Toelichting+regels Papendijk 30A Geffen.PDF
Tekst van het document
Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2
Groen en natuur/biodiversiteit
Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel 'natuurinclusief' te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen.
Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. 5.2.3
Natuurtoets
Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden
Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS 'gesneuveld' is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Hoewel er geen
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 29 van 59 ontw erp
directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling.
Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken op ca. 10,7 km afstand van het plangebied. Gelet op de ligging van het plangebied en de beperkte impact van de ingreep, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht, geluid en optische verstoring op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van stikstof zijn op voorhand niet uit te sluiten. Om deze reden is een door Econsultancy een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek (rapportnr. 15722.03, d.d. 28 mei 2021) is bijgevoegd als Bijlage 3. Uit het onderzoek (incl. AERIUS-berekening) blijkt dat het planvoornemen niet leidt tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist.
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het plangebied ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 680 meter ten oosten van het plangebied. In onderstaand figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Ligging plangebied t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland
Gezien de afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en/of gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 30 van 59 ontw erp
Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. Wegens het ontbreken van bomen binnen het plangebied, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
Soortenbescherming Het voornemen bestaat om de binnen het plangebied aanwezige bebouwing te slopen en nieuwbouw te realiseren in het kader van Ruimte-voor-ruimte. Om in te schatten of er binnen het plangebied plantenen diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep, is door Econsultancy een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (rapportnr. 15722.002, d.d. 7 mei 2021). De bevindingen en conclusie van de quickscan zijn in onderstaande overgenomen. De quickscan is tevens toegevoegd als Bijlage 4 bij onderhavige toelichting. De aanwezigheid van geschikt habitat binnen het plangebied voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 31 van 59 ontw erp
Op basis van de quickscan Wet natuurbescherming dient voor de uitvoering van de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen en/of functie van het plangebied voor gebouwbewonende vleermuizen en roofvogels. In combinatie met deze aanvullende onderzoeken dient een interne inspectie van het te slopen woonhuis met brandschade op aanwezigheid van de steenmarter plaats te vinden. De bomenlaan grenzend aan de westkant van het plangebied kan dienen als potentiële vliegroute voor vleermuizen. Overtreding van de Wet natuurbescherming is te vermijden indien potentiële vliegroutes functioneel en duurzaam behouden blijven. Hierdoor wordt geadviseerd om geen additionele (bouw)verlichting toe te passen richting deze bomenlaan tijdens de bouwfase en gebruiksfase. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld om verstoring door verlichting te voorkomen. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de sloopwerkzaamheden en het eventueel wegnemen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien in het broedseizoen gewerkt gaat worden, dient voorafgaand aan de start van de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden.
Het wordt geadviseerd om materiaalopslag en snoeiafval te verwijderen buiten het broedseizoen van vogels. Voor beschermde soorten behorende tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten. Ten aanzien van de Natura 2000 gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien voor de voorgenomen werkzaamheden binnen het plangebied.opt. Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan is door Faunaconsult een aanvullende quickscan (d.d. 13 december 2021) uitgevoerd. Deze aanvullende quickscan is eveneens toegevoegd als Bijlage 5 bij onderhavige toelichting. Uit deze aanvullende quickscan is gebleken dat er geen huismus- en gierzwaluwnesten in de woning aanwezig zijn. In de woning zijn geen uitwerpselen of andere indicaties van de steenmarter waargenomen. Wel is gebleken dat er aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen, in 5 rondes conform het vleermuizenprotocol, noodzakelijk is. Dit jaarrond onderzoek kan en zal pas uitgevoerd worden in 2022.
Aangezien de bestaande woning pas gesloopt wordt uiterlijk binnen 6 maanden na gereed melding van de nieuwe woning, hoeft dit geen probleem te zijn. Om te voorkomen dat in strijd met de Wet natuurbescherming gehandeld wordt is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te waarborgen dat dit noodzakelijke vleermuizen onderzoek ook daadwerkelijk zal worden uitgevoerd en afgerond is voordat de bestaande woning wordt gesloopt.
