CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Motivering Lenteleven NL.IMRO.1509.OP000007-VA01.pdf

Raadscommissie Fysieke Leefomgeving (FL) 6 mei 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 5: TAM-omgevingsplan "Lenteleven - Gendringen"26.302 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Om verdroging zo veel als mogelijk te verminderen wordt de neerslag in het besluitgebied zo veel als mogelijk lokaal in de bodem geïnfiltreerd. Het besluitgebied maakt geen functies mogelijk die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden.

68

Recreatie en beleving Aan de rand van het besluitgebied wordt eventueel nieuw oppervlaktewater gerealiseerd (retenties). Dit oppervlaktewater sluit aan bij reeds bestaand oppervlaktewater langs de Staringstraat. De bodem van dit oppervlaktewater moet voldoende diepgang hebben, om ook in het zomerseizoen van voldoende kwaliteit te zijn. Hierbij wordt de beleving van het bestaande oppervlaktewater meegenomen in de overweging dit uit te breiden. Dit wordt in nauw overleg met het waterschap opgepakt. Om het risico op verdrinking te beperken worden in de infiltratievelden flauwe taluds aangebracht. Bij verdere uitwerking van het waterhuishoudings- en rioleringsplan, dient dit nader beschouwd te worden. 4.10.3

Conclusie Op basis van het hierboven gestelde blijkt dat er ruimtelijke consequenties zijn met betrekking tot water gerelateerde zaken, zoals het aanbrengen van infiltratievelden en retenties. Hier is voldoende ruimte voor aanwezig binnen het besluitgebied. Dit leidt niet tot ruimtelijke knelpunten. De watertoets is aan het waterschap voorgelegd en het waterschap is hiermee akkoord.

4.11

Klimaatadaptatie

4.11.1

Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting.

Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater 69

− Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken.

Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend ’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico’s om te gaan.

Ambities: − In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. Ze zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.

70

− In 2020 hebben ze samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen. Aanpak: − De provincie zorgt voor een veerkrachtig en duurzaam water-, natuur en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit een klimaatbestendige en schone bodem en ondergrond en uit schoon en gezond grond- en oppervlaktewater en drinkwater. − Samen met partners brengt de provincie toekomstige risico’s en kansen van het veranderend klimaat voor Gelderland in kaart. De provincie draagt bij aan het opstellen van Regionale Adaptatie Strategieën en helpen bij de uitvoering daarvan. − Gelderland werkt zelf klimaatbestendig en weegt dit aspect bij al hun beslissingen mee. En: geven dit als voorwaarde mee aan onze partners. In artikel 5.85 van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 5.85 (klimaatadaptatie) 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast; c. droogte; en d. hitte. 3.

De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Gemeentelijk beleid – Klimaatagenda Oude IJselstreek Uit de afgelopen jaren is gebleken dat het klimaat veranderd en dat de weeromstandigheden extremer worden, zo ook in de gemeente Oude IJsselstreek. Ten aanzien van klimaatverandering heeft de gemeente daarom de ambitie om de gemeente veilig, leefbaar en aantrekkelijk houden voor toekomstige generaties. Dit betekent dat de gemeente de leefomgeving zodanig moet inrichten dat de gemeente voldoende is geweerd tegen de toekomstige weersextremen. De gemeente geeft de focus aan de landelijke hoofdthema’s uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: Meer regen, hoger water, meer hitte en drogere zomers. De visie is opgebouwd uit vijf pijlers: 1 Adaptief landelijk gebied 2 Woonkernen gezond en groen 3 Calamiteitenorganisatie 4 Klimaatbestendig ontwikkelen 5 Betrokken en actieve mensen

71

Binnen deze pijlers worden verschillende maatregelen genoemd, die hebben geleid tot de volgende kerntallen: − Neerslag: Geen schade in panden bij neerslaggebeurtenissen van minder dan 70 millimeter in één uur. − Droogte en neerslag: De gemeente stimuleert afkoppelen regenwater van de riolering en volgen voortgang. − Droogte: Maximaal infiltreren van regenwater wordt de norm. Afvoeren van regenwater mag alleen indien onderbouwd. − Groen en koelte: De gemeente hanteert de 3-30-300 regel voor groen: Vanuit elk huis zijn minstens drie bomen zichtbaar, elke wijk kent 30% boombedekking, en vanuit elk huis is er binnen een afstand van 300 meter een koele verblijfsplek of een park van minstens één hectare. − Calamiteiten: De gemeente zorgt dat de kwetsbare functies en installaties bekend zijn. − Calamiteiten: De gemeente zorgt dat 100% van de bewoners weet wat te doen bij calamiteiten en checken dat via het bewonerspanel. − De gemeente zorgt dat minstens 9 op de 10 bewoners weet wat klimaatverandering in onze gemeente betekent en weet wat de bewoners er zelf aan kunnen doen, in hun wijk. − Voor nieuwbouw en herontwikkelingen zijn er duidelijke eisen voor de berging/infiltratie van regenwater en de verbetering van de waterkwaliteit en biodiversiteit. Elke nieuwe ontwikkeling is een kans die gepakt moet worden.

