CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting+regels ontwerp-wijziging 6 BP Buitengebied Oss - 2020.PDF

Adviescommissie Ruimte 12 mei 2022, gemeente OssBij agendapunt: B Gebundelde procedure ontwerpbestemmingsplannen31.257 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Bij het toevoegen van een woning in het buitengebied dient er te worden voorzien in parkeervoorzieningen op eigen terrein. Onderhavig initiatief voorziet in het realiseren van één woning. Conform de Parkeernormen 2017 is het plangebied gelegen in het gebied ‘buitengebied’. Er is uitgegaan van de functie ‘Wonen, koop, vrijstaand’. Op basis van de Parkeernormen 2017 dienen er, voor de te realiseren woning, 3 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden op eigen terrein.

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 46 van 72 Ontwerp 21 december 2021

Water 5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijstwateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGRP een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. 5.5.2

Water in relatie tot de toekomstige situatie

Oppervlaktewater Nabij het plangebied is een A-watergang gesitueerd. Aan beide zijden van deze watergang geldt een beschermingszone met een breedte van 5 meter ten behoeve van het doelmatig beheer en onderhoud. Binnen deze beschermingszone is de Keur van toepassing. De Keur stelt onder andere beperkingen aan het aanbrengen van obstakels, in welke vorm dan ook. Het realiseren van obstakels binnen de beschermingszone mag alleen als hiervoor een (water)vergunning is verleend. Een vergunning hiervoor wordt alleen verleend indien het beheer en onderhoud van de watergang niet belemmerd wordt. In de beleidsregel 3 “Werken en objecten in de watergang en beschermingszone” is opgenomen aan welke voorwaarden voldaan moet worden. Afvalwater De reeds bestaande woning Hoekstraat 1 loost zijn afvalwater middel een iba op de watergang aan de achterzijde. De beoogde nieuwe woning krijgt eveneens een eigen iba waarmee afvalwater geloosd kan worden op de watergang aan de achterzijde. In de vervolgprocedure is het van belang dat de beoogde IBA conform de wet en regelgeving vergund kan worden. Deze voorwaarden zijn te raadplegen via het besluit lozing afvalwater huishoudens en regeling lozing afvalwater huishoudens. Bij aanvraag omgevingsvergunning voor de realisatie van de woning dient de initiatiefnemer aan te tonen dat zij voldoen aan deze voorwaarden. Hemelwater

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 47 van 72 Ontwerp 21 december 2021

Gezien de ligging in het buitengebied dient hemelwater op eigen terrein te worden opgevangen en geïnfiltreerd. Het hemelwater afkomstig van de bestaande woning Hoekstraat 1 wordt op eigen terrein geïnfiltreerd met overloop naar de watergang aan de achterzijde. Het opvangen en infiltreren van hemelwater afkomstig van de nieuwe woning zal op dit infiltratiesysteem worden aangesloten. Het is echter nog niet exact bekend hoe dit aangesloten zal worden. Bij aanvraag omgevingsvergunning voor de realisatie van de woning dient de initiatiefnemer aan te tonen hoe de nieuwe woningen aangesloten zal worden op het bestaande infiltratiesysteem. De huidige schuur heeft een oppervlakte van circa 275 m². De exacte maatvoering van de beoogde nieuwe woning is nog niet bekend maar zal nooit meer dan 275 m² bedragen. Derhalve is er geen sprake van een toename aan verhard oppervlakte in het kader van onderhavig initiatief. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger.

De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:  Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater;  Voorkomen van vervuiling van water;  Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer  Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2.

De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Watertoets Voor onderhavig initiatief is de digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage). Hieruit volgt dat het plangebied

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 48 van 72 Ontwerp 21 december 2021

buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen valt. De verwachting van Waterschap Aa en Maas is daarom dat er naar aanleiding van het ontwerpwijzigingsplan “geen of weinig inhoudelijke opmerkingen” zullen zijn.

Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn:  Radarverstoringsgebieden;  Obstakelbeheergebieden;  Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen;  Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit wijzigingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

Milieuaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod:  Bedrijven en milieuzonering  Bodem  Externe veiligheid  Geurhinder: agrarisch  Geur: industrieel  Luchtkwaliteit  Straling  Weg-, spoor-, en industrielawaai  Gezondheid  Spuitzones

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 49 van 72 Ontwerp 21 december 2021

5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. De nieuwe woning die gerealiseerd wordt kan wel milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van bestaande milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Binnen een straal van 350 meter rondom het plangebied zijn de volgende milieubelastende functies gelegen: Bedrijf

Adres

SBI-2008

Akkerbouwbedrijf

Grotestraat 40

011, 012, 013

Manege

Burg. van Wielstraat 11

Recreatie

Meerstraat 1

de

931

553, 552

Aan te afstanden  Geur  Stof  Geluid  Gevaar  Geur  Stof  Geluid  Gevaar  Geur  Stof  Geluid

houden 10 meter 10 meter 30 meter 10 meter 50 meter 30 meter 30 meter 0 meter 30 meter 0 meter 50 meter

Afstand tot plangebied 160 meter

260 meter

310 meter

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 50 van 72 Ontwerp 21 december 2021

Sporthal

Hoge graaf 13

931

    

Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar

30 meter 0 meter 0 meter 50 meter 0 meter

320 meter

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er is géén hindercontour die het plangebied overlapt. Omliggende bedrijven vormen daarmee geen belemmering voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woning. Bedrijventerrein de Kolk Tevens is binnen een straal van 350 meter een gedeelte van het bedrijventerrein de Kolk gelegen. Voor bedrijventerrein de Kolk geldt het bestemmingsplan “Bedrijventerrein de Kolk – 2013”. Conform dit bestemmingsplan mogen ter plaatse van het bedrijventerrein zich bedrijven vestigen van milieu categorieën 1,2 en 3. Voor functies van milieucategorie 3 (3.1 en 3.2) geldt een grootste richtafstand van 100 meter tot een rustige woonwijk. Afstand tussen het projectgebied tot de bestemming ‘Bedrijf’ op het bedrijventerrein de Kolk bedraagt ruim 180 meter. Aan de minimale richtafstand van 100 meter wordt dan ook voldaan. De aanwezigheid van het bedrijventerrein heeft geen effect op het woon- en leefklimaat in de beoogde woning. Andersom betekent de nieuwe woning geen belemmering voor de bedrijven op het bedrijventerrein, mede doordat andere (bestaande) woningen reeds dichterbij het bedrijventerrein zijn gelegen.

5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. In dat kader is ter plaatse van het nieuwe woonvlak een verkennend bodemonderzoek 3 verricht. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn behoudens de asbestverdachte materialen op/direct nabij de loods geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde en uitgegraven bodemmateriaal zijn zintuiglijk rondom de loods bijmengingen met baksteen, puin, hout, glas en beton waargenomen. Vermoedelijk betreffen dit restanten van een voormalige loods/schuur op de onderzoekslocatie. Asbest In de grove fractie (>20 mm) van het uitkomende bodemmateriaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het geanalyseerde mengmonster van de fijne fractie (druipzone rondom loods) is een licht verhoogde concentratie van 14,2 mg/kg d.s. aangetoond.

De verhoogde asbestconcentratie ligt ruim beneden de helft van de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. waardoor er geen aanleiding bestaat voor het uitvoeren van nader asbest in bodem onderzoek. Het wordt geadviseerd om opgeslagen plaatmaterialen op en direct nabij de loods conform de geldende regelgeving te verwijderen van de locatie om zo het risico op een toekomstige bodemverontreiniging weg te nemen.