5.3
Archeologie en cultuurhistorie
5.3.1
Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet
De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 32 van 59 ontw erp
Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 5.3.2
Archeologiebeleid
Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar 'archeologiebeleid' vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.
Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². 5.3.3
Archeologietoets
Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m².
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 33 van 59 ontw erp
Toetsing van de plannen Het planvoornemen voorziet in bodemverstorende ingrepen die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld én de omvang van 100 m2 overschrijden. Om deze reden is door Econsultancy een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd waarmee de archeologische verwachtingswaarde van het plangebied inzichtelijk wordt gemaakt. De bevindingen en conclusies uit het onderzoek zijn in onderstaande overgenomen. Het onderzoek is tevens als Bijlage 6 bij deze toelichting toegevoegd. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Op basis van het plangebied werd een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum, een middelhoge verwachting voor de Bronstijd en de IJzertijd en een hoge verwachting voor de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd opgesteld. Voor de periodes van het (Laat-)Paleolithicum, het Mesolithicum, de Romeinse tijd en de Vroege-Middeleeuwen geldt een lage archeologische verwachting. Op basis van deze verwachting is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het booronderzoek blijkt dat de bovengrond in het plangebied is verstoord tot een diepte van 70 tot 170 centimeter onder het maaiveld. Bij vijf van de zes boringen werd direct onder het verstoorde pak-ket de C-horizont aangetroffen.
In een van deze boringen was duidelijk dat de top van de C-horizont was verstoord. In slechts één boring werd nog een restant van de oorspronkelijke podzolbodem aangetroffen. Deze podzolbodem was echter tot in de B-horizont afgetopt en niet langer volledig intact. Deze verstoorde laag is te relateren aan de sloop van de voormalige 19e-eeuwse woning die zich in het westen van het plangebied bevond. Deze woning, en de terp waarop het gelegen was, zijn in de jaren '60 van de vorige eeuw gesloopt. Het puin van de woning en de restanten van de terp zijn in een put in het oosten van het plangebied gedumpt. Door de aanleg van deze put zal de ondergrond op deze locatie vermoedelijk volledig zijn verstoord. Binnen de rest van het plangebied heeft de sloop ervoor gezorgd dat de oorspronkelijke bodem tot een diepte van 70 tot 170 centimeter is verstoord. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek naar beneden bijgesteld. Er geldt een lage archeologische verwachting voor alle periodes. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven.
Selectiebesluit De gemeente Oss neemt het advies van Econsultancy over (zie Bijlage 7). Besloten wordt dat voor het terrein geen archeologische restricties meer gelden ten aanzien van de werkzaamheden. Archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. In het gebied geldt echter wel een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten. Hiertoe zullen de volgende teksten worden opgenomen in de omgevingsvergunning: 1. De start van de werkzaamheden dient minimaal twee weken voor aanvang aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email; 2. De mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, wordt niet uitgesloten. Wij wijzen u nadrukkelijk op uw wettelijke verplichting (Erfgoedwet) om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan u vermoedt dat het om archeologische vondsten of sporen gaat ben u verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente. U kunt uw vondsten melden bij de gemeentelijk archeoloog en aan de gemeentelijk projectleider of de gemeentelijk contactpersoon van uw project Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels.
Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 34 van 59 ontw erp
bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Voor het plangebied geldt in de huidige situatie de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde hoog'. Gezien het feit dat de gemeente Oss het plangebied op basis van het bureau- en verkennend onderzoek vrij heeft gegeven, wordt de archeologische dubbelbestemming niet meer in dit wijzigingsplan overgenomen. 5.3.4
Cultuurhistorie
Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen.
Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang.
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 35 van 59 ontw erp
Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Met de onder het kopje 'archeologie' genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje 'archeologie: bestemmingsplanregels' verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant met plangebied bij rode contour
Het gebied waarop dit wijzigingsplan betrekking heeft is getoetst aan de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. In het plangebied en directe omgeving bevinden zich geen monumenten en komen geen bouwkundige punten, lijnen of vlakken van enige waarde voor. Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1
Verkeer
De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden.
