CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Motivering Lenteleven NL.IMRO.1509.OP000007-VA01.pdf

Raadscommissie Fysieke Leefomgeving (FL) 6 mei 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 5: TAM-omgevingsplan "Lenteleven - Gendringen"26.302 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Conclusie gemeentelijk beleid Voorliggend project is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

40

4 Omgevingsaspecten 4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.

Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

4.1.2

Toetsing Onderhavig is een project zoals benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit, namelijk ‘een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ (nr. J11). Voor dit project geldt een merbeoordelingsplicht, aangezien sprake is van aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een directe mer-plicht is voor projecten onder nummer J11 niet van toepassing.

41

Vanwege het feit dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling nodig. Deze m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd door SAB2 (bijlage 2 bij deze motivering). De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in de m.e.r - beoordeling aan bod zijn gekomen. Aspect

Beoordeling milieueffecten

Archeologie

Ter plaatse van het besluitgebied blijken gronden met een archeologische verwachtingswaarde aanwezig te zijn. Uit het onderzoek blijkt dat verwacht wordt dat geen archeologische waarden worden verwacht. Van een negatief milieueffect op dit aspect is hierdoor geen sprake.

Natuur (gebiedsbescherming)

Op grond van het stikstofonderzoek kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof worden uitgesloten. Van een negatief milieueffect op dit aspect is hierdoor geen sprake.

Natuur (soortenbescherming)

Op grond van verricht natuuronderzoek volgt dat er beschermde soorten in het besluitgebied aanwezig zijn. Het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen waarbij schadelijke handelingen plaatsvinden bij beschermde soorten is wettelijk gezien mogelijk als men in het bezit is van een vergunning floraen fauna-activiteit. Er zijn preventieve en mitigerende maatregelen voorgesteld om toe te passen op de plaats van de ontwikkellocatie. Bij uitvoering van de preventieve en/of mitigerende maatregelen kunnen significante negatieve milieueffecten worden uitgesloten

Verkeer

De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking. Ten gevolge van een verkeersonderzoek zijn maatregelen voorgesteld om enkele aanpassingen van de wegenstructuur door te voeren. Indien de adviezen wordt opgevolgd, zijn significant negatieve milieueffecten uitgesloten.

Geluid

Als gevolg van de ontwikkeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. De toename van het verkeer blijft ruim onder de 40% waardoor geen sprake zal zijn van een merkbare geluidstoename bij de woningen. Er wordt geen belangrijk negatief milieueffect verwacht.

Luchtkwaliteit

Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties is geen sprake van een wezenlijke verslechtering.

Water

Een belangrijk gevolg van de ontwikkeling is het aanbrengen van meer verharding dan wat er momenteel is. Er is een wateronderzoek uitgevoerd. Het uitgangspunt is is het treffen van eventuele benodigde maatregelen en zoveel mogelijk waterberging realiseren in het besluitgebied Op het aspect water wordt verder ingegaan in paragraaf 4.10. Daaruit blijkt dat het plan ten aanzien van het aspect water uitvoerbaar is.

2

SAB, 9 oktober 2024 Mer beoordeling Gendringen, Lenteleven

42

De uitkomst van de uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. 4.1.3

Conclusie Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het opstellen van een MER is daarom niet nodig.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

4.2.2

Toetsing Historisch vooronderzoek

Vanwege de realisatie van bodemgevoelige objecten in de vorm van woningen met tuin is er een historisch vooronderzoek3 uitgevoerd om te bepalen of de milieuhygienische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (bijlage 3 bij deze motivering). In het vooronderzoek wordt gesteld dat het laatst uitgevoerde bodemonderzoek dateert uit het jaar 2008. De conclusie hieruit was dat de bodemkwaliteit voldoet aan de eisen voor wonen. In principe wordt voor de geldigheid van een bodemonderzoek een verjaringstermijn van vijf jaar gehanteerd. Uit het vooronderzoek blijkt echter dat er in de periode vanaf 2008 geen calamiteiten of groot grondverzet heeft plaatsgevonden binnen het gebied. Hierdoor wordt dan ook verwacht dat de bodemkwaliteit niet is verslechterd ten opzichte van het jaar 2008. 3

Buro Antares (2023) Historisch vooronderzoek; Gendringen, Plangebied Lenteleven. Projectnummer: 402561, 2 februari 2023.

43

Wel dient opgemerkt te worden dat niet met alle zekerheid gesteld kan worden dat er geen calamiteiten hebben plaatsgevonden. Aanvullend wordt geadviseerd om een aantal aspecten nader te onderzoeken. Allereerst de watergangen. Het is aannemelijk dat bij de ontwikkeling van het gebied de watergangen zullen worden verlegd, gedempt of zullen worden hergeprofileerd. In het kader van de voorbereiding is het wenselijk om vast te stellen of er slib in de watergangen aanwezig is en wat de kwaliteit hiervan is. Ten tweede wordt geadviseerd om onderzoek te verrichten naar de asfaltweg, om te bepalen of het asfalt teervrij is. Bij het uitvoeren van een dergelijk onderzoek krijgt men ook inzicht in het wel of niet aanwezig zijn van funderingen onder het asfalt. Ten derde wordt een onderzoek naar asbest ter plaatse van de volkstuinen geadviseerd als ze meegenomen worden in het plan. Binnen volkstuinen is namelijk het risico aanwezig dat men asbesthoudende toepassingen heeft gebruikt. Aangezien de volkstuinen geen onderdeel uitmaken van het plan, is hiervoor geen nader onderzoek uitgevoerd. Aanvullend onderzoek naar de andere twee aspecten is wél uitgevoerd en de bevindingen worden navolgend uiteengezet. Infrastructureel onderzoek

Naar aanleiding van het advies uit het historisch vooronderzoek is een infrastructureel onderzoek4 uitgevoerd (bijlage 4 bij deze motivering). Dit infrastructureel onderzoek bestaat uit onderzoek naar verschillende aspecten die in de periode van augustus 2023 tot en met januari 2024 zijn uitgevoerd. Daarbij zijn twee watergangen en één weg onderzocht (zie navolgende afbeeldingen).

