Bijlage 7 Definitief rapport van archeologische opgraving Vogelbuurt, Ulft.pdf
Tekst van het document
o
Het type en de functie van de sites of off-site-patronen Het gaat bij de aangetroffen nederzetting waarschijnlijk om een rurale nederzetting. Er is weliswaar sprake van geïmporteerd materiaal als aardewerk en maalsteen, maar of hier sprake is van een handelsplaats is niet te bepalen. Het toekennen van een ha n-
11085974 OUD.W02.ABG
Pagina 53 van 55
delsfunctie is lastig omdat dit begrip erg breed is. Men kan zeker handel hebben b edreven met omringende regio’s en voor deel zelfvoorzienend zijn geweest. Maar in welke mate dit het geval is geweest valt door de huidige gegevens niet te bepalen. Binnen de nederzetting is niet alleen gewoond maar er zijn ook hutkommen aanwezig geweest, zoals in vrijwel iedere Vroeg middeleeuwse nederzetting. Het verschil in formaat van deze kuilhutten kan samenhangen met de functie van de hutkom. Bi jvoorbeeld als onderkomen voor een lijfeigene (slaaf), voor de productie van grondstoffen en/of goederen (pottenbakken, weven, spinnen e.d.) of als opslagplaats voor goederen als etenswaren of graan. o
De samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) Er zijn 46 paalkuilen, 17 kuilen, 4 greppels (waarvan 2 wandgreppels), 4 hutkommen, en één 1 haardkuil aangetroffen. Het vondstmateriaal bestaat uit 73 fragmenten aardewerk, waarvan 24 fragmenten import aardewerk en 49 fragmenten handgevormd aardewerk. Het bouwmateriaal b estaat uit 9 fragmenten huttenleem. Er zijn totaal 9 fragmenten metaalslak gevonden, waarvan 1 fragment ovenslak, 1 fragment wolf/gromp en 7 fragmenten smee dhaard/herverhittingsslak. Het natuursteen bestaat uit 1 fragment kwartsitische zandsteen, 1 fragment graniet en 11 fragmenten tefriet. Tenslotte zijn er nog 7 houtskoolmonsters genomen.
o
Wat is, indien aanwezig, de ouderdom van de cultuurlaag? Het niveau waarop de archeologische resten voork omen is te dateren tussen circa e 600 en 900 n.Chr. De akkerlaag is na de 9 eeuw ontstaan.
o
De vondst- en spoordichtheid De sporen zijn aangetroffen in vier werkputten (4/ 5, 26, 27 en 71). Het totale oppe r2 vlak van dez e werkputten bedraagt 1100 m . In totaal zijn er 63 sporen aangetroffen. 2 De sporendichtheid komt hiermee op circa 0,05 spoor per m . Binnen het oppervlak waarin zich de sporen bevinden (1100 m2) zijn in totaal 112 fragmenten vondstmateriaal aangetroffen. De vondstdichtheid komt hiermee op 0,10 2 vondsten per m .
o
De stratigrafie voor zover aanwezig De vindplaats bevindt zich op de hogere delen van een rivierduin met daarin het archeologisch sporenniveau. De rivierduinafzettingen (matig fijn en vrij goed gesorteerd zand) behoren tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen. Het rivierdui nzand bevindt zich vanaf gemiddeld 14,5 tot 15,8 m +NAP Hieronder bevindt zich een e Wijchen Laag (1 Laag van Wijchen) en vervolgens vlechtende rivierterrasafzettingen van het Laagterras. Beide behoren tot de Formatie van Kreftenheye. De Wijchen Laag is vaak niet meer dan enkele decimeters dik en komt voor t ussen gemiddeld 14 en 14,5 m +NAP.
o
De ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie De aangetroffen archeologische resten dateren t ussen 600 en 900 n. Chr. Binnen deze periode zijn minimaal twee opeenvolgende bewoningsfas es aanwezig; Eén van de hutkommen (spoor 30, structuur 3) is door een deel van een huisplattegrond gegraven (structuur 5). De huisplattegrond, voor zover aanwezig, bezit de meeste kenmerken van huistype Odoorn A/B.
