Motivering_september 2025.pdf
Tekst van het document
Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen.
•
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteit van de bodem.
•
Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
Via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is de algemene doelstelling van het bodembeleid opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende AMvB’s. In paragraaf 5.1.4.5 Bodemkwaliteit van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over: •
Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie
•
Nazorg
•
Aanwijzing bodembeheergebieden
•
Indeling landbodem en bodemfunctieklassen
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl).
24
Tot het moment waarop de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5. Bodemkwaliteit van het Bkl zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de artikelen 22.29 lid 1 sub c en 22.30 uit het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek. Dit zijn de regels uit de bruidsschat. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen wordt verleend als de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden, of bij overschrijding, aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Toetsing In verband met de woningbouwontwikkeling is door Montferland Milieu een vooronderzoek uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit vooronderzoek opgestelde rapport d.d. 26 maart 2025 (zie bijlage 2) kan het volgende worden opgemaakt: •
De lichte minerale olieverontreiniging ter plaatse van de voormalige HBO-tank en de klasse ‘Industrie’ spots dienen nog te worden gesaneerd.
•
Het asfalt is geclassificeerd als niet-teerhoudend.
•
Tijdens de locatie inspectie zijn geen bijzonderheden waargenomen.
•
Derhalve kan worden gesteld dat er geen aanleiding is om een verkennend bodem- en asbestonderzoek
•
conform de NEN5740/NEN5707 uit te voeren op het overig terrein.
•
Uit milieukundig oogpunt is er na het saneren van de minerale olieverontreiniging en de klasse “Industrie’ spots geen bezwaar tegen het voorgenomen gebruik van de gronden.
•
Wanneer toch tijdens eventuele graafwerkzaamheden waarnemingen worden gedaan die op een verontreiniging wijzen, dan moet het werk direct gestopt worden en moet met het bevoegd gezag worden overlegd.
Gezien het bovenstaande zal een plan van aanpak worden opgesteld om de geconstateerde verontreinigingen weg te nemen. Aan dit plan van aanpak zal uiteraard ook uitvoering worden gegeven met het oogmerk om de bodemkwaliteit daarmee geschikt te maken voor de beoogde woonfunctie. Ten aanzien van het aspect bodem zal daarmee sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan, mits de geconstateerde verontreinigingen op de juiste wijze worden gesaneerd.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving moet een afweging plaatsvinden met betrekking tot eventueel op een locatie aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspect archeologie en cultuurhistorie. Wettelijk kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
•
Verplaatsing van beschermde monumenten;
•
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
•
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
•
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
25
De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 het beleidsdocument “Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen-, en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek” vastgesteld, alsmede de erfgoedverordening. De erfgoedverordening maakt momenteel onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Toetsing Uit de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) volgt dat de planlocatie ligt in een gebied met verschillende zones qua archeologische verwachting (zie figuur 6): •
hoge archeologische verwachting in westelijk deel van de planlocatie: geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen kleiner dan 250 m2 en ondieper dan 30 cm;
•
specifieke archeologische verwachting (geulenstelsel dal Oude IJssel) in oostelijk deel van de planlocatie: geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen kleiner dan 5.000 m2 en ondieper dan 30 cm.
Figuur 6: archeologische waardenkaart met planlocatie (rood omkaderd)
Ter plaatse zijn geen beschermde archeologische monumenten aanwezig of een anderszins vanuit cultuurhistorie te beschermen waarde (zoals een Rijksmonument, een gemeentelijk monument of een MIPobject). Gezien de archeologische verwachting is in relatie tot de beoogde ingrepen echter wel archeologisch vooronderzoek nodig. Dat blijkt ook uit de juridische doorvertaling van de archeologische waarden in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’. Daaruit volgen drie zones/dubbelstemmingen met archeologische verwachtingen (zie figuur 7): •
Waarde – Archeologische verwachting 1: indien sprake is van grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 is een archeologisch onderzoek nodig;
•
Waarde – Archeologische verwachting 2: indien sprake is van grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 is een archeologisch onderzoek nodig; 26
•
Waarde – Archeologische verwachting 3: indien sprake is van grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 is een archeologisch onderzoek nodig.
