De nieuwe woningen liggen binnen de bebouwde kom in de geluidzones van de Zeddamseweg (BuKo) en de Slingerparallel. Voor de Zeddamseweg (BiKo) en de Palmlaan/Strik geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur.

Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze wegen, is in het voorliggende onderzoek de geluidbelasting vanwege deze wegen toch berekend. De overige wegen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze wegen niet relevant zijn met betrekking tot de geluidbelasting. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen vanwege het verkeer op de: Zeddamseweg en de Slingerparallel (beide 80 km/uur) hoger is dan de voorkeurswaarde, maar lager zal zijn dan de maximale ontheffingswaarde; Zeddamseweg en de Palmlaan/Strik (beide 30 km/uur) ruim lager zal zijn dan de voorkeurswaarde van 48 dB, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen.

ruimte voor ontwikkeling

43

Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting bij de nieuwe woningen te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde). Om deze woningen te kunnen realiseren, moet de gemeente Oude IJsselstreek hogere waarden vanwege het wegverkeerslawaai en vastleggen in het kadaster conform tabel 4 van hoofdstuk 5.1 . De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen, zonder aftrek 110g overeenkomstig de Wet geluidhinder, bedraagt maximaal 63 dB.

4.6.3 Beoordeling

initiatief

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief, mits er wordt voldaan aan de aanbevelingen van het akoestisch onderzoek. De gemeente Oude IJsselstreek zal een hogere waarde procedure moeten volgen om de hogere geluidsbelasting toe te staan.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1 Wettelijk kader Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld. De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.

Bovenstaande afbeelding voorziet in een berekening met een NIBM-tool. Er is uitgegaan van 80 extra voertuigbewegingen bij 10 woningen. Hieruit blijkt dat het project van niet in betekende mate is op de luchtkwaliteit.

4.7.2 Beoordeling Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden

44

Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik

aan de grenswaarden. Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De kaarten met concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op de Atlas Leefomgeving van de Rijksoverheid. Stof

Jaar 2019

Jaar 2020

Grenswaarde

Advieswaarde

NO 2

19.2 µg/m3

15.6 µg/m3

40 µg/m3

10 µg/m3

PM 10

17.5 µg/m3

15.4 µg/m3

40 µg/m3

15 µg/m3

PM 2,5

10.5 µg/m3

8.6 µg/m3

20 µg/m3

5 µg/m3

Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2 , PM10 en PM2,5. De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige situatie aan de Palmlaan liggen de concentraties ver beneden de wettelijke grenswaarden en in het geval van PM10 op deze advieswaarde. Voor wat betreft PM2,5 geldt dat er net niet wordt voldaan aan de advieswaarde, maar zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. Dit komt mede door de toenemende elektrificatie van installaties en voertuigen, zoals elektrische mobiliteit en warmtepompen. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woonen leefklimaat op de planlocatie.

4.7.3 Beoordeling

initiatief

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

4.8

Milieuzonering

4.8.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden

ruimte voor ontwikkeling

45

uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

4.8.2 Beoordeling Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als rustige woonwijk, gelet op de twee functies groen en wonen. De beoogde woningen bevatten geen overlastgevende functie op de directe leefomgeving. In de directe nabijheid van het plangebied is een Zaalsportvereniging en een basisschool gelegen op circa 150 meter. Een sporthal geldt een milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter. Voor een basisschool geldt een milieucategorie 2 waarbij een richtafstand van 30 meter aangehouden dient te worden. Aan alle VNG-richtafstanden wordt voldaan.

4.8.3 Beoordeling

initiatief

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt de ontwikkeling van de woningen niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

46

Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik

4.9

Water

4.9.1 Inleiding Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder.

4.9.2 Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt.

In het Waterbeheerplan 2022-2027 zijn uitgangspunten vastgesteld die de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode tot en met 2027, met een vooruitblik richting 2050. Het waterschap zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's:

ruimte voor ontwikkeling

47

Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren. Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid.

Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met onze partners (zoals gemeenten en provincies), inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets. Gemeente Oude IJsselstreek De gemeente Oude IJsselstreek heeft in 2016 het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) Oude IJsselstreek 2017-2020 vastgesteld. Het is de taak van de gemeente om voor een goede riolering te zorgen: ze hebben de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. Dit GRP geeft aan hoe zij met deze drie zorgplichten omgaan. Panden die niet op het riool zijn aangesloten, moeten aansluiten. Hierop handhaaft de gemeente. Voor nieuwbouw binnen nieuwe bestemmingsplannen moet altijd een waterparagraaf opgesteld worden, op basis van ons programma van eisen met randvoorwaarden en ontwerpgrondslagen voor het waterhuishoudkundige systeem. Met het waterschap maken we afspraken over de waterhuishouding in nieuwe gebieden en de aanleg van waterberging. We houden daarbij 10% van het bruto-oppervlak beschikbaar voor water.