11085974 OUD.W02.ABG
Pagina 54 van 55
Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? Voor het eerste deel van deze vraag zie beant woording van bovenstaande onderzoek svragen. Er zijn geen stratigrafische hiaten aanwezig. Na vorming van het rivierduin tijdens het Jonge Dryas, met enige afspoeling naar de flank en, heeft er binnen het plangebied geen sediment atie meer plaatsgevonden.
Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoek sgebied? Liggen in de omgeving lo caties die voor pollenanalyse bemonsterd k unnen worden? In de omgeving van het plangebied, buiten de hoger gelegen terrasresten van het Laagterras, zijn restgeulen aanwezig binnen het lager gelegen Terras X. Deze restgeulen vormen zijtakken van de Oude IJssel die in het Laat-Holoc een fungeerde als overstromingsgeul. De restgeulen zijn vaak opgevuld met zware klastische afzettingen (zware komklei) of er heeft veengroei kunnen plaats vinden. Veengroei heeft vooral kunnen plaats vinden in het Vroeg- en Midden-Holoceen, toen het gebied van de Oude IJssel nog niet fundeerde als overstromingsgebied van de Rijn. Ten aanzien van de datering van de aangetroffen vindplaats in het zuidelijke deel van het plangebied zullen de bovenste klastische afzettingen als restgeulopvulling g eschikt zijn om de paleo-ecologische context te bepalen. De drassige restgeulen vormden goede “opvanglocaties” voor pollen.
In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschik t voor een palynologische recon structie van de vegetatie- en gebruik sgeschiedenis van het terrein? Alleen het aangetroffen plaggendek zal geschikt zijn voor een palynologische reconstructie. Dit plaggendek is echter van recent ere ouderdom dan de aangetroffen vindplaats uit de Vroege-middeleeuwen en zal dus weinig informatie geven over de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein. Daarnaast heeft bioturbatie een verspreiding van de in de humeuze b ovengrond aanwezige pollen veroorzaakt. Hierdoor is de verwachting dat een pollenanalyse niet zal resulteren in een veget atiereconstructie met pollenzones die te koppel en zijn aan de bekende klimaats veranderingen in het Holoceen, laat staan dat van het Laat -Holoceen. Verder zijn er tijdens de begeleiding van het verwijderen van de funderingen ter plaatse van de bouwblokken in het zuidelijke deel van het plangebied, geen resten van een waterput of drenkkuil aangetroffen. Humeuze invullingen in dergelijke structuren kunnen vaak wel gebruik worden voor een palynologische rec on structie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van een archeologische vindplaats.
11085974 OUD.W02.ABG
Pagina 55 van 55
Figuur 1. Overzicht van het plangebied met kijkgaten ten behoeve van archeologische inspectie (rood) en archeol ogisch begeleide bouwblokken (oranje)
11085974 OUD.W02.ABG
Figuur 2. Overzicht van Ulft met daarin de wijk de Vogelbuurt op de AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland). In rood de hogere delen, in groen de lagere delen. Goed te zien zijn de lager gelegen stroomgeulen van de Oude IJssel aan beide zijden van het dorp.
11085974 OUD.W02.ABG
Bijlage 1
Literatuur
Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische k aart van Nederland, schaal 1:25.000 Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorc um, Assen. Berendsen, H.J.A. 2005: Fysische Geografie van Nederland, deel 4: Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio's. Van Gorcum, Assen Broeke, E.M. en A.H. Schutte, 2011: Programma van Eisen archeologische begeleiding Plangebied Vogelbuurt te Ulft Gemeente Oude IJsselstreek . PvE nummer 110035408, Doetinchem. Bouwmeester, H.M.P., 2000: Eme in de Romeinse en Frank ische tijd. Archeologisch onderzoek naar de nederzetting en het grafveld op de terreinen van het Laak sche veld en de Laak sche tuin in de Ooyerhoek , gemeente Zut phen, BAAC-rapport 98.045, Deventer. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek, W.Z., Berendsen†, H. J.A. & Kempen, H.F.J., 2009: Zand in banen. Zanddieptek aarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Provincie Gelderland. Diependaal, S., 2014: Aanvulling Programma van Eisen archeologische begeleiding Plangebied Vogelbuurt te Ulft Gemeente Oude IJsselstreek. PvE nummer 110035408, Doetinchem. Diependaal, S. en P.J.L.Wemerman, in prep.: Uddel in de Vroege Middeleeuwen. 200 jaar bewoning tussen de Hunneschans en de stuwwal van de oostelijk e Veluwe.