Uit de toetsing van het plan aan de oppervlaktecriteria voor de binnen plangebied gelegen zones met archeologische verwachting 2 en 3 volgt geen noodzaak voor een archeologisch onderzoek. Het oppervlaktecriterium voor de binnen het plangebied gelegen zone met archeologische verwachting 1 wordt wel overschreden, aangezien hier meer dan 250 m2 aan bebouwing (woningen met bijgebouwen) wordt gerealiseerd.
Archeologische verwachting 1 Archeologische verwachting 2
Archeologische verwachting 3
Figuur 7: archeologische verwachtingen volgens bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ (bron: Regels op de kaart)
Door Synthegra Archeologie is een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een verkennend booronderzoek uitgevoerd op het terrein. Het gehele terrein (circa 1,5 hectare) is daarbij meegenomen. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde rapport d.d. 22 mei 2025 (zie bijlage 3) kan het volgende worden opgemaakt: •
Het plangebied ligt deels op een terrasrestrug met dekzand en deels op een terrasvlakte. De grond bestaat deels uit vorstvaaggronden met lemig fijn zand en deels uit poldervaaggronden met zware zavel. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd.
•
Voor de periode van de Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Dit is gebaseerd op de ligging van het plangebied op de hoger geleden terrasrestrug. Deze locatie kan in die periode een aantrekkelijke plaats zijn geweest voor bewoning.
27
•
De kans op het aantreffen van arcehologische resten rondom de voormalige bebouwing en de terrasvlakte wordt zeer laag geschat. Hierdoor geldt voor alle archeologische perioden een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten in deze delen van het plangebied.
•
Op basis van het gespecificeerde verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek is een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van ten minste 6 boringen per hectare uitgevoerd.
•
Het natuurlijke bodemtype is in het gehele plangebied verstoord door ploeg- of graafwerkzaamheden.
•
Vuursteenvindplaatsen bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen en bevinden zich in de C-horizont / het dekzand. De diepte van verstoring in het oostelijke deel van het plangebied ligt minder diep dan in het westelijke deel. Echter ligt het oostelijke deel op een terrasvlakte en is de kans op het aantreffen van vuursteenplaatsen nog steeds laag.
•
Nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken. Aangezien de bodem in het westelijke deel tot relatief diep in de C-horizont verstoord is en in het oostelijke deel een lage verwachting heeft, is de kans zeer klein dat er nederzettingsresten in het plangezien aanwezig zijn.
•
In het oostelijke deel geldt nog wel een specifieke verwachting gerelateerd op het geulenstelsel van de Oude IJssel. Gezien de aard van de bodemopbouw (terrasvlakte) wordt de kans op het aantreffen van deze resten laat geacht.
•
Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd.
Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Daarbij moet worden opgemerkt dat mochten er tijdens werkzaamheden toch (mogelijke) archeologische vondst worden gedaan, dan geldt de wettelijke meldingsplicht zoals omschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
4.3 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. Wettelijk kader In het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter bescherming van de natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden.
28
Toetsing De planlocatie is gelegen op een afstand van bijna 16 km van het meest nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebied Rijntakken (zie figuur 8). Op veel kortere afstand (circa 1,5 km) ligt het meest nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebied Hetter-Millinger Bruch mit Erweiterung (zie figuur 9). Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen de locatie en Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve effecten anders dan door stikstof bij voorbaat worden uitgesloten. Om te bepalen wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn voor de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn berekeningen uitgevoerd met het wettelijk voorgeschreven rekenmodel AERIUS Calculator. In bijlage 6 is het volledige stikstofonderzoek opgenomen. Daaruit valt op te maken dat de ontwikkeling in zowel de aanleg- als gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling leidt dus niet tot nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ook leidt de ontwikkeling niet tot vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit.
Figuur 8: ligging planlocatie t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: aerius.nl)
Figuur 9: ligging planlocatie t.o.v. Duits Natura 2000-gebied (bron: aerius.nl)
29
Conclusie Het aspect gebiedsbescherming Natura 2000 vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone Gelderland heeft veel natuurgebieden. Samen vormen zij het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. De begrenzing en de regels ter bescherming van het GNN en de Groene ontwikkelingszone zijn opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Gelderland. Toetsing De planlocatie is niet gelegen binnen of nabij de begrenzingen van het GNN of de GO, waardoor negatieve effecten hierop zijn uit te sluiten. Er is buiten deze zones namelijk geen sprake van externe werking, zoals voor Natura 2000-gebieden wel het geval is.
