CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering omgevingsplan.pdf

Raadsvergadering 23 april 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 10: TAM-omgevingsplan “Buitengebied, locaties Idinkweg ongenummerd naast 3b te Varsseveld en Twente Route 24 te Heelweg”21.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Toetsing Twente Route 24 Op de planlocatie wordt een kwetsbaar object in de vorm van een nieuwe woning mogelijk gemaakt. In de omgeving zijn volgens de risicokaart (zie figuur hieronder) meerdere risicobronnen aanwezig.

Figuur 25 kaartuitsnede risicokaart met planlocatie blauw bij blauwe marker (bron: Atlas Leefomgeving)

Hieronder wordt kort ingegaan op de verschillende risicobronnen in de omgeving: • Een DPO leiding van defensie ten westen van de planlocatie welke niet meer in gebruik is. • Een propaantank ten oosten van de planlocatie bij het bedrijf Heusinkveld aan de Twente Route 5a, waarbij het explosieaandachtsgebied de grootste contour (160 meter) oplevert, maar de afstand tot de grens van de planlocatie ten opzichte van deze contour zo’n 640 meter bedraagt. • Gifwolkaandachtsgebied vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Twente Route. • Explosieaandachtsgebied gelegen vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Twente Route, Strikt formeel gesproken is , vanwege de ligging van de aandachtsgebieden van de Twente Route een berekening van het groepsrisico nodig en een verantwoording van het groepsrisico. Echter, voor een dermate kleinschalig project zoals dit plan, wordt dit niet zinvol geacht. De toename van de personendichtheid binnen de invloedssfeer van deze provinciale weg is dermate gering dat redelijkerwijs op voorhand kan worden aangenomen dat er geen wezenlijke wijzigingen zijn in de risicocurves. Ook zijn er geen verandering van het risicoprofiel van de locatie en leidt dit plan niet tot wijzigingen inzake hulpverlening en zelfredzaamheid. De planlocatie ligt hiernaast buiten de onderzoekszone van 30 m aan 51

weerszijden van de weg, waar het risico op een plasbrand dient te worden onderzocht. Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen geen belemmeringen opwerpen voor de beoogde woningbouw op deze locatie. Advies veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland Vanuit het oogpunt van externe veiligheid kan ervoor worden gekozen om bouwkundige maatregelen toe te passen op de nieuw te realiseren woning. Hierbij valt te denken aan scherfwerend glas of het beperken van glasoppervlak aan de zijde van de N18, om het risico op rondvliegend glas bij een explosie te minimaliseren. Dergelijke maatregelen zijn echter niet verplicht, aangezien een woning op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bijlage VI) wordt aangemerkt als 'kwetsbaar gebouw'. Tot slot wordt geadviseerd om de woning te voorzien van mechanische ventilatie. In geval van een toxisch scenario is het van belang dat bewoners de mogelijkheid hebben om te schuilen in de woning, door ramen en deuren te sluiten en het ventilatiesysteem tijdelijk uit te schakelen. Idinkweg Op de planlocatie wordt een kwetsbaar object in de vorm van een nieuwe woning mogelijk gemaakt. In de omgeving zijn volgens de risicokaart (zie figuur hieronder) geen risicobronnen aanwezig.

Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen op voldoende afstand van de planlocatie liggen en geen belemmeringen opwerpen voor de beoogde woningbouw.

Figuur 26 kaartuitsnede risicokaart met globale planlocatie bij blauwe cirkel (bron: Atlas Leefomgeving)

52

Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.9 Water Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Wettelijk kader Waterschap Rijn en IJssel: Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van het Waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s: • Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig in te vullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. • Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst.

De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. • Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. • Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Waterschap Rijn en IJssel: Waterschapsverordening In de Waterschapsverordening staan regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Zo staan er bijvoorbeeld regels in over water onttrekken, water lozen en andere activiteiten. Deze regels gelden voor iedereen.