Opgraving Plangebied Heegderweg-A ardhuis weg te Uddel, gemeente Apeldoorn, Econsultancy rapport 11085974. Es, W.A. van, 1979: Odoorn: frühmittelalterliche Siedlung; das Fundmaterial der Grabung 1966, in: Palaeohistoria 21, p. 205-225. Godfrey, E., 2009: The significance of gromps. The Archaeologist 71, 36-37. Groothedde, M. (red.), 1996: Leesten en Eme. Archeologisch en historisch onderzoek naar verdwenen buurtschappen bij Zutphen, Zwolle. Groothedde, M., 2013: Een vorstelijk e palts te Zutphen? Macht en prestige op en rond het plein ’s-Gravenhof van de Karolingische tijd tot aan de stadsrecht verlening, proefschrift, Zutphense Archeologische Publicaties 77, Zutphen Hebinck, K.A., 2009: Een archeologisch bureauonderz oek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen in de Vogelbuurt te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek (Gld). Geldermalsen, ARC-Rapport en 2009-146. Heidinga, H.A., 1987a: Medieval settlement and economy North of the Lower Rhine. Archeology and history of Koot wijk and the Veluwe (t he Netherlands). Assen, Maastricht. Huijts C.S.T. J, 1992: De voor-historische boerderijbouw in Drenthe Rec onstructiemodellen van 1300 vóór tot 1300 na Chr. Arnhem. Joosten, I., 2004: Technology of early historical iron production in the Netherlands . Geoarchaeological and bioarchaeological studies 2. Amsterdam.
11085974 OUD.W02.ABG
Koning, J. de, 2012: Het Aardewerk , in: Dijkstra, J.(red), Het domein van de boer en de ambachtsman. Een opgraving op het terrein van de voormalige fruitveiling te Wijk bij Duurstede: een deel van Dorestad en de villa Wijk archeologisch onderzocht, ADC-Monografie12, Amersfoort. Lüdtke, H. und K. Schietzel, 2001: Handbuch zur mittelalt erlichen Keramik in Nordeuropa, Band 1 t/m 3, Neumünster. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I. L., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Redk nap, M., 1999. Die römischen und mittelalterlichen Töpfereien in Mayen, in H. -H. Wegner (eds.), Berichte zur Archäologie an Mittelrhein und Mos el 6. Trier: Rheinisches Landesmuseum Trier, 11401. Rijk, P.T.A. de, 2014: Het slak materiaal van de Heegderweg / Aardhuis weg te Uddel (gemeente Apeldoorn) in: Diependaal, S. en P.J.L.Wemerman, in prep.: Uddel in de V roege Middeleeuwen. Röber, R., 1990: Die Keramik der frühmittelalterlichen Siedlung von Warendorf, ein Beitrag zur sächsischen Siedlungs ware Nordwestdeutschlands , Universitätsforschungen zur prähistorischen Archäologie band 4, Bonn. Ruhmann, C., 2003: Die frühmittelalterliche Siedlung von Lengerich -Hohne, Kr. Steinfurt, Bodenaltertümer Westfalens 39, Mainz. Siegmund, F., 1998.
