CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bedrijventerrein De Rieze 2021_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 17 april 2025, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 11: Bestemmingsplan ''Bedrijventerrein de Rieze 2021''20.979 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

• Reclame Voor de toepassing van gevelreclame en losstaande reclame is het belangrijk dat deze een integraal onderdeel vormt van het architectonisch ontwerp van de bedrijfsgebouw(en) en bouwwerken op het bedrijfsperceel en daaraan wat betreft uitstraling ondergeschikt is. Reclame-uitingen moeten een functionele binding hebben met het betreffende bedrijf. Reclame-uitingen dienen te voldoen aan het gemeentelijke reclamebeleid. Erfinrichting De uitstraling van het bedrijventerrein wordt voor een belangrijk deel bepaald door het uiterlijk van bedrijfsbebouwing tezamen met de bedrijfserven. Zorgvuldigheid bij de inrichting van de erven is noodzakelijk. Veel geparkeerde auto's, grote gekleurde hekken en opslag zijn ongewenst. Hieronder volgen enkele bijzondere aandachtspunten die voor een ruimtelijk aantrekkelijke erfinrichting van belang zijn: • Voorerven De erven aan de zijde van de Slingerparallel dienen voornamelijk een groene inrichting te krijgen. Het is gewenst dat het aantal inritten naar de bedrijfspanden beperkt is. Daarbij is het ook van belang dat deze inritten niet breder zijn dan noodzakelijk is. • Erfafscheidingen Voor de bedrijfsterreinen is een groene erfafscheiding in de vorm van (haag)beplanting aan de zijde van de ontsluitingsweg gewenst, zowel langs de beeldkwaliteitzone als langs de overige ontsluitingswegen.

Erfafscheidingen in de vorm van hekken dienen aan de straatzijde vermeden te wor den. Aan zij- en achterzijden van het perceel kunnen hekwerken in onopvallende, donkere kleuren worden toegepast. Indien in verband met de veiligheid een hek noodzakelijk is aan de voor- en achterzijde, dan is plaatsing in het verlengde van de gevel van het bedrijf gewenst. Zeker aan de voorzijde is het noodzakelijk dat het hekwerk een onopvallende kleur heeft. • Parkeren Parkeerplaatsen op het erf dienen met zorg te worden gesitueerd en ingericht. Parkeerplaatsen direct aansluitend aan de ontsluitingsweg langs de park- en groenzone, behoudens eventueel enkele plaatsen voor bezoekers, zijn niet gewenst. • Opslag Voor de bedrijfsterreinen in de beeldbepalende gebieden is buitenopslag van materialen niet toegestaan. Het reclamebeleid is opgenomen in een afzonderlijke Reclamenota.

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (vastgesteld) 25

3.4.5

Klimaatadaptatie

Het grootste gedeelte van wat wordt bestemd, ontworpen en vergund is ervoor bedoeld om decennia lang mee te gaan. De gemeente Oude IJsselstreek heeft in mei 2022 de gemeentelijke klimaatagenda vastgesteld. De inzet van dit beleid is om bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de kansen voor een klimaatbestendige inrichting te benutten en dus zo efficiënt mogelijk te werken aan een klimaatbestendige gemeente. Op De Rieze zijn vrijwel alle kavels inmiddels uitgegeven en een groot deel van het bedrijventerrein is al langere tijd geleden ingericht, in een tijd dat er nog niet veel aandacht was voor klimaatverandering. In vergelijking met een situatie waarin een geheel nieuw bedrijventerrein wordt ontwikkeld, maakt dit de mogelijkheden om op De Rieze klimaatmaatregelen te treffen vrij beperkt. Voor zover echter nieuwbouw of grootschalige verbouw van bestaande bedrijfsgebouwen aan de orde is, zal het onderwerp worden meegenomen in vergunningverlening. Initiatieven voor klimaatbestendige inrichtingselementen zoals groene daken, groene gevels, rain gardens, straatbomen en wadi's zijn in te passen in de bestaande bestemmingen en worden door de gemeente waar mogelijk gestimuleerd. 3.4.6

Conclusie

De voorgenomen actualisering van de bestemmingsplannen is in lijn met het gemeentelijke beleid.

26 vastgesteld)

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (

Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 4

M ilieu- en haalbaarheidsaspecten

Milieu- en haalbaarheidsaspecten

Onderhavig bestemmingsplan heeft in beginsel ten doel de geldende bestemmingsplannen te actualiseren en de bestaande ruimtelijke situatie vast te leggen. Dit hoofdstuk biedt informatie over de milieukundige aspecten en de cultuurhistorische randvoorwaarden waarmee rekening gehouden moet worden bij de ontwikkeling, de inrichting en het beheer van het plangebied.

4.1

Milieuaspecten

4.1.1

M.e.r. beoordeling

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de planen besluitvorming in te brengen. M.e.r. is altijd gekoppeld aan een besluit, bijvoorbeeld een bestemmingsplan. Een m.e.r. is een procedure, waarbij uitgebreid onderzoek naar de relevante milieueffecten (verkeer, geluid, natuur, water, etc.) wordt uitgevoerd. Voor een bestemmingsplan geldt een m.e.r.-plicht (plan-m.e.r.) in de volgende gevallen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm: Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Dit is aan de orde wanneer een plan significante gevolgen kán hebben voor een Natura 2000 gebied. Bedrijventerrein De Rieze ligt op ca. 5,5 km afstand van het net over de Duitse grens gelegen Natura 2000 gebied Hetter-Millinger Bruch. Het bestemmingsplan bevat alleen wijzigingen van ondergeschikte aard, zoals de omzetting van de woonbestemming aan de Hinkenheuvel 1 naar een bedrijfsbestemming en de doorontwikkeling van het bedrijf aan de Ettenseweg 7a.

