Bijlage 1 bij rv_Toelichting bestemmingsplan De Tuit incl bijlagen_050324.pdf
Tekst van het document
63
Langzaam verkeer Vanuit het plangebied zijn er diverse doorsteken naar het omliggende gebied gepland. Door deze nog verder te optimaliseren in de bestaande structuur, kan een nog betere bereikbaarheid met de fiets of te voet worden gerealiseerd. Ten westen van de nieuwe rotonde kan een doorsteek voor langzaam verkeer gerealiseerd. Dit is een extra aansluiting op het fietspad langs de Doetinchemseweg en een extra verbinding tussen het noordelijk en het zuidelijk deel van het plangebied. De komgrens moet hiervoor verplaatst worden. Verkeersstructuur De Doetinchemseweg is in de huidige situatie een GOW80 tot aan de bebouwde komgrens nabij de Oude Doetinchemseweg. Daarna gaat hij over in de categorie GOW50. Het plangebied wordt in z’n geheel geplaatst in de categorie 30 km/u zone. De inrichting van de wegen enstraten in dit gebied moeten daarbij voldoen aan de inrichtingseisen en een verkeersbesluit moet daarvoor worden genomen door het bevoegd gezag (college van b en w of een daartoe gemandateerde). Bij realisatie van het plangebied is het voornemen om voor de totale structuur met de verplaatsing van de grenzen van de bebouwde kom, ook de wegcategorie van de Doetinchemseweg, de Buulsdijk en de Tuitstraat (deels) aan te passen.
De Doetinchemseweg binnen de bebouwde kom is in de huidige situatie niet geloofwaardig ingericht als GOW50 en zou aangepast kunnen worden naar de categorie GOW30. Delen van de Tuitstraat en de Buulsdijk vallen in de geplande situatie binnen het plan, waarmee een aanpassing naar de categorie erftoegangsweg 30 (ETW30) een goede oplossing is. Het gedeelte van de Doetinchemseweg buiten de bebouwde kom kan aangepast worden van de categorie GOW80 naar ETW60, omdat hiermee een veilige overgang naar het woongebied wordt gecreëerd, waarmee de verkeersveiligheid en
64
de leefbaarheid verbeterd worden. Voorwaarde is echter, dat buslijn 74 een goede dienstregeling kan rijden en dat de rijtijden niet te hoog worden of er moet op een andere wijze een alternatief worden geboden, waardoor de rijtijd niet te hoog wordt. Dit vergt afstemming met de (toekomstige) concessiehouder. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.13
Explosieven Algemeen Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Oude IJsselstreek verschillende gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Dit betekent dat bij te verrichten werkzaamheden in de bodem, mogelijk aanwezige explosieven een reëel gevaar kunnen opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. Toetsing Voor project Woningbouwlocatie De Tuit in de gemeente Oude IJsselstreek staan diverse bodemroerende werkzaamheden gepland ten behoeve van de bouw van woningen. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Vooronderzoek Daarom moet een onderzoek naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt in de regelgeving een vooronderzoek genoemd. Het vooronderzoek24 is uitgevoerd conform het vrijwillig Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten. Het onderzoeksrapport heeft betrekking op het projectgebied te Varsseveld zoals getoond in het vooronderzoek. Daar het CS-VROO nog geen concrete richtlijnen kent met betrekking tot de afbakening van verdachte gebieden, is tevens gebruik gemaakt van de richtlijnen uit het tot 1 januari 2021 van kracht zijnde Werkveldspecifiek Certificatie-schema Opsporing Conventionele Explosieven (WSCS-OCE, versie juli 2016).
In de voor het vooronderzoek geraadpleegde bronnen zijn diverse feitelijke indicaties voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten binnen het projectgebied aangetroffen. Verdacht gebied geschutmunitie, 2 inch t/m 15 cm, verschoten (diverse nationaliteiten) Bij het plaatsvinden van artilleriebeschietingen bij de bevrijding van Varsseveld zijn diverse locaties binnen en in de directe omgeving van het projectgebied getroffen. Als het gevolg hiervan geldt het geheel van het projectgebied als verdacht op verschoten geschutmunitie met kalibers van 2 inch t/m 15 cm. Deze Ontplofbare Oorlogsresten
24
BeoBom. Vooronderzoek Ontplofbare oorlogsresten, Woningbouwlocatie Varsseveld West. BB21-299-VO-01, 3 februari 2022. Bijlage 21 bij deze plantoelichting. 65
hebben in het geval van het grootste kaliber (15 cm) een maximale diepteligging van 1,80m-MV (Maaiveld Tweede Wereldoorlog). Verdacht gebied raketten, 60 lb, verschoten (Brits) Op het luchtfotomateriaal zijn diverse inslagen van raketten waargenomen binnen het projectgebied. Als het gevolg hiervan geldt een deel van het projectgebied als verdacht op verschoten raketten van 60 lb. Deze Ontplofbare Oorlogsresten hebben een maximale diepteligging van 2,00m-MV (Maaiveld Tweede Wereldoorlog). Verdacht gebied klein-kalibermunitie, handgranaten, geweergranaten en (munitie voor) granaatwerpers (Duits) Ter plaatse van het projectgebied was sprake van diverse militaire objecten in de vorm van loopgraven, wapenopstellingen en schuttersputten. Conform het CS-VROO zijn deze afgebakend als zijnde verdacht op achtergelaten klein-kalibermunitie, handgranaten, geweergranaten en (munitie voor) granaatwerpers. Deze Ontplofbare Oorlogsresten hebben een maximale diepteligging van 2,50m-MV (Maaiveld Tweede Wereldoorlog). Verdacht gebied geschutmunitie, kaliber onbekend, achtergelaten (Duits) Ter plaatse van het projectgebied was sprake van diverse militaire objecten in de vorm geschutopstellingen en munitieopslagplaatsen. Conform het CS-VROO zijn deze afgebakend als zijnde verdacht op achtergelaten geschutmunitie van onbekend kaliber.
