CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Definitief rapport van archeologische opgraving Vogelbuurt, Ulft.pdf

Raadsvergadering 20 april 2023, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 1: Bestemmingsplan Kom Ulft, Locatie Eksterstraat24.429 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ULFT IN DE VROEGE MIDDELEEUWEN E

E

BEWONINGS RES TEN UIT DE 7 TOT 9 EEUW BINNEN HE T PLANGEBIE D VOGELB UURT TE ULFT GEMEENTE OUDE IJSSELS TREEK

Archeologische begeleiding Plangebied Vogelbuurt te Ulft in de gemeente Oude IJsselstreek

Opdrachtgever

Wonion Postbus 145 7070 AC Ulft

Project Rapportnummer Status Versienummer

OUD.W02.ABG 11085974 Definitieve rapportage D1

Datum

17 juli 2014

Vestiging

Doetinchem

Auteur(s)

P.J.L. Wemerman

Paraaf

Met een bijdrage van: Ir. E.M. ten Broeke en N.Kerkhoven (metaal, Ex-Situ) Autorisatie

Drs. T.H.L. Hos (Senior KNA-Archeoloog)

Paraaf

© Econsultancy bv, Doetinchem Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de ui tgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode en nummer

1108597 4 OUD.W02.ABG

Topon iem

Plangebi ed Vogelb uurt

Opdrachtgev er

Wonion

Gemeente

Oude IJsselstreek

Plaats

Ulf t

Prov incie

Gelderlan d

Kadastrale gegev ens

n.v .t.

Omv ang plangebied

circa 29,1 ha, waarv an circa 1,7 ha onderzoeksgebied.

Kaartblad

41C (1:25.000)

coördinaten centrum plangebied

NW: X: 222.657 / Y : 435.064 NO: X: 222.034 / Y : 434.670 ZO: X: 222.808 / Y : 434.088 ZW: X: 222.584 / Y: 434.155

Bev oegde ov erheid

Gemeente Oude IJsselstreek De heer F. Kroesen Postbus 42 7080 AA Gendring en Tel. 0315-29 2292 Email: f .kroesen@oude-ijsselstreek.nl

Deskundige namens de bev oegde ov erheid

De heer M. Kocken, Regionaal Archeo loog regio Achterhoek Gezell enlaa n 10 Postbus 53 7000 AB Doetinchem Tel. 0314-32 1387 Email: m.kocken@regio-achterhoek.nl

ARCHIS2

Begeleidi ng 48.777 Nader te bepalen Nader te bepalen

Onder zoeksmeldingsnummer (O M-nr.) Vondstmeldingsnummer Onder zoeksnummer Archeoregio NOaA

Ov erijssels-Gelders zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Doetinchem/ Prov inciaal Archeologisch Depot Gelderland

Uitv oerders

Econsultancy, P.J.L. Wemerman

Kwaliteitszorg Econsultancy beschikt over een eigen opgravingsvergunning, afgegeven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De opgravingsvergunning geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de RCE stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving en richtlijnen die zijn opgesteld in het Programma van Eisen Vogelbuurt te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek PvE nr. 11035408 (18-11-2011).

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENV ATTING Econsultancy heeft in opdracht van Wonion een begeleiding uitgevoerd voor het Plangebied Vogelbuurt te Ulft in de gemeente Oude IJsselstreek (zie figuur 1). Binnen het plangebied wordt de bestaande woonwijk Vogelbuurt geherstructureerd. Hierbij zal een deel van de bestaande bouw, in totaal 242 woningen, worden gesloopt en zal nieuwbouw van 150 wo ningen worden gerealiseerd. Het archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om te bepalen of er een gerede kan s is dat archeologische waarden wel of niet aanwezig (kunnen) zijn in de ondergrond, die door de voorgen omen bodemingrepen kunnen worden aangetast/ verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het k ader van de Wet op de Archeologische MonumentenZorg uit 2007 (WAMZ), voort vloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 3). Doel van het de archeologische opgraving is het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennis vo rming over het verleden.

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Uit de res ultaten van het door ARC bv uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek en inven tariserend veldonderzoek (verkennende fas e) is gebleken dat er bij de aanleg van de Vogelbuurt delen van de 1 bodem zijn verstoord tot onder het mogelijke vondst vlak. Er zijn ec hter ook nog grote delen intact. Geconcludeerd is dat binnen de in tacte delen van de onderzoekslocatie archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Geadviseerd is om een vervolgonderzoek te laten uit voeren in de vorm van een archeologische begeleiding (IVO-AB ) van de sloop van de ondergrondse delen van de bebouwing. Mochten de resultaten van dez e begeleiding hier aanleiding toe geven, dan dient ook in de onb ebouwde delen die bij de heront wikkeling van de wijk verstoord gaan worden een vervolgonderz oek te worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO -P). Gevolgde onderzoek smethode Voordat het veldwerk plaats zou vinden is in overleg met het bevoegd gezag en de opdrachtgever overeen gekomen om na de sloop van de bovengrondse delen aan de buitenzijde van de funderingen kijkgaten aan te leggen. Deze kijkgaten waren bedoeld om te kunnen vast leggen in hoeverre de fu nderingen eventueel aanwezige archeologische resten reeds zouden hebben verstoord.

Op die manier kon al op voorhand worden vastgesteld bij welke bouwblokken wel of geen archeologische begele iding van de sloop van de funderingen noodzakelijk zou zijn. Deze kijkgat en kunnen daarom gezien worden als proefsleuven. Indien er een gerede kans bestond op het aantreffen van archeologische resten onder de funderingen, is geadviseerd om het verwijderen van de fundering van het betreffende bouwblok archeologisch te begeleiden. De uit voering van het onderzoek heeft plaatsgevonden in drie verschillende fases: -fase 1, inspectie (kijkgaten) 23 oktober 2012 en begeleiding 19 november 2012. -fase 2, inspectie (kijkgaten) 2 t/m 5 augustus 2013 en begeleiding 2 t/m 11 sept ember 2013. -fase 3, inspectie (kijkgaten) 11 t/m 13 november 2013 en begeleiding 23-1-2014. Hierbij ook de begeleiding van nieuwbouwfase bouwblok 5 op 22 -1-2014 (werkput 71). Er zijn tijdens het onderzoek in totaal 66 kijkgaten en 9 complete werkputten (bouwblokken) aang elegd. Zowel de kijkgaten als de complete werk putten hebben een werkputnummer gekregen. Tijdens de begeleiding van het verwijderen van de fundering in de bouwblokken is de fundering met beleid door de machinist verwijderd waarna het vlak met een gladde bak is opgeschoond om zo te kunnen bepalen of er al dan niet archeologische resten binnen het blok aanwezig waren. De vlakken zijn vervolgens gefotografeerd en ingemeten. 1

Hebinck 2009. 11085974 OUD.W02.ABG

In de vlakken waarin zich daadwerkelijk archeologische sporen bevonden zijn deze apart gefotogr afeerd, ingemeten en volledig gedocumenteerd (gecoupeerd, gefotografeerd, getekend en afgewerkt). Vondstmateriaal uit deze sporen is gedocumenteerd en gekoppeld aan het betreffende spoo r.

