TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel_vastgesteld_motivering.pdf
Tekst van het document
Dit artikel luidt als volgt: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.” Het gaat dan bijvoorbeeld om archeologische vondsten, oud muurwerk, een beerput of een waterput. Ook wordt geadviseerd om de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oude IJsselstreek in voorkomend geval hierover direct te informeren. Cultuurhistorie De bestaande bebouwing aan de Over de IJssel 3-3a te Ulft betreft een woonboerderij die gebouwd is in het jaar 1900. Deze grote boerderij met 2 intern verbonden wooneenheden heeft geen specifieke cultuurhistorische kenmerken, zodat dit pand geen monumentale status heeft. De overige bebouwing, welke deels aan de overzijde van de weg gelegen is, zijn reguliere agrarische bedrijfsgebouwen en kapschuren van zowel steens metselwerk en hout uit de jaren zestig tot en met tachtig van de vorige eeuw. Het plangebied is gelegen in het rivierweidelandschap. Ten noorden en westen van de planlocatie bevinden zich gronden van Landgoed Wisch. De omgeving bestaat uit een lappendeken van bos, akkers en weiden, grote groen- en waterstructuren en restanten van kasteel Schuilenburg.
Het gebied is van een grote schoonheid en wordt deels begrensd door natuurlijke grenzen zoals de Oude IJssel in het zuiden en de rivierduinen van de Paasberg in het noorden. Er stroomt een fijnmazig watersysteem van haarvaten van de Oude IJssel door het gebied.
32
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
Figuur 8: Het plangebied en zijn omgeving op diverse topografische kaarten van 1850, 1900, 1950 en 2025 (bron: topotijdreis.nl) Op bovenstaande uitsnedes van topografische kaarten in figuur 8 is kasteel Schuilenburg met de Soerstrang/Soerstrank ten noordwesten van het plangebied goed herkenbaar. Ook is te zien dat het landschap in en rond het plangebied in de afgelopen decennia verdicht is als gevolg van de aanleg van landschappelijke beplanting, met name rond het voormalige kasteel. Zoals zichtbaar op historische topografische kaarten, was het plangebied en de omgeving anno 1900 onbebouwd en vrij van opgaande beplanting. Doordat de kernen Silvolde en Ulft in de loop van de tijd naar elkaar toegegroeid zijn, oogt het landschap stedelijker en rommeliger. Dit heeft te maken met de aanwezigheid van grote infrastructuur zoals de N317, de grote elektriciteitsmasten en het transformatorstation. Het landschap daartussen behoort vanuit cultuurhistorisch oogpunt vrij van opgaande beplanting te zijn en is nu nog relatief leeg. Dit zorgt echter voor het grootschalig en stedelijke beeld, wat in dit tussenliggende landschapspark onwenselijk wordt geacht. De visie voor het 'Landschapspark Oude IJssel' om opgaande landschapselementen aan te brengen, is cultuurhistorisch gezien niet geheel kloppend maar wel begrijpelijk.
Het ontwikkelen van brede rietoevers en natuurlijke oevers en het aanbrengen van beplanting passend bij het rivierenlandschap is cultuurhistorisch juist wel passend. Dit sluit aan bij het vergroten van de ecologische waarde van het fijnmazige watersysteem, zoals door het waterschap en de provincie gewenst. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van dit initiatief.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
33
4.3
Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Ter bescherming van de natuur zijn in de Omgevingswet alsmede in de AMvB's Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de voorheen van toepassing zijnde Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden en het Gelders Natuur Netwerk (GNN), regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Om te beoordelen of de activiteit voldoet aan de regels ter bescherming van de natuur is een 'QuickScan natuurwaardenonderzoek Over de IJssel 3 – Ulft' door Natuurbank Overijssel uitgevoerd. Het plangebied is op 5 augustus 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, rust- en voortplantingslocaties.
Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk.Het rapport d.d. 18 augustus 2025 is als Bijlage 3 bijgevoegd. De samenvattende conclusies worden onderstaand weergegeven. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen of optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels, en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rust- en/of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied voor reptielen. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in het plangebied. In het plangebied nestelen mogelijk de categorie 2 soorten boomkruiper, bonte vliegenvanger en grauwe vliegenvanger. Door de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een nestplaats van deze soorten negatief beïnvloed. Voor categorie 2 soorten geldt dat deze beschermd zijn, tenzij is aangetoond dat er voor de betreffende soort voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen. Voor bovenstaande soorten blijft het plangebied ook na de ruimtelijke ingreep een geschikt leefgebied, er is geen negatieve invloed op de regionale populatie.