− Belangrijke (toeristische) fietsroutes hebben genoeg koele pauzeplekken en schaduwbedekking. Deze streefwaarden moeten nog worden uitgewerkt. 4.11.2

Toetsing In elk van de bovenstaande beleidsstukken komen de thema’s waterveiligheid/overstromingen, wateroverlast, hitte en droogte naar voren. Daarnaast worden in de landelijke maatlat klimaatadapatief bouwen de thema’s biodiversiteit en natuurinclusiviteit en bodemdaling ook nog meegenomen. Voor de toetsing worden deze thema’s nader toegelicht. Zoals in de vorige paragraaf reeds beschreven, heeft Civicon een watertoets voor het bouwplan Lenteleven Gendringen12 uitgevoerd. Hierin is ook gekeken naar verschillende klimaataspecten. De bevindingen uit deze toets worden navolgend uiteengezet. Overstroming In de figuur 4.6 (onderstaand) is de waterhoogte weergegeven die ontstaat als een dijk van de grote rivieren (de Rijn of de IJssel) bezwijkt. Te zien is dat het water tot circa 0,5 m kan stijgen in het besluitgebied. Volgens de klimaatatlas is de kans dat het gebied overstroomt klein; de kans ligt tussen de 1x per 300 tot 3.000 jaar.

12

Civicon (2024) Watertoets bouwplan Lenteleven Gendringen. Projectnummer: 2023-083, 17 december 2024.

72

Figuur 4.6 Waterhoogte bij overstroming (bron: Civicon, 2024).

Wateroverlast In figuur 4.7 is een wateroverlastkaart opgenomen. Deze kaart is opgesteld in het kader van de zogenoemde stresstesten die uitgevoerd zijn voor Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie in opdracht van de gemeente Oude IJsselstreek in samenwerking met het waterschap. Uit deze kaarten komen locaties naar voren die mogelijk last hebben van wateroverlast bij heftige regenval. De berekeningsmethodiek die gebruikt is bij het opstellen van de kaarten, is redelijk grof. Op basis van onderstaande figuur kan geconcludeerd worden dat in de huidige situatie lager gelegen delen onderhevig kunnen zijn aan wateroverlast (indicatie). Binnen het plangebied is voldoende ruimte voorzien om binnen de functie Groen waterberging te realiseren. In het stedenbouwkundig plan zijn watergangen en wadi’s opgenomen. Bij de nadere uitwerking van het gebied zal de waterberging verder vormgegeven worden. Verder er een regeling opgenomen die voorziet in waterberging op eigen terrein bij het realiseren van verharding.

73

Figuur 4.7 Stresstest wateroverlast, bui kans 1x per 100 jaar (bron: Civicon, 2024).

Hittestress Bij hittestress wijkt de oppervlaktetemperatuur af van de gemiddelde luchttemperatuur. Oppervlaktetemperatuur is een goede indicator voor het optreden van hittestress. Bosschages en oppervlaktewater hebben een verkoelende werking op de omgeving, terwijl verharding voor een verhoogde gevoelstemperatuur zorgt. De hittestresskaart van het besluitgebied is te zien in figuur 4.8. Dit geeft een eerste indicatie van gevoelige gebieden voor hittestress tijdens zomerse dagen. Omdat het besluitgebied in de huidige situatie voornamelijk uit onbebouwd gebied bestaat, is het besluitgebied niet gevoelig voor hittestress. Inpassing en behoud van voldoende groen en eventueel oppervlaktewater is nodig om hittestress bij toenemende bebouwing te beperken. In het stedenbouwkundig plan is veel groen voorzien. Deze is nader uitgewerkt in een beplantingsplan en inrichtingsplan waarbij ook voorzien wordt in de aanplant van bomen. Met het inrichtingsplan wordt rekening gehouden met de 3-30-300 regel voor groen en is daarmee geborgd. Deze bomen zullen naast de rest van het groen en het water en de wadi’s een positieve bijdrage hebben ten aanzien van hittestress. Het beplantingsplan wordt als toetsingskader opgenomen in de regels.

74

Figuur 4.8 Hittestress (bron: Civicon, 2024)

Droogte De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) geeft een goed beeld van de grondwaterstanden ten tijde van droogte en kan gebruikt worden bij het vaststellen van de impact van droogte op de leefomgeving. Figuur 4.9 laat zien in welke gebieden naar verwachting de grondwaterstand in de toekomst (2050) erg laag wordt. De donkerrode gebieden zijn het meest gevoelig voor droogte. Door de relatief hoge grondwaterstanden in het projectgebied is de kans op droogte ter hoogte van het projectgebied lager dan in de hoger gelegen bebouwde kern van Gendringen.

Figuur 4.9 Droogte (bron: Civicon).

75

4.11.3

Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met het aspect klimaatadaptatie.

4.12

Duurzaamheid

4.12.1

Algemeen De gemeenteraad heeft op 30 september 2021 ingestemd met het ontwerp van de Regionale Energiestrategie 1.0 van de Achterhoek. De regio wil in 2030 1,35 TWh aan duurzame energie opwekken met zon en wind. Onder het motto Samen d’r an! De gemeente Oude IJsselstreek werkt samen met andere gemeenten in de Achterhoek, provincie Gelderland, Waterschap Rijn en IJssel en Netbeheerder Liander. De RES 1.0 beschrijft een regionale koers met afspraken en plannen. Om de contouren van de RES 1.0 te ontwikkelen namen inwoners, (maatschappelijke) organisaties en agrariërs deel aan online sessies en een peiling. Met de RES draagt de Achterhoek 1,35 TWh bij aan het Nederlands Klimaatakkoord. Na de verkenning voor de RES 1.0 blijkt dat er in de Achterhoek veel ruimte is om duurzame energie op te wekken met zon en wind. Het is belangrijk om op beide vormen in te zetten voor balans op het netwerk, maar ook om de energiekosten voor de inwoners van de Achterhoek betaalbaar te houden en rekening te houden met de leefomgeving. Alleen inzetten op zonneparken gaat ten koste van landbouwgrond, waar agrariërs maar ook inwoners zich zorgen over maken. De regio kiest ervoor om stevig in te zetten op zon-op-dak-projecten, zoals zonnepanelen op bedrijfsdaken en boven openbare parkeerplaatsen. Daarnaast zijn mogelijke locaties opgenomen waar windturbines geclusterd kunnen worden bepaald.