Ook worden op enkele locaties het bouwvlak vergroot, het bebouwingspercentage verhoogd en de bouwhoogten verhoogd om binnen het plangebied met gelijke regels te werken. Daarnaast zijn nog circa drie ha aan bedrijfskavels uitgeefbaar. De genoemde wijzigingen zijn van ondergeschikte aard.Dat betekent dat dit actualiserende plan niet leidt tot andere effecten dan die reeds zijn toegestaan. Een passende beoordeling is daarom niet aan de orde en een m.e.r.-plicht op basis daarvan is evenmin aan de orde. Op basis van Besluit milieueffectrapportage: Wanneer het bestemmingsplan een kaderstellend plan is voor nog een later te nemen besluit (bijv. een omgevingsvergunning Milieu) om een activiteit te realiseren ontstaat m.e.r.-plicht als in onderdelen C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage: o o o o

de activiteit wordt genoemd in kolom 1; er wordt voldaan aan de voorwaarden in kolom 2; het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3; het bestemmingsplan een kader vormt voor een (toekomstig) besluit dat wordt genoemd in kolom 4.

In kolom 1 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staan geen activiteiten die op De Rieze kunnen worden toegestaan of waar het bedrijventerrein zelf onder valt. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat bij D.11.3:

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (vastgesteld) 27

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.

In gevallen waarin de De structuurvisie, De vaststelling van het activiteit betrekking heeft bedoeld in de artikelen plan, bedoeld in artikel op een oppervlakte van 2.1, 2.2 en 2.3 van de 3.6, eerste lid, 75 hectare of meer Wet ruimtelijke ordening, onderdelen a en b, van en het plan, bedoeld in de Wet ruimtelijke artikel 3.1, eerste lid, van ordening dan wel bij het die wet. ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

De eerste vraag die gesteld moet worden is of er sprake van activiteiten uit Kolom 1. Een plan-m.e.r. is aan de orde voor een bestemmingsplan dat ziet op de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein indien de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 ha of meer. Van aanleg van een industrieterrein is in dit geval geen sprake, het terrein is al aangelegd en ingericht. Van uitbreiding is evenmin sprake, de plancontour is gelijk aan die van de eerder plannen tezamen. Ingevolge artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt onder wijziging verstaan: "een reconstructie of verandering anderszins van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande inrichtingen;" Zoals eerder vermeld is medio 2022 nog 3 ha uitgeefbaar. Het in gebruik nemen van deze kavels leidt tot veranderingen in het gebied,echter in zeer ondergeschikte mate. Deze veranderingen hebben echter uitsluitend betrekking op de kavels zelf en daarmee beperkt invloed op de omgeving. Gezien de zeer beperkte omvang van de nog uitgeefbare kavels ten opzichte van de het reeds in gebruik zijnde deel van het bedrijventerrein en de beperkingen ten aanzien van de aard van de bedrijven die zich er mogen vestigen, is het potentiële effect van invulling van de nog uitgeefbare kavels zeer gering.

Bedrijven die zich hier vestigen zijn gehouden aan de toegewezen milieucategorie en de generieke weten regelgeving met betrekking tot milieu. De aanwezigheid van diverse (bedrijfs)woningen in de omgeving beperkt de beschikbare milieuruimte nog verder. Uit de uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1467, blijkt dat de ABRVS heeft geoordeeld dat wanneer een bestemmingsplan in beginsel een conserverend karakter heeft met enkele planologische uitbreidingen op perceels niveau, deze wijzigingen dermate ondergeschikt zijn. De verruimde bouwmogelijkheden zijn immers zodanig ondergeschikt dat in dit geval van wijziging van een industrieterrein als bedoeld in het Besluit m.e.r. geen sprake is. In dit verband is het namelijk van belang dat de opzet en vormgeving van het industrieterrein door de bouwmogelijkheden zullen wijzigen, daarvan is in onderhavige situatie geen sprake van. Indien de kaveluitgave wel beschouwd wordt als een wijziging van het industrieterrein moet getoest worden aan de drempelwaarde van kolom 2. Bestemmingsplan De Rieze betreft een actualiserend plan voor een bedrijventerrein. Een bedrijventerrein is niet altijd een industrieterrein. Het begrip industrieterrein is beperkter dan het begrip bedrijventerrein en heeft betrekking op terreinen die bedoeld zijn voor de vestiging van industriële bedrijven.

Meubelboulevards, kantoorcomplexen en andere bedrijfslocaties waar geen industriële bedrijven gevestigd mogen worden, vallen niet in categorie D11.3. De Rieze is een gemengd bedrijventerrein. De maximaal toegestane milieucategorie varieert van 2 tot en met 4.1. Activiteiten in milieucategorie 1 en 2 kunnen niet worden beschouwd als industriële activiteiten. Bedrijven in de hogere categorieën in de regel wel. Het deel van De Rieze waar bedrijfsmatige activiteiten tot ten hoogste milieucategorie 2 worden toegestaan, is ca. 2 ha groot en vormt als het ware een bufferzone tussen het terrein waar industriële activiteiten zijn toegestaan en het naastgelegen woongebied. Deze gronden kunnen niet gezien worden als gronden die onderdeel zijn van het industrieterrein. De uitgeefbare kavels hebben betrekking op in totaal 3 ha. Bij lange na wordt de drempelwaarde van 75 ha. niet gehaald. Voor de volledigheid is er een notitie opgesteld ten behoeve van de vormvrije-m.e.r., welke is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Hierin is aangetoond dat de ontwikkelingen die mogelijk zijn binnen het bestemmingsplan geen nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Geconcludeerd wordt dat bestemmingsplan De Rieze niet ziet op activiteiten genoemd in de bijlage, derhalve kom je ook niet toe aan de toetsing van de drempelwaarde uit kolom 2. Indien de mogelijke 28 vastgesteld)

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (

ontwikkelingen wel gezien worden als een activiteit conform het besluit-mer in worst case is gezien de kleinschaligheid en ondergeschikte invloed geen significante negatieve effecten te verwachten en is via deze weg ook geen plan-m.e.r noodzakelijk. 4.1.2

Bodem

4.1.2.1 Beoordelingskader Er is plicht om onderzoek te doen naar onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied. Er moet onderzocht worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. 4.1.2.2 Onderzoek In het verleden zijn er binnen het plangebied diverse onderzoeken uitgevoerd voorafgaand aan de vorming van het bestemmingsplan, hierbij zijn geen noemenswaardige verhoogde gehalten aangetoond. En hiermee is bevestigd dat de terreinen geschikt zijn voor de nieuwe functie. Een bodemonderzoek heeft doorgaans een geldigheid van twee tot drie jaar als het gebruikt wordt ten behoeve van een bouwaanvraag. In veel gevallen kan deze termijn worden verruimd naar een periode van vijf jaar. Hierbij mag geen wezenlijke verandering in het gebruik of bodemgesteldheid van de locatie hebben plaatsgevonden. De nog onverkochte kavels zijn ingezaaid met gras. Hierop hebben geen wijzigingen in de bodemgesteldheid plaatsgevonden. Voor de locatie Ettenseweg 7a in Ulft is in het verleden onderzoek uitgevoerd.