Figuur 10: ligging planlocatie t.o.v. GNN/GO
Conclusie Het aspect provinciale gebiedsbescherming (GNN/GO) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.3 Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnet werk Nederland. Dit kan vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar ook in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
30
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Uit de quickscan volgen onderstaande bevindingen en conclusies: •
Het plangebied vormt geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied.
•
Door het rooien van bomen wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Voor de aanwezige nesten geldt dat uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Indien de werkzaamheden toch in de voortplantingsperiode van vogels worden uitgevoerd moet er een broedvogelscan uitgevoerd worden.
•
Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde
grondgebonden
zoogdieren gedood worden en dat
vaste
rust-
en/of
voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. •
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan, mits de werkzaamheden worden afgestemd op de voortplantingsperiode van vogels (of een broedvogelscan wordt uitgevoerd) en geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden gedood.
31
4.4 Geluid Een planlocatie kan bij een geluidsbron zijn gelegen, zoals een drukke weg, spoorweg, industrie of een windturbine. Bekeken moet worden of het plan geen hinder voor de omgeving vormt, en of de omgeving geen hinder vormt voor het plan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen geluid van activiteiten en geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (aandachtsgebieden). Wettelijk kader Geluid van activiteiten In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden zorggedragen voor een aanvaardbare geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Oude IJsselstreek een permanent omgevingsplan heeft, gelden in de gemeente Oude IJsselstreek de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan.. Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: •
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
onderwijsfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
•
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). In het omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek zijn nog geen geluidaandachtsgebieden opgenomen waardoor het overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen van toepassing is (artikel 17.5 Omgevingsregeling), met bijbehorende afstanden: •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m;
•
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
•
voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl.
32
Toetsing initiatief
Adres
Omschrijving
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
Categorie
Werkelijke afstand
Geluid van activiteiten In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich naast woningen meerdere agrarische bedrijven en een enkel niet-agrarisch bedrijf. In onderstaande tabel zijn deze bedrijven vermeld. De afstanden in de tabel zijn gemeten vanuit de rand van de bestemmingsvlakken van deze bedrijven tot de grens van de planlocatie. Feitelijk zullen de woningen echter op grotere afstand van deze bedrijven worden gerealiseerd, zodat sprake is van een worst case beoordeling. In deze situatie is sprake van het omgevingstype ‘rustig buitengebied’, zodat vooralsnog kan worden uitgegaan van de (ongecorrigeerde) richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009), die voor deze beoordeling ten grondslag is genomen. De hierin genoemde richtafstanden komen overigens overeen met de getransponeerde tabel in bijlage A5 van de nieuwere VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering (editie 2024).
Geurweg 1
Fokken en houden van varkens
200
30
50
0
4.1
210
Geurweg 2 Hogestraat 2-2a Hogestraat 3 Julianaweg 20a
Fokken en houden van varkens Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van rundvee Hoveniersbedrijf > 500 m2
200 100 100 30
30 30 30 10
50 30 30 50
0 0 0 10
4.1 3.2 3.2 3.1
210 210 290 370
De beoogde ontwikkeling vindt plaats buiten de voor geluid geldende richtafstanden. Het initiatief belemmert deze bedrijven in zoverre niet in hun bedrijfsvoering en mogelijkheden. Andersom mag ter plaatse van de nieuwe woningen worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Railverkeerslawaai Het geluidaandachtsgebied voor een spoorweg bestrijkt een zone van maximaal 100 meter aan weerszijden van het spoor. Het plangebied ligt op een veel grotere afstand van spoorwegen, zodat hiervan geen belemmeringen uitgaan voor dit initiatief. Verkeerslawaai De planlocatie bevindt zich binnen de geluidaandachtsgebieden van de Hogestraat en Geurweg. Voor een ontwikkeling binnen een geluidaandachtsgebied van een weg moet akoestisch onderzoek aantonen dat het verkeerslawaai op de gevel van de woning kan voldoen aan de standaardwaarden uit het Bkl. Voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone gelden volgens het Bkl standaardwaarden van 50 dB voor rijks- en provinciale wegen en 53 dB voor gemeentewegen. Volgens de Aanvullingswet geluid moet langs provinciale wegen echter vooralsnog worden getoetst aan de Wet geluidhinder, zodat hier momenteel een voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt. De Hogestraat en Geurweg zijn gemeentewegen waarvoor de standaardwaarde van 53 dB geldt.
Zoals blijkt uit de informatie op de Atlas Leefomgeving (zie figuur 11) gaat het om relatief rustige wegen met een beperkte geluidbelasting op de omgeving. Op enkele meters uit de Hogeweg bedraagt de geluidbelasting 52 dB. Ter plaatse van de beoogde woningen bedraagt de geluidbelasting ten gevolge van deze weg minder dan 45 dB. Om die reden is geen verder akoestisch onderzoek nodig naar de geluidbelasting van omliggende wegen. Het woon- en leefklimaat is hierbij niet in het geding.
33
Figuur 11: indicatieve geluidbelasting langs wegen (bron: Atlas Leefomgeving)
Industrielawaai De planlocatie bevindt zich buiten het aandachtsgebied van een industrieterrein. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.5 Luchtkwaliteit Bij het aspect luchtkwaliteit moet worden beoordeeld of een initiatief bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit en of ter plaatse van een initiatief de luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden bijvoorbeeld zogeheten omgevingswaarden voor o.a. de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; •
Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
34
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden luchtkwaliteit (zoals de gemeente Oude IJsselstreek) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. . Echter, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient de lokale luchtkwaliteit onderzocht te worden, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten.
Hiervoor dient het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd te worden (https://www.cimlk.nl/kaart.). Het CIMLK geeft meer inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) op lokaal niveau tussen 2022 en 2030. Toetsing De gemeente Oude IJsselstreek ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, zodat het aspect luchtkwaliteit in beginsel slechts marginaal hoeft te worden getoetst. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten. Duidelijk is op dat op en rondom de planlocatie geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Zo blijkt uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit dat langs het dichtstbijzijnde meetpunt uit het CIMLK (aan de zuidzijde van Ulft) sprake is van een jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 11,35 microgram/m3 (monitoringsronde 2023), terwijl voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 microgram/m3 geldt. Voor fijn stof (PM10) is hier sprake van een jaargemiddelde concentratie van 15,67 microgram/m3, terwijl ook voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 microgram/m3 geldt.
Volledigheidshalve is een berekening met de NIBM-tool uitgevoerd naar het extra verkeer dat zal worden gegenereerd door de beoogde ontwikkeling (zie figuur 12). De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de lokale luchtkwaliteit. Daarbij is er in het kader van de “worst-case”benadering uitgegaan van de CROW-norm dat dat per woning maximaal 8,6 (auto)verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden.
35
Er wordt voor de “worst-case” benadering derhalve uitgegaan van 4 x 8,6 = 34,4 (auto)verkeersbewegingen per etmaal (afgerond 35). In figuur 12 is de berekening met de NIBM-tool weergegeven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de toename van het verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit en dat er geen nader onderzoek nodig is. De uitkomsten van de NIBM-tool en de gegevens uit het CIMLK voldoen bij elkaar opgesteld ruimschoots aan de hier geldende omgevingswaarden. Dat betekent dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen niet in het geding is.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie
2026
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
35
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,01
PM10 in μg/m3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Figuur 12: berekening met NIBM-tool
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.6 Geur De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen optreedt. Wettelijk kader In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen (paragraaf 5.1.4.6 Bkl), op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.
36
Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek, welke gelden voor de volgende activiteiten: •
geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf;
•
geur door het houden van fokteven van nertsen;
•
geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval;
•
geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken.
Toetsing In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich meerdere veehouderijen: •
een varkenshouderij op de locatie Geurweg 1 op een afstand van 210 meter;
•
een varkenshouderij op de locatie Geurweg 2 op een afstand van 210 meter;
•
een melkrundveehouderij op de locatie Hogestraat 2-2a op een afstand van 210 meter;
•
een rundveehouderij met vleesvee op de locatie Hogestraat 3 op een afstand van 290 meter.
In verband met die omliggende veehouderijen is geuronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Daaruit komt naar voren dat met een worst case berekening voor alle binnen 1 kilometer rondom de planlocatie gelegen veehouderijen ruimschoots wordt voldaan aan de hier gelende geurnorm van 14 odour units/m3. Daarmee belemmert de ontwikkeling deze veehouderijen niet onevenredig in hun mogelijkheden. Met de berekende waarden kan bovendien worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.7 Milieubelastende activiteiten Bij een wijziging van het omgevingsplan kan sprake zijn van het toestaan van milieubelastende activiteiten. In dat geval moet een afweging plaatsvinden over de omgevingskwaliteit. Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is het begrip ‘inrichting’ verdwenen en heeft het begrip ‘milieubelastende activiteit’ zijn intrede gedaan. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip want er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen.
Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de Nota van Toelichting van het Bkl blijkt dat daarmee mba’s worden bedoeld.
37
Toetsing Bij deze ontwikkeling is alleen sprake van de realisatie van woningen. Bij deze woningen worden net als elders binnen de gemeente beroepen aan huis toegestaan. Daarnaast kunnen via een omgevingsvergunning aan huis verbonden bedrijven en bed & breakfast worden mogelijk gemaakt. Het gaat hierbij om milieubelastende activiteiten met een beperkt ruimtebeslag en een beperkte milieubelasting, die in zijn algemeenheid aanvaardbaar zijn te achten binnen een woonomgeving. Voor bepaalde beroepen en bedrijven aan huis zijn regels gesteld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor andere beroepen en bedrijven aan huis zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels van rechtswege opgenomen (de bruidsschat). Die regels blijven gelden naast het voorliggende omgevingsplan voor deze locatie. Conclusie De milieubelastende activiteiten waarvan bij de nieuwe woningen sprake kan zijn vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de milieueffecten van die milieubelastende activiteiten worden regels gesteld in het omgevingsplan van rechtswege en het Besluit activiteiten leefomgeving.
4.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Wettelijk kader De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving). In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
38
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Toetsing Op de planlocatie worden kwetsbare objecten in de vorm van woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving zijn volgens de risicokaart (zie figuur 13) echter geen risicobronnen aanwezig, waarvan de risicocontouren of de aandachtsgebieden over de beoogde woningen liggen. Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen op voldoende afstand van de planlocatie liggen en geen belemmeringen opwerpen voor de beoogde woningbouw. De enige relevante risicobron in de omgeving van de planlocatie is een op ruim 2,3 km afstand gelegen windturbine. Op deze afstand treden geen risico’s op (het risico wordt hierbij gevormd door afbrekende wieken/rotorbladen).
Figuur 13: kaartuitsnede risicokaart met planlocatie blauw omcirkeld (bron: risicokaart.nl)
Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.9 Water Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.
39
Wettelijk kader Waterschap Rijn en IJssel: Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van het Waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s: • Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig in te vullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. • Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. • Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. • Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied.
Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Waterschap Rijn en IJssel: Waterschapsverordening In de Waterschapsverordening staan regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Zo staan er bijvoorbeeld regels in over water onttrekken, water lozen en andere activiteiten. Deze regels gelden voor iedereen. Soms is niet alleen de beek of dijk zelf beschermd, maar ook een strook grond er langs. Ook deze zones staan aangegeven in de Waterschapsverordening. Per 1 januari 2024 zijn ook sommige rijksregels over lozingen vervallen. Deze regels van het rijk zijn nu in de Waterschapsverordening opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen op een oppervlaktewater van een waterschap of zuiveringtechnisch werk van een waterschap. Waterschap Rijn en IJssel: weging waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven.
Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit.
40
Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding. Gemeente: Water- en Rioleringsprogramma 2024-2028 In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gemeenten verplicht een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op 1 januari 2024, vervalt de verplichting voor het opstellen van een GRP.
Wel blijven gemeenten verplicht invulling te geven aan hun gemeentelijke watertaken en het onderbouwen van de benodigde rioolheffing. Om aan deze verplichting te voldoen, heeft de gemeente Oude IJsselstreek ervoor gekozen om een Wateren Rioleringsprogramma (WRP) op te stellen. Dit programma beschrijft hoe de gemeente omgaat met haar wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater.
Daarnaast bevat dit programma: 1. een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater en het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn; 2. een overzicht van de aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder 1; 3. een overzicht van de financiële gevolgen van het programma; 4. een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen worden of zullen worden beheerd; de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen en van de in het plan aangekondigde activiteiten. Toetsing Uit het doorlopen van de online vragenlijst op hetwateradvies.nl komt naar voren dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt, waarvoor de normale procedure geldt (zie bijlage 7). Daarbij is er advies nodig voor de volgende onderdelen: 1. advies kwaliteit oppervlaktewater; 2. advies grondwaterbeheer; 3. advies klimaatadaptatie. De resultaten van de digitale watertoets zijn opgenomen in bijlage 7. Hieronder wordt nader ingegaan op de verschillende adviesonderdelen. Advies kwaliteit oppervlaktewater Hemelwater dat van verhard oppervlak direct afstroomt naar het oppervlaktewater kan verontreinigd raken door specifieke activiteiten binnen een plan. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld agrarische bedrijven, industrieterreinen, tankstations, autobedrijven of sloperijen etc.
Het waterschap zal in deze gevallen aanvullende voorzorgsmaatregelen adviseren om verontreiniging van oppervlaktewater te voorkomen. 41
In de beoogde situatie is sprake van een woonfunctie, waarbij uitsluitend gebruik zal worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Het van daken en verhard terreinoppervlak afstromend hemelwater zal hierdoor niet leiden tot een verontreiniging van oppervlaktewater. Advies grondwaterbeheer Het waterschap streeft naar doelmatig waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt. Bij nieuwe functies moet worden aangesloten bij het gewenst grond- en oppervlaktewaterregime. Daarmee wil het waterschap structurele overlast door te hoog grondwater voorkomen en verdroging door te laag grondwater tegengaan. Na ophoging van het perceel zal van structurele overlast door te hoog grondwater en verdroging door te laag grondwater geen sprake zijn bij dit initiatief. Advies klimaatadaptatie Het waterschap wil het watersysteem zo inrichten dat het beter bestand is tegen de effecten van de verwachten klimaatverandering, zoals zwaardere buien en langere drogere perioden. Uitgangspunt van het waterschap is dat het plan minimaal hydrologisch neutraal is. Dat betekent dat een toename in verhard oppervlak (die resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater) vertraagd moet worden afgevoerd, zodat het watersysteem niet zwaarder wordt belast dan in de bestaande situatie. In verband hiermee moet een waterbergende voorziening worden aangelegd.
Die voorziening moet zodanig groot zijn dat een bui T100+10% kan worden geborgen. Het benodigde volume kan berekend worden door het oppervlak aan nieuw verhard gebied te vermenigvuldigen met 55 mm. Op grond van het via de mail uitgebrachte waterschapsadvies is een waterberging/infiltratievoorziening vereist met een inhoud van 1600 m2 x 55 mm = 88 m3. Ook moet er een overloop zijn in geval van extreme buien. Daartoe is een oplossing bedacht in de vorm van een vijver met een (statische) capaciteit van 90 m3. Het van daken en terreinverhardingen afstromende hemelwater komt via meerdere straatkolken op de hemelwaterafvoer die ondergronds naar de vijver wordt geleid en hierop wordt geloosd. Via een overloop op de naastgelegen sloot met een debietbegrenzer van 1,6 l/s/ha kan in geval van extreme buien vertraagde afvoer van hemelwater plaatsvinden op de naastgelegen sloot. In figuur 14 is het dwarsprofiel aangegeven.
Figuur 14: dwarsprofiel vijver en overloop
In verband met het lozen van afvloeiend hemelwater afkomstig van 1600 m2 nieuw verhard oppervlak op water wat uitkomt op de Kleefsegraaf is op grond van de Omgevingswet en waterschapsverordening een omgevingsvergunning voor de wateractiviteit vereist. Die omgevingsvergunning is op 25 november 2024 aangevraagd en op 12 december 2024 verleend door het Waterschap Rijn en IJssel.
42
Gemeentelijke riolering Voor lozing van het vuilwater op de gemeentelijke drukriolering kan gebruik worden gemaakt van de bestaande rioolaansluiting op deze locatie. Uiteraard zal geen hemelwater worden aangesloten op de drukriolering. Zoals hierboven aangegeven wordt het van daken en verhardingen afvloeiende hemelwater op het eigen terrein verwerkt. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.10 Mobiliteit en parkeren Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Daarbij moet worden getoetst aan de meest recente inzichten, zoals vastgelegd in de op 5 maart 2024 vastgestelde Nota parkeernormen Oude IJsselstreek. Toetsing Mobiliteit Door de komst van de nieuw te bouwen woningen zal het aantal vervoersbewegingen met lichte voertuigen toenemen. Per woning wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 auto’s per etmaal (bron: CROW-publicatie 381 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’; type woonmilieu ‘Buitengebied’). In totaal komt da neer op maximaal 4 x 8,6 = 34,4 auto’s per etmaal. Ontsluiting van de planlocatie vindt plaats op de Geurweg, die uitkomt op de Hogestraat. De Geurweg en Hogestraat hebben voldoende capaciteit om deze relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Parkeren In nieuwe situaties worden parkeernormen gebruikt als uitgangspunt bij de raming van de parkeerbehoefte. De CROW-parkeernormen kennen een bandbreedte (een minimum- en een maximumnorm). In de Nota parkeernormen wordt het gemiddelde van deze kengetallen als parkeernorm gehanteerd.