Hoe en waar precies, dat moet nog worden uitgewerkt in de fase naar de RES 2.0.

4.12.2

Toetsing Voor Lenteleven zijn in de startnotitie ambities opgenomen voor klimaat, energie en duurzaamheid. Voor de locatie Lenteleven is de ambitie om zelfs een energieleverende wijk te realiseren. Het overschot aan energie is bijvoorbeeld te gebruiken voor het realiseren van een lokaal laadpalennetwerk voor elektrische auto's. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de doelen van de RES.

4.12.3

Conclusie De ontwikkeling draagt bij aan de ambities zoals de gemeente die voor duurzaamheid heeft.

4.13

Natuur

4.13.1

Algemeen Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die

76

onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f Omgevingswet). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.

Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden

77

vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. Bescherming houtopstanden Ook voor beschermde houtopstanden geldt een specifieke zorgplicht (artikel 11.116 Bal). Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie (artikel 11.126 Bal). Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant (artikel 11.129 Bal). Deze bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap liggen. Deze bebouwingscontour is opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. 4.13.2

Toetsing Onderhavig project betreft de ontwikkeling van agrarische gronden tot een woningbouwlocatie. Vanuit het aspect ecologie dient onderzocht te worden of er met de ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Daartoe is allereerst een quick scan natuur uitgevoerd, waarin is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Vervolgens is een nader onderzoek beschermde soorten Omgevingswet uitgevoerd. Tevens is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. De bevindingen uit deze onderzoeken worden navolgend uiteengezet. Soortenbescherming Uit de quick scan natuur13 (uitgevoerd in juni 2024) volgt dat er in en rondom het besluitgebied Rode lijstsoorten of soorten van bijlage IX van het Bal kunnen voorkomen, namelijk haas en konijn. Om te voldoen aan de specifieke zorgplicht voor deze soorten worden verschillende maatregelen geadviseerd (zie paragraaf 5.1.2 van de quick scan). In en nabij het besluitgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Omgevingswet, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.

Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het besluitgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om 13

SAB (2024) Quick scan natuur Gendringen, Locatie Lenteleven. Projectnummer: 220120.01, 6 juni 2024.

78

de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten en, vooraf aan de start van de werkzaamheden, ook een broedvogelcheck te doen. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen aanwezig van ransuil, buizerd, sperwer of boomvalk. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied van deze soorten aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een vergunning beschermde soorten van de Omgevingswet noodzakelijk. Verder is mogelijk essentieel leefgebied voor kleine marters aanwezig. Ook is mogelijk een essentiële vliegroute van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen en/of essentiële vliegroute aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een vergunning Omgevingswet noodzakelijk.

Ten slotte wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden te zorgen dat er geen grote zandhopen en ondiepe poelen ontstaan om vestiging van de rugstreeppad te voorkomen. Nader onderzoek Naar aanleiding van de hierboven beschreven bevindingen uit de quick scan natuur is in juni 2024 een aanvullend onderzoek beschermde soorten Omgevingswet14 uitgevoerd. In het besluitgebied is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van ransuil, boomvalk, sperwer, buizerd, kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) en vleermuizen. Daarnaast zijn er waarnemingen gedaan van de steenmarter en eekhoorn. De boomvalk, sperwer en kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) zijn tijdens het onderzoek niet vastgesteld in het besluitgebied en daarvan zijn dan ook geen essentiële elementen in het besluitgebied aanwezig. Daarom is met de geplande ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect op deze soorten te verwachten. Een schadelijke handeling onder de Omgevingswet vindt derhalve niet plaats. Voor deze soorten is derhalve een vergunning beschermde soorten niet nodig. De ransuil, buizerd, steenmarter en eekhoorn zijn in (de directe omgeving van) het besluitgebied aanwezig, maar met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is geen negatief effect te verwachten. Omdat geen negatief effect te verwachten is, kan gesteld worden dat geen sprake van een schadelijke handeling onder de

14

SAB (2024) Nader soortenonderzoek beschermde soorten Omgevingswet Gendringen, Locatie Lenteleven. Projectnummer: 220120.01, 17 juni 2024.

79

Omgevingswet zal zijn met de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Voor deze soorten is derhalve een vergunning beschermde soorten niet nodig. Voor de gewone dwergvleermuis is een essentiële vliegroute in het besluitgebied aanwezig. Echter, met maatregelen in de aanleg- en gebruiksfase (zie verderop in deze paragraaf), is met de geplande ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect te verwachten. Er zal in dat geval geen sprake zijn van een schadelijke handeling. Een vergunning Omgevingswet is dan niet nodig. Indien deze maatregelen niet (voldoende) getroffen worden, is wel een reële kans op negatieve effecten op de betreffende soorten. In dat geval is sprake van een schadelijke handeling onder de Omgevingswet. Om de geplande werkzaamheden dan toch door te kunnen laten gaan, zijn preventieve of mitigerende maatregelen noodzakelijk, en is mogelijk een vergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Preventieve maatregelen Zoals hiervoor beschreven zijn met preventieve maatregelen negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen. Hierdoor kunnen ook (mogelijke) schadelijke handelingen onder de Omgevingswet voorkomen worden.

