Bijlage 1 bij rv_Toelichting bestemmingsplan De Tuit incl bijlagen_050324.pdf
Tekst van het document
woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties is ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg of ≤ 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Met onderhavig plan worden maximaal 566 woningen gerealiseerd, zodoende valt het binnen de NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.
37
Toetsing Dit plan voorziet in de realisatie van maximaal 566 woningen. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met behulp van het kaartmateriaal van de Atlas Leefomgeving is beoordeeld of er ter hoogte van het plangebied sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen.
Stikstofdioxide 2021 (NO2), plangebied is rood omkaderd
Fijnstof 2021 (PM10), plangebied is rood omkaderd
38
Zeer fijn stof 2021 (PM2,5), plangebied is rood omkaderd
In navolgende tabel zijn de grenswaarden en de aanwezige stoffen in het plangebied weergegeven. Stoffen NO2 concentratie PM10 concentratie PM2,5 concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
2021 10 – 16 µg/m3 15 – 16 µg/m3 7 – 9 µg/m3
Raadpleging van de Atlas Leefomgeving heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse
39
omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing De Omgevingsdienst Achterhoek heeft een voortoets 7 uitgevoerd voor het aspect bedrijven en milieuzonering. Het omgevingstype kan wegens gebrek aan functiemenging worden gezien als een rustige woonwijk. Hierop zijn de richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering van toepassing.
Voor de woningen aangrenzend aan de N18, A18 en Doetinchemseweg is vanwege de hier heersende geluidniveaus door het wegverkeer eerder sprake van gemengd gebied. In deze beoordeling wordt echter vooralsnog uitgegaan van een rustige woonwijk. In de omgeving van het plangebied bevinden zich de in onderstaande tabel genoemde bedrijven. De tabel toont per bedrijf de richtafstand per onderdeel (geur, stof, geluid en gevaar) en de bijbehorende milieucategorie. De richtafstanden gelden in principe tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van de woning. De werkelijke afstand in onderstaande tabel is ook op die manier gemeten, hierbij geldt wel dat is gemeten tot de rand van het stedenbouwkundig plan en niet de exacte locatie van de beoogde woningen.
De tabel laat zien dat een beperkt deel van het plangebied ligt binnen de richtafstanden van een omliggend bedrijf op de locatie Het Haam 13 in Varsseveld. Nu de ligging van alle woningen bekend is, is het (in tegenstelling tot eerder advies) duidelijk dat de dichtstbijzijnde woning in ieder geval op meer dan 30 meter afstand ligt tot het bedrijf 7
Omgevingsdienst Achterhoek. Vooradvies milieuzonering bestemmingsplanprocedure. 2023EA0977, 21 augustus 2023. Bijlage 7 bij de toelichting. 40
aan Het Haam 13. Aan de richtafstand voor het onderdeel stof kan worden voldaan. De woning ligt wel binnen de richtafstand voor het onderdeel geluid. Er is dus mogelijk sprake van een belemmering voor de ontwikkeling voor het bedrijf aan Het Haam 13, en mogelijk is het woon- en leefklimaat van de woningen in de buurt van dit bedrijf in het geding. Voor de veehouderijen op de locaties Giezenveld 20 en Schilderinklaan 2 gelden de richtafstanden voor geur niet, omdat hiervoor wettelijke minimumafstanden en geurnormen gelden. Aan de wettelijke minimumafstand van 100 meter wordt voor beide veehouderijen voldaan. Op de locatie Giezenveld 20 is sprake van een kleinschalige varkenshouderij waarvan in het verleden is geconstateerd dat hier geen varkens meer worden gehouden. Voor de varkenshouderij is op 27 december 2018 een melding Activiteitenbesluit gedaan voor het houden van 200 varkens met RAV-code D 3.100 (en 12 kippen met RAV-code E 2.100 en 5 schapen met RAV-code B 1.100). Deze rechten vervallen niet en kunnen niet onder het Activiteitenbesluit worden ingetrokken. Gezien de afstand tot het plangebied levert de met de wettelijke geurnorm van 3 odour units/m3 overeenkomende geurcontour van dit bedrijf geen beperkingen op voor woningbouw in het plangebied. Het Haam 13 Het bedrijf gevestigd aan Het Haam 13 is een kleinschalige timmerwerkfabriek.
Dit bedrijf is gevestigd tussen de bestaande woonbestemmingen welke zich in noordelijke richting op 7 meter en zuidelijke richting op 24 meter afstand bevinden. Uitbreidingsmogelijkheden heeft dit bedrijf zodoende niet, omdat het zich reeds binnen de richtafstand van de bestaande woonbestemmingen bevindt. De afstand tot de grens van het plangebied is 29 meter, de daadwerkelijke woningen zullen op een ruimere afstand gesitueerd worden van +/- 40 meter. Dit is binnen de richtafstand, echter voor de bestaande woonbestemmingen welke binnen de richtafstand bevinden is nu ook sprake van een goed woon- en leefklimaat, dit zal voor de nieuwe woningen welke op grotere afstand gerealiseerd worden zodoende ook het geval zijn. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.
41
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi) en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Toetsing Voor het plangebied De Tuit is een risicoberekening transport wegvervoer 8 in het kader van externe veiligheid opgesteld. Het plangebied is gelegen aan de westzijde van Varsseveld. Aan de noordzijde van het plangebied ligt de N18. Aan de noordwestzijde van het plangebied ligt de A18. Over beide wegen worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Navolgende afbeelding geeft de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer en de ligging van de N18 en A18 (gele lijn).
Overzicht globaal plangebied
Inventarisatie risicobronnen Mobiele risicobronnen: Transportroutes en buisleidingen Zoals reeds beschreven zijn de A18 en N18 in de directe nabijheid van het plangebied relevant. Deze twee wegen liggen direct aan de noord- en noordwestzijde van het plangebied. Over beide wegen wordt in ieder geval GF3 (brandbaar gas, zoals
8
Omgevingsdienst Achterhoek. Risicoberekening transport wegvervoer. R01 - QRA A18 & N18 Varsseveld – juli2023 – v11. Bijlage 8 bij deze plantoelichting. 42
propaan), LF1 (brandbare vloeistof, zoals diesel) en LF2 (brandbare vloeistof, zoals benzine) getransporteerd. Op meer dan 1.300 meter van het plangebied ligt de dichtstbijzijnde buisleiding. Deze heeft een invloedsgebied van 50 meter. Op ruimere afstand liggen meer buisleidingen, maar alle met een dusdanig klein invloedsgebied, dat ze niet relevant zijn voor het plangebied. Stationaire risicobronnen Naast deze transportroutes en buisleidingen liggen er ook stationaire risicobronnen in de nabijheid van het plangebied. De dichtstbijzijnde stationaire risicobronnen liggen op 1.100 en op 1.200 meter afstand van het plangebied. Dit gaat om Sportcomplex van Pallandt en een Gasdrukregel- en meetstation van de Gasunie. Deze risicobronnen hebben respectievelijk geen invloedsgebied en een invloedsgebied van ongeveer 15 meter en zijn dus niet relevant voor het plangebied. Plaatsgebonden risico De A18 en N18 betreffen wegen aangewezen als basisnetroute conform de Regeling basisnet. Volgens deze regeling wordt het plaatsgebonden risico niet berekend, maar gelden vastgestelde basisnetafstanden (PR10-6 contour). Voor de wegvakken gelden de volgende afstanden: − Wegvak A18-G19 = 0 meter − Wegvak N18-G20 = 0 meter Gezien het feit dat de afstand 0 meter is tot aan de 10-6 contour wordt voldaan aan de norm van het plaatsgebonden risico.
Groepsrisico Navolgende afbeelding toont de vergelijking tussen de groepsrisico-curves als resultaat van de groepsrisicoberekening van de A18 en N18. De rode lijn is de huidige situatie, de blauwe lijn is de toekomstige situatie.
fN-curve A18 en N18. De rode lijn is de huidige situatie en de blauwe lijn de toekomstige situatie.
43
Gezien het feit dat er in de toekomstige situatie ongeveer 1.360 personen worden toegevoegd aan het plangebied, is er een toename van het groepsrisico te zien van ongeveer 42,85%. Het hoogste groepsrisico wordt veroorzaakt door de N18 en bedraagt een factor 0.021 ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat in de toekomstige situatie het groepsrisico onder 10% van de oriëntatiewaarde blijft. Conform artikel 8, lid 2, onder a van het Bevt kan een volledige groepsrisicoverantwoording buiten toepassing blijven indien het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Gelet op bovenstaande afbeelding is dat het geval. Daarmee kan volstaan worden met een beperkte groepsrisicoverantwoording conform artikel 7 en 9 van het Bevt. Beperkte verantwoording van het groepsrisico Uit het voorgaande blijkt dat voor dit planvoornemen een beperkte verantwoording van het groepsrisico volstaat. De opgemaakte rapportage waarin de beperkte verantwoording is verwerkt is bijgevoegd als bijlage bij de risicoberekening transport wegvervoer. Het advies van de veiligheidsregio9 is hier tevens in verwerkt.
De beperkte verantwoording van het groepsrisico bevat de volgende onderdelen: − De onderbouwing waarom met een beperkte verantwoording van het groepsrisico wordt volstaan; − De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp; − Het advies van de veiligheidsregio met betrekking tot de onderwerpen beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De veiligheidsregio heeft een tweede keer advies 10 uitgebracht waarin is aangegeven dat er kan worden volstaan met een beperkte groepsrisicoverantwoording. Uit de verantwoording blijkt dat vanuit extern veiligheidsoogpunt reken-technisch geen belemmeringen voor het beoogde plan bestaan. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.7
Water Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen.
9
Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland. Advies externe veiligheid vooroverleg Woningbouwplan Varsseveld West. RB/ROI050/MN/CG/*Varsseveldwest, 30 juli 2021. Bijlage 9 bij deze plantoelichting.
10
Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland. Advies externe veiligheid concept bestemmingsplan De Tuit te Varsseveld. 23-66245/23-091678/MB/JT, 5 oktober 2023. Bijlage 10 bij deze plantoelichting. 44
Beleid Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid;
45
3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021-2027van de provincie Gelderland is op 15 december 2021 vastgesteld. In het Regionaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem.
2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3 Klimaatadaptatie: de provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. De primaire verantwoordelijkheid om het stedelijk waterbeheer vorm te geven ligt bij de gemeenten. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten assen bij het bodemen watersysteem. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.
Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 2022-2027 op welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater
46
Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap: − Naar een betere balans tussen nat en droog en gebiedsgerichte aanpak: klimaat robuust gebied; − Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; − Afstemming van functies op de draagkracht van het systeem en een gezond watersysteem: gezonde leefomgeving; − Afvalvermindering, wendbare keten: Circulaire economie en energietransitie. Het programma is, naast in deze thema’s, ook in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De kenmerken, de ontwikkelingen en de opgaven die gebiedsspecifiek zijn worden achter elkaar weergegeven. Het beleid is verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Toetsing De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Uit de doorlopen watertoets11 zijn de navolgende conclusies en aanbevelingen naar voren gekomen. Het plangebied is gelegen ten westen van de bebouwde kom van Varsseveld. Het bestaande maaiveld in het plangebied varieert van 17,60 m +NAP tot 19,50 m NAP. De bodem bestaat uit homogene zandlagen en silthoudende zandlagen. De grond is door de samenstelling gevoelig voor structuurbederf. De grond moet na het bouwrijp/woonrijp maken worden losgewerkt, om verdichting te voorkomen. De waterdoorlatendheid (K-waarde) is in-situ bepaald op 1 tot 5,3 m/dag. Daarmee is de doorlatendheid voldoende om hemelwater in de bodem te infiltreren. Vooralsnog is aangenomen dat de GHG en GLG respectievelijk 17,70 m en 15,70 m +NAP bedragen. De genoemde maatgevende grondwaterstanden moeten bij de verdere uitwerking geactualiseerd worden op basis van het nieuw gerealiseerde grondwatermeetnet. Uit de kaarten van de klimaatatlas blijkt dat het plangebied op een aantal locaties gevoelig kan zijn voor wateroverlast. Dit gegeven verdient aandacht bij de verdere uitwerking van het plan. Voor de afvoer van het afvalwater wordt vooralsnog verondersteld dat dit via een nieuw te realiseren gemaal kan worden aan gesloten op het
11
Civicon. Watertoets, Woningbouwlocatie De Tuit, Varsseveld. R01-2023-040-C01, 15-82023. Bijlage 11 bij deze plantoelichting. 47
bestaande gemengde stelsel (of rechtstreeks op de bestaande persleiding naar de RWZI). Dit moet nader uitgewerkt worden. Het huidige Basis Rioleringsplan geeft aan dat de bestaande gemengde overstort, die uitkomt op de Van Elden Sloot overstort opgeheven kan worden. Om te kijken of de overstort nog werkzaam is, is een logger geplaatst. Indien blijkt dat de overstort niet verwijderd kan worden, moet de bestaande gemengde overstort worden verplaatst naar een locatie buiten het plangebied. De locatie moet in overleg met de gemeente en het waterschap worden bepaald. Volgens het document “Duurzaam en veilig water” van Waterschap Rijn en IJssel geldt bij uitbreidingsplannen groter dan 1.500 m2 het volgende: − Bui 100+10 % (80 mm) mag geen wateroverlast opleveren (berging tot aan maaiveld). In het plangebied kan 80 mm geborgen worden. Het hemelwater wordt geborgen in wadi’s en retenties. Het wordt aanbevolen de bergingseis bij de verdere uitwerking dynamisch in te vullen en rekening te houden met infiltratieverliezen. Bij de bergingsberekening is nog geen rekening gehouden met berging op particuliere kavels. Voor het plan moet een waterhuishoudings- en rioleringsplan opgesteld worden. Deze wordt in overleg met het waterschap opgesteld en ter goedkeuring aan het waterschap voorgelegd.
De gemeente heeft in het Gemeentelijk Rioleringsplan vastgelegd dat bij uitbreidingsplanning 10% van het bruto-oppervlak beschikbaar is voor waterberging. Om het risico op verdrinking te beperken worden in de wadi’s flauwe taluds aangebracht. De ontwikkeling mag niet leiden tot mobilisatie van bestaande bodem- en/of grondwaterverontreinigingen, bijvoorbeeld door infiltratie van hemelwater. Een deel van de bebouwde kom van Varsseveld watert af via het plangebied. Deze afwatering mag door de ontwikkeling niet worden belemmerd. De definitieve keuze omtrent het toe te passen hemelwatersysteem en de verdere uitwerking moet in overleg gebeuren met de gemeente en waterschap Rijn en IJssel. Dit geldt onder meer ook voor inpassen van de bestaande A-watergangen en de bestaande riooloverstort. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving worden aangetoond dat van een negatief effect op beschermde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen geen sprake is, dan wel dat daar respectievelijk een ontheffing voor kan worden verkregen.
48
Toetsing quick scan natuur In het kader van de Wet natuurbescherming is een quick scan natuur uitgevoerd voor het plangebied van De Tuit. In de quick scan natuur12 is uiteengezet welke beschermde natuurwaarden niet of mogelijk wel in het plangebied aanwezig zijn en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied liggen, waarvan het Duitse Natura 2000-gebied Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlagr und Regmieser Bach de dichtstbijzijnde is. In Nederland zijn de dichtstbijzijnde Natura-2000 gebieden Rijntakken, Korenburgerveen, Bekendelle, Wooldse Veen en Willinks Weust. Een negatief effect op de in-standhoudingsdoelstellingen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Nader onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening is daarom noodzakelijk (zie paragraaf 4.9 en bijlage 14 van de toelichting). Verder blijkt uit de quick scan dat gebieden van het Gelders Natuur Netwerk niet binnen het plangebied liggen. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk heeft geen invloed op het ontwikkelen van De Tuit. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn.
Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling heeft de aanwezigheid van deze soorten geen invloed op het ontwikkelen van De Tuit en zijn deze ook niet onderzocht. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen of essentieel leefgebied hiervoor aanwezig van huismus, buizerd, ransuil, sperwer, wespendief, boomvalk, roek, kerkuil en steenuil. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen is nader soortgericht onderzoek uitgevoerd.
12
SAB. Quick scan natuur, De Tuit. 210112.01, 25 maart 2022. Bijlage 12 bij deze plantoelichting. 49
Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen of essentiële elementen hiervoor van das, bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, boommarter, eekhoorn, vleermuizen en teunisbloempijlstaart aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten is nader soortgericht onderzoek uitgevoerd. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld welke binnen het beschermingsregime van de bebouwde kom vallen, waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Overigens kan voor de kap van bomen wel een kapvergunning noodzakelijk zijn in het kader van de gemeentelijke bomenverordening. Toetsing nader onderzoek Naar aanleiding van de quick scan natuur is een nader onderzoek Wet natuurbescherming13 uitgevoerd voor De Tuit.
Onderzochte soorten Wet natuurbescherming In het plangebied is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van een groot scala aan beschermde soorten: − Boomvalk − Buizerd − Huismus − Kerkuil − Ransuil − Roek − Sperwer − Steenuil − Wespendief − Boommarter − Bunzing − Das − Eekhoorn − Hermelijn − Steenmarter − Wezel − Boombewonende vleermuizen − Gebouwbewonende vleermuizen − Teunisbloempijlstaart De resultaten van het onderzoek kunnen verdeeld worden in verschillende categorieën, die hieronder behandeld worden.
13
SAB. Nader onderzoek Wet natuurbescherming, De Tuit. 210112.02, 31 januari 2023. Bijlage 13 bij deze plantoelichting. 50
Categorie 1 De volgende soorten komen blijkens het onderzoek niet in het plangebied voor en daarvan zijn dan ook geen essentiële elementen in het plangebied aanwezig: − Huismus − Ransuil − Roek − Sperwer − Wespendief − Boommarter − Bunzing − Eekhoorn − Hermelijn − Wezel − Teunisbloempijlstaart Omdat deze soorten en essentiële elementen bijbehorend bij de soorten niet in het plangebied voorkomen, is met de geplande ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect op deze soorten te verwachten. Van een overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming is dan ook geen sprake. Voor deze soorten is geen ontheffing Wet Natuurbescherming nodig. Categorie 2 De volgende soort is in het plangebied aanwezig, maar met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is geen negatief effect te verwachten: − Steenmarter De steenmarter is een opportunistische soort en kan een behoorlijke mate van verstoring en menselijke activiteit verdragen. De soort komt namelijk ook in steden voor. In dit geval vindt ontwikkeling van het plangebied plaats, waarbij het groene raamwerk behouden blijft en versterkt wordt zoals weergegeven in paragraaf 2.2. De steenmarter zal daarom te allen tijde tijdens de ontwikkeling voldoende foerageermogelijkheden in het plangebied behouden, zowel tijdens de aanlegfase, als tijdens de gebruiksfase.
Omdat geen negatief effect te verwachten is, kan gesteld worden dat geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen zal zijn met de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Voor deze soorten is geen ontheffing Wet Natuurbescherming nodig. Categorie 3 Van de volgende soorten zijn geen essentiële nestplaatsen in het plangebied aanwezig. Wel gebruiken de soorten het plangebied als foerageer-, jacht- en/of leefgebied. Met deze ruimtelijke ontwikkeling gaat geen essentieel leefgebied hiervan verloren, aangezien met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling nog geschikte foerageermogelijkheden overblijven doordat een groen raamwerk wordt gerealiseerd en vastgelegd in de planregels. Het groene raamwerk, zoals vastgelegd in de verbeelding, zorgt ervoor dat voor de soorten boomvalk, kerkuil en buizerd nog jachtmogelijkheden in het plangebied behouden blijven en versterkt worden. Omdat geen negatief effect te verwachten is, kan gesteld worden dat geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen zal zijn met de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Voor deze soorten is geen ontheffing Wet Natuurbescherming nodig: − Boomvalk − Kerkuil − Buizerd
51
Categorie 4 De volgende soorten of functies zijn in het plangebied aanwezig, maar met simpele maatregelen in de aanleg- en gebruiksfase, is met de geplande ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect te verwachten. Er zal in dat geval geen overtreding van verbodsbepalingen plaatsvinden. Voor deze soorten is geen ontheffing Wet natuurbescherming nodig. Navolgende maatregelen zijn nodig om op voorhand het overtreden van verbodsbepalingen te voorkomen vanwege het gebruik van de das als foerageergebied en de aanwezigheid van een essentiële vliegroute en foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger (benoemd als categorie 4 onder het kopje ‘Ontheffing Wet natuurbescherming nodig’): − In het groene raamwerk dat wordt gerealiseerd en vastgelegd in de verbeelding wordt in verschillende gedeeltes straatverlichting of andere kunstmatige verlichting uitgesloten. Daar waar het niet uitgesloten wordt, is enkel vleermuisvriendelijke verlichting toegestaan en zullen de armaturen maximaal 4 meter hoog zijn, zoals weergegeven in de quick scan natuur op pagina 32 − Langs de essentiële vliegroute bij Tuitstraat 6 is vastgelegd dat het gebruik van (straat)verlichting niet mag toenemen en dat eveneens enkel vleermuisvriendelijke verlichting toegestaan is. Ter bescherming van de das wordt de maximum snelheid van de Doetinchemseweg naar 60 km/uur teruggebracht.
Categorie 5 Voor de beschermde soorten van categorie 5 zijn de volgende functies aanwezig: − 1 zomerverblijfplaats en 1 zomer/paarverblijfplaats gewone dwergvleermuis in het grote bedrijfsgebouw. − 2 territoriums van de steenuil De functies van deze beschermde soorten gaan, zonder ingrijpende maatregelen, verloren met de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van individuen bij de werkzaamheden. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om de werkzaamheden toch door te laten gaan is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig in combinatie met het treffen van voldoende mitigerende maatregelen. Ontheffing aanvragen Het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten worden verstoord is wettelijk gezien mogelijk als men in het bezit is van een ontheffing Wet natuurbescherming. Een dergelijke ontheffing wordt aangevraagd bij de provincie Gelderland. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan, mits de vereiste ontheffingen Wnb zijn verkregen voorafgaand aan de uitvoering van het plan.
52
4.9
Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.
Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 566 woningen, bestaande uit verschillende prijsklassen van rij-, rug-aan-rug, twee-onder-een-kap, vrijstaande woningen en appartementen. Voor de gehele ontwikkeling een is stikstofonderzoek14 uitgevoerd waarbij de aanlegfase en gebruiksfase is onderzocht. Aanlegfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase blijkt een grootste afname van 0,01 mol stikstof/ha/j op 175,22 ha gekarteerd Natura 2000-gebied voor de relevante hexagonen in de toekomstige situatie ten opzichte van de referentiesituatie. Dit zijn hexagonen in Natura 2000-gebieden die in het kader van de Wet Natuurbescherming relevant zijn bevonden voor beoordeling van het onderdeel stikstofdepositie. Daarmee is sprake van een afname van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase blijkt tevens dat op de reken-punten op Duitse Natura 2000-gebieden een grootste toename van 0,01 mol/ha/j op 1 rekenpunt en een grootste afname van 0,01 mol/ha/j op 3 rekenpunten plaatsvindt. In Duitsland wordt een drempelwaarde van 7,14 mol/ha/j gehanteerd 15, hieronder is geen beoordeling benodigd voor uitvoering van het betreffende project. Met Duitsland is overeengekomen dat activiteiten binnen Nederland die stikstofdepositie veroorzaken op Duitse Natura 2000-gebieden het Duitse toetsingskader hanteren.
Daarmee is er geen sprake van een ontoelaatbare toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
14
SAB. Onderzoek stikstofdepositie De Tuit. 210451, versie 2.4, 9 november 2023. Bijlage 14 bij deze plantoelichting.
15
Geonius, Stikstofonderzoek A&P/Lückerlocatie, 8 december 2020. 53
Gebruiksfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt een grootste afname van 0,04 mol stikstof/ha/j op 270,30 ha gekarteerd Natura 2000-gebied voor de relevante hexagonen in de toekomstige situatie ten opzichte van de referentiesituatie. Dit zijn hexagonen in Natura 2000-gebieden die in het kader van de Wet Natuurbescherming relevant zijn bevonden voor beoordeling van het onderdeel stikstofdepositie. Daarmee is sprake van een afname van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Op de Duitse Natura 2000-gebieden blijkt een grootste afname van 0,02 mol stikstof/ha/j op 14 rekenpunten. Er zijn geen Natura 2000-gebieden met een toename; daarmee is sprake van een afname van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden gedurende de gebruiksfase. Conclusie Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten derhalve zijn uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd. Gezien de grootte van het project is het aannemelijk dat het over meerdere jaren zal worden uitgevoerd. Dit heeft uiteraard een positief effect op de stikstofuitstoot.
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Voor het plangebied van De Tuit is een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd 16. Op de waarden-, verwachtingen- en maatregelenkaart van de Gemeente Oude IJsselstreek is het plangebied gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting (cat. 7), en voor een klein gedeelte in een gebied met een hoge archeologische verwachting (cat. 5). In het Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek wordt een omvang van 250 m 2 en een diepte van 30 cm -mv als ondergrens vermeld voor deze laatste zone. Deze ondergrens wordt door de geplande bodemingrepen overschreden.
Bureauonderzoek Het bureauonderzoek toont aan dat er een middelhoge trefkans is op archeologische waarden in het plangebied vanaf het Paleolithicum tot en met de Vroege
16
Hamaland Advies. Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek Archeologie, Plangebied De Tuit te Varsseveld, gemeente Oude IJsselstreek. 213426, 21 april 2022. Bijlage 15 bij deze plantoelichting. 54
Middeleeuwen en een hoge trefkans voor vindplaatsen uit de periode Late Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd. Ten noordoosten en ten noordwesten van het plangebied zijn in het verleden meerdere laat middeleeuwse vondsten gedaan. Het is dan ook goed mogelijk dat zich hier nederzettingssporen en vondsten uit deze periode bevinden. De gaafheid van eventuele potentiële archeologische niveaus hangt samen met de mate waarin het bodemprofiel nog intact aanwezig is binnen het plangebied. De ondergrond van het plangebied kan door de bouw van boerderijen, bijgebouwen en een ijzergieterij op die plekken verstoord zijn geraakt. Daarnaast liggen in het plangebied meerdere wegen en zijn deze door de decennia heen vaak wat verlegd of verdwenen. Tot slot is het overgrote deel van het plangebied in gebruik geweest als bos, weiland of bouwland. Door agrarische ingrepen kunnen deze percelen ook verstoord zijn geraakt tot in de top van de C-horizont. De verstoringsdiepte van de hierboven genoemde bodemingrepen is vooralsnog onbekend. Booronderzoek Binnen het plangebied bestaat de natuurlijke ondergrond uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Deze C-horizont is vanaf minimaal 35 cm-mv (boring 17) en maximaal 170 cm-mv (boring 32) aangetroffen.
In boring 10, 12, 13, 17, 20, 34 en 35 is de bodem volledig geroerd; tot minimaal 35 cm-mv in boring 17 en tot maximaal 95 cm-mv in boring 20). In de overige boringen zijn boven de C-horizont zijn verschillende bodemprofielen waargenomen. Daarbij is er sprake van boringen met de oorspronkelijke bouwvoor (A1-horizont), boringen met een A1-horizont en een oudere bouwvoor (A2-horizont), boringen met een A1-horizont en een menglaag (A/C-horizont) en boringen met een A1-horizont, een A2-horizont en een A/C-horizont. Daarnaast is in enkele boringen een B-horizont waargenomen. Selectieadvies Op basis van de resultaten van het booronderzoek wordt vervolgonderzoek noodzakelijk geacht in delen van het plangebied waar sprake is van een ‘kansrijke’ bodem. Om aan te geven welke delen voor vervolgonderzoek in aanmerking komen, is een advieskaart opgesteld. Het gaat om 2 zones in het noordelijke deelgebied en om drie zones in het zuidelijke deelgebied, met een totale oppervlakte van 14.770 + 20.300 = 35.070 m² (circa 3,5 hectare). Vindplaatsen op dekzandkoppen kunnen vondstarm zijn, waardoor een karterend booronderzoek naar verwachting geen aanvullende informatie op gaat leveren. De meest geschikte methode voor vervolgonderzoek wordt daarom een proefsleuvenonderzoek geacht, waarbij ongeveer 8 tot 10% van de advieszones onderzocht worden.
Voorafgaand aan een proefsleuvenonderzoek moet een Programma van Eisen opgesteld worden dat getoetst wordt door het bevoegd gezag. Voor de overige delen van het plangebied wordt vrijgave geadviseerd. De kans dat hier met de geplande ingrepen archeologische waarden verloren gaan, wordt gering geacht.
55
Selectiebesluit Het conceptrapport en het selectieadvies zijn op 20 april 2022 namens gemeente Oude IJsselstreek beoordeeld door de Regioarcheoloog van de ODA 17. De Regioarcheoloog is akkoord met het rapport en het selectieadvies. Vervolgonderzoek is noodzakelijk in de vorm van een proefsleuvenonderzoek in een deel van het plangebied. Hiervoor moet vooraf een Programma van Eisen opgesteld en goedgekeurd worden. Programma van Eisen Op 12 juli 2022 is het Programma van Eisen 18 opgesteld voor het proefsleuvenonderzoek woningbouwlocatie De Tuit. Het proefsleuvenonderzoek heeft betrekking op Doetinchemseweg ong. (naast Oude Doetinchemseweg nr. 21), Doetinchemseweg ong. (naast nr. 12), het Haam ong. en Rusthuisweg ong. (naast nr. 7). Het Programma van Eisen is voorgelegd en goedgekeurd door het bevoegd gezag. Proefsleuvenonderzoek Van de acht gebieden die zijn onderzocht door middel van boringen is voor vijf deelgebieden nader onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. In deze vijf deelgebieden is in de boringen onder de bouwvoor een intact ouder plaggendek aangetroffen. Naar aanleiding van dit onderzoek zijn binnen het plangebied op grond van de bodemopbouw en landschappelijke ligging vijf deelgebieden aangewezen voor vervolgonderzoek 19.
In het westelijk deel van deelgebied 1, in werkput 11, zijn 83 (paal)kuilen aangetroffen waarin een gebouwplattegrond herkend kan worden van het huistype Gasselte dan wel Kootwijk. Op grond van het aangetroffen aardewerk kan de plattegrond gedateerd worden in het einde van de 12e eeuw of begin 13e eeuw. Een kleine concentratie paalkuilen ten westen van de huisplattegrond vertegenwoordigt mogelijk een bijgebouw. Het geheel doet vermoeden dat de sporen toegeschreven kunnen worden aan een enkel erf. De begrenzing van de vindplaats wordt aan de noordzijde mogelijk gevormd door de daar aangetroffen oost-west lopende greppel en aan de oostzijde door een met vrij veel vondstmateriaal gevulde laagte. Aan de westzijde is geen duidelijke begrenzing aangetroffen. Op de hoogtekaart is zichtbaar dat de vindplaats aan de noordwestzijde van een dekzandhoogte ligt, mogelijk vormt dit hoogteverschil de begrenzing in de noordelijke en westelijke richting. De zuidelijke begrenzing van de vindplaats wordt wellicht gevormd door de Oude Doetinchemseweg. Het is goed mogelijk dat deze oude doorgaande route ook ten tijde van de bewoning al in gebruik was. De huisplattegrond heeft in ieder geval de zelfde oriëntatie als deze weg.
17
Omgevingsdienst Achterhoek. Beoordeling archeologisch rapport. 2022EA0420, 23-032022. Bijlage 16 bij deze plantoelichting.
18
Hamaland Advies. Programma van Eisen, Varsseveld West. 12-07-2022, versie 2.0. Bijlage 17 bij deze plantoelichting.
19
BAAC. Evaluatierapport, Varsseveld plangebied Varsseveld-West. A-22.0549, 18-01-2023. Bijlage 18 bij deze plantoelichting. 56
Gezien bovenstaande resultaten wordt vindplaats 1 nader onderzocht met een opgraving. In de deelgebieden 2, 3, 4 en 5 zijn perceelgreppels uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd en verspreid liggende paalkuilen en kuilen aangetroffen. Deze sporen worden niet behoudenswaardig geacht en op deze locaties wordt geen vervolgonderzoek adviseert. Een aparte vindplaats wordt gevormd door een vijftal mogelijke houtskoolmeilers, verspreid aangetroffen in deelgebied 4. Voor deze vindplaats wordt echter geen vervolgonderzoek geadviseerd vanwege de verwachte beperkte informatiewinst die een dergelijk onderzoek oplevert. Nader onderzoek vindplaats 1 Op grond van bovenstaande is door de bevoegde overheid besloten dat vervolgonderzoek, in de vorm van een definitieve opgraving, in ieder geval noodzakelijk is. Daarnaast dient een aanvullend proefsleuvenonderzoek ((IVO-P) te worden uitgevoerd n.a.v. eerdere afstemming met de regio-archeoloog en lokale amateurarcheologen, bestaande uit vier proefsleuven. Ten behoeve van dit nader onderzoek is een Programma van Eisen20 opgesteld. Ter plaatse van de nog nader te onderzoeken locaties is een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 1’ opgenomen. Conclusie Voorafgaand aan vergunningverlening van een aantal locaties dient nog nader onderzoek te worden uitgevoerd.
Voor de overige gronden geldt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Voor de toetsing van het plangebied De Tuit is de Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Oude IJsselstreek geraadpleegd. Op deze kaart komt naar voren dat een gedeelte van de Oude Doetinchemseweg die door het noordelijk deel van het plangebied loopt aangegeven staat als ‘Historische weg’.
20
Econsultancy. Archeologisch Programma van Eisen voor een opgraving en een aanvullend proefsleuvenonderzoek Woningbouwlocatie De Tuit Varsseveld-West. 20 juli 2023, 19962.002. Bijlage 19 bij deze plantoelichting. 57
Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart, globaal plangebied weergegeven met de blauwe cirkel.
Het aangegeven tracé van de Oude Doetinchemseweg dat is gemarkeerd als ‘Historische weg’ blijft bestaan binnen het stedenbouwkundig plan. Het tracé van deze weg wordt niet aangetast en blijft behouden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.12
Verkeer en parkeren Algemeen Met voorliggend plan kunnen 566 nieuwe woningen gerealiseerd worden in het plan ‘De Tuit’. De bouw van deze woningen heeft effect op het verkeer in de omgeving. De hoeveelheid verkeer neemt toe en er worden nieuwe wegen en paden aangelegd. Dit kan mogelijk knelpunten opleveren op het gebied van parkeren, verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Om deze consequenties in beeld te brengen, is een
58
verkeersonderzoek21 uitgevoerd. Hierna volgt een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie, waarbij gebruik wordt gemaakt van resultaten uit het verkeersonderzoek. Huidige situatie Het plangebied ligt aan de westzijde van Varsseveld, ten zuiden van de Rijksweg A18/N18. Een deel ligt aan de noordzijde van de Doetinchemseweg en een ander deel ten zuiden van de Doetinchemseweg, de verbindingsweg van Varsseveld naar de aansluiting met de A18/N18 en verder via Westendorp richting Doetinchem. De Doetinchemseweg is een gebiedsontsluitingsweg (GOW) buiten de bebouwde kom (toegestane snelheid 80 km/u). Verderop in oostelijke richting ligt de grens van de bebouwde kom waar de aansluiting met de Oude Doetinchemseweg overgaat in een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom (toegestane snelheid 50 km/u). Langs de Doetinchemseweg buiten de bebouwde kom ligt een eenzijdig fietspad met twee richtingen aan de zuidzijde. Dit fietspad is onderdeel van de fietsroute tussen Varsseveld en Doetinchem en maakt onderdeel uit van het Hoofdfietsnet van de provincie Gelderland. Bij de eerste rotonde in de bebouwde kom (Doetinchemseweg/Leeuwerikstraat/de Vloglanden) gaat het fietspad over in fietssuggestiestroken aan weerszijden van de weg. De Doetinchemseweg is onderdeel van busroute lijn 74.
Dit is de busverbinding tussen Doetinchem en Varsseveld en verder naar Enschede, die veel door veel scholieren wordt gebruikt.
Bestaande wegenstructuur in en rond De Tuit
Aan de noordzijde maakt de Oude Doetinchemseweg onderdeel uit van het plan en aan de zuidzijde maakt de Buulsdijk onderdeel uit van het nieuwe plan. Aan de
21
Royal Haskoning. Verkeersonderzoek de Tuit. BI9754, 24 juli 2023. Bijlage 20 van deze plantoelichting. 59
zuidzijde vormen de Tuitstraat en de Buulsdijk de grens van het plangebied, aan de noordzijde de N18 en aan de oostzijde de woningen langs de Havikenhof en Uilenhof en het Haam en de Laege Es. Verkeerssituatie/verkeersafwikkeling Om de huidig verkeerssituatie in beeld te kunnen brengen, zijn tellingen uitgevoerd, gedurende een maatgevende periode (28 november t/m 13 december 2022). Deze tellingen betreffen gemotoriseerd verkeer en fietsers. De tellingen zijn uitgevoerd op verschillende wegvakken en op kruisingen en rotondes. De avondspits bleek in alle situaties drukker dan de ochtendspits en is daarom de maatgevende periode in de berekeningen geweest. In de tellingen is zowel de rotonde bij de Vloglanden/Leeuwerikstraat meegenomen, als ook de rotonde Zelhemseweg/Oranjestraat. De laatste heeft daarbij de hoogste intensiteiten, zowel voor gemotoriseerd verkeer als voor fietsers. Om te beoordelen hoe de verkeersafwikkeling in de huidige situatie is, zijn de kruispunten/rotondes maatgevend voor de capaciteit en niet de wegvakken. Beide rotondes zitten daarbij ver onder de grens van 80% waarbij er capaciteitsproblemen kunnen ontstaan, respectievelijk 14% en 21%. Op de aansluiting Doetinchemseweg/Buulsdijk is aanvullend een visuele telling uitgevoerd om inzicht te krijgen in welke richting dit verkeer zich verplaatst.
60% verplaatst zich van en naar Doetinchem/A18/N18 en 40% van en naar Varsseveld. Opgemerkt moet worden dat de Doetinchemseweg binnen de bebouwde kom, volgens de wegencategorisering de functie heeft van een gebiedsontsluitingsweg, maar dat de vormgeving daar niet mee overeenkomt. Er is sprake van smalle fietssuggestiestroken, langsparkeren, erfaansluitingen. Deze vormgeving/inrichting past minder goed bij een 50 km/u regime, maar past met enkele aanpassingen wel bij een 30 km/u regime. Toekomstige situatie In het plangebied kunnen 566 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Hiervan kunnen 269 ten noorden van de Doetinchemseweg en 297 ten zuiden van de Doetinchemseweg worden gebouwd. Daarvan worden drie woningen rechtstreeks op de Vloglanden aangesloten en drie op de Doetinchemseweg. De verkeerseffecten zijn daar beperkt en worden niet specifiek benoemd. Op de Tuitstraat worden 26 woningen van het zuidelijk deel ontsloten. Voor de ontsluiting van de meeste woningen in het noordelijke en zuidelijke deel, vindt de ontsluiting plaats via een nieuw te bouwen rotonde op de Doetinchemseweg en een interne wegenstructuur in De Tuit. De nieuwe rotonde is gesitueerd ter hoogte van de huidige aansluiting van de Buulsdijk (zie schetsontwerp hieronder). De Buulsdijk is in de nieuwe situatie onderdeel van de wijk en sluit aan op de zuidelijke tak van de rotonde.
60
Parkeren Het woningbouwprogramma omvat rijwoningen, appartementen, 2 onder 1 kap en vrijstaande woningen. De rijwoningen vallen in de categorie huur en koop. Voor het parkeren moet voorzien worden in de juiste hoeveelheid parkeerplaatsen, op de juiste locaties. Voorkomen moet worden dat bewoners gaan parkeren buiten het plangebied. In het vigerende Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan (GVVP) staat opgenomen dat Varsseveld valt onder de categorie ‘weinig stedelijk’. Het plangebied valt onder de categorie ‘rest bebouwde kom’. In nieuwe situaties moeten de in dit GVVP genoemde parkeernormen worden gehanteerd als uitgangspunt voor de raming van de parkeerbehoefte. In voorliggend plan wordt gemotiveerd afgeweken van het principe dat uitgegaan moet worden van de maximum norm bij een bandbreedte (minimum- en maximum norm). Het GVVP is vastgesteld in 2012, op basis van een CROW publicatie uit 2008 en bevat een beperkt aantal categorieën van woningtypen. Daarmee is het onvoldoende actueel om een omvangrijk plan als het voorliggende, volledig door te rekenen. De landelijke trend is om terughoudender om te gaan met het aantal parkeerplaatsen, in verband met streven naar duurzaamheid, duurzamere verplaatsingen en het ruimtebeslag dat vergroenen van de woonomgeving met zich meebrengt.
Daarnaast werkt de gemeente Oude IJsselstreek aan een nieuw mobiliteitsplan, waarvan nieuw parkeerbeleid een belangrijk onderdeel is. Het ligt voor de hand dat de daarin te hanteren parkeernormen daarin lager zijn. De parkeerbehoefte is bepaald op basis van de meest actuele CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’22. Voor het noordelijk deel volgt daaruit een behoefte van 518 parkeerplaatsen en voor het zuidelijk deel een behoefte van 572 parkeerplaatsen, inclusief de woningen die aangesloten zijn op de Tuitstraat. In het noordelijk deel kunnen 518 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dit is inclusief de parkeerplaatsen op eigen terrein, die beperkt meetellen. Twee parkeerplaatsen naast elkaar tellen voor 1,8 en twee parkeerplaatsen achter elkaar voor 1,3. In het zuidelijk deel (inclusief woningen Tuitstraat) kunnen 575 parkeerplaatsen worden gerealiseerd in de openbare ruimte en op eigen terrein. In de berekening van het hiervoor genoemde verkeersonderzoek van RHDHV is geen rekening gehouden met parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast wordt in het verkeersonderzoek een hogere norm aangehouden voor sociale huurwoningen. 22
CROW-publicatie 381 (2018). 61
Het aantal gerealiseerde parkeerplaatsen in het stedenbouwkundig plan voldoet aan de berekende behoefte. In het plangebied wordt voldoende laadinfrastructuur gerealiseerd op basis van de door de raad vastgestelde Laadvisie23. Verkeersgeneratie Door de bouw van de woningen is er meer verkeer aanwezig in en rondom het plangebied. De berekening daarvan is gedaan aan de hand van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. De 566 geplande woningen genereren een hoeveelheid verkeer van 4.110 motorvoertuigen (ritten) per weekdag, waarbij een vertrekkend en terugkerend voertuig telt als twee ritten. Omgerekend naar een werkdag zijn dit 4.562 ritten per etmaal. Dit heeft effect op de omliggende wegen. Op de nieuwe rotonde wordt verwacht dat het verkeer zich ongeveer verdeelt zoals het dat in de huidige situatie doet op de rotonde Doetinchemseweg/Vloglanden/Leeuwerikstraat. Er worden geen noemenswaardige bewegingen verwacht tussen het noordelijk en zuidelijke deel van het plangebied. Onderstaande figuur geeft de verwachte verdeling op de nieuwe rotonde weer:
Capaciteit van de wegvakken en kruispunten De capaciteit van de kruispunten is bepalend voor de capaciteit op de wegvakken. Voor de bestaande rotonde Doetinchemseweg/Leeuwerikstraat/de Vloglanden, geldt in de nieuwe situatie een maximale verzadigingsgraad van 38% in de avondspits. Dit is weliswaar een stijging van 15% ten opzichte van de huidige situatie, maar dit blijft ruim onder de 80%. Voor de bestaande rotonde Doetinchemseweg/Zelhemseweg/Oranjestraat geldt straks een maximale verzadigingsgraad van 44%. Een stijging van 22% ten opzichte van de huidige situatie, maar nog altijd ruim onder de 80%. 23
Laadvisie 2023-2025 – 16 februari 2023 – Gemeente Oude IJsselstreek. 62
Voor de nieuwe rotonde Doetinchemseweg/de Tuit geldt een maximale verzadigingsgraad van 31%. Deze blijft ruim onder de 80%. De nieuwe rotonde is ontworpen volgens de huidige CROW richtlijnen en is daarmee een verkeersveilige kruispuntsoplossing. Motorvoertuigen, fietsers en voetgangers zijn van elkaar gescheiden en verkeer op een rotonde rijdt meestal langzamer dan op een voorrangskruising of bij verkeerslichten. In het ontwerp is ook een ontwerp voor een bushalte opgenomen. Hiermee kan lijn 74 een extra halte krijgen, die voor de ontsluiting van De Tuit een positief effect heeft. Voor de wegvakken geldt een toename van de intensiteiten. Deze zijn bepaald op basis van de tellingen die in de huidige situatie zijn uitgevoerd, aangevuld met de berekende verkeersgeneratie. Dit leidt tot onderstaande intensiteiten:
Op de meeste wegvakken neemt de intensiteit toe, maar nergens stijgt de verwachte intensiteit tot boven de acceptabele capaciteit. Een aandachtspunt is daarbij de Doetinchemseweg ter hoogte van de kruising Lijsterstraat. Op dit weggedeelte voldoet de intensiteit voor de huidige wegcategorie GOW50. De huidige weginrichting is echter niet geloofwaardig voor deze categorie en een aanpassing naar een inrichting GOW30 zou een oplossing zijn. Voor een inrichting als erftoegangsweg 30 (ETW30) is de intensiteit in de nieuwe situatie te hoog. Bebouwde kom grenzen De huidige grens van de bebouwde kom is gelegen op de Doetinchemseweg, tussen de aansluiting met de Buulsdijk en de aansluiting met de Oude Doetinchemseweg. Als gevolg van voorliggend plan is het verplaatsen van de komgrens noodzakelijk om een verkeersveilige verkeersstructuur te realiseren. Voor het vaststellen van nieuwe komgrenzen is een raadsbesluit noodzakelijk. Op onderstaande afbeelding zijn deze noodzakelijke komgrenzen aangegeven: