CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Definitief rapport van archeologische opgraving Vogelbuurt, Ulft.pdf

Raadsvergadering 20 april 2023, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 1: Bestemmingsplan Kom Ulft, Locatie Eksterstraat24.429 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze paalkuil bevindt zich onder de akkerlaag die op deze locatie onder de verstoorde lagen is aangetroffen (op circ a 14,80 NAP). In het spoor is geen vondstmateriaal gevonden. Afbeelding 15: spoor 1

Op basis van dit spoor en een intact bodemprofiel is vervolgens het bouwblok begeleid. Hierbij bleek dat het bodemarchief op deze locatie grotendeels int act is, afgezien van een paar kleine recente ve rstoringen. In de zuidoosthoek zijn twee dagzomende lagen aanwezig (spoor 5 en 6, tot circ a 14,65 NAP). Deze duiken in zuidoostelijke richting weg. De bovenste laag bestaat uit bruingrijs iets lemig zand en kan worden geïnterpret eerd als een akkerlaag. De laag eronder bestaat uit lemig lichtbruin zand met hierin veel ijzerneerslag, dit geeft deze laag een oranjebruin uiterlijk. Deze laag kan geïnterpreteerd worden als bioturbatielaag (mollenlaag, o vergang van Apb naar de C-horizont).

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 21 van 55

In de z uidwesthoek van de werkput zijn twee greppels (spoor 2 en 3) en een haardkuil (spoor 4) aangetroffen. Deze sporen zijn door de bioturbatielaag heen gegraven (afbeelding 16). De sporen worden afgedekt door de akkerlaag. Afbeelding 16: zuiddeel werkput 5

Eén van de greppels (spoor 3) snijd door de haardkuil (spoor 4) en is hierdoor jonger. De haardkuil is gevuld met verbrande leem en houtskool (afbeelding 17). In de overige sporen, en in de akkerlaag, is geen vondstmateriaal aanget roffen. Het is onwaarschijnlijk dat de haardkuil uit de (oudere) prehistorie dateert omdat in een dergelijk geval de kans op het aa ntreffen van vuursteenfragmenten groot is. Ook als de vuursteensite niet meer intact zou zijn (ve rploegd) worden vuursteenfragmenten meestal nog wel aangetroffen. Dergelijke fragment en zijn tijdens de aanleg en het couperen en afwerken van het spoor niet aangetroffen.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 22 van 55

Afbeelding 17: spoor 4, haardkuil

In het noorddeel van dit bouwblok is het bodemarc hief deels verstoord (vlak op circa 15,25 NAP). Locatie Valk enhof 6 t/m 9 (werk put 27) Het bodemarchief op deze locatie is grotendeels intact, afgezien van een paar kleine recente verstoringen (afbeelding 18). In dit bouwblok zijn zes paalkuilen aangetroffen. Afbeelding 18: overzicht werkput 27, richting oost

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 23 van 55

Net als in werk put 5, is hier de natuurlijke ondergrond sterk reliëfrijk. De bodem duikt in zuidoostelijke richting weg (naar circa 14, 40 NAP). Hierdoor is in dit deel het archeologisch niveau niet aangesn eden. In dit deel is in het vlak de akkerlaag aanwezig welke de natuurlijke ondergrond afdekt. In het noordwestdeel ligt de nat uurlijke bodem hoger (circa 15,10 NAP). Hier is het archeologisch n iveau wel vrij gelegd. In dit deel zijn zes paalkuilen aangetroffen (spoor 16 t/m 21). De paalkuilen liggen verspreid in het vlak en lijken geen deel uit te maken van eenzelfde structuur. Het is mogelijk dat spoor 16 en 17 wel deel uitmak en van een structuur, vanwege de overeenkomsten in grote, diepte en kleur. Deze beide sporen bevinden zich aan de noordzijde van de putwand. Het is mogelijk dat de structuur waarvan deze sporen deel uitmaken zich buiten de werkput bevindt. In de sporen is geen vondstmateriaal aangetroffen. Wel zijn tijdens de aanleg in de akkerlaag ten oo sten van de sporen zeven fragmenten aardewerk aangetroffen te dateren tussen 600 en 750 n. Chr. Locatie bouwblok 5 (werk put 71) Dit bouwblok sluit nauw aan op werkput 27. In dit blok zijn 32 paalkuilen, 17 kuilen, 2 hutkommen en 1 waterput aangetroffen. Hier duikt, net als in werkput 27, de nat uurlijke reliëfrijke ondergrond in oostelijke richting weg (van circa 15, 00 naar 14,65 NAP).

In deze werkput is de gehele top van de natuurlijke ondergrond vrij g elegd omdat het hier niet ging om het begeleiden van het verwijderen van de fundering, maar om het uitgraven van een nieuwe bouwput. Bij de aanleg van het vlak bleek het bodemarchief op deze locatie deels verstoord door o.a. kabels en leidingen. Afbeelding 19: overzicht werkput 71, richting oost

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 24 van 55

Afbeelding 20: overzicht werkput 71, richting midden- en oostdeel

. Van de 32 paalkuilen zijn zes als recent geïnt erpreteerd. De rest van de sporen kunnen aan de bew oste nings fase uit de 8 eeuw worden gekoppeld. In de noordoosthoek van deze werkput is een deel van een boerderij of bijgebouw aangetroffen (structuur 5, afbeelding 21 en 23). Het gaat hier om de zuidwesthoek van de structuur en bestaat uit minimaal vier paalkuilen aan de zuidzijde en twee wandgreppels. De constructie zelf heeft een lengte van minimaal 7,5 meter en een minimale breedte van 3,25 meter. Deze huisplattegrond is ouder dan structuur 3 (spoor 30, hutkom). Bij de aanleg van de hutkom is de binnenste wandgrep pel (spoor 41) deels vergraven. Bij twee paalkuilen is sprake van een dubbele paalzetting (s poor 24 en 29, twee palen in één kuil). Het is mogelijk dat het hier om één van de ingangen gaat. De ruimte tussen beide sporen bedraagt circa 80 cm. Binnen de structuur zijn twee wandgreppels aanwezig (spoor 41 en 42). Bij spoor 42 gaat het om de buitenwand, bij spoor 41 om een binnenwand. De afstand tussen beide wandgreppels bedraagt 2,50 meter. Waarschijnlijk gaat het hier om een aparte binnenruimte. Nog ten zuiden van de jongere hutkom (structuur 3) is te zien dat de binnenste wandgreppel niet aansluit op de buitenste rij paalkuilen. In deze wandgreppels is de wand ingegraven g eweest. Dit fenomeen komt vaker voor bij structu12 ren uit deze periode.

Ten zuiden van de structuur is nog één paalkuil aanwezig die in verband kan worden gebracht met de rij buit enstijlen (spoor 31).

12

Zie o.a. Huijts 1992 en Speckmann 2010.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 25 van 55

Afbeelding 21: uitsnede Allesporenkaart werkput 71, oranje is structuur 5

Deze plattegrond vertoont overeenkomsten met structuren uit Nederland en Westfalen aangetroffen tijdens archeologisch onderzoek. In K ootwijk, Uddel en Hoog Buurlo zijn vergelijkbare structuren aa n13 getroffen met een combinatie van wandgreppels en paalkuilen (type Odoorn B/C). Ook hier hebben de wandgreppels afgeronde hoeken wat wijst op het gebruik van vlecht werk. Ook in Zutphen zijn plat14 tegronden aangetroffen met een combinatie van wandgreppels en paalkuilen. In Westfalen zijn plattegronden gevonden die ook overeenkomsten vertonen met de plattegrond uit Ulft. Zo zijn onder meer uit Münster-Gittrup, Halt ern-Berghaltern, Saerbeck-Dorfbauerschaft en Soest15 Ardey plattegronden bekend met een combinatie van wandgreppels en paalkuilen. Opvallend zijn de overeenkomsten met een huisplattegrond uit Saerbeck -Dorfbauerschaft (huis 1) en Soest-Ardey (huis 7). Het huis uit Saerbeck-Dorfbauerschaft bezit ook een binnendeling van een wandgreppel dat als stalbox gezien wordt en net als bij de plattegrond uit Ulft een afstand tot de buitenwand bezit van 2,50 meter. Bij de plattegrond uit Soest-Ardey is een ingang aangetroffen met een breedte van circa 80 cm. Dit komt overeen met de mogelijke ingangspartij van de plattegrond uit Ulft. Dubbele wandpalen zoals 16 bekend bij de huistypen uit Odoorn, Kootwijk en Uddel, komen ook bij de plattegrond uit Ulft voor.

