TAM-omgevingsplan Smoddedijk naast 8, Westendorp_Motivering.pdf
Tekst van het document
3.4.5.2 Toetsing van het initiatief aan het Uitnodigingskader wonen buitengebied In voorliggend geval is initiatiefnemer voornemens een vrijstaande woning van maximaal 1.000 m³ te realiseren. Hierbij behoren 150 m² aan bijgebouwen/bijbehorende bouwwerken. Om dit mogelijk te maken zijn 160 ontwikkelpunten nodig. Deze ontwikkelpunten worden verkregen van de locatie Breedenbroekseweg 4 te Voorst. Hiertoe hebben de partijen een overeenkomst gesloten. Daarnaast is door BJZ.nu een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld om de bestaande landschapswaarden te versterken. Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er voldoende GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
118
ontwikkelpunten voorhanden zijn om de beoogde woningbouwontwikkeling op de planlocatie mogelijk te maken.
3.4.6 Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen 3.4.6.1 Algemeen De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) schetst een toekomstbeeld voor de ontwikkeling van het landschap in zowel het buitengebied als de kernen van de gemeente. Deze visie is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met bewoners, organisaties en verenigingen. Centraal staat het versterken van de kenmerkende landschappen en het vormgeven van een robuuste groenstructuur binnen de kernen, in samenhang met ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen van de komende jaren. De uitvoering van de visie ligt deels bij de gemeente, maar is nadrukkelijk ook bedoeld als uitnodiging aan anderen om bij te dragen aan een groene, aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. 3.4.6.2 Toetsing van het initiatief aan de Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen De ontwikkeling aan de Smoddedijk gaat gepaard met een passende landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt een groene en gezonde leefomgeving gecreëerd die aansluit bij het karakteristieke landschap van het gebied. Daarmee sluit de ontwikkeling aan bij de richtlijnen uit de ‘Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen’.
3.4.7 Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 – 2026 3.4.7.1 Algemeen Op 18 januari 2022 is de Klimaatagenda 2022-22026 vastgesteld. Met deze Klimaatagenda wordt de visie en ambitie voor een klimaatbestendige toekomst vastgelegd. Daarnaast is een uitvoeringsagenda voor 2022 tot en met 2026 beschreven. Steeds duidelijker wordt welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen van klimaatverandering, waaronder droogte, wateroverlast, overstromingen en hittestress aan te pakken. De effecten van klimaatverandering worden opgedeeld in vier hoofdthema’s: • Meer regen: wateroverlast. Neerslagpatronen veranderen door klimaatverandering. We krijgen te maken met grotere piekbuien en langere natte winterperiodes. Dit kan leiden tot meer hemelwateroverlast en grondwateroverlast. • Hoger water: overstromingen. Door het veranderende weer krijgt Oude IJsselstreek vaker te maken met stormen en een sterker fluctuerende rivierafvoer. Deze factoren betekenen een extra belasting op de dijken. • Meer hitte: hittestress. Klimaatverandering wordt ook wel ‘global warming’ genoemd. Er moet rekening gehouden worden met het warmer worden van de zomers en het vaker voorkomen van extreme hitte. • Drogere zomers: droogte. Het wordt warmer en neerslagpatronen worden grilliger.
Vooral in de zomers zullen we steeds meer te maken krijgen met langdurige periodes van droogte en de effecten van (zoet) watertekorten. 3.4.7.2 Toetsing van het initiatief aan Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 – 2026 Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico’s zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering. • Wateroverlast: Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat op het zuidelijke gedeelte van de planlocatie sprake kan zijn van plasvorming met een grotere waterdiepte na een kortdurende, extreem hevige bui of bij langdurige neerslag. In het ruimtelijk kwaliteitsplan is hiermee rekening gehouden door het terrein zo in te richten dat hemelwater goed kan worden opgevangen en afgevoerd, zodat wateroverlast ter plaatse van de woning wordt voorkomen. Dit is gedaan door op deze locatie meer groen toe te voegen zodat het water makkelijker kan infiltreren. • Hittestress: Uit de kaartbeelden behorende bij hittestress is op te maken dat de temperatuur op de planlocatie overwegend gelijk is met de omliggende percelen, waar de temperatuur te plaatse van bebouwing iets hoger ligt. Na realisatie van de bebouwing zal de temperatuur vergelijkbaar zijn met de omliggende erven.