Deze Ontplofbare Oorlogsresten hebben een maximale diepteligging van 2,50mMV (Maaiveld Tweede Wereldoorlog). Opsporingsonderzoek Naar aanleiding van het vooronderzoek is een opsporingsonderzoek25 uitgevoerd. Het opsporingsgebied is onderzocht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Het gebied heeft een totaaloppervlak van 25,7ha waarvan 25,3ha non-realtime is ingemeten. Hiervan is 25,1ha vrijgegeven en ca. 2.000m² niet vrijgegeven vanwege zware verstoringen. Vanwege drassige gebieden is ca. 4.300m² realtime onderzocht en vrijgegeven. Ca. 200m² is niet ingemeten vanwege de aanwezigheid van drinkbakken. Er zijn 1.572 verdachte objecten benaderd die voldoen aan de gestelde criteria. Hierbij zijn zes ontplofbare oorlogsresten aangetroffen die aan de EODD ter vernietiging zijn overgedragen. Met de gebruikte zoekmethodiek zijn na het verwijderen van de objecten geen overige significante objecten die overeenkomen met (volgens gesteld zoekdoel) ontplofbare oorlogsresten meer aangetroffen. Het gebied is vrijgegeven om toekomstige werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren. Uitgezonderd hierop zijn de detectieverstoorde gebieden en de stroken op de perceelscheidingen. Het opsporingsgebied dat is onderzocht is vrijgegeven tot een diepte van 2,50m -mv (=16,30m +NAP). De hoogte van het maaiveld lag, ten tijde van het onderzoek, (gemiddeld) op 18,80m +NAP1. E.e.a.
is weergegeven in navolgende vrijgavetekening EU22-039-PVO-01-TEK-01 (de vrijgegeven gronden zijn groen gekleurd).
25
Euroradar. Proces-Verbaal van oplevering opsporen ontplofbare oorlogsresten Woningbouwlocatie Varsseveld West te Varsseveld. EU22-039, 8-2-2023. Bijlage 22 van deze plantoelichting. 66
Uitgezonderd zijn de stroken onder/langs bestaande afrasteringen en de drie detectieverstoorde gebieden welke in een latere fase alsnog moeten worden onderzocht. Het Proces-Verbaal van Oplevering heeft enkel zijn betrekking op het onderzoeksgebied zoals weergegeven in de voorgaande overzichtstekening. Hierin staat weergegeven welke gebieden zijn vrijgegeven op de aanwezigheid van mogelijke ontplofbare oorlogsresten. Indien er bodemroerende werkzaamheden plaats gaan vinden in gebieden die nog verdacht zijn op het mogelijk aantreffen van ontplofbare oorlogsresten moet er eerst een onderzoek plaatst vinden door een CS-OOO gecertificeerd bedrijf. Conclusie Het aspect explosieven vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.14
Klimaatadaptatie Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. Beleid De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het
67
Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie De aanpak van deze drie thema’s wordt in het Deltaprogramma ook uitgewerkt voor verschillende regio’s. Deltabeslissing en Deltaplan Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing en een Deltaplan: − In de Deltabeslissingen staan nationale kaders die voor heel Nederland gelden. De Deltabeslissingen worden elke zes jaar herijkt. In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. − In de Deltaplannen staan concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid en de planning van deze maatregelen. In het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie staan concrete acties en doelen die ervoor gaan zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten.
− Het Deltaprogramma controleert en evalueert elk jaar hoe de deltabeslissingen, voorkeursstrategieën en deltaplannen tot dan toe zijn uitgewerkt en uitgevoerd. Ook het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie wordt elk jaar gemonitord. In deze jaarlijkse monitor kunnen voorstellen staan om beleid aan te passen, bijvoorbeeld op basis van nieuwe ontwikkelingen of belemmeringen. Zo is de maatlat klimaatadaptief bouwen opgesteld op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris, die hieronder ander zal worden toegelicht. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat is een belangrijke stap op weg naar een klimaatadaptief Nederland. Deze definieert wat klimaatadaptief bouwen is en schept duidelijkheid voor medeoverheden en voor bouwende en ontwikkelende partijen. Belangrijke stap voor de toekomst De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. Het gaat om de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen.
Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. - Biodiversiteit: Groenblauwe structuren en de gebiedseigen biodiversiteit worden versterkt op alle schaalniveaus. - Droogte: Droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, funderingen, wegen, groen, water en vitale of kwetsbare functies.
68
-Bodemdaling: Bodemdaling van gebouwd gebied en de gevolgen ervan blijven nu en in de toekomst beheersbaar en betaalbaar. - Hitte: Tijdens hitte biedt de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. - Overstroming: De gebouwde omgeving is via gevolgbeperking voorbereid op overstromingen in buitendijks gebied, vanuit het regionale watersysteem en door dijkdoorbraken. - Wateroverlast: Hevige neerslag leidt niet tot waterschade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. De maatlat werd aangekondigd in de kamerbrief ‘water en bodem sturend’ van 25 november 2022. In de kamerbrief ‘water en bodem sturend’ wordt ook een richtinggevend kader voor locatiekeuze genoemd. Dat kader hoort bij de maatlat en een concept ervan, het concept ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving, is beschikbaar sinds 30 mei 2023. De maatlat en het ruimtelijk afwegingskader zijn allebei opgesteld ten behoeve van de uitvoering van ‘water en bodem sturend’. Maatlat houdt rekening met verschillende regio’s De maatlat is breed toepasbaar voor Nederland en houdt rekening met de verschillen in het bodem- en watersysteem.