4

Buro Antares (2024) Infrastructureel onderzoek Lenteleven te Gendringen. Projectnummer: 402847, 4 april 2024.

44

Figuur 4.1 Situatietekening onderzochte watergangen (bron: Buro Anteres, infrastructureel onderzoek).

45

Figuur 4.2 Situatietekening onderzochte weg Lenteleven (bron: Buro Anteres, infrastructureel onderzoek).

De volgende onderdelen zijn hierbij onderzocht: − Asfaltonderzoek: Het doel van het asfaltonderzoek is het bepalen van de constructieopbouw, de dikte van het asfalt en het bepalen van de teerhoudendheid van het asfalt ter plaatse. − Funderingsonderzoek: Het doel van funderingsonderzoek is het vaststellen van het type fundatiemateriaal onder de aanwezige verhardingen. De hergebruiksmogelijkheden worden vastgesteld door het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit en een verkennend asbestonderzoek.

46

− Verkennend bodemonderzoek: Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse. − Verkennend waterbodemonderzoek: Het doel van het verkennend waterbodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem ter plaatse. − Nader bodemonderzoek. Op basis van de verkregen resultaten zijn er milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Binnen het project dient er rekening gehouden te worden met de volgende resultaten: − Uit het asfaltonderzoek blijkt dat de gehele asfaltverharding van de Lenteleven als teerhoudend beschouwd dient te worden. Teerhoudend asfalt komt niet in aanmerking voor hergebruik en dient afgevoerd te worden naar een erkend verwerker. Verwacht wordt dat er circa 200 ton teerhoudend asfalt vrijkomt. − Onder de asfaltverharding is een puinfundatie bestaande uit menggranulaat en baksteenpuin met slakken en asfalt aanwezig. Het materiaal komt op basis van het gemeten gehalte aan PAK niet in aanmerking voor hergebruik. In het fundatiemateriaal is visueel en analytisch geen asbest aangetroffen. Verwacht wordt dat er binnen het werk circa 420 ton funderingsmateriaal vrijkomt. − Uit het bodemonderzoek blijkt dat er onder de asfaltverharding in de grond geen verhoogde gehalten zijn aangetoond.

In de wegberm zijn meerdere antropogene bijmengingen aangetroffen. Ter plaatse van twee locaties is PAK tot boven de interventiewaarde aangetoond. De resultaten vormen een milieuhygiënische belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden. De omvang van de verontreiniging overschrijdt gezamenlijk de 25 m³. In dit geval zijn voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden binnen de sterke verontreiniging de regels voor het “graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal))” van toepassing. − Binnen het besluitgebied zijn twee watergangen gelegen (zie navolgende afbeelding). − Watergang A: bevat tijdens de uitvoering van het onderzoek geen water. De bodem van dit onderzoeksvak bevatte geen slib en bestaat uit klei. Uit de analyseresultaten blijkt dat eventueel vrijkomend materiaal ‘altijd toepasbaar’ is. Bij hergebruik in naastgelegen landbodem en waterbodem ‘verspreidbaar’. − Watergang B: bevatte tijdens het veldwerk circa 15cm water. De waterbodem bevat circa 40cm matig stevige slib. Uit de analyseresultaten blijkt dat het eventueel vrijkomend materiaal valt voor toepassing op de landbodem in de klasse ‘industrie’ en voor waterbodem in ‘klasse A’. Bij hergebruik op naastgelegen landbodem en waterbodem is vrijkomend materiaal ‘verspreidbaar’.

Wel wordt opgemerkt dat dit getoetst moeten worden aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Uit de resultaten van de PFAS analyse blijkt dat het materiaal wordt ingedeeld in de klasse landbouw/natuur.

47

Verkennend asbest in bodemonderzoek NEN-5707

Aangezien uit het onderzoek naar onontplofte oorlogsresten asbestverdacht materiaal is aangetroffen op de bodem, is binnen een deel van het gebied een asbest in bodemonderzoek5 uitgevoerd (bijlage 5 bij deze motivering). Het doel van het asbestonderzoek is het nagaan of de verdenking van een asbestverontreiniging in de bodem ter plaatse terecht is, waarbij gelijktijdig de aard en de omvang van de asbestverontreiniging wordt bepaald. Navolgende afbeelding 4.3 geeft het onderzoeksgebied (kadastraal bekend als ‘gemeente Gendringen, sectie K, nummer 3291’) weer.