34
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
Door het aanleggen van de nieuwe toegangswegen, het aanplanten van nieuwe beplanting en het bouwen van de nieuwe woningen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels wordt door de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet nest uit te sluiten.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van de voortplantingsplaats en/of rustplaats'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de (winter)rustplaats negatief beïnvloed wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Stikstofdepositie Op grond van de wetgeving met betrekking tot natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd, indien instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
35
In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie- en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. De planlocatie aan de Over de IJssel te Ulft is globaal op een vergelijkbare afstand van ca. 17 km tot de dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebieden (Korenburgerveen en Rijntakken nabij Lobith) gelegen als de planontwikkeling van het bestemmingsplan 'Woongebied Rivierduinen, vml. Buizenfabriek Silvolde' (NL.IMRO.1509.BP000166-VA01) gelegen. Deze herontwikkeling van een buizenfabriek naar 68 woningen en bijbehorende inrichting is een aanzienlijk grotere ontwikkeling dan voorliggend planinitiatief met de bouw van 3 woningen en de inrichtingsmaatregelen (zoals de aanleg van de wadi en aanplant bomen en bosplantsoen). Beide planlocaties zijn slechts op circa 1,2 kilometer afstand van elkaar gelegen.
Bij de voor die grootschalige planvorming uitgevoerde Aerius-berekeningen in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar berekend. Daarmee wordt geconcludeerd dat in dat geval geen negatieve effecten te verwachten zijn op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de zowel de aanleg- als gebruiksfase van het plan. Gezien de veel kleinere omvang van de planontwikkeling aan de Over de IJssel kunnen significant negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Tevens wordt opgemerkt dat effecten op Natura 2000-gebieden in Duitsland zijn uit te sluiten. In Duitsland geldt een ander toetsingskader waardoor een hogere stikstofdepositie is toegestaan (7,14 mol/ha/jaar). Grenzend aan de Nederlands-Duitse grens nabij Netterden ligt op circa 6,5 km vanaf het plangebied het Natura 2000 gebied Hetter-Millinger bruch mit Erweiterung gelegen. Gezien de berekende stikstofdepositie op de natuurgebieden in Nederland, in combinatie met de afstand tot het Duitse natuurgebied, is het niet aannemelijk dat dergelijke hoge deposities worden verwacht op de natuurgebieden in Duitsland. Conclusies natuur Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.
Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN/Go (geen externe werking). Met betrekking tot de toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten is geen nader onderzoek nodig. Ook is er geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit benodigd. Wel dienen de volgende aanbevelingen opgevolgd te worden: Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren; Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken). Mits rekening wordt gehouden met deze aanbevelingen ten aanzien van het beschermen van flora en fauna, is er met deze planontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
36
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
4.4
Geluid
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. De omgevingswet kent een stelsel van normen om geluidhinder te voorkomen door wegverkeer, railverkeer en industrieterreinen met een GPP (geluidproductieplafond). De waarde van het geluid mag bij nieuwe ontwikkelingen op geluidgevoelige gebouwen in principe niet meer bedragen dan de standaardwaarde. Voldoen aan de standaardwaarde leidt tot een voldoende kwaliteit voor de leefomgeving. Indien de waarde van het geluid net voldoet aan de standaardwaarde dan kan onder voorwaarden een hogere waarde van het geluid toch worden toegelaten. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. Aangezien het plangebied niet gelegen is binnen een geluidaandachtsgebied van een spoorweg en/of in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein is gelegen, hoeft alleen aandacht besteed te worden aan het aspect wegverkeerslawaai.
Adviesburo Van der Boom heeft een onderzoek ingesteld naar de waarde van het geluid door wegverkeer op een landgoed aan de Over de IJssel te Ulft, waarbij de ontwikkeling bestaat uit het realiseren van 3 extra woningen. Het rapport d.d. 10 april 2025 is bijgevoegd in Bijlage 4. De conclusies worden hieronder samengevat weergegeven. De ontwikkeling ligt buiten de bebouwde kom van Ulft, binnen het geluidaandachtsgebied van de provinciale weg N317. De hoogste waarde van het geluid door wegverkeer op de provinciale weg bedraagt 50 dB. Er wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB voor provinciale wegen. De waarde van het gezamenlijk geluid door wegverkeer bedraagt ten hoogste 50 dB. De waarde van het gezamenlijk geluid wordt geheel veroorzaakt door de provinciale weg. De waarde van het geluid door de provinciale weg voldoet aan de standaardwaarde van 50 dB. Er zal, voor wat betreft het aspect geluid, sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de gevels van de woningen, met een waarde van het gezamenlijk geluid van ten hoogste 50 dB, bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bbl. Voor de gevels van de ontwikkeling zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig, aangezien de binnenwaarde maximaal 30dB bedraagt en dus lager is dan de maximale binnenwaarde van 30 dB.