11085974 OUD.W02.ABG

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING ........................................................................................................................ 1 1.1 1.2

Ligging en huidige situatie plangebied ....................................................................... 1 Resultaten voorgaand onderzoek .............................................................................. 1

2

DOELS TE LLING ONDERZOEK ........................................................................................ 1

3

ARCHEOLOGISCHE GEGEVE NS VAN HE T PLA NGEB IED ................................................ 1 3.1 3.2

4

METHODIEK VELDONDERZOEK ...................................................................................... 4 4.1 4.2 4.3

5

Methode .................................................................................................................. 1 Het landschappelijke beeld ....................................................................................... 2

Inleiding................................................................................................................... 4 Methodiek opgraving ................................................................................................ 4 Onderzoeks vragen ................................................................................................... 4

RESULTA TEN VELDONDE RZOEK .................................................................................... 6 5.1 5.2 5.3

Landschapsgenese en bodemopbouw ....................................................................... 6 Analyse sporen en structuren.................................................................................. 21 Vondstmateriaal ..................................................................................................... 35 5.3.1 Aardewerk ................................................................................................. 35 5.3.2 Bouwmateriaal ........................................................................................... 42 5.3.3 Metaalslakken ............................................................................................ 42 5.3.4 Metaal ....................................................................................................... 45 5.3.5 Natuursteen ............................................................................................... 47 5.3.6 Houtskool .................................................................................................. 47

6

SYNTHESE ..................................................................................................................... 47

7

CONCLUS IE EN BEANTWOORDING VAN DE ONDE RZOEKSV RAGEN ........................... 49 7.1 7.2

Conclusie .............................................................................................................. 49 Beantwoording van de onderzoeks vragen ................................................................ 50

11085974 OUD.W02.ABG

LIJST VAN AFBEELDINGEN Afbeelding 1: profiel 1 aan de oostzijde werkput 1 Afbeelding 2: profiel 4 aan de westzijde werkput 4 Afbeelding 3: profiel 71 aan de noordzijde werk put 71 Afbeelding 4: profiel 20 aan de noordzijde werk put 16 Afbeelding 5: profiel 26 aan de noordzijde werk put 22 Afbeelding 6: profiel 29 aan de zuidzijde werkput 29 Afbeelding 7: profiel 36 aan de westzijde werkput 36 Afbeelding 8: profiel 38 aan de westzijde werkput 38 Afbeelding 9: profiel 45 aan de oostzijde werkput 45 Afbeelding 10: profiel 47 aan de noordoostzijde werkput 47 Afbeelding 11: profiel 48 aan de noordoostzijde werkput 48 Afbeelding 12: profiel 59 aan de zuidoostzijde werk put 59 Afbeelding 13: profiel 62 aan de noordwestzijde werkput 62 Afbeelding 14: profiel 66 aan de noordoostzijde werkput 66 Afbeelding 15: spoor 1 Afbeelding 16: zuiddeel werkput 5 Afbeelding 17: spoor 4, haardkuil Afbeelding 18: overzicht werkput 27, richting oost Afbeelding 19: overzicht werkput 71, richting oost Afbeelding 20: overzicht werkput 71, richting midden- en oostdeel Afbeelding 21: uitsnede Allesporenkaart werkput 71, oranje is structuur 5 Afbeelding 22: werk put 71, sporen 28 t/m 28 Afbeelding 23: werk put 71, overzicht structuur 3 en 5 Afbeelding 24: werk put 71, hutkom, spoor 30, structuur 3 Afbeelding 25: werk put 71, hutkom, spoor 30, structuur 3 Afbeelding 26: werk put 71, hutkom, spoor 33,

structuur 4 Afbeelding 27: werk put 71, hutkom, spoor 33, structuur 4 Afbeelding 28: werk put 71, waterput, spoor 74 Afbeelding 29: werk put 26, noorddeel Afbeelding 30: werk put 26, zuiddeel Afbeelding 31: werk put 26, hutkom, spoor 7, structuur 2 Afbeelding 32: werk put 26, hutkom, spoor 8, structuur 1 Afbeelding 33: werk put 26, hutkom, spoor 8, structuur 1 Afbeelding 34: typische Hessens-Schortens vormen, vondstnr. 42 Afbeelding 35: vondstnr. 11 Afbeelding 36: vondstnr. 33 Afbeelding 37: vondstnr. 41 Afbeelding 38: vergelijkbare pot vorm uit Westfalen, Lengerich -Hohe, bron: Ruhmann 2003 Afbeelding 39: kogelpotrand, vondstnr. 38 Afbeelding 40: kogelpotrand, vondstnr. 15 Afbeelding 41: vondstnr. 40, deel van vlakke bodem in ko gelpotbaksel, hybride vorm Afbeelding 42: vondstnr. 40, baksel bodem Afbeelding 43: vondstnr. 16, wandfragment kogelpot met gaatjes Afbeelding 44: vondstnr. 43, randfragment Wölbwandpot uit Mayen (type A9) Afbeelding 45: vondstnr. 30, bodem van ruwwandige Wölbwandpot Afbeelding 46: productie kogelpot (links) naar Verhoeven 1998 en eivormige en wijdmondige potten (rec hts) naar Lüdtke und Schietzel 2001 Afbeelding 47: vondstnr. 36, stukje wolf/gromp Afbeelding 48: vondstnr. 48, haardwand Afbeelding 49: het werktuigje zoals aangetroffen Afbeelding 50: röntgenopname van het object 11085974 OUD.W02.ABG

Afbeelding 51: houtresten van de oorspronkelijke steel Afbeelding 52: het werktuigje na conservering en restauratie Afbeelding 53: gereconstrueerde hutkom in de palts van Tilleda (D), bron: Groothedde 2013 LIJST VAN TABELLEN Tabel I: Bodemopbouw profiel 1 aan de oostzijde werk put 1 Tabel II: Bodemopbouw profiel 4 aan de westzijde werkput 4 Tabel III: Bodemopbouw profiel 71 aan de noordzijde werkput 71 Tabel IV: Bodemopbouw profiel 20 aan de noordzijde werkput 16 Tabel V: Bodemopbouw profiel 26 aan de noordzijde werkput 22 Tabel V I: Bodemopbouw profiel 29 aan de zuidzijde werkput 29 Tabel V II: Bodemopbouw profiel 36 aan de westzijde werkput 36 Tabel V III: Bodemopbouw profiel 38 aan de westzijde werkput 38 Tabel IX: Bodemopbouw profiel 45 aan de oostzijde werkput 45 Tabel X: Bodemopbouw profiel 47 aan de noordoostzijde werkput 47 Tabel XI: Bodemopbouw profiel 48 aan de noordoostzijde werkput 48 Tabel XII: Bodemopbouw profiel 59 aan de zuidoostzijde werkput 59 Tabel XIII: Bodemopbouw profiel 62 aan de noordwestzijde werk put 62 Tabel XIV: Bodemopbouw profiel 66 aan de noordoostzijde werkput 66 Tabel XV: Overzicht aardewerksoorten, aantal en datering Tabel XV I: Overzicht bouwmat eriaal, aant al en datering Tabel XV II: Overzicht metaalslakken, aantal en datering Tabel XV III: Overzicht natuursteen, aantal en datering Tabel XI X: Overzicht houtskoolmonsters en datering FIGUREN

Figuur 1. Overzicht van het plangebied met kijkgaten ten behoeve van archeologische inspectie (rood) en archeologisch begeleide bouwblokken (oranje) Figuur 2. Overzicht van Ulft met daarin de wijk de Vogelbuurt op de AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland). In rood de hogere delen, in groen de lagere delen BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8

Literatuur Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Allesporenkaart met interpretatie, werkput 4, 5, 27 en 71 Allesporenkaart met interpretatie, werkput 23, 24, 25 en 26 Sporenlijst Vondstenlijst met determinatie

11085974 OUD.W02.ABG

1 INLEI DING Econsultancy heeft in opdracht van Wonion een begeleiding uitgevoerd voor het Plangebied Vogelbuurt te Ulft in de gemeente Oude IJsselstreek (zie figuur 1). Binnen het plangebied wordt de bestaande woonwijk Vogelbuurt geherstructureerd. Hierbij zal een deel van de bestaande bouw, in totaal 242 woningen, worden gesloopt en zal nieuwbouw van 150 wo ningen worden gerealiseerd. Het archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om te bepalen of er een gerede kans is dat archeologische waarden wel of niet aanwezig (kunnen) zijn in de ondergrond, die door de voorgen omen bodemingrepen kunnen worden aangetast/ verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het k ader van de Wet op de Archeologische MonumentenZorg uit 2007 (WAMZ), voort vloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 3). 1.1 Ligging en huidige situatie plangebied Het plangebied bevindt zich binnen de wijk Vogelbuurt te Ulft in de gemeent e Oude IJsselstreek (zie figuur 1 en 2) en heeft een oppervlakte van circa 29,1 ha, waarvan circa 1,7 ha het onderzoeksgebied betreft. Volgens de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25. 000) ligt het plangebied op kaartblad 41C. Het maaiveld bevindt zich op een hoogte van circa 15,25 tot 16, 30 m +NAP.