3

Verkennend bodemonderzoek, Aeres milieu (d.d. 17 augustus 2021, kenmerk: AM21225)

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 51 van 72 Ontwerp 21 december 2021

Asbestverontreinigingen komen heterogeen verspreid voor in de bodem. Dit wil zeggen dat de aan‐ of afwezigheid van asbest per kubieke meter kan verschillen. Geadviseerd wordt daarom, bijvoorbeeld bij grondwerkzaamheden, alert te blijven op de aanwezigheid van (plaatselijke) asbestverontreinigingen. Bodem Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met cadmium, lood, zink en/of koper en PAK. In de bovengrond zijn geen bestrijdingsmiddelen aangetoond. De ondergrond is licht verhoogd met cadmium en zink. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en xylenen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (bouw woning). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en tijdelijk handelingskader PFAS van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Voor vaststelling van het wijzigingsplan is de bodem voldoende onderzocht.

Echter, alvorens tot de daadwerkelijke bouw van de woning ter plaatse van het noordelijke bestemmingsplan Wonen kan worden overgegaan, is er nog wel aanvullende bodeminformatie nodig. Concreet gaat het om aanvullend verkennend onderzoek ter plaatse van de te slopen schuur en een aanvulling op het asbestonderzoek rondom deze schuur. Tevens dient het omliggende gebied buiten het bouwvlak aanvullend te worden onderzocht op OCB’s. Via een voorwaardelijke verplichting in de planregels wordt dit geborgd. 5.7.3

Externe veiligheid

Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit:  het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)  het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)  het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.

Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 52 van 72 Ontwerp 21 december 2021

overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Met onderhavig initiatief wordt een nieuwe woning opgericht, ter vervanging van een bestaand bijgebouw. Derhalve is er sprake van het oprichten van een nieuw kwetsbaar object. Dit betekend dat er zeer zorgvuldig gekeken moet worden naar eventuele externe veiligheidsbronnen nabij de nieuw te realiseren woning.

Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Noord-Brabant is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen risicovolle bedrijven gelegen. Wel is er op een afstand van 560 meter tot het plangebied een spoorweg (tracé ’s Hertogenbosch – Nijmegen) gelegen. Tevens bevindt zich op een afstand van 700 meter tot het plangebied de A50, waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Onderhavige ontwikkeling ligt binnen het invloedsgebied van de spoorweg, echter op meer dan 300 meter. Conform het gemeentelijk beleid is bij een afstand van meer dan 300 meter tot een spoor- en rijksweg er sprake van zone IV. Bij zone IV wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In bijlage 2 van het gemeentelijk beleid is hiervoor een standaardverantwoording opgenomen. Deze verantwoording wordt hieronder beschreven. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekend dit dat:  vanwege de afstand tot de plaats een mogelijk incident;  de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item.

 Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico;  De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde ‘risicoprofiel’. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende risico is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 53 van 72 Ontwerp 21 december 2021

zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringen van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxische as naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werken stellen van het WA als onderdeel van de algemene rampenbestrijding.

Beleidsvisie Externe veiligheid Oss

Afbeelding 18 Uitsnede risicokaart en beleidsvisie Externe veiligheid Oss (plangebied rood omcirkeld)

5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na:  de burger beschermen tegen geurhinder;  de veehouderijen niet onnodig beperken;

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 54 van 72 Ontwerp 21 december 2021

ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.

De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

Woningen worden aangemerkt als zijnde geurgevoelig object, in de woning dient te worden aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voorgrondbelasting Het grondgebied van de gemeente is opgedeeld in diverse gebieden en per gebied hanteert de gemeente een eigen geurnorm. Met het geurbeleid wil de gemeente zowel de bescherming van de agrarische ondernemers borgen als de doorgang van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Op basis van de geurnormenkaart ligt het plangebied in een extensiveringsgebied en geldt derhalve een geurnorm van 8,0 Ou/m³. De nieuwe woning zou geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (straal van 500 meter rondom het plangebied) is sprake ven een locatie waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren:

1.