Merowingerzeit am Niederrhein, die frühmittelalterliche n funde aus dem Regierungsbezirk Düsseldorf und dem Kreis Heinsberg. Rheinische Ausgrabungen Bd. 34. Köln: Rheinland-Verlag. Speckmann, A., 2010: Ländlicher Hausbau in Westfalen vom 6./7. Jahrhundert bis zum 12./13. Jahrhundert, Bodenaltertümer Westfalens 49, Berichte der LWL-Archäologie für Westfalen, Mainz Spelde, F.J., 2012: Merovingische tonpotten in West-Nederland. Een vroegmiddeleeuws gebruik svoorwerp in context, scriptie, Leiden. Stichting voor Bodemkartering, 1980: Bodemk aart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 41 West / Aalten. Tischler, F., 1954: Der stand der Sachsenforschung archäologisch gesehen, berichte der RömischGermanischen Kommision 35, p. 21-215. Verhoeven, .A.A.A., 1998: Middeleeuws gebruik saardewerk in Nederland (8 Amsterdam Archaeological Studies 3, Amsterdam.
ste
de
-13
eeuw),
Wagner, A. & J. Ypey, 2011: Das Gräberfeld auf dem Donderberg bei Rhenen: Katalog, Leiden.
11085974 OUD.W02.ABG
Bijlage 2 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
11085974 OUD.W02.ABG
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 2650
815
IVb Subboreaal koeler droger
2000
IVa
5000
3755 4900
5300
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
7020
8240
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
11085974 OUD.W02.ABG
Bijlage 3
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonings geschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/ vissers/ verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampement en. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-P aleolithicum intensief jac ht gemaakt. Tijdens de warmere periode n werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (c a. 9000 voor Chr. ) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) t oenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eet bare gewassen stonden nu vak er op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door dez e veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl - en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/ vissers/ verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men not en en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verz amelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Dez e verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaat werk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithic um zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te wet en grafkelders, hunebedden en grafheu vels.
11085974 OUD.W02.ABG
Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit dez e periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstand en. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgez et, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-E uropa niet onderscheiden, in t egenstelling t ot bijvoorbeeld het Middellandse Z eegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.
Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de B ronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. E venals in het Neolithic um en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; dez e werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields '). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmport eerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale aut oriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse Tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr. ) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.
Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uit valsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en ver dediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeins e invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederz ettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins import aardewerk in gebruik , dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken.
In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voort duurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grens verdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.)
11085974 OUD.W02.ABG
Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als arc heologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op z elfvoorziening. De politiek e macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gek omen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volks verhuizingen'. e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettings vormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei , en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd.
Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trac htte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldec onomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uit vindingen. Deze uit vindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die c entraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de e steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het e begin van de 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid e plaats, wat zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
11085974 OUD.W02.ABG
Bijlage 4
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bek end zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elk e stap wordt er een selectiebesluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond bescherm d te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om t ot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventari serend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IV O is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderz oek ; Booronderzoek en Veldk artering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee s amenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizont ale begrenzing, ligging en omvang van archeologis che vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of s poren aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
11085974 OUD.W02.ABG
Inventariserend Veldonderz oek ; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan het bevoegd gezag beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De K NA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. De Derde fase: Archeologi sche Begeleiding (AB) of Opgraven (AAO) Archeologische Begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en event uele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven t ot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard k unnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan het bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een Algehele Archeologische Opgraving (AAO).
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennis vorming over het verleden.
11085974 OUD.W02.ABG
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontw ikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Bew ezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** ▼ Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ ▼ ▼ Opgraven*** Begeleiding*** Beschermen Verw ijderen Begeleiding Bescherming van de van de van de archeologie werkzaamheden archeologie door door door archeologen archeologen planaanpassing * ** *** **** ***** ******
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouw kundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouw kundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, w el archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouw kundige voorwaarden).
Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. Na een verkennend booronderzoek kan het bevoegd gezag besluiten dat een aanvullend karterend booronderzoek moet w orden uitgevoerd. Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanw ezig is en met instemming van het bevoegd gezag. Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd Pv E aanw ezig is en met instemming van het bevoegd gezag.