Dit kenmerk is niet bekend uit Westfalen. e

e

De plattegrond uit Ulft past in de typologie van huizenbouw in de 7 tot 9 eeuw, maar lijkt vooral overe e eenkomsten te bezitten met plattegronden uit de 7 en 8 eeuw in Nederland, en voor een kleiner deel met plattegronden uit Westfalen. 13

Diependaal 2014 (in prep), Huijts 1992 en Heidinga 1987. Bouw meester 2000. 15 Speckmann 2010, o.a. tafel 16.3, 27.1, 30.3, 30.4, 31.4, 48.3 en 49.1. 16 O.a. Huijts 1992, Odoorn type B/C. 14

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 26 van 55

Afbeelding 22: werkput 71, sporen 28 t/m 28

Mogelijk horen spoor 26 t/m 28, in de uiterste noordoosthoek, ook bij deze structuur (afbeelding 21 en 22). In dat geval hebben ze mogelijk deel uitgemaakt van de constructie. Een andere mogelijkheid is dat de drie paalkuilen deel hebben uitgemaakt van een andere constructie, zoals een weefgetouw. Het vondstmateriaal afkomstig uit de sporen van deze structuur, bestaande uit twee ondetermineerbare stukjes handgevormd aardewerk en één fragment handgevormd Hessens-Schortens aardewerk, te dateren t ussen 600 en 850 n. Chr. Uit spoor 27, binnen de structuur, is een klein fragment gladwandig aardewerk geborgen te dateren tussen 600 en 750 n.Chr. Structuur 3 (hutkom) s nijd door deze huisplattegrond en is daarmee jonger. De hutkom wordt ged ateerd tussen 800 en 900 n. Chr. De huisplattegrond behoort bij een oudere bewoningsfase vóór 800 n.Chr. Binnen dez e werkput zijn twee hutkommen aangetroffen (structuur 3 en 4). Eén van deze hutkommen snijd door de plattegrond in de noordoosthoek van de werkput. De andere hutkom bevindt zich ong eveer in het midden van de werkput. Beide hutkommen hebben een noordoost -zuidwestelijke oriëntatie. De hutkom in de noordoosthoek van dez e werkput (spoor 30, structuur 3) heeft een afmeting van circa 2 bij 2,95 meter en een diepte vanaf het vlak van circa 35 cm (afbeelding 23 en 24).

De onderste vulling van circa 10 cm bestaat uit bruingrijs zand met iets houtskoolspikkels. De vulling daarboven van circa 25 cm bestaat uit lichtbruingrijs zand (afbeelding 25). Deze hutkom is jonger dan de huis plattegrond (structuur 5). De binnenste wandgreppel van de huisplattegrond (spoor 41) is door de aanleg van de hutkom deels vergraven (afbeelding 21 en 23).

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 27 van 55

Afbeelding 23: werkput 71, overzicht structuur 3 en 5

Afbeelding 24: werkput 71, hutkom, spoor 30, structuur 3

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 28 van 55

Afbeelding 25: werkput 71, hutkom, spoor 30, structuur 3

Bij het afwerken van de kwadranten zijn geen paalkuilen aangetroffen die te maken hebben met de structuur. Het is mogelijk dat dergelijke hutkommen zonder archeologisch traceerbare paalkuilen een constructie hebben gehad opgebouwd op houten balken (Schwelbalken, houtskeletbouw). Het vondstmateriaal uit deze hutkom is afkomstig uit de bovenste vulling. Het gaat hierbij om vier fragmenten handgevormd aardewerk, drie fragmenten ruwwandig aardewerk en t wee fragmenten gladwandig aardewerk. Hiernaast zijn ook acht fragmenten huttenleem en twee fragmenten natuursteen aangetroffen in dez e vulling. Het jongste aardewerk (kogelpot aardewerk) dateert deze hutkom tussen 800 en 900 n.Chr. Het draaischijfaardewerk is waarschijnlijk als afval van de oudere bewoningsperiode bij het dicht gooien van de hutkom verspit. Een opvallende vondst uit de bovenste vulling van deze hutkom is een compleet ijzeren voorwerp. Het gaat hier om een voorwerp dat mogelijk als gereedschap voor het schoon krabben van dierenhuiden gebruikt is, een maanmes (zie 5.3.4.). Of het gebruiks voorwerp gebruikt is in de hutkom is niet duid elijk. Het voorwerp is in de vulling terecht gekomen bij het dicht gooien van de hutkom en hoeft dus niets te maken te hebben met de hutkom. Binnen dezelfde locatie is een andere hutkom aangetroffen (spoor 33, structuur 4).

Het gaat hier om een kleinere structuur dan de hutkom ten noordoosten hiervan (afbeelding 21 en 26). De kleinere hutkom (structuur 4) ligt exact in het verlengde van de grotere hutkom (structuur 3) en lijkt bij dezelfde bewoningsperiode te horen. De afmeting van deze hutkom is circa 1 bij 1, 95 meter groot. V an de vulling is nog circa 15 cm onder het vlak aanwezig en bestaat uit bruingrijs zand (afbeelding 27).

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 29 van 55

Afbeelding 26: werkput 71, hutkom, spoor 33, structuur 4

Afbeelding 27: werkput 71, hutkom, spoor 33, structuur 4

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 30 van 55

Ook bij het couperen van deze hutkom zijn geen paalkuilen aangetroffen die t e maken hebben met de opbouw van de structuur. Mogelijk gaat het ook hier om een constructie bestaande uit houtskelet bouw. Uit de vulling van de hutkom zijn twee handgevormde kogelpot fragmenten en één fragment HessensSchortens aardewerk geborgen, één fragment ruwwandig aardewerk en één fragment Badorf aard ewerk. Aan de hand van dit vondstmateriaal is deze hutkom te dateren tussen 800 en 900 n.Chr. In het westdeel van de werkput is een waterput aangetroffen (spoor 74, afbeelding 28). Omdat de bouwplannen konden worden aangepast en deze waterput niet word bedreigd is deze niet opgegr aven. Met behulp van een boring (7 cm) kon wel de totale diepte bepaald worden op circa 2,5 meter beneden het aangelegde vlak. De insteek van de put is circa 3,5 meter in doorsnede en bestaat uit bruingrijs gevlekt iets lemig zand. Hierbinnen is een kern te zien met een afmeting van circa 2, 70 m eter, bestaande uit donkergrijsbruin gevlekt iets lemig zand. Afbeelding 28: werkput 71, waterput, spoor 74

Bij de aanleg van het vlak is uit de kern vondstmateriaal geborgen. Het vondstmateriaal bestaat uit vijf fragmenten handgevormd Hessens-Schortens aardewerk, drie fragmenten geïmporteerd draaischij faardewerk (ruw- en gladwandig aardewerk), drie fragmenten metaalslak en zes fragmenten maalsteen. Op basis van het aardewerk lijkt de waterput buiten gebruikt te zijn geraakt (en opgevuld) tussen 600 en 800 n.Chr. Uit de overige sporen binnen deze werkput kunnen geen structuren herleid worden. Locatie Vink enpad 1 t/m 11 (werk put 26) Het bodemarchief op deze locatie is grotendeels intact, afgezien van een paar kleine recente verst oringen. Ook hier is de natuurlijke bodem sterk reliëfrijk. De natuurlijke ondergrond duikt in noordelijke richting weg (van 15,15 naar 14,80 NAP). In het noorddeel van dit bouwblok is, net als in werkput 5 en 27, een akkerlaag aangetroffen welke de natuurlijke bodem en het archeologisch niveau afdekt (afbeelding 29).