Type veehouderij

Locatie

Melkvee, schapen en paardenhouderij

Daalderstraatje 4

Vergunde geuremissie 78

Afstand tot plangebied 500 meter

De geurbelasting kan uitsluitend berekend worden van een veehouderij waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden. Paarden en melkvee zijn dieren zonder geuremissiefactor. Voor bedrijven waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden geldt een vaste afstand van 100 meter tussen de bedrijven en geur gevoelige objecten. De Wgv stelt dat afwijking van deze afstand mogelijk is tot

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 55 van 72 Ontwerp 21 december 2021

respectievelijk minimaal 50 meter. De gemeente Oss heeft daarom de vaste afstand verkleind van 100 naar 50 meter. De veehouderij locatie Daalderstraatje 4 betreft een melkvee, paarden en schapenhouderij. Derhalve geldt voor de paarden en het melkvee een vaste afstand van 50 meter tussen de veehouderij en het plangebied. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan voor wat betreft het aspect geur. Daarnaast dient er voor het houden van de schapen, ondanks het ruimschoots voldoen aan de richtafstand voor de paarden en melkvee, een geurbelasting berekend te worden. Het effect van de vergunde geuremissie van deze schapenhouderijen op het plangebied is door middel van het programma V-Stacks Vergunning berekend (worst-case benadering waarbij de vergunde geuremissie op de meest nabij het plangebied gelegen hoek van het bouwvlak wordt geëmitteerd). In de navolgende tabel is de voorgrond belasting, afkomstig van de veehouderij Daalderstraatje 4, op de hoekpunten van het plangebied weergegeven. Hoek 1 2 3 4

X-coördinaat 172658 172682 172689 172660

Y-coördinaat 422520 422531 422518 422505

Daalderstraatje 4 (Ou/m³) 0,0 0,0 0,0 0,0

De hoogte voorgrondbelasting bedraagt 0,0 Ou/m³. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatste een maximale geurbelasting toegestaan van 8,0 Ou/m³. Dit betekend dat binnen het plangebied wordt voldaan aan de geurnorm. Gesteld kan worden dat de veehouderij Daalderstraatje 4 geen nadelig effect heeft op het woon- en leefklimaat van het plangebied wat betreft voorgrondbelasting. Achtergrondbelasting Op de kaart behorende bij de Agrarische geurverordening Oss 2017 wordt de indicatieve achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied behoord met ‘Goed’ (3,1 – 7,4 Ou/m³). voor de achtergrondbelasting gelden geen vastgestelde wettelijke normen. Uit de gemeentelijke geurverordening blijkt echter bij de beoordeling ‘goed’ sprake is van een goed woon- en leefklimaat zonder dat er overlast is van geurhinder van veehouderijen. Afbeelding 19 Uitsnede cumulatieve achtergrondbelasting - Geurverordening Oss 2017

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 56 van 72 Ontwerp 21 december 2021

5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn:  als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;  als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe;  de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Doorwerking plangebied Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een industrieterrein.

Wel is er, op een afstand van 180 meter bedrijventerrein de Kolk gelegen. De bedrijven, gelegen op het bedrijventerrein, binnen een contour van 350 meter zijn beschreven in paragraaf 5.7.1. Aan alle richtafstanden wordt voldaan. Derhalve is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect industriële geur. 5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit.

Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan.

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 57 van 72 Ontwerp 21 december 2021

Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelde toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door de RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten.

De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt in het plangebied de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,1 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,6 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 18,6 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende waardoor binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Effect op de luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden.

Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd (oftewel meer dan 1,20 µg/m³ bijdraagt) draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig plan wordt slechts per saldo één woning toegevoegd. Met het plan wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Het realiseren van de woning draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit.

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 58 van 72 Ontwerp 21 december 2021

5.7.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Doorwerking plangebied Het plangebied is niet gelegen nabij een hoogspanningslijn, wat betekend dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een magnetische veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla ten gevolge van hoogspanningslijnen. 5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten.

De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In de Wgh is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar de maximumsnelheid 30 km/u geldt. Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer

Breedte van de geluidszone (m) Stedelijk Buitenstedelijk 200 250 350 400 350 600

Voor geluidsgevoelige objecten geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In feite mogen nieuwe geluidsgevoelige objecten niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders. Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Gemeentelijk kader In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 59 van 72 Ontwerp 21 december 2021

De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Doorwerking plangebied Een woning wordt aangeduid als een geluidsgevoelig object.