Kleinschalige inbreidingen sluiten we aan op de bestaande riolering. Als het redelijkerwijs mogelijk is, moeten particulieren het hemelwater verwerken op eigen terrein. Als dat niet kan, moeten ze hun afvalwater altijd gescheiden aanleveren aan de perceelgrens. Hemelwater moet bij voorkeur bovengronds worden gehouden. Bij grootschalige uitbreidingen wordt altijd gescheiden riolering aangelegd. Alle nieuwbouwprojecten dienen rekening te houden met een duurzame oplossing voor hemelwater conform het beleid van het Waterschap Rijn en IJssel. Hemelwater moet altijd gescheiden van het overig afvalwater worden aangeleverd aan de perceelgrens. Op drukriolering mag alleen huishoudelijk afvalwater worden geloosd, daar is het systeem op ontworpen.

48

Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik

4.9.3 Watertoets Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de watertoets uitgevoerd. Het resultaat is als bijlage bijgevoegd (Bijlage 12 van de toelichting ). Op basis van de watertoets zijn er een aantal adviezen te volgen, gebaseerd op de normale procedure. 1. advies drainage 2. advies klimaatadaptatie 3. advies kwaliteit oppervlaktewater 4. advies afvalwaterketen 5. advies grondwaterbeheer Bovenstaande aspecten moeten in een waterparagraaf opgenomen en toegelicht worden met een motivering hoe er in het plan rekening wordt gehouden met de afwatering van hemelwater en afvalwater. Vooraf is er afstemming geweest met het waterschap Rijn en IJssel, over de risico's ten opzichte van wateroverlast op de locatie. Dit omdat het gebied bij heftige buien het hemelwater niet voldoende kan afvoeren. Waterparagraaf toekomstgericht waterbeheer Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer.

Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Waterschap Rijn en IJssel werkt hierbij vanuit het Waterbeheerplan 2022-2027, waarin het taakgebied, de doelen en de maatregelen die het waterschap t/m 2027 voor ogen heeft, staan beschreven. Een kompas voor de langere termijn biedt de Watervisie 2030. Beide documenten bieden een samenwerkingsagenda voor ieder die op het gebied van water een belang of betrokkenheid heeft. Palmlaan/Strik Etten De voorgenomen ontwikkeling met de bouw van 10 woningen vormen geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. Er worden geen grote wijzigingen aangebracht aan het watersysteem en geen werkzaamheden in de keurzone uitgevoerd. Hierdoor is een watervergunning niet noodzakelijk. Een toename van het afvalwater door de ontwikkeling heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. In de milieuzone van de RWZI of rioolgemaal worden geen hindergevoelige functies opgenomen, die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren.

Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden. Het waterschap Rijn en IJssel adviseert dat er 80 mm hemelwater per nieuw verhard oppervlakte geïnfiltreerd moet worden op het plangebied. Er wordt volgens de Klimaatatlas Oude IJsselstreek gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. Onderstaande afbeeldingen geven dit weer. De kaart toont het effect van extreme neerslag binnen de hele gemeente. In de praktijk komen dergelijke extreme buien slechts lokaal voor.

ruimte voor ontwikkeling

49

Figuur 4.7: Plangebied waterdiepte 5-20 cm bij een bui van 70 mm (1 uur).

Figuur 4.8: Plangebied waterdiepte 30 cm bij een bui van 160 mm (2 uur). Motivering hemelwater en afvalwater Op de betreffende locatie wordt rekening gehouden met de afwatering van het hemelwater en afvalwater. Voor het afvalwater geldt dat er voor één woning minimaal 2 personen aangehouden dienen te worden, waardoor het totaal verbruik per huishouden zal bestaan uit minimaal 117.000 liter. Er zijn in totaal 10 huishoudens. De toename van het afvalwater leidt niet tot belemmeringen, doordat er op de bestaande riolering aangesloten kan worden.

50

Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik

Het hemelwater, uitgaande van een bui van 80 mm, zal apart worden afgewaterd en geïnfiltreerd, waarvoor nog een infiltratieberekening uitgevoerd dient te worden. Hierna zal er bij de woningen een waterberging worden aangebracht middels infiltratiekratten/wadi (overleg gemeente). Wanneer het harder regent zal er een overloop moeten zijn om de toename van water te kunnen afvoeren. Er zal een overloop moeten worden aangelegd van het plangebied naar een wadi ten zuiden van het plangebied. Een inrichtingsschets voor deze wadi is toegevoegd in Bijlage 14 van de toelichting. Motivatie grootte/opslag wadi: Uitgaande van de eerder aangegeven totale bebouwde en verharde oppervlak van 1.841 m2, een buffercapaciteit van 0,08m1/m2 en een wadidiepte van 0,4m1 resulteert dat in een minimale buffer van circa 150m2/375m2. In de bijlage is voorzien in een wadi van 600m2 ter plaatse van de bovenzijde van het talud. Inclusief verrekening van de taluds geeft dit voldoende bufferruimte. Aanvulling daarop: Het berekende aan m2 verharding is exclusief de prive verhardingen. Uitgaande van 50m2 per perceel betekent dit 40m3 en dus 16m2 extra wadi. De wadi is zoals eerder aangegeven groter dan noodzakelijk en de kan eenvoudig deze gevraagde extra capaciteit opnemen. Advies na vooroverleg