Soms is niet alleen de beek of dijk zelf beschermd, maar ook een strook grond erlangs. Ook deze zones staan aangegeven in de Waterschapsverordening.

53

Per 1 januari 2024 zijn ook sommige rijksregels over lozingen vervallen. Deze regels van het rijk zijn nu in de Waterschapsverordening opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen op een oppervlaktewater van een waterschap of zuiveringtechnisch werk van een waterschap. Waterschap Rijn en IJssel: weging waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap.

De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding. Gemeente: Water- en Rioleringsprogramma 2024-2028 In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren gemeenten verplicht een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op 1 januari 2024, vervalt de verplichting voor het opstellen van een GRP. Wel blijven gemeenten verplicht invulling te geven aan hun gemeentelijke watertaken en het onderbouwen van de benodigde rioolheffing. Om aan deze verplichting te voldoen, heeft de gemeente Oude IJsselstreek ervoor gekozen om een Wateren Rioleringsprogramma (WRP) op te stellen. Dit programma beschrijft hoe de gemeente omgaat met haar wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast bevat dit programma: 1.

een overzicht van de in de gemeente aanwezige voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater en het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn; 2. een overzicht van de aan te leggen of te vervangen voorzieningen als bedoeld onder 1; 3. een overzicht van de financiële gevolgen van het programma; 4. een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen worden of zullen worden beheerd; de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen en van de in het plan aangekondigde activiteiten. Toetsing Twente Route 24 Uit het doorlopen van de online vragenlijst op hetwateradvies.nl komt naar voren dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt, waarvoor er advies nodig voor de volgende onderdelen: 1. advies afvalwaterketen; 2. advies klimaatdaptatie

54

De resultaten van de digitale watertoets zijn opgenomen in bijlage 12. Hieronder wordt nader ingegaan op de verschillende adviesonderdelen. Advies afvalwaterketen Het waterschap streeft naar een doelmatige werking van de gehele afvalwaterketen en treedt daarom graag in een vroeg stadium in gesprek over nieuwe ontwikkelingen. Hemelwater wordt min mogelijk afgevoerd naar de afvalwaterzuivering, zodat meer water in de bodem wordt vastgehouden, de efficiëntie van de waterzuivering vergroot wordt, en het aantal riooloverstorten op het oppervlaktewater wordt teruggedrongen. Een toename van afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de rioolgemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) dienen de toename te kunnen verwerken, zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. In de beoogde situatie is sprake van het toevoegen van één nieuwe woning, deze kan vanwege de beperkte impact worden aangesloten op de bestaande afvalwatervoorziening. Het hemelwater afkomstig van daken zal op eigen terrein worden geïnfiltreerd in de bodem. Advies klimaatadaptatie Met de klimaatveranderingen worden extremere buien verwacht en langere droge en warme perioden. Het watersysteem (o.a. rivieren, beken, watergangen en het grondwater) zal te maken krijgen met hogere waterstanden.

Niet alleen bij langere, natte perioden of extremere buien, maar ook om water vast te houden voor drogere periodes. Het hemelwater afkomstig van daken en overige verharding zal op eigen terrein worden geïnfiltreerd in de bodem. Tevens wordt er een greppel op eigen terrein aangelegd om water in de bergen. Vanwege de grote van het perceel is hier voldoende ruimte op eigen terrein aanwezig. Idinkweg Uit het doorlopen van de online vragenlijst op hetwateradvies.nl komt naar voren dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt, waarvoor er advies nodig voor de volgende onderdelen: 1. advies afvalwaterketen; 2. advies beheer en onderhoud van oppervlaktewater; 3. advies klimaatadaptatie. De resultaten van de digitale watertoets zijn opgenomen in bijlage 13. Hieronder wordt nader ingegaan op de verschillende adviesonderdelen. Advies afvalwaterketen Het waterschap streeft naar een doelmatige werking van de gehele afvalwaterketen en treedt daarom graag in een vroeg stadium in gesprek over nieuwe ontwikkelingen. Hemelwater wordt min mogelijk afgevoerd naar de afvalwaterzuivering, zodat meer water in de bodem wordt vastgehouden, de efficiëntie van de waterzuivering vergroot wordt, en het aantal riooloverstorten op het oppervlaktewater wordt teruggedrongen. Een toename van afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen.

Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de rioolgemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) dienen de toename te kunnen verwerken, zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. In de beoogde situatie is sprake van het toevoegen van één nieuwe woning, deze kan vanwege de beperkte impact worden aangesloten op de bestaande afvalwatervoorziening. Het hemelwater afkomstig van daken zal op eigen terrein worden geïnfiltreerd in de bodem.

55

Advies beheer en behoud van oppervlaktewater Het beheer en onderhoud van het watersysteem is erop gericht om de waterhuishouding op orde te houden of te verbeteren. Het gaat bij watergangen zowel om waterkwantiteit en -kwaliteit, als om beeldkwaliteit en waterbeleving. Het reguliere onderhoud bestaat voornamelijk uit het maaien van de water- en oevervegetatie. Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmaterieel van het waterschap (of zijn aannemers) mogelijk te zijn. In situaties waar de ruimte beperkt is, bijvoorbeeld bij stedelijke herontwikkeling, is vroegtijdige afstemming met het waterschap nodig om te komen tot maatwerk. In de Legger zijn kern- en beschermingszones vastgelegd, waarmee de watergang en de bijbehorende onderhoudstroken worden beschermd. De onderhoudsstroken dienen vrij gehouden te worden van obstakels. Voor activiteiten binnen de kern- en beschermingszone dient een watervergunning aangevraagd te worden. In de figuur hieronder is een uitsnede van de Legger ter plaatse van de planlocatie weergegeven. Hieruit wordt duidelijk dat de er met de uitvoering van voorliggend plan in de kern- en beschermingszones en de bijbehorende onderhoudsstroken geen bebouwing of andere obstakels worden gerealiseerd die een belemmering kunnen vormen van het beheer en onderhoud van het watersysteem.

Figuur 27 weergave sloot ten zuiden van de planlocatie en in eigendom van het waterschap

Advies klimaatadaptatie Met de klimaatveranderingen worden extremere buien verwacht en langere droge en warme perioden. Het watersysteem (o.a. rivieren, beken, watergangen en het grondwater) zal te maken krijgen met hogere waterstanden. Niet alleen bij langere, natte perioden of extremere buien, maar ook om water vast te houden voor drogere periodes. Het hemelwater afkomstig van daken en overige verharding zal op eigen terrein worden geïnfiltreerd in de bodem. Tevens ligt er op eigen terrein een poel om water in de bergen. Vanwege de grote van het perceel is er voldoende ruimte op eigen terrein aanwezig om water te bergen/infiltreren.

56

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.10 Mobiliteit en parkeren Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Daarbij moet worden getoetst aan de meest recente inzichten, zoals vastgelegd in de op 5 maart 2024 vastgestelde Nota parkeernormen Oude IJsselstreek. Toetsing Mobiliteit Door de komst van de nieuw te bouwen woningen zal het aantal vervoersbewegingen met lichte voertuigen toenemen ten opzichte van het aantal vervoersbewegingen samenhangend met de twee bestaande woningen. Per woning wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 auto’s per etmaal (bron: CROW-publicatie 381 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’; type woon-milieu ‘Buitengebied’). Uitgaande van totaal twee woningen komt dit in totaal neer op 2 x 8,6 = 18 auto’s per etmaal. Ontsluiting van de planlocatie vindt voor het bestaande erf plaats via een nieuwe inrit aan de Molenweg. Voor het nieuwe erf vindt ontsluiting plaats via een bestaande inrit aan de Idinkweg. Beide wegen hebben voldoende capaciteit om dit relatief beperkte aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken.