In de woning moet aangetoond worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Blijkens de gemeentelijke geluidsnota is het plangebied aangeduid als ‘Landelijk gebied met hoge geluidsdruk’. Dit gebied wordt getypeerd als landelijk gebied met agrarische activiteiten, gelegen in de nabijheid van een drukke verkeersweg, spoor of bedrijventerrein waardoor er een hogere geluidsbelasting aanwezig is. In dit gebied is een hogere grenswaarde mogelijk om ontwikkelingen toch mogelijk te maken. De maximale ontheffingswaarde voor onderhavige initiatief betreft 60 dB(A). In dat kader is ter plaatse in het nieuwe woonvlak een akoestische onderzoek 4 verricht. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek naar wegverkeerslawaai wordt geconcludeerd dat een hogere waarde niet benodigd is omdat de berekende geluidsniveaus onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 41 dB aan de westzijde van het plangebied. De vereiste karakteristiek geluidwering Ga;k bedraag dan maximaal 20 dB. Derhalve is een nader onderzoek naar de geluidswering van de gevels niet benodigd. De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer goed’. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning wordt als acceptabel aangemerkt.

Derhalve kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidsbelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg staat. 5.7.9

Gezondheid

Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek.

4

Akoestische onderzoek, de Roever (kenmerk: 20210785.v01)

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 60 van 72 Ontwerp 21 december 2021

Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente.

Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico; b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen; c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. 1.

Endotoxine (varkens- / pluimveehouderijen) Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het is van belang dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.  De dichtstbijzijnde varkenshouderij is gelegen aan de Elleboogstraat 1 in Deursen-Dennenberg. De fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 145 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 67 meter, de huidige afstand (hemelsbreed) bedraagt 750 meter.  De dichtstbijzijnde pluimveehouderij (leghennen) is gelegen aan de Rijt 12 in DeursenDennenberg. De fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 19 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 35 meter, de huidige afstand (hemelsbreed) bedraagt 1,2 km.

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 61 van 72 Ontwerp 21 december 2021

Als gekeken wordt naar de afstanden dan ligt het plangebied buiten de endotoxine risicocontouren van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. 2. Emissies Uit het VGO onderzoek komt naar voren dat diverse gezondheidseffecten gerelateerd lijken te zijn aan de blootstelling van omwonenden aan de emissie van fijnstof, micro-organismen en ammoniak (via de bijdrage aan secundair fijnstof) afkomstig van veehouderijen. Gekeken dient te worden of sprake is van een toename van deze emissies. Onderhavig plan voorziet in het realiseren van een nieuwe woning. Het realiseren van een nieuwe woning leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. 3. Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan 3a. Wettelijke uitgangspunten Op grond van de Wet geurhinder veehouderij kan bij een ontwikkeling sprake zijn en blijven van een overbelaste geursituatie. Het uitgangspunt hierbij is dat er geen sprake is of blijft van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond of achtergrond). De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie. Met het initiatief is daarnaast geen sprake van een toename van geuremissie. 3b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op de wettelijke aspecten kan ook gekozen worden voor een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur.

Toetsing vindt dan plaats aan de door de GGD gehanteerde gezondheidskundige advieswaarde. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015). De op grond van het onderzoek van Geelen hierbij behorende geurbelasting is weliswaar niet juridisch houdbaar aangezien dit niet is opgekomen binnen het gemeentelijk beleid. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied. 4. De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij De soort landbouwhuisdieren dat wordt gehouden en ook de combinatie van te houden dieren kan van invloed zijn op het eventuele risico voor de volksgezondheid. Dit heeft te maken met een mogelijk verhoogde infectiedruk en het risico van vermenging bacteriën of virussen. Indien er sprake is van het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten) of kleine herkauwers onderling dan is advisering vanuit de GGD wenselijk in hoeverre dit voor wat betreft volksgezondheid verantwoord is. Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar bovenstaande combinaties worden gehouden. Daarnaast zijn er geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. 5. Veehouderijen 5a.