Verkeer: extra verkeersbewegingen Ten gevolge van de realisatie van de ruimte-voor-ruimte woning neemt het aantal verkeersbewegingen binnen en rondom het plangebied niet toe. In de huidige situatie is namelijk al een vrijstaande woning binnen het plangebied aanwezig. Op basis van de CROW normen geldt een maximale norm van 8,6
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 36 van 59 ontw erp
bewegingen per woning per etmaal voor een vrijstaande woning in een niet stedelijk gebied in het buitengebied. Deze norm geldt zowel voor de bestaande woning als de te realiseren ruimte-voor-ruimte woning. Onlosmakelijk onderdeel van de realisatie van de ruimte-voor-ruimte woning, is de sloop van de bestaande woning. De huidige verkeersbewegingen komen hiermee te vervallen. Netto gezien neemt het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van dit planvoornemen dan ook niet toe.
Verkeer: ontsluitingswegen Het plangebied is reeds middels een oprit ontsloten via de Papendijk. De Papendijk is een ontsluitingsweg en loopt vanaf het centrum van Geffen in zuidelijke richting tot de A50. Ter hoogte van het plangebied geldt een snelheidsregime van 60 km/u. Gezien het feit dat het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van dit planvoornemen niet toe neemt, zullen er geen significante verkeerseffecten optreden ten opzichte van de bestaande situatie. De ontsluiting van het plangebied blijft ongewijzigd en voldoet aan de normen van het Mobiliteitsplan 2020. Het aspect verkeersbewegingen levert dan ook geen belemmering op voor de ontwikkeling. 5.4.2
Parkeren
De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota 'Parkeernormen 2017' geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Conform de Nota Parkeernormen 2017 wordt onderscheid gemaakt in een vijftal zones, omdat de vraag naar parkeerplaatsen bepaald wordt door de locatie van de functie alsmede door het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerwijzen. Uit parkeerstudies blijkt dat functies in centra een lagere parkeervraag hebben dan functies van dezelfde aard elders in de bebouwde kom. Het onderhavige plangebied is gelegen in de zone: “buitengebied”. Dit planvoornemen ziet toe op de bouw van een vrijstaande woning gecategoriseerd als "koop". Zoals gesteld in bijlage 2 van de Nota Parkeernormen 2017 is voor deze categorie een parkeernorm van 2,4 van toepassing. Hierbij geldt een bezoekersaandeel van 0,3. De totale parkeerbehoefte t.a.v. het initiatief bedraagt als zodanig afgerond 3 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied worden op eigen terrein voldoende ruimte beschikbaar gesteld voor het faciliteren van deze parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van het aspect parkeren.
Uitsnede Nota Parkeernormen 2017
5.5
Water
5.5.1
Wetgeving en beleid
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 37 van 59 ontw erp
delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische 'waterbestemmingen' komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen.
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels.
Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in 'Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1.
De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.5.2
Watertoets
Algemeen
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 38 van 59 ontw erp
De watertoets moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen en besluiten voldoende rekening wordt gehouden met water en watervoorzieningen. Slim gebruik van water en ruimte kan de leefomgeving van mens en dier verbeteren. En het verkleint de kans op problemen zoals onvoldoende veilige dijken, wateroverlast of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Het watertoetsproces van Waterschap Aa en Maas bestaat uit een aantal stappen: 1. 2. 3. 4.
De digitale watertoets; Uitwerken waterparagraaf; Overleg Waterschap; Het Wateradvies.
De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets en is als Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming (wijzigingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met het automatisch gegeneerd wateradvies. Het doorlopen van de stappen 2 t/m 4 is derhalve niet noodzakelijk voor dit initiatief.
Vuilwater De nieuwe woning zal worden aangesloten op het gemeentelijk vuilwaterriool. De nieuw te bouwen woning kan worden aangesloten op de bestaande leiding van de te slopen woning. De riolering wordt daarom niet extra belast door het planvoornemen en de capaciteit van het riool wordt als voldoende geschat.
Hemelwater Het schone hemelwater afkomstig van de erfverharding en bebouwing wordt niet afgevoerd naar het riool, maar kan infiltreren op de niet-verharde gronden binnen het plangebied (op eigen terrein) Er geldt een compensatieplicht (minimale eis) van 10 mm van het verhard oppervlak. Dit dient op eigen terrein te worden verwerkt/gebergd. Uitgaande van een oppervlak van ca. 108 m2 aan woonbebouwing (12 m * 9 m) en ca. 150 m2 aan overige erfverharding, wordt het toekomstig verhard oppervlak ingeschat op ca. 258 m2. Uitgaande van een bergingseis van 10 mm is er een bergingscapaciteit nodig van ca. 3 m3. Het perceel is ongeveer 1.022 m2. Daarmee is er ruim voldoende ruimte op het perceel om het hemelwater op te vangen in een wadi en ter plaatse te infiltreren. Hiervoor dient dan een wadi met voldoende buffercapaciteit (minimaal 3 m3) te worden aangelegd met een oppervlakkige overloop naar het openbaar gebied. Deze is opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan voor het plangebied.
Advies waterschap Het waterschap adviseert positief over onderhavig plan. Er zijn geen ruimtelijke waterschap belangen binnen het plangebied van toepassing. Ook wordt er op juiste wijze gerefereerd aan het beleid. Er ontbreekt enkel een beschrijving van de toename van eht verhard oppervlak in relatie tot de eventuele waterberging. Hierop is de toelichting (onder het kopje hemelwater in deze paragraaf) van dit wijzigingsplan aangevuld.
5.6
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: Radarverstoringsgebieden; Obstakelbeheergebieden; Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen.
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 39 van 59 ontw erp
Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit wijzigigingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit wijzigingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
5.7
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones 5.7.1
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.
Toetsing richtafstanden Een woning wordt beschouwd als hindergevoelige functie en om deze reden zijn hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied nader beschouwd. Onderstaand figuur en tabel geven de aanwezige functies in de nabijheid van het plangebied weer.
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 40 van 59 ontw erp
Nr.
Bedrijf / functie
Richtafstand
Werkelijke afstand
1
Timmerw erkplaats
30 m (m.c. 2)
32 m
2
Melkveehouderij
30 m (m.c. 3.2)*
75 m
3
Transportbedrijf
30 m (m.c. 2)
100 m
4
Elektrotechnisch bedrijf
30 m (m.c. 2)
145 m
*In afwijking van de VNG richtafstanden geldt op basis van de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017' voor het aspect 'geur' een richtafstand van 25 meter in plaats van 100 meter. Zie hiervoor ook paragraaf 5.7.5
Op basis van de inventarisatie blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen milieubelastende functies aanwezig zijn die tot hinder ter plaatse van de milieugevoelige bestemming kunnen leiden. Ter plaatse van de ruimte-voor-ruimte woning kan een goed woon- en leefklimaat worden gerealiseerd. Omgekeerd vormt de te realiseren ruimte-voor-ruimte woning geen belemmering voor de bedrijven in de omgeving omdat reeds een gevoelige functie binnen het perceel aanwezig was (bestaande woning) en op kortere afstand woningen gelegen zijn die maatgevend zijn voor deze bedrijven.
Conclusie Er wordt voldaan aan de indicatieve richtafstanden op basis van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering alsmede de geurverordening ten opzichte van hinderveroorzakende functies. Verder geldt dat de toevoeging van de ruimte-voor-ruimte woning niet leidt tot nadelige milieueffecten op omliggende functies en er geen bedrijven in hun duurzame bedrijfsvoering worden geschaad. Op grond van voorgaande wordt geconcludeerd dat vanuit het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 41 van 59 ontw erp
5.7.2
Bodem
Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.