De top van de natuurlijke ondergrond bevindt zich op een hoogte van circa 13,90 t ot 15,80 m +NAP. 1.2 Resultaten voorgaand onderzoek In juni 2009 is door drs. K.A. Hebinck van A RC bv een bureauonderzoek uitgevoerd. In juli 2009 is door ir. W.J.F. Thijs en drs. K.A. Hebinck van ARC bv een inventariserend veldonderzoek door middel 2 van boringen uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek en inven tariserend veldonderzoek (verkennende fas e) is gebleken dat er bij de aanleg van de Vogelbuurt delen van de 3 bodem zijn verstoord tot onder het mogelijke vondst vlak. Er zijn ec hter ook nog grote delen intact. Geconcludeerd is dat binnen de in tacte delen van de onderzoekslocatie archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. 2 DOELSTELLI NG ONDERZOEK Het doel van het de arc heologische opgraving is het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kenni svorming over het verleden. De opdrachtgever heeft geen aanvullende doelen en wensen kenbaar gemaakt die invl oed hebben op de onderzoeksopdracht. 3

ARCHEOLOGISCHE GEGEV ENS VAN HET PLANGEBI ED

3.1 Methode Tijdens het vooronderzoek is met behulp van bestaande bronnen een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. 4 Dit is in eerste instantie gedaan door het raadplegen van voor de archeologie relevante (schriftelijke) bronnen. Dit bet reft voornamelijk gegevens over bekende archeologische vindplaatsen in en rond het plangebied. Dit is aangevuld met historisch en fysisch-geografisch onderzoek, waarbij informatie over vroeger grondgebruik is verkregen door de analyse van historische kaarten en tevens gegevens over de geologie, geomorfologie en bodem zijn bestudeerd daarna is dit gespecificeerde verwachtingsmodel getoetst doormiddel van een booronderzoek. 5

2

Hebinck 2009. Hebinck 2009. 4 Hebinck 2009. 5 Hebinck 2009. 3

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 1 van 55

Daarna is het plangebied doormiddel van een archeologisch inventariserend veldonderzoek door mi ddel van boringen gewaardeerd. Geconcludeerd is dat binnen de in tacte delen van de onderzoekslocatie archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. 3.2

Het landschappelijke beeld 6

Geologie De ondergrond van de omgeving van Ulft maakt deel uit van een groot preglaciaal bekken. Dit bek ken is in eerste instantie gevormd door een voorloper van de Rijn, waarna het subglaciaal ver der is geërodeerd door het landijs tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (ca. 250. 000 - 130.000 jaar geleden). Tevens is toen het stuwwallengebied van Montferland ontstaan, welke zich bevindt ten westen van het plangebied. Het preglaciaal bek ken is tijdens het terugtrekken en daarmee het afsmelten van het landijs gedeeltelijk opgevuld met een dunne laag k eileem met daarop gla ciofluviale afzettingen van de Formatie van Drente. Nadat het landijs zich had terug getrokken hervat te de Rijn zijn oorspronkelijke loop ten oos ten van de stuwwallen van Mont ferland, rich ting het glaciale bekken van het huidige IJsseldal. Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 120.000 - 10.000 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet. Toentertijd heerste er in Nederland wel een continentaal periglaciaal klimaat. Dit houdt in dat de omstandigheden erg koud en droog waren. Het landschap in Nederland bestond uit een poolwoestijn, waarin vrijwel geen vegetatie aanwezig was. Ook in de eerste helft van het Weichselien bleef de Rijn stromen via het IJsseldal, tot na het eerste koude maximum (Vroeg -Pleniglaciaal, 74.000 tot 60.000 jaar geleden).

In de tweede helft van het Weichselien (vanaf 60. 000 jaar geleden) boog het Rijndal langzaam wes twaarts af, om tussen Montferland en de V eluwezoom richting de Betuwe en West -Nederland te gaan stromen. Tussen 40.000 en 25.000 jaar geleden heeft het merendeel van de Rijn door dit gebied g estroomd. Daarna verloor ook dit deel van de Rijn stapsgewijs haar afvoer, omdat de nog zuidelijker geleden verbindingen via het Niersdal en uiteindelijk de Gelderse Poort actief werden. De vlechtende rivierafzettingen die binnen het Oude IJsseldal tijdens het Pleniglaciaal zijn afgezet vormen het Laagterras. In het Oude IJsseldal is echter tot in ieder geval het einde van het Weichselien een Rijntak actief gebleven. Tijdens de relatief warme fasen in het Laat -Glaciaal (B ølling/Allerød interstadialen) had de tak van de Rijn die door het dal van de Oude IJssel stroomde een meanderend ka rakter en sneed zich in, in het Laagterras. Bij overstromingen wordt op het Laagterras een pakket (zandige) klei e afgezet die behoren tot de 1 Laag van Wijchen (Formatie van Kreftenheye). Tijdens de laatste koude periode (het Jonge Dryas, 12.750 tot 11.755 jaar geleden) werd een nieuw, ondiep dal gevormd, welke ook bek end staat als terras X. Hierbinnen zijn nog veel vlechtende rivie rgeulen bewaard gebleven, welke op basis van de aanwezige t opografie nog in het landschap te he rkennen zijn.

V anuit de vaak geheel of gedeeltelijk droogliggende bedding kon in het tweede deel van het Jonge Dryas (een zeer droge fase met sterke eolische activiteit) verstuivingen optreden, waardoor rivierduinen zijn gevormd langs de noordoostzijde van het dal van de Oude IJssel, bovenop het Laa gterras. Deze afz ettingen behoren tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen. Buiten de invloeds feer van de Rijn vond grootschalige afzetting van niveo-eolische en fluvio-eolische dekzanden (voorheen aangeduid als de Ou de Dekzanden) plaats, vooral tijdens het Laat-Pleniglaciaal. Dez e zanden worden gerekend tot de Formatie van B oxtel en betreffen vaak matig gesorteerde zanden, welke onder zeer koude omstandigheden door water en wind als een vlakke deken over het landschap zijn afgezet. Kenmerkend is dan ook dat deze zanden veelal horiz ontaal gelaagd zijn en dat er lemige banden in voorkomen. Deze afz ettingen worden vaak aangezien voor verspoelde dekzanden. De term verspoeld dekzand is enigszins misleidend. Het gaat namelijk niet om eolische zanden 6

De Mulder et al., 2003 / Berendsen, 2005 / Berendsen, 2008 / Cohen et al., 2009

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 2 van 55

die later zijn verspoeld, maar eerder om fluviatiele zanden die lat er deels zijn opgestoven. De droogeolische zanden, de dekzanden (voorheen Jonge Dekzanden), zijn afgez et tijdens het Laat-Glaciaal en behoren tot de Formatie van B oxtel, Laagpakket van Wierden. De zanden zijn veelal afgezet in de vorm van langgerekte, vaak ZW -NO georiënteerde ruggen. Gelaagdheid is hierin meestal niet aanw ezig, er komen geen leemlagen in voor en het betreft vaak goed gesorteerde zanden. Nog niet duidelijk is of direct aan het begin van het Holoceen (Preboreaal) de Rijn het gebied van de Oude IJssel definitief verlaten heeft of dat nog tot in het Preboreaal/ begin van het Boreaal (zie bijl age 1) een nevengeul actief bleef. Tijdens perioden van hoge Rijnwaterstanden was het mogelijk dat de lagere gelegen gebieden en depressies onder water kwamen te staan. Hierbij werd een (dunne) laag e (kom)klei afgezet (oude rivierklei), welke behoren tot de Formatie van Echteld of nog tot de 2 Laag van Wijchen van de Formatie van K reftenheye (oude rivierklei uit het Vroeg-Holoceen). Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. De ze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Box tel. In depressies kon tevens lokaal veenvorming plaats vinden, welke behoren tot de Formatie van Nieuwkoop.