De hogere zandgronden in Oost-Nederland vragen bijvoorbeeld om andere oplossingen dan de polders in West-Nederland. Dit is ook terug te vinden in het ruimtelijk afwegingskader, waarin in totaal 33 structurerende zijn gegeven die zich gedeeltelijk richten op verschillende typen landschappen. De focus van de maatlat ligt op nieuwbouw, maar hij gaat ook over de bestaande gebouwde omgeving. Ook worden de borgingsmogelijkheden van de maatlat in ruimtelijke plannen en ontwerpen in kaart gebracht. Vooruitblik landelijke maatlat Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Op 19 april 2023 is er wel een bijeenkomst geweest waarbij het Rijk met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW) heeft afgesproken om de maatlat vanaf dat moment zoveel mogelijk toe te passen. Oude IJsselstreek is lid van de VNG dus de afspraak om de maatlat toe te passen geldt ook voor dit bestemmingsplan. Daarnaast wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd, gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen.
Rijksbeleid – Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 – 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke
69
adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook de gezondheid en veiligheid van de inwoners. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zet Gelderland zich vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering. Met hun partners willen de provincie verder kijken. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt Gelderland de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maakt afspraken over hoe de provincie met de risico’s omgaat. Ambities − In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. De provincie is goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. − In 2020 heeft de provincie samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen.
Aanpak − De provincie zorgt voor een veerkrachtig en duurzaam water-, natuur en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit een klimaatbestendige en schone bodem en ondergrond en uit schoon en gezond grond- en oppervlaktewater en drinkwater. − Samen met partners brengt de provincie toekomstige risico’s en kansen van het veranderend klimaat voor Gelderland in kaart. De provincie draagt bij aan het opstellen van Regionale Adaptatie Strategieën en helpen bij de uitvoering daarvan. − Gelderland werkt zelf klimaatbestendig en weegt dit aspect bij al hun beslissingen mee. En: geven dit als voorwaarde mee aan onze partners. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie)
1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast; c. droogte; en d. hitte. 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.
70
Deze aspecten uit artikel 2.65b komen later in deze paragraaf verder aan bod. Gemeentelijk beleid – Klimaatagenda Oude IJsel streek Uit de afgelopen jaren is gebleken dat het klimaat veranderd en dat de weeromstandigheden extremer worden, zo ook in de gemeente Oude IJsselstreek. Ten aanzien van klimaatverandering heeft de gemeente daarom de ambitie om de gemeente veilig, leefbaar en aantrekkelijk houden voor toekomstige generaties. Dit betekent dat de gemeente de leefomgeving zodanig moet inrichten dat de gemeente voldoende is geweerd tegen de toekomstige weersextremen. De gemeente geeft de focues aan de landelijke hoofdthema’s uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: Meer regen, hoger water, meer hitte en drogere zomers. De visie is opgebouwd uit 5 pijlers: 1 Adaptief landelijk gebied 2 Woonkernen gezond en groen 3 Calamiteitenorganisatie 4 Klimaatbestendig ontwikkelen 5 Betrokken en actieve mensen Binnen deze pijlers worden verschillende maatregelen genoemd, die hebben geleid tot de volgende kerntallen: − Neerslag: Geen schade in panden bij neerslaggebeurtenissen van minder dan 70 millimeter in één uur. − Droogte en neerslag: De gemeente stimuleert afkoppelen regenwater van de riolering en volgen voortgang. − Droogte: Maximaal infiltreren van regenwater wordt de norm. Afvoeren van regenwater mag alleen indien onderbouwd.
− Groen en koelte: De gemeente hanteert de 3-30-300 regel voor groen: Vanuit elk huis zijn minstens drie bomen zichtbaar, elke wijk kent 30% boombedekking, en vanuit elk huis is er binnen een afstand van 300 meter een koele verblijfsplek of een park van minstens één hectare. − Calamiteiten: De gemeente zorgt dat de kwetsbare functies en installaties bekend zijn. − Calamiteiten: De gemeente zorgt dat 100% van de bewoners weet wat te doen bij calamiteiten en checken dat via het bewonerspanel. − De gemeente zorgt dat minstens 9 op de 10 bewoners weet wat klimaatverandering in onze gemeente betekent en weet wat de bewoners er zelf aan kunnen doen, in hun wijk. − Voor nieuwbouw en herontwikkelingen zijn er duidelijke eisen voor de berging/infiltratie van regenwater en de verbetering van de waterkwaliteit en biodiversiteit. Elke nieuwe ontwikkeling is een kans die gepakt moet worden. − Belangrijke (toeristische) fietsroutes hebben genoeg koele pauzeplekken en schaduwbedekking. Deze streefwaarden moeten nog worden uitgewerkt. Toetsing In elk van de bovenstaande beleidsstukken komen de thema’s waterveiligheid/overstromingen, wateroverlast, hitte en droogte naar voren. Daarnaast worden in de landelijke maatlat klimaatadapatief bouwen de thema’s biodiversiteit en natuurinclusiviteit en bodemdaling ook nog meegenomen. Voor de toetsing worden deze thema’s nader toegelicht.
71
Waterveiligheid/gevolgbeperking overstromingen Het plangebied ligt niet in een gebied dat aangemerkt kan worden als een kwetsbaar gebied voor overstromingen. Raadpleging van de overstromingskaart van Atlas leefomgeving geeft aan dat Varsseveld, en daarmee ook het plangebied, droog blijven ten tijde van een overstroming. Daarmee wordt geacht dat de waterveiligheid voldoende is gewaarborgd. Wateroverlast Uit de uitgevoerde watertoets die is beschreven in paragraaf 4.7 is gebleken dat het plangebied plaatselijk gevoelig kan zijn voor wateroverlast. In de onderstaande afbeelding is een wateroverlastkaart opgenomen. Deze kaart is opgesteld in het kader van de zogenoemde stresstesten die uitgevoerd zijn voor Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie in opdracht van de gemeente Oude IJsselstreek in samenwerking met het waterschap. Uit deze kaarten komen locaties naar voren die mogelijk last hebben van wateroverlast bij hevige regenval. Op basis van de afbeelding kan geconcludeerd worden dat in de huidige situatie lager gelegen delen onderhevig kunnen zijn aan wateroverlast (indicatie).
Stresstest wateroverlast, bui kans 1x per 100 jaar (bron: Watertoets Civicon)
Volgens de gemeentelijke klimaatagenda mag een bui van 70 mm in 1 uur mag niet tot schade aan panden leiden. Daarnaast geeft het waterschap een waterbergingseis van T100+10% (80mm). Dit betekent dat er binnen het plangebied 12.760 m3 (zie paragraaf 4.7) aan water geborgen moet worden, Het toepassen van een groenblauwraamwerk, waarbij het hemelwater wordt geborgen in wadi’s en retentie gebied moet voorkomen dat de bewoners wateroverlast zullen ervaren. In het plan is voldoende ruimte aanwezig om meerdere infiltratievelden langs de woonvlakken en in de buitenranden te realiseren. Daarmee wordt geacht dat de wateroverlast voldoende is gewaarborgd (mits aan de waterbergingseis wordt voldaan).
72
Hitte Bij hittestress wijkt de oppervlaktetemperatuur af van de gemiddelde luchttemperatuur. Oppervlaktetemperatuur is een goede indicator voor het optreden van hittestress. De hittestresskaart van het plangebied, aangegeven op de onderstaande afbeelding, geeft een eerste indicatie van gevoelige gebieden voor hittestress tijdens zomerse dagen. Bosschages en oppervlaktewater hebben een verkoelende werking op de omgeving. De bebouwde kom van Varsseveld is duidelijk gevoelig voor hittestress. Het plangebied is op dit moment nog weinig bebouwd en heeft daarmee weinig locaties die gevoelig zijn voor hittestress.
Hittestress (bron: klimaatatlas Oude IJsselstreek)
Inpassing en behoud van voldoende groen en eventueel oppervlaktewater is nodig om hittestress bij toenemende bebouwing te beperken. Daarom wordt binnen het onderhavig plan de gestelde 3-30-300 regel voor groen zoveel mogelijk gehanteerd. Dit wordt gedaan door het hanteren van een groen raamwerk door de gehele wijk. Dit betekent de toepassing van groen langs alle straten en groen gebieden die als aders door de stad heen lopen. Op deze manier zullen bijna alle bewoners altijd 3 bomen zien als ze naar buiten kijken, wordt voldoende boombedekking gecreëerd en blijft de afstand tot een groene en koele plek minimaal en wordt hittestress voorkomen. Daarmee wordt geacht dat het voorkomen van hittestress voldoende is gewaarborgd. Droogte De GLG geeft een goed beeld van de grondwaterstanden ten tijde van droogte en kan gebruikt worden bij het vaststellen van de impact van droogte op de leefomgeving. De onderstaande afbeelding laat zien in welke gebieden naar verwachting de grondwaterstand in de toekomst (2050) erg laag wordt. De donkerrode gebieden zijn het meest gevoelig voor droogte. Door de relatief hoge grondwaterstanden in het projectgebied
73
is de kans op droogte ter hoogte van het projectgebied lager dan in de hoger gelegen bebouwde kern van Varsseveld.
Droogte (bron: klimaatatlas Oude IJsselstreek)
Om droogte binnen het plangebied te voorkomen wordt zo min mogelijk verharding, en waar mogelijk waterdoorlatende halfverharding, toegepast. Hierdoor kan het water ter plekke naar de bodem infiltreren. Er wordt een gescheiden rioolsysteem aangelegd, waar hemelwater en vuilwater apart worden afgevoerd. Wadi’s en retentiegebieden kunnen het water bergen tijden extreme neerslag. Hierdoor krijgt het hemelwater de tijd om ter plekke te infiltreren na piekuien en stroomt het hemelwater niet oppervlakkig af. Daarmee wordt geacht dat het aspect droogte voldoende is gewaarborgd. Biodiversiteit en natuurinclusiviteit Door het toepassen van veel groen en het behouden en creëren van een groenraamwerk binnen de wijk worden de biodiversiteit en natuurinclusiviteit binnen dit plan gewaarborgd. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de soorten bomen en hagen die worden toegepast binnen de wijk, om de biodiversiteit binnen de wijk te vergroten. Ook is er binnen het stedenbouwkundig plan veel rekening gehouden met het bestaande groen en de lokale habitattypen en soorten die op dit moment in het plangebied aanwezig zijn. Daarmee wordt geacht dat het aspect biodiversiteit voldoende is gewaarborgd.