Geitenbedrijven Uit recente bevindingen van het VGO-2 rapport (2017) blijkt dat er in een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen een verhoogde incidentie op longontstekingen wordt gevonden. Hierom bedraagt de minimale afstand tussen geitenhouderijen en gevoelige bestemmingen 2 kilometer. Binnen 2 kilometer van het plangebied zijn twee geitenhouderij gelegen. Een geitenhouderij aan de Dorpenweg 27, op een afstand van 1,4 kilometer van het plangebied en een geitenhouderij aan de Beemdenweg 4, op een afstand van 1,7 kilometer van het plangebied. De geitenhouderij aan de Dorpenweg is gelegen ten zuiden van het plangebied. Tussen het plangebied en de geitenhouderij is de kern van Ravenstein gelegen. Derhalve is er geen sprake van belemmering voor onderhavig initiatief op basis van de geitenhouderij. De geitenhouderij aan de Beemdenweg is gelegen ten zuidwesten van het plangebied. Tussen het plangebied en de geitenhouderij is de kern van Huisseling gelegen. Derhalve is er geen sprake van belemmering voor onderhavig initiatief op basis van de geitenhouderij. 5b. Pluimveebedrijven

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 62 van 72 Ontwerp 21 december 2021

Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Zoals uit stap 1 blijkt is de dichtstbijzijnde pluimveehouderij gelegen op 1,2 kilometer. Er zijn geen pluimveehouderijen gelegen binnen 1 kilometer van het plangebied. Ten aanzien van de beoordeling op basis van de ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkensen pluimveehouderijen in de omgeving. Er is dus geen sprake van een verhoogd risico. 5c. Overige veehouderijen Indien een overige veehouderij op kortere afstand ligt dan 250 meter van een bebouwde kom is het advies om een aanvullend risicobeoordeling uit te voeren. Onderhavig initiatief heeft betrekking op het buitengebied van de kern Huisseling. Derhalve is het aspect overige veehouderijen binnen 250 meter van de bebouwde kom niet aan de orde voor het initiatief. 6. De aanwezigheid van mestbe- of verwerking Bij een veehouderij kan mestbewerking als nevenactiviteit bij het houden van de dieren aan de orde zijn. Maar het kan ook een op zichzelf staande activiteit betreffen, waar mest van meerdere veehouderijen wordt bewerkt. Er is in de nabijheid van het plangebied geen mestbewerkings- of mestverwerkingsbedrijf aanwezig. 7.

Ongerustheid bij omwonenden Indien er rond een veehouderij veel ongerustheid bestaat over het aspect volksgezondheid (gerelateerd aan de betreffende veehouderij of meerdere veehouderijen in de omgeving), dan is een advies vanuit de GGD wenselijk. Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden. Uit het stappenplan blijkt dat sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en dat advies van de GGD niet nodig wordt geacht. 5.7.10 Spuitzones In een ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen functies, waaronder woningen. In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een boomkwekerij en de te realiseren nieuwe gevoelige functie moet worden gehanteerd. De afstand van 50 meter rondom boomgaarden is een indicatieve afstand.

Op basis van specifieke omstandigheden kan gemotiveerd van deze 50 meter worden afgeweken De afstand tot een boomkwekerij wordt bepaald door de driftblootstelling aan de gewasbeschermingsmiddelen. Deze driftblootstelling is afhankelijk van de toxiciteit van de gewasbeschermingsmiddelen, de toegepaste technieken, kale of volle bladsituatie van de (fruit)bomen, een (gedeeltelijke) windhaag rondom het perceel en de overheersende windrichting. In dit geval betreft het perceel waarop de woning is beoogd een agrarisch perceel (D 2016). Het perceel waar de bestaande woning is gelegen betreft ook een agrarisch perceel (D 957). Beide percelen zijn bestemd als ‘Agrarisch met waarden - Landschap’. Perceel 2106 is momenteel niet in gebruik als boomgaard. Het perceel wordt aan drie zijdes ingekaderd door een windhaag. Het perceel ligt direct aangrenzend aan het beoogde bouwvlak voor de nieuwe woning.