Vanaf het Boreaal stroomde er circa 7000 jaar lang bijn a geen Rijnwater meer door het dal van de Oude IJssel, welke dus alleen maar zorgde voor lokale afwat ering. Pas vanaf de Romeinse tijd we rden er weer sedimenten afgezet in het gebied van de Oude IJssel, als gevolg van een toenemende sedimentlast en overstromings frequentie van de Rijn. De lagere gelegen gebieden en depressies kwamen weer opnieuw onder water te staan. Deze Laat-Holocene klei afzettingen behoren tot de Formatie van Echteld. Overstromingen in het gebied van de Oude IJssel hebben geleid tot reactivatie van geulstructuren die al in het Laat-Glaciaal waren gevormd. In het Vroeg - en Midden-Holoceen fungeerde het Oude IJsseldal niet tot nauwelijks als overloopgebied van de Rijn, waardoor in de lager gelegen en natte/drassige verlaten geulsystemen ve engroei kon plaats vinden (beperkte influx van overstr oe mingsklei). Vanaf de Middeleeuwen tot ver in de 20 eeuw fungeerde het Oude IJsseldal wel weer als overloopgebied. Dit was het gevolg van landinwaarts uitbreiden van de Rijndelta onder condities van sterk verhoogde sedimentlast aan slib, ten gevolge van prehistorische landbouw in Duitsland. 7

8

Geomorfologie en bodemk unde Op de Geomorfologische k aart van Nederland (1:50.000) is plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Het westelijk deel van het plangebied ligt waarschijnlijk op een te rras vlakte met geulen van een meanderend afwateringsstelsel (2M17). De terras vlakte maakt onde rdeel uit van het terrasniveau gevormd tijdens het Pleniglaciaal (het Laagterras), waarbinnen zich tijdens de relatief warme fasen in het Laat-Glaciaal (B ølling/Allerød interstadialen) een tak van de Rijn zich heeft ingesneden en een meanderend karakter had. Het oostelijk deel van het gebied ligt waa rschijnlijk binnen een terras restrug van het Laagterras dan bedekt is geraakt met rivierduinzand (3K23) tijdens het Jonge Dryas. Op rivierduinen komen volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) vaak vorst vaaggronden voor. De term “vaag” duidt erop dat de mate van bodemvorming beperkt is geweest. Dit is echter misleidend omdat bodemvorming zich gedurende het hele Holoceen heeft ku nnen plaats vinden. Beter is om t e spreken van een bruine bosgrond, waar vooral verbruining het b odemvormende proces is (een grond met een schrale bovengrond met daaronder een inspoelin gshorizont van humus met ijzer- en aluminiumoxiden). Binnen de laat-glaciale meanders komen zowel oude als nieuwe rivierkleigronden voor.

De oude rivierkleigronden vertonen grote gelijkenis met de bodem in de kleiige, laat-glaciale Maasterrassen, waar de normgronden radebrikgronden en kuilbrikgronden betreffen. In deze gronden heeft vooral kleiverplaatsing als bodemvormend proces plaatsgevonden. Waardoor een zwaarder getextureerde, meestal wat bruinere ins poelingshorizont ontstaat.

7 8

Alterra, 2003 Stichting voor Bodemkartering, 1980

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 3 van 55

4

METHODIEK V ELDONDERZOEK

4.1 Inleiding Voor de archeologische begeleiding is door Econsultancy een programma van Eisen opgesteld. 9 In dit document zijn de eisen vastgelegd waaraan het archeologische onderzoek dient te voldoen. De m ethodiek en onderzoeks vragen zoals die in het P vE zijn opgenomen, worden in dit hoofdstuk verwoord. Voor de begeleiding ten behoeve van de geplande nieuwbouw ter hoogt e van bouwblok 5 is een aa n10 vulling opgesteld op het bestaande P vE. 4.2 Methodiek opgraving Naast de eisen zoals omschreven in het P vE (en de aanvulling daarop) is het archeologisch onderzoek is uitgevoerd c onform de eisen en normen zoals aangegeven in de K waliteitsnorm Nederlandse Archeologie (K NA, versie 3.3, dec ember 2013), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voorafgaande aan het veldwerk is in overleg met het bevoegd gezag en de opdrachtgever overeen gekomen om na de sloop van de bovengrondse delen aan de buitenzijde van de funderingen kijkgaten aan te leggen. Deze kijkgaten waren bedoeld om te kunnen vast leggen in hoeverre de funderingen eventueel aanwezige archeologische resten reeds zouden hebben verstoord. Op die manier kon al op voorhand worden vastgesteld bij welke bouwblokken wel of geen archeologische begeleiding van de sloop van de funderingen noodz akelijk zou zijn.

Deze kijkgaten kunnen daarom gezien worden als proefsleuven. Indien er een gerede kans bestond op het aantreffen van archeologische resten onder de funderingen, is geadviseerd om het verwijderen van de fundering van het betreffende bouwblok archeologisch te begeleiden. Er zijn tijdens het onderzoek in totaal 66 kijkgaten en 9 complete werkputten (bouwblokken) aang elegd. Zowel de kijkgaten als de complete werkputten hebben een werkputnummer gekregen en zijn, net als de profielen, doorgenummerd. De uit voering van het onderzoek heeft plaatsgevonden in drie verschillende fases: -fase 1, inspectie (kijkgaten) 23 oktober 2012 en begeleiding 19 november 2012. -fase 2, inspectie (kijkgaten) 2 t/m 5 augustus 2013 en begeleiding 2 t/m 11 s ept ember 2013. -fase 3, inspectie (kijkgaten) 11 t/m 13 november 2013 en begeleiding 23-1-2014. Hierbij ook de begeleiding van nieuwbouwfase bouwblok 5 op 22 -1-2014 (werkput 71). Tijdens de begeleiding van het verwijderen van de fundering in bovengenoe mde bouwblokken is de fundering met beleid door de machinist verwijderd waarna het vlak met een gladde bak is opg eschoond om zo te kunnen bepalen of er al dan niet archeologische resten binnen het blok aanwezig waren. De vlakken zijn vervolgens gefotografeerd en ingemeten.

In de vlakken waarin zich daadwerkelijk archeologische sporen bevonden zijn deze apart gefotogr afeerd, ingemeten en volledig gedocumenteerd (gecoupeerd, gefotografeerd, getekend en afgewerkt). Vondstmateriaal uit deze sporen is gedocumenteerd en gekoppeld aan het betreffende spoor. 4.3 Onderzoeksvragen 11 In het Programma van Eisen is een aantal onderzoeks vragen opgenomen.

9

Broeke en Schutte, 2011. Diependaal 2014. 11 Broeke en Schutte, 2011. 10

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 4 van 55

Algemeen Bij het archeologisch onderzoek dienen de volgende onderzoeks vragen een rol te spelen (waar schijnlijk kunnen niet alle vragen beantwoord worden gezien de beperktheid van het onderzoek):  Komt de bodemopbouw in het plangebied overeen met de res ultaten van het reeds uit gevoerde invent ariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek?  Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig?  Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herk omst, kwaliteit en locatie van de archeolog ische resten (horizontaal en verticaal)?  Heeft het een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische loc aties en welke is dat?  Welke gegevens over de aanget roffen vindplaatsen kunnen de archeologische k ennis van de regio aanscherpen?  Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving.

 Is sprake van (een) behoudens waardige vindplaats(en)?  Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de om geving?  Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet?  Op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische resten te worden omgegaan?  Indien er geen archeologische resten worden aanget roffen, wat is de reden voor de afwe zigheid van archeologisch resten?  In welke mate is het plangebied verstoord? Specifieke onderzoek svragen Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere ar cheologische kenmerk en van de vindplaatsen.

Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid:  Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen?  Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: o de ligging (inclusief diept eligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site-patronen o de samenstelling van de arc heologische resten (grondsporen en mobilia) o Wat is, indien aanwezig, de ouderdom van de cultuurlaag? o de vondst- en spoordicht heid o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vind plaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen:  Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor statigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen?  Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in de omgeving lo caties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden?  In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische recon structie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein?