11085974 OUD.W02.ABG
Bijlage 5 Allesporenkaart met interpretatie Werkput 4, 5, 27 en 71
11085974 OUD.W02.ABG
Bijlage 6 Allesporenkaart met interpretatie Werkput 23, 24, 25 en 26
11085974 OUD.W02.ABG
Bijlage 7
11085974 OUD.W02.ABG
Sporenlijst
Bijlage 8
11085974 OUD.W02.ABG
Vondstenlijst met determinatie
Over Econsultancy.. Econsultancy is een onafhankelijk adviesbureau. Wij bieden realistisch advies en concrete oplossingen voor milieuvraagstukken en willen daarmee een bijdrage leveren aan een duurzaam en verantwoord gebruik van onze leefomgeving. Diensten Wij kunnen u van dienst zijn met een uitgebreid scala aan onderzoeken op het gebied van bodem, waterbodem, water, archeologie, ecologie en milieu. Op www.econsultancy.nl vindt u uitgebreide informatie over de verschillende onderzoeken. Werkwijze Inzet en professionele betrokkenheid kenmerkt onze diensten. De verantwoordelijke projectleider is het eenduidige aanspreekpunt voor de klant en draagt zorg voor alle aspecten van het project: kwaliteit, tijd, geld, communicatie en organisatie. De kernwaarden deskundig, vertrouwd, betrokken, flexibel, zorgvuldig en vernieuwend zijn een belangrijke leidraad in ons handelen. Kennis Het deskundig begeleiden van onze opdrachtgevers vraagt om betrokkenheid bij en kennis van de bedoelingen van de opdrachtgever. Het vereist ook gedegen en actuele vakinhoudelijke kennis. Alle beschikbare kennis wordt snel en effectief ingezet. De medewerkers vormen ons belangrijkste kapitaal. Persoonlijke en inhoudelijke ontwikkeling staat centraal want het werk vraagt steeds om nieuwe kennis en nieuwe verantwoordelijkheden.
Creativiteit Onze medewerkers zijn in staat om buiten de geijkte kaders een oplossing te zoeken met in achtneming van de geldende wet- en regelgeving. Oplossingen die bedoeld zijn om snel en efficiënt het doel van de opdrachtgever te bereiken. Kwaliteit Er wordt continue gestreefd naar het verhogen van de professionaliteit van de dienstverlening. Het leveren van diensten wordt intern op een dusdanige wijze georganiseerd dat het gevraagde resultaat daadwerkelijk op een zo effectief en efficiënt mogelijke wijze wordt voortgebracht. Hierbij staat de klanttevredenheid centraal. Het kwaliteitssysteem van Econsultancy voldoet aan de NEN-EN-ISO 9001: 2008. Tevens is Econsultancy gecertificeerd voor diverse protocollen en beoordelingsrichtlijnen. Opdrachtgevers Econsultancy heeft sinds haar oprichting in 1996 al meer dan tienduizend projecten uitgevoerd. Projecten in opdracht van particulier tot de Rijksoverheid, van het bedrijfsleven tot non-profit organisaties. De projecten kennen een grote diversiteit en hebben in sommige gevallen uitsluitend een onderzoekend karakter en zijn in andere gevallen meer adviserend. Steeds vaker wordt onderzoek binnen meerdere disciplines door onze opdrachtgevers verlangt. Onze medewerkers zijn in staat dit voor de opdrachtgever te coördineren en zelf (deel)onderzoeken uit te voeren.
Ter illustratie van de veelvoud en veelzijdigheid van de projecten in de werkvelden bodem, waterbodem, ecologie, archeologie, water en milieu kunnen uitgebreide referentielijsten worden verschaft.
Vestiging Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen Tel. 0475 - 504961 Swalmen@econsultancy.nl
Vestiging Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem Tel. 0314 - 365150 Doetinchem@econsultancy.nl
Vestiging Brabant Rapenstraat 2 5831 GJ Boxmeer Tel. 0485 - 581818 Boxmeer@econsultancy.nl