De Omgevingsdienst Achterhoek heeft op 12 juni 2025 het Akoestisch onderzoeksrapport beoordeeld en akkoord bevonden. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend initiatief.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
37
4.5
Luchtkwaliteit
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 5. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 6. het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 7. het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft.
Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Binnen de projectlocatie wordt 3 woningen gerealiseerd. Eén van de 'standaardgevallen NIBM' volgens artikel 5.54 Bkl is het toevoegen van hoogste 1.500 woningen met één ontsluitingsweg.
Voorliggend plan valt ruimschoots binnen deze getalsmatige grens, zodat de kwaliteit van de buitenlucht niet in betekenende mate wordt beïnvloed door dit initiatief. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om de nieuwe woningen te realiseren. De luchtkwaliteit wordt met name bepaald door enkele maatgevende stoffen veroorzaakt door het wegverkeer. In de ruimtelijke ordeningspraktijk zijn daarom vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) langs wegen van belang. De Europese grenswaarden van stikstofdioxide bedraagt als jaargemiddelde concentratie maximaal 40 µg NO2/m3 en van fijn stof 40 µg PM10/m3 respectievelijk 25 µg PM2,5/m3, waarbij dit laatste maximaal 35 keer per jaar met meer dan 50 µg PM2,5/m3 overschreden mag worden. Uit de kaartgegevens van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (www.cimlk.nl, monitoringsronde 2024 en monitoringsjaar 2023) blijkt voor een meetpunt langs de
38
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
Slingerparallel/N317 in de directe nabijheid van de locatie voor de 3 te bouwen woningen dat de jaargemiddelde totale concentraties stikstofdioxide NO2 10,99 µg/m³, fijn stof PM10 16,33 µg/m³ (met 6 overschrijdingsdagen per jaar) en fijn stof PM2,5 9,54 µg/m³ bedroegen. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.6
Geur
De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek, welke gelden voor de volgende activiteiten: geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf; geur door het houden van fokteven van nertsen; geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval; geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. Bij Landgoed Over de IJssel wordt naast natuurontwikkeling een woonerf met 3 woningen en dus 3 geurgevoelige gebouwen beoogd. In de directe nabijheid bevinden zich geen intensieve veehouderijbedrijven.
Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is op meer dan 500 m afstand van de te realiseren woningen gelegen aan de Over de IJssel 2a te Ulft aansluitend aan de kern van Silvolde. Dit betreft volgens het bestemmingsplan 'Buitengebied Oude IJsselstreek 2017' een productiegerichte paardenhouderij, maar sinds enkele jaren is hier een camperverhuurbedrijf gevestigd. Er zijn dus geen bedrijven met geuremissienormen per diersoort in de nabijheid van het plangebied gelegen. Ook andersoortige agrarische bedrijven, waarvoor geen geuremissienormen maar een vaste minimumafstand van 50 of 100 m geldt, zijn niet in de nabijheid gelegen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het agrarisch gebruik van omliggende gronden niet beperkt kan worden door de aanwezigheid van de woningen. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit planinitiatief.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
39
4.7
Milieubelastende activiteiten
Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf dient onderzocht te worden of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt en zo ja, wat dit betekent voor de omgevingskwaliteit. Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Met de woonactiviteiten op de planlocatie worden geen nieuwe milieubelastende activiteiten toegevoegd. De instructieregels in het Bkl zijn immers niet van toepassing op het wonen. Met de 3 nieuwe woongebouwen worden nieuwe gevoelige gebouwen toegevoegd, wat voor omliggende bedrijven met milieubelastende activiteiten tot beperkingen zou kunnen leiden.
Op het nabijgelegen en zuidelijk van de planlocatie gelegen bedrijventerrein De Rieze mogen bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 zich vestigen, waarvoor een indicatieve richtafstand van 100 m geldt volgens de tabel 1 van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Dit betekent dat rekening gehouden moet worden met een te verwachten milieu-invloed van de bedrijven als gevolg van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar tot op 100 m afstand. Binnen deze richtafstand mogen in elk geval geen nieuwe (milieu)gevoelige gebouwen worden gerealiseerd, tenzij op basis van nader onderzoek aangetoond kan worden dat ter plaatse van die te realiseren woning(en) een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Omdat de genoemde richtafstand indicatief is, zou ook bij ontwikkelingen die op een net iets grotere afstand dan de richtafstand gewenst worden, nader onderzoek vereist kunnen worden. Nu de afstand van de nieuw te realiseren woningen tot de bedrijven op De Rieze ca. 350 m bedraagt, wordt ruimschoots aan deze richtafstand voldaan en is nader onderzoek niet nodig. Daarnaast is oostelijk van de planlocatie het transformatorstation aan de Over de IJssel 7 te Ulft gelegen. Dit is een elektriciteitsdistributiebedrijf met een transformatorvermogen van maximaal 300 MVA.