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 31 van 55

Afbeelding 29: werkput 26, noorddeel

Afbeelding 30: werkput 26, zuiddeel

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 32 van 55

Vanaf het midden van de werkput tot aan de zuidzijde is direct onder de verwijderde fundering de to p van de natuurlijke bodem aangetroffen. In dit deel zijn arc heologische resten aangetroffen in de vorm van zeven paalk uilen en twee hutkommen. Uit de verspreiding van de paalkuilen binnen deze werkput kon geen structuur herleid worden. Dit zal ook te maken hebben met verdwenen paalkuilen die ondieper ingegraven zijn geweest en bij de aa nleg van de fundering bij de bouw van het bouwblok kunnen zijn verstoord. Uit twee van de paalkuilen komt vondstmateriaal. In spoor 9 is een fragment van een gladwandige knikwandpot aangetroffen te dateren tussen 600 en 750 n.Chr. In spoor 15 is een fragment kogelpot aardewerk gevonden te dateren tussen 800 en 900 n.Chr. Tijdens de aanleg zijn in de akkerlaag ten noorden van de sporen tien fragmenten aardewerk aanget roffen te dateren tussen 600 en 750 n.Chr. Eén van de hutkommen(spoor 7, structuur 2) is bij de aanleg van het kijkgat direct ten zuiden van dit bouwblok (werkput 14) aangetroffen. Helaas is hier de fundering van het bouwblok bij de bouw van de woningen dieper aangelegd dan de top van de natuurlijke ondergrond waar door deze hutkom reeds 17 grotendeels verstoord bleek (afbeelding 31). De afmeting van het restant van deze hutkom betreft 1,80 bij 1 met er. Afbeelding 31: werkput 26, hutkom, spoor 7, structuur 2

De meest noordelijke hutkom op deze locatie (spoor 8, structuur 1) betreft een hutkom waarvan nog circa 12 cm beneden het vlak bewaard was gebleven (afbeelding 32 en 33). De afmeting van deze hutkom is circa 3 bij 1,60 meter. Er zijn geen paalk uilen onder de vulling van de ingegraven structuur aangetroffen. Mogelijk gaat het hier, net als bij de andere hutkommen om een constructie uitgevoerd in houtskeletbouw. Uit de vulling zijn vier fragmenten handgevormd kogelpot aardewerk en één m etaalslak geborgen. Op basis van het aardewerk is deze structuur te dateren is tussen 800 en 900 n.Chr. 17

Hoogte van het vlak met de hutkom in w erkput 14 is 15,40 NAP. Hoogte van de onderzijde van de fundering en het vlak in w erkput 26 is circa 15,15 NAP.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 33 van 55

Afbeelding 32: werkput 26, hutkom, spoor 8, structuur 1

Afbeelding 33: werkput 26, hutkom, spoor 8, structuur 1

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 34 van 55

Locatie Ek sterstraat 78 t/m 90 (werk put 75) Net als bij de andere zuidelijker gelegen loc aties is ook hier een sterk reliëfrijke ondergrond aanwezig. In het zuiddeel, ter hoogte van werkput 59, is op 14,55 NAP een deel van de top van de natuurlijke bodem vrij gelegd, maar werden geen archeologische resten aanget roffen. In zuidoostelijke richting loopt de top van de natuurlijke ondergrond op. Hier is door de aanleg van de funderingen bij de bouw van het blok de top van de natuurlijke bodem verstoord tot circa 14,45 -14,55 NAP. In deze werkput is geen vondstmateriaal aangetroffen. 5.3 Vondstmateriaal Tijdens het onderzoek is vondstmateriaal aanget roffen. Dit materiaal zal per categorie beschreven worden. 5.3.1 Aardewerk Tijdens het onderzoek zijn in totaal 73 fragmenten aardewerk gevonden. e e Het aardewerk is voornamelijk te dateren in de 7 tot 9 eeuw (zie onderstaande tabel). Tabel XV: Overzicht aardewerksoorten, aantal en datering

Soort Prehistorisch handgevormd aardewerk Vroeg Middeleeuws handgevormd aardewerk Vroeg Middeleeuws handgevormd aardewerk gladwandig aardewerk ruwwandig aardewerk Badorf aardewerk roodbakkend aardewerk bouwkeramiek

Vorm onbekend wijdmondige kom en/of pot

Aantal 2 32

Datering 1100-500 v. Chr. 600-850 n.Chr.

kogelpot

28

800-900 n.Chr.

knikwandpot Wölbwandpot onbekend pot huttenleem

10 12 1 1 9

600-750 n.Chr. 600-750 n.Chr. 700-880 n.Chr. 1750-1900 n.Chr. 600-900 n.Chr.

Prehistori sch handgevormd aardewerk uit de Late Bronstijd – Vroege IJzertijd (1100-500 v. Chr) Het aardewerk uit deze periode bestaat uit twee kleine wandfragmenten, waarvan er één op de buitenzijde versierd is met nagelindrukken. De klei voor deze pot vormen is gemagerd met fijn zand waa rna de potten zacht gebakken zijn. Beide fragmenten zijn aangetroffen in een hutkom (spoor 30). Deze hutkom wordt gedateerd tussen 700 en 750 n.Chr. De beide fragmenten zijn bij de aanleg van deze structuur verspit. 5.3.1.1

5.3.1.2 Vroeg Middeleeuws handgevormd aardewerk (600-900 n.Chr) Het handgevormde aardewerk van de vindplaats is te verdelen in twee verschillende pot vormen. Allereerst zijn er fragmenten aangetroffen van aardewerk vormen die al vanaf de late Romeins e tijd nauwelijks aan verandering onderhevig zijn geweest. Dit handgevormde aardewerk staat bekend onder de naam Hessens-Schortens, de vindplaats waar dit type aardewerk voor het eerst is aangetroffen 18 en beschreven. Het Hessens-Schort ens aardewerk kenmerkt zich door de veelal lompe slecht afge19 werkte eivormige en wijdmondige pot vormen. Naast het grove baksel en lompe vormen zijn ook be20 ter afgewerkte en fijner gemagerde vormen gemaakt. 18

Tischler 1954. O.a. Van Es 1979, kwaliteit B; Verhoeven 1998. 20 Van Es 1979, kwaliteit A. 19

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 35 van 55

Het Hessens-Schortens aardewerk is door de lange looptijd en het nauwelijks aan verandering onde rhevige pot vorm moeilijk te dateren. Wel is duidelijk dat in d e loop van de tijd het baksel wat fijner wordt 21 en de afwerking beter. Van dit type aardewerk zijn 32 fragmenten aangetroffen. Aan de hand van de randfragment en kan bepaald worden dat de vormen van dit Vroeg Middeleeuws e handgevormde aardewerk bestaat uit wijdmondige pot- of komvormen met een randdiameter bijna even groot als de tot ale buikomvang van de vorm. De randvormen zijn kenmerkend voor deze vormen. Deze staan meestal rechtop (steil) of buigen iets naar buiten (afbeelding 34 en 35). S oms zijn deze wat dunner dan de potwand en lijkt het alsof de pottenbakker deze vanuit de potwand heeft uitgetrokken. In andere gevallen is deze min of meer gelijkmatig van vorm. Dit zal onget wijfeld te maken hebben met de regelmatige opbouw van de pot door middel van kleirollen (afbeelding 46). Afbeelding 34: typische Hessen s-Schortens vormen, vondstnr. 42

Afbeelding 35: vondstnr. 11

Afbeelding 36: vondstnr. 33

21

Verhoeven 1998.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 36 van 55

Naast de typerende vormen met de korte opstaande of iets uitstaande rand en lichte groef is ook een randfragment gevonden van een pot met een naar binnen buigende schouder en scherp afgezette korte verdikte rand. Deze randvorm komt sterk overeen met randvo rmen uit Westfalen (afbeelding 22 37). Afbeelding 37: vondstnr. 41

Afbeelding 38: vergelijkbare potvorm uit Westfalen, Lengerich-Hohe, bron: Ruhmann 2003

Naast dez e categorie van het Hessens-Schortens aardewerk zijn er ook een aant al fragmenten aa ngetroffen van een andere handgevormde aardewerk soort (28 fragmenten). Deze fragmenten zijn a fkomstig van potten gevormd van klei gemagerd met fijn graniet - of kwartsgruis en zijn dunwandig a fgewerkt en vervolgens hard gebakken. Dit type aardewerk staat ook, vanwege de pot vorm, bek end als 23 kogelpot aardewerk. 22 23

Ruhmann 2003, Röber 1990. Het oudere Hessens-Schortens aardewerk bezit een vlakke bodem.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 37 van 55

Een aantal randvormen geeft aan dat het hier gaat om potten met een flauw S-vormig profiel waarbij de rand eenvoudig rond is afgewerkt en iets naar buiten staat (afbeelding 39) of iets verdikt (afbeelding 40). De randvormen van het kogelpot aardewerk onderscheiden zich van het oudere Hessens -Schortens aardewerk, afgezien van het fijnere en hardere baksel, door een langere rand met scherpere randk nik en langere schouder. De Hessens-Schortens vormen lijken in dat opzicht nog sterk op de oudere R omeinse pot vormen met de hoge schouderknik. Afbeelding 39: kogelpotrand, vondstnr. 38

Afbeelding 40: kogelpotrand, vondstnr. 15

Opvallend onder het handgevormde aardewerk is een groot deel van een platte dunwandige grof gemagerde bodem in het typische kogel pot baksel (afbeelding 41 en 42). Het lijkt hier te gaan om een zogenaamde hybride vorm, een combinatie tussen een Hessens-Schortens en k ogelpot vorm. Het wijst erop dat deze vormen een bepaalde periode samen vervaardigd zijn. Afbeelding 41: vondstnr. 40, deel van vlakke bodem in kogelpotbaksel, hybride vorm