Navolgende maatregelen en/of inrichting van het besluitgebied zijn nodig om op voorhand het overtreden van de Omgevingswet te voorkomen vanwege het gebruik van de aanwezigheid van een essentiële vliegroute voor de gewone dwergvleermuis (voor meer informatie, zie paragraaf 6.3 uit het nader onderzoek): − Aanpassen verlichting N817 (Oude IJsselweg) naar vleermuisvriendelijke verlichting. − Ligging en oriëntatie woningen ten opzichte van essentiële vliegroute N817. − Vleermuisvriendelijke verlichting in besluitgebied. − Versterken te realiseren groenstructuren in de toekomstige situatie. Mitigerende maatregelen Indien met de geplande ruimtelijke ontwikkeling het overtreden van de Omgevingswet niet kan worden voorkomen, moeten in combinatie met een vergunning floraen fauna-activiteit, mitigerende maatregelen getroffen worden om de negatieve effecten op de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis zoveel mogelijk te verminderen. Dit moet dan in het vervolgproces volledig worden opgesteld. Broedende vogels Broedende vogels zijn strikt beschermd. De broedende vogels en hun jongen mogen niet verstoord, verwond en gedood worden. Daarnaast mogen in gebruik zijnde nesten ook niet beschadigd en vernield worden. Zonder maatregelen kan dit bij ruimtelijke ingrepen wel gebeuren.

Er is echter voor ruimtelijke ontwikkelingen geen vergunning hiervoor te verkrijgen vanuit de Omgevingswet. Daarom wordt geadviseerd om voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uit te voeren. Vervolgstappen: − Pas de preventieve maatregelen toe om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen;

80

− Indien niet (volledig) aan deze maatregelen voldaan kan worden, moet door een deskundig ecoloog beoordeeld worden of alsnog een vergunning beschermde soorten nodig is; − Uitvoeren van een broedvogelcheck, alvorens de werkzaamheden van start gaan; − Rekening houden met de specifieke zorgplicht. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebied “NSG Hetter-Millinger Bruch, mit Erweiterung” in de buurt van het besluitgebied ligt. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied zijn verstoringen door bijvoorbeeld geluid en licht op voorhand uitgesloten. Het is echter wel mogelijk dat in de gebruiksfase een toename van stikstofdepositie veroorzaakt wordt door de voorgenomen plannen. Om dit te bepalen dient een AERIUS-stikstofberekening uitgevoerd te worden. De stikstofuitstoot als gevolg van de beoogde ontwikkeling is vervolgens inzichtelijk gemaakt middels een AERIUS-berekening15. Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd Natuurnetwerk Nederland Verder blijkt uit de quick scan dat in het besluitgebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is.

De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Omgevingswet van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. 4.13.3

Conclusie Rekening houdend met het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.14

Archeologie

4.14.1

Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een

15

SAB (2024) Onderzoek stikstofdepositie Gendringen, Lenteleven. Projectnummer: 230223.02. 6 november 2025.

81

plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. 4.14.2

Toetsing Op grond van het tijdelijke omgevingsplan kent de locatie grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 3’ (en gedeeltelijk ook de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologische Verwachting II’). De aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de verwachte archeologische waarden. Grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen zijn op deze gronden slechts toelaatbaar, indien daarvoor omgevingsvergunning door burgemeester en wethouders is verleend, tenzij op basis van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Derhalve is op deze locatie een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek16 uitgevoerd en vervolgens ook een archeologisch proefsleuvenonderzoek17. De resultaten van de onderzoeken worden hieronder nader beschreven.

Uit het bureau- en inventariserend veldonderzoek uit 2008 volgt dat er op basis van het bureauonderzoek geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van intacte archeologische resten zijn aangetroffen. Ten noordoosten van het ontwikkelgebied is een

16

17

RAAP Archeologisch adviesbureau (2008) Plangebied Lenteleven-Waalstraat te Gendringen, gemeente Oude IJsselstreek. Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. Raap-notitie 2866, augustus 2008. RAAP Archeologisch adviesbureau (2023) Plangebied Lenteleven te Gendringen, gemeente Oude IJsselstreek. Archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek. Raap-rapport: 6747, 9 oktober 2023.

82

archeologisch monument (kasteel met nummer 13162) van hoge archeologische waarde gelegen. Direct ten westen van dit kasteel is de grond verhoudingsgewijs diep verstoord. Waarschijnlijk houden deze verstoringen verband met de aanwezigheid van het kasteel. Naast deze verstoringen zijn er in het gebied geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op menselijke activiteit. Vervolgens zijn de gronden die verstoord bleken in het onderzoek uit 2008 middels een proefsleuvenonderzoek nader onderzocht. Onderstaande afbeelding geeft weer om welk onderzoeksgebied het gaat, waarbij het rode gebied het besluitgebied is en het blauwe gebied het onderzoeksgebied.

Figuur 4.10 Ligging van het besluitgebied Lenteleven (rood) en het onderzoeksgebied (blauw) (bron: RAAP, 2023 Proefsleuvenonderzoek).

Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Er zijn enkel agrarische sporen aangetroffen, die in direct verband staan met de afwatering en het agrarisch gebruik van het gebied. Het deel met de volkstuinen lijkt archeologisch een groter potentieel te hebben. Dit deel ligt aanzienlijk hoger en lijkt op historische kaarten een geheel te vormen met het kasteelterrein, wellicht als voorburcht of voorhof, maar sowieso als landbouwgrond. Hier kunnen dan ook eerder resten van bebouwing verwacht worden. Deze zone valt echter buiten het ontwikkelgebied en besluitgebied. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het onderhavige onderzoeksgebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) aanbevolen.