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 63 van 72 Ontwerp 21 december 2021

Voor dit perceel dient gekeken te worden naar de effecten van eventuele te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen op de te realiseren woning. Perceel 957 is momenteel niet in gebruik als boomgaard. Het perceel wordt aan vier zijdes ingekaderd door een windhaag. Het perceel ligt op een afstand van 8,5 meter van het beoogde bouwvlak voor de nieuwe woning. Voor dit perceel dient gekeken te worden naar de effecten van eventuele te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen op de te realiseren woning.

0 meter

8,5 meter

Afbeelding 20 Beoogde bouwvlak t.o.v. landbouwperceel

Zoals hierboven reeds aangegeven is de in praktijk gegroeide vuistregel van 50 meter indicatief. Dat betekent dat er onder omstandigheden gemotiveerd van kan worden afgeweken en er toch sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Omdat elk geval anders is, dient dit per ruimtelijk initiatief te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Uit onderzoek en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komen de volgende aandachtspunten naar voren: 1. Wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en wat zijn de geldende bestemming(en); 2. Welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt; 3. Wat is de overheersende windrichting. Ad. 1. De voor het plangebied geldende bestemmingen zijn ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ en ‘Wonen’. De bestemming ‘Wonen’ staat nu in relatie met het bestemmingsvlak aan de overzijde van de Hoekstraat. Deze relatie wordt verwijderd waardoor er twee solitaire bestemmingsvlakken ontstaan. Daarbij wordt het bestemmingsvlak vergroot ten behoeve van de nieuwe woning. De bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ wordt op het overige deel van het perceel behouden. Zoals reeds aangegeven zijn de agrarische percelen plangebied bestemd als ‘Agrarisch met waarden - Landschap’. De voor ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ aangewezen gronden zijn o.a. bestemd voor:  Agrarisch bedrijf;  Wonen;  Extensieve dagrecreatie.

Bij het bepalen van een verantwoorde afstand tussen woningen en agrarische percelen waarop agrarische bedrijvigheid in planologisch opzicht is toegestaan, dient te worden gekeken naar wat het bestemmingsplan in juridische zin toelaat. De percelen zijn beide momenteel in gebruik als

Wijziging 6 Bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020, pag. 64 van 72 Ontwerp 21 december 2021

grasland met enkele verspreid geplaatste bomen. Op grond van het bestemmingsplan is het direct toegestaan om een boomgaard op het perceel te realiseren. Ad. 2. Er wordt uitgegaan van de stof Captan, aangezien deze stof in de fruitteelt het meest toxisch is en daarom de grootste afstand tot een gevoelige functie aangehouden dient te worden. Van belang is tevens wanneer deze middelen gebruikt mogen worden: gedurende het hele jaar of gedurende een seizoen, dus zowel op volblad als op kale bomen. De stof Captan mag gedurende het gehele jaar worden gebruikt, dus zwel op kale bomen als bomen met blad. Ad. 3. In verband met de mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting tevens van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de wind uit zuidwestelijke richting. Benodigde spuitzone Door Plan Research International (verder PRI) in Wageningen wordt al jaren wetenschappelijk onderzoek gedaan naar drift bij gewasbespuitingen. Over de blootstelling van omwonende en omstander door toepassing van pesticiden in de agrarische sector, zijn diverse onderzoeksrapporten gepubliceerd. In het onderzoeksrapport ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaardbespuitingen’, J.C. van der Zande en M. Wenneker, maart 2015 zijn van verschillende situaties de veiligheidsafstanden voor de stof Captan berekend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=e9031fb1-218d-44fa-ba1e-635f18e8c45e