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 5 van 55

5

RESULTATEN VELDONDERZOEK

5.1 Landschapsgenese en bodemopbouw Hieronder wordt van de verschillende fasen van de sloopbegeleiding en aanvullende begeleiding ti jdens verwijderen van de fundering (daar waar tijdens de sloopbegeleiding archeologische resten en/of sporen werden aangetroffen in de kijkgaten) een algemeen beeld gegeven van de aangetroffen b odemopbouw, waaruit de landschappelijke ligging van de verschillende delen van het plangebied b epaald konden worden. Fase 1 sloopbegeleiding en aanvullende begeleiding verwijderen f undering bouwblok k en Mezenpa d 150 t/m 158, Valk enhof 10 t/m 13, 64 t/m 71 en 56 t/m 55 De sloopbegeleiding is van start gegaan aan het Mezenpad 150 t/m 158 (werkputten 1 en 2). Hier is de fundering verwijderd die doorliep tot circa 60 cm -mv. Dez e fundering ligt in een verstoorde context namelijk de oorspronkelijke bouwput. Deze bouwput heeft de ondergrond minimaal 100 cm en lokaal tot 130 cm beneden het maaiveld verstoord. De indruk is dat deze bouwput het gehele perceel b eslaat. Aan de oostzijde van werkput 1 kon een profiel worden gedocumenteerd (zie afbeelding 1). Afbeelding 1: profiel 1 aan de oostzijde werkput 1

De bodemopbouw bestaat onder de tegelverharding en de dunne laag cunetzand uit twee geroe rde/ verstoorde lagen, tussen 12 en 118 cm -mv (van circa 15,80 naar 14,75 NAP ). De bovenste laag bestaat uit Donkerbruin gekleurd en gevlekt, zwak humeus, zwak siltig, matig fijn zand met enkele resten recent baksteen, de onderste uit lichtgrijsbruin gekleurd en gevlekt, zwak siltig, matig fijn zand. Beide lagen zijn antropogeen aangebracht e lagen/ophogingslagen, z eer waarschijnlijk nadat de bouwput was uit gegraven ten behoeve van de voorheen aanwezige bebouwing. De onverstoorde b odem (vanaf circa 14,75 m +NAP) betreft direct de C-horizont, in de vorm van geellichtbruin gekleurd,

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 6 van 55

sterk lemig, matig fijn zand met roest vlekken. Op basis van de lemigheid van het sediment gaat het zeer waarschijnlijk om verspoelde rivierduinafz ettingen die afgespoeld zijn in de richting van de ten westen gelegen terras vlakte met geulen van een meander end afwateringsstelsel. Landschappelijk neemt de locatie Mezenpad, en daarmee waarschijnlijk de westelijke z one van het plangebied, een landschappelijke ligging in op de flank van de rivierduin/onvergangszone naar de ten westen gelegen terras vlakte. In het profiel is geen oorspronkelijke/oudere antropogene bodemopbouw aanwezig waa rdoor het niet mogelijk is om definitieve uitspraken te doen of een eventueel archeologisch niveau i ntact is. De kans op een int act archeologische niveau lijkt echter minimaal te z ijn. Oorspronkelijk komen op rivierduinen bruine bosgronden voor. Ter plaatse van het genomen profiel kan voorheen een pla ggendek zijn opgebracht. Ervan uitgaand dat er mogelijk sprake is geweest van een gemiddeld 50 cm dik plaggendek zal het archeologisch sporenniveau zichtbaar zijn geweest tussen 50 en 100 cm minus het oorspronkelijke maaiveld. Wanneer de dikte van de antropogeen aangebrachte l agen/ophogingslagen hetzelfde is als de ontgravingsdiepte dan zal hierbij het archeologisch sporenn iveau en de laag waarin archeologische resten kunnen worden verwacht, verwijderd zijn.

Tabel I: Bodemopbouw profiel 1 aan de oostzijde werkput 1 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 5 cm

-

Stoeptegels

5 - 12 cm

Lichtgrijsgeel gekleurd, zwak siltig, matig f ijn zand

Cunet-/stabilisatiezand

12 - 56 cm

Donkerbruin gekleurd, zwak humeus, zwak siltig, matig f ijn zand, gev lekt en enkele resten recent baksteen

Geroerde/v erstoorde laag, aangebrachte laag/ophogin gslaag

56 - 118 cm

Lichtgrijsbruin gekleurd, zwak siltig, matig f ijn zand, gev lekt

Geroerde/v erstoorde laag, aangebrachte laag/ophogin gslaag

118 - 130 cm

Geellichtbruin gekleur d, sterk siltig (lemig), matig f ijn zand met roestv lekken

C-horizont, v erspoeld riv ierduinzand

Tijdens de sloopbegeleiding aan het V alkenhof 10 t/m 13, 64 t/m 71 en 56 t/m 55 is in diverse kijkg aten een intact bodemprofiel aangetroffen. Op basis van deze intacte bodemopbouw is besloten de verwijdering van de fundering ook archeologisch te laten begeleiden. Hieronder worden t wee ged ocumenteerde profielen weergegeven en besproken. Profiel 4 is genomen langs de westzijde van werk put 4 (zie afbeelding 2). Hier bestaat de bodemopbouw vanaf het maaiveld t ot circa 38 cm -mv (tussen circa 13,85 en 13,45 m + NAP) uit donkerbruingrijs gekleurd, matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand. Dit betreft het recent geroerde deel van een plaggendek en fungeert als huidige bouwvoor. Hieronder is het plaggendek intact aanwezig, tot circa 54 cm -mv (tot circa 13,3 m + NAP). Onder het plaggendek is een circa 10 cm dikke gebioturbeerde AC -horizont aanwezig (mollenlaag), waarna de overgang plaats vind naar de C-horizont. Het oorspronkelijke moedermateriaal bestaat uit zwak siltig, matig fijn zand en betreft rivierduinzand. Een oorspronkelijk bodemprofiel in de vorm van een holtpo dzolgrond (bruine bosgrond) is meest waarschijnlijk.

Het opbrengen van het plaggendek en/of de agr arische bewerking van het terrein, voordat het plangebied deel ging uitmaken van de bebouwde kom van Ulft, heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat het oorspronkelijke bodemprofiel tot voorbij de ve rbruinings -Bws-horizont is verstoord. Op basis van deze bodemopbouw kunnen archeologische resten en sporen in situ/intact worden aangetroffen. Daarom is het verwijderen van de fundering ook arche ologisch begeleid. Hierbij zijn archeologische resten en structuren aangetroffen (zie 5.3).

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 7 van 55

Afbeelding 2: profiel 4 aan de westzijde werkput 4

Tabel III: Bodemopbouw profiel 4 aan de westzijde werkput 4 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 38 cm

Donkerbruingrijs gekleurd, matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand

Aap-hori zont, huidige bou wv oor, recent geroerd plagge ndek

38 - 54 cm

Grijsbruin gekleurd, zwak tot matig humeus, zwak siltig, matig f ijn zand

Aa-hori zont, plaggend ek/akkerlaag

54 - 65 cm

Lichtgrijsbruin gekleurd, zwak humeus, zwak siltig, matig fijn zand, gebioturbeer d

AC-horizont, mollenlaag

65 - 75 cm

Lichtbruingeel gekleur d, zwak siltig, matig f ijn zand

C-horizont, riv ierduinzand

Profiel 71 is genomen langs de noordzijde van werk put 71, tijdens de aanvullende begeleiding van het verwijderen van de fundering. De bodemopbouw (zie afbeelding 3) verschilt niet veel van profiel 4. Er is duidelijk sprake van een plaggendek en is circa 60 cm dik, inclusief de huidige bouwvoor (tussen circa 15,7 en 15,1 m +NAP ). Hieronder is weer een overgangs-A C-horizont aanwezig (mollenlaag) van circa 20 cm dik (tussen circa 15,1 en 14,9 m +NAP) en vervolgens de C-horizont, in de vorm van rivierduinzand. Ook hier zijn restanten van de t er verwachten oorspronkelijke bruine bosgrond niet waargenomen, waarmee deze waarschijnlijk is meegemengd tijdens het opbrengen van het plagge ndek.