83

4.14.3

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.15

Cultuurhistorie

4.15.1

Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

4.15.2

Toetsing Binnen het besluitgebied bevinden zich geen monumentale en/of karakteristieke gebouwen. Zoals reeds aangegeven, bevind zich in de directe omgeving van het besluitgebied wel een monumentaal pand (kasteel). In de startnotitie was daarom al opgenomen dat er bij de ontwikkeling van Lenteleven rekening gehouden dient te worden met de omliggende cultuurhistorische elementen. In het kader van het stedenbouwkundig ontwerp is advies18 gevraagd over de relatie van het definitieve stedenbouwkundig plan tot het kasteel De Wesenthorst (rijksmonument) dat zich aan de noordoost zijde van het besluitgebied bevindt. In het advies wordt onder andere aangegeven dat met de bebouwingsdichtheid en de toevoeging van een waterloop rekening is gehouden met kasteel De Wesenthorst. Geadviseerd wordt ook rekening te houden met een zichtlijn vanuit De Wesenthorst. Hierop is het ontwerp aangepast door de ei-vormige footprint iets te roteren en de zichtlijn een groen invulling te geven. Onderhavig project heeft daardoor geen negatief effect op de monumentale waarde van het gebouw. Daarnaast ligt het gebied op basis van de provinciale omgevingsverordening binnen de Gelderse streek Liemers (zie paragraaf 3.2.2 van deze motivering). Hieruit is gebleken dat het project rekening houdt met de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van dit landschap.

4.15.3

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

18

Advies commissie erfgoed stedenbouwkundig plan Lenteleven, 10 september 2024.

84

4.16

Mobiliteit en parkeren

4.16.1

Algemeen Met voorliggende ontwikkeling worden 226 nieuwe woningen gerealiseerd binnen het besluitgebied. De bouw van deze woningen heeft effect op het verkeer in de omgeving. De hoeveelheid verkeer neemt toe en er worden nieuwe wegen en paden aangelegd. Dit kan mogelijk knelpunten opleveren op het gebied van parkeren, verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Om deze consequenties in beeld te brengen, is een verkeersonderzoek19 uitgevoerd.

4.16.1.1

Mobiliteit In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Deze richtlijnen worden als uitgangspunt gebruikt bij de vormgeving van de infrastructuur in de wijk.

4.16.1.2

Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. De gemeente Oude IJsselstreek heeft voor het aspect parkeren gemeentelijk beleid vastgesteld in de vorm van de ‘Nota parkeernormen Oude IJsselstreek 2024’.

4.16.2 4.16.2.1

Toetsing Mobiliteit Uit het verkeersonderzoek volgt dat de nieuwe woonwijk extra verplaatsingen genereert. Dit wordt de verkeersgeneratie genoemd. Hiervoor wordt het midden van de kencijfers ritgeneratie van het CROW genomen. Door de bouw van 226 woningen is er een verkeersgeneratie op een weekdag van 1.625 mvt/etmaal. In de omrekening van een weekdag naar een werkdag wordt dit aantal vermenigvuldigd met de vuistregel 1,11. De verkeersgeneratie van Lenteleven komt neer op 1.811 mvt/etmaal op een werkdag. Dit is in de drukste spits (avondspits) een toename van 174 verplaatsingen per uur, minder dan 3 per minuut. De zwaarst belaste kruising met het extra verkeer van Lenteleven is de rotonde Rijnweg – Oude IJsselweg. De verzadigingsgraad neemt toe met 3% van 24% naar 27%. De gemiddelde wachttijd neemt toe met 0,2 seconde van 3,3 naar 3,5 seconde. Dit ligt ver onder de grenswaarde van de verzadigingsgraad van 80% en de gemiddelde wachttijd van 50 seconde. Er zal door de ontwikkeling van Lenteleven geen probleem ontstaan op de kruispunten rond Lenteleven. De richtlijnen uit het ASVV worden gehanteerd als uitgangspunt. Op basis daarvan wordt bijvoorbeeld gezorgd voor voldoende en juist vormgegeven verkeersremmende maatregelen en plateaus op gelijkwaardige kruisingen in afwijkende bestrating. De ontsluiting van de wijk is beschreven in paragraaf 2.2. Hieruit 19

Royal Haskoning DHV (2024) Verkeersonderzoek Lenteleven. Projectnummer: BJ6993, 11 maart 2026.

85

blijkt dat de wijk van twee kanten ontsloten is, waardoor ook in geval van calamiteiten de wijk bereikbaar blijft indien één van de ontsluitingswegen niet te gebruiken is. Voor de fietsers is het projectgebied gunstig gelegen voor het bereiken van voorzieningen; er zijn meerdere supermarkten en basisscholen binnen een bereik van 10 minuten fietsen. Ook is er een middelbare school op 15 minuten fietsafstand en bevinden zich twee sportlocaties binnen een bereik van 5 tot 10 minuten fietsen. Wat betreft het OV, biedt buslijn 28 een sterke verbinding richting Doetinchem. Echter, in andere richtingen zoals Arnhem, Nijmegen, Enschede en richting de Duitse grens, is het OV minder concurrerend met de auto. 4.16.2.2

Parkeren Parkeerbalans stedenbouwkundig plan Zoals eerder aangegeven gaat het stedenbouwkundig plan uit van de bouw van 226 woningen. In verband met enige programmatische flexibiliteit binnen dit stedenbouwkundig plan laten de regels van dit TAM-omgevingsplan iets meer woningen toe, namelijk maximaal 247 woningen. Uiteraard wordt rekening gehouden met de gemeentelijke parkeernormeringen (publicatie: Parkeernormeringen Gemeente Oude IJsselstreek, maart 2024; zie bijlage 2 bij de Regels). Parkeren vindt in de basis plaats in parkeerhoven tussen de woningen en op eigen terrein. Het overige parkeren vindt plaats op enige afstand aan de centrale straat. Er zal een parkeerverbod zone ingesteld worden voor de wijk Lenteleven en de parkeervakken worden duidelijk gemarkeerd. Dit biedt de mogelijkheid om te handhaven op foutparkeren.

Figuur 4.11 Stedenbouwkundig plan Lenteleven, met de verdeling in parkeer-telgebieden (bron: RHDHV, 2024).