Daarbij is geconcludeerd dat de locatie voldoende is onderzocht en dat de de kwaliteit van de bodem op de onderzoekslokatie geen belemmeringen vormt voor huidige gebruik van de lokatie. Conclusie Het aspect bodem werpt geen belemmeringen op voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. 4.1.3

Externe veiligheid

Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op situaties waar een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen waardoor mensen - die verder niets met de risicodragende activiteit te maken hebben - om het leven zouden kunnen komen. Beoordelingskader De kern van het externe veiligheidsbeleid is ruimtelijke scheiding aanhouden (zoneren) tussen (geprojecteerde) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en risicobronnen. Hiervoor is het noodzakelijk dat te nemen besluiten over omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen onderling goed op elkaar zijn afgestemd. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor, buisleidingen). De aan te houden veiligheidsafstanden zijn meestal gebaseerd op (berekende) risico's en soms op te verwachten effecten bij een calamiteit. Wetgeving Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG tankstations. Het beleid voor transportmodaliteiten staat beschreven in het besluit externe veiligheid transportroutes(Bevt), de bijbehorende regeling en de wet basisnet.

Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling. . Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (vastgesteld) 29

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 /jaar PR-contour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fNcurve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1 % letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Beleidsvisie In 2010 heeft de gemeenteraad van Oude IJsselstreek de beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld.

In deze beleidsvisie wordt een afweging gemaakt tussen twee uitgangspunten: veiligheid in woonwijken; het niet onnodig frustreren van bedrijfsactiviteiten op bedrijventerreinen. Gekozen wordt voor een benadering met drie gebiedstypen. Er is geprobeerd een optimale mix te vinden in normen, maatregelen en hulpmiddelen, die passen bij het betreffende gebiedstype. De beleidskeuzes laten zich als volgt samenvatten:

Een overzicht van de locaties van de inrichtingen in Oude IJsselstreek die onder de werking van het Bevi en de Revi vallen of waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen is weergegeven op de Risicokaart provincie Gelderland. 4.1.3.1 Onderzoek Het bestemmingsplan voorziet in vastleggen van de huidige situatie en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Een verantwoording van de aanwezige risico's is noodzakelijk nu het beleid op het gebied van externe veiligheid is veranderd. Zo zijn de aan te houden plaatsgebonden risicoafstanden voor LPG tankstations veranderd, is de circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG tankstations gepubliceerd en is er nieuwe wetgeving voor buisleidingen en transportroutes van kracht geworden. Voor de uitgevoerde berekeningen geldt dat de methode voor de berekening van plaatsgebonden- en groepsrisico is verbeterd. Daarnaast is het vanuit het principe van een goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1 WRO) tevens noodzakelijk om op de aanwezige risicobronnen in te gaan. Selectie van de risicobronnen Met behulp van de landelijke signaleringskaart externe veiligheid is gekeken welke risicobronnen zich in de directe omgeving van het plangebied bevinden. Een uitsnede uit de signaleringskaart externe veiligheid is weergegeven als figuur 1.

30 vastgesteld)

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (

af beelding 9 uitsnede signaleringskaart

In afbeelding 9 is het bestemmingsplan gebied weergegeven als groene contour. In de omgeving van het bedrijventerrein bevinden zich volgens figuur 1 in ieder geval de volgende risicobronnen: Risicobron

PR 10-6 contour (m)

Propaantank 40 m3 Recreatiecentrum Scholtenhof (boven) Propaantank <13 m3 Camping Slootermeer (onder)

Invloedsgebied

Afstand tot plangebied

55

150 meter

<150 meter

25

150

15 20

90

Vuurwerkverkooppunt Katan Vuurwerk

8

Nvt

Gasdruk meet- en regelstation N350 GOS

15

Nvt

Excerion Zuurstofopslag Gasflessenopslag

PAG

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (vastgesteld) 31

HD Aardgasleiding N566-01 N569-80 N565-19

n.v.t.

n.v.t.

100 % /1% letaal 70/140 50/95 30/45

In de navolgende paragrafen wordt op deze risicobronnen ingegaan Stationaire bronnen Recreatiecentrum Scholtenhof Voor dit recreatiecentrum geldt dat in 2001 een vergunning is afgegeven voor een bovengrondse propaantank van 40 m3. Voor de vervanging van deze tank door mogelijk twee tanks van 8 m3 is geen melding ingediend. Voor deze inrichting moet worden uitgegaan van een tank van 40 m3 met een pr contour van 40 meter (doorzet 300-600 m3 / jaar) en een invloedsgebied van 150 meter rond het vulpunt. Zowel de plaatsgebonden risicocontour als het invloedsgebied van deze tank vallen niet over het plangebied. Deze propaantank vormt geen belemmering voor de actualisatie van dit bestemmingsplan. Camping Slootermeer Voor camping Slootermeer geldt dat in 2010 een melding is gedaan voor een bovengrondse propaantank met een maximum inhoud van 13 m3. De inhoud van deze tank blijkt niet uit de melding. Voor een tank groter dan 5 m3 maar kleiner dan 13 m3 geldt volgens het Activiteitenbesluit een veiligheidsafstand van 25 meter, als wordt uitgegaan van meer dan 5 bevoorradingen per jaar. Voor het invloedsgebied voor deze tank moet volgens de Leidraad risico inventarisatie worden uitgegaan van de risico's die het vullen van het reservoir met zich mee brengen. Voor propaan zou dit inhouden een tankauto met 40 m3 propaan.