Figuur 4.3 Asbestverdacht gebied

Uit de resultaten van het asbest in bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse van één proefsleuf (SL01) sprake is van een dump met antropogene bijmengingen en asbest. In de grond overschrijdt het gehalte aan asbest de interventiewaarde grens van 100 mg/kg ds. ruimschoots. Daarnaast bevat de grond licht verhoogde gehalten zware metalen, minerale olie en PCB, een matig verhoogd gehalte zink en een sterk verhoogd gehalte PAK. Formeel dient een nader bodemonderzoek uitgevoerd te worden om het sterk verhoogd gehalte PAK af te perken. De verontreiniging wordt gelinkt aan de aanwezige dump, waardoor wordt voorgesteld om de locatie te saneren. Verwacht wordt dat er circa 13 m³ verontreinigde grond aanwezig is. Asbestverontreinigingen komen vaak heterogeen verspreid in de bodem voor. Dit wil zeggen dat de aan- of afwezigheid van asbest per meter/vierkante meter kan verschillen. Geadviseerd wordt om het maaiveld tijdens de sanering opnieuw te inspecteren. Aangezien de gemeente de grond saneert, is verder geen nader onderzoek nodig. De sanering is ondertussen uitgevoerd. 4.2.3

Conclusie Gelet op het voorgaande vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

5

Buro Antares (2024) Verkennend asbest in bodemonderzoek NEN-5707. Projectnummer: 404036, 5 juli 2024.

48

4.3

Milieubelastende activiteiten

4.3.1

Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies, of milieuhinder-veroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat er sprake zal zijn van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. De VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen bij en rondom bedrijven. In de VNG-brochure zijn voor bedrijfstypen richtafstanden opgenomen, die volgens de rechter indicatief zijn voor een goede ruimtelijke ordening, c.q. voor een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Hoewel de richtafstanden uit VNG-brochure niet bindend zijn, brengt het afwijken van de afstanden uit de VNG-brochure wel met zich mee dat het bevoegde gezag moet onderbouwen, vaak door nader specialistisch onderzoek, waarom desondanks afdoende rekening is gehouden met de samenhang van de relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen (art. 2.1, tweede lid van de Omgevingswet). Aanvullend milieuonderzoek kan bijvoorbeeld ook uitwijzen dat de richtafstanden geen recht doen aan een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling. De in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Bij andere omgevingstypen kunnen andere richtafstanden gelden.

In de VNG-brochure wordt gesteld dat het toegestaan is om bij drukkere (gemengde) gebieden de richtafstanden met één afstandsstap naar beneden bij te stellen. Een richtafstand van 50 meter is op die manier bijvoorbeeld te verlagen naar 30 meter (alleen wanneer het onderdeel gevaar de richtafstand bepaalt, moet dit nader worden gemotiveerd). Wanneer er voor een bepaalde bedrijvigheid wettelijke afstanden gelden, dan hebben deze voorrang op de richtafstanden.

4.3.2

Toetsing De Omgevingsdienst Achterhoek heeft voor de beoogde ontwikkeling een advies ten aanzien van milieuzonering6 uitgebracht (bijlage 6 bij deze motivering). De bevingen uit dit advies worden navolgend beschreven. Het project vindt plaats in een ‘rustige woonomgeving’, als bedoeld in de VNG-brochure. In de omgeving van de aangevraagde ontwikkeling bevinden zich de in onderstaande tabel genoemde bedrijven. De tabel toont per bedrijf de richtafstand per onderdeel (geur, stof, geluid en gevaar) en de bijbehorende milieucategorie. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van de woning. De werkelijke afstand in onderstaande tabel is ook op die manier gemeten en is gemeten vanaf de gevel van de beoogde woning die het meest nabij betreffende bedrijfsbestemming is gesitueerd. Daarbij moet opgemerkt worden dat ten oosten van het besluitgebied zich het Sportcomplex IJsselweide bevind. Op dit 6

Omgevingsdienst Achterhoek (2024) Advies milieuzonering, 20 juni 2024.

49

complex bevinden zich meerdere sportclubs en faciliteiten. In deze paragraaf is het sportcomplex als één bedrijf beoordeeld. Tabel 4.1 bedrijven in de buurt van het besluitgebied

In bovenstaande tabel zijn een aantal bedrijven oranje gemarkeerd en worden navolgend nader toegelicht. Nabijgelegen bedrijventerreinen Ten oosten van het plangebied bevindt zich het bedrijventerrein IJsselweide. De hoogste milieucategorie die zich op dit terrein mag bevinden is categorie 3.2, hierbij hoort een grootste richtafstand van 100 meter. In de toelichting die bij het bestemmingsplan (IJsselweide 2010) hoort staat: “Binnen het plangebied zijn op twee locaties binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' thans milieucategorie 4.1 bedrijven gevestigd. Het betreft twee metaalbewerkende bedrijven. Gezien de aard van deze bedrijven, de vergunde situatie op basis van de Wet milieubeheer en de afstand tot hindergevoelige bestemmingen is het aanvaardbaar dat deze bedrijven blijven gehandhaafd. “ “Deze bedrijven hebben een specifieke aanduiding gekregen op de verbeelding om te waarborgen dat de bestaande bedrijfsactiviteiten blijvend kunnen worden uitgeoefend. Zodra deze bedrijven hun activiteiten beëindigen,

50

kan echter alleen een bedrijf in een lagere categorie, passend in de milieuzonering, op de betreffende locatie worden gevestigd.”