86

Het verkeerskundig bureau (RHDHV, zie bijlage 18 bij de Motivering) heeft het stedenbouwkundig plan doorgerekend, om te toetsen of het plan voldoet aan de gemeentelijke parkeernormeringen. Het plan is verdeeld in 3 telgebieden (zie afbeelding 4.11), zodat de parkeerplekken evenwichtig en passend bij het beoogde programma zijn verdeeld over het gehele plan. Het stedenbouwkundig plan heeft op basis van de 226 woningen een parkeerbehoefte van 451 parkeerplekken. Het stedenbouwkundig plan houdt rekening met 475 parkeerplekken, verdeeld over 372 parkeerplekken in de openbare ruimte en 103 opstelplekken op eigen terrein. Bij de parkeercapaciteit op eigen terrein is een reductiefactor toegepast, conform de gemeentelijke telwijze (zie de eerder aangegeven publicatie parkeernormeringen). Zo tellen twee opstelplekken achter elkaar slechts als 1,5 parkeerplek mee in de parkeerbalans, omdat in de praktijk blijkt dat deze twee opstelplekken niet altijd worden gebruikt. Twee opstelplekken naast elkaar tellen wél mee als 2 parkeerplekken in de balans. Bij de aangegeven 103 opstelplekken op eigen terrein is al met deze reductiefactor rekening gehouden. Dat betekent dat het stedenbouwkundig plan een positieve parkeerbalans kent, van +24 parkeerplekken. Deze geconstateerde overcapaciteit is volledig toe te schrijven aan de openbare ruimte.

Overigens hoeft deze overcapaciteit niet daadwerkelijk gerealiseerd te worden, zolang de parkeerbalans maar nul of positief blijft. Er worden altijd maximaal 372 parkeerplekken in de openbare ruimte gerealiseerd, nooit meer. Minder mag wel, zolang alle telgebieden een positieve parkeerbalans houden. Met deze parkeerbalans is aangetoond dat het stedenbouwkundig plan (ruimschoots) kan voldoen in de parkeerbehoefte. Flexibiliteit in programma en parkeerbalans De regels laten echter in het woonprogramma flexibiliteit toe. Er mogen maximaal 247 woningen worden gerealiseerd. De geconstateerde overcapaciteit van +24 parkeerplekken in de openbare ruimte die cf. het stedenbouwkundig plan kunnen worden aangelegd, mag voor dit extra woonprogramma worden ingezet. Dat kan eventueel binnen een andere sector (sociale huur, goedkope koop, betaalbare koop en/of dure koop). In het uit te werken plan worden echter -zoals hierboven reeds aangegeven- altijd maximaal 372 parkeerplekken in de openbare ruimte gerealiseerd. Eventuele extra benodigde parkeerplekken in geval er meer woningen gerealiseerd worden (maximaal 247 woningen) en de te gebruiken geconstateerde overcapaciteit van parkeerplekken in de openbare ruimte niet leidt tot een sluitende parkeerbalans, worden dus niet in de openbare ruimte gerealiseerd, maar op eigen terrein.

87

4.16.3

Conclusie Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit. Het stedenbouwkundig plan voldoet aan de parkeernormen van de gemeente.

4.17

Omgevingskwaliteit

4.17.1

Algemeen Een goede omgevingskwaliteit is een van de centrale doelstellingen van de Omgevingswet (artikel 1.3). De Omgevingswet legt zowel initiatiefnemers als overheden een zorgplicht op voor verbetering van de omgevingskwaliteit. Om de omgevingskwaliteit te waarborgen zijn gemeenten verplicht dit aspect op te nemen in het omgevingsplan. Initiatiefnemers moeten het aspect opnemen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Er is geen heldere definitie van het begrip omgevingskwaliteit. Onderdelen die bijdragen aan een goed omgevingskwaliteit zijn het stedenbouwkundige plan, architectuur, natuur en landschap. Wanneer deze losse aspecten kwaliteit hebben leidt dat tot ’omgevingskwaliteit’. De gemeente is op basis van de artikelen 2.4 en 4.2 van de Omgevingswet verplicht dit aspect mee te nemen bij de ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (etfal). De gemeente is vrij om dit te doen door middel van beleid of door regels. Of het aspect omgevingskwaliteit getoetst moet worden aan het omgevingsplan of aan de omgevingsvisie is daarom afhankelijk van de keuze van de gemeente.

4.17.2

Toetsing Met onderhavige ontwikkeling is zoveel mogelijk aangesloten bij de ambities en doelen uit de gemeentelijke structuurvisie en sluit qua stedenbouwkundig plan aan bij het dorpse karakter van Gendringen.

4.17.3

Conclusie Het aspect omgevingskwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.

4.18

Ontplofbare oorlogsresten

4.18.1

Algemeen Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Oude IJsselstreek verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving.

4.18.2

Toetsing Voor het project Gendringen Lenteleven in de gemeente Oude IJsselstreek staan diverse bodemroerende werkzaamheden gepland ten behoeve van de bouw van

88

woningen. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Voor het gehele plangebied is een vooronderzoek uitgevoerd. Vervolgens is het plangebied gedetecteerd. Op basis van het detectieonderzoek zijn de verdachte objecten ‘benaderd’. Het detectieonderzoek heeft geresulteerd in navolgende kaart. De groene gebieden zijn vrijgegeven. De groene gebieden zijn inmiddels vrijgegeven. Voor een deel van het gebied, het ‘opsporingsgebied’, zal er nog nader onderzoek uitgevoerd worden.

4.18.3

Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. In een beperkt deel van het gebied zal nog wel onderzoek nodig zijn bij bodemwerkzaamheden.