Hiervoor geldt volgens gevarenkaart 1 van de leidraad risico-inventarisatie een invloedsgebied 1% letaal van 235 meter. Dit staat niet in verhouding tot de afstand voor een propaanreservoir van 13m3 of groter volgens het BEVI. Voor een tank groter dan 13m3 geldt een invloedsgebied 1% letaliteit van 150 meter. Voor deze tank wordt derhalve een invloedsgebied van 150 meter aangehouden. Voor de contour van het invloedsgebied geldt dat deze net over de rand van het invloedsgebied valt, maar dat er geen bebouwing binnen valt. Deze propaantank vormt geen belemmering voor de actualisatie van dit bestemmingsplan. Zuurstofopslag / gasflessenopslag Excerion (geen Bevi) Bij dit bedrijf is volgens het RRGS een zuurstoftank van 50.000 liter aanwezig. Bij een opslag van 50.000 liter hoort volgens de leidraad risico-inventarisatie een invloedsgebied een plaatsgebonden risicocontour van 15 meter en een invloedsgebied van 90 meter. Als sprake is van een tweede tank met bijvoorbeeld stikstof binnen 10 meter moet deze afstand worden vermeerderd tot 20 meter. In dit geval is dit niet van toepassing. Daarnaast is op dit bedrijf een gasflessenopslag aanwezig waar onder andere gasflessen met propaan en acetyleen worden opgeslagen. Voor deze opslag geldt een plaatsgebonden risicocontour van 20 meter.

Voor deze inrichting hoeft geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden nu geen sprake is van een onder het besluit externe veiligheid inrichtingen vallende inrichting. Vuurwerkverkoop Katan Voor een vuurwerkopslag tot maximaal 10.000 kg voor consumentenvuurwerk geldt dat een veiligheidsafstand van 8 meter moet worden aangehouden in voorwaartse richting vanaf de deur van de kluis. Verder zijn er voor deze risicobron geen veiligheidsafstanden van toepassing. Voor deze inrichting hoeft geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden nu geen sprake is van een onder het besluit externe veiligheid inrichtingen vallende inrichting. 32 vastgesteld)

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (

Gasdruk M&R station N350 GOS Voor dit gasdruk meet en regelstation geldt een veiligheidsafstand van 15 meter volgens het activiteitenbesluit artikel 3.12 6e lid. Voor deze typen van stations zijn geen invloedsgebieden bekend. Voor deze inrichting hoeft geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden nu geen sprake is van een onder het besluit externe veiligheid inrichtingen vallende inrichting met een contour over het plangebied. De pr-contouren moeten wel op de verbeelding worden opgenomen. Mobiele bronnen Hogedruk aardgasleidingen De contouren van drie aardgasleidingen vallen over het plangebied. Het gaat om de volgende leidingen:

Voor deze leidingen is een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd in 2017. Deze risicoanalyse is opnieuw doorgerekend met de nieuwe versie van Carola, de verplichte rekenmethode voor het bepalen van het groepsrisico rond hogedruk aardgasleidingen. Daarnaast zijn voor deze berekening nieuwe populatiegegevens opgehaald via de populatieservice. Bij het opvragen van leidinggegevens is door de Nederlandse Gasunie NV een derde relevante leiding toegevoegd, namelijk de N565-19 deel 1. Deze is in de nieuwe berekening meegenomen. De resultaten van de Kwantitatieve risicoberekening buisleidingen zijn hieronder kort weergegeven: Plaatsgebonden risico Voor de drie aanwezige leidingen is geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 aanwezig. Wel geldt een vrijwaringszone van 5 meter aan weerszijde van de leidingen waarvoor een dubbelbestemming is openomen in de planregels. Groepsrisico Met een beperkte verantwoording van het groepsrisico kan worden volstaan als: als het een bestemmingsplan zich geheel buiten de 100% letaliteitgrens van de leiding bevindt of voor een toxische stof waarbij het bestemmingsplan zich geheel buiten de plaatsgebonden risico 10-8 bevindt of; het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde; de toename van het groepsrisico minder is dan 10% voor zover de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden.

Voor de leiding met kenmerk 566-01 deel 1 is een duidelijk verschil te zien tussen de bestaande en de nieuwe situatie. De toename blijft echter ruim onder een toename van 10% van de oriëntatiewaarde. Voor de andere twee leidingen is geen verschil waarneembaar. Aan de voorwaarden om met een verkorte verantwoording van het groepsrisico te kunnen volstaan wordt voldaan. Een beperkte verantwoording van de risico's dient in dit geval de volgende onderwerpen te bevatten: de personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleiding. De te verwachte toekomstige personendichtheid in het geval er concrete ontwikkelingen in het invloedsgebied zijn. de mogelijkheden tot bestrijding en beperking van rampen; de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen in het plangebied. In de volgende paragrafen wordt hierop ingegaan. De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleiding. bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (vastgesteld) 33

In de bestaande situatie is uitgegaan van de bebouwing zoals deze nu aanwezig is. Hierbij is gebruik gemaakt van de populatiegegevens van de populatieservice van VNG/IPO. In de QRA staat vermeld van welke aantallen wordt uitgegaan. Voor de nog niet uitgegeven kavels is uitgegaan van drie nog niet ingevulde gebieden met een personendichtheid van 200 personen per hectare, welke overeen komt met kantoren hoogbouw volgens tabel 16.3 pagina 77 van het document “Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico”, november 2007, VROM – IPO. De hoogte van het groepsrisico Uit de QRA blijkt dat er een kleine stijging van de hoogte van het groepsrisico is voor de leiding met kenmerk N566-01. Het betreft een kleine toename welke ruim onder de 10% van de oriëntatiewaarde blijft. Beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van een mogelijke calamiteit Voor dit onderwerp is de Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland wettelijk adviseur. Bij nieuwe ontwikkelingen zal aan de Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland derhalve voor dit onderwerp om advies worden gevraagd. Zelfredzaamheid Voor dit onderwerp is de Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland wettelijk adviseur. Bij nieuwe ontwikkelingen zal aan de Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland derhalve voor dit onderwerp om advies worden gevraagd.