Verkennend bodemonderzoek Om de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied inzichtelijk te maken, is door NIPA milieutechniek b.v. een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Het onderzoek (projectnr. 16900, d.d. 22 augustus 2018) is als Bijlage 9 bij deze toelichting toegevoegd. De resultaten en conclusies van het onderzoek zijn in deze paragraaf overgenomen. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat: buiten de bebouwing geen stortmateriaal aangetroffen is, in de bodem zijn plaatselijk enkel sporen baksteen geconstateerd; de sporen baksteenhoudende bovengrond, licht verontreinigd is met zink; de zintuiglijk schone boven- en ondergrond niet verontreinigd is met de geanalyseerde parameters; de sterk puinhoudende grond, aanwezig inpandig ter plaatse van de woonkamer, direct onder de betonverharding, is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters; op basis van de aangetroffen asbesthoudende stukken het berekende gehalte in de grond 315 mg/kg d.s. bedraagt bij een laagdikte van 0,50 m. Het verontreinigd bodemvolume wordt ingeschat op 20 m3 (34 ton); vanwege de afdekking met beton er geen onaanvaardbaar risico is, maar dat wel een beperkingenregistratie dient te worden opgenomen bij het kadaster. Er is geen noodzaak om direct tot sanering over te gaan.
Op basis van de resultaten dient de hypothese 'verdacht met betrekking tot de aanwezigheid van stortmateriaal, welke een nadelige invloed kan hebben gehad op de bodemkwaliteit' in principe verworpen te worden voor het buitenterrein. Voor de grond onder de bebouwing is de hypothese gegrond. Het inpandige onderzoek heeft zich uitsluitend gericht op een deel van de woning waarin de kans op het aantreffen van asbesthoudende materialen het grootste was. Nu aangetoond is dat er asbest aanwezig is, wordt geadviseerd om, na een eventuele sloop van de huidige bebouwing, ter plaatse een nader asbestonderzoek uit te voeren.
Asbestonderzoek Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, heeft NIPA milieutechniek b.v. een aanvullend asbestonderzoek conform NEN 5897 uitgevoerd. Het onderzoeksrapport (projectnr. 18240, d.d. 24 juni 2020) is als Bijlage 10 bij deze toelichting toegevoegd. De resultaten en conclusies van het aanvullend asbestonderzoek zijn in deze paragraaf overgenomen. Uit de resultaten van het aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd op het perceel Papendijk 30a te Geffen, blijkt dat de asbestverontreiniging zich tot de bouwcontour beperkt. Met het voorgaande onderzoek was met boring 01 aangetoond dat de puinlaag zich niet in zuidelijke richting uitstrekt. Bij het aanvullend asbestonderzoek is rond de bebouwing wel puin en puinhoudende grond aangetroffen, maar deze blijkt niet asbesthoudend. De omvang wordt ingeschat op 20 m³, overeenkomstig de inschatting van het voorgaande onderzoek. Graafwerkzaamheden ten behoeve van de herbouw worden als sanerende maatregelen beschouwd. Alvorens tot saneren over te kunnen gaan, dient vooraf overeenstemming bereikt te worden met het bevoegd gezag. Er dient daarom een BUS-melding uitgevoerd te worden, alvorens gestart kan worden.
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 42 van 59 ontw erp
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'bodem' geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 5.7.3
Niet gesprongen explosieven
De locatie is verdacht met betrekking tot het voorkomen van ontplofbare oorlogsresten Tweede Wereld Oorlog. Echter gelet op het feit dat uit het door de gemeente Oss geaccordeerde verkennend bodemonderzoek en archeologisch bureau- en verkennende booronderzoek is gebleken dat de totale ondergrond van het perceel tot ongeveer een diepte van 1,70 meter is verstoord bij het afbreken c.q. slopen van de oude boerderij in 1968, kan worden aangenomen dat er op het perceel geen projectielen uit de Tweede Wereld Oorlog zullen worden aangetroffen. De verstoring van de ondergrond blijkt nadrukkelijk uit de genoemde uitgevoerde onderzoeken. Zowel het archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek (Bijlage 6) als het verkennend bodemonderzoek (Bijlage 9) zijn als bijlagen bij dit wijzigingsplan gevoegd. 5.7.4
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risico-ontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.
Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest.
Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 43 van 59 ontw erp
Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.