Parkeren In nieuwe situaties worden parkeernormen gebruikt als uitgangspunt bij de raming van de parkeerbehoefte. De CROW-parkeernormen kennen een bandbreedte (een minimum- en een maximumnorm). In de Nota parkeernormen wordt het gemiddelde van deze kengetallen als parkeernorm gehanteerd. Twente Route 24 Voor de planlocatie moet qua parkeernormen worden uitgegaan van de functie ‘Koop, huis, vrijstaand’ en de kolom ‘Buitengebied’ in de tabel ‘Overige kernen’. De bijbehorende parkeernorm is 2,4 parkeerplaatsen per woning. Uitgaande van 1 nieuwe woning en 1 bestaande woning zijn in totaal dus 2 x 2,4 = 5 parkeerplaatsen nodig op de planlocatie. Gezien de ruime woonkavels bestaat hiervoor voldoende ruimte, zodat kan worden voldaan aan het uitgangspunt dat de parkeerbehoefte moet worden opgelost op het eigen erf. Idinkweg Voor de planlocatie moet qua parkeernormen worden uitgegaan van de functie ‘Koop, huis, vrijstaand’ en de kolom ‘Buitengebied’ in de tabel ‘Ulft & Varsseveld’. De bijbehorende parkeernorm is 2,4 parkeerplaatsen per woning. Uitgaande van 1 nieuwe woning zijn in totaal dus 1 x 2,4 = 3 parkeerplaatsen nodig op de planlocatie. Gezien de ruime woonkavel bestaat hiervoor voldoende ruimte, zodat kan worden voldaan aan het uitgangspunt dat de parkeerbehoefte moet worden opgelost op het eigen erf.

Conclusie Mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.11 Kabels en leidingen In het kader van het plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante kabels en leidingen (bijv. hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

57

Toetsing Aardgastransportleidingen In de nabijheid van de Twente Route 24 bevindt zich een DPO leiding. Deze is echter niet meer in gebruik. Op de planlocatie aan de Idinkweg is op de planlocatie of in de nabijheid geen aardgastransportleiding aanwezig. Hoogspanningsleidingen Op de planlocaties of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen Op de planlocaties of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen Op de planlocaties of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van de planlocatie worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.

Conclusie Op en nabij de planlocaties zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen. 4.12 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan of project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is in dit verband bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Wettelijk kader De m.e.r. beoordeling gebeurt op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit (Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of • waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

58

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. Toetsing De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven onder categorie J11 in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Volgens de hierop betrekking hebbende rechtspraak is een ontwikkeling voor totaal twee nieuwe woningen niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Verder is zoals blijkt uit paragraaf 4.3.1 geen passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig, zodat ook op basis hiervan geen sprake is van plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten en er is geen passende beoordeling nodig, zodat geen sprake is van plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht. 4.13 Gezondheid Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. doorvertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan is meegenomen. Toetsing De toetsing aan de wettelijke milieunormen en de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling zijn in de voorgaande paragrafen per relevant omgevingsaspect aan bod gekomen. Ook bij het voldoen aan wettelijke milieunormen kan echter gezondheidsschade optreden. Belangrijk begrip daarbij is het voorzorgsbeginsel dat voortvloeit uit de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De overheid kan op basis hiervan maatregelen treffen als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, zonder dat er (voldoende) wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn. Bij voorliggend initiatief worden geen significante gezondheidseffecten verwacht. Er spelen in de omgeving van beide planlocaties geen specifieke gezondheidsrisico’s ten aanzien van elektromagnetische straling, laagfrequent geluid of blootstelling aan toxische stoffen. Wel zijn vanwege de ligging in het buitengebied zoönosen en andere met veehouderijen samenhangende gezondheidsrisico’s een aandachtspunt. In de directe omgeving van de locaties zijn echter geen geitenhouderijen of andere intensieve veehouderijen op korte afstand gevestigd, die gezondheidsrisico’s kunnen opleveren voor (toekomstige) bewoners. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De inrichting van de planlocaties met