Deze capaciteit is met een bestemmingsplan 'Transformatorstation Ulft' (vastgesteld door de gemeenteraad op 14 december 2023 en onherroepelijk) uitgebreid van 200 naar 300 MVA. Op basis van tabel 1 met de richtafstandenlijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' behoren elektriciteitsdistributiebedrijven met een transformatorvermogen tussen de 200 en 1000 MVA tot milieucategorie 4.2, waarvoor als richtafstand 300 m geldt vanwege het aspect geluid. De afstand van de nieuw te realiseren woningen tot de grens van het bestemmingsvlak/functievlak van dit transformatorstation bedraagt ca. 400 m. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Overigens is met de genoemde bestemmingsplanprocedure een geluidzone rondom het transformatorstation opgenomen, die aanzienlijk minder ver reikt dan de richtafstand. Sowieso zijn andere burgerwoningen tussen zowel bedrijventerrein De Rieze als het transformatorstation en de planlocatie gesitueerd, zodat die woningen maatgevend zijn. Dit betreft zowel de dubbele woning aan de Over de IJssel 2 als de bestaande dubbelbewoonde woning binnen het plangebied aan de Over de IJssel 3-3a.
40
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
Geconcludeerd kan worden dat het toevoegen van de 3 woningen op de gewenste locatie binnen Landgoed Over de IJssel weliswaar gevoelige gebouwen zijn, maar deze zijn niet maatgevend en derhalve niet belemmerd voor omliggende bedrijven met milieubelastende activiteiten. De bedrijven op het bedrijventerrein De Rieze en het transformatorstation aan de Over de IJssel 7 worden niet belemmerd door dit initiatief. Er zijn geen milieubelastende activiteiten die een belemmering vormen voor de uitvoering van dit plan. Ook worden omliggende bedrijven niet gehinderd door de toevoeging van 3 gevoelige gebouwen, zodat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.8
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar.
In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het plangebied kan mogelijk blootgesteld zijn aan bestaande veiligheidsrisico's in de omgeving. Hiervoor is het Register Externe Veiligheid geraadpleegd. Direct ten zuiden van het plangebied zijn een aantal jaar geleden nieuwe bovengrondse gecombineerde 150/380 kV-hoogspanningsverbindingen Doetinchem-Wesel gerealiseerd en in gebruik genomen. Op onderstaande figuur 11 is deze combilijn weergegeven met een roze streep. Volgens het voorzorgsbeleid van het Rijk geldt een advies om de magneetzone te berekenen als binnen de rekenafstand van 85 m aan weerszijden van de leiding plannen bestaan om gevoelige functies toe te voegen.
De nieuw te realiseren woningen liggen op circa 250 m afstand van deze combilijn, zodat ruimschoots buiten de magneetzone wordt gebouwd en er geen extra risico's voor de volksgezondheid ontstaan. De dubbele paarse lijn betreft de loop van de aardgastransportleiding. Met de arcering rondom deze leiding in figuur 11 wordt het brandaandachtsgebied weergegeven. Binnen de groene lijnen is het plaatsgebonden risico weergegeven van 1 op de 100.000.000 (10-8) als de kans per jaar dat een persoon, die altijd aanwezig is op die plaats, overlijdt door een ongeval als gevolg van de gasleiding. De nieuw te realiseren woningen worden buiten deze zones beoogd. Voor de bestaande woning aan bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
41
de Over de IJssel 3-3a is dit een aanvaardbaar risico en al ingecalculeerd. Deze woning is als kwetsbaar gebouw (oranje kleur) aangemerkt. Hier verblijft een beperkt aantal mensen, ook gedurende de nacht, maar deze mensen zijn wel zelfredzaam.
