CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering omgevingsplan.pdf

Raadsvergadering 23 april 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 10: TAM-omgevingsplan “Buitengebied, locaties Idinkweg ongenummerd naast 3b te Varsseveld en Twente Route 24 te Heelweg”21.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In totaal zijn er daarom 230 ontwikkelpunten benodigd. Hiervan zijn 220 punten afkomstig van de locatie Twente Route 24. De Overige 10 punten zijn afkomstig van de locatie Molenweg 12a te Breedenbroek. De benodigde bewijslast (overeenkomst aankoop ontwikkelpunten) is aan de gemeente overlegd en akkoord bevonden. Conclusie Het plan is in overeenstemming met het Uitnodigingskader wonen buitengebied. 3.4.6 Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt een gewenst toekomstbeeld. De visie is in een interactief proces met bewoners, maar ook organisaties en verenigingen tot stand gekomen. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving. Beoordeling initiatief Met de ontwikkeling wordt op beide planlocaties voorzien in een adequate landschappelijke inpassing.

Hiermee wordt in de beoogde opzet zorggedragen voor een groene en gezonde leefomgeving, die past binnen het voor dit gebieden kenmerkende landschap. Hiermee is de ontwikkeling in overeenstemming met de 'Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen'.

28

Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen. 3.4.7 Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 -2026 Op 18 januari 2022 is de Klimaatagenda 2022-2026 vastgesteld. Met deze Klimaatagenda wordt de visie en ambitie voor een klimaatbestendige toekomst vastgelegd. Daarnaast is een uitvoeringsagenda voor 2022 tot en met 2026 beschreven. Steeds duidelijker wordt welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen van klimaatverandering, waaronder droogte, wateroverlast, overstromingen en hittestress aan te pakken De effecten van klimaatverandering worden opgedeeld in vier hoofdthema’s: • Meer regen: wateroverlast. Neerslagpatronen veranderen door klimaatverandering. We krijgen te maken met grotere piekbuien en langere natte winterperiodes. Dit kan leiden tot meer hemelwateroverlast en grondwateroverlast. • Hoger water: overstromingen. Door het veranderende weer krijgen we in Oude IJsselstreek vaker te maken met stormen en een sterker fluctuerende rivierafvoer. Deze factoren betekenen een extra belasting op de dijken. • Meer hitte: hittestress. Klimaatverandering wordt ook wel ‘global warming’ genoemd. We moeten er rekening mee houden dat we in de zomer vaker met extreme hitte te maken krijgen. • Drogere zomers: droogte. Het wordt warmer en neerslagpatronen worden grilliger.

Vooral in de zomers zullen we steeds meer te maken krijgen met langdurige periodes van droogte en de effecten van (zoet) watertekorten. Beoordeling initiatief Op basis van de klimaatatlas gemeente Oude IJsselstreek is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering. Locatie Twente Route 24 • Wateroverlast Uit bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van de beoogde nieuwe woning geen sprake is van plasvorming na korte extreem hevige buien of bij langdurige extreme regen. De Twente Route en de Molenweg blijven ook bij extreme regenval begaanbaar. • Hittestress Bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur op de planlocatie vergelijkbaar is met andere erven in de omgeving. Na sloop van de bebouwing en de afname in verharding zal, in combinatie met het voorziene groen, de hittestress afnemen. Er is hier overigens geen sprake van een stedelijk-hitte-eiland-effect, zoals zich dat voordoet in de bebouwde kom. Voor de beoogde woning geldt dat deze goed geïsoleerd worden conform de huidige normen. Daarmee is de woning ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. Bovendien zijn er technische mogelijkheden om de woning te koelen, wat direct kan worden meegenomen met de bouw.

• Droogte Op de planlocatie is in een gemiddelde zomer sprake van lage grondwaterstanden die zich momenteel grotendeels in de range tussen 1,2 en 2,5 m – mv bevinden. In 2050 treedt een kleine verslechtering op ten opzichte van de huidige situatie. De gronden zijn nu en in 2050 aan te merken als beperkt droogtegevoelig. Door het voornemen om het hemelwater binnen de planlocatie te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater langer in het gebied zelf aanwezig. Aan de noordzijde van de planlocatie bevindt zich een sloot waar sprake kan zijn van droogval. Vanwege de beperkte omvang en de afstand tot deze sloot levert dit echter geen risico’s op voor de

29

•

gezondheid. De planlocatie ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. Overstroming Op de locatie is geen sprake van overstromingsrisico’s.

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering. Hierbij zijn geen specifieke mitigerende maatregelen nodig, anders dan de beoogde sloop van bebouwing c.q. de verwijdering van de agrarische bedrijfsopslagen en de landschappelijke inpassing/versterking waarbij ook een greppel wordt aangelegd. Locatie Idinkweg • Wateroverlast Uit bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van de beoogde nieuwe woning sprake is van plasvorming met een flinke diepte (> 30cm) na korte extreem hevige buien. Dit heeft alles te maken met de verlaagde ligging en de aanwezige poelen. Hier zal bij het bepalen van het peil van de woning rekening mee gehouden moeten worden. Bij langdurige extreme regen is er enkel sprake van plasvorming ter hoogte van de bestaande poelen en aan de randen van het beoogde woonperceel. Dit water is echter binnen een halve dag weer verdwenen. De Idinkweg blijft bij extreme regenval gewoon begaanbaar. • Hittestress Bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur op de planlocatie veel koeler is in vergelijking met andere erven in de omgeving. Dit komt na alle waarschijnlijkheid doordat het perceel flink is voorzien van groen. Na de bouw van de woning en het bijgebouw zal de temperatuur hier logischerwijs toenemen.

Er is hier overigens geen sprake van een stedelijk-hitte-eiland-effect, zoals zich dat voordoet in de bebouwde kom. Voor de beoogde woning geldt dat deze goed geïsoleerd worden conform de huidige normen. Daarmee is de woning ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. Bovendien zijn er technische mogelijkheden om de woning te koelen, wat direct kan worden meegenomen met de bouw. • Droogte Op de planlocatie is in een gemiddelde zomer sprake van lage grondwaterstanden die zich momenteel grotendeels in de range tussen 1,2 en 1,8 m – mv bevinden. In 2050 treedt geen verschil op ten opzichte van de huidige situatie. De gronden zijn nu en in 2050 aan te merken als beperkt droogtegevoelig. Door het voornemen om het hemelwater binnen de planlocatie te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater langer in het gebied zelf aanwezig. Aan de zuidzijde van het perceel bevindt zich een sloot waar sprake kan zijn van droogval. Vanwege de beperkte omvang levert dit echter geen risico’s op voor de gezondheid. De planlocatie ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. • Overstroming Op de locatie is geen sprake van overstromingsrisico’s.

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering. Hierbij zijn geen specifieke mitigerende maatregelen nodig, anders dan de landschappelijke inpassing/versterking waarbij een bestaande poel blijft behouden. Conclusie Het plan is in overeenstemming met Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 - 2026.

30

3.4.8 Welstand Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld. Beoordeling initiatief De planlocaties zijn gelegen in het gebiedstype buitengebied (G4). Hier geldt welstandsniveau 2 (regulier). Het beleid van de gemeente Oude IJsselstreek voor dit gebied is gericht op het behoud van cultuurhistorische, landschappelijke en/ of architectonische waarden en het voorkomen van onnodige verstening. Binnen deze randvoorwaarden kunnen veranderingen die voortkomen uit nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden. De welstandsbeoordeling richt zich op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. De uitgangspunten van het welstandsbeleid zijn meegenomen bij de erfinpassing. Bij de uiteindelijk in te dienen bouwaanvraag zal de commissie ruimtelijke kwaliteit worden geraadpleegd. Conclusie De uitgangspunten van het welstandsbeleid zijn meegenomen bij de erfinpassing.

Bij de uiteindelijk in te dienen bouwaanvragen voor de beoogde nieuwbouwwoningen zal de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden geraadpleegd.

31

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Wettelijk kader In de Memorie van Toelichting bij de Aanvullingswet bodem Omgevingswet wordt beschreven dat de algemene doelstelling van het bodembeleid is, het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door de maatregelen van het in onderlinge samenhang: • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen. • Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteit van de bodem. • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. Via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is de algemene doelstelling van het bodembeleid opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende AMvB’s.

In paragraaf 5.1.4.5 Bodemkwaliteit van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over: • Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie • Nazorg • Aanwijzing bodembeheergebieden • Indeling landbodem en bodemfunctieklassen Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl). Tot het moment waarop de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5. Bodemkwaliteit van het Bkl zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de artikelen 22.29 lid 1 sub c en 22.30 uit het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek. Dit zijn de regels uit de bruidsschat. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig 32

gebouw alleen wordt verleend als de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden, of bij overschrijding, aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Toetsing Twente Route 24 In verband met de ontwikkeling is door Montferland Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde bodemonderzoeksrapport d.d. 26 februari 2025 met nummer MM25010 (zie bijlage 5) kan het volgende worden opgemaakt: • Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. In de inspectie boring I04 is sterk tot volledig baksteen waargenomen. • Ter plaatse van de bovengrondse dieseltank is in de bovengrond een licht verhoogd gehalten aan minerale olie aangetoond. • Het grondwater is niet verontreinigd. • De tevoren gestelde hypothese ‘De bovengrondse dieseltank kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ wordt aangenomen. • Formeel gezien is er sprake van een nieuw geval van bodemverontreiniging. In dat geval zal de minerale olie verontreiniging nabij de bovengrondse dieseltank weggenomen dienen te worden, zoveel als redelijkerwijs mogelijk en doelmatig is. Echter gezien de zeer lichte overschrijding is dit geen directe aanleiding om over te gaan tot saneren.

De kosten staan niet in verhouding tot de baten en de vastgestelde verontreinigingen leveren geen directe risico's voor de volksgezondheid op. • In de sterk baksteenhoudende laag zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. • De tevoren gestelde hypothese ‘De erfverharding kan op basis van het vooronderzoek als onverdacht worden beschouwd’ wordt aangenomen. • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodemof grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrondwaarde, wat duidt op enkel lichte verontreinigingen. • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodemof grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. • Bij het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove fractie van de bodem is geen asbest aangetroffen. Niet alle mengmosnters voldoen aan de redelijkheidsbeginselen van de ‘Nota toelichting en onderbouwing werkwijze asbestonderzoek en sanering ter plaatse van druppelzones, regio Achterhoek’. Echter gezien het feit dat er nagenoeg geen asbest is aangetoond in de fractie 10 mg/kg d.s. aan respirabele vezels wordt overschreden. • De tevoren gestelde hypothese ‘De druppelzones kunnen op basis van het vooronderzoek als verdacht op het voorkomen van asbest worden beschouwd’ wordt verworpen.

• Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen planologische procedure, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen directe risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Idinkweg In verband met de ontwikkeling is door Montferland Milieu een vooronderzoek uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit vooronderzoek opgestelde rapport d.d. 14 februari 2025 met nummer MM25011 (zie bijlage 6) kan het volgende worden opgemaakt: • Op of nabij de bodemgevoelige locatie hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden die van invloed kunnen zijn (geweest) op de bodemgevoelige locatie. • Tijdens de locatie inspectie zijn geen bijzonderheden zijn waargenomen.

33

• •

Derhalve kan worden gesteld dat er geen aanleiding is voor het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek volgens de NEN5740/NEN5707. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkelingen. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

Conclusie Ten aanzien van het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.2 Archeologie en cultuurhistorie Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving moet een afweging plaatsvinden met betrekking tot eventueel op een locatie aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspect archeologie en cultuurhistorie. Wettelijk kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten. • Verplaatsing van beschermde monumenten. • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand. • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument. • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 het beleidsdocument “Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen-, en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek” vastgesteld, alsmede de erfgoedverordening.

De erfgoedverordening maakt momenteel onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Toetsing Twente Route 24 Archeologie Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ (thans onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan) is er geen archeologische waarde ter hoogte van de planlocatie opgenomen. Dit komt overeen met de lage verwachtingszone op de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek (zie figuur 16). Hiervoor geldt geen nadere onderzoeksplicht.

34

Figuur 16: archeologische waardenkaart met planlocatie bij rode cirkel

Cultuurhistorie Ter plaatse van de planlocatie zijn geen monumenten aanwezig of is anderszins sprake van een vanuit cultuurhistorie te beschermen waarde. Idinkweg Archeologie Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ (thans onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan) is ook hier geen archeologische waarde ter hoogte van de planlocatie opgenomen. Dit komt overeen met de lage verwachtingszone op de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek (zie figuur 17). Hiervoor geldt geen nadere onderzoeksplicht.

Figuur 17: archeologische waardenkaart met planlocatie bij rode cirkel

Cultuurhistorie Ter plaatse van de planlocatie zijn geen monumenten aanwezig of is anderszins sprake van een vanuit cultuurhistorie te beschermen waarde. Conclusie Er worden geen archeologische- en/of cultuurhistorische waarden aangetast met de realisatie van dit plan.

35

4.3 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. Wettelijk kader In het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter bescherming van de natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Toetsing Twente Route 24 De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 10,6 km van het meest nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebied Korenburgerveen (zie figuur 18).

Figuur 18 Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van de planlocatie. De ligging van het plangebied wordt met de rode ster aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de gele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).

Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen de planlocatie en Natura 2000gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen ook worden uitgesloten.

36

Idinkweg De planlocatie ligt op minimaal 13,81 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Korenburgerveen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van de planlocatie weergegeven.

Figuur 19 Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).

Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen de planlocatie en Natura 2000gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen ook worden uitgesloten. Conclusie Het aspect gebiedsbescherming Natura 2000 vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone Gelderland heeft veel natuurgebieden. Samen vormen zij het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. De begrenzing en de regels ter bescherming van het GNN en de Groene ontwikkelingszone zijn opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Gelderland. Toetsing Twente Route 24 De planlocatie ligt op minimaal 800 meter van gronden die tot het Gelders natuurnetwerk (GNN) of Groene ontwikkelingszone (GO) behoren. In navolgende figuur wordt de ligging van Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone in e omgeving van de planlocatie weergegeven.

37

Figuur 20 Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (GO) in de omgeving van de planlocatie wordt met de rode ster aangeduid. Gronden die tot de Gelders Natuurnetwerk behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid. Gronden die behoren tot de Groene ontwikkelingszone worden met de lichtgroene kleur aangeduid (gelderland.maps.arcgis.com).

De planlocatie behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Idinkweg

Figuur 21 Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (GO) in de omgeving van de planlocatie wordt met de rode ster aangeduid. Gronden die tot de Gelders Natuurnetwerk behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid. Gronden die behoren tot de Groene ontwikkelingszone worden met de lichtgroene kleur aangeduid (gelderland.maps.arcgis.com).

38

Conclusie Het aspect provinciale gebiedsbescherming (GNN/GO) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnet werk Nederland. Dit kan vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar ook in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Toetsing Twente Route 24 In het kader van de beoogde ontwikkeling is er door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (“Quickscan natuurwaardenonderzoek Twente Route 24 - Heelweg”, d.d. 6 maart 2025, kenmerk 7222, versie 1.0). De locatie is daarbij onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De rapportage van die quickscan is opgenomen in bijlage 7. Uit de quickscan volgen onderstaande bevindingen en conclusies: • De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantingsplaats en/of (winter)rustplaats. • Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren en/of amfibieën opzettelijk gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of (winter)rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarvan mogelijk de voortplantingsplaatsen en/of (winter)rustplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijke gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie onderstaande tabel voor toepasbare vangmiddelen), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. • Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

39

Idinkweg In het kader van de beoogde ontwikkeling is er door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (“Quickscan natuurwaardenonderzoek Idinkweg (ongenummerd) - Varsseveld”, d.d. 21 januari 2025 (aangepast 26 september 2025), kenmerk 7223, versie 1.0). De locatie is daarbij onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De rapportage van die quickscan is opgenomen in bijlage 8. Uit de quickscan volgen onderstaande bevindingen en conclusies: • De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. • Door het uitvoeren sloopwerkzaamheden, het rooien van beplanting en het bouwen van een nieuwe woning en schuur tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. • Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen beschadigd of vernield worden.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaats en/of rustplaats negatief worden beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt tot uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. • Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van amfibieën. Amfibieën benutten het plangebied als foerageergebied en winterrustplaats. De poel aan de westzijde van het terrein dient als voortplantingsbiotoop voor amfibieën.

Aangezien de poel mogelijk als voortplantingsbiotoop dient voor kamsalamanders en poelkikkers moet er nader onderzoek uitgevoerd worden om vast te kunnen stellen of kamsalamanders en poelkikkers aanwezig zijn en of er een 40

•

•

Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd moet worden voor het dempen van de poel. Indien er tijdens dit nadere onderzoek geen kamsalamanders en/of poelkikkers worden aangetoond geldt voor de overige amfibieënsoorten dat er een vrijstelling geldt van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit vereist. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van de poel voor kamsalamanders en poelkikkers. Indien er kamsalamanders en poelkikkers worden aangetroffen moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden. Indien er tijdens het nadere onderzoek geen kamsalamanders worden aangetroffen moet het werkterrein natuurvrij gemaakt worden en zorgvuldig gehandeld worden bij het dempen van de poel zodat er geen beschermde amfibieën gedood worden.

Nader onderzoek kamsalamanders en poelkikkers P.M. In het kader van vervolgonderzoek is er door Natuurbank Overijssel een rapport opgesteld (“Nader onderzoek kamsalamander en poelkikker Idinkweg (ongenummerd) – Varsseveld”, d.d. datum 5 augustus 2025, nummer 7223a, versie 1.0). De locatie is daarbij, vanwege het dempen van een van de poelen, onderzocht op de aanwezigheid van kamsalamanders en poelkikkers. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 8a. Hieronder volgt de conclusie uit dat rapport. •

Geen van beide soorten is aangetroffen in de poel. Aan de hand van de inventarisatierondes kan aanwezigheid van kamsalamander en poelkikker in de poel dus uitgesloten worden. Het aanvragen van een Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit is niet noodzakelijk.

•

Er zijn wel meerdere larven (>10) van kleine watersalamanders aangetroffen en er is een bastaardkikker gevangen. Voor deze soorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepaling “beschadigen/vernielen van de voortplantings- en rustplaats”. Voor het doden geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat kleine watersalamander en bastaardkikker gedood worden, wordt geadviseerd de poel buiten de voortplantingstijd van deze soorten te dempen. De meest geschikte periode hiervoor is september t/m

februari. Conclusie Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.4 Geluid Een planlocatie kan bij een geluidsbron zijn gelegen, zoals een drukke weg, spoorweg, industrie of een windturbine. Bekeken moet worden of het plan geen hinder voor de omgeving vormt, en of de omgeving geen hinder vormt voor het plan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen geluid van activiteiten en geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (aandachtsgebieden). Wettelijk kader Geluid van activiteiten In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden zorggedragen voor een aanvaardbare geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake

41

van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Oude IJsselstreek een permanent omgevingsplan heeft, gelden in de gemeente Oude IJsselstreek de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek. Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; • onderwijsfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan; • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl).

In het omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek zijn nog geen geluidaandachtsgebieden opgenomen waardoor het overgangsrecht geluidaandachtsgebied voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen van toepassing is (artikel 17.5 Omgevingsregeling), met bijbehorende afstanden: • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl. Toetsing initiatief

Omschrijving

Geluid

Adres

Werkelijke afstand

Geluid van activiteiten Twente Route 24 In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich naast woningen enkele agrarische bedrijven en een enkel niet-agrarisch bedrijf. In onderstaande tabel zijn deze bedrijven vermeld. De afstanden in de tabel zijn gemeten vanuit de rand van de bestemmingsvlakken van deze bedrijven tot de grens van de planlocatie. Feitelijk zal de woning echter op grotere afstand van deze bedrijven worden gerealiseerd, zodat sprake is van een worst case beoordeling. In deze situatie is sprake van het omgevingstype ‘rustig woongebied’, zoals bedoeld in de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024. Volgens de in deze handreiking opgenomen ‘Bijlage A5 Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid’ gelden de in onderstaande tabel genoemde afstanden, waarop mag worden verwacht dat aan de standaardgeluidnormen kan worden voldaan.

42

Molenweg 4 Molenweg 3 Twente Route 13

Visvijver Fokken en houden van vrouwelijk jongvee Productiegerichte paardenhouderij

10 30 30

93 200 250

Gezien de afstand van omliggende bedrijven tot de planlocatie is het voldoende aannemelijk dat geluid van activiteiten geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Het initiatief belemmert de genoemde bedrijven in zoverre niet in hun bedrijfsvoering en mogelijkheden. Andersom mag ter plaatse van de nieuwe woning worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Omschrijving

Westelijke Oude Aaltenseweg 4 Idinkweg 3a Westelijke Oude Aaltenseweg 4 Idinkweg 1 – 1a Harterinkdijk 10a Harterinkdijk 12

Trainingsveld voetbalvereniging Varsseveld Hovenier (Boomzorg 35)* Schietvereniging (luchtbuks) Melkveehouderij Varkenshouderij Pluimveehouderij

Werkelijke afstand

Adres

Geluid

Geluid van activiteiten Idinkweg In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich naast woningen enkele agrarische bedrijven, een enkel niet-agrarisch bedrijf en een sportveld. In onderstaande tabel zijn deze bedrijven vermeld. De afstanden in de tabel zijn gemeten vanuit de rand van de bestemmingsvlakken van deze bedrijven tot de grens van de planlocatie. Feitelijk zal de woning echter op grotere afstand van deze bedrijven worden gerealiseerd, zodat sprake is van een worst case beoordeling. In deze situatie is sprake van het omgevingstype ‘rustig woongebied’, zoals bedoeld in de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024. Volgens de in deze handreiking opgenomen ‘Bijlage A5 Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid’ gelden de in onderstaande tabel genoemde afstanden.

50 50 200 30 50 50

66 92 190 280 560 610

Zoals is te zien in de tabel hierboven ligt de planlocatie binnen de genoemde afstand ten aanzien van het aspect geluid inzake de schietbaan. Hierbij is echter gerekend met een schietbaan waar met kleiduiven wordt geschoten. Feitelijk wordt er echter enkel van een luchtbuks gebruik gemaakt, waardoor mag worden verwacht dat aan de standaardgeluidnormen kan worden voldaan. Tevens liggen er meerdere bestaande woningen op kortere afstand van deze schietbaan, zodat duidelijk is dat de nieuwe woning de mogelijkheden van deze schietvereniging niet belemmeren. Andersom kan worden geredeneerd dat er daardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. *Boomzorg 35 Gelet op de aanwezigheid van het naastgelegen bedrijf Boomzorg 35 is nagegaan in hoeverre (aanpassing van de) maatwerkvoorschriften benodigd zijn om de bedrijfsvoering van het bedrijf niet te belemmeren. In de representatieve bedrijfssituatie wordt er namelijk voldaan aan de beoordelingsniveaus. Echter in de incidentele bedrijfssituatie niet. Nader onderzoek is daarom uitgevoerd door Van der Boom. Deze is toegevoegd als bijlage 10. (akoestisch onderzoek naastgelegen bedrijfslocatie, met nummer 85758 en datum 4 april 2025). Hieronder volgt de conclusie uit dit rapport. • •

Uit de berekeningen blijkt dat de nieuwe woning wat betreft de representatieve bedrijfssituatie geen belemmering vormt voor Boomzorg 35. Wat betreft de incidentele bedrijfssituatie vinden er ten aanzien van het langtijdgemiddeld 43

•

beoordelingsniveau LAr,LT overschrijdingen plaats van de standaard geluidgrenswaarde. Dit betekent dat er een maatwerkprocedure gevolgd zal moeten gaan worden om te voorkomen dat deze nieuwe woning een belemmering gaat vormen voor de incidentele bedrijfssituatie bij Boomzorg 35. Ter hoogte van de nieuwe woning is er geen sprake van indirecte hinder. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor Boomzorg 35.

Beoordeling Omgevingsdienst Achterhoek Het akoestisch rapport is beoordeeld en akkoord bevonden. Voor de te nieuw te bouwen woning moet middels een maatwerkprocedure een hogere geluidbelasting worden toegestaan als gevolg van de werkzaamheden van Boomzorg 35 in de incidentele bedrijfssituatie. Hiervoor zal een separate procedure moeten worden doorlopen. Deze procedure zal separaat worden opgestart en doorlopen. Het volledige advies is toegevoegd als bijlage 11 (beoordeling geluidrapport met datum 28 mei 2025) Railverkeerslawaai Twente Route 24 en Idinkweg Het geluidaandachtsgebied voor een spoorweg bestrijkt een zone van maximaal 100 meter aan weerszijden van het spoor. De locatie aan de Twente Route 24 ligt op veel grotere afstand van spoorwegen. De locatie Idinkweg ligt op een afstand van circa 140 meter vanaf de spoorlijn Winterswijk-Arnhem zodat hiervan geen belemmeringen uitgaan voor dit initiatief. Verkeerslawaai Twente Route 24 De planlocatie bevindt zich binnen de geluidaandachtsgebieden van de Twente Route en Molenweg. Voor een ontwikkeling binnen een geluidaandachtsgebied van een weg moet worden aangetoond dat het verkeerslawaai op de gevel van de woning kan voldoen aan de standaardwaarden uit het Bkl.

Voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone gelden volgens het Bkl standaardwaarden van 50 dB voor rijks- en provinciale wegen en 53 dB voor gemeentewegen. Volgens de Aanvullingswet geluid moet langs provinciale wegen echter vooralsnog worden getoetst aan de Wet geluidhinder, zodat hier momenteel een voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt. De Molenweg is een gemeenteweg waarvoor de standaardwaarde van 53 dB geldt. De Twente Route is een provinciale weg. Zoals blijkt uit de informatie op de Atlas Leefomgeving (zie figuur hieronder) gaat het om drukke wegen met een flinke geluidbelasting op de omgeving. Om die reden is een akoestisch onderzoek nodig naar de geluidbelasting van omliggende wegen.

44

Figuur 22: indicatieve geluidbelasting langs wegen met locatie beoogde woning bij blauwe cirkel (bron: Atlas Leefomgeving)

Resultaten onderzoek wegverkeerslawaai De volledige rapportage is toegevoegd als bijlage 9 (Akoestisch onderzoek Twente Route 24 Heelweg, met datum 12 maart 2025 en nummer 2024-3125-0). Hieronder volgt de conclusie uit het rapport uitgevoerd door Sain Milieuadvies.

Verkeerslawaai Idinkweg De planlocatie bevindt zich binnen het geluidaandachtsgebied van de Idinkweg. Voor een ontwikkeling binnen een geluidaandachtsgebied van een weg moet worden aangetoond dat het verkeerslawaai op de gevel van de woning kan voldoen aan de standaardwaarden uit het Bkl. Voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone gelden volgens het Bkl standaardwaarden van 50 dB voor rijksen provinciale wegen en 53 dB voor gemeentewegen. Volgens de Aanvullingswet geluid moet langs 45

provinciale wegen echter vooralsnog worden getoetst aan de Wet geluidhinder, zodat hier momenteel een voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt. De Idinkweg is een gemeenteweg waarvoor de standaardwaarde van 53 dB geldt. Zoals blijkt uit de informatie op de Atlas Leefomgeving (zie figuur hieronder) gaat het om een relatief rustige weg met een beperkte geluidbelasting op de omgeving. Op enkele meters uit de Idinkweg bedraagt de geluidbelasting 49 dB. Ter plaatse van de beoogde woning bedraagt de geluidbelasting minder dan 45 dB. Om die reden is geen verder akoestisch onderzoek nodig naar de geluidbelasting van omliggende wegen. Het woon- en leefklimaat is hierbij niet in het geding.

Figuur 23 indicatieve geluidbelasting langs wegen met locatie beoogde woning bij blauwe cirkel (bron: Atlas Leefomgeving)

Industrielawaai Twente Route 24 en Idinkweg De planlocaties bevinden zich beiden buiten het aandachtsgebied van een industrieterrein. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.5 Luchtkwaliteit Bij het aspect luchtkwaliteit moet worden beoordeeld of een initiatief bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit en of ter plaatse van een initiatief de luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden bijvoorbeeld zogeheten omgevingswaarden voor o.a. de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats.

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor

46

stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden luchtkwaliteit (zoals de gemeente Oude IJsselstreek) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. . Echter, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient de lokale luchtkwaliteit onderzocht te worden, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiervoor dient het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd te worden (https://www.cimlk.nl/kaart.). Het CIMLK geeft meer inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) op lokaal niveau tussen 2022 en 2030. Toetsing De gemeente Oude IJsselstreek ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, zodat het aspect luchtkwaliteit in beginsel slechts marginaal hoeft te worden getoetst. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten. Duidelijk is op dat op en rondom de planlocatie geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Zo blijkt uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit dat voor beide planlocaties langs het dichtstbijzijnde meetpunt de omgevingswaarde niet wordt overschreden.