Extra toename van de hitte wordt zoveel mogelijk beperkt door het toevoegen van groen en het ten zeerste beperken van extra verharding op het erf. Voor de woning geldt dat deze goed geïsoleerd wordt conform de huidige normen, hierdoor zijn woningen minder gevoelig voor opwarming. Daarnaast is er in de omgeving van de planlocatie geen sprake van oppervlaktewater dat door opwarming risico’s voor de volksgezondheid opleveren. • Droogte: Uit de kaartbeelden behorende bij droogte blijkt dat het risico op droogte ter plaatse zeer laag is. De grondwaterstand zal slechts beperkt dalen, waardoor de planlocatie als beperkt droogtegevoelig kan worden beschouwd. Door de toevoeging van groen, waaronder bomen en struiken, blijft het hemelwater langer in het gebied aanwezig en kan het beter infiltreren in de bodem. In de directe omgeving van de planlocatie komen geen droogvallende beken of waterpartijen voor. De planlocatie ligt bovendien niet in een gebied met verhoogde kans op natuurbranden bij langdurige droogte. • Overstroming: Uit de kaartbeelden blijkt dat er geen overstromingskans bestaat ter plaatse van de planlocatie. Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022-2026. GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
119
3.4.8 Welstand 3.4.8.1 Algemeen Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, hierin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is een welstandstype gekoppeld. In de toetsing wordt nader ingegaan op het welstandstype ter plaatse. 3.4.8.2
Toetsing van het initiatief aan de Welstand
De planlocatie ligt in het welstandsniveau 2 in het gebiedstype Buitengebied. Het landschap overheerst het beeld van het buitengebied van de gemeente Oude IJsselstreek. Bebouwing in het buitengebied heeft een historische en/of actuele relatie met de functie van het landschap. Bebouwing in het buitengebied is geclusterd op kleinere en grotere bouwpercelen, die verspreid in het landschap voorkomen. Per bouwperceel zijn meerdere gebouwen gegroepeerd op een erf. Bebouwing en erfinrichting vormen met elkaar een samenhangend beeld. De welstandsbeoordeling richt zich op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. De uitgangspunten van het welstandsbeleid zijn meegenomen bij de erfinpassing. Bij de uiteindelijk in te dienen bouwaanvraag zal de commissie ruimtelijke kwaliteit worden geraadpleegd
GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
120
Hoofdstuk 4: Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden de omgevingsaspecten besproken. Het is per plan afhankelijk welke omgevingsaspecten en onderzoeken relevant zijn.
4.1
Bodem
4.1.1 Wettelijk kader In de Memorie van Toelichting bij de Aanvullingswet bodem Omgevingswet wordt beschreven dat de algemene doelstelling van het bodembeleid is; het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door de maatregelen van het in onderlinge samenhang: • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen. • Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteit van de bodem. • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. Via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is de algemene doelstelling van het bodembeleid opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende AMvB’s. In paragraaf 5.1.4.5. Bodemkwaliteit van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over: • Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie • Nazorg • Aanwijzing bodembeheergebieden • Indeling landbodem en bodemfunctieklassen Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl). Tot het moment waarop de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5.
Bodemkwaliteit van het Bkl zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de artikelen 22.29 lid 1 sub c en 22.30 uit het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek. Dit zijn de regels uit de bruidsschat. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen wordt verleend als de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden, of bij overschrijding, aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA.
Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 4.1.2 Situatie planlocatie In voorliggend geval wordt een woning gerealiseerd. Wonen wordt gezien als een bodemgevoelige functie. Er is GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
121
daarom op 27 januari 2025 door Sigma Geo- & Milieutechniek een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De belangrijkste resultaten worden hieronder opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 2. Resultaten verkennend milieukundig bodemonderzoek In de bovengrond zijn plaatselijk enkele stoffen verhoogd gemeten in gehalten die voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. In de ondergrond zijn enkele stoffen gemeten die voldoen aan de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen. Het grondwater bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de streefwaarde en/of detectiewaarde. De gemeten gehalten geven geen aanleiding tot het instellen van nader onderzoek. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geldt, ten aanzien van de milieuhygiënisch kwaliteit van de bodem geen belemmering voor het beoogde gebruik van de onderzoekslocatie. 4.1.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.2
Archeologie & Cultuurhistorie
4.2.1 Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.2.2 Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. De gemeente Oude IJsselstreek heeft de archeologische verwachtingswaarden geborgd in het omgevingsplan via het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’.
De planlocatie is hierin niet voorzien van een archeologische verwachtingswaarde. Daarnaast blijkt uit de Archeologische Monumentenkaart (AMK) dat de planlocatie in een gebied ligt met lage archeologische verwachting. Op grond hiervan is verder onderzoek niet nodig. Indien tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 5.130 lid 2 uit het Bkl een zorgplicht. 4.2.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 5.130 van het Bkl. In of in de directe nabijheid van het projectgebied bevinden zich, op basis van de Atlas Leefomgeving, geen rijksdanwel gemeentelijke monumenten die kunnen worden aangetast als gevolg van het voornemen. 4.2.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.
GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
122
4.3
Natuur
4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Houtopstanden Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Omgevingswet als bepaald in artikel 11.111 van het Bal. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. Op basis van dit artikel kan tevens een herplantplicht gelden.
• De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000 m²); • De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. 4.3.2 Situatie planlocatie Natura 2000-gebieden De planlocatie bevindt zich op circa 14,5 klimeter van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’. Gelet op de ruime afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Gelet op de ruime afstand in combinatie met de zeer kleinschalige activiteiten, kan tevens worden gesteld dat er geen sprake zal zijn van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het plan betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. Natuurnetwerk Nederland Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) hoort, bevindt zich op 825 meter van de planlocatie. Gelet op deze afstand en de aarde en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Houtopstanden Op de planlocatie worden geen houtopstanden, die voldoen aan de criteria uit artikel 11.111 Bal, negatief beïnvloed.
4.3.3 Soortenbescherming Wettelijk kader soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
323
• er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 4.3.4 Situatie planlocatie De beoogde activiteiten kunnen mogelijk schadelijke effecten hebben op aanwezige flora en fauna. Er is daarom op 5 december 2024 door Ecofect een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De belangrijkste resultaten worden hieronder weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3. Flora Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vogels Mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Nader onderzoek huismus wordt noodzakelijk geacht. Vleermuizen Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Zoogdieren Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Overige soorten Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat er mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet plaatsvinden en er nader onderzoek naar de huismus nodig is. Dit nader onderzoek huismus is uitgevoerd op 14 januari 2025. De belangrijkste bevindingen worden hieronder weergegeven.
Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 4. Uit het nader onderzoek huismus is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet zijn. Bij het uitvoeren van het veldbezoek is vastgesteld dat er geen nesten aanwezig zijn. Er zijn geen waarnemingen gedaan van nest- en verblijfplaatsen. Gelet op de uitkomsten van het nader onderzoek huismus is geen vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet noodzakelijk. Er is geen sprake van schadelijke handelingen flora en fauna activiteit Omgevingswet.
4.4
Geluid
4.4.1 Wettelijk kader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 van het Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid.