Uitsnede risicokaart met plangebied bij blauwe contour
Het plangebied is gelegen op ca. 230 meter afstand tot de rijksweg A59. Over de rijksweg A59 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op ca. 300 meter ten westen van het plangebied loopt een buisleiding. Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Conform de Beleidsvisie Externe Veiligheid gemeente Oss is het plangebied gelegen in Zone III BLEVE aandachtsgebied (1% letaal): 200-300 meter. De zone tussen 200 en 300 meter vanaf het tracé omvat het 1% letaliteitsgebied van een BLEVE en het gebied waar de effecten van een toxische gaswolk nog significant aanwezig kunnen zijn. Ten aanzien van de realisatie van een kwetsbaar object binnen deze zone geldt dat er geen noodzaak hoeft te worden aangetoond om het kwetsbaar object op deze plek te realiseren. De zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied dient goed te zijn. Gezien het feit dat dit planvoornemen voorziet in de oprichting van een woning voor zelfredzame (niet hulpbehoevende) personen, wordt dit als goed beschouwd.
Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt rekening gehouden met de volgende inrichtingseisen: er is een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdiensten; er wordt voldaan aan de Handleiding bluswatervoorziening of een gelijkwaardig voorstel van de brandweer; er is voldoende opvang, afvoersloten; er zijn minimaal twee vluchtroutes van de bron af; kwetsbare objecten moeten aan risicoluwe zijde worden gerealiseerd. Tot slot geldt dat bouwtechnische maatregelen, centrale afgrendeling van het luchtcirculatiesysteem of maatregelen om de schuilmogelijkheden te vergroten in beschouwing dienen te worden genomen. Ook dient aandacht te zijn voor organisatorische en communicatiemaatregelen om de zelfredzaamheid in geval van een calamiteit te vergroten.
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 44 van 59 ontw erp
5.7.5
Geurhinder: agrarisch
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: de burger beschermen tegen geurhinder; de veehouderijen niet onnodig beperken; ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd.
Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening:
Toetsing planvoornemen Dit planvoornemen voorziet door middel van de realisatie van een ruimte-voor-ruimte woning in de oprichting van een geurgevoelig object. Het planvoornemen maakt zelf geen activiteiten met geuremissie mogelijk. Ten oosten van het plangebied, op ca. 75 meter afstand, is een melkveehouderij gelegen. Melkvee wordt aangemerkt als een diercategorie waar geen geuremissie factor voor is vastgesteld. Op basis van de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017' bedraagt de afstand tussen een bedrijf met geringe omvang en een geurgevoelig object in het gebied buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Ten aanzien van de omgekeerde werking geldt dat reeds andere gevoelige objecten (woningen) tussen het plangebied en de melkveehouderij zijn gelegen. Deze woningen zijn en blijven voor de ontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen maatgevend.
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 45 van 59 ontw erp
Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 5.7.6
Geur: industrieel
Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van industrieterreinen. Het aspect ‘geur industrieel’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.7.7
Luchtkwaliteit
Wet milieubeheer Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet 'in betekende mate' (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen', zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo'n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo'n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10%
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 46 van 59 ontw erp
van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.
Woon- en leefklimaat Voor wat betreft de beoordeling van het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dient er gelet te worden op de fijnstofconcentraties ter plaatse. Hiervoor is de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) geraadpleegd. Direct nabij het plangebied is een rekenpunt gelegen. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit ter plaatse, zijn de fijnstofconcentraties ter plaatse van dit rekenpunt beoordeeld. Uit de NSL-monitoringskaart blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 ìg/m3) en PM2,5 (20 ìg/m3) ter plaatse van de rekenpunten niet wordt overschreden (zie onderstaande afbeelding). Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uur gemiddelde concentratie is maximaal 6,697 (7), waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De concentratie fijnstof heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied. Het aspect fijnstof vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Uitsnede NSL-viewer
Conclusie Onderhavig planvoornemen voorziet in het planologisch-juridisch mogelijk maken van de bouw van slechts één ruimte-voor-ruimte woning. Het mogelijk maken van slechts één woning valt binnen het niet
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 47 van 59 ontw erp
in betekenende mate criterium van de Wet milieubeheer. Daarnaast geldt dat het planvoornemen niet voorziet in de oprichting van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 5.7.8
Straling
Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Het plangebied is niet gelegen binnen een zone van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn. Straling van bovengrondse hoogspanningslijnen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.7.9
Weg-, spoor- en industrielawaai
Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er 'rustige gebieden', 'dynamische gebieden' en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.