74
Bodemdaling Raadpleging van de bodemdalingskaart wijst uit dat Varsseveld niet gevoelig is voor bodemdaling. Dit blijkt ook uit het bodemonderzoek, dat heeft uitgewezen dat de bodem bestaat uit homogene zandlagen en silthoudende zandlagen welke niet gevoelig zijn voor bodemdaling en inklinking. Structurerende keuzes In de kamerbrief ‘Water en bodem sturend’ worden 33 structurerende keuzes genoemd. Relevante keuzes zijn hieronder weergegeven: 7. We creëren ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer. Hiermee vergroten we de veerkracht van zowel het hoofdwatersysteem als regionale watersystemen. Dit wordt vanaf heden door het Rijk, de waterschappen, provincies en gemeenten uitgewerkt en in de gebiedsprogramma’s opgenomen. 16. We streven bij verstedelijking en infrastructuur naar zo efficiënt mogelijk gebruik van ruimte, dekken de bodem zo min mogelijk af en herstellen de bodem waar mogelijk. Zo behouden we waardevolle organisch rijke landbouw- en natuurbodems en blijft de sponswerking van de bodem behouden. Samen met gemeenten en provincies zetten we in op beperking van onnodig landgebruik. 23. We passen de maatlat voor een klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwde omgeving toe. Daarmee ontwikkelen we gebieden klimaatbestendiger. Deze maatlat is voorzien in december 2022. 24.
We sturen als overheden op zo min mogelijk afdekking van de bodem. Daarmee behouden we buiten het bebouwd gebied goede landbouwgrond, reduceren we hittestress en bevorderen we waterinfiltratie binnen het bebouwd gebied. We werken dit samen met provincies en gemeenten uit en zetten in de ladder duurzame verstedelijking in op minder netto landgebruik. 30. We houden water langer vast en voeren het minder snel af. We herstellen daarmee de sponswerking van de bodem en bereiken een robuust grondwatersysteem. Dit wordt in gebiedsprocessen geborgd. Binnen het plangebied wordt het water langer vastgehouden door het toepassen van zo min mogelijk verharding en waar mogelijk waterdoorlatende halfverharding. Wadi’s en retentiegebieden kunnen het water bergen tijden extreme neerslag. Hierdoor krijgt het hemelwater de tijd om ter plekke te infiltreren na piekuien en stroomt het hemelwater niet oppervlakkig af. Voor de locatiekeuze is een onderzoek uitgevoerd. Hiermee worden de bovenstaande structurerende keuzes gewaarborgd binnen het plan. De overige structurerende keuzes zijn niet relevant voor dit bestemmingsplan of plangebied. Conclusie Het aspect klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
75
5
Juridische planopzet
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
76
2
5.1.3
Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Wijze van bestemmen
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen, alsook het Beeldkwaliteitsplan en Exploitatieplan, moeten in onderlinge samenhang worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
77
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en plantsoenen, parken, geluidwerende voorzieningen, voet- en fietspaden, behoud en versterken van natuurwaarden, speelvoorzieningen, kunstwerken en ontmoetingsplekken, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair, en (bouwwerken ten behoeve van) nutsvoorzieningen en bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’ zijn op/inritten en ontsluitingswegen toegestaan en er is een kunstwerk, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - kunstwerk', toegestaan. Daarnaast zijn lichtmasten uitgesloten ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen uitgesloten - lichtmasten’ en ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - vleermuisverlichting’, zijn enkel lichtmasten toegestaan met vleermuisvriendelijke verlichting. Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, wegen en paden, erkers en erfafscheidingen. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijfsgebieden, wegen en pleinen, voet- en fietspaden, geluidwerende voorzieningen en de bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Daarnaast zijn de gronden bestemd voor parkeer-, speel-, groenvoorzieningen en kunstwerken, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, ontmoetingsplekken en straatmeubilair, openbaar vervoersvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Daarnaast mag ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - beperking straatverlichting’, het aantal straatlantaarns niet toenemen ten opzichte van het aantal ten tijde van de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan en is ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - vleermuisverlichting’, enkel straatverlichting toegestaan met vleermuisvriendelijke verlichting. Water De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor watergangen, waterpartijen, oevers, taluds, onderhouds- en andere paden en kaden, waterhuishouding en waterberging, verkeer te water, instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen natuurwaarden in en langs watergangen en
78
waterpartijen en extensieve dagrecreatie met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag de bouwhoogte maximaal 3 meter bedragen. Woongebied De voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, bijzondere woonvormen, bed & breakfast, aan huis verbonden beroepen, aan huis verbonden bedrijven en bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ook zijn tuinen en erven, parkeer-, speel- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, straatmeubilair en nutsvoorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming 'Woongebied' mogen niet meer dan 566 woningen worden gebouwd, met dien verstande dat: a het aantal sociale huurwoningen niet minder mag bedragen dan 9% van het totale aantal woningen; b het aantal midden huurwoningen niet minder mag bedragen dan 4% van het totale aantal woningen; c het aantal sociale koopwoningen niet minder mag bedragen dan 49% van het totale aantal woningen. Sociale koopwoningen zijn koopwoningen als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder e van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.161c lid 1 onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waaronder inbegrepen Betaalbare koopwoningen en Goedkope koopwoningen.
Waarde - Archeologische verwachting 1 De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Waterstaat - Watergangen De voor ‘Waterstaat - Watergangen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming, beheer en onderhoud van primaire wateren, zoals watergangen en regenwaterbuffers, overeenkomstig de Keur van het waterschap.
79
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is de vraag of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag behelst tevens eventuele planschade. Een planschade risico analyse is opgesteld. Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Met het mogelijk maken van de bouw van nieuwe woningen is er sprake van een geheel van aangewezen bouwplannen als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Aangezien het kostenverhaal in het plangebied niet geheel anderszins verzekerd is en omdat er een belang is bij het opnemen van locatie-eisen, stelt de gemeente een exploitatieplan bij het bestemmingsplan vast. Het exploitatieplan is gekoppeld aan het bestemmingsplan ‘De Tuit’.