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 8 van 55

Afbeelding 3: profiel 71 aan de noordzijde werkput 71

Tabel IIIII: Bodemopbouw profiel 71 aan de noordzijde werkput 71 DiepteTijde

Samenstelling

Interpretatie

0 - 26 cm

Donkerbruingrijs gekleurd, matig humeus, matig siltig, matig f ijn zand

Aap-hori zont, huidige bou wv oor, recent geroerd plagge ndek

26 - 60 cm

Grijsbruin gekleurd, zwak tot matig humeus, matig siltig, matig f ijn zand

Aa-hori zont, plaggend ek/akkerlaag

60 - 80 cm

Lichtgrijsbruin gekleurd, zwak humeus, zwak siltig, matig fijn zand, gebioturbeer d

AC-horizont, mollenlaag

78 - 120 cm

Lichtbruingeel gekleur d, matig siltig, matig f ijn zand

C-horizont, riv ierduinzand

Fase 2 sloopbegeleiding en aanvullende begeleiding verwijderen fundering bouwblok k en Valk enhof 6 t/m 9, Vink enpad 1 t/m 12, Park ietstraat 2 t/m 18 en Patrijs straat 1 t/m 16 Tijdens de sloopbegeleiding aan het Valkenhof 6 t/m 9, het Vinkenpad 1 t/m 12, de P arkietstraat 2 t/m 18 en de Pat rijsstraat 1 t/m 16 zijn onder de fundering nog een restant van de natuurlijke bodemo pbouw aangetroffen. In profiel 20 (zie onderstaande afbeelding 4), genomen langs de noordzijde van werk put 16, is nog een dun restant van het oorspronkelijke plagendek aanwezig, tussen 110 en 114 cm -mv (tussen circa 15,10 en 15,06 m +NAP ). Het restant plaggendek bestaat uit Grijsbruin gekleurd, zwak tot matig humeus, matig siltig, matig fijn zand. Onder het plaggendek is een circa 10 cm dikke gebioturbeerde AC-horizont aanwezig (mollenlaag), waarna de overgang plaats vind naar de Chorizont. Het oors pronkelijke moedermateriaal bestaat uit zwak siltig, matig fijn zand en betreft rivie r-

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 9 van 55

duinzand. Ter plaatse van profiel 26 (zie onderstaande afbeelding 5) is de boden intact vanaf een restant van de AC-horizont (mollenlaag). Ook hier is de verwachting dat er sprake zal zijn geweest van een holtpodzolgrond (bruine bosgrond) als natuurlijke bodemopbouw, maar dat deze dermate ve rmengd is tijdens het opbrengen van het plaggendek dat natuurlijke bodemhorizonten niet herkenbaar zijn boven de C-horizont. Wel is het vlak, waarin arc heologische s poren meest duidelijk zichtbaar zijn, nog intact aanwezig (onderzijde/onderste deel van de A C-horizont). Daarom is het verwijderen van de fundering ook archeologisch begeleid. Hierbij zijn archeologische resten en structuren aangetroffen (zie 5.3). Tijdens de begeleiding van het verwijderen van de fundering was het niet noodzakelijk nie uwe profielen te documenteren. De kijkgaten gegraven tijdens/direct na de bovengrondse sloop hebben voldoende inzicht gegeven in de bodemopbouw van dit deel van het plangebied. Afbeelding 4: profiel 20 aan de noordzijde werkput 16

Tabel IVV: Bodemopbouw profiel 20 aan de noordzijde werkput 16 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 110 cm

-

Fundering + betonpl aat

110 -114 cm

Grijsbruin gekleurd, zwak tot matig humeus, matig siltig, matig f ijn zand

Restant Aa-horizont, plaggendek/akkerlaag

114 - 122 cm

Bruingeel gekle urd, zwak humeus, zwak siltig, matig fijn zand, gebioturbeer d

AC-horizont, mollenlaag

122 - 140 cm

Lichtbruingeel gekleur d, zwak siltig, matig f ijn zand

C-horizont, riv ierduinzand

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 10 van 55

Afbeelding 5: profiel 26 aan de noordzijde werkput 22

Tabel V: Bodemopbouw profiel 26 aan de noordzijde werkput 22 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 106 cm

-

Fundering

106 - 118 cm

Bruingeel gekle urd, zwak humeus, zwak siltig, matig fijn zand, gebioturbeer d

Restant AC-horizont, mollenlaag

118 - 140 cm

Lichtbruingeel gekleur d, zwak siltig, matig f ijn zand

C-horizont, riv ierduinzand

Fase 3 sloopbegeleiding bouwblokk en Akk erstraat 28-40, Lijsterstraat 29-43, Fazantstraat 8-20 en 3547, Merellaan 41-51, Collibristraat 1-19, Mezenpad 90-96, Zwaluwpad 2-8, Ek sterstraat 32-90, Buizerdweg 2-18 en Vogelenzangweg 1-23 Tijdens de sloopbegeleiding van de bouwblokken aan de Akkerstraat 28 -40, Lijsterstraat 29-43, Fazantstraat 8-20 en 35-47, Merellaan 41-51, Collibristraat 1-19, Mezenpad 90-96, Zwaluwpad 2-8, Eksterstraat 32-90, Buizerdweg 2-18 en V ogelenzangweg 1-23 zijn voornamelijk diep verstoorde bodem profielen aangetroffen, waaruit blijkt dat het niveau waarop de archeologische resten zijn te verwac hten reeds vergraven is. In profiel 29 (zie onderstaande afbeelding 6), genomen langs de zuidzijde van werk put 29, loopt de fundering door t ot 145 cm -mv (circa 14,25 m +NAP). Hieronder is een 15 cm dikke geroerde/ verstoorde laag aanwezig, bestaande uit donkerbruingrijs gekleurd, matig siltig, matig fijn zand met resten recent puin. De onverstoorde bodem, vanaf circa 14,1 m +NAP) betreft direct de C-horizont, in de vorm van oranjegeel tot lichtbruingrijs gekleurd, sterk zandige klei tot sterk kleiig e zand met veel gley vlekken. Dit bet reft de overgang naar de Laag van Wijchen (1 Laag van Wijchen), dat tussen het pakket rivierduin en de vlechtende rivierterrasafzettingen worden verwacht. Het pakket

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 11 van 55

rivierduinzand is ter plaatse vrijwel geheel afgegraven en daarmee ook het archeologisch niveau waarin arc heologische resten/sporen worden verwacht (in het oorspronkelijke bovenste deel van de e rivierduin). De 1 Laag van Wijchen zal zijn gesedimenteerd tijdens de warme fasen van het LaatGlaciaal, de B ølling/Allerød interstadialen. Ten opzichte van NAP heeft de locatie van proefput 29 en andere direct nabij gelegen proefputten (proefputten 29, 30 en 31) een lagere ligging, waardoor het pakket rivierduinafz ettingen ter plaatse minder dik zal zijn geweest (in vergelijking met de onderzochte locaties van de fasen 1 en 2). Afbeelding 6: profiel 29 aan de zuidzijde werkput 29

Tabel VI: Bodemopbouw profiel 29 aan de zuidzijde werkput 29 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 145 cm

-

Fundering

145 - 160 cm

Donkerbruingrijs gekleurd, matig siltig, matig f ijn zand met resten puin

Geroerde/v erstoorde laag

160 - 180 cm

Oranjege el tot lichtbruingrijs gekleurd, sterk zandige klei tot sterk kleiig zand met v eel gleyvlekken

C-horizont, onder zijde riv ierduin/ov ergang naar Laag Wijchen

In profiel 36 (zie onderstaande afbeelding 7), genomen langs de westzijde van werkput 36, is sprake van een deels intact bodemprofiel. Onder de fundering die doorloopt tot circa 75 cm -mv, oogt het onverstoorde deel van de bodemopbouw een deels intact restant van een holtpodzolgrond (bruine bosgrond), dat zich van nature in de top van het rivierduin heeft gevormd. Tussen 75 en 92 cm -mv (circa 14,95 en 14,87 m +NAP) bevindt zich nog een restant van de Bws-horizont, in de vorm van bruin tot donkerbruin gekleurd, matig sitlig, matig fijn zand. Wellicht heeft ter plaatse waar nu de fu n-

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 12 van 55

dering ligt voorheen een plaggendek gelegen. De onderliggende overgangs -B C-horizont, met een dikte van circa 15 cm, is licht gebioturbeerd. V anaf 107 cm -mv (circa 14,63 m + NAP) bevindt zich de C-horizont. Het rivierduinzand is lemiger vergeleken met eerder besproken profielen. Omdat het niveau waarop de archeologische resten aanwezig kunnen zijn nog intact is, is geadviseerd de verwijdering van de fundering van dit bouwblok ook arc heologische te laten begeleiden. Hierbij zijn echter geen archeologische resten of s poren aangetroffen. Het was het niet noodzakelijk aanvullende profi elen te documenteren, omdat deze geen extra informatie zouden opleveren naast het reeds gedoc umenteerde profiel 36. Afbeelding 7: profiel 36 aan de westzijde werkput 36

Tabel VII: Bodemopbouw profiel 36 aan de westzijde werkput 36 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 75 cm