in het algemeen stelt de Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland het volgende: In het plangebied bevinden zich meerdere hogedruk aardgasleidingen. Om de zelfredzaamheid van personen in het plangebied te vergroten, worden de volgende punten geadviseerd te borgen in voorschriften in de omgevingsvergunning (onderdeel: bouwen) voor nieuwe objecten: Beperk aan de zijde van hogedruk aardgasleidingen het glasoppervlak van ruimten waarin personen zich kunnen bevinden. Dit i.v.m. mogelijke scherfwerking als gevolg van bijvoorbeeld een explosieve ontbranding van vrijgekomen gas. Tref voorzieningen waarmee de (mechanische) ventilatie – eventueel op afstand – afgeschakeld kan worden, als er sprake is van een incident waarbij een toxische gaswolk ontstaat of een brand waarbij sprake is van grote rookvorming in de omgeving van het plangebied. Om te kunnen schuilen voor genoemde scenario's, is het noodzakelijk dat personen in zo'n situatie naar binnen gaan, ramen en deuren sluiten en dat de eventueel aanwezige mechanische ventilatie handmatig door de gebruikers kan worden uitgezet. Voor de in het plangebied aanwezige (specifieke) objecten (bijv. kantoren, bedrijven met veel personen/bezoekers op locatie) waar noodplannen voor opgesteld dienen te worden, deze mede op basis van de genoemde externe veiligheidsrisico's op te stellen.

Daarnaast wordt het volgende geadviseerd: De zelfredzaamheid van de aanwezige personen zo groot mogelijk te laten zijn, door de bekendheid over risicobronnen van aanwezigen in het plangebied te vergroten en bij de mogelijkheid tot alarmering gebruik te maken van NL-alert. Attendeer bedrijven op deelname aan 'Stan the CPR network' (voorheen Hartveilig Wonen). Dit is een hulpsysteem waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren (met AED), in afwachting van een ambulance. Deelname aan 'Stan the CPR network' kan levens redden. Plaats een AED op een strategische locatie in het plangebied. In geval van een circulatie-stilstand wordt – door z.s.m. te defibrilleren – de overlevingskans van de betreffende persoon vergroot. Als deze AED aan een buitenmuur wordt bevestigd en beschikbaar wordt gesteld voor algemeen gebruik, kan deze AED ook gebruikt worden bij nood in de omgeving van het plangebied. Plaats een Stop de bloeding-set naast de AED. Dit is een pakketje met extra hulpmiddelen om bloedingen te stoppen. Omstanders en niet-medische hulpverleners kunnen de overlevings-kansen van slachtoffers met ernstig bloedverlies aanzienlijk verhogen als deze direct adequaat worden gestelpt. Alledaagse verwondingen waarbij levensbedreigend bloedverlies optreedt, kunnen 34 vastgesteld)

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (

bijvoorbeeld een val door een glazen deur of (ernstige) open botbreuken zijn. Conclusie Het aspect externe veiligheid werpt geen belemmeringen op voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.1.4

Geur

Voor de beoordeling van geurhinder van veehouderijen gelden de volgende kaders: Wet geurhinder en veehouderij; Activiteitenbesluit milieubeheer. Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is van toepassing op vergunningplichtige veehouderijen. Het betreft alle bedrijven die niet volledig onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen. De Wgv maakt onderscheid tussen: diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, zoals varkens en pluimvee: 1. dieraantallen zijn om te rekenen naar totale geuremissie; 2. geurbelasting is te bepalen door de geuremissie te berekenen in het rekenprogramma V-Stacks Vergunning of V-Stacks Gebied; 3. de berekende geurbelasting moet worden getoetst aan de geurnormen van 3 odour units per kubieke meter lucht (voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom) en 14 odour units per kubieke meter lucht (voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom); diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, zoals melkrundvee en paarden: 1. hiervoor gelden vaste minimumafstanden (geen berekeningen mogelijk); 2. de minimaal in acht te nemen afstanden bedragen 100 meter voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom en 50 meter voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.

Activiteitenbesluit milieubeheer Agrarische bedrijven hebben geen vergunning nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Daarnaast zijn er bedrijven die nog wel een omgevingsvergunning milieu nodig hebben. Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Toetsing Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen gaat het erom voor geurhinder van veehouderijen de volgende vragen te beantwoorden: Is ter plaatse van geurgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? Welke afstand voldoende is, vloeit op grond van de jurisprudentie over de omgekeerde werking voort uit de regelgeving voor geurhinder. In het algemeen is het zo, dat wanneer geurgevoelige objecten op voldoende afstand van veehouderijen zijn gepland, het woon- en leefklimaat als goed wordt aangemerkt en niemand onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Binnen het plangebied is geen sprake van nieuwe geurgevoelige objecten. Overwegingen over de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat en het schaden van bedrijfsbelangen zijn daarom niet aan de orde. Het conserverende karakter van het bestemmingsplan noodzaakt niet tot het in beeld brengen van omliggende agrarische bedrijvigheid.

Conclusie Het aspect geur van veehouderijen werpt geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan. bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (vastgesteld) 35

4.1.5

Geluid

Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende punten worden voldaan: bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; op en rond het plangebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; het geluidbeleid wordt in acht genomen. 1: Bedrijven in de omgeving Door een ruimtelijke ontwikkeling kunnen geluidgevoelige objecten dichter naar bedrijven toe komen. Omdat bedrijven ten aanzien van deze objecten geluid normen zijn opgelegd, zal het realiseren van geluidsgevoelige objecten dichter naar de bedrijven toe altijd een beperking voor de bedrijven betekenen. Of deze beperking ook leidt tot directe gevolgen voor de bedrijfsvoering, dient te worden vastgesteld. In dergelijke gevallen zal akoestisch moeten worden onderzocht welke geluidsbelasting het bedrijf op het plangebied heeft. Blijkt uit het onderzoek dat de bedrijven ook in de nieuwe situatie kunnen voldoen aan de gestelde geluid normen, dan is in feite voldaan aan dit punt. Omdat in dit bestemmingsplan sprake is van voortzetting van de bestaande (legale) situatie, hoeft niet getoetst te worden aan het aspect geluid.