Voor de planlocatie moet qua parkeernormen worden uitgegaan van de functie ‘Koop, huis, vrijstaand’ en de kolom ‘Buitengebied’ in de tabel ‘Overige kernen’. De bijbehorende parkeernorm is 2,4 parkeerplaatsen per woning. Uitgaande van 4 woningen zijn in totaal dus 4 x 2,4 = 9,6 parkeerplaatsen nodig (afgerond 10). Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig op de planlocatie. Conclusie Mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.11 Kabels en leidingen In het kader van het plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante kabels en leidingen (bijv. hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
43
Toetsing Aardgastransportleidingen Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen Op de planlocatie of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van de planlocatie worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd. Conclusie Op en nabij de planlocatie zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting.
Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
4.12 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan of project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is in dit verband bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Wettelijk kader De m.e.r. beoordeling gebeurt op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit (Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of • waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
44
Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. Toetsing De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven onder categorie J11 in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Volgens de hierop betrekking hebbende rechtspraak is een ontwikkeling voor vier nieuwe woningen niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Verder is zoals blijkt uit paragraaf 4.3.1 geen passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig, zodat ook op basis hiervan geen sprake is van planm.e.r.-(beoordelings)plicht. Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten en er is geen passende beoordeling nodig, zodat geen sprake is van plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht.
4.13 Gezondheid Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. doorvertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan is meegenomen. Toetsing De toetsing aan de wettelijke milieunormen en de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling zijn in de voorgaande paragrafen per relevant omgevingsaspect aan bod gekomen. Ook bij het voldoen aan wettelijke milieunormen kan echter gezondheidsschade optreden. Belangrijk begrip daarbij is het voorzorgsbeginsel dat voortvloeit uit de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De overheid kan op basis hiervan maatregelen treffen als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, zonder dat er (voldoende) wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn. Bij voorliggend initiatief worden geen significante gezondheidseffecten verwacht. Er spelen in deze omgeving geen specifieke gezondheidsrisico’s ten aanzien van elektromagnetische straling, laagfrequent geluid of blootstelling aan toxische stoffen. Wel zijn vanwege de ligging in het buitengebied zoönosen en andere met veehouderijen samenhangende gezondheidsrisico’s een aandachtspunt. In de directe omgeving van de locatie zijn echter geen geitenhouderijen of andere intensieve veehouderijen op zodanige korte afstand gevestigd dat deze gezondheidsrisico’s kunnen opleveren voor toekomstige bewoners. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De inrichting van de planlocatie met de hierbij beoogde landschappelijke inpassing draagt daarnaast bij aan de positieve gezondheid.
45
Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.14 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: ”een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow). Toetsing aan het aspect duurzaamheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid is nog in ontwikkeling, zodat is getoetst aan algemene uitgangspunten. Toetsing De woningen zullen worden gebouwd met duurzame bouwmaterialen. De woningen zullen aardgasvrij worden uitgevoerd. Daarbij is sprake van toepassing van zonnepanelen om grotendeels te voorzien in de eigen energiebehoefte. Verder wordt klimaatadaptief gebouwd, waarbij volgende bergingscapaciteit wordt gerealiseerd voor afvloeiend hemelwater. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
46
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen Het omgevingsplan is opgezet volgens een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), namelijk TAM-IMRO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wro tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. Het omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: motivering, regels, verbeelding, waarbij de planregels en de verbeelding juridisch bindend zijn. De motivering heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. Het geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten, met daarnaast de interpretatie en toepassing van het omgevingsplan. De bijlagen bij de motivering en regels maken onlosmakelijk onderdeel uit van het omgevingsplan. De verbeelding bestaat uit een digitale kaart waarop functies en aanduidingen voor locaties zijn weergegeven. De regels bestaan uit de volgende onderdelen: •