Op het bedrijventerrein de IJsselweide is alles gezoneerd tot categorie 3.2 en er zijn, voor zover bekend is, geen bedrijven aanwezig met categorie 4.1. Voor de volledigheid zijn de bedrijven die met metaal werken (in de tabel met oranje gemarkeerd) verder onderzocht om vast te stellen of categorie 3.2 ook passend is. Tussen de vier bedrijven die met metaal werken is geen bedrijf aanwezig dat aan categorie 4.1 toebehoort. Rondom de Maasstraat in Ulft bevindt zich tevens een klein bedrijfsterrein. Vanuit het bestemmingsplan wordt duidelijk dat hier maximaal bedrijven tot en met categorie 2 gevestigd mogen worden en dat bedrijven die al gevestigd zijn, en binnen een hogere categorie vallen, gehandhaafd blijven. Binnen dit bedrijventerrein zijn geen bedrijven aanwezig die invloed hebben op de planlocatie. Richtafstanden De tabel laat zien dat de aangevraagde ontwikkeling plaatsvindt buiten de richtafstanden van omliggende bedrijven. Ondanks het feit dat de aangevraagde ontwikkeling plaatsvindt buiten de richtafstand, gelden voor de agrarische bedrijven nog aanvullende overwegingen. Voor het houden van landbouwhuisdieren gelden op het gebied van geur wettelijke afstanden. In paragraaf 4.6 wordt hier verder op in gegaan en geconcludeerd dat kan worden voldaan aan de vaste afstanden en geldende geurnorm. De ontwikkeling zorgt niet voor extra belemmeringen voor omliggende bedrijven.

Andersom bestaat binnen het plangebied om dezelfde reden voldoende garantie voor een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling niet belemmerend werkt voor deze bedrijven. Ook het woon- en leefklimaat ter plaatse van de ontwikkeling is hierbij niet in het geding. 4.3.3

Conclusie Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

4.4

Geluid

4.4.1

Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.

51

Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Tabel 4.2 Standaard- en grenswaarden (bron: Bkl)

Grenswaarde in Lden (dB) Geluidbronsoorten

Rijks- en provinciale wegen Gemeente- en

Standaardwaarde in Lden (dB)

Nieuwe geluidgevoelige gebouwen

aanpassing bron

50

60

65

53

70

70

55

65

70

50

55

60

40 Lnight

45 Lnight

50 Lnight

Aanleg of

waterschapswegen Hoofd- en lokale spoorwegen Industrieterreinen

Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.103 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.

52

Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1 activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2 geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, in de omgeving van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66 Bkl).

Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: − Geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder). − Maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie; − Indirecte geluidhinder; dit is de geluidhinder afkomstig van het wegverkeer van en naar de locatie waar de activiteit plaatsvindt. Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. 4.4.2

Toetsing Geluid door wegen In het kader van de wijziging van het omgevingsplan is onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer. Derhalve is een akoestisch onderzoek geluid wegverkeer uitgevoerd 7 (bijlage 7 bij deze motivering). Onderstaande afbeelding laat de vertaling zien naar het akoestisch rekenmodel, waarbij is

7

SAB, 30 september 2025, Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer Gendringen Lenteleven

53

getoetst op de randen van de woongebieden (en waar relevant op het stedenbouwkundig plan).

Figuur 4.4 Akoestisch rekenmodel (bron: akoestisch onderzoek geluid wegverkeer)

Op basis van dit onderzoek kunnen een aantal conclusies worden getrokken die navolgend worden uiteengezet. Provinciale wegen De maximale geluidbelastingen per gebouw zijn in zes woongebieden hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde. De hoogste overschrijdingen vinden plaats aan de westgrens van het gebied. Als op het stedenbouwkundig plan wordt getoetst zijn echter voor alle gebouwen ook gevelgeluidbelastingen waarneembaar die de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden niet overschrijden. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van verkeerskundige, landschappelijke, civieltechnische, stedenbouwkundige en financiële aard. Als op het stedenbouwkundig plan wordt getoetst zijn voor alle gebouwen ook geluidbelastingen op de gevel waarneembaar die de

54

voorkeursgrenswaarde niet overschrijden. Op de appartementen in de noord- en zuidwestelijke hoeken van het gebied, waar enkele van de hoogste waarden bestaan, kunnen mogelijk gevelmaatregelen zoals vliesgevels of balkons met afscherming worden toegepast. Dit dient verder onderzocht te worden in bouwakoestisch onderzoek. Gemeentewegen Als gevolg van de omliggende gemeentewegen tezamen wordt de standaardwaarde van 53 dB Lden overschreden voor bouwvlak 7, welke parallel aan de Rijnweg en Valeriaan ligt. Uit onderzoek is gebleken dat de Rijnweg maatgevend is, dus deze weg is nader onderzocht. De grenswaarde wordt geheel niet overschreden. Als op het stedenbouwkundig plan wordt getoetst zijn voor alle gebouwen ook gevelgeluidbelastingen waarneembaar die die standaardwaarde van 50 dB Lden niet overschrijden. Rijnweg De maximale geluidbelastingen zijn hoger dan de standaardwaarde, maar lager dan de grenswaarde. De hoogste overschrijdingen vinden plaats voor de (beoogde) appartementen en grondgebonden woningen direct grenzend aan de Rijnweg. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten grotendeels op bezwaren van verkeerskundige, landschappelijke, civieltechnische, stedenbouwkundige en mogelijk financiële aard. Indien de voorgestelde snelheidsreductie hier wordt toegepast bestaan er geen overschrijdingen van de standaardwaarde meer.