Dit bestemmingsplan heeft het karakter van een eindplan, in die zin dat het bouwtitels verschaft aan de uitgeefbare gronden. In het exploitatieplan zijn de bestemmingen vertaald naar voorgenomen grondgebruik. Dat is enerzijds gedaan om kosten te kunnen ramen en kostenverhaalsbijdragen te kunnen berekenen. Het is anderzijds ook gedaan om te kunnen sturen op de ontwikkeling zelf. Ten opzichte van het bestemmingsplan vult het exploitatieplan namelijk de vorm van de planuitvoering nader in. Het is voor dit gebied verder van belang dat er locatie-eisen worden gesteld. Dit door middel van het vastleggen van − het voorgenomen grondgebruik (waaronder de inrichting van de openbare ruimte); − eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp en woonrijp maken inclusief de aanleg van nutsvoorzieningen; − een fasering van de ontwikkeling in deelgebieden en koppelingen voor wat betreft volgordes in de ontwikkeling van de deelgebieden en volgordes van de werken, werkzaamheden en maatregelen en de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen; − eisen voor de categorieën sociale huurwoningen, geliberaliseerde woningen voor middenhuur en goedkope en betaalbare koop; In het onderhavige exploitatieplan zijn daarvoor regels opgenomen.
Samengevat dient de vaststelling van dit exploitatieplan ertoe om de noodzakelijke publiekrechtelijke basis te leggen voor het kostenverhaal en tevens sturing te geven aan het grondgebruik door middel van de locatie-eisen. De berekening van de exploitatiebijdragen vindt, op basis van dit exploitatieplan, plaats in het betalingsvoorschrift bij de te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen, als er geen sprake is van gemeentelijke gronduitgifte, of van een reeds
80
gesloten exploitatieovereenkomst. Bedragen die in reeds gesloten exploitatieovereenkomsten zijn afgesproken, worden niet voldaan via betalingsvoorschriften bij omgevingsvergunningen, maar op basis van deze overeenkomsten (artikel 6.17 lid 1 Wro).
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties. De provincie Gelderland geeft aan dat de provinciale belangen ‘Wonen’ en ‘Klimaatadaptatie’ spelen en dat deze goed verwerkt zijn in het plan. Het Waterschap Rijn en IJssel had een aantal kleine opmerkingen welke verwerkt zijn in het bestemmingsplan.
6.2.2
Zienswijzen en ambtshalve aanpassingen Op de bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan is het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken van 30 november 2023 tot en met 10 januari 2024 voor een ieder ter inzage gelegd. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze periode zijn 6 zienswijzen ingediend. De ingediende zienswijzen zijn zorgvuldig gewogen en samen met de beantwoording opgenomen in een 'Nota zienswijzen en nota van ambtshalve aanpassingen', welke onderdeel is van het vast te stellen bestemmingsplan. Aan de hand van de nota zienswijzen en nota van ambtshalve aanpassingen is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.
6.2.3
Participatie en maatschappelijk draagvlak Een onderdeel van de maatschappelijke uitvoerbaarheid is het draagvlak onder inwoners en de mate waarin de kennis van de inwoners en samenleving is gebruikt om het stedenbouwkundig plan en uiteindelijk het bestemmingsplan beter te maken. In het participatiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek (zie ook https://www.oudeijsselstreek.nl/participatiebeleid) wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen participatie en draagvlak. Het doel van participatie is om plannen en beleid beter te maken. In sommige gevallen verhoogt dit het draagvlak, maar dat is geen doel op zich. Inwoners kunnen altijd tegen de plannen zijn en blijven en gebruik maken van het indienen van een zienswijze daartegen, zoals omschreven bij 6.2.2. Bij dit project is voor een intensieve vorm van participatie gekozen, omdat de impact op de samenleving groot is. Daarbij was er voldoende ruimte voor invloed op het ontwerp, waarbij de inzichten van de inwoners het plan ook daadwerkelijk konden verbeteren.
81
Aanvang en behoefte Er zijn gesprekken geweest met de belangenverenigingen: Varssevelds Belang, Varsseveldse Industriële Vereniging (VIV) en de Varsseveldse Ondernemersvereniging (VOV). Alle drie onderschrijven ze de grote behoefte aan woningen ontstaan uit de groei van de arbeidsmarkt en het achterblijven van het aanbod van woningen in Varsseveld. De urgentie voor woningbouw was ook bij alle inwonersbijeenkomsten een terugkerend geluid. Dit is mede een reden waarom het bestuur ervoor heeft gekozen, deze uitbreidingslocatie voorrang te geven op andere uitbreidingslocaties. Proces participatie Na een informatieve bijeenkomst over de keus van vijf uitbreidingslocaties begin 2021 is er op drie momenten input gevraagd aan de inwoners en ook op drie momenten teruggekoppeld wat met deze input is gedaan. De opkomst bij deze fysieke bijeenkomsten was groot en het was een mix van omwonenden en inwoners die interesse hebben in een woning. Daarnaast waren er enkele professioneel geïnteresseerden en raadsleden. Daarnaast zijn er tientallen persoonlijke gesprekken gevoerd met inwoners met een groter belang (denk aan aanwonenden en grondeigenaren). Er is een online community opgezet, waar inwoners alle verslagen van de bijeenkomsten kunnen terugvinden en hier staat ook het proces omschreven en het nieuws wordt hier gedeeld.