2: Woon- en leefklimaat Wanneer geluidgevoelige objecten en geluidproducerende objecten als bedrijven en wegen in elkaars nabijheid worden gerealiseerd, dient bepaald en afgewogen te worden of er in en om de geluidgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Om hierover een goed oordeel te kunnen vormen dient te worden bepaald wanneer sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hiervoor kunnen de normen worden gevolgd die in verschillende milieuwetten voor geluid zijn vastgelegd. Aangezien voorliggend plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, zijn daardoor ook geen belemmeringen voorzien ten aanzien van wegverkeer (zoals de Oude IJsselweg wat een 80 km/u weg is). 3: Geluidbeleid Op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening is het mogelijk dat gemeenten eigen geluidbeleid vaststellen. Dit beleid moet bij besluiten in acht worden genomen. De gemeente Oude IJsselstreek heeft geen geluidbeleid. Conclusie Omdat in dit bestemmingsplan sprake is van voortzetting van de bestaande (legale) situatie, hoeft niet getoetst te worden aan het aspect geluid voor het woon- en leefklimaat. Verder wordt verwezen naar paragraaf 2.3.5 4.1.6

Lucht

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden luchtkwaliteit; ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). Onderzoek Onderhavig bestemmingsplan is een conserverend plan met wijzigingen van ondergeschikte aard. Onderzoek naar luchtkwaliteit is dan ook niet aan de orde.

36 vastgesteld)

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (

Conclusie Omdat in dit bestemmingsplan sprake is van voortzetting van de bestaande (legale) situatie en de wijzigingen van geringe aard zijn, hoeft niet getoetst te worden aan het aspect Luchtkwaliteit. 4.1.7

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om dit te bepalen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden heeft de gemeente Oude IJsselstreek de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009. De toelaatbaarheid van bedrijven en bedrijfsactiviteiten worden getoetst aan de Staat van bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein, zie bijlage 1 van de regels. De lijst is gebaseerd op de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de VNG, editie 2009.

In de Staat van bedrijfsactiviteiten staan de voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten op de Rieze vermeld. Hierbij zijn richtafstanden gegeven tussen de milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) en milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het (vigerende) bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten, is mede afhankelijk van het omgevingstype. Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.

Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. Conclusie Omdat in dit bestemmingsplan sprake is van voortzetting van de bestaande (legale) situatie, hoeft niet getoetst te worden aan het aspect milieuzoneringen. Verder wordt verwezen naar paragraaf 2.3.5.

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (vastgesteld) 37

4.2

Water

4.2.1

Inleiding

Vanuit het principe dat het waterbeheer een gezamenlijk domein is van rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn de verantwoordelijkheden helder beschreven en zijn de taken verdeeld onder het motto "decentraal wat kan, centraal wat moet". Zo draagt de gemeente, als de bestuurslaag die het dichtst bij de burger staat, zorg voor een veilige en prettige leefomgeving. De gemeente heeft derhalve taken in het ruimtelijke en sociale domein. In het ruimtelijk domein gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer de afweging tussen milieu, natuur, water, economie en huisvesting een rol speelt. Dit beleid wordt vastgelegd in structuurvisies en bestemmingsplannen. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor het rioleringsbeheer en hebben de zorgplichten voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 4.2.2

Beleid

4.2.2.1 Regionaal Waterprogramma Gelderland Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma's: 1. Waterveiligheid: het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2. Waterkwaliteit: dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3. Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte) en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma's verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland.

In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.

4.2.2.2 Waterbeheerplan Waterschap Rijn en IJssel 2022-2027 Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap (WPB) Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 2022 – 2027 op welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire 38 vastgesteld)

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (

taakgebieden van het waterschap: Naar een betere balans tussen nat en droog en gebiedsgerichte aanpak: klimaat robuust gebied; Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; Afstemming van functies op de draagkracht van het systeem en een gezond watersysteem: gezonde leefomgeving; Afvalvermindering, wendbare keten: Circulaire economie en energietransitie. Het programma is, naast in deze thema's, ook in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De kenmerken, de ontwikkelingen en de opgaven die gebiedsspecifiek zijn worden achter elkaar weergegeven. Het beleid is verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. 4.2.2.3 Gemeentelijk Waterplan De gemeente Oude IJsselstreek en het Waterschap Rijn en IJssel hebben een gemeentelijk waterplan opgesteld. In dit waterplan wordt een integrale visie gegeven op water in Oude IJsselstreek. Deze visie geeft een doorkijk naar de middellange termijn (circa 10 jaar) en de lange termijn (2030). Aan de visie is een uitvoeringsprogramma gekoppeld voor de korte termijn (5 jaar).

Het waterplan biedt handvatten voor het opstellen van ruimtelijke plannen, voor de afstemming met rioolbeheer en geeft zo inzicht in de mogelijkheden om te komen tot een duurzaam watersysteem binnen de gemeente. Er wordt gestreefd naar een gezond, veerkrachtig, kwalitatief goed, aantrekkelijk en op de toekomst berekend watersysteem en waterketen. De toekomstvisie is gericht op vier aspecten: Water is een drager voor een gezonde economie; Water is een drager voor de sociale aspecten en beleving; Water is een drager voor ecologische ontwikkeling; Water is een drager voor volksgezondheid en veiligheid. De volgende maatschappelijke streefeffecten verwoorden de waterambitie van de gemeente: 1. Een juiste hoeveelheid water van een goede kwaliteit ten behoeve van de landbouwproductie; 2. Meer recreanten in de gemeente op het gebied van waterrecreatie; 3. Afname van grondwateronttrekkingen schaadt het industriële proces niet; 4. Aangenaam woonklimaat waarin water een ontmoetingsplaats is; 5. Balans tussen rode, groene en blauwe functies; 6. Bewustwording verantwoord watergebruik en duurzaam waterbeheer; 7. Het watersysteem maakt deel uit van een gezond ecosysteem; 8. Verminderen areaal verdroogde gebieden in overeenstemming met het vastgestelde beleid; 9. Een gezond en veilig watersysteem; 10. Een gezonde en veilige waterketen.