89

5 Juridische planopzet Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-Omgevingsplan (Tijdelijk alternatieve maatregel). TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-Omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-Omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1 Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2 Specifieke regels of functies (voorheen: Bestemmingsregels); 3 Algemene regels over functies; 4 Regels ter bescherming van waarden; 5 Aanlegactiviteiten; 6 Financiële bepalingen, kostenverhaalsregels; 7 Overgangsregels. Hierna volgt omschrijving van de regeling zoals opgenomen in het toe te voegen hoofdstuk.

5.2

Hoofstuk 1 inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: − Toepassingsbereik (artikel 1); 90

− Begrippen (artikel 2); − Meten en rekenen (artikel 3). In artikel 1 is het toepassingsbereik opgenomen. In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan van toepassing zijn.

5.3

Hoofstuk 2 Specifieke regels over functies Functieregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het besluitgebied voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: − Functieomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; − Beoordelingsregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); − Specifieke functieregels: omschrijving van activiteiten die niet zijn toegestaan; − Vergunningplicht voor afwijken van de gebruiksregels: omschrijving van de onderdelen van de gebruiksregels waarvan af mag worden geweken. De volgende functies maken onderdeel uit van het plan: − Groen − Tuin 1 − Tuin 2 − Verkeer en verblijf − Wonen − Woongebied Mocht u activiteiten willen verrichten op grond van dit TAM-omgevingsplan, dan kunt u gebruik maken van het volgende aanvraagformulier. − Voor een aanlegactiviteit: aanvraagformulier behorende bij de activiteit [Werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren] . − Voor een bouwactiviteit: activiteit [Bouwactiviteit (omgevingsplan)]. − Voor een andere vergunningplicht raagformulier behorende bij de activiteit [afwijken van regels in het omgevingsplan]. De aanvraagformulieren treft u aan op de website omgevingswet.overheid.nl. Daar kiest u voor het tabblad [Aanvragen].

De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven.

91

Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en plantsoenen, parken, geluidwerende voorzieningen, voet- en fietspaden, behoud en versterken van natuurwaarden, culturele kunstwerken en speelvoorzieningen, civieltechnische kunstwerken en ontmoetingsplekken; ondergrondse containers;water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair, en (bouwwerken ten behoeve van) nutsvoorzieningen en bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Binnen deze functie zijn alleen parkeerplaatsen toegestaan waar deze zijn aangegeven tot het maximum aantal parkeerplekken zoals aangegeven. Tuin 1 en 2 De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, wegen en paden. Binnen Tuin 1 zijn tevens erfafscheidingen toegestaan. Verkeer en verblijfsgebied De voor Verkeer en verblijfsgebied ' aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijfsgebieden, wegen en pleinen, voet- en fietspaden, speel-, groenvoorzieningen en kunstwerken, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, ontmoetingsplekken en straatmeubilair, openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Binnen deze functie is parkeren toegestaan behalve daar waar de aanduiding ’parkeren uitgesloten’ is opgenomen. Wonen Voor één kavel is een functie wonen opgenomen. Hier zijn 2 vrijstaande woningen toegestaan en kantoorruimte.

Woongebied De voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen aan huis verbonden beroepsactiviteiten. Ook zijn tuinen en erven, parkeer-, speel- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair en nutsvoorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming 'Woongebied' mogen niet meer dan 247 woningen worden gebouwd, met dien verstande dat: a het aantal sociale huurwoningen niet minder mag bedragen dan 20 woningen; b het aantal middenhuurwoningen niet minder mag bedragen dan 13 woningen; c het aantal goedkope koopwoningen niet minder mag bedragen dan 45 woningen; d het aantal betaalbare koopwoningen niet minder mag bedragen dan 55 woningen. Op de kaart is aangegeven waar woningen aaneengebouwd, gestapeld, vrijstaand of twee-aaneen gebouwd mogen worden. Op veel locaties zijn meerdere woningtypen mogelijk. Per bouwveld is het maximum aantal woningen aangegeven. Voor een deel van de woningen is een hogere geluidsbelasting toegestaan. Er zal nog wel aangetoond moeten worden dat aan de binnenwaarde voldaan zal worden.

92

5.4

Hoofdstuk 3 Algemenen regels over functieregels Hoofdstuk 3 van de regels bevat algemene functie regels. In dit hoofdstuk zijn diverse algemene regels zoals aanvraagvereisten opgenomen en regels ten aanzien van parkeren en beeldkwaliteit. Parkeerregeling In de parkeerregeling is de Nota parkeernormen van de gemeente van toepassing verklaard. (Beeld)kwaliteit Om tot de gewenste kwaliteit binnen het ter realiseren woongebied te komen is er een Beeldkwaliteitsplan, Inrichtings- en beplantingsplan en Programma van eisen openbare ruimte als toetsingskader opgenomen.

5.5

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten Door het gebied ligt een rioolleiding. Er zijn regels opgenomen ter bescherming van deze leiding.

5.6

Hoofdstuk 5 Aanleg activiteiten In hoofdstuk 5 zijn regels opgenomen voor het bouw- en woonrijp maken.

5.7

Hoofdstuk 6 Financiële bepalingen, kostenverhaalsregels Artikel 19 Fasering van het kostenverhaalsgebied De gemeente acht het van belang een volgorde aan te brengen in de ontwikkeling van de locatie Lenteleven door een indeling in twee deelgebieden te hanteren, zoals aangegeven in de Kaart deelgebieden, bijlage 20 en verkleind op figuur 5.1 hierna. Het betreft de deelgebieden Zuid en Noord.