59

de hierbij beoogde landschappelijke inpassing met veel groen draagt daarnaast bij aan de positieve gezondheid. Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.14 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: ”een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow). Toetsing aan het aspect duurzaamheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid is nog in ontwikkeling, zodat is getoetst aan algemene uitgangspunten. Toetsing De nieuwe woningen en bijgebouwen zullen worden gebouwd met duurzame bouwmaterialen. De woningen zullen aardgasvrij worden uitgevoerd. Daarbij wordt voorzien in de eigen energiebehoefte. Verder wordt klimaatadaptief gebouwd, waarbij voldoende bergingscapaciteit wordt/is gerealiseerd voor afvloeiend hemelwater. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

60

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen Het omgevingsplan is opgezet volgens een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), namelijk TAM-IMRO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wro tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. Het omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: motivering, regels, verbeelding, waarbij de planregels en de verbeelding juridisch bindend zijn. De motivering heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. Het geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten, met daarnaast de interpretatie en toepassing van het omgevingsplan. De bijlagen bij de motivering en regels maken onlosmakelijk onderdeel uit van het omgevingsplan. De verbeelding bestaat uit een digitale kaart waarop functies en aanduidingen voor locaties zijn weergegeven. De regels bestaan uit de volgende onderdelen: • Hoofdstuk 1: inleidende regels, met de begrippen en wijze van meten en rekenen. • Hoofdstuk 2: specifieke regels over functies. De functies zijn op alfabetische volgorde opgenomen. De regels bevatten een omschrijving van de functie en regels voor het bouwen, gebruik en waar nodig over milieu.

• Hoofdstuk 3: algemene regels over functies. Dit zijn de regels die gelden voor alle functies, bijvoorbeeld algemene gebruiksregels, maar ook de aanvraagvereisten voor vergunningen. • Hoofdstuk 4: overgangsrecht. 5.2 Specifieke regels over functies Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de in dit omgevingsplan opgenomen functies. Agrarisch (artikel 4) In dit artikel wordt ingegaan op de mogelijkheden qua bouwen en gebruik van de agrarische gronden in het plan. Agrarisch met waarden (artikel 5) In dit artikel wordt ingegaan op de mogelijkheden qua bouwen en gebruik van de agrarische gronden in het plan. Tevens worden hierin de ter plaatse geldende natuur- en landschapswaarden beschermd. Natuur (artikel 6) De beoogde landschapselementen die moeten worden aangelegd om de ontwikkeling van een nieuw erf te kunnen verantwoorden hebben de functie ‘natuur’ gekregen. Wonen (artikel 7) Zowel het bestaande erf aan de Twente Route als nieuwe woonerf aan de Idinkweg krijgt de functie 'Wonen'. Voor de bebouwingsmogelijkheden wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw van de woning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde.

61

De beoogde nieuwe woningen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gerealiseerd worden. De toegestane goot- en bouwhoogten van de woningen zijn ook op de verbeelding weergegeven. Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen zijn regels opgenomen over de ligging ten opzichte van de voorgevellijn, met maximum oppervlak en de goot- en bouwhoogte. Hierbij geldt een grotere oppervlakte aan bijgebouwen welke specifiek op de verbeelding zijn aangeduid. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, is een maximale maatvoering opgenomen. Hierbij is bepaald dat erfafscheidingen in het achtererfgebied tot een hoogte van 2 meter mogen worden opgericht. Voor de voorgevel mogen erfafscheidingen tot maximaal 1 meter hoogte worden opgericht. 5.3 Algemene regels over functies Toepassingsbereik (artikel 8) In dit artikel is het toepassingsbereik aangegeven Aanvraagvereisten (artikel 9) In artikel 7 zijn de aanvraagvereisten opgenomen, die van toepassing zijn op een aanvraag om omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan. Als toelichting daarop nog het volgende: • Voor een bouwactiviteit op grond van dit TAM-omgevingsplan moet het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [Bouwactiviteit (omgevingsplan)] worden gebruikt.

• Voor een andere vergunningplicht in dit TAM-omgevingsplan moet het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [afwijken van regels in het omgevingsplan] worden gebruikt. De aanvraagformulieren zijn te vinden op de website omgevingswet.overheid.nl (door daar te kiezen voor het tabblad [Aanvragen]). Anti-dubbeltelregel(artikel 10) Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Bestaande maatvoering (artikel 11) Deze bepaling bevat een algemene regel omtrent de bestaande situatie. Algemene gebruiksregels (artikel 12) In dit artikel is een regeling voor parkeren opgenomen, conform de standaard van de gemeente Oude IJsselstreek. Ook is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de landschappelijke inpassing van het plan. Daarnaast is de verplichte sloopopgave aangeduid, waar na de definitieve sloop de gronden en/of gebouwen met de functie ‘wonen’ pas in gebruik mogen worden genomen. Algemene aanduidingsregels (artikel 13) In dit artikel zijn specifieke regels opgenomen voor de bescherming en ontwikkeling van de landschappelijke waarden ‘Openheid’, ‘Houtwal’, ‘Reliëf’ en ‘Zandwegen’.

5.4 Overgangsregels Overgangsrecht bouwwerken en gebruik (artikel 14) Met dit artikel is voorzien in overgangsrecht voor bouwwerken en het gebruik. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden 62

krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd. Ook is een regel opgenomen in geval van een calamiteit. Het gebruik van de grond, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag worden voortgezet.

63

6. UITVOERBAARHEID VAN HET PLAN 6.1. Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van de wijziging van een omgevingsplan dient onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het gaat hierbij om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Voor de door de gemeente Oude IJsselstreek gemaakte plankosten vindt kostenverhaal plaats richting de initiatiefnemers. Hiervoor is een plankostenscan gedaan, waarover gemeente en initiatiefnemers overeenstemming hebben bereikt. De initiatiefnemers hebben zich hierbij vergewist van de economische uitvoerbaarheid. Het voorliggende omgevingsplan heeft voor de gemeente Oude IJsselstreek geen financiële consequenties. De plannen komen volledig voor rekening en risico van de initiatiefnemers. Dit wordt vastgelegd in een tweetal anterieure overeenkomsten. Tevens wordt er met beide initiatiefnemers een nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Over voorliggend plan heeft vooroverleg plaatsgevonden met het Waterschap Rijn en IJssel (via de digitale watertoets). De resultaten daarvan zijn verwerkt in paragraaf 4.9 van deze motivering. Het ontwerpomgevingsplan wordt toegezonden aan zowel het waterschap als aan de provincie. In het voortraject heeft participatie plaatsgevonden. De directe omgeving is benaderd aangaande de voorgenomen ontwikkeling. Zie hiervoor paragraaf 1.4.

Het ontwerp-omgevingsplan wordt conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Hierbij heeft eenieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen op het ontwerpplan. Eventuele zienswijzen zullen worden voorzien van een reactie en bij de (al dan niet gewijzigde) vaststelling van het omgevingsplan worden betrokken. Het ontwerp-omgevingsplan heeft van 27 november tot en met 7 januari 2026 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Ambtelijk zijn beide verbeeldingen en de regels van de functie ‘wonen’ aangepast aan de algehele geldende systematiek binnen de gemeente Oude IJsselstreek, waarbij het functievlak dezelfde oppervlakte heeft als het bouwvlak. De regels zijn daarop ook afgestemd en daardoor iets gewijzigd. Uiteindelijk is het aan de gemeenteraad om het omgevingsplan (gewijzigd) vast te stellen. Na vaststelling wordt het raadsbesluit bekend gemaakt en ligt het omgevingsplan gedurende 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te dienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een omgevingsplan treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekendgemaakt, tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald (Afdeling 16.7. van de Omgevingswet)

64

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5049/documents/33319