4.4.2 Situatie planlocatie In voorliggend geval wordt één woning met bijgebouw gerealiseerd. Een woning wordt aangemerkt als geluidgevoelig gebouw. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Geluid door wegen en spoorwegen De geluidsaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
324
zijn berekend gelden de volgende afstanden: • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. De planlocatie ligt in het geluidaandachtsgebied van een aantal gemeentewegen. Er is daarom door BJZ.nu een akoestisch onderzoek geluid door wegen uitgevoerd. De planlocatie ligt niet in een geluidaandachtsgebied van een spoorweg, onderzoek naar geluid door spoorwegen is daarom niet nodig. Hieronder worden de belangrijkste resultaten van het akoestisch onderzoek geluid door wegen weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 5. Het geluid door de gemeentewegen bedraagt hoogstens 47 dB Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl van 53 dB Lden. Ter plaatse van de woning is tevens sprake van één of meerdere geluidsluwe gevels, waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning.
Geluid door industrieterreinen De planlocatie ligt niet in het geluidaandachtsgebied van een gezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar het geluid door industrieterreinen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Geluid door overige geluidbelastende activiteiten Om eventuele hinder van overige geluidbelastende activiteiten te beoordelen, wordt gebruik gemaakt van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds.’ Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In 2024 is er een nieuwe handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ uitgebracht. De nieuwe handreiking is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan. De handreiking biedt handvatten om op grond van het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid- en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken.
Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009. Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Gezien de ligging van de planlocatie in het buitengebied van de gemeente Oude IJsselstreek en het overwegend aanwezig zijn van woonfuncties in de omgeving wordt aangesloten bij de richtafstanden behorende bij ‘rustige woonwijk’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen. Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
In de omgeving van de planlocatie liggen overwegend woonfuncties. Binnen een straal van 300 meter rondom de planlocaties zijn geen (agrarische) bedrijfspercelen aanwezig. Op circa 340 meter ten noorden van de planlocatie ligt een agrarisch bedrijfsperceel. Voor agrarische bedrijven geldt een grootste richtafstand voor geluid van 50 meter. Gezien de afstand tot de planlocatie wordt er ruimschoots voldaan aan de minimale richtafstand. Gezien de grote afstand tot andere bedrijfspercelen wordt gesteld dat voor deze functies ook wordt voldaan aan de minimale richtafstand. GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
325
4.4.3 Conclusie De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. 4.5.2 Situatie planlocatie Conform artikel 5.54 sub b van het Bkl valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: • • •
Één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of Twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; Kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Gelet op de aarde en omvang van deze gevallen, is er in dit geval zonder meer sprake van een plan dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.5.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.6
Geur
4.6.1 Wettelijk kader Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten. 4.6.2 Situatie planlocatie In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich meerdere veehouderijen: • • • •
Schilderinklaan 2a: akkerbouw/ paardenhouderij op circa 300 meter; Terborgseweg 21: akkerbouw op circa 430 meter; Scholtenweg 1: paardenhouderij op circa 650 meter; Masselinklaan 2: akkerbouw op circa 620 meter.
Binnen een straal van 1 kilometer liggen geen veehouderijen waar landbouwhuisdieren worden gehouden met een geuremissiefactor. De bovengenoemde veehouderijen houden dieren met een vaste afstandswaarde van 50 meter in GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
326
het buitengebied. Zoals te zien in de opsomming wordt ruimschoots voldaan aan de vaste aftand tot de planlocatie. Daarnaast bevinden zich in de nabijheid geen andere bedrijven waar een geuremissiefactor geldt. 4.6.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.7
Milieubelastende activiteiten
4.7.1 Wettelijk kader Onder de Omgevingswet verdwijnt het begrip ‘inrichting’ en doet het begrip ‘milieubelastende activiteit’ zijn intrede. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip want er vallen namelijk ook niet- bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder. In deze paragraaf worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan is opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’.