93

Figuur 5.1 Deelgebieden Ook wordt een fasering qua tijd gehanteerd. Deze is vastgelegd met de hierna opgenomen faseringstabel:

94

abel 5.1 Faseringstabel

Voor de watergang die voorzien wordt aan de westzijde van het kostenverhaalsgebied, zoals aangegeven op de Grondgebruikskaart, geldt geen fasering in tijd. Deze kan in zijn geheel reeds worden aangelegd wanneer gestart wordt met de ontwikkeling van deelgebied Zuid. In deze tabel is het belang van de voortgang weergegeven: de planning c.q. tijdsfasering van bouwrijp maken, van verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen en van woonrijp maken. De redenen voor deze indeling in deelgebieden en de volgorde en tijdsfasering zijn de volgende: 1 De gemeente heeft, vanuit haar woningbouwopgave, haast met de voortgang van de ontwikkeling ten aanzien van het bouwrijp maken en van het verlenen van omgevingsvergunningen voor het bouwen; dit om te komen tot de spoedige beschikbaarheid van woningen; 2 De bedoelde woningbouwopgave gaat uit van de oplevering van een aantal woningen per jaar (met enige bandbreedte) en het opnamevermogen van woningen op de woningmarkt. Om die reden is er gekozen voor een fasering in de tijd, verdeeld over logisch met elkaar samenhangende delen binnen het kostenverhaalsgebied: de twee genoemde deelgebieden. De gemeente acht het belangrijk dat Zuid als eerste wordt ontwikkeld. De reden hiervan is dat: 3 2.1 Een start in Zuid is civieltechnisch gezien logischer dan een start in noord.

Vanuit Zuid kan worden aangesloten op bestaande civieltechnische voorzieningen. Een start in Zuid is daarom efficiënter dan een start in Noord. 4 2.2 bovendien is de gemeente eigenaar van de gronden van Zuid zodat er een waarborg is voor directe start van het bouwrijp maken en bouwen; de gemeente is daarvoor niet afhankelijk van de eventuele instemming van de private partijen die gronden in eigendom hebben in Noord. De genoemde ontsluiting van Noord is afhankelijk van de onderlinge overeenstemming tussen de vier eigenaren in dat deelgebied (gemeente als eigenaar 1 en verder de eigenaren 2, 3 en 4). Voor de aanleg van ontsluitingen in Zuid is de gemeente niet afhankelijk van instemming van private eigenaren of van overeenstemming tussen private eigenaren. De aanwezigheid van drie private partijen als grondeigenaar in Noord en de eigendomsdoorsnijdingen van de voorziene inrichting van openbare voorzieningen maken dat een start met Noord onnodig lang kan duren; daarentegen is in Zuid geen sprake van wachttijd; 5 2.3 in Zuid kan het grootste deel van de prijscategorieën woningen, waar het meeste behoefte aan is, gerealiseerd worden, zoals valt af te leiden uit de Verkavelingskaart met woningcategorieën (bijlage 10 bij de Regels) 6 2.4 in Zuid kunnen, vanwege de eigendomspositie van de gemeente, ook grote aaneengesloten delen openbaar groen worden aangelegd

95

7 2.5 terwijl er gewerkt wordt aan het bouwrijp maken en bouwen in Zuid kan de tussenliggende tijd benut worden om met de eigenaren van Noord tot overeenstemming te komen over de tijdige voortgang van de ontwikkeling (binnen de periodes van de faseringsregel), of anders over de verwerving van deze gronden en zo nodig de onteigening ervan; 8 De indeling in tijdsvakken van de hierna opgenomen faseringstabel is ingegeven door het proces van a) bouwrijp maken van de gronden voor bebouwing en van gronden voor de aanleg van wegen en riolen, b) verlenen van de vergunningen voor het bouwen en c) de resterende (afrondende) inrichting van de openbare ruimte. Voor elk van de fasen zijn tijdvakken (met kalenderjaren) opgenomen. Daarmee geeft de gemeente de haast van de beoogde voortgang (de planning) aan van de woningbouwopgave. Met deze planning geeft de gemeente dan ook aan wat de vorm van planuitvoering is die zij in het publieke belang nodig acht. Als private partijen mogelijkheden hebben om tot zelfrealisatie van uitgeefbare gebieden over te gaan zullen zij bereid moeten zijn binnen deze tijdsvakken te realiseren. Als zij daar niet toe bereid blijken te zijn zal de gemeente minnelijke pogingen doen tot verwerving van deze gronden en - als die pogingen binnen afzienbare tijd niet slagen – overgaan tot onteigening.

Verwerving Vanwege de hiervoor bedoelde sturing op de voortgang wenst de gemeente de eigendommen te verwerven zoals deze zijn aangegeven op Verwervingskaart, bijlage 21 en hierna weergegeven. Op deze kaart zijn alle gronden aangemerkt als te verwerven met uitzondering van die gronden die reeds eigendom van de gemeente zijn. De redenen voor deze beoogde verwervingen zijn de volgende: − •De Grondgebruikskaart (bijlage 22, hierna weergegeven met figuur 5.2), − De Eigendommenkaart (bijlage 23, hierna weergegeven ) en ook de − Verkavelingskaart met woningcategorieën (bijlage 24, hierna weergegeven ) laat zien dat en hoe het voorziene grondgebruik de eigendommen doorsnijdt. Daardoor is het niet mogelijk de inrichting met openbare voorzieningen, zoals aangegeven op deze kaarten, te realiseren zonder dat de eigendommen ervan in één hand zijn. De gemeente wenst de aanleg van deze voorzieningen als integraal werk uitgevoerd te zien en daarom de opdrachtverlening in één hand te leggen. Daarnaast geldt zoals gezegd het argument van de sturing op de voortgang waarvoor de gemeente een planning voor de ontwikkeling van het gebied hanteert (zoals vastgelegd in de periodes in de faseringsregel). Door uitvoering in één hand, die van de gemeente (feitelijk: in opdracht van de gemeente), is niet alleen de uitvoering zelf verzekerd, maar ook de tijdige uitvoering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5107/documents/33721