De hoogste gezamenlijke waarde van de gemeentewegen is dan 53 dB Lden, waarmee zou worden voldaan aan de instructieregels vanuit het Bkl. Maatregelen aan de gevel zoals balkons met scherm of vliesgevels kunnen de geluidbelastingen op de appartementen nog verder verlagen. Wesenthorstlaan De maximale geluidbelastingen zijn hoger dan de standaardwaarde, maar lager dan de grenswaarde. De hoogste overschrijdingen vinden plaats voor de (beoogde) grondgebonden woningen aan de noordzijde van het bouwvlak. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten grotendeels op bezwaren van verkeerskundige en civieltechnische aard. Indien de reeds voorgenomen snelheidsreductie hier wordt toegepast bestaan er geen overschrijdingen van de standaardwaarde op de woningen en buitenruimtes meer. Er dient dan alsnog een hogere waarde van 54 dB Lden voor het bouwvlak opgenomen te worden, maar er zijn geen verdere maatregelen aan de gevels van de woningen nodig (er is sprake van ETFAL). Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Voor onderhavig plan is (zonder maatregelen) een hoogste gecumuleerde en gezamenlijke geluidbelasting waarneembaar van 61 dB Lden,. Voor de gecumuleerde geluidbelasting is geen sprake van een getalsmatige bovengrens. Wel dient deze, op grond van artikel 5.78ac van het Bkl, te worden beoordeeld of deze geluidsbelasting aanvaarbaar is.

55

Op grond van de methode Miedema, een in de jurisprudentie geaccepteerde methode voor de beoordeling van de gecumuleerde geluidbelasting, wordt een dergelijke belasting geclassificeerd als ‘tamelijk slecht’ (zie onderstaande tabel). Tabel: Kwalificatie aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid conform methode Miedema

Het geluidniveau is voor een beperkt aantal woningen niet optimaal. Ten aanzien van de ander milieuaspecten en de kwaliteit van de te realiseren wijk is de woonwijk, ruim en groen is de algemene leefkwaliteit wel als goed te beschouwen. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient in ieder geval door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde van 33 dB Lden uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt gehaald voor de nieuwe woningen. Mogelijkheden voor geluidreducerende maatregelen Er is onderzocht of, en zo ja welke, doeltreffende maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting terug te brengen tot een waarde die lager of gelijk is aan de standaardwaarde. Bij het treffen van maatregelen geldt een voorkeursvolgorde: bron, overdracht en ontvanger. Wanneer de geluidbelasting niet terug te brengen is tot de standaardwaarde, kan het bevoegd gezag een hogere waarde dan de standaardwaarde als acceptabel achten. Deze hogere waarde dient te worden vastgelegd in het Omgevingsplan conform artikel 5.78u van het Bkl. Daarnaast dient voor de overschrijdingen door de provinciale weg in het kader van overgangsrecht ook een hogere waarde besluit te worden genomen. Uit de in het onderzoek opgenomen afweging blijkt dat maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied zijn niet effectief of wenselijk zijn.

Hogere waarden Voor de provinciale weg en gemeentewegen tezamen moeten hogere waarden volgens navolgende tabel worden opgenomen in het omgevingsplan.

56

Tabel: Hoogste gezamenlijke waarden per woongebied Gebied

Benodigde hogere waarde in dB Lden Provinciale weg (excl. aftrek art. 110g) en Gemeentewegen (zonder maatregelen)

1

56

4

54

5

59

6

59

7

61

8

54

9

55

Voor de provinciale weg moeten daarnaast ook hogere waarden worden toegekend, volgens onderstaande tabel. Tabel: Hoogste hogere waarde per woongebied Gebied

Benodigde hogere waarden in dB (inclusief aftrek art. 110g Wgh)

4

51

5

57

6

57

7

57

8

51

9

50

4.4.3

Conclusie Voor de provinciale weg en voor de gemeentewegen tezamen moeten hogere waarden worden opgenomen in het omgevingsplan.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Algemeen Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.

57

Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM).

In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 1 bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 2 bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 3 bij de aanleg van een auto(snel)weg. 4.5.2

Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal met haar 226 woningen de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is beoordeeld of er ter hoogte van het besluitgebied sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2022 (meest actuele gegevens) en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Tabel waarden luchtkwaliteit (bron: CIMLK).

Stoffen

EU-

WHO-

grenswaarde

2022

2030

advieswaarde

NO2 concentratie

3

40 µg/m

10 µg/m3

11,2 µg/m3

7,9 µg/m3

PM10 concentratie

40 µg/m3

20 µg/m3

15,7 µg/m3

12,4 µg/m3

PM2,5 concentratie

25 µg/m3

10 µg/m3

8,7 µg/m3

6,5 µg/m3

58

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU. Ook wordt grotendeels voldaan aan de advieswaarde vanuit het WHO. De Omgevingsdienst Achterhoek heeft voor de beoogde ontwikkeling tevens een vooradvies ten aanzien van luchtkwaliteit8 uitgebracht (bijlage 8 bij deze motivering). Hierin wordt aangegeven dat de gemeente Oude IJsselstreek (art. 5.51 Bkl) niet is aangewezen als aandachtsgebied voor luchtkwaliteit en dat de beoogde ontwikkeling geen project als bedoeld in art. 5.50 Bkl betreft. Op basis van het bovenstaande kan dan ook worden aangenomen dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. 4.5.3

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.6

Geur

4.6.1

Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1 bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 2 bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.