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 38 van 55

Afbeelding 42: vondstnr. 40, baksel bodem

Een bijzondere vorm is dat van een wandfragment in een fijn kogelpotbaksel met minimaal drie kleine gaatjes (vondstnr.16, afbeelding 43). Het lijkt hier te gaan om een kleine vorm dat mogelijk een functie van vergiet of stoof heeft gehad. Afbeelding 43: vondstnr. 16, wandfragment kogelpot met gaatjes

5.3.1.3

Vroeg Middeleeuws gedraaid aardewerk (500-880 n.Chr)

Een deel van het aanget roffen aardewerk is geïmporteerd en bestaat uit ruwwandige en gladwandige vormen. Ruwwandig aardewerk Van dit type aardewerk zijn twaalf fragmenten aanget roffen. De meeste baksels (tien maal) zijn onder te verdelen in een rood-grijs gelaagd baksel en een olijfgroen baksel. De fragmenten in het rood-grijze baksel zijn veelal fijner gemagerd dan de fragmenten in het andere baksel. In bijna alle fragmenten zijn kleine zwarte insluitsels te zien wat erop wijst dat de pot vormen geproduceerd zijn in de potte nbakkerijen in Mayen. In de klei gebruikt in dez e pottenbakkerijen komen kenmerkende zwarte vulkani24 sche insluitsels voor. 24

Redknap 1999.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 39 van 55

De fragmenten van het ruwwandige aardewerk zijn afkomstig van wijdmondige potten met een tonvormig gewelfd profiel, vlakke bodem en verdikte omgeslagen rand (Wölbwandpot). Deze pot vorm is e geproduceerd tussen circa 450 en 725 n. Chr In de loop van de 7 eeuw worden deze potten slanker 25 en minder hoog. Van een dergelijke pot vorm is in een kuil (spoor 77) een randfragment aangetroffen. Het gaat hier om een verdikte omgeslagen rand en de aanzet tot een zeer dunne potwand (afbeelding 44). Het baksel is hard en olijfgroen tot oranje van kleur. De vorm komt sterk overeen met pot vorm A9 26 bekend uit de pottenbakkerijen uit Mayen en is te dateren tussen 500 en 700 n.Chr. Afbeelding 44: vondstnr. 43, randfragment Wölbwandpot uit Mayen (type A9)

Afbeelding 45: vondstnr. 30, bodem van ruwwandige Wölbwandpot

De Wölbwandpotten worden vaker in Vroeg Middeleeuwse context aangetroffen. Met name als ge27 28 bruiksgoed in nederzettingen en in handelscentra als Dorestad. Deze pot vorm wordt sporadisch ook als grafurn gebruikt, zoals in het omvangrijke grafveld van Rheden dat gefunctioneerd heeft tus29 30 sen 375 en 750 n.Chr. Ook komen deze potten als urnen voor in grafvelden in het Rijnland. Vanwege de roetsporen op de fragmenten van deze vormen uit Ulft kan gesteld worden dat deze pot vo rmen hier een functie als gebruiksgoed hebben vervuld. Gladwandig aardewerk Aan de hand van de fragmenten van het gladwandige aardewerk zijn geen vormen te herleiden. Het zal hier gaan om fragmenten van kruiken of honingpotten geproduceerd in het Rijnland

25

Van Spelde 2012. Redknap 1999, type A9, p.186. 27 Spelde 2012. 28 De Koning 2012. 29 Wagner & Ypey 2012. 30 Siegmund 1998. 26

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 40 van 55

Badorf aardewerk In de Vroege Middeleeuwen is in het Rijnland op verschille nde plaatsen aardewerk geproduceerd. enkele van die plaatsen zijn Badorf en Walberberg. Het aardewerk uit Badorf is veelal wit tot geel van kleur en kreitzacht tot hard gebakken. Het Badorf aardewerk is geproduceerd vanaf 700 n.Chr. en is in principe een vervolg op de productie van het oudere gladwandige aardewerk. Waarschijnlijk gaat het bij het aanget roffen fragment om een pot vorm. 5.3.1.4

Nieuwe tijd aardewerk (1750-1900 n. Chr)

Het aardewerk uit de Nieuwe tijd bestaat uit gedraaid aardewerk uit Nederland. Roodbakk end aardewerk Het fragment roodbakkende aardewerk, aangetroffen bovenin het plaggendek, is aan de binnen en buitenzijde bedekt met een zwarte engobe en loodglazuur. Dit aardewerk wordt ook wel Frank forter aardewerk genoemd naar de oorspronkelijke productieplaats. Het fragment is t e dateren tussen 1750 en 1900 n. Chr. Conclusie Het aardewerk aanget roffen tijdens het onderzoek bestaat voornamelijk uit handgevormd aardewerk dat lokaal gemaakt is of deels is geïmporteerd. Het is mogelijk dat het gepolijste handgevormde aardewerk, waaronder het exemplaar met de korte verdikte rand en het gepolijste oppervlak , afkomstig is uit Westfalen en door (handels)contacten binnen de nederzetting terecht is gekomen. Dit geld mogelijk ook voor het kogelpot aardewerk. Aan de hand van archeologisch onderzoek in Westfalen en Noord-Duitsland kon worden vast gesteld ste dat de kogelpot vorm in die regio voor het eerst in het laatste kwart van de 8 eeuw voorkomt in de vorm van geïmporteerde m et schelpgruis gemagerde kogelronde potten vanuit het noordelijk kustge31 bied (Noord-Nederland, Duitsland en Denemark en). Deze met schelpgruis gemagerde kogelronde potten hebben waarschijnlijk als containers voor handelswaar de nederz ettingen bereikt via de waterwegen (o.a. Ems en Vecht).

Ook op de Veluwe komen dergelijke met schelpgruis gemagerde potten in ste 32 het laatste kwart van de 8 eeuw voor. Het is waarschijnlijk dat deze nieuwe pot vormen geleid hebste ben tot de ontwikkeling van de lokaal gemaakte kogelpot in de late 8 eeuw in Westfalen. Of dit ook het geval is voor de regio als de V eluwe blijft de vraag. Tijdens een archeologisch onderzoek van een Vroeg Middeleeuws e vindplaats in Uddel lijkt dit ook het geval te zijn. Conclusies van ander onderzoek 33 lijken te wijzen op een oudere ont wikkeling van dez e pot vorm in West -Nederland en de Veluwe. De kogelpotten, waarvan fragmenten zijn aangetroffen in Ulft, kunnen afkomstig zijn van geïmporteerde kogelpotten (net als een deel van het Hessens-Schortens aardewerk), maar kunnen ook lok aal vervaardigd zijn. Op basis van het voorkomen van deze vorm in de regio, kunnen deze fragmenten gedateerd worden vanaf circa 800 n. Chr. Waarschijnlijk worden de oudere pot vormen een bepaalde periode naast de nieuwe vormen gepro duceerd. Op zich is dit een logische ontwikkeling. Het vervaardigen van dez e nieuwe pot vorm gebeurt op een andere wijze dan het Hessens-Schortens aardewerk. In tegenstelling tot de oudere vormen, die nog door middel van kleirollen vervaardigd zijn, worden de nieuwe kogelronde vormen uit één stuk klei uitgeklopt (zie afbeelding 46).

De apart gemaakte randpartij werd later op het aangedroogde potlichaam opgezet. De aanhechting tussen de potwand en de randpartij werd vervolgens zorgvuldig weggewerkt. Dit aanhechtingspunt is nog te herkennen aan een kenmerkende verdikking. Op fragmenten van Hessens-Schortens zijn soms nog sporen van dez e rollenopbouw t e herkennen terwijl op het dunwandige kogelpot aardewerk vaak kneedsporen (knokkelindrukken) te zien zijn. Het aanleren 31

O.a. Röber 1990, Ruhmann 2003. Diependaal & Wemerman in prep.: Uddel. 33 O.a. Dijkstra 2006 en 2009, de Koning 2012 en Verhoeven 1998. 32

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 41 van 55

van deze verandering in productiewijze zal enige tijd in beslag hebben genomen. Het is daarom niet vreemd dat juist in deze overgangsperiode hybride vormen ontstaan waarbij zowel k enmerken van de oudere als de nieuwe vormen op één pot kunnen voorkomen. e

34

In de achterhoek lijkt de kogelpot vorm in de 9 eeuw de oudere pot vormen te verdringen. Het beeld dat bestaat van de ontwikkeling van het Vroeg-Middeleeuws aardewerk in Westfalen is wat gediffere ntieerd. Het lijkt er vooralsnog op dat hier de Hessens -Schortens vormen nog lange tijd voorkomen 35 naast de kogelronde vormen. Hierom wordt het Hessens-Schortens gedateerd tussen 600 en 850 n.Chr. Afbeelding 46: productie Kogelpot (links) naar Verhoeven 1998 en eivormige en wijdmondige potten (rechts) naar Lüdtke und Schietzel 2001

5.3.2 Bouwmateriaal Het bouwmateriaal bestaat uit 9 fragmenten huttenleem. Dit materiaal is vooral afkomstig uit spoor 30 (8 fragmenten, structuur 3, hutkom). In spoor 52 (paalkuil) is één fragment aangetroffen. Tabel XVI: Overzicht bouwmateriaal , aantal en datering

Soort bouwmat eriaal

Aantal 9

Datering 600-900 n.Chr

5.3.3 Metaalslakken Er zijn bij dit onderzoek in totaal 9 fragmenten metaalslak aangetroffen. Hiervan zijn 6 fragmenten gevonden bij de aanleg van het vlak in de bovenste vulling van de waterput in werk put 71 (spoor 74). Twee andere fragmenten zijn gevonden in een paalkuil in werkput 71 (spoor 49) en in de akkerlaag in dezelfde werkput. Ook is er één fragment aanget roffen in de vulling van een hutkom in werkput 26 (structuur 2, spoor 8). 34 35

O.a. Verhoeven 1998; Groothedde 1996; Diependaal & Wemer man in prep. Ruhmann 2003, Röber 1990.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 42 van 55

Tabel XVII: Overzicht metaalslakken, aantal en datering

Soort ovenslak wolf/gromp haardwand/smeed- of herverhittingsslak

Aantal 1 1 7

Datering 600-900 n.Chr 600-900 n.Chr 600-900 n.Chr 36

Het proces voor het produceren van metalen voorwerpen bestaat uit verschillende stappen : Het verzamelen van het basismateriaal, klapperstenen of moerasijzererts.  Het opbouwen van een oven met leem. Dit kan een kuiloven of een aft apoven zijn. bij een kuiloven wordt het afval in de vorm van slakmateriaal opgevangen in een kuil onderin de oven. Bij een aftapoven vloeit de slak onderuit de oven en stolt buiten de oven.  De eerste stookgang waarbij houtskool wordt gebruikt als brandstof en het basismateriaal wordt verhit. Hierbij wordt ook gebruik gemaakt van een blaasbalg (tuyère).  Na de eerste stookgang wordt de oven afgebroken en wordt het deel met het meeste ijzer verwijderd (de wolf). Deze bevindt zich meestal bovenin de oven. De slak, onderin of buiten de oven, wordt weggegooid. Soms ontstaan hierdoor enorme slakkenhopen, zoals bij Apeldoorn-Orderbos.  Voor de tweede fase wordt een haard aangelegd, vervaardigd van leem. Hierin wordt wede rom houtskool gebruikt als brandstof. De wolf wordt verhit en op een aambeeld gesla gen om de laatste slakresten t e verwijderen. Hierbij wordt ook een blaasbalg (tuyère) gebruikt om voldoende hitte te creëren. Bij dit proces ontstaan ook slak - en metaaldruppels die weg springen bij het slaan (hamerslag). Het afval dat achterblijft in de h aard wordt herverhittingsslak genoemd.

 Bij de derde en laatste fase wordt het metaal in eenzelfde haard verhit om zodoende een voorwerp te smeden. Ook hierbij ontstaan druppels met aal (hamerslag). Het afval dat achte rblijft in de haard wordt smeedslak geno emd.  Resultaat is een metalen voorwerp. Van een dergelijk proces zijn verschillende slakken aangetroffen waaronder één fragment ovenslak aangetroffen (spoor 49). Het gaat hier om een fragment dat nauwelijks magnetisch is en weinig co nglomeraat van houtskool, ijzeroxide en ander materiaal lijkt te bevatten. De structuur van de slak wijst op het gebruik van een kuiloven. In de slak bevinden zich gaatjes waarin zich uitgebrande takken lijken te hebben bevonden. Vloeistructuur, zoals gebruikelijk bij een slak uit een aftapoven, zijn hier niet aanwezig. Onder het materiaal is ook een klein fragment aanwezig dat sterk magnetisch is. Waarschijnlijk gaat het hier om een stukje van een wolf (afbeelding 47). De wolf is het product dat in de oven achterblijft na de eerste stookgang en bevat het meeste ijzer. Het is niet vreemd dat wolf vrijwel niet op vindplaatsen wordt aangetroffen. Om dit mat eriaal verder te bewerken werd de oven afgebroken en werd de wolf verwijderd. Het kleine fragment kan een stukje wolf zijn dat bij het verwijderen van de wolf is af37 gebroken, ook wel gromp genoemd.

36 37

Zie onder andere Joosten 2004 en de Rijk 2014. Godfrey 2009, 36.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 43 van 55

Afbeelding 47: vondstnr. 36, stukje wolf/gromp

Er zijn hiernaast zeven fragmenten gevonden die afkomstig zijn van een smeedhaard. Zowel de oven voor het stoken van het basismateriaal (klappersteen of moerasijzererts) als de smeedhaard bestond uit leem. Bij de smeedhaard werd een extra hitteschil opgetrokken tussen de blaasbalg en de haard. Tijdens het proces ontstond vlakbij de blaasbalg de meeste hitte. Hier smolten de wand en de slak dan ook samen. Op het oog zijn de verschillen tussen een fragment ovenwand met slak en een smeedhaardschild met slak lastig van elkaar te onderscheiden. Bij een ovenwand is het leem overwegend minder hard verbrand (minder hitte) dan bij een smeedhaardschild. De wand van een oven is op deze plaats dan ook wat zandiger en meer oranje van kleur. de stukken van een oven breken dan ook in grotere stukken. De wand van een smeedhaard is meestal harder gebakken en meer verglaasd (met de slak) en breekt bij afbraak in kleinere fragmenten. De zeven fragmenten afkomstig van dit onderzoek zijn alle klein, hard gebakken en sterk verglaasd. Aan de binnenzijde is een restant van de slak te zien met veel blaasjes en een donkergroene kleur (afbeelding 48). de fragmenten zijn licht magnetisch wat er op wijst dat er nog wat metaalresten in aanwezig zijn.

Deze fragmenten kunnen op basis hiervan worden t oegeschreven aan een smee dhaard gebruikt bij het herverhitten van de wolf (fase 2) of het smeden van metalen voorwerpen (fase 3). Afbeelding 48: vondstnr. 48, haardwand

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 44 van 55

De fragmenten slakmateriaal wijzen op alle drie stadia van metaalproductie op het terrein. Van het smelten van het basismateriaal tot aan het herverhitten of smeden van voorwerpen. 5.3.4 Metaal In één van de hutkommen (structuur 3) is in de bovenste vulling een gecorrodeerd ijzeren object aa ngetroffen dat door middel van röntgenanalyse en het uitprepareren ten behoeve van conservering gedetermineerd kon worden als een nagenoeg compleet bewaard gebleven werktuig (afbeelding 49 t/m 52). Afbeelding 49: het werktuigje zoals aangetroffen

Afbeelding 50: röntgenopname van het object

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 45 van 55

De 8 cm lange en bewust naar boven gekromde steel van het werktuigje bezit aan de achterzijde een spitse angel die oorspronkelijk in een houten steel of handvat bevestigd heeft gezeten. Om de spitse angel resteren nog enige houtresten als getuigen hiervan (afbeelding 51). Afbeelding 51: houtresten van de oorspronkelijke steel

Aan het einde van de steel bevindt zich een in de aanzet trapeziumvormig blad dat aan de voorzijde recht eindigt waarbij de zijkanten bewust lijken te zijn afgerond (afbeelding 52). Het circa 2, 5 cm brede blad bezit een dikke rug die aan de voorkant dun en nog enigszins scherp eindigt. Het blad laat zich hiermee goed vergelijken met het lemmet van een mes. Ondanks enkele kleine beschadigingen en vermoedelijke slijtage aan het snijvlak doet het nog strakke en vloeiende verloop van vooral dit snijvlak vermoeden dat het blad zich nog in de oorspronkelijke vorm bevindt. Afbeelding 52: het werktuigje na conservering en restauratie

De gehele vorm van het werktuigje laat zich niet goed vergelijken met meer gangbaar gereedschap en doet vermoeden dat we hier te maken hebben met een specialistisch werktuig dat waarschijnlijk te koppelen is aan een specifiek ambacht. Al zijn er voor dit werktuig vooralsnog geen goed vergelijkbare parallellen teruggevonden, de vorm en zo het lijkt ook de functie van het werktuigje laat zich goed vergelijken met bijvoorbeeld de zogeheten halve maanmessen die worden gebruikt bij leerbewerking. Met dit soort snijdende of schrapende werktuigen worden dierenhuiden met een lout er voorwaartse beweging schoongemaakt.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 46 van 55

Omdat dit object in de bovenste vulling van de hutkom is aangetroffen hoeft het object niets te maken te hebben met de hutkom. De vulling van de hutkom betreft mat eriaal waarmee het gebouwtje na het buiten gebruik raken is volgegooid. Het object kan op een andere plek binnen de nederzetting gebruikt zijn. Het werktuig kan aan de hand van ander vondstmateriaal in dezelfde vulling ( aardewerk) gedae teerd worden in de 9 eeuw (800-900 n. Chr. ). 5.3.5 Natuursteen Op het terrein zijn bij het onderz oek verschillende fragmenten natuursteen geborgen. Tabel XVIII: Overzicht natuursteen, aantal en datering

Soort kwartsitische zandsteen graniet tefriet

Aantal 2 1 11

Datering

600-900 n.Chr

De fragmenten kwartsitische zandsteen en graniet zijn aanget roffen tijdens de aanleg van het vlak in werk put 27 in de akkerlaag direct boven het archeologische niveau en in een hutkom in werkput 71 (structuur 3, spoor 30). Het is waarschijnlijk dat het fragmenten betreft verzameld voor een duidelijk doel (kooksteen, magering voor aardewerk e.d.). Dergelijk materiaal k omt niet van nature in de on dergrond van het terrein voor en zal zijn aangevoerd. Hiernaast zijn 11 fragmenten gevonden van tefriet. Deze natuursteen soort is gevormd tijdens uitba rstingen van vulkanen (lavasteen) en komt onder andere veel voor in de Eiffel. De structuur van deze natuursteen (kleine luchtbelletjes en harde s amenstelling) maakt deze uitert s geschikt om als maalsteen te dienen. Al vanaf de prehistorie zijn dergelijke maalstenen geïmporteerd in Nederland. 5.3.6 Houtskool Bij de aanleg en het couperen en afwerk en van de sporen zijn fragmenten houtskool aangetroffen. Het merendeel hiervan is afkomstig uit sporen die door middel van overig vondstmateriaal gedateerd ku nnen worden (o.a. waterput en hutkommen). Hierom werd afgezien van het lat en analyseren van dit materiaal (14C). Tabel XIX: Overzicht houtskoolmonsters en datering

Soort houtskoolmonsters

Aantal 7

6 SYNTHES E Bij het archeologisch onderzoek binnen het plangebied in de Vogelbuurt te Ulft zijn resten aanget ro ffen van een deel van een nederzetting of erf uit de periode 600 tot 900 n.Chr. De resten hiervan bestaan uit paalkuilen, kuilen, (wand)greppels, een haardkuil, een waterput en enkele hutkommen. De vindplaats bevindt zich op de hogere delen van de aanwezige rivierduin. Dit vormde een z eer geschikte bewoningslocatie met voldoende akkerareaal, vandaar het ontstaan van de aange troffen vroegmiddeleeuwse boerenerf. De ten oosten gelegen Oude IJssel vormde een natuurlijke waterbron. Daarbij konden de zijtakken van de Oude IJssel periodiek overstromen, zoals de meandervormige restengeulen die zich direct ten westen en oosten van het plangebied bevinden (zie afbeelding ?). De bouw van de voormalige woonblokken in het zuidelijke deel van het plangebied heeft de natuurlijke bodemopbouw het minst verstoord. Ook de aanwezigheid van een plaggendek zal hebben gezorgd voor een betere bescherming en conservering van de aangetroffen archeologische vindplaats. In noordelijke richting binnen het plangebied hebben de realisatie van de voormalige bouwblokken (ui t-

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 47 van 55

graven bouwputten) geresulteerd in verstoringen tot voorbij het archeologisch niveau, waarbij het pakket rivierduinzand voor en groot deel of geheel is weggegraven. De voormalige funderingen waren e aangelegd direct op de Wijchen Laag (1 Laag van Wijchen, gesedimenteerd tijdens de warmere fasen van het Laat-Glaciaal, de B ølling/Allerød interstadialen) of zelfs de vlechtende rivierterrasafzettingen van het Laagterras. De bewoning uit de periode 600 tot 900 n.Chr bestaat uit minimaal t wee verschillende fases omdat één van de hutkommen door de huisplattegrond snijd. Op basis van het dateerbare vondstmateriaal kunnen de archeologische resten grofweg in t wee verschillende fases worden verdeeld. De huispla ttegrond (structuur 5) en de wat erput (s poor 74) zijn t e dateren vóór 800 n. Chr. Waarschijnlijk hebben deze deel uitgemaakt van één erf. De forse k uil (spoor 77) en in ieder geval drie van de vier hutkommen zijn te dateren tussen 800 en 850/900 n. Chr. Gezien de datering en de overeenkomstige oriënt atie van deze structuren lijkt het hier te gaan om één van de bewoningsfases. Of er één of meerdere erven hebben bestaan en over de omvang en verplaatsing hiervan door de tijd valt op basis van de huidige gegevens geen verdere uitspraken te doen. Hutkommen kunnen zowel op het erf zelf als ook aan de rand hiervan voorkomen (off-site).

Het aanget roffen deel van de huisplattegrond bezit een combinatie van een wandgreppel aan de westzijde en gepaarde gebintstijlen aan de lange zijden. Deze structuur komt sterk overeen met hui splattegronden van de Veluwe en Drenthe, maar minder met plattegronden uit Westfalen (huistype Odoorn B/C). Binnen de huisplattegrond bevindt zich een afscheiding van een binnenruimt e in de vorm van een wandgreppel. Dergelijke aparte ruimten komen vak er voor in huisplattegronden in deze periode. Aan de zuidzijde bevindt zich mogelijk een ingang met een breedte van circa 80 cm. Bij de hutkommen valt het verschil in afmeting op. Circa 1,95 bij 1 meter, 2, 95 bij 2 meter tot 3 bij 1,60 meter. Dit verschil kan samenhangen met de functie van de hutkom. Te denken valt hierbij aan een onderkomen voor een lijfeigene (slaaf) of voor de productie van grondstoffen en/of goederen (potte nbakken, weven, spinnen e.d. ). Afbeelding 53: gereconstrueerde hutkom in de palts van Till eda (D), bron: Groothedde 2013

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 48 van 55

Dat de bewoners van deze nederzetting tussen 600 en 900 n.Chr. niet helemaal afgesloten leefden van de rest van de wereld bewijst de aanwezigheid van luxe goederen als geïmporteerd aardewerk en maalstenen. De geïmport eerde goederen k wamen voornamelijk uit het Rijnland en de Eiffel, waa rschijnlijk via de Oude IJssel. Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat zowel uit handgevormd aardewerk (Hessens -Schortens en kogelpot) als ook uit geïmport eerd draaischijf aardewerk. Het handgevormde Hessens -Schortens aardewerk vertoont overeenkomsten met het aardewerk uit Nederland en uit Westfalen. Dit type aardee werk kan nog tot in de 9 eeuw zijn geproduceerd, waarbij het naast de nieuwe kogelronde pot vorm heeft bestaan. Bij de lokale productie zijn waarschijnlijk uit de combinatie van beide vormen hybride vormen ontstaan. Wanneer het k ogelpot aardewerk zijn intrede doet in deze regio, en aangrenzende regio’s in het oo sste ten, is nog niet geheel duidelijk. Het lijkt er vooralsnog op dat dit aan het einde van de 8 eeuw plaats vindt aan de hand van geïmporteerde schelpgruis gemagerde kogelpotten. In hoeverre het handgevormde aardewerk door de bewoners zelf is gemaakt of is geïmporteerd uit de directe regio of van verder weg is op basis van het aangetroffen vondstmateriaal niet te bepalen.

Aa ngenomen wordt dat men in deze periode in ieder geval een deel van het aardewerk zelf heeft vervaa r38 digd. Het geïmporteerde draaischijf aardewerk bestaat uit gladwandige knikwandpotten, Badorf potten en ruwwandige Wölbwandpotten. Van een randfragment van één van de Wölbwandpotten kon worden vastgesteld dat deze geproduceerd is in Mayen. Ander geïmporteerd materiaal betreft maalstenen van basaltlava uit de Eiffel. Fragmenten van derg elijke maalstenen komen veelvuldig voor op archeologische sites vanaf de prehistorie. Dat men op de locatie naast aardewerk ook metaal heeft geproduceerd blijkt uit de resten met aalslakken. Deze resten kunnen gezien worden als afvalproducten van het winnen van het ijzer uit natuurlijk materiaal (waarschijnlijk moerasijzererts uit de omgeving) tot aan het herverhitten van het gewonnen metaal tot mogelijk het vervaardigen van het eindproduct. Eén van deze eindproducten is aangetroffen in de bovenste vulling van één van deze hutkommen (structuur 3). Het gaat hier waarschijnlijk om een zogenaamd maanmes, een voorwerp gebruikt bij het schoonmaken van dierenhuiden. Het is verleidelijk om dit voorwerp aan de locale met aalproductie toe te schrijven, maar dat is allerminst duidelijk. e

Het lijkt erop dat dit deel van de nederzetting in de loop van de 9 eeuw is verlaten en in gebruik is genomen als akkerland. De akkerlaag boven het arc heologisch niveau (top van de nat uurlijke bodem, C-horizont) dekt de aangetroffen sporen af. In deze akkerlaag is met name vondstmateriaal aanget roffen uit de oudere bewoningsfase uit de periode 600 tot 750 n.Chr.

7

CONCLUSI E EN BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN

7.1 Conclusie Bij het archeologisch onderzoek binnen het plangebied in de Vogelbuurt te Ulft zijn resten aanget roffen van een deel van een nederz etting of erf uit de periode 600 t ot 900 n. Chr., waarin men zich naast de dagelijkse taken ook bezig hield met het vervaardigen van aardewerk en metaal en ook het schoonmaken van dierhuiden. Deze zaken zullen ongetwijfeld maar een klein onderdeel geweest zijn van de taken die men in deze periode uit voerde binnen de leefgemeenschap. 38

O.a. Verhoeven 1998.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 49 van 55

Naast minimaal één huisplattegrond, die goed te vergelijken is met plattegronden uit midden Nede rland en Westfalen, zijn ook minimaal vier hutkommen aanwezig geweest op het ned erzettingsterrein. Het lijkt erop dat de huisplattegrond en de waterput bij een bewoningsfase hebben behoort te dateren vóór 800 n. Chr. De hutkommen hebben waarschijnlijk, gezien de datering van het vondstmateriaal en e overeenkomstige oriëntatie, behoort bij een bewoningsfas e uit de 9 eeuw. Het handgemaakte aardewerk binnen de nederzetting is goed te vergelijken met vormen uit west- en midden Nederland en met vormen uit Westfalen. Enerzijds zal dit komen door onderlinge contacten, maar het kan hier ook (deels) gaan om geïmporteerde handgevormde potten. Het geïmporteerde m ateriaal als maalsteen en aardewerk, en de overeenk omsten in aardewerk vormen, wijst op de aanwezigheid van één of meerdere handelsroutes in de nabijheid van de nederzetting. Mogelijk liep één van deze routes via de Oude IJssel of over land. e

Het lijkt erop dat dit deel van de nederzetting in de loop van de 9 eeuw is verlaten, waarna het terrein in gebruik werd genomen als akkerland. 7.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen In paragraaf 4.3 zijn de onderzoeks vragen gesteld waarop de opgraving antwoord zou moeten geven. In dit hoofdstuk zal getracht worden dat te realiseren. Algemeen Bij het archeologisch onderzoek dienen de volgende onderzoeks vragen een rol te spelen (waar schijnlijk kunnen niet alle vragen beantwoord worden gezien de beperktheid van het onderzoek):  Komt de bodemopbouw in het plangebied overeen met de res ultaten van het reeds uit gevoerde invent ariserend veldonderzoek in de vorm van een verk ennend booronderzoek ? Uit de resultaten van het door A RC bv uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek en inve ntariserend veldonderzoek (verkennende fase) is geconcludeerd dat er bij de aanleg van de Vogelbuurt delen van de bodem zijn verstoord tot onder het mogelijke vondst vlak. Er zijn echter ook nog grote delen intact. Uit deze intacte delen blijkt dat de onderzoekslocatie voor het grootste deel op een terrasrestrug ligt die deels bedekt is met dekzand. Daarnaast zou er mid den door het plangebied van west naar oost nog een restgeul lopen binnen de terrasvlakte. In deze ondergrond zijn naast de verwachte vorst vaaggronden ook holtpodzolgron den aangetroffen.

De bodemopbouw, gedocumenteerd vanuit de vele proefputjes, bevestigd de ligging van het plangebied op een terrasrestrug. Beter k an gesproken worden over een hoger gelegen terrasrest van het Laagterras, gevormd in het Pleglaciaal. De terrasrest is bedekt met een relatief dunne maar wel vrij stugge laag zandige/lemige klei tot sterk kleiig/lemig zand. Dit betreft een Wijchen Laag die afgezet is tijdens de warmere fasen van het Laat -Glaciaal, de B ølling/Allee rød interstadialen. Het wordt ook wel aangeduid als de 1 Laag van Wijchen. Vervolgens is in de laatste koude en droge fas e van het Laat-Glaciaal (Jonge Dryas) een pakket ri vierduinzand afgezet. Wat betreft textuur verschilt dit weinig van het tijdens het vooronderzoek geïnterpr eteerde dekzand. Wel is rivierduinzand over het algemeen rijker aan donker gekleurde miner alen (“zware” mineralen) die fysisch en chemisch relatief sn el verweren (ten opzichte van bijvoorbeeld kwarts). Dit rivierduinzand is afkomstig van de direct ten westen gelegen terras vlakte, wat feitelijk het in het Laagterras ingesneden Terras X betreft. In rivierduinzand treedt vooral verbruining op als bodemvorm end proces, in tegenstelling tot podzolisatie in dekzand. Daarom heeft zich in de top van de rivierduin oorspronkelijk een holtpodzolprofiel gevormd, dat ook wel wordt aangeduid als een bruine bosgrond.

De t erm vorst vaaggronden is eigenlijk niet correct als een voorkomend bodemtype gevormd in rivierduinzand. Dat er tijdens het a rcheologisch vooronderzoek zowel vorst vaaggronden als holt podz olgronden is dan ook niet

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 50 van 55

correct. Er zullen overal binnen het rivierduin holtpodzolgronden hebben voorkomen. De mate van ontwikkeling heeft ervoor gezorgd dan op de ene locatie het bodemprofiel uitgesprokener is dan op de andere locatie. Waarschijnlijk op de van oors prong hoogste delen van de rivie rduin zullen de meest duidelijk ont wikkelde holtpodzolgronden zijn voorgekom en, vanwege een sterke neergaande wat erbeweging wat uit- en inspoeling van humus met ijzer- en aluminiumoxiden heeft bevorderd (het verbruiningsproces). Deels intacte bodemprofielen onder de voorheen aanwezige funderingen van de verwijderde bouwblokken beperken zich voornam elijk tot het zuidelijke deel van het plangebied. Hier zijn ook bodemprofielen met een plagge ndek aangetroffen met een dikte > 50 cm, waardoor er sprake is van een hoge enkeerdgrond. Ondanks de rijke mineralogische samenstelling was men in het verleden toch genoodzaakt een plaggendek op te brengen om de vruchtbaarheid van de grond op peil te houden. In noordelijke richting binnen het plangebied is waarschijnlijk sprake van een afname in de dikte van het pakket rivierduinz and. De aanleg van de fundering van de voormalige bouwblokken heeft geresulteerd in het vaak vrijwel geheel verwijderen van het pakket rivierduinzand (graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de bouwputten).

Hier is het oorspro nkelijke bodemprofiel en de laag waari n de archeologie wordt verwacht (in het rivierduinzand) dan ook volledig vergraven. Het Actueel Hoogtebestand Nederland (A HN) laat ook zien dat de maaiveldhoogte in noordelijke richting afneemt. De profielen in de proefputjes hebben geen aanwijzingen gele verd voor de aanwezigheid van een van west naar oost lopende restgeul binnen het plangebied. Dez e zou dan gevormd mo eten zijn tijdens het Vroeg-Holoceen en ingesneden liggen in het Laagt erras, waarna deze zou moeten zijn opgevuld met restgeulafzettingen. Restgeulafzettingen zijn nergens aangetroffen. Daarnaast is in diverse proefputjes onder het rivierduinzand, of daar waar het rivierduinzand e was weggegraven direct onder het verstoringsniveau, een Wijchen Laag aangetroffen (1 Laag van Wijchen). Deze Wijchen Laag bevindt zich op een doorlopend niveau tussen 14, 5 en 14 m + NAP. Onder de Wijchen Laag is de top van de terrasrest aanwezig (Laagterras). Bij de aanwezigheid van een restgeul uit het Vroeg-Holoceen wordt een Wijchen Laag niet meer verwacht, omdat deze dan geërodeerd moet zijn, en het niveau waarop vlec htende rivierafzettingen zou ook dieper moeten liggen. In geen van de proefputjes zijn hiervan aanwijzingen aangetroffen.

Ook laat het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) nergens in het plang ebied een vorm/structuur zien dat duidt op de aanwezigheid van een van west naar oost lopende restgeul. Deze zijn wel ten herkennen zowel ten westen als ten oosten van het plangebied (zie figuur 2). 

Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? Ja, er zijn resten aangetroffen van een nederz etting uit de periode 600 tot 90 0 n.Chr.

Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herk omst, k waliteit en locatie van de archeolog ische resten (horizontaal en verticaal)? Aard: de resten van de nederz etting bestaan uit paalkuilen, kuilen, (wand)greppels, een haardkuil, een waterput en enkele hutkommen. Omvang: de omvang van de nederz etting kan niet worden begrensd. Het oppervlak waarbinnen zich de nederzettingsresten bevinden is circa 100 bij 100 meter, van zuidwesthoek werkput 5 tot zuidwesthoek werkput 25 en zuidwesthoek werkput 5 tot noorddeel werkput 26. Ouderdom: de resten zijn te dateren tussen 600 en 900 n. Chr. Herk omst: een deel van het vondstmateriaal is afkomstig uit het Rijnland en de Eiffel. Het is mogelijk dat ook een deel van het handgemaakte aardewerk uit west- en midden Nederland en uit Westfalen afk omstig is. Kwaliteit: de kwaliteit van het vondstmateriaal goed tot zeer goed.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 51 van 55

Locatie resten: De archeologische resten bevinden zich in de top van de natuurlij ke bodem, direct onder een akkerlaag die na het verlaten van de nederzetting ontstaan is. 

Heeft het een relatie met uit de omgeving bek ende archeologische of historische locaties en welk e is dat? De arc heologische resten uit de periode 600 tot 900 n.Chr. hebben geen relatie tot resten uit de nabije omgeving. Deze vindplaats is tot nog toe uniek voor deze regio. Wel zijn t wee fra gmenten aardewerk gevonden uit de Late Bronstijd-V roege IJzertijd die waarschijnlijk te kopp elen zijn aan bewoning op dezelfde terrasrug.

Welk e gegevens over de aanget roffen vindplaatsen k unnen de archeologische k ennis van de regio aanscherpen? Vrijwel alle kennis opgedaan tijdens dit onderz oek is een waardevolle aanvulling op de arch eologische kennis van de regio omdat nog geen kennis van deze periode bekend is in de regio.

Wat is het belang van de vindplaats voor de lok ale, regionale en nationale geschiedschrijving. Vanwege de ontbrekende kennis in de regio van de betreffende periode, zijn de gegevens van de vindplaats van groot belang en kan voor een deel de kennislacune aanvullen.

Is sprak e van (een) behoudens waardige vindplaats(en)? Ja, er is in zekere zin sprake van een behoudenswaardige vindplaats. Hoewel binnen de werk putten alle archeologische resten, behalve de wat erput, zijn opgegraven is de kans groot dat er in de niet onderzochte (onverstoorde) delen t ussen de werkputten resten aanwezig zijn van dezelfde nederzetting. Ook is hierbij niet uit te sluiten dat er zich hier ook resten van andere archeologische perioden bevinden.

Wat k unnen de uitk omsten van het onderzoek zeggen over vergelijk bare terreinen in de om geving? Op basis van de gegevens van dit onderzoek kunnen vergelijkbare terreinen als zeer waard evol en kansrijk aangemerkt worden.

Is vervolgonderzoek noodzak elijk en welk e methoden zouden hierbij k unnen worden ingezet? Indien er ingrepen in het bodemarchief gaan plaats vinden op deze locatie of vergelijkbare is absoluut archeologisch onderzoek noodzakelijk. Dit kan aan de hand van een archeologische begeleiding van het uitgraven van bouwputten, de aanleg van kabels en leidingen enz. of door proefsleuven, waarbij bij het aantreffen van arc heologische resten wordt doorgestart naar een opgraving van het te verstoren oppervlak.

Op welk e manier dient bij eventuele graaf werk zaamheden met archeologische resten te worden omgegaan? Deze graafwerkzaamheden dienen minimaal archeologisch begeleid t e worden. Hiervoor di enen de voorbereidingen al in een vroeg stadium te worden meegenomen in de bouwplannen (i. v.m. P vE e.d.). Om op voorhand te kunnen bepalen of er verstoringen hebben plaats g evonden is de opzet van het aanleggen van kijkgaten, zoals bij dit onderzoek, een goede optie.

Indien er geen archeologische resten worden aanget roffen, wat is de reden voor de af wezigheid van archeologisch resten? Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen is duidelijk wat de begrenzing van het woonareaal is. Er moet hiernaast ook rekening worden gehouden dat er een ‘lege’ zone aanwezig kan zijn binnen een nederzetting.

In welk e mate is het plangebied verstoord?

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 52 van 55

Het plangebied is op veel plaatsen verstoord door de bouw van de wijk in de vorige eeuw. Veel van de funderingen zijn diep ingegraven in de ondergrond. Dit heeft grotendeels te m aken met het sterke reliëf van de nat uurlijke ondergrond. Bij sommige bouwblokken kan een deel van de fundering de top van de natuurlijke bodem (en daarmee mogelijk ook archeologische resten) hebben verstoord, terwijl iets verderop de natuurlijke bodem duikt en deze buiten het bereik van de fundering is gebleven. Specifieke onderzoek svragen Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere ar cheologische kenmerk en van de vindplaatsen. Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 

Welk e en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoek sgebied te herk ennen? Binnen het onderzoek is één vindplaats aangetroffen ter hoogte van werkput 4, 5, 27, 71 en 26.

Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: o De ligging (inclusief diepteligging) De vindplaats bevindt zich ter hoogte van werkput 4, 5, 27, 71 en 26. De vindplaats bevindt zich tussen circa 13,90 tot 15, 80 m +NAP (hoogte top natuurlijke ondergrond). o

De geologische en/of bodemk undige eenheid De vindplaats bevindt zich in rivierduinafzettingen die zijn gesedimenteerd tijdens de laatste koude en droge fase van het Laat-Glaciaal (Jonge Dryas). In de top van de rivierduin heeft zich van nature een holtpodzolprofiel gevormd, ook wel aangeduid als een bruine bosgrond. Bij een aantal p rofielen is een plaggendek aangetroffen met een dikte > 50 cm, waardoor er sprake is van een hoge enkeerdgrond. Ondanks de rijke mineralogische samenstelling was men in het verleden toch genoodzaakt een pla ggendek op te brengen om de vruchtbaarheid van de grond op peil te houden. Het opbrengen van het plaggendek en/of de agrarische bewerking van het terrein, voordat het plangebied deel ging uitmaken van de bebouwde kom van Ulft, heeft er waa rschijnlijk voor gezorgd dat het oorspronkelijke bodemprofiel tot voorbij de verbruinings-B ws-horizont is verstoord. Het zuidelijke deel van het plangebied, waar de vindplaats is aangetroffen, heeft de hoogste ligging in het landschap, bovenop de hogere delen van het rivierduin. Dit vormde een zeer geschikte bewoningslocatie met voldoende akkerareaal, vandaar het ontstaan van het aangetroffen vroegmiddeleeuwse boerenerf. De ten oosten gelegen Oude IJssel vormde een natuurlijke waterbron.

Daarbij konden de zijtakken van de Oude IJssel periodiek overstromen, zoals de meandervormige restengeulen die zich direct ten westen en oosten van het plangebied bevinden (zie figuur 2).

o

De omvang (inclusief verticale dimensies) Het oppervlak van de nederzetting waarbinnen zich de nederzettingsresten bevinden is circa 100 bij 100 meter, van zuidwesthoek werk put 5 tot zuidwesthoek werkput 25 en zuidwesthoek werkput 5 tot noorddeel werkput 26. Alleen de westzijde is niet b egrensd

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4542/documents/26083