Uit de Nota van Toelichting van het Bkl blijkt dat daarmee mba’s worden bedoeld. 4.7.2 Situatie planlocatie In voorliggend geval is enkel sprake van de realisatie van één woning met bijgebouw. Bij deze woning wordt net als bij elders binnen de gemeente de uitoefening van een beroep aan huis toegestaan. Daarnaast kan via een omgevingsvergunning aan huis verbonden bedrijven en een bed & breakfast worden mogelijk gemaakt. Het gaat daarbij om milieubelastende activiteiten met een beperkt ruimtebeslag en een beperkte milieubelasting, die in zijn algemeenheid aanvaardbaar zijn te achten binnen een woonomgeving. Voor bepaalde beroepen en bedrijven aan huis zijn regels opgesteld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor andere beroepen en bedrijven aan huis zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels van rechtswege opgenomen. Die regels blijven gelden naast het voorliggende omgevingsplan voor deze locatie.
4.8
Omgevingsveiligheid
4.8.1 Wettelijk kader Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
327
aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 4.8.2 Niet gesprongen explosieven (NGE) De locatie is geïnventariseerd op basis van de bommenkaart, van explosieven opsporing. Ter plaatse van de planlocatie zijn er geen niet gesprongen explosieven te verwachten. 4.8.3 Situatie planlocatie Op basis van de Atlas Leefomgeving kaart over externe veiligheid is ter plaatse van de planlocatie geïnventariseerd of de locatie valt binnen een risicoaandachtsgebied. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de kaart weergegeven.
Afbeelding 4.1
Uitsnede risicokaart Atlas Leefomgeving (bron: Atlas Leefomgeving)
Zoals blijkt uit de inventarisatie ligt de planlocatie niet binnen de aandachtsgebieden van een risicobron. Tevens maakt het voornemen geen risicovolle activiteit mogelijk. 4.8.4 Conclusie Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
4.9
Water
4.9.1 Wettelijk kader Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
328
Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Waterschap Rijn en IJssel
Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s.
Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren. Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid.
Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
Waterschap Rijn en IJssel: Waterschapsverordening In de Waterschapsverordening staan regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Zo staan er bijvoorbeeld regels in over water onttrekken, water lozen en andere activiteiten. Deze regels gelden voor iedereen. Soms is niet alleen de beek of dijk zelf beschermd, maar ook een strook grond er langs. Ook deze zones staan aangegeven in de Waterschapsverordening. Per 1 januari 2024 zijn ook sommige rijksregels over lozingen vervallen. Deze regels van het rijk zijn nu in de Waterschapsverordening opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen op een oppervlaktewater van een waterschap of zuiveringtechnisch werk van een GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
329
waterschap.
Waterschap Rijn en IJssel: weging waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. 40 Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 3.
Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding.
Gemeente: Water- en Rioleringsprogramma 2024-2028 In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gemeenten verplicht een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op 1 januari 2024, vervalt de verplichting voor het opstellen van een GRP. Wel blijven gemeenten verplicht invulling te geven aan hun gemeentelijke watertaken en het onderbouwen van de benodigde rioolheffing. Om aan deze verplichting te voldoen, heeft de gemeente Oude IJsselstreek ervoor gekozen om een Water- en Rioleringsprogramma (WRP) op te stellen. Dit programma beschrijft hoe de gemeente omgaat met haar wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast bevat dit programma: 1. een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater en het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn; 2. een overzicht van de aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder 1; 3. een overzicht van de financiële gevolgen van het programma; 4. een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen worden of zullen worden beheerd; de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen en van de in het plan aangekondigde activiteiten.
4.9.2 Situatie planlocatie Het initiatief voorziet in de realisatie van een vrijstaande woning en bijgebouw. Het waterschap Rijn en IJssel is op de hoogte gesteld van het initiatief door het uitvoeren van de digitale watertoets. Uit de watertoets blijkt dat er een normale procedure geldt. De toetsing is opgenomen in bijlage 6. Hieronder wordt verder ingegaan op de belangrijkste punten. Voor dit plan is via hetwateradvies.nl een check gedaan op de waterbelangen. Hiervan is het resultaat dat er geen waterbelang is. Het plan heeft geen invloed op de waterhuishouding en/ of de afvalwaterketen en er is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het waterschap Rijn en IJssel heeft dan ook geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling en geeft een positief wateradvies. Toename verhard oppervlak In de huidige situatie is het perceel vrijwel geheel onbebouwd, met uitzondering van de bestaande veldschuur van circa 78 m². Met de ontwikkeling wordt een nieuwe woning en een bijgebouw toegevoegd, waardoor het totale verharde oppervlak uitkomt op ongeveer 450 m². Dit betekent een toename van circa 372 m². Deze toename is toe te schrijven aan de nieuwbouw. De uitbreiding van het verharde oppervlak is beperkt in verhouding tot de omvang van het perceel en blijft onder de grens van 500 m² waarbij aanvullende hemelwatercompensatie verplicht is.