Figuur 11: Uitsnede kaartbeeld 'Veilige omgeving' / Register Externe Veiligheid met de bestaande woning Over de IJssel 3-3a ter plaatse van het open blauwe cirkeltje en de bouwlocatie voor de 3 woningen ter plaatse van de rode cirkel (bron: atlasleefomgeving.nl) Naast bovengenoemde leidingen bevinden zich op bedrijventerrein De Rieze enkele stationaire bronnen, namelijk het aardgasstation en de opslag van propaan. De daarbijbehorende brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en risicocontouren komen niet in de buurt van het plangebied. Brandveiligheid De Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) heeft op 3 juni 2025 geadviseerd over het concept TAM-omgevingsplan voor dit nieuwe landgoed met 3 woningen. Ten aanzien van bereikbaarheid en bluswater zijn enkele opmerkingen geplaatst. Een goede bereikbaarheid is belangrijk voor de hulpdiensten. Niet alleen voor de brandweer, maar ook voor de ambulance die niet alleen snel ter plaatse moet komen, maar ook snel moet kunnen vertrekken met de patiënt. De toegangsweg richting de woningen dient te voldoen aan de uitgangspunten uit de handreiking bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid 2019.
Volgens deze handreiking gelden de volgende minimale eisen: De minimale beschikbare rijstrookbreedte kan variëren per wegkenmerk, maar dient minimaal voor 3,25 meter te worden verhard en een vrije ruimte met een breedte van 3,50 meter. De erftoegangsweg vanaf de weg Over de IJssel naar de 3 woningen toe wordt met een breedte van 4 m uitgevoerd, zoals op de tekening Ontwerp-A0 1-500 ingetekend is. Daarmee wordt aan de minimale breedte voldaan. Ook bluswater is een belangrijk aandachtspunt bij deze ontwikkeling. Volgens de VNOG is de dichtstbijzijnde bluswatervoorziening op circa 750 meter afstand van de nieuw te realiseren 42
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
bebouwing gelgeven. Dit is aanzienlijk verder dan wordt voorgeschreven in de reeds genoemde handreiking. Door de lange en smalle toegangswegen via de weg Over de IJssel en de erftoegangsweg naar de nieuwe woningen maakt dat de brandweer in geval van een calamiteit niet eenvoudig kan pendelen met waterwagens. Het advies is daarom om een bluswatervoorziening op eigen terrein te realiseren. De te realiseren waterpartijen, welke op figuur 5/het inrichtingsplan zijn aangegeven als 'wadi aflopend tot 2 m diep' (nummer 19) en 'afwatering hemelwater nieuwe woningen (nummer 33), zijn tevens aan te merken als bluswatervoorziening. Deze waterpartijen c.q. poelen hebben altijd een minimale inhoud van 1.250 m3 en 500 m3. Dit omdat de GHG-waterstand + NAP 12,65 m bedraagt en de waterpartijen een grotere diepte hebben. Bovendien staan deze poelen in verbinding met elkaar en met de Oude IJssel, waardoor een constant waterpeil wordt gehandhaafd. Volgens de handreiking bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid 2019 moet er 500 l/min beschikbaar zijn voor het blussen van grondgebonden woningen, die gebouwd zijn na 2003. Deze waterhoeveelheden zijn ruimschoots beschikbaar in de nabijheid van de nieuw te bouwen woningen.
Daarnaast wordt het peil bij de nieuw te bouwen woningen circa 70 cm opgehoogd en is het bestaande omliggende terrein in alle gevallen hoger dan + NAP 13,00 m, zodat de poelen ook dienst kunnen doen als hemelwateropvang c.q. wadi. Deze wadi's vallen in geen geval droog, waardoor de benaming in het rapport 'Landgoed Over de IJssel, Beheer- en inrichtingsplan', bijgevoegd als Bijlage 1 bij deze motivering, wellicht wat misleidend is. Er blijft immers altijd sprake van een waterhoudende poel/waterpartij. Deze waterpartijen kunnen in geval van calamiteiten ook dienst doen als bluswatervoorziening op eigen terrein. Tot slot geeft de VNOG nog mee dat de woongebouwen dienen te voldoen aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het is initiatiefnemer bekend dat aan deze voorschriften getoetst zal worden tijdens de vergunningverlening. Met betrekking tot het aspect omgevingsveiligheid voldoet het plangebied aan een goed woon- en leefklimaat.
4.9
Water
Artikel 5.3.7 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregel met betrekking tot: a. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; b. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied, en; c. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer.
Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Het waterschap Rijn en IJssel zorgt voor het water in deze omgeving. Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
43
leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's. Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld.
Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Waterschapsverordening In de Waterschapsverordening staan regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Zo staan er bijvoorbeeld regels in over water onttrekken, water lozen en andere activiteiten. Deze regels gelden voor iedereen. Soms is niet alleen de beek of dijk zelf beschermd, maar ook een strook grond erlangs. Ook deze zones staan aangegeven in de Waterschapsverordening. Per 1 januari 2024 zijn ook sommige rijksregels over lozingen vervallen.
Deze regels van het rijk zijn nu in de Waterschapsverordening opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen op een oppervlaktewater van een waterschap of zuiveringtechnisch werk van een waterschap. Water- en Rioleringsprogramma 2024 -2028 In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gemeenten verplicht een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, 44
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
op 1 januari 2024, vervalt de verplichting voor het opstellen van een GRP. Wel blijven gemeenten verplicht invulling te geven aan hun gemeentelijke watertaken en het onderbouwen van de benodigde rioolheffing. Om aan deze verplichting te voldoen, heeft de gemeente Oude IJsselstreek ervoor gekozen om een Water- en Rioleringsprogramma (WRP) op te stellen. Dit programma beschrijft hoe de gemeente omgaat met haar wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast bevat dit programma: een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater en het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn; een overzicht van de aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder 1; een overzicht van de financiële gevolgen van het programma; een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen worden of zullen worden beheerd; de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen en van de in het plan aangekondigde activiteiten. Weging waterbelang Voor een ruimtelijke ontwikkeling maakt de gemeente in de ruimtelijke procedure een belangenafweging om te bepalen of de ontwikkeling passend is. Hierbij moet ook rekening gehouden worden met het waterbelang, conform Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het waterschap verleent advies over de waterbelangen in het plan.
Dit betekent dat bij een ontwikkeling in de fysieke leefomgeving vroegtijdig overleg met het waterschap belangrijk is, om zicht te krijgen op de waterbelangen die spelen en wat dit betekent voor de ontwikkeling en de borging in het plan. Het overlegproces tussen de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling, het bevoegd gezag ruimtelijke ordening en de waterbeheerder over de borging van de waterbelangen, wordt de weging van het waterbelang genoemd. Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. Het waterschap maakt onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 3. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 4. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 5. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t.
de waterhuishouding. Toetsing wateradvies Voor dit plan is via www.hetwateradvies.nl op 16 mei 2025 een check gedaan op de waterbelangen. In Bijlage 5 is een uitdraai van het resultaat van deze check opgenomen. Op basis van de check is de normale procedure nodig en zijn een drietal adviezen gegeven. Relevante wateraspecten – Adviezen Naar aanleiding van de beantwoorde vragen zijn de volgende adviezen gegeven: 1. advies toename verharding; 2. advies afvalwaterketen; bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
45
3. advies klimaatadaptatie. Op deze adviezen wordt in relatie tot het plangebied onderstaand nader ingegaan. Ad 1: Met dit planinitiatief worden 3 nieuwe woningen en een erftoegangspad naar dit erf binnen het landgoed gerealiseerd. De toename van deze bebouwing en de bijbehorende verhardingen komt globaal geschat op ruim 2.100 m2, maar zekerheidshalve wordt met een extra verharde oppervlakte van 2.500 m2 rekening gehouden. De benodigde waterbergingscompensatie bedraagt in het landelijk gebied 55 mm per m2 verhard oppervlak (bij een bui van T10+10%). Er is dus in totaal maximaal 1.375 m3 berging benodigd. Binnen het plangebied is een GHG-waterpeil van NAP +12,65 m aanwezig. Het huidige peil van het terrein varieert van globaal NAP +13,30 m tot + 13,70 m. Met grond afkomstig uit de te realiseren wadi's wordt het woonerf circa 0,70 m opgehoogd, zodat aldaar geen wateroverlast kan ontstaan. De hemelwaterafvoer van de nieuw te bouwen woningen wordt naar de nabijgelegen wadi geleid. Indien grote waterhoeveelheden in een korte periode opgevangen moeten worden, komt die wadi ook in verbinding met de noordelijk van de middendruk- gasleiding gelegen wadi. De capaciteit van deze wadi's samen wordt geschat op circa 1.200 m3. De vernatting van het plangebied door meer water vast te houden en rietland te ontwikkelen sluit aan bij het beleid en de doelstellingen van het waterschap.