Waterschap

Rijn en IJssel (per email ontvangen

op 14-3-2023):

Het Waterschap Rijn en IJssel adviseert positief over het aanbrengen van de wadi op het zuidelijke deel van het perceel om op deze manier water te kunnen bergen en infiltreren. Wel adviseert het Waterschap om de totale verharding op het plangebied opnieuw uit te rekenen en de wadi hierop af te stemmen. Daarnaast adviseert het Waterschap om rekening te houden met de stresstest. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om te voorkomen dat door ophoging en verharding van (delen van) het perceel voor zowel de toekomstige bewoners, als de omgeving en de watergang van het waterschap wateroverlast en knelpunten ontstaan. Bij de stresstest gaat het om de kortdurende extreme bui: de bui T100 van 70 mm in 1 uur moet goed afgehandeld kunnen worden, zonder wateroverlast en zonder problemen in relatie tot de watergang van het waterschap. Zoals eerder aangegeven is het afvoeren van het hemelwater na een extreme bui geen optie: het water kan niet meteen weg en verzamelt zich daar. Er zal samen met de gemeente Oude IJsselstreek gekeken moeten worden naar infiltratie- en afvoermogelijkheden van het hemelwater op het plangebied. Er kunnen infiltratiekratten worden aangebracht op de noodzakelijke plaatsen op het plangebied, dit middels nadere afstemming met het Waterschap Rijn en IJssel.

Wellicht is het aanbrengen van een greppel naar de naastgelegen watergang nog een optie voor het afvoeren van hemelwater bij extreme buien. Geohydrologisch

onderzoek

en watercompensatie

Voor een klimaatbestendige inrichting van het plangebied is een nader onderzoek naar de geohydrologische situatie en de waterbergingsopgave binnen het plangebied uitgevoerd. Op het gebied van geohydrologie wordt geadviseerd om bij het afgraven van de kleilaag in het plangebied de stijghoogte te onderzoeken. Voor vrijwel alle infrastructurele werkzaamheden is tevens bemaling noodzakelijk. Op basis van eisen vanuit Waterschap Rijn en IJssel moet worden voldaan aan een bergingsopgave van 278 m³. In het ontwerp wordt rekening gehouden met een wadi met een oppervlakte van 1.045 m². In de wadi is een overcapaciteit van 26% bij peilopzet en 61% bij volledige vulling gedimensioneerd. Om overlast te voorkomen wordt geadviseerd een overstort toe te passen op 0,1 m-mv. Het volledige advies is te vinden in Bijlage 16.

4.9.4 Beoordeling

initiatief

Op basis van de opgestelde notitie waterhuishouding blijkt dat er in het plangebied voldoende rekening gehouden kan worden met het aspect water. Aanbevelingen uit de notitie worden opgevolgd binnen de daadwerkelijke uitvoering van de plannen.

ruimte voor ontwikkeling

51

4.10 M.e.r.-beoordeling 4.10.1

Wettelijk kader

In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect.

4.10.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Kenmerken van het project Het project betreft de bouw van 10 woningen op een plangebied dat momenteel een agrarische bestemming heeft, maar niet meer actief in gebruik is. Plaats van het project De omgeving van het project betreft woningen, agrarisch gebied en buitengebied van Etten. Het dichtsbijzijnde natura-2000 gebied is Hetter-Millinger Bruch (en beschermd vogelgebied Unterer Nederrhein) in Duitsland en ligt op 7 km afstand van het plangebied. Gelet op de soort activiteit (wonen) en de afstand tot aan het Natura 2000-gebied, is geoordeeld dat is uit te sluiten dat er significante negatieve effecten optreden op het Natura 2000-gebied. Kenmerken van het potentiële effect Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer, leidt niet tot luchtvervuiling, geluidsoverlast en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. In het plan worden de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten.

4.10.3

Beoordeling

initiatief

De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.

52

Kom Etten, locatie Palmlaan en Strik

4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1

Parkeren

Het benodigde aantal parkeerplaatsen kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Het plangebied wordt gekenmerkt als de rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied. In onderstaande tabel zijn de gemiddelde parkeernormen in relatie tot het initiatief uiteengezet. Gem. parkeernorm per woning

Totaal per woningtype

Vrijstaande koopwoning (6 x)

2,2

13,2

Tussen/hoek koopwoning (4 x)

1,9

7,6

Totaal

19,8

De parkeerplaatsen zullen op het terrein bij de woningen gerealiseerd worden. Er is rekening gehouden met 21 parkeerplaatsen verdeeld over het plangebied. Op onderstaande afbeelding is in de rode vlakken te zien hoe de parkeerplaatsen plaats krijgen binnen het verkavelingsontwerp.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4759/documents/29852