Hier worden ook alle ontwerpen geplaatst en ze kunnen reageren en vragen stellen. 145 inwoners zijn lid geworden van deze community: https://onzeoudeijsselstreek.nl/projecten/ontwikkeling-woningen-in-varsseveld-west/37. Voor de verslagen van de inwonersbijeenkomsten verwijzen wij graag naar bovengenoemde community. Aanpassingen in ontwerp Op de volgende gebieden is het ontwerp gemaakt, of aangepast op basis van de input van inwoners: − de nieuwe rotonde in de Doetinchemseweg is vanwege de nabijheid van bestaande woningen in westelijke richting – verder weg van die woningen – opgeschoven; − langs de oostrand van het plan – die grenst aan de bestaande woonwijken De Brie en Den Es – is de afstand tot de nieuwe woningen wat vergroot en/of zijn de woningtypen beperkt tot twee-onder-een kappers of vrijstaande woningen en/of zijn de bouwhoogten van die woningen beperkt. Daarnaast is voor het ‘verzachten’ van de overgang tussen de nieuwe en bestaande wijken nieuw openbaar groen toegevoegd; − bijna alle inwoners willen het liefst bij huis parkeren, maar dat is in het plan niet overal wenselijk of haalbaar. Niet wenselijk omdat je het zicht op blik in de straat zoveel mogelijk wil beperken en niet haalbaar, omdat soms groen nabij een woning beter past. Dat maakt dat het grootste deel van de openbare parkeerplaatsen in parkeerkoffers achter de woningen uit het zicht is ontworpen.
Op plekken is parkeren langs de openbare weg gedacht. Alle twee-onder-een kappers en vrijstaande woningen parkeren op eigen terrein. Zie daarvoor paragraaf 4.12.
82
Onderdelen in het gebied die positief werden beoordeeld en daarmee behouden: − de bestaande groenstructuur langs wegen en paden, wat als structuurdrager in het plan is vertaald; − waar mogelijk en nodig (bijv. voor de Steenuil – zie par. 4.8) is die groenstructuur versterkt; − de bestaande hoogteverschillen (eskopjes) zijn zoveel mogelijk in het stedenbouwkundig plan behouden. Op de eskopjes wordt dan straks gewoond en in de daartussen lager gelegen delen zijn wegen en openbaar groen (voor de afwatering) gedacht. Maatschappelijk draagvlak De inwonersbijeenkomsten en gesprekken gaven een duidelijk beeld van het maatschappelijk draagvlak. De inwoners die aan de toekomstige locatie wonen zijn het meest kritisch op de plannen voor de nieuwe wijk, wat begrijpelijk is. Echter is die weerstand matig te noemen in vergelijking tot andere woningbouwprojecten. Dit heeft er mee te maken, dat de meeste van hen realiseren dat deze woningen hard nodig zijn. In het ontwerp is, daar waar mogelijk, rekening gehouden met hun wensen. Voor veel inwoners kunnen de woningen op deze locatie niet snel genoeg komen. Op de bijeenkomsten waren veel geïnteresseerden (met name jongeren en senioren) die met hun verhalen benadrukten hoe groot de behoefte is. Door duidelijk en transparant het proces te schetsen en hen continu (online) op de hoogte te houden, kunnen inwoners een realistisch beeld vormen.
83
BIJLAGE 1 Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
De Tuit
Gemeente Oude IJsselstreek
Datum: 16 augustus 2023 Projectnummer: 210451
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Het plan Leeswijzer
3 3 5
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
6
2.1 2.2 2.3 2.4
Stedelijke ontwikkeling Verzorgingsgebied Behoefte Bestaand stedelijk gebied
6 7 9 17
3
Conclusie
20
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 Bro lid 2 vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.
Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
1.2
Het plan De kern Varsseveld neemt twee van de vijf uitbreidingslocaties binnen de gemeente Oude IJsselstreek voor haar rekening, dit betreft Varsseveld De Tuit en Varsseveld Noord. De gemeente is van plan om in de periode tot en met 2030 in ieder geval 1.500 woningen te realiseren en heeft de ambitie om maximaal 2.250 woningen te realiseren, dit betreft inbreiding én uitbreiding. Om deze ambitie te realiseren zal onder andere Varsseveld De Tuit ontwikkeld moeten worden waar tussen de 550 en 580 woningen zijn gepland. In navolgende afbeelding is het stedenbouwkundig plan weergegeven voor de locatie.
3
Figuur 1 Stedenbouwkundig plan (bron: SAB – juli 2023)
Het plangebied De Tuit is westelijk gelegen van de kern Varsseveld. Het plan wordt ontsloten door de Doetinchemseweg welke dwars door het gebied loopt vanuit de kern naar de A18 aan westelijke zijde. Doordat de Doetinchemseweg dwars door het plangebied loopt is er in de planontwikkeling geregeld sprake geweest van het noordelijk en het zuidelijk gedeelte. Dit komt ook in onderhavig document terug in bijvoorbeeld het woningbouwprogramma. Op basis van de geldende bestemmingsplannen is het niet mogelijk om de gewenste woningbouw te realiseren. De gronden hebben in het vigerende planologische regime overwegend een agrarische bestemming. Zodoende dient voor de ontwikkeling het bestemmingsplan te worden herzien. In dat bestemmingsplan moet worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met een goede ruimtelijke ordening. Eén van de aspecten die onderdeel uitmaakt van een goede ruimtelijke ordening is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze toets vindt in dit rapport plaats.
4
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen de toets zal allereerst ingegaan worden of en waarom sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt het markt- of verzorgingsgebied bepaald. Daarna volgt de toets of de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en wordt gekeken of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Hoofdstuk 3 bevat een eindconclusie als gevolg van de toets aan de Ladder.
5
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
2.1
Stedelijke ontwikkeling
2.1.1
Algemeen Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgens de Nota van Toelichting (2017) “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure”.