Er zijn volgens het CIMLK binnen een straal van 500 meter tevens ook geen veehouderijen aanwezig met een PM10-emissie van 800 kg/jaar. Volledigheidshalve is een berekening met de NIBM-tool uitgevoerd naar het extra verkeer dat zal worden gegenereerd door de beoogde ontwikkeling. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de lokale luchtkwaliteit. Daarbij is er in het kader van de “worst-case”-benadering uitgegaan van de CROW-norm dat dat per woning maximaal 8,6 (auto)verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Er wordt voor de “worst-case” benadering derhalve uitgegaan van 2 x 8,6 = 17,2 (afgerond 18) verkeersbewegingen per etmaal (uitgaande van 1 nieuwe woning op het bestaande erf en 1 nieuwe woning op het nieuwe erf). In figuur 17 is de berekening met de NIBM-tool weergegeven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de toename van het verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit en dat er geen nader onderzoek nodig is.

47

De uitkomsten van de NIBM-tool en de gegevens uit het CIMLK voldoen bij elkaar opgesteld ruimschoots aan de hier geldende omgevingswaarden. Dat betekent dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen op beide planlocaties niet in het geding is.

Figuur 24: berekening met NIBM-tool

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.6 Geur De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen optreedt. Wettelijk kader In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen (paragraaf 5.1.4.6 Bkl), op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.

Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek, welke gelden voor de volgende activiteiten: • geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf; • geur door het houden van fokteven van nertsen; • geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval; • geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. Toetsing Twente Route 24 In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich meerdere veehouderijen: 48

• •

een agrarisch bedrijf met vrouwelijk jongvee op de Molenweg 3 op een afstand van 200 meter; een productiegerichte paardenhouderij op de locatie Twente Route 13 op een afstand van 250 meter.

Voor deze veehouderijen geldt een minimaal in acht te nemen afstand van 50 meter. De bedrijven liggen op beduidend grotere afstand zodat duidelijk is dat de nieuwe woning de mogelijkheden van deze bedrijven niet belemmeren en dat andersom sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Idinkweg In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich meerdere veehouderijen: • een melkveehouderij aan de Idinkweg 1-1a op een afstand van 280 meter; • een varkenshouderij op de locatie Harterinkdijk 10a op een afstand van 560 meter; • een pluimveehouder aan de Harterinkdijk 12 op een afstand van 610 meter. Voor de melkveehouderij geldt een minimaal in acht te nemen afstand van 50 meter. De varkenshouderij en pluimveehouderij liggen op grote afstand. Tevens zijn er meerdere burgerwoningen in het tussenliggende gebied en op kortere afstand van deze agrarische bedrijven aanwezig, zodat duidelijk is dat de nieuwe woning de mogelijkheden van deze bedrijven niet belemmeren. Andersom kan worden geredeneerd dat er daardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.7 Milieubelastende activiteiten Bij een wijziging van het omgevingsplan kan sprake zijn van het toestaan van milieubelastende activiteiten. In dat geval moet een afweging plaatsvinden over de omgevingskwaliteit.

Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is het begrip ‘inrichting’ verdwenen en heeft het begrip ‘milieubelastende activiteit’ zijn intrede gedaan. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip want er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’.

Uit de Nota van Toelichting van het Bkl blijkt dat daarmee mba’s worden bedoeld. Toetsing Bij deze ontwikkeling is alleen sprake van de realisatie van woningen. Bij deze woningen worden net als elders binnen de gemeente beroepen aan huis toegestaan. Daarnaast kunnen via een omgevingsvergunning aan huis verbonden bedrijven en bed & breakfast worden mogelijk gemaakt. Het gaat hierbij om

49

milieubelastende activiteiten met een beperkt ruimtebeslag en een beperkte milieubelasting, die in zijn algemeenheid aanvaardbaar zijn te achten binnen een woonomgeving. Voor bepaalde beroepen en bedrijven aan huis zijn regels gesteld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor andere beroepen en bedrijven aan huis zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels van rechtswege opgenomen (de bruidsschat). Die regels blijven gelden naast het voorliggende omgevingsplan voor deze locatie. Conclusie De milieubelastende activiteiten waarvan bij beide nieuwe woningen op de tweetal planlocaties sprake kan zijn, vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de milieueffecten van die milieubelastende activiteiten worden regels gesteld in het omgevingsplan van rechtswege en het Besluit activiteiten leefomgeving. 4.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden).

Wettelijk kader De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving). In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.

Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen, die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl).

50

• • •

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5049/documents/33319