8

Omgevingsdienst Achterhoek (2024) Vooradvies luchtkwaliteit bestemmingsplanprocedure, 20 juni 2024.

59

4.6.2

Toetsing De Omgevingsdienst Achterhoek heeft voor de beoogde ontwikkeling een advies ten aanzien van geur veehouderij9 uitgebracht (bijlage 9 bij deze motivering). De bevingen uit dit advies worden navolgend beschreven. Geurhinder houden van dieren Getoetst moet worden aan § 5.1.4.6.3 van het Bkl. Op basis daarvan kan geconstateerd worden dat de projectlocatie is gelegen in het concentratiegebied én binnen de bebouwingscontour geur. Ten aanzien van de geurbelasting door agrarische bedrijven met landbouwhuisdieren mét geuremissiefactoren moet worden voldaan aan de criteria van artikel 5.106. Voor de beoordeling van alle andere agrarische bedrijven waar dieren worden gehouden, gelden de criteria van artikel 5.106a. Geconstateerd kan worden dat de in de bovengenoemde artikelen genoemde criteria worden gerespecteerd. De geprojecteerde woningen hebben enerzijds een lagere geurbelasting dan 3,0 ouE/m3 , waardoor deze woningen geen nieuwe belemmeringen voor mogelijke uitbreidingen van de betrokken bedrijven betekenen. Daarnaast worden de geldende vaste afstanden gerespecteerd, waardoor de rechten van de nabij gelegen bedrijven niet worden aangetast door de aangevraagde ontwikkeling. Ook voor wat betreft de beoordeling van de acceptabele geurhinder bij woningen door de agrarische bedrijven kan worden geconstateerd dat de genoemde normen worden gerespecteerd.

Overwegingen voor mest- en vooropslagen Voor andere agrarische bedrijfsactiviteiten dan het huisvesten van dieren gelden de afstandscriteria van § 5.1.4.6.4 van het Bkl. Aangezien de afstanden van de dichtstbijzijnde agrarische bedrijven tot het project groter zijn dan 100 meter kan worden geconstateerd dat ook de in deze paragraaf genoemde afstanden worden gerespecteerd. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de te realiseren woningen op voldoende afstand liggen van de meest nabij gelegen veehouderijen. De voorgenomen ontwikkeling is niet belemmerend voor deze agrarische bedrijven. Ook het woon- en leefklimaat op de locatie zelf voldoet, voor wat betreft de vooren achtergrondgeurbelasting, aan de hieraan te stellen eisen. De geur afkomstig van de omliggende veehouderijen vormt geen belemmering voor de aangevraagde ontwikkeling.

4.6.3

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

9

Omgevingsdienst Achterhoek (2024) Vooradvies geur veehouderij bestemmingsplanprocedure, 20 juni 2024.

60

4.7

Kabels en leidingen

4.7.1

Algemeen Bij vaststelling van een wijzigingsbesluit moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen.

4.7.2

Toetsing In het besluitgebied is een ondergrondse rioolleiding aanwezig. Verder zijn er hoge druk aardgasleidingen en hoog-spanningslijnen aanwezig. Er is een regeling opgenomen ter bescherming van de rioolleiding.

4.7.3

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.8

Omgevingsveiligheid

4.8.1

Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl).

Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.

61

Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. 4.8.2

Toetsing De Omgevingsdienst Achterhoek heeft voor de beoogde ontwikkeling een advies ten aanzien van omgevingsveiligheid10 uitgebracht (bijlage 10 bij deze motivering). De bevingen uit dit advies worden navolgend beschreven. Het initiatief heeft betrekking op het realiseren van 226 woningen. Een woning is volgens het Bkl een kwetsbaar gebouw (Bijlage VI, onderdeel C, sub a). Aan hand van de Atlas Leefomgeving en de EV-signaleringskaart is gekeken of er in de directe omgeving (binnen een straal van 1.500 meter) van het ontwikkelgebied relevante risicobronnen aanwezig zijn (zie navolgende afbeelding).

Figuur 4.5 Ligging ontwikkelgebied ten opzichte van risicobronnen in de omgeving.

10

Omgevingsdienst Achterhoek (2024) Advies milieuzonering, 20 juni 2024.

62

Stationaire risicobronnen In de nabijheid van het ontwikkelgebied is slechts één stationaire bron gelegen, namelijk lpg-tankstation Guus Heuthorst (afstand van circa 535 meter). Binnen het bedrijf vindt de activiteit tanken van lpg plaats. Daarmee valt het bedrijf onder de werkingssfeer van het Bal en het Bkl (bijlage VII, categorie A1a). Het lpg-tankstation heeft een vergunde doorzet tot 500 m3. Op basis van het Bal geldt een plaatsgebonden risicocontour van: − 25 meter vanaf het vulpunt; − 120 meter vanaf de bovengrondse opslagtank; − 15 meter vanaf de tankzuil. Op grond van het Bkl geldt het volgende voor de activiteit tanken van lpg: − een brandaandachtsgebied van 60 meter; − een explosieaandachtsgebied van 160 meter. Zowel de plaatsgebonden risicocontour, het brand- en explosieaandachtsgebied reiken niet tot aan het ontwikkelgebied. Daarmee is deze risicobron niet relevant in het kader van omgevingsveiligheid. Mobiele risicobronnen In een straal van 1.500 meter van het ontwikkelgebied zijn geen mobiele risicobronnen gelegen. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor het initiatief. Er reiken geen plaatsgebonden risicocontouren (10-6) of aandachtsgebieden over het ontwikkelgebied. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en standaardwaarden uit de wetgeving. 4.8.3

Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.9

Gezondheid

4.9.1

Algemeen Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit

63

omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan. Toekomstvisie Oude IJsselstreek De gemeente Oude IJsselstreek schetst in de Toekomstvisie haar strategische perspectief voor de toekomst. Daartoe heeft de gemeente zichzelf zeven opgaven gesteld, waarmee een antwoord geboden kan worden op maatschappelijke uitdagingen en waarmee de gemeente en de gemeenschap verder kunnen groeien. Eén van die zeven opgaven betreft ‘gezond oud worden én gezond jong zijn’. Het doel daarbij is om een gemeente te creëren waar mensen hun leven lang fijn en gezond kunnen wonen. Het streven is dat ouderen in de gemeente in 2030 wonen in woningen die passen bij hun gezinssituatie en hun eventuele zorgbehoefte. Daarnaast wenst de gemeente gebruik te maken van de kracht van de samenleving om eenzaamheid onder ouderen tegen te gaan. Tevens worden in de toekomstvisie ook zeven dimensies uit de Brede Welvaartsindicator beschreven. Deze dimensies helpen richting te geven aan de uitwerking van de zeven opgaven uit deze toekomstvisie. Eén van die dimensies is ‘gezondheid’. Een gezonde leefomgeving (zowel fysiek als mentaal) wordt bereikt door aandacht te hebben voor gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering.

Door gezondheidsbescherming worden zaken die een negatieve invloed kunnen hebben op de gezondheid zo veel mogelijk beperkt . Denk daarbij aan geuroverlast, luchtvervuiling en geluidsoverlast. De gemeente tracht een goede gezondheid en gezonde leefstijl van inwoners zo veel mogelijk te faciliteren en bevorderen door in te zetten op voldoende ruimte om te bewegen en te ontmoeten en de openbare ruimte voor iedereen goed toegankelijk te maken. Ook stimuleert de gemeente zaken als een gezonde mobiliteit, integrale veiligheid en een groene omgeving. Tot slot wordt andersom ook gekeken in hoeverre de manier van leven in de gemeente toekomstbestendig is en of er in de Oude IJsselstreek niet een te zware last wordt gelegd op de natuur en milieu, zoals de bodem, het watersysteem en de biodiversiteit (zie dimensie ‘gezond milieu’). 4.9.2

Toetsing In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur en geluid is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − In het besluitgebied is geen geluidhinder te verwachten; − In het besluitgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit; − In het besluitgebied is geen geurhinder te verwachten. In de startnotitie woningbouw Lenteleven was openbare ruimte één van de centrale thema’s waarvoor uitgangspunten zijn opgesteld. Daarbij kwam het belang van speelvoorzieningen voor kinderen in het kader van gezondheid specifiek ook naar voren. In het stedenbouwkundig plan is ruimte gereserveerd voor groenstructuren 64

en speelvoorzieningen (zie paragraaf 2.2). Dit zorgt ervoor dat de toekomstig inwoners kunnen verblijven in een groene omgeving en dat kinderen onbezorgd dicht bij huis buiten kunnen spelen. Daarnaast zijn er in de directe omgeving voldoende voorzieningen om sport- en bewegen te stimuleren, zoals fiets- en wandelpaden en verscheidene sportvelden. 4.9.3

Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met het aspect gezondheid.

4.10

Water

4.10.1

Algemeen Het waterbeleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (NWP) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het doel is om te werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het Rijk wil met het NWP richting geven aan het waterbeleid voor Nederland als geheel, dus niet alleen voor het hoofdwatersysteem. Het programma is voor het waterbeleid een uitwerking van de nationale belangen en strategische hoofdkeuzes in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het NWP beschrijft verder de raakvlakken van het nationale waterbeleid met het beleid voor een aantal andere onderwerpen in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, landschap, bodem en landbouw. Provinciaal beleid - Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 15 december 2019 vastgesteld.

In het Regionaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het programma richt zich op het waarborgen van een duurzame en veilige waterhuishouding, met aandacht voor de verschillende uitdagingen op het gebied van water, zoals overstromingen, droogte, waterkwaliteit en natuurbeheer. Gelderland hanteert in het programma drie uitgangspunten: voorkomen is beter dan genezen, negatieve effecten zijn de verantwoordelijkheid van initiatiefnemers en uitdagingen worden gebiedsgericht aangepakt.

65

Provinciaal beleid – Omgevingsverordening Gelderland In de Omgevingsverordening provincie Gelderland is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 20222027 op welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater. Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders.

In het programma zijn een aantal speerpunten geformuleerd voor de komende decennia. Dit zijn maatschappelijke opgaven waar het waterschap een regie-voerende positie in wenst te hebben. Het gaat om de volgende punten: − Klimaatrobuust gebied: een betere balans tussen nat en droog bij de inrichting van het regionaal watersysteem. − Veilig gebied: bescherming tegen overstromingen van grote riveren en grotere beken. − Gezonde leefomgeving: een schoon en gezond watersysteem voor mensen en ecologie. − Circulaire econome en energietransitie: (samen)werken aan een klimaatneutrale taakuitvoering en circulaire economie. In hoofdstuk 9 van het programma wordt gekeken naar gebiedspecifieke kenmerken binnen het grondgebied van het waterschap. Het besluitgebied is gelegen in gebied D ‘Oude IJssel’. Ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen in dit deelgebied wordt aangegeven dat de effecten van klimaatverandering meegenomen dienen te worden. De potentie van water dient meegenomen te worden in het ontwerp, waarbij wonen aan he water en recreatieve functies op en aan het water als voorbeeld worden genoemd. Ook heeft het waterschap aandacht voor de Oude IJssel als ecologische verbindingsroute die veilig water kan afvoeren, ook in droge tijden een goede waterkwaliteit heeft en waar beroeps- en/of pleziervaart veilig plaats kan vinden.