2.1.2
Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de ontwikkeling van 566 woningen. De vraag is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Raad van State in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Uit jurisprudentie1 blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen of meer wordt daarentegen wel aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling2. Gelet op het woningbouwprogramma van het plan wordt gesteld dat er hier sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bovendien is er geen sprake van een woningbouwplan in bestaand stedelijk gebied, maar is sprake van een uitbreidingslocatie, welke direct aangrenzend aan de bestaande dorpskern van Varsseveld ligt.
2.1.3
Conclusie Gelet op het voorgaande is voorliggende ontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze toets vindt in dit document plaats.
1
Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921).
2
Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953). 6
2.2
Verzorgingsgebied
2.2.1
Algemeen Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie.
2.2.2
Toetsing Inleiding Hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland bevat onder andere regels inzake wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, veehouderij, grond- en drinkwater, natuur en landschap en energie. Voor voorliggend plan is het dan ook noodzakelijk om te kijken welke regels ten aanzien van wonen zijn vastgelegd. De Omgevingsverordening van de provincie Gelderland regelt in artikel 2.2 dat nieuwe woningen enkel zijn toegestaan wanneer deze passen binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. De gemeente Oude IJsselstreek vormt samen met zes andere gemeenten de regio Achterhoek. Binnen deze regio vindt onderlinge afstemming plaats over woningbouwontwikkelingen. De regio en de provincie stelden in februari 2023 de Regionale Woonagende 2023-2030 Achterhoek vast, deze komt verderop in paragraaf 2.3.2 terug. Verhuisbewegingen gemeente Oude IJsselstreek De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het verzorgingsgebied. Het verzorgingsgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de marktregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende gemeente.
Uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt voor het meetjaar 2021 (tabel 1) dat ruim 50% van de gevestigde personen in de gemeente Oude IJsselstreek uit de gemeente zelf afkomstig is. Daarnaast komt circa 45,7% van de verhuisbewegingen naar Oude IJsselstreek vanuit andere gemeenten. Nog geen 4% van het totale aantal vestigers in Oude IJsselstreek komt uit het buitenland. Tabel 2 laat zien dat het aandeel vestigers van buiten de eigen gemeente de laatste jaren is toegenomen. In tabel 1 is niet meegenomen dat er eveneens 1.215 verhuisbewegingen vanuit de gemeente Oude IJsselstreek naar elders zijn, gezien dit aantal geen betrekking heeft op de vraag wat het verzorgingsgebied is.
7
Tabel 1 Totaal aantal verhuisbewegingen gemeente Oude IJsselstreek in 2021 (Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek)
Verhuisbewegingen Oude IJsselstreek
Aantal
Aandeel (%)
Binnen gemeente Oude IJsselstreek
1.620
50,4%
Vanuit andere gemeenten
1.468
45,7%
125
3,9%
3.213
100%
Vanuit het buitenland Totaal aantal verhuizingen
Tabel 2 Percentage verhuisbewegingen gemeente Oude IJsselstreek van de afgelopen jaren (Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek)
Verhuisbewegingen Oude IJsselstreek
Aandeel (%) 2006
Aandeel (%) 2011
Aandeel (%) 2016
Aandeel (%) 2021
Binnen gemeente Oude IJsselstreek
64,3%
60,0%
53,1%
50,4%
Vanuit andere gemeenten
33,4%
36,9%
41,6%
45,7%
Vanuit het buitenland
2,3%
3,1%
5,3%
3,9%
Totaal aantal verhuizingen
100%
100%
100%
100%
Daarnaast is er in eerste instantie vooral een verhuisrelatie met de gemeente Doetinchem en in kleinere mate de andere omliggende gemeenten zoals Montferland, Aalten, Bronckhorst en Arnhem. Navolgende tabel laat de meest relevante verhuisbewegingen naar de gemeente Oude IJsselstreek vanuit andere gemeenten zien. Hoewel het aandeel verhuisbewegingen vanuit elders aanzienlijk is, is hier geen duidelijke piek te zien van waaruit de bewegingen komen. Vanuit de vier grote steden uit de Randstad zijn bijvoorbeeld totaal 55 verhuisbewegingen genoteerd (Amsterdam 19, Utrecht 18, Den Haag 6 en Rotterdam 12). Tabel 3 Verhuisbewegingen naar Oude IJsselstreek vanuit andere gemeenten in 2021 (Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek)
2.2.3
Gemeente
Aantal
Aandeel (%)
Doetinchem
407
27,7%
Montferland
136
9,3%
Aalten
90
6,1%
Bronckhorst
75
5,1%
Arnhem
74
5,1%
Apeldoorn
44
3,0%
Elders
642
43,7%
Totaal
1.468
100%
Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat voorheen het marktgebied voor de woningen zich primair richtte op de gemeente Oude IJsselstreek. Echter neemt het aandeel verhuisbewegingen vanuit andere gemeente de laatste jaren toe ten opzichte van de verhuisbewegingen binnen de gemeente eigen gemeente. Deze groei aan verhuisbewegingen vanuit andere gemeentes loopt parallel aan de stijgende werkgelegenheid binnen de gemeente en met de ontwikkeling van het Varsseveld Industriepark (VIP) is de verwachting dat deze groei zich doorzet. Hoewel er een groot aandeel van
8
de totale verhuisbewegingen van buiten de regio naar Oude IJsselstreek komt, is de afkomst verdeeld over vele gemeenten en hier springt geen gemeente duidelijk uit. Gelet op de aard en omvang van het plan worden de gemeente Oude IJsselstreek (aandeel 50%) en Doetinchem (aandeel 28%) als grootste marktgebied gehanteerd voor deze toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
2.3
Behoefte
2.3.1
Algemeen Aangetoond moet worden dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte binnen het markt- of verzorgingsgebied. Bij het bepalen van de behoefte is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte van belang.