-

Fundering

75 - 92 cm

Bruin tot donkerbruin gekleurd, matig sitlig, matig f ijn zand

Bws-hori zont v an holtpodzolprof iel

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 13 van 55

92 - 107 cm

Lichtbruin gekleurd, matig sitlig, matig fijn zand, licht gebioturbeerd

Ov ergangs-BC-horizont

107 - 120 cm

Lichtbruingeel gekleur d, zwak tot matig siltig, matig f ijn zand, v rij goed gesorteerd za nd

C-horizont, riv ierduinzand

In profiel 38 (zie onderstaande afbeelding 8), genomen langs de westzijde van werkput 38, hebben ter plaatse dermate bodemverstorende ingrepen plaatsgevonden dat het niveau waarop de archeologische resten zijn te verwachten niet meer intact aanwezig is. De bodemopbouw bestaat vanaf het maaiveld tot circa 75 cm -mv uit een geroerde/ verstoorde laag van bruinbeige gekleurd, zwak tot matig siltig, matig fijn zand. De dikte is vergelijkbaar met de fundering van het huizenblok (Collibristraat 1 19). Verwacht wordt dan ook dat het om teruggestorte grond gaat, nadat de bouwput voor de woni ngen was uitgegraven. Tussen circa 75 en 92 cm (tussen circ a 14, 95 en 14,87 m +NAP) komt nog een geroerde laag humeus zand voor. Mogelijk betreft dit een geroerd deel van de oorspronkelijke hume uze bovengrond of een plaggendek. De overgang naar de onderliggende C-horizont is zeer scherp. Het bestaat uit lichtbeige gekleurd, zwak tot matig siltig, matig fijn zand en betreft rivierduinzand. Afbeelding 8: profiel 38 aan de westzijde werkput 38

Tabel VIII: Bodemopbouw profiel 38 aan de westzijde werkput 38 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 75 cm

Bruinbeig e gekleurd, zwak tot matig siltig, matig fijn zand

Geroerde/v erstoorde laag

75 - 92 cm

Donkergrijsbruin gekleurd, zwak humeus, zwak tot matig siltig, matig f ijn zand

Geroerde/v erstoorde laag, v erstoord deel v an oorspronkelijk plaggen dek?

92 - 120 cm

Lichtbeige gekleurd, zwak tot matig siltig, matig fijn zand, v rij goed gesorteerd zand

C-horizont, riv ierduinzand

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 14 van 55

Ter plaatse van profiel 45 (zie onderstaande afbeelding 9), genomen langs de oostzijde van werkput 45, is het onverstoorde deel van de bodemopbouw vergelijkbaar met profiel 29. Tot circa 90 cm -mv bestaat de opbouw uit de fundering met hieronder een laag lichtbruinbeige gekleurd, matig sitlig, matig fijn zand, waarvan de laatste een laag stabilisatiezand/teruggestort zand bet reft. De onverstoorde bodem, vanaf circa 15,0 m +NAP, betreft direct de C-horizont, in de vorm van bruingrijs gekleurd, e sterk zandige klei tot sterk kleiig zand met veel gley vlekken en betreft de Laag van Wijchen (1 Laag van Wijchen). Het profiel ligt in de meest westelijke zone van het plangebied. Dit deel van het plang ebied ligt waarschijnlijk direct ten oosten van de terras vlakte met geulen van een meanderend afwateringsstelsel. Indien er een pakket rivierduinzand heeft gelegen is de verwachting dat deze minder d ik zal zijn geweest (flank van een rivierduin die in oostelijke richting oploopt). Verstoringen lopen tot m inimaal aan de top van de C-horizont. Restanten van een bodemprofiel zijn niet waargenomen. Door het ontbreken van het niveau waarop de archeologische resten zijn t e verwachten, werd geen verdere begeleiding noodzakelijk geacht. Afbeelding 9: profiel 45 aan de oostzijde werkput 45

Tabel VX: Bodemopbouw profiel 45 aan de oostzijde werkput 45 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 75 cm

-

Fundering

75 - 90 cm

Lichtbruinbeige gekleu rd gekleurd, zwak sitlig, matig fijn zand

Stabilisatiezand/terugg estort zand

90 - 120 cm

Bruingrijs gekleurd, sterk zandige klei tot sterk kleiig zand met v eel gleyv lekken

C-horizont, onder zijde riv ierduin/ov ergang naar Laag Wijchen

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 15 van 55

Ter plaatse van profiel 47 (zie onderstaande afbeelding 10), genomen langs de noordoostzijde van werk put 47, komt onder de fundering tussen 75 en 100 cm -mv (tussen circa 14,9 en 14,65 m +NAP) een laag licht bruin tot bruingrijs gekleurd, sterk zandige klei tot sterk kleiig zand met zwak gley vlekken voor. Hieronder komt lichtbruin t ot lichtbruingrijs gekleurd, matig siltig, matig fijn tot zeer grof zand met laagjes grind. De laagjes grind geeft duidelijk aa n dat het de overgang betreft naar vlechtende rivie rterras afzettingen. Waarschijnlijk gaat het om een hoger gelegen terrasresten van het Laagterras (waarop in veel gevallen een Wijchen Laag is afgezet en vervolgens rivierduinafzettingen, direct naast de lager gelegen restgeulen van Terras X). De laag zandige klei tot sterk kleiig z and betreft de Wi jchen Laag. Rivierduinzand is niet meer aanwezig. Dit zal zeer waarschijnlijk geheel zijn afgegraven tijdens de aanleg van de funderingen (uitgraven bouwput). Verstoringen lopen tot minimaal aan de top van de C-horizont. Restanten van een bodemprofiel zijn niet waargenomen. Door het ontbreken van het niveau waarop de archeologische resten zijn te verwacht en, werd geen verdere begeleiding noo dzakelijk geacht. Afbeelding 10: profiel 47 aan de noordoostzijde werkput 47

Tabel X: Bodemopbouw profiel 47 aan de noordoostzijde werkput 47 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 75 cm

-

Fundering

75 - 100 cm

Lichtbruin tot bruingrijs gekleurd, sterk zandige klei tot sterk kleiig zand met zwak gleyv lekken

C-horizont, onder zijde riv ierduin/ov ergang naar Laag Wijchen

100 - 120 cm

Lichtbruin tot lichtbruingrijs gekleurd, matig siltig, matig f ijn tot zeer grof zand met laagjes grind

C-horizont, ov ergang naar v lechtende riv ierterrasaf zettingen (hoog gelegen terrasrest v an Laagterras)

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 16 van 55

Ter plaatse van profiel 48 (zie onderstaande afbeelding 11), genomen langs de noordoostzijde van werk put 48, hebben de graafwerkzaamheden plaatsgevonden tot aan dan wel in de top van de vlechtende rivierterrasafzettingen (Laagterras). Onder de fundering komen eerst twee lagen stabilisatiezand/teruggestort zand voor. De onderliggende vlecht ende rivierterrasafzettingen, vanaf circa 90 cm mv (circa 13,95 m + NAP), bestaat uit lichtbruin t ot lichtbruingrijs gekleurd, matig siltig, matig fijn tot zeer grof zand met laagjes grind. Rivierduinz and en een Wijchen Laag zijn niet meer aanwezig. Door het ontbreken van het niveau waarop de archeologische resten zijn t e verwachten, werd geen verdere begeleiding noodzakelijk geacht. Afbeelding 11: profiel 48 aan de noordoostzijde werkput 48

Tabel XI: Bodemopbouw profiel 48 aan de noordoostzijde werkput 48 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 75 cm

-

Fundering

75 - 80 cm

Bruin gekleurd, zwak humeus, zwak siltig, matif f ijn zand

Stabilisatiezand/terugg estort zand

80 - 90 cm

Lichtbruinbeige gekleu rd gekleurd, zwak sitlig, matig fijn zand

Stabilisatiezand/terugg estort zand

90 - 105 cm

Lichtbruin tot lichtbruingrijs gekleurd, matig siltig, matig f ijn tot zeer grof zand met laagjes grind

C-horizont, ov ergang naar v lechtende riv ierterrasaf zettingen (hoog gelegen terrasrest v an Laagterras)