De bebouwing wordt compact op het erf geconcentreerd, zo blijft het overgrote deel van het erf onverhard en groen ingericht. Hierdoor wordt de waterafvoer niet onnodig versneld, blijft infiltratie van regenwater mogelijk en wordt het landschappelijk karakter van het erf behouden. Hemelwater Het afstromend hemelwater van de bebouwing en verharding wordt niet aangesloten op het gemengd riool, maar lokaal verwerkt door infiltratie in de bodem. Op het erf wordt gezorgd voor voldoende doorlatende zones en infiltratiemogelijkheden, zodat regenwater zoveel mogelijk ter plaatse wordt vastgehouden en geïnfiltreerd. Er is geen sprake van lozing op oppervlaktewater, direct of indirect via een hemelwaterriool. Omdat de toename van het verhard oppervlak minder dan 500 m² bedraagt, is hemelwatercompensatie conform het uitgangspunt van 55 mm per m² niet GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
330
verplicht. Desondanks wordt er ingezet op klimaatadaptief erfbeheer door hemelwaterafvoer bovengronds af te handelen, waardoor piekafvoeren naar het riool of oppervlaktewater worden voorkomen. Afvalwater Door de realisatie van de nieuwe woning neemt de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater toe. Dit afvalwater wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool in de Smoddedijk. De afvoer vindt plaats conform de gemeentelijke aansluitvoorwaarden, zodat geen belasting ontstaat voor het oppervlaktewatersysteem. 4.9.3 Conclusie Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
4.10 Mobiliteit en parkeren Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie, bereikbaarheid en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen, wat het effect is op de bereikbaarheid en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Daarbij moet worden getoetst aan de meest recente inzichten, zoals vastgelegd in de op 5 maart 2024 vastgestelde Nota parkeernormen Oude IJsselstreek. Daarnaast wordt aangesloten bij de uitgave van het CROW ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ aangezien dit de meest recente publicatie van het CROW betreft. 4.10.1 Mobiliteit Door de komst van de nieuwe woning zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • verstedelijkingsgraad: Weinig stedelijk; • stedelijke zone: Buitengebied. Verder wordt aangesloten bij de functie ‘Koop, huis, vrijstaand’ en wordt de maximale norm aangehouden. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied wordt uitgegaan van maximaal 8,6 auto’s per etmaal per woning. Ontsluiting van de planlocatie vindt plaats op de Smoddedijk. De Smoddedijk beschikt over voldoende capaciteit om de kleine toename aan verkeersbewegingen te kunnen verwerken.
4.10.2 Parkeren Op basis van de ‘Nota parkeernormen Oude IJsselstreek’ kan het gemiddelde van de minimum en maximum norm uit de CROW-parkeernormen worden gehanteerd. Op basis van de bovengenoemde parkeernormen geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaats per vrijstaande woning (exclusief bezoekersparkeren). Inclusief bezoekersparkeren komt de parkeerbehoefte op 2,4, dus afgerond, 3 parkeerplaatsen. Gezien de omvang van de planlocatie wordt gesteld dat er voldoende is voor de benodigde parkeerplekken. 4.10.3 Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met mobiliteit en parkeren. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.12 Kabels en leidingen In het kader van het plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (bijv. hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat, dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.12 Situatie planlocatie Aardgastransportleidingen In de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering.