66

4.10.2

Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling van Lenteleven heeft Civicon een Watertoets11 opgesteld. De ontwikkeling voorziet in de nieuwbouw van ongeveer 220 woningen, appartementen en de daarbij behorende infrastructuur, zoals wegen en parkeerplaatsen. Daarnaast biedt de ontwikkeling ruimte voor verschillende wandelpaden ten behoeve van de recreatie. Verder is veel ruimte voor waterberging en groen ingepast. Afstromend verhard oppervlak Het nieuw verhard oppervlak is 57.050 m2 (zie onderstaande tabel). Het openbaar gebied, rijbanen en parkeerplaatsen hebben een gezamenlijk oppervlakte van 26.250 m2. Ondanks dat wandelpaden en parkeerplaatsen waarschijnlijk deels (semi)verhard worden uitgevoerd, is dit oppervlak volledig als verhard meegenomen. Voor het bepalen van het particulier verhard oppervlak, is in deze fase van het project uitgegaan van 70% van het totale kaveloppervlak. Het werkelijke verhard kaveloppervlak zal per woningtype verschillen. Omdat de woningen in het besluitgebied divers van aard zijn, van vrijstaand tot rijwoningen, lijkt dit voor dit stadium een goede aanname. Voor de appartementencomplexen is uitgegaan van een verhardingspercentage van 100%. Tabel 4.3 Nieuw verhard oppervlak (bron: Civicon, 2024).

Beheer en onderhoud De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen belemmering vormen voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. De inrichting van- of aanpassingen aan het watersysteem worden in overleg met het waterschap bepaald. Het oppervlaktewaterpeil wordt binnen gewenste of vastgestelde marges gehandhaafd. Wateroverlast Door de ontwikkelingen in het besluitgebied neemt het verhard oppervlak toe met circa 57.050 m2 . Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Binnen het besluitgebied is veel ruimte aanwezig voor oppervlakkige berging. Langs de wegen zijn groenstroken aanwezig. Rondom de bouwvlakken 11

Civicon (2024) Watertoets bouwplan Lenteleven Gendringen. Projectnummer: 2023-083, 17 december 2024.

67

zijn groenstroken of groenvakken aanwezig, die voor waterberging worden gebruikt. Indien de afstand naar een bergingsvoorziening te groot is, wordt gebruik gemaakt van een hemelwaterriool om het hemelwater naar de berging af te voeren. In extreme situaties zou bui T=100+10% (80 mm) tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen kunnen worden zonder dat er waterschade optreedt. Hierbij wordt voorgesteld rekening te houden met infiltratieverlies tijdens de bui. De infiltratiewaarde en maximale duur van de infiltratie wordt in overleg met het waterschap vastgesteld. Er wordt voorgesteld te rekenen met een maximale infiltratie van 0,5 m/dag gedurende 12 uur. Over het algemeen wordt bij de verdere uitwerking uitgegaan van bouwpeilen van 20 tot 30 cm boven de as van de weg. Dit is mede afhankelijk van de diepte van voortuinen in combinatie met de toegankelijkheid voor mindervaliden. Waterkwaliteit Vanuit het besluitgebied wordt hemelwater via een bodempassage in de vorm van infiltratievelden geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.

Indien wordt gekozen voor berging in nieuw oppervlaktewater (retenties) wordt aanbevolen om de bodem met voldoende diepte aan te brengen (1 meter onder de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand) om ook in de zomer de waterkwaliteit te waarborgen (met name voor stilstaand water). Afvalwater Ten gevolge van de ontwikkeling is er sprake van een toename van het afvalwater. Uitgaande van een gemiddelde woningbezetting van 3 inwoners per woning en een vuilwaterproductie van 120 liter per inwoner per etmaal verdeeld over 10 uur wordt een toename aan vuilwater verwacht van (225 woningen x 3,0 inwoner x 12 l/uur) = 8,10 m³/uur. Vooralsnog wordt er vanuit gegaan dat het bestaand gemeentelijk vuilwaterstelsel van Lenteleven fase 1 deze toename van het afvalwater kan verwerken. Bij het ontwerp van dit gemaal is rekening gehouden met de uitbreiding van Lenteleven fase 2. De gemeente is op dit moment bezig met de renovatie van het gemaal, hierbij is rekening gehouden met de aansluiting van fase 2. Grondwaterbeheer In het besluitgebied bevinden zich lagen die gevoelig zijn voor structuurbederf door bijvoorbeeld bouwverkeer of grondopslag. Daarnaast zijn in het besluitgebied enkele leemlagen aanwezig. Om grondwateroverlast in de toekomstige situatie te voorkomen, wordt aanbevolen om verdichte/slecht doorlatende lagen te doorbreken met bijvoorbeeld verticale zandsleuven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5107/documents/33721