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 17 van 55

In profiel 59 (zie onderstaande afbeelding 12), genomen langs de zuidoostzijde van werk put 59, is sprake van een deels intact bodemprofiel vergelijkbaar met profiel 36. Onder de fund ering bevindt zich eerst een 20 cm dikke laag stabilisatiezand/teruggestort zand. De onverstoorde bodemopbouw, vanaf 95 cm -mv (14,55 m + NAP) betreft een deels intact restant van een holt podzolgrond (bruine bosgrond), dat zich van nature in de top van het rivierduin heeft gevormd. Tussen 95 en 107 cm -mv (circa 14,55 en 14,43 m +NAP) bevindt zich nog een restant van de B ws-horizont, in de vorm van bruin tot donkerbruin gekleurd, matig sitlig, matig fijn zand. Wellicht heeft ter plaatse waar nu de fundering ligt voorheen een plaggendek gelegen. De onderliggende overgangs -B C-horizont, met een dikte van circa 15 cm, is licht gebioturbeerd. Vanaf 122 cm -mv (circa 14,28 m +NAP) bevindt zich de Chorizont. Omdat het niveau waarop de archeologische resten aanwezig kunnen zijn nog intact is, is geadviseerd de verwijdering van de fundering van dit bouwblok ook archeologische te laten begele iden. Hierbij zijn echter geen arc heologische resten of sporen aangetroffen. Het was het niet noodzakelijk aanvullende profielen te documenteren, omdat deze geen extra informatie zouden opleveren naast het reeds gedocument eerde profiel 59. Afbeelding 12: profiel 59 aan de zuidoostzijde werkput 59

Tabel XIVI: Bodemopbouw profiel 59 aan de zuidoostzijde werkput 59 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 75 cm

-

Fundering

75 - 95 cm

Lichtgeelwit gekleurd, zwak sitlig, matig fijn zand

Stabilisatiezand/terugg estort zand

95 - 107 cm

Bruin tot donkerbruin gekleurd, matig sitlig, matig f ijn zand

Restant Bws-horizont v an holtpodzolprof iel

107 - 122 cm

Lichtbruin gekleurd, matig sitlig, matig fijn zand, licht gebioturbeerd

Ov ergangs-BC-horizont

122 - 130 cm

Lichtbruingeel gekleur d, zwak tot matig siltig, matig f ijn zand, v rij goed gesorteerd za nd

C-horizont, riv ierduinzand

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 18 van 55

Ter plaatse van profiel 62 (zie onderstaande afbeelding 13), genomen langs de noordwestzijde van werk put 62, hebben de graafwerkzaamheden plaatsgevonden tot aan dan wel in de top van de Wi jchen Laag. De opbouw is vergelijkbaar met bijvoorbeeld dat van profiel 47. Tot 85 cm -mv bevindt zich de fundering en een 10 cm dikke laag stabilisatiezand/teruggestort zand. De onverstoorde bodem betreft eerst een Wijchen Laag, bestaande uit grijsbruin gekleurd, sterk zandige klei tot sterk kleii g zand met sterk gley vlekken en voorkomend t ussen 85 en 105 cm -mv (t ussen circa 14,5 en 14,3 m +NAP). De onderliggende vlechtende rivierterrasafzettingen bestaat uit bruingrijs gekleurd, zwak siltig, sterk grindig, matig grof zand. Het zand is scherp aanvoelend en slecht gesorteerd, kenmerkend voor rivierzand/ vlechtende riviert errasafzettingen. Zeer waarschijnlijk is ter plaatse de laag rivierduinzand afgegraven. Door het ontbreken van het niveau waarop de archeologische resten zijn te verwachten, werd geen verdere begeleiding noodzakelijk geacht. Afbeelding 13: profiel 62 aan de noordwestzijde werkput 62

Tabel XIIVII: Bodemopbouw profiel 62 aan de noordwestzijde werkput 62 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 75 cm

-

Fundering

75 - 85 cm

Donkerbruin tot lichtgeelwit gekleurd, zwak sitlig, matig f ijn zand

Stabilisatiezand/terugg estort zand

85 - 105 cm

Grijsbruin gekleurd, sterk zandige klei tot sterk kleiig zand met sterk gleyv lekken

1 Laag v an Wijchen

105 - 125 cm

Bruingrijs gekleurd, zwak siltig, sterk grindig, matig grof zand, scherp aanv oelend en slecht gesorteerd

C-horizont, ov ergang naar v lechtende riv ierterrasaf zettingen (hoog gelegen terrasrest v an Laagterras), Formatie v an Kref tenhey e

11085974 OUD.W02.ABG

e

Pagina 19 van 55

Ter plaatse van profiel 66 (zie onderstaande afbeelding 14), genomen langs de noordoostzijde van werk put 62, zijn de graafwerkzaamheden uitgevoerd tot aan dan wel in de top van de vlechtende riviert errasafzettingen (Laagterras), vergelijkbaar met bijvoorbeeld profiel 48. De bodemopbouw bestaat onder de funderingsplaat (circa 30 cm dik) uit een laag stabilisatiezand/teruggestort zand, in de vorm van lichtbruin tot lichtgrijswit gekleurd, zwak sitlig, matig fijn zand. Samen met de betonvloer is dikte is vergelijkbaar met de fundering van het huizenblok (Vogelenzangweg 1-23), waardoor een uitgravingsdiepte geldt van 75 cm. De onderliggende vlechtende rivierterrasafzettingen, vanaf circ a 75 cm -mv (circa 14,5 m +NAP), bestaat uit bruingrijs gekleurd, zwak siltig, sterk grindig, matig grof zand. Het zand is scherp aanvoelend en slecht gesorteerd, kenmerkend voor rivierzand/ vlec htende rivierterrasafzettingen. Zeer waarschijnlijk is ter plaatse de laag rivierduinzand als de Wijchen Laag afgegraven. Bodemhorizonten zijn niet waargenomen. Door het ontbreken van het niveau waarop de archeologische resten zijn te verwachten, werd geen verdere begeleiding noodz akelijk geacht. Afbeelding 14: profiel 66 aan de noordoostzijde werkput 66

Tabel XIV: Bodemopbouw profiel 66 aan de noordoostzijde werkput 66 Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 30 cm

-

Fundering

30 - 75 cm

Lichtbruin tot lichtgrijswit gekleurd, zwak sitlig, matig f ijn zand, licht ijzer uit-/inspoeling

Stabilisatiezand/terugg estort zand

75 - 100 cm

Bruingrijs gekleurd, zwak siltig, sterk grindig, matig grof zand, scherp aanv oelend en slecht gesorteerd, gelaagd

C-horizont, ov ergang naar v lechtende riv ierterrasaf zettingen (hoog gelegen terrasrest v an Laagterras), Formatie v an Kref tenhey e

11085974 OUD.W02.ABG

Pagina 20 van 55

Algemeen beeld van de bodemopbouw De gedocumenteerde profielen laten zien dat rivierduinafzettingen voornamelijk nog voorkomen in het zuidelijke deel van het plangebied en dat hier nog een intact bodemprofiel in voorkomt. Dit betreft ook het hoogste deel van het plangebied liggend bovenop en dik pakket rivierduinzand. Hierin heeft zich oorspronkelijk een holtpodzolprofiel gevormd, waarop vervolgens een plaggendek is opgebracht. O pschuivend in noordelijke richting is te zien dat rivierduinz and steeds vaker ontbreekt en waarschijnlijk is weggegraven ten tijde van de aanleg van de woonwijk. Het pakket rivierduinz and is hier minder dik. De graafwerkzaamheden reiken tot in de Laag van Wijchen of zelfs de vlechtende rivierterrasafzetti ngen, waardoor het oorspronkelijke vaak geheel is weggegraven. 5.2 Analyse sporen en structuren Op de begeleide locaties Valkenhof 6 t/m 13, Vinkenpad 1 t/m 12 en in de bouwput voor de nieuwbouw van bouwblok 5 zijn archeologische resten aangetroffen (zie bijlage 5 en 6). Dez e resten zullen per bouwblok, van zuidwest in noordoostelijke richting, worden beschreven. Locatie Valk enhof 10 t/m 13 (werk put 4 en 5) In dit bouwblok zijn twee greppels, één paalkuil en één haardkuil aangetroffen. In één van de kijkgaten (werkput 4) is een paalkuil aangetroffen (spoor 1, afbeelding 15).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4542/documents/26083