Watertransportleidingen In de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
331
Straalverbindingen In de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van de planlocatie worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd. Conclusie In en nabij de planlocatie van dit plan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
4.13 Milieueffectrapportage 4.13.1 Wettelijk kader Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • In kolom 1 staan de projecten opgesomd; • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om • besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow).
Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. 4.13.2 Situatie planlocatie In voorliggend geval gaat het enkel om het toevoegen van één woning met bijgebouw. Het perceel zal tevens landschappelijk worden ingepast. Gelet op de aard een omvang van deze ontwikkeling kan er niet worden gesteld dat er sprake is van een ontwikkeling waarbij significante negatieve effecten op het milieu zullen optreden. Bij de beoordeling aan de relevante milieuaspecten is dat in deze ruimtelijke motivering ook gebleken. 4.13.3 Conclusie Gelet op de beoordeling van bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
332
4.14 Gezondheid 4.14.1 Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 4.14.2 Situatie planlocatie In de voorgaande paragrafen zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit deze paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Op agrarische percelen kan gebruik worden gemaakt van bestrijdingsmiddelen.
Op basis van jurisprudentie is 50 meter een voldoende grote afstand voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In sommige gevallen kan gemotiveerd worden afgeweken van deze afstand. Daarbij moet ook worden gemotiveerd dat de eigenaar van het agrarisch perceel niet wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering. De woonfunctie grenst aan de oost- en zuidzijde aan agrarische gronden. De agrarische gronden aan de oostzijde zijn ook in het bezit van de initiatiefnemer en worden binnen dit plan meegenomen in de landschappelijke inpassing. Daarnaast is in de regels behorende bij dit plan opgenomen dat op deze gronden geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt mogen worden. Spuitzonering is aan deze zijde dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de zuidzijde van de planlocatie grenst de woonfunctie ook aan agrarische gronden, echter gaat dit om een relatief klein agrarisch perceel gelegen tussen meerdere woningen. Gezien de ruimtelijke vorm en omvang van het perceel wordt de kans zeer klein geacht dat dit perceel wordt gebruikt om gewassen te telen. Daarnaast is het perceel slecht ontsloten voor grootschalig agrarisch gebruik. Ook speelt mee dat het economische rendement van landbouwactiviteiten op zo'n klein perceel zeer beperkt is, waardoor de inzet van chemische middelen onaannemelijk is.
Gezien het bovenstaande wordt ten aanzien van spuitzones geconcludeerd dat ter plaatse van de planlocatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Zoals in vorige supparagraaf is beschreven is ook positieve gezondheid belangrijk. Met dit plan wordt één nieuwe woning met bijgebouw gerealiseerd. Woningen hebben geen schadelijke functie voor de gezondheid van omwonenden. Daarnaast wordt het perceel landschappelijk ingepast en natuur toegevoegd, dit draagt op een positieve manier bij aan de gezondheid van omwonenden. Er wordt daarom geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
GEMEENTE OUDE IJSSELSTREEK
40
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet In dit hoofdstuk worden de onderdelen van het omgevingsplan (motivering, regels, verbeelding) nader beschreven. Ook wordt ingegaan op de toegedeelde functies.
Paragraaf 5.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de planlocatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggende omgevingsplanwijziging: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Paragraaf 5.2 Toedelen van functies aan locaties 5.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3 is aangegeven, betreft het hier een TAM-omgevingsplan. Het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels; • Functieregels en gebiedsaanwijzingen; • Algemene regels aan activiteiten; • Overgangsrechtbepalingen. Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de in dit omgevingsplan opgenomen functies. Agrarisch met waarden (artikel 4) De functie ‘Agrarisch’ is van toepassing op het meest oostelijke deel van de planlocatie. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bedoeld voor onder andere agrarische doeleinden. Ten aanzien van de regels is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’. Wonen (artikel 5) De functie ‘Wonen’ is van toepassing op het grootste deel van de planlocatie. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bedoeld voor wonen. Ten aanzien van de regels is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’.