Niettemin blijft er in het omliggende onverharde terrein bestaande uit een natuurlijke inrichting met onder andere bomen, bosplantsoen/struweelsoorten en rietvegetatie nog vele kuubs extra waterberging naast de genoemde wadi's mogelijk. Het hemelwater wat neerkomt op de nieuw aan te leggen erftoegangsweg kan zonder problemen afwateren in de naastgelegen bermen en indien nodig in de natuurweidegronden met kruidenrijk grasland of de wadi naast deze toegangsweg met een bergingscapaciteit van circa 200 m3. Opgemerkt wordt dat het hemelwater nooit rechtstreeks afstroomt naar het oppervlaktewater, maar dit wordt in de bodem geïnfiltreerd of stroomt vanaf het nieuwe woonerf naar de wadi om aldaar langzaam in de bodem in te zijgen. Binnen dit planinitiatief kan een bui van T10+10% ruimschoots geborgen worden. Aan het advies ad 1 wordt voldaan. Ad 2: Het waterschap streeft naar een doelmatige werking van de gehele afvalwaterketen. waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt. Zoals in reactie op het voorgaande advies al aangegeven, wordt het hemelwater geïnfiltreerd in de bodem. Het hemelwater belast het riool en de rest van de afvalwaterketen niet. Het afvalwater van de 3 nieuwe woningen kunnen en zullen op de bestaande rioolput van de woning Over de IJssel 3 en 3a worden aangesloten op het gemeentelijk riool.
De capaciteit van het rioolstelsel/gehele afvalwaterketen is ruimschoots voldoende om te toename van het afvalwater van slechts 3 huishoudens te kunnen opvangen. Ad 3: Het waterschap wil het watersysteem zo inrichten dat het beter bestand is tegen de effecten van de verwachte klimaatverandering, zoals zwaardere buien en langere drogere perioden. In paragraaf 4.15 Duurzaamheid is ingegaan op de klimaataspecten binnen het plangebied. Om eventuele overstromingsrisico's uit te sluiten wordt het nieuwe woonerf circa 70 cm opgehoogd. De aanplant van bosplantsoen, laanbeplanting en solitaire bomen draagt bij aan extra verkoeling op warme dagen. Met de natuurontwikkeling en de vernatting van een deel van de gronden binnen het landgoed wordt bijgedragen aan de gewenste inrichting van het watersysteem. Met dit planinitiatief wordt op goede wijze rekening gehouden met klimaatadaptatie. Deze waterparagraaf is als onderdeel van deze ruimtelijke motivering voorgelegd aan het Waterschap Rijn en IJssel via de knop 'Direct aanvragen'. Het waterschap heeft op 23 mei 2025 gereageerd op
46
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
deze waterparagraaf, waarbij is aangegeven dat de waterparagraaf inhoudelijk prima is uitgewerkt. Tekstueel is de beleidsmatige tekst met betrekking tot de weging van het waterbelang overeenkomstig het tekstvoorstel vanuit het waterschap aangepast. Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
4.10
Mobiliteit en parkeren
Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Daarbij moet worden getoetst aan de meest recente inzichten, zoals vastgelegd in de op 5 maart 2024 vastgestelde Nota parkeernormen Oude IJsselstreek. Voor de verkeersgeneratie kan op basis van de kengetallen van het CROW (publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie') uitgaande van één woning binnen de categorie 'koop, huis, vrijstaand', een niet-stedelijke verstedelijkingsgraad en het gebiedstype 'buitengebied' uitgegaan worden van maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Met dit planinitiatief worden 3 extra woningen gerealiseerd. Dit betekent dat de extra verkeersgeneratie via de doodlopende weg Over de IJssel naar de kern van Silvolde afgerond maximaal 26 verkeersbewegingen per etmaal bedragen. Samen met de bestaande woning bedraagt de verkeersgeneratie afgerond naar boven 35 verkeersbewegingen per etmaal. De intensiteit van het gebruik van deze doodlopende weg is sowieso laag, zodat de weg op zichzelf deze toename gemakkelijk kan verwerken. Wel zullen de bewoners en het bezoek van de te realiseren landgoedwoningen rekening dienen te houden met aanwezige wandelaars en fietsers op deze weg.
Initiatiefnemers en hun kinderen zijn zich hiervan bewust. Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van 'Nota Parkeernormen'. Bij de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van één woning in de categorie 'Koop, huis, vrijstaand' in het 'Buitengebied'. Hiervoor wordt een parkeernorm van gemiddeld 2,4 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. In totaal betekent dit dat er afgerond 8 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden op het nieuwe woonerf. In het inrichtingsplan is zelfs rekening gehouden met 12 parkeerplaatsen. Indien ook de parkeerbehoefte van de bestaande woning wordt meegerekend, bedraagt het aantal te realiseren parkeerplaatsen minimaal 10. Bij het bestaande erf zijn langs de weg 3 parkeerplaatsen ingericht, maar ook aan de overzijde bij de bijgebouwen is nog meer parkeerruimte op eigen terrein. Zoals bij de beschrijving van de toekomstige situatie in paragraaf 2.2 worden de parkeerplaatsen op het nieuwe woonerf voorzien op het gras dan wel hooguit met een halfverharding of grasbetonstenen iets verhard. Er zijn sowieso 15 parkeerplaatsen binnen het plangebied aanwezig. Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit initiatief.
4.11
Trillingen
Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving.
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
47
Volgens het Bkl (artikel 5.80) worden enkel gebouwen met een woonfunctie gezien als trillingsgevoelig gebouw. De 3 nieuw te realiseren woningen binnen het landgoed zijn daarom aan te merken als trillingsgevoelige gebouwen. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorlijnen of andere relevante bronnen voor mogelijke trillinghinder aanwezig. Het initiatief zelf zorgt niet voor het veroorzaken van trillingen. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.12
Kabels en leidingen
In het kader van het plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante kabels en leidingen (bijv. hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. De gecombineerde bovengrondse hoogspanningsleiding is buiten het plangebied gelegen, waarbij de belemmeringenstrook grenst aan het plangebied. Deze hoogspanningsleiding hoeft derhalve niet nader aangeduid te worden in deze wijziging van het omgevingsplan. In het zuidelijke deel van het plangebied bevinden zich een aardgastransportleiding en een magneetveldzone. De vigerende planregels worden overgenomen in voorliggend omgevingsplan. Voor de aanplant van enkele hoogstamfruitbomen ten zuiden van de doodlopende weg Over de IJssel zal een omgevingsvergunning worden aangevraagd, waarbij advies van de Gasunie als leidingbeheerder zal worden gevraagd. Met de exacte positionering van de fruitbomen kan daardoor afwijkend zijn ten opzichte van de op het inrichtingsplan aangegeven locaties. Naast de planologisch relevante leidingen loopt door het plangebied een gasleiding met middeldruk, waarmee een groot deel van Silvolde van gas wordt voorzien. Omdat deze gasleiding ten noorden van de beoogde landgoedwoningen loopt, hebben initiatiefnemers de exacte positie laten inmeten.
In figuur 12 is te zien dat de positionering van de woningen hierop is aangepast, zodat de graafwerkzaamheden ten behoeve van fundering van de noordoostelijke schuurwoning op minimaal 1,5 m uit het hart van deze leiding blijft. Door de ligging van deze leiding komt het symmetrische ontwerp van het klassieke landhuis met beide schuurwoningen toch niet symmetrisch op perceel 3393 te liggen. Door de beplanting van het inrichtingsontwerp zal dit vermoedelijk in het veld niet opvallen. Ook de wadi c.q. de hemelwateropvang afkomstig van de te bouwen woningen wordt door deze gasleiding in twee delen ontworpen, al zijn ze wel bij hogere waterstanden met elkaar verbonden.
48
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
Figuur 12: Concept ontwerptekening met het ingemeten tracé van de middeldruk gasleiding (bron: initiatiefnemers) Met de iets aangepaste situering van het ontwerp van de woningen leveren de aanwezige kabels en leidingen geen belemmeringen op. Door deze minimale aanpassing is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.13
Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)
49
Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.
In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen, zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Voor de natuurontwikkeling is geen categorie aangeduid. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is onderstaand een plan-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Dit initiatief betreft het toevoegen van 3 woningen in het buitengebied, zodat dit een kleine wijziging op een klein gebied op lokaal niveau betreft, waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld. Om deze reden kan sprake zijn van een plan-m.e.r-beoordeling.
Zoals gezegd is deze beoordeling alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. In paragraaf 1.2 Ligging plangebied, en paragraaf 2.1 Huidige situatie is de plaats van het project nader toegelicht. De kenmerken van het project zijn uitgebreid beschreven in paragraaf 2.2 Toekomstige situatie. In dit hoofdstuk, zijnde hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten zijn de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving onderzocht. Uit de beoordeling van deze omgevings- c.q. milieuaspecten is gebleken dat er geen aanzienlijke milieueffecten en geen significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn. Een uitgebreidere plan-m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk. Het aspect m.e.r. beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief.
4.14
Gezondheid
De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zijn in artikel 1.3 van die wet als volgt geformuleerd: Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Met voorliggend planinitiatief voor Landgoed Over de IJssel wordt nieuwe natuur ontwikkeld, wat bedraagt aan de bovengenoemde doelstellingen. Naast de natuurdoelstellingen draagt het initiatief 50
bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan Landgoed Over de IJssel" (vastgesteld)