4.2.2.4 Gemeentelijk rioleringsplan Tijdens de raadsvergadering van 27 oktober 2016 is het nieuwe Gemeentelijk Rioleringsplan 2017 - 2020 vastgesteld. In dit plan geeft de gemeente aan hoe zij invulling denkt te geven aan de zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Uitgangspunt daarbij is, dat als het gaat om de zorg voor hemelen grondwater, de particulier ook een duidelijke eigen rol heeft. Het gemeentelijk beleid is gericht op het scheiden van (afval)waterstromen. Relatief schoon regenwater hoeft niet te worden afgevoerd naar de zuivering, maar wordt zo lang mogelijk vastgehouden in het gebied middels retentievoorzieningen en/of infiltratie. Bij vervangingswerkzaamheden van het gemengde riool, zal worden bezien in hoeverre afkoppeling van verhard oppervlak mogelijk is, eventueel door het aanleggen van een apart regenwaterriool. Daar waar afkoppeling van, in meer of mindere mate verontreinigd, regenwater leidt tot onacceptabele belasting van het oppervlaktewater zullen in eerste instantie maatregelen met een lokaal karakter worden genomen. Het aanleggen van verbeterd gescheiden stelsels zorgt voor onnodig transport van relatief schoon afvalwater naar de zuivering en heeft een negatief effect op het zuiveringsrendement.

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (vastgesteld) 39

4.2.3

Beschrijving watersysteem

4.2.3.1 Oppervlaktewater Ten noorden wordt het bedrijventerrein ontsloten door de Oude IJssel en daarnaast ten westen door De Riezegraaf. Deze zijn beide in eigendom en/of beheer van het waterschap Rijn en IJssel. Door het plangebied loopt De Riezegraaf, die de belangrijkste ontwatering van het westelijke gedeelte van de gemeente Oude IJsselstreek vormt. De Riezegraaf watert vervolgens af op de Oude IJssel. Waterberging In het kader van de ontwikkeling van het bedrijventerrein De Rieze V is door BKH Adviesbureau Raadgevende Ingenieurs onderzoek verricht naar de benodigde hoeveelheid oppervlaktewater ten behoeve van de retentie en afvoer van het hemelwater. Conclusie uit dit onderzoek is onder meer dat voor het bemalingsgebied een retentie benodigd is van 6.068 m3. De benodigde berging wordt verkregen door waterpartijen aan te leggen langs de Oude IJsselweg en langs de Slingerparallel. Langs de Oude IJsselweg zal een overvloeiveld zorgen voor extra retentie.De feitelijke afvoer van het verzamelde water zal uiteindelijk geschieden via de Riezegraaf naar de Oude IJssel. Inmiddels hanteert het Waterschap Rijn en IJssel nieuw beleid op het gebied van waterberging. Ten tijden van de Rieze V (2001) ging men uit van T10, maar tegenwoordig geldt voor stedelijk gebied nu T100. Ook om te anticiperen op klimaatverandering wordt T100+10% als waterbeleid aangehouden.

Dit betekent dat aanvullende maatregelen genomen dienen te worden om te voldoen aan de waterbergingsopgave voor T100+10%. Bij extra verhardingen in stedelijk gebied is het uitgangspunt om 80 mm. aan waterberging te realiseren. Verdroging Het dakregenwater van het bedrijventerrein wordt opgevangen in infiltratiekoffers of rechtstreeks geloosd op de retentievijvers, die zijn gekoppeld aan De Riezegraaf. De Riezegraaf en de Oerse Waterleiding liggen tussen het bedrijventerrein en de omliggende gronden. Deze waterlopen zorgen voor de afwatering van zowel het dakregenwater van het bedrijventerrein als van de omliggende agrarische gronden. In deze waterlopen wordt het huidige waterpeil gehandhaafd, waardoor aangenomen kan worden dat ook de aanen afvoermogelijkheden van water via deze waterlopen voor de omringende agrarische gronden gelijk blijven. De verwachting is dan ook dat er geen gevolgen zijn voor de grondwaterstand van de omringende gronden 4.2.3.2 Riool Het gemeentelijk beleid is gericht op het scheiden van (afval)waterstromen. Relatief schoon regenwater hoeft niet te worden afgevoerd naar de zuivering, maar wordt zo lang mogelijk vastgehouden in het gebied middels retentievoorzieningen en/of infiltratie.

De gemeente streeft ernaar zoveel mogelijk hemelwater af te koppelen Afvoersysteem In De Rieze VI is, evenals in De Rieze V en de Rieze IV, gekozen voor het gescheiden afvoeren van droogweerafvoer (DWA) en hemelwaterafvoer (HWA). De DWA bestaat uit huishoudelijk en industrieel afvalwater. De DWA zal zeker op een bedrijventerrein zodanig vervuild zijn dat afvoeren naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie nodig is. De afvoer van het hemelwater zal deels plaatsvinden via een verbeterd gescheiden stelsel en deels via infiltratie en rechtstreeks op het oppervlaktewater. Het regenwater dat op de daken valt zal in de zomerperiode via infiltratiekoffers worden af gevoerd. In de winterperiode is infiltratie vanwege de hogere grondwaterstanden niet mogelijk en zal het regenwater rechtstreeks worden afgevoerd naar de retentievijver (niet direct naar de Riezegrave). Het regenwater dat terecht komt op wegen en terreinen zal naar het verbeterd gescheiden HWA-riool wordt afgevoerd. Voor het bepalen van de benodigde retentie in het oppervlaktewater is ervan uitgegaan dat infiltratie op is en dat het dakoppervlak direct zal afvoeren naar het oppervlaktewater.

40 vastgesteld)

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (

4.2.3.3 Tabel waterthema's en vertaling in het bestemmingsplan Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als erop een categorie 2 vraag een 'ja' is geantwoord, is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een 'ja' geantwoord, dan kan een verkorte watertoets doorlopen worden. Als er alleen met 'nee' is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema's voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toetsvraag met 'ja' is beantwoord). Watertoetstabel Thema

Toetsvraag

Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een Nee waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of Nee winterbed van een rivier?

2

1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?

Nee

2

Ja Ja

1 1

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

Ja

2

Ja

1

Ja

1

Nee

1

Riolering en Afvalwaterketen

Wateroverlast (oppervlaktewater)

Relevant Intensiteit

2

Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlakte- Ja water geloosd?

1

Grondwateroverlast

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen Nee in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? Nee 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere Nee wateren?

1

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?

Nee

1

Ja

1

Nee

2

Grondwaterkwaliteit

Inrichting en beheer 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (vastgesteld) 41

1 1

Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit Nee het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het Nee plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

1

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?

Nee Nee Nee

2 2 1

Nee

1

Verdroging

1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?

Nee

1

Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of Nee gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

2

Cultuurhistorie

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied Nee aanwezig?

1

Natte natuur

1

Toelichting per relevant waterhuishoudkundig aspect Persleiding en rioolgemaal In het plangebied is een persleiding aanwezig, welke specifiek is bestemd als 'Leiding - Riool'. Daarnaast bevindt zich in het plangebied een rioolgemaal waarvoor een geurzone is opgenomen. Deze is aangeduid als 'Milieuzone - Geurzone'. Wateroverlast (oppervlaktewater) Het Waterschap hanteert in het nieuwe waterbeleid T100+10% voor waterberging, wat betekent dat de waterbergingsopgave is vergroot. De retentievijfers zijn dan ook, met de huidige maatstaven, onvoldoende. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen er aanvullende maatregelen genomen te worden om aan de waterbergingsopgave te voldoen. In overleg met het Waterschap worden de volgende uitgangspunten voor bedrijventerrein De Rieze aangehouden: In het plangebied bevinden zich nog onbebouwde percelen, die nog verkocht zullen worden en waarop bedrijfsgebouwen zullen worden gebouwd en bestrating zal worden aangebracht. Voor deze onbebouwde percelen (kadastraal bekend nr's 2953, 2836, 2954, voor zover gelegen naast 2864 en 2954, voor zover gelegen boven 2956) zal 40 mm. waterberging worden gerealiseerd. Voor de bestaande bedrijven die mogelijk in de toekomst uitbreiden, zullen nadere eisen m.b.t. de compensatie van hemelwater afkomstig van de verharde uitbreiding, worden gesteld. Het uitgangspunt hierbij is 80 mm.

aan waterberging te realiseren, maar de hoeveelheid te compenseren hemelwater hangt af van een nader onderzoek over wat de gevolgen zijn van de stresstest voor de Riezegraven en het bedrijventerrein de Rieze. Ook bij de uitbreiding aan de Ettenseweg 7a (Basil) is het uitgangspunt vooralsnog om 80 mm. aan waterberging te realiseren. Inrichting en beheer Grenzend aan het plan en in het plan liggen watergangen waarop de keur van toepassing is. Uit te voeren werkzaamheden binnen een zone van 5 meter uit de insteek van deze watergang zijn vergunningplichtig. 4.2.4

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan is voorgelegd aan het Waterschap Rijn en IJssel. De adviezen zijn verwerkt als ambshalve wijzigingen van het bestemmingsplan.

42 vastgesteld)

bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (

4.3

Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1

Algemeen

Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. 4.3.2

Toetsing

Archeologie Op de gemeentelijke archeologische waarden en verwachtingenkaart is het plangebied gelegen binnen de zone 'Specifieke archeologische verwachting - geulenstelsel dal Oude IJssel' (paars) en kent het plangebied deels een hoge archeologische verwachting (oranje) en een gematigde archeologische verwachting (geel). Daarnaast is er een archeologische vondst (blauwe stip) gedaan op het terrein.

af beelding 10 Archeologische v erwachtingenkaart Gemeente Oude IJsselstreek

Voor de zone "hoge archeologische verwachting" geldt dat bij een grondverstoringen met een omvang groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm vanaf het maaiveld een rapport overlegd dient te worden, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld. Voor de zone "gematigde archeologische verwachting" geldt dat bij een grondverstoringen met een omvang groter dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm vanaf het maaiveld een rapport overlegd dient te worden, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld. Voor de zone "specifieke archeologische verwachting - geulenstelsel dal Oude IJssel" geldt dat bij een grondverstoringen met een omvang groter dan 5.000 m2 en dieper dan 30 cm vanaf het maaiveld een rapport overlegd dient te worden, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld. Ter plaatse van de blauwe stip geldt dat bij een ieder grondverstoring een rapport overlegd dient te worden, waarin de archeologische waarde van de gronden, waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld. Zie kaart hieronder. bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Rieze 2021" (vastgesteld) 43

Voor de waarnemingsnummer '138569' wordt het volgende toegelicht: In opdracht van de gemeente Gendringen heeft RAAP een AAI uitgevoerd ten behoeve van bestemmingsplan De Rieze IV in Ulft. Het onderzoek bestond uit bureauonderzoek en een karterend booronderzoek. Op grond van de resultaten zijn 15 boringen gezet voor een waarderend onderzoek (op het hoogste deelvan het terrein tussen de Riezenweg en de steilrand in het terrein). In bijna alle boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Het aardewerk kan gedateerd worden in het Neolithicum of de (Late) Bronstijd. Onder de vuursteenartefacten bevinden zich geen dateerbare stukken. Het betreft een aantal kleine afslagjes en een brok met cortex en verweringsvlakken (afslagkern). De archeologische indicatoren komen voor in de bouwvoor en in de daaronder gelegen bruine bodemhorizont, tot een diepte van maximaal 90 cm -Mv. Met uitzondering van het noordwestelijk deel, waar een boerderij staat en de bodem tot 65 a 70 cm -Mv is verstoord, lijkt het grootste deel van de vindplaats voor diepe bodemingrepen gespaard te zijn gebleven.

Af beelding 11 Archeologische Waardev ondst

Er vinden naar aanleiding van het bestemmingsplan geen bodemingrepen in het plangebied waardoor archeologisch onderzoek achterwege kan blijven. Ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden in het plangebied is het gemeentelijk archeologiebeleid in dit bestemmingsplan verwerkt. Op de verbeelding en in de regels is, een bij de verwachtingswaarde passende, dubbelbestemming voor archeologie opgenomen. Op deze manier worden mogelijke archeologische waarden in de bodem beschermd tegen bodemingrepen in de toekomst. Cultuurhistorie Op de 'Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Oude IJsselstreek' wordt geen melding gemaakt van cultuurhistorische objecten, elementen of structuren of andere cultuurhistorisch relevante zaken in het plangebied. Wel wordt de watergang 'de Riezengraaf' deels als historisch watergang aangemerkt. de actualisatie van het bestemmingsplan heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect cultuurhistorie